Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde Agenda Landbouw- en Visserijraad van 21 en 22 oktober 2024 en appreciatie ICES vangstadviezen pelagische visbestanden (Kamerstuk 21501-32-1674)
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1677
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 16 oktober 2024
De vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur heeft een aantal
vragen en opmerkingen voorgelegd aan de Minister en Staatssecretaris van Landbouw,
Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over de brief van 9 oktober 2024 inzake de geannoteerde
Agenda Landbouw- en Visserijraad van 21 en 22 oktober 2024 en appreciatie ICES vangstadviezen
pelagische visbestanden (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1674).
De vragen en opmerkingen zijn op 14 oktober 2024 aan de Minister en Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur voorgelegd. Bij brief van 16 oktober
2024 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Aardema
Adjunct-griffier van de commissie, Van den Brule-Holtjer
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de verslagen, brieven, bijlagen
en overige documentatie voorafgaand aan de Landbouw- en Visserijraad (LVR) op 21 en
22 oktober 2024 en hebben daarover onderstaande opmerkingen en vragen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur.
Producten andere EU-landen
De leden van de PVV-fractie vragen wederom aandacht voor de import van producten uit
landen buiten de Europese Unie (EU). Deze leden zijn voor open handelsrelaties. Deze
leden zien echter vaak dat in Nederland hoge eisen aan de Nederlandse producten worden
gesteld, terwijl in andere landen deze eisen een stuk lager liggen. Dit resulteert
er veelal in dat producten afkomstig uit landen buiten de EU goedkoper worden aangeboden
in bijvoorbeeld supermarkten waardoor er een oneerlijke concurrentie ontstaat. Deze
leden vragen de Minister of er mogelijkheden zijn om deze oneerlijke concurrentie
tegen te gaan.
Antwoord
Eisen die de Europese Unie (EU) stelt aan producten (productstandaarden), zoals voedselveiligheidseisen,
gelden onverkort voor alle importen. Productiestandaarden zien daarentegen op regels
over de wijze waarop een product wordt geproduceerd, waarbij een spiegelmaatregel
eenzijdig EU-productiestandaarden aan importen uit niet-EU-landen oplegt. Het kabinet
onderzoekt de mogelijkheden om op Europees niveau eisen te stellen aan de invoer van
landbouwproducten die binnen de EU niet geproduceerd mogen worden, zoals aangegeven
in het regeerprogramma (bijlage bij Kamerstuk 36 471, nr. 96). Daarbij dient te worden opgemerkt dat de EU tot op heden terughoudend is omgegaan
met spiegelmaatregelen, omdat alle landen, net als de EU, het recht hebben om hun
eigen wet- en regelgeving in te richten. Handel zou al snel onmogelijk worden als
ieder land zijn eigen productiestandaarden aan importen uit andere landen zou opleggen.
Bovendien kunnen spiegelmaatregelen negatieve gevolgen hebben voor de handelsrelatie
met niet-EU-landen, indien EU-productiestandaarden een voorwaarde zijn voor toegang
tot de Europese markt. De mogelijkheid bestaat dat niet-EU-landen tegenmaatregelen
treffen of een spiegelmaatregel bij het Wereldhandelsorganistatie (hierna: WTO) geschillenbeslechtingssysteem
aanvechten. Ook is het niet altijd zo dat de EU-standaarden hoger of beter zijn dan
in derde landen. Bovendien geldt dat op basis van WTO-regels een maatregel aantoonbaar
moet bijdragen aan een legitiem beleidsdoel en niet verder mag gaan dan strikt noodzakelijk.
Ook dient de EU rekening te houden met de technische en economische haalbaarheid van
controlemechanismen. Dit blijkt uit het op 3 juni 2022 gepubliceerde rapport van de
Commissie over de juridische haalbaarheid en rationale van het toepassen van EU gezondheids-
en milieunormen op ingevoerde landbouw- en agrovoedingsproducten.1
Antidumping onderzoek China
De leden van de PVV-fractie maken zich zorgen over de antidumpingprocedure van China
tegen Europees varkensvlees. Deze procedure kan resulteren in een inkomstenderving
voor de varkenshouders van tien tot 15 euro per varken. Deze enorme inkomstenderving
zal de kostprijs voor de boer nog meer onder druk zetten. Deze leden vragen dan ook
of de Minister deze mening deelt.
Antwoord
Bij anti-dumpingonderzoek wordt er onderzocht of een marktpartij een product exporteert
tegen een prijs die lager is dan de prijs die het normaal op zijn eigen thuismarkt
hanteert. Een dergelijk onderzoek kan, op basis van de WTO-regels, door derde landen
ingesteld worden. Zowel de Europese Commissie (hierna: Commissie) als Nederland bieden
in dergelijke zaken ondersteuning bij de contacten met de, in dit geval, Chinese overheid.
Ook hebben de Commissie en Nederland zich geregistreerd in de zaak, naast de belanghebbenden.
Omdat China voor de export van de zgn. incourante producten naar China, zoals poten,
koppen, staarten etc., een belangrijke afzetmarkt is, volgt Nederland deze onderzoeken
van China nauwlettend. De Commissie zal nauw toezien op het correct verloop van de
onderzoeken conform de regels van de WTO.
Op dit moment liggen de prijzen voor varkenskarkassen in Nederland en de EU in het
algemeen op een redelijk niveau, boven het vijf-jaarlijkse gemiddelde. Producenten
zouden afgelopen jaar voldoende marge hebben moeten kunnen overhouden om eventuele
prijsdalingen in de nabije toekomst op te kunnen vangen, in het geval dat de uitkomsten
van de anti-dumpingsprocedure van China tegen Europees varkensvlees een negatief effect
hebben op de Europese markt. De varkensvleessector kent als geen ander een patroon
van stijgingen en dalingen (de varkenscyclus genoemd).
Toelating gewasbeschermingsmiddelen
De leden van de PVV-fractie zien dat de toelating van (biologische) gewasbeschermingsmiddelen
tot de Nederlandse markt lang op zich laat wachten. Om gewasbeschermingsmiddelen uit
te kunnen sluiten van gebruik zullen er eerst vervangende middelen beschikbaar moeten
zijn. Ondanks het weerbaarder maken van teelten zal een gewasbeschermingsmiddel in
de meeste gevallen nodig blijven. Deze leden zien wel dat de intensiteit en hoeveelheden
gewasbeschermingsmiddelen enorm reduceren door onder andere de innovatie van spuittechnieken.
Deze leden vragen de Minister of zij kan bevestigen dat er wordt gewerkt aan het sneller
toelaten van gewasbeschermingsmiddelen.
Antwoord
Ja, dat kunnen wij bevestigen. Op nationaal niveau zijn diverse stappen gezet voor
versnelde toelatingsprocedures bij het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen
en biociden (Ctgb). Het Ctgb heeft sinds 1 januari 2024 een verduurzamingsloket. Via
dit loket worden aanvragen voor gewasbeschermingsmiddelen die bijdragen aan een duurzame
landbouw met voorrang in behandeling genomen. Het Ctgb heeft daarnaast recentelijk
de vereenvoudigde procedure voor de uitbreiding van de toelating van een gewasbeschermingsmiddel
met kleine toepassingen uitgebreid. Het gaat om een nog laagdrempeligere, administratieve
route voor laagrisicomiddelen. Tot slot krijgen laagrisicomiddelen voorrang bij de
toelatingen die worden gefinancierd vanuit het fonds kleine toepassingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda
en hebben hierover enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben te beginnen vragen met betrekking tot
de onderzoeken vanuit het Chinese Ministerie van Handel (MOFCOM), waarover de bewindspersonen
zeggen dat deze Nederlandse producenten en exporteurs kunnen raken. Deze leden vragen
wat de bewindspersonen hier precies mee bedoelen en wat «aandacht vragen voor» deze
onderzoeken tijdens de Raad inhoudt. Welke zorgen hebben de bewindspersonen over (de
gevolgen van) deze onderzoeken en welke steun vragen zij van de Commissie en andere
lidstaten?
Antwoord
Voor Nederlandse producenten en exporteurs is China een belangrijke afzetmarkt van
zgn. incourante varkensvleesproducten (zoals poten, koppen, staarten etc.) en de in
het anti-subsidieonderzoek onderzochte zuivelproducten (kaas, melk en room met meer
dan 10% vetgehalte).
Nederland zal de Commissie oproepen deze anti-dumping- en anti-subsidieonderzoeken
nauwlettend te blijven volgen, om de legitieme belangen van de EU-markt en Nederlandse
marktpartijen te beschermen waar dat gerechtvaardigd en nodig is, en om de onderzoeken
te beoordelen op conformiteit met de regels van de WTO.
Het gebruik van handelsdefensieve maatregelen als tegenmaatregel is bijvoorbeeld in
strijd met de WTO-regels. Als China zich volgens de Commissie niet aan het WTO-recht
houdt, start de EU een geschillenbeslechtingsprocedure bij de WTO. Zo is de EU al
een dergelijke procedure gestart in het Chinese anti-subsidieonderzoek naar zuivelproducten
uit de EU, Nederland steunt deze EU-inzet. Ook heeft de EU aangekondigd voornemens
te zijn een geschil aan te spannen bij de WTO tegen de voorlopige anti-dumpingmaatregelen
op cognac uit de EU. Tegelijkertijd blijft de EU in gesprek met China. Niemand is
gebaat bij een handelsoorlog. Via dialoog wordt getracht tot een oplossing te komen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zien ten aanzien van de aan te nemen Raadsconclusies
over het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB) terechte waardering voor de agrarische
collectieven die hieruit worden gefinancierd en aan natuurbeheer doen. Wat bedoelen
de bewindspersonen met «aandacht vragen» voor hun succesvolle inzet? Op welke manier
willen de bewindspersonen de inzet van collectieven voor natuurbeheer terugzien in
de Raadsconclusies?
Antwoord
De Nederlandse systematiek van collectieven in het agrarisch natuurbeheer is uniek
in Europa. Om het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (hierna: GLB) goed te laten aansluiten
bij de werking van deze collectieven is het noodzakelijk aandacht te vragen voor het
bestaan van de collectieven, zodat soms specifieke regels iets aangepast worden waardoor
werken met collectieven mogelijk blijft. Aangezien andere lidstaten zelden collectieven
hebben binnen het agrarisch natuurbeheer vragen zij hier geen aandacht voor en daarom
doen wij dit, om inderdaad deze collectieven zo goed mogelijk te blijven ondersteunen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen de teleurstelling van de bewindspersonen
over het besluit van het European Parliament’s Committee on Fisheries (PECH)-comité
om de 5% procent-regel niet te behandelen. De bewindspersonen verwijzen naar andere
mogelijkheden vanuit de Meerjarenplannen van de Europese Commissie (EC) om visbestanden
te herstellen. Welke mogelijkheden zijn dit en hoe kunnen deze worden versterkt om
alsnog te komen tot houdbare en bewezen effectieve maatregelen die visbestanden laten
herstellen, bovenop de onzekere 5%-regel waar de bewindspersonen geen vertrouwen in
hebben?
Antwoord
Het volgen van de 5%-regel kan ertoe leiden dat de vangstadviezen niet kunnen worden
gevolgd en dat het geen ruimte laat om sociaal-economische gevolgen mee te wegen.
Naast de 5%-regel bieden meerjarenplannen de ruimte om andere aanvullende maatregelen
te nemen. Hierbij kan gedacht worden aan gerichte technische maatregelen, zoals het
verplicht stellen van specifieke vistuigaanpassingen, het opleggen van beperkingen
of een visverbod met bepaalde vistechnieken, in bepaalde gebieden of bepaalde periodes,
het gebruik van specifieke maaswijdtes ten behoeve van een selectievere visserij of
het verplicht stellen van een minimum aanlandingsmaat. Voorgenomen maatregelen, of
een combinatie van maatregelen, worden op effectiviteit beoordeeld door het Wetenschappelijk,
Technisch en Economisch adviescomité van de Europese Commissie (STECF).
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat over de uitdagingen in de
landbouwketen de bewindspersonen aangeven dat (jonge) bedrijfsopvolging een hoofdpunt
is. Welke specifieke acties of maatregelen heeft Nederland nodig vanuit de EC om deze
uitdaging te lijf te gaan?
Antwoord
Generatievernieuwing op het boerenerf is belangrijk voor de toekomstige sociale, economische
en ecologische duurzaamheid van plattelandsgebieden en de voedselzekerheid en strategische
autonomie in Nederland en in de EU.
Daarom hebben instrumenten voor generatievernieuwing een belangrijke plek in de Nationaal
Strategische Plannen uit het GLB. Jonge boeren hebben een duidelijke behoefte aan
(financiële) ondersteuning bij bedrijfsovername of het starten van een bedrijf. Daarom
is het belangrijk dat de Commissie ook in de volgende GLB-periode jonge landbouwers
ondersteunt. Dit kan specifiek in de vorm van bijvoorbeeld de vestigingssteun, samenwerkingsregelingen
om landbouwgrond toegankelijker te maken, of investeringssteun door verhoogde subsidiepercentages
voor productieve investeringen.
Verder missen deze leden de aandacht voor biologische agricultuur als oplossing voor
de klimaat- en biodiversiteitsproblematiek die ons voedselsysteem bedreigt. Op termijn
achten deze leden het noodzakelijk en onvermijdelijk dat een veel groter aandeel van
de Nederlandse agricultuur zal bestaan uit biologische teelt om een gezonde bodem
te verzekeren voor toekomstige generaties. Daarom vinden zij het essentieel dat de
biologische sector wordt geholpen met een eerlijke prijs voor haar product: dat de
afzetmarkt vergroot en dat biologische bedrijfsvoering en natuurbeheer aantrekkelijk
wordt voor zo veel mogelijk boeren. Is dit ook de inzet van Nederland? Zo niet, zijn
de bewindspersonen bereid om ook expliciet de uitdagingen van de Nederlandse biologische
sector te benoemen in dit overleg?
Antwoord
Wij vinden het belangrijk dat alle boeren een eerlijke prijs krijgen voor hun product,
dat geldt ook voor biologische boeren. Met het Actieplan biologische landbouw zetten
wij expliciet in op het vergroten van de afzetmarkt. Daarnaast hebben wij structureel
financiële middelen gereserveerd om agrarisch natuurbeheer te stimuleren. Ook valt
een biologisch bedrijf dat voldoet aan de conditionaliteiten, automatisch in het niveau
van goud binnen de ecoregeling van het GLB. In de Raad zal de Minister onder meer
ingaan op de uitdagingen om onze robuuste voedselvoorzieningsketen weerbaar te houden
in de toekomst. Dat zijn niet alleen de uitdagingen voor de biologische sector, maar
voor de gehele Nederlandse en Europese landbouw.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben tot slot grote zorgen over het makreelbestand.
Kunnen de bewindspersonen toelichten welke gevolgen een ongezonde makreelpopulatie
heeft op het onderzeese ecosysteem? Vinden zij net als deze leden dat er specifieke
acties nodig zijn om het makreelbestand te doen herstellen? Welke maatregelen zijn
dat? Ook willen deze leden weten hoe de bewindspersonen de afgenomen makreelpopulatie
verklaart. Betekent dit volgens de bewindspersonen dat huidige acties en vangstadviezen
onvoldoende effectief zijn gebleken? Dwingt dat nu tot hardere ingrepen om de makreelpopulatie
te herstellen, om zo de natuur te beschermen en op termijn weer voldoende vangstmogelijkheden
voor vissers te verzekeren? Als zij die noodzaak niet zien, kunnen de bewindspersonen
dan onderbouwen dat de bijgestelde International Council for the Exploration of the
Sea (ICES)-adviezen voldoende zijn om de makreelpopulatie te herstellen?
Antwoord
Het makreelbestand als deel van het onderzeese ecosysteem dient binnen veilige biologische
grenzen beheerd te worden. Dit houdt in dat wat betreft de toegestane visserijdruk
per jaar onafhankelijk en geborgd vangstadvies van wetenschappers wordt gevraagd op
maximaal duurzame oogst (Maximum Sustainable Yield). Dit vangstadvies is het uitgangspunt
van de EU bij de onderhandelingen over makreel met derde landen. Om te voorkomen dat
het makreelbestand stelselmatig zwaarder wordt bevist dan wat wetenschappelijk geadviseerd
wordt, is allereerst politieke wil bij de beheerverantwoordelijke kuststaten nodig
om afspraken te maken over een goede verdeling van de vangstmogelijkheden, zodat de
makreelpopulatie zich kan herstellen. Recent heeft de Commissie een voorstel gedaan
om Verordening 1026/2012 betreffende bepaalde maatregelen met het oog op de instandhouding
van visbestanden ten aanzien van landen die niet-duurzame visserij toelaten uit 2012
te herzien met enkele technische aanpassingen. De verordening regelt dat beperkingen
aan derde landen kunnen worden opgelegd voor de handel van visserijproducten uit niet-duurzaam
beheerde bestanden naar de EU. Wij bestuderen dit voorstel nog en zullen op korte
termijn de Kamer hierover informeren.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de geannoteerde agenda. Daarover
hebben deze leden nog wel enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie constateren dat de lidstaten tijdens de aankomende LVR
waarschijnlijk zullen instemmen met de Raadsconclusies over een op landbouwers gericht
GLB post 2027. Deze leden constateren dat in de conclusies het behoud van twee pijlers
wordt bepleit, waaronder de bestaande eerste pijler met onvoorwaardelijke inkomenssteun
in de vorm van hectarepremie. Dit uitgangspunt staat volgens deze leden haaks op een
recent uitgelekte presentatie van de EC, waarin de volgende begroting flink op de
schop gaat voor de twee belangrijkste geldstromen uit Brussel: het GLB en de Cohesiefondsen.
Graag vernemen deze leden wat de opvatting van het kabinet hierover is.
Deelt de Minister de mening dat hier een strijdigheid zichtbaar is tussen de conclusies
van de Raad enerzijds en de ambitie van de EC anderzijds?
Antwoord
De concept-Raadsconclusies van het Hongaars voorzitterschap liggen voor in de aankomende
Raad. Ten aanzien van de volgende begroting ligt er op dit moment geen concreet voorstel
van de Commissie. Als het voorstel er komt, dan zal het kabinet te zijner tijd zijn
positie hierop bepalen.
Deze leden vernemen in de geannoteerde agenda dat «de inzet van Nederland is dat het
GLB meer resultaatgericht moet worden en dat doelgerichte betalingen moeten worden
uitgebreid». Zegt de Minister hiermee in andere woorden dat zij de afbouw van hectarepremie
ten opzichte van betalingen voor activiteiten die bijdragen aan milieu- en klimaatdoelstellingen
bepleit? Graag ontvangen deze leden een toelichting hierop.
Antwoord
Het nieuwe prestatiemodel beoogt de publieke GLB-gelden zo resultaatgericht mogelijk
in te zetten en te laten aansluiten bij nationale opgaven. Een meer resultaatgericht
GLB met uitbreiding van doelgerichte betalingen kan wat ons betreft ook met hectarepremies.
De ecoregeling is daar een voorbeeld van. Hoe de verdeling tussen basisbetalingen
en doelgerichte (hectare)betalingen wordt vormgegeven, was bij het huidige GLB deels
een nationale keuze en onderdeel van de structuur van het Nationaal Strategisch Plan.
Doelgerichte betalingen slaan daarnaast ook op regelingen voor plattelandsontwikkeling,
kennis en innovatie, investeringen en jonge boeren.
De leden van de VVD-fractie vernemen tot slot graag van de Minister op welke wijze
zij zich en marge van de LVR zal inzetten om de in het hoofdlijnenakkoord (HLA)(bijlage
bij Kamerstuk 36 471, nr. 37) bepleite derogatie op de Nitraatrichtlijn te verkrijgen. Welke stappen onderneemt
zij gedurende haar bezoek in Brussel hiertoe en op welke wijze wordt de Kamer geïnformeerd
over de voortgang hiervan? Is de Minister nog altijd optimistisch over de kans op
het verkrijgen van derogatie voor 2025 en 2026, hetgeen haar opdracht is in het HLA
en welke vervolgstappen is zij voornemens hiertoe te nemen na deze LVR?
Antwoord
Wij zullen ten algemene de situatie in Nederland onder de aandacht blijven brengen
bij onze Europese collega’s. Aankomende Raad heeft de Minister daarom verschillende
bilaterale gespreken, waar dit voor Nederland belangrijke onderwerp wederom onder
de aandacht gebracht zal worden. Zoals aangegeven tijdens het debat over de wijziging
van de Meststoffenwet op 7 oktober jl., vinden er ook met de Commissie gesprekken
plaats op ambtelijk en politiek niveau. Daarbij moet de korte termijn waarop een nieuw
College van Commissarissen zal beginnen in ogenschouw genomen worden.
Over de inzet van het kabinet ten aanzien van de evaluatie van de Nitraatrichtlijn
en de derogatie is de Kamer geïnformeerd in de Kamerbrief van 13 september jl. (Kamerstuk
33 037-559). Wij blijven ervan overtuigd dat een nieuwe derogatie voor Nederland te verantwoorden
valt. Wij zullen echter hiertoe wel moeten laten zien dat we als Nederland ook concrete
stappen nemen op het vlak van water- en milieukwaliteit. Uiteraard zullen wij de Kamer
blijven informeren over de ontwikkelingen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van de stukken voor de LVR van 21
en 22 oktober 2022 en hebben nog enkele vragen.
De leden van de NSC-fractie lezen dat het Hongaars voorzitterschap ernaar streeft
om in de Raad conclusies vast te stellen over het GLB na 2027. De Minister geeft aan
het verminderen van de complexiteit en de administratieve lasten van het GLB prioriteit
te geven. Deze leden vragen de Minister hoe zij dit vorm zou willen geven. Welke afspraken
wil zij bereiken om een verminderde complexiteit te waarborgen?
Antwoord
Verminderde complexiteit en betere uitvoering zijn noodzakelijke voorwaarden om de
doelen van het GLB te kunnen halen. Wij pleiten voor meer subsidiariteit op Europees
niveau, zodat lidstaten meer ruimte hebben om de GLB-regels en GLB-gelden te laten
aansluiten bij de nationale geografische omstandigheden en uitdagingen. Het nieuwe
prestatiemodel heeft de lidstaten die ruimte gegeven via de Nationaal Strategische
Plannen. Wij zijn voorstander van het nieuwe prestatiemodel en willen het verbeteren,
bijvoorbeeld door het vaker mogelijk te maken een wijziging door te voeren als we
tegen praktische uitvoeringsproblemen aanlopen op het boerenerf. Het nieuwe prestatiemodel
is pas in 2023 ingevoerd en dit vroeg veel van de uitvoeringsdiensten en ICT-systemen.
Het nieuwe prestatiemodel moet zeker beter en eenvoudiger, maar wij zetten daarbij
in op een doorontwikkeling in plaats van weer een nieuw systeem met bijkomende administratieve
lasten.
De leden van de NSC-fractie lezen dat de Minister met name in wil zetten op het verdienvermogen
van de agrariër bij de komende gesprekken over het GLB. Welke rol ziet de Minister
daarin voor de eco-medailles? Deelt de Minister de mening dat de eco-medailles een
nog grotere rol kunnen spelen in het nieuwe GLB, bijvoorbeeld door de middelen nog
meer te verschuiven van de basispremie naar de eco-regeling? Is de Minister bereidt
zich hier in Brussel hard voor te maken?
Antwoord
De ecoregeling kan zeker ook een bijdrage leveren aan het verdienvermogen van de agrariër
en zorgen voor een aanvullend inkomen naast de markt. Boereninkomen is voor ons belangrijk
en dat kan op meerdere manieren versterkt worden. Denk daarbij aan inzet op innovatie,
kennis, het versterken van het concurrentievermogen en de positie van de boer in de
keten. Inderdaad is ook het beter belonen van de diensten die boeren leveren voor
natuur en milieu via de ecoregeling en het agrarisch natuurbeheer een waardevolle
toevoeging. Het nadenken over het toekomstige GLB is pas net begonnen en besluiten
over de toekomstige verdeling van gelden zijn nog niet genomen, maar wij zien een
serieuze rol voor de ecoregeling en het agrarisch natuurbeheer in het toekomstige
GLB, omdat ze bijdragen aan meerdere doelen: het halen van de doelen voor natuur,
milieu en klimaat, het behoud van cultuurlandschap en ook het versterken van het boereninkomen.
De leden van de NSC-fractie lezen dat Von der Leyen recentelijk het eindrapport van
de Strategische Dialoog over de toekomst van de landbouw in EU ontving. Deze leden
zijn benieuwd naar de kijk van de Minister op dit eindrapport. Is zij van plan dit
rapport, net als de EU, mee te nemen in een ontwikkeling van een visie op de landbouw?
Werkt zij aan een integrale visie op natuur, landbouw en platteland zoals door de
Kamer is uitgesproken in de motie van het lid Holman (Kamerstuk 36 410-XIV, nr. 55)?
Antwoord
Het rapport over de Strategische Dialoog over de toekomst van de landbouw in de EU
geeft richting hoe het landbouw-voedselsysteem verder te versterken, met oog voor
betere economische winst, meer milieuduurzaamheid en sociale verantwoordelijkheid.
De resultaten van dit rapport zullen een belangrijke leidraad vormen voor de Landbouw-
en Voedselvisie die de nieuwe Commissie in de eerste honderd dagen na haar aantreden
zal presenteren (voorjaar 2025). Wij zullen de uitkomsten van het rapport betrekken
in de in het regeerprogramma aangekondigde Nationale Voedselstrategie en de Kamer
op een later moment informeren over de contouren, op inhoud en het proces, van deze
strategie.
De leden van de NSC-fractie maken zich zorgen om de handelsrelatie met China. Deze
leden lezen dat ook Nederlandse producenten en exporteurs door de Chinese onderzoeken
kunnen worden geraakt. Hoe schat de Minister de kans in op tarieven zoals recent met
Franse cognac is gebeurd voor Nederlandse producten? Heeft de Minister een plan B
klaarliggen als onze exportmarkt naar China onder druk komt te staan?
Antwoord
Op dit moment lopen de onderzoeken nog. Het is daarom lastig in te schatten welke
conclusies en mogelijke maatregelen hieruit zullen volgen. Nederland staat in nauw
contact met de Commissie ten aanzien van de voortgang van de Chinese onderzoeken en
heeft zich als belanghebbende geregistreerd. Ook staan wij in nauw contact met de
sector in Nederland.
Het gebruik van handelsdefensieve maatregelen als tegenmaatregel is in strijd met
de WTO-regels. Als China zich volgens de Commissie niet aan het WTO-recht houdt, start
de EU een geschillenbeslechtingsprocedure bij de WTO. Zo is de EU al een dergelijke
procedure gestart in het Chinese anti-subsidieonderzoek naar zuivelproducten uit de
EU, Nederland steunt deze EU inzet. Ook heeft de EU aangekondigd voornemens te zijn
een geschil aan te spannen bij de WTO tegen de voorlopige anti-dumpingmaatregelen op cognac uit de EU. Tegelijkertijd blijft de EU in gesprek met China.
Niemand is gebaat bij een handelsoorlog. Via dialoog wordt getracht tot een oplossing
te komen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het verslag van
de LVR van 23 september 2024. Deze leden hebben daarover een aantal vragen.
De leden van de BBB-fractie begrijpen dat een aantal lidstaten die geconfronteerd
zijn geweest met extreme weersomstandigheden hebben gevraagd om meer flexibiliteit
in het GLB, en dat die lidstaten ook om aanpassing van de mogelijkheden tot het gebruik
van de crisisreserves hebben gevraagd. Welke lidstaten waren dat? Wat is de mening
van de Minister ten aanzien van deze vragen?
Antwoord
Tijdens de Raad van 23 september jl. heeft Commissaris Wojciechowski stilgestaan bij
de slachtoffers van onder meer de overstromingen in diverse Europese landen als gevolg
van storm Boris en andere extreme weersomstandigheden, waarbij hij aangaf de mogelijkheden
te willen onderzoeken om op verzoek van de getroffen landen instrumenten in te zetten
om de getroffen boeren te ondersteunen. De Minister heeft sympathie uitgesproken met
de getroffen boeren in deze landen en aangegeven dat het in het algemeen belangrijk
is dat wij met het GLB boeren ondersteunen om de weerbaarheid van de landbouw te vergroten.
De leden van de BBB-fractie constateren dat een aantal lidstaten daarnaast aanspraak
heeft gemaakt op de crisisreserve vanwege dierziekten, weersomstandigheden en handelsmaatregelen.
Is er een overzicht van welke landen aanspraak hebben gemaakt op de crisisreserves
en vanwege welke redenen? Is er ook een overzicht van de toegekende crisisreserves?
Hoeveel geld is er in totaal beschikbaar via de crisisreserves en is de Minister van
plan om ook aanspraak te maken op de reserves in verband met de blauwtongcrisis in
Nederland, zoals deze leden eerder aan de Minister hebben gevraagd?
Antwoord
In het Europese financiële jaar 2023–2024 heeft de Commissie tot op heden ca. 295
miljoen euro beschikbaar gesteld als gedeeltelijke bijdrage bij het opvangen van de
schade door extreme weersomstandigheden (overstromingen, droogte, bosbranden, extreme
vorstschade) in diverse Europese landen die om een financiële bijdrage hebben gevraagd,
waaronder Griekenland, Slovenië, Portugal, Oostenrijk, Tsjechië, Estland, Duitsland,
Roemenië, Bulgarijë en Italië. Voorts is beperkt budget ingezet voor een (gedeeltelijke)
tegemoetkoming in de marktschade als gevolg van vogelgriep in Italië en marktverstoring
in de wijnbouw in Portugal. Voor een overzicht naar Europese steunmaatregelen in de
landbouw in de periode van 2014 tot december 2023 verwijzen wij de Kamer naar het
rapport van de Commissie hierover dat begin dit jaar is gepubliceerd.2
De landbouwreserve omvat 450 miljoen euro op de EU-begroting dat onder voorwaarden
kan worden gebruikt binnen de kaders van de Gemeenschappelijke Marktordening. Als
de reserve in een Europees financieel jaar niet wordt gebruikt, dan blijft deze reserve
staan voor het jaar erop. Als de reserve wel wordt uitgegeven, dan moet in het jaar
erop opnieuw worden bekeken of er binnen de Commissie budget vrij te maken valt om
de reserve aan te vullen. Anders wordt teruggevallen op de «financiële discipline»
en zal de landbouwreserve worden gevoed via inhouding van een klein percentage op
de directe betalingen aan landbouwers in de EU.
Nederland is altijd terughoudend geweest met de inzet van de landbouwreserve. Schade
door dierziekten is het risico van de houder. Steun vanuit de overheid is te verantwoorden
als blijkt dat er sprake is van zeer ernstige marktverstoringen, zoals het omvallen
van een gehele sector als gevolg van dierziekten. De economische effecten van de blauwtonguitbraken
in de schapensector zijn op dit moment nog niet bekend. Daarom laten wij hier onderzoek
naar doen. De uitkomsten worden in januari 2025 verwacht. Op basis van de uitkomsten
van het onderzoek zullen wij bezien wat nodig is voor een duurzaam toekomstperspectief
van de schapensector in Nederland.
De leden van de BBB-fractie lezen met veel belangstelling alle inzet op het gebied
van de visserij. Deze leden begrijpen uit het verslag dat de lidstaten de gelegenheid
hebben gekregen om hun prioriteiten kenbaar te maken in de gedachtewisseling over
de onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk (VK), Noorwegen en de Atlantische
Kuststaten. Deze leden vragen welke prioriteiten de Staatssecretaris bij die gedachtewisseling
te berde heeft gebracht. Daarnaast hopen deze leden dat de Staatssecretaris zich blijvend
kan inzetten om betrekkingen met de betrokken onderhandelaars warm te houden en zo
de onderhandelingen soepel te laten verlopen.
Antwoord
Zoals wij hebben aangegeven in de geannoteerde agenda voor de Raad van 23 september
jl. (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1668) en het verslag van dezelfde Raad (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1673) is ten behoeve van de vangstonderhandelingen onder meer aandacht gevraagd voor het
verzekeren van toegang tot de Noordzee en andere wateren. Ook hebben wij het belang
van een eerlijke afweging tussen de milieudoelstellingen en de sociaaleconomische
doelstellingen van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid aangegeven. Ten aanzien van
makreel is de inzet dat historische verdelingsarrangementen uitgangspunt dienen te
zijn en blijven vanuit het oogpunt van duurzaam bestandsbeheer en stabiliteit voor
de visserijondernemingen. In de onderhandelingen met Noorwegen, waar afspraken worden
gemaakt over het ruilen van diverse visquota en toegang tot elkaars wateren, is de
inzet een eerlijke verdeling tussen de EU-lidstaten in de uitruil van visbestanden
evenals het beëindigen van de Noorse boomkorban, waarvoor geen wetenschappelijke basis
is.
De leden van de BBB-fractie zijn verheugd om te lezen dat de Staatssecretaris de Noorse
boomkorban ter sprake heeft gebracht en willen daarvoor hun waardering uitspreken.
Deze leden vragen wat de reactie van de verschillende andere lidstaten daarop was.
Zij vragen ook wat de reactie van andere lidstaten was op de inbreng van de Staatssecretaris
over de duurzame technieken die helaas verboden blijven in de EU. Ziet de Staatssecretaris
dat er medestanders zijn in andere EU-lidstaten over dat onderwerp?
Antwoord
De zorgen van de Staatssecretaris over de ban op de boomkor in Noorse wateren maken
deel uit van zijn inzet voor de onderhandelingen van de Commissie met Noorwegen. De
besprekingen in de Raad over het mandaat van de Commissie om met Noorwegen te onderhandelen
zijn vertrouwelijk. De Staatssecretaris kan dan ook niet aangeven wat eventuele standpunten
van andere lidstaten hierover zijn. Op de inbreng van de Staatssecretaris over verboden
duurzame technieken in de EU hebben andere EU-lidstaten niet gereageerd.
De leden van de BBB-fractie constateren dat de aankomende benchmark voor ansjovis
en de vergelijking met Noordzeetong en zeeduivel ook nog een aantal vragen oproepen.
Zo vragen deze leden wanneer de benchmark voor ansjovis wordt verwacht en of er binnenkort
voor andere soorten ook een benchmark is te verwachten. Bovendien zouden deze leden
graag van de Staatssecretaris horen of duidelijk is waarom de benchmark voor een aantal
soorten een ander beeld laat zien dan de onderzoeken om de vangstquota vast te stellen.
Is dat een teken dat de onderzoeken naar vangstquota mogelijk niet passend zijn, of
is er een andere reden voor de grote afwijkingen?
Antwoord
De benchmark voor ansjovis heeft plaatsgevonden op 23–27 september jl. Het rapport
van de benchmark met de uitkomsten wordt binnenkort verwacht. Voor andere bestanden
die voor Nederland belangrijk zijn, staan de komende maanden benchmarks voor zeebaars
en voor Atlanto-Scandian haring en makreel op de planning bij de Internationale Raad
voor Onderzoek naar Zee (hierna: ICES).
ICES levert jaarlijks vangstadviezen op voor bestanden op basis van een model waarvan
de randvoorwaarden, zoals de datavoorziening, vooraf zijn vastgesteld binnen ICES.
ICES voert eens in de paar jaar benchmarks uit om wetenschappelijke modellen te herijken
op basis van onder meer nieuwe data of nieuwe inzichten in de wetenschap. De benchmarks
worden uitgevoerd om te zorgen dat modellen voor vangstadviezen optimaal functioneren
op basis van de best beschikbare wetenschap. De uitkomsten van de benchmark kunnen
leiden tot grote of minder grote bijstellingen in vangstadviezen.
De leden van de BBB-fractie hebben ook de geannoteerde agenda met veel interesse gelezen.
Deze leden vragen waarom er juridische onduidelijkheid is over de toepassing van het
«5%-artikel». Daarnaast willen deze leden graag weten welke landen naast Nederland
staan in de wens om de 5%-regel te verwijderen.
Antwoord
In de meerjarenplannen voor de Oostzee, de Noordzee en de Westelijke wateren is opgenomen
dat de vangstmogelijkheden zodanig moeten worden vastgesteld dat de waarschijnlijkheid
dat het bestand onder de biologische grenswaarde komt, niet meer dan 5% bedraagt.
In bepaalde omstandigheden kan de onverkorte toepassing van de 5%-regel echter leiden
tot een situatie die onverenigbaar is met de andere regels van de meerjarenplannen
voor de vaststelling van vangstmogelijkheden, zoals de regel dat de vangstmogelijkheden
worden vastgesteld binnen de bandbreedtes van het advies van ICES. Daarnaast kunnen
er mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen zijn.
Dit betekent ten eerste dat onverkorte toepassing van de 5%-regel zou betekenen dat
de wetenschappelijk geadviseerde vangstmogelijkheden niet kunnen worden vastgesteld
en dat de gerichte visserij moet worden opgeschort. Ten tweede vereisen de vrijwaringsbepalingen
in de meerjarenplannen de vaststelling van herstelmaatregelen om het bestand binnen
biologisch veilige grenzen te brengen. Dit gebeurt op basis van een beoordeling per
geval van de geschiktheid van een dergelijke maatregel overeenkomstig de in de meerjarenplannen
vastgestelde criteria. Bovendien wordt in de meerjarenplannen verwezen naar de mogelijkheid,
en niet naar de verplichting, om de gerichte visserij op te schorten, op voorwaarde
dat een dergelijke maatregel passend wordt geacht volgens de in de meerjarenplannen
vastgestelde criteria. Daarom had de Commissie voorgesteld om de 5%-regel in de meerjarenplannen
te schrappen. Het voorstel had brede steun binnen de Raad.
De leden van de BBB-fractie vragen de Staatssecretaris daarnaast of de Kamer op de
hoogte kan worden gehouden van het voorstel van de EC voor de onderhandelingsinzet
op de vijf grote pelagische bestanden, zodra die door de EC worden gedeeld.
Antwoord
Het voorstel van de Commissie voor de onderhandelingsinzet op de vijf grote pelagische
bestanden is niet openbaar en kan derhalve niet met de Kamer gedeeld worden. Over
het verloop en de resultaten van de onderhandelingen zullen wij de Kamer te zijner
tijd op de gebruikelijke wijze via de geannoteerde agenda’s of verslagen van de Raad
informeren.
De leden van de BBB-fractie hebben ook het verslag van de informele LVR gelezen en
hebben ook daar enkele vragen over. Zo vragen deze leden of de Minister een overzicht
kan geven van de technische punten die nog verder moeten worden uitgewerkt met betrekking
tot RENURE en welke invloed de Minister op de uitwerking van die punten kan uitoefenen,
als dat nodig is.
Antwoord
De besprekingen over het RENURE-voorstel zijn een vertrouwelijk proces. Wij streven
naar een voor Nederland zo goed mogelijk uitvoerbaar voorstel. Daarover voeren wij
gesprekken met de Commissie en andere lidstaten op verschillende niveau’s.
De leden van de BBB-fractie hebben tot slot met veel interesse kennisgenomen van de
verschillende Nederlandse standpunten inzake de onderwerpen die in stemming worden
voorgelegd aan het eerstvolgende SCoPAFF. Deze leden vragen in verband daarmee of
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft
aangegeven hoe lang de respijtperiode van respectievelijk het intrekken van de toelating
en de aflever- en opgebruiktermijn volgens hun adviezen zou moeten zijn, als dat niet
zes en twaalf maanden mag zijn.
Antwoord
Het Ctgb heeft geadviseerd om, gezien de mogelijke risico’s van de stof, een respijtperiode
van 3 maanden voor het intrekken van de toelatingen van metribuzin en 6 maanden voor
de aflever- en opgebruiktermijn te hanteren. Tijdens de SCoPAFF-vergadering was hier
echter onvoldoende steun voor en zijn de lidstaten akkoord gegaan met het intrekken
van de goedkeuring van metribuzin, waarbij de termijnen van 6 en 12 maanden worden
gehanteerd voor respectievelijk het intrekken van de toelating en de aflever- en opgebruiktermijn.
Daarnaast vragen deze leden of de afnemers van de middelen, indien zij nu buiten hun
schuld en zonder voorafgaande waarschuwing mogelijk met een grote restvoorraad komen
te zitten, daarvoor enige compensatie kunnen vragen.
Antwoord
Wij zijn van mening dat het tot het normale bedrijfsrisico van de professionele teler
hoort dat het bedrijf financieel verlies kan hebben door het niet meer mogen inzetten
van voorraden gewasbeschermingsmiddelen, omdat de toelating ervan is verlopen of ingetrokken.
Het wegvallen van de toelating van een gewasbeschermingsmiddel, bijvoorbeeld als gevolg
van het niet-hernieuwen van de Europese goedkeuring van werkzame stoffen in die middelen,
komt vaker voor en is iets waar professionele telers rekening mee moeten houden.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de LVR van 21
en 22 oktober 2024 en hebben hierover nog enkele vragen.
Goedkeuring concept-Raadsconclusies Gemeenschappelijk Landbouwbeleid na 2027
De leden van de PvdD-fractie wijzen de Minister erop dat de Kamer in 2021 de motie
van het lid Vestering (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1292) heeft aangenomen die het kabinet verzoekt zich bij de onderhandelingen over een
nieuw GLB actief uit te spreken voor het intrekken van de gerichte Europese subsidies
aan fokkers van stieren voor stierengevechten. Nog altijd gaat er jaarlijks om en
nabij 200 miljoen euro aan landbouwsubsidies naar de fokkers van stieren en koeien
die zijn bedoeld voor stierengevechten en patroonsfeesten met stieren, koeien en kalveren.
Alleen al 130 miljoen euro komt terecht in Spanje. In het Europees Parlement zijn
al sinds 2009 vragen gesteld en moties aangenomen over dit onderwerp en de onwenselijkheid
van deze subsidies. Het geld dat naar deze fokkers gaat draagt op geen enkele manier
bij aan de verduurzaming van de landbouw en komt dus ook niet terecht bij boeren die
de benodigde omslag moeten maken. Kan de Minister aangeven of zij de mening deelt
dat het onwenselijk is dat dat er EU-landbouwsubsidies terechtkomen bij de fokkers
van stieren en koeien die bestemd zijn voor stierenvechten en wrede stierenfeesten,
gelet op de aangenomen motie van het Vestering? Zo nee, waarom niet? Op welke manier
blijft de Minister zich,in lijn met de wens van de Kamer, in Europa inzetten tegen
het geven van belastinggeld van Europese burgers aan de genoemde groep fokkers?
Antwoord
Wij begrijpen de zorgen die de PvdD-fractie uit met betrekking tot gerichte Europese
subsidies aan fokkers van stieren voor stierengevechten. Het binnen de lidstaten op
een juiste wijze omgaan met dieren bij evenementen van vermaak of traditie is in het
kader van subsidiariteit een verantwoordelijkheid van de lidstaat in kwestie. De concept-Raadsconclusies voor het GLB na 2027 richten zich op de hoofdlijnen van het beleid. Een
meer inhoudelijke, technische discussie volgt later in de Raad als de Commissie haar
voorstel begin 2025 heeft gepubliceerd. Te zijner tijd zullen wij de Kamer hierbij
betrekken en informeren.
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister tevens of zij het advies van experts
overneemt dat ook binnen sport en culturele evenementen het dierenwelzijn moet worden
geborgd en dat evenementen waarbij dierenwelzijn niet kan worden gewaarborgd moeten
worden uitgefaseerd, in lijn met de Raad voor Dierenaangelegenheden (RDA)-zienswijze
«Plezier voor mens én dier?» (RDA, 2 mei 2023, «Plezier voor mens én dier? (https://www.rda.nl/publicaties/zienswijzen/2023/04/17/rda-zienswijze-pl…) Wil de Minister er in de LVR van 21 oktober 2024 op aandringen dat er in de Raadsconclusies
komt te staan dat het zeer onwenselijk is als er in het nieuwe GLB EU-landbouwsubsidies terechtkomen bij fokkers van stieren en koeien die zijn bestemd voor stierengevechten
en wrede patroonsfeesten met stieren, koeien en kalveren?
Antwoord
De concept-Raadsconclusies voor het GLB na 2027 richten zich op de hoofdlijnen van
het GLB, waarin meer dan 50 miljard euro per jaar omgaat. Wij zijn tevreden met de
concept-Raadsconclusies, die wat ons betreft terecht ingaan op de hoofdlijnen van
het beleid en het prestatiemodel. De Minister zal zich in de Raad constructief opstellen,
zodat er Raadsconclusies aangenomen kunnen worden, welke belangrijke politieke sturing
geven aan de Commissie. Een meer inhoudelijke, technische discussie volgt later in
de Raad als de Commissie haar voorstel begin 2025 heeft gepubliceerd. Te zijner tijd
zullen wij de Kamer hierbij betrekken en informeren.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat in Spanje, Frankrijk en Portugal een
meerderheid (bijna 70 procent) van de bevolking vindt dat stierenvechten niet moet
worden gesteund met nationaal en/of Europees publiek geld (Cas International, 13 mei
2024, «Meerderheid mensen in Europese stierenvechtlanden tegen de wrede traditie»
(https://www.stieren.net/nieuws/meerderheid-mensen-europese-stierenvecht…). Wil de Minister zich in aanloop naar en tijdens de onderhandelingen over de herziening
van het GLB voor de periode vanaf 2028 in de landbouwraad actief uitspreken voor het
afschaffen van landbouwsubsidies voor fokkers van vechtstieren (in Spanje: Toro de
Lidia en Toro Bravo)?
Antwoord
Wij begrijpen de zorgen die de PvdD-fractie uit met betrekking tot gerichte Europese
subsidies aan fokkers van stieren voor stierengevechten. Zoals eerder aangegeven is
het in het kader van subsidiariteit een verantwoordelijkheid van de lidstaten om op
een juiste wijze om te gaan met dieren bij evenementen van vermaak of traditie. In
het algemeen zal ik mij inzetten voor het borgen van dierenwelzijn bij besteding van
nationale GLB-middelen.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat tijdens de aankomende LVR de lidstaten
worden gevraagd in te stemmen met de Raadsconclusies over een op landbouwers gericht
GLB post 2027. Gaat de Minister instemmen met de Raadsconclusies?
Antwoord
We stellen ons constructief op in het proces rondom de Raadsconclusies. Het nadenken
over het toekomstige GLB is al begonnen in de EU en het zou goed zijn als de Raad
een gezamenlijke boodschap afgeeft over het GLB na 2027.
SCoPAFF-vergadering gewasbeschermingsmiddelen oktober 2024
De leden van de PvdD-fractie zijn van mening dat er snel moet worden gehandeld om
op Europees niveau het gebruik van bestrijdingsmiddelen verder te beteugelen. Kan
de Minister hiervan een overzicht en tijdslijn van stappen op EU-niveau communiceren?
Antwoord
Wij brengen de Kamer in herinnering dat de Commissie op 31 maart jl. haar Commissievoorstel
voor een Verordening Duurzaam Gebruik van Gewasbeschermingsmiddelen heeft ingetrokken.
Dit voorstel werd afgewezen door het Europees Parlement. Ook lag dit voorstel gevoelig
bij veel lidstaten in de Raad, met name het voorziene wettelijke reductiedoel van
50% voor chemische gewasbeschermingsmiddelen in 2030. Nederland was onderdeel van
een kleinere groep lidstaten die het voorstel grotendeels kon steunen. Gelet op de
gevoeligheid van het onderwerp en de stemverhoudingen in de Raad, ligt het niet voor
de hand dat Nederland het gesprek hierover heropent.
De leden van de PvdD-fractie zijn verder benieuwd naar de inzet van de Minister om
gezondheid van mens, dier en milieu te beschermen. Wat is deze inzet tot nu toe geweest?
Welke stappen heeft de Minister daarin genomen en welke stappen is de Minister voornemens
om te nemen? Plaatst de Minister de gezondheid van mensen op de eerste plaats? Zo
ja, hoe rijmt dat met de inzet van de Minister tot dusver alsmede haar voorgenomen
inzet? Wordt de bewindspersoon van Volksgezondheid, Welzijn en Sport gevraagd naar
input over bescherming van gezondheid in relatie tot bestrijdingsmiddelen? Zo nee,
waarom niet? Zo ja, wat is de input tot nu toe geweest?
Antwoord
Het toelatingsbeleid voorziet in de bescherming van mens, dier en milieu. De risicobeoordeling
voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen in Nederland wordt gedaan op basis
van zeer strenge beoordelingskaders. Wij vinden het belangrijk dat er meer inzichten
worden verworven over de gezondheidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen. Om die
reden financieren wij onder andere het langjarige Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en
Omwonenden 2 (OBO-2). Hierin wordt onderzoek gedaan naar de blootstelling van omwonenden
(en agrariërs) en de mogelijke relatie met meerdere ziektebeelden, waaronder de ziekte
van Parkinson en leukemie. Daarnaast financieren we een meerjarig onderzoek naar de
ontwikkeling van testmethodieken voor de ziekte van Parkinson ten behoeve van de risicobeoordeling
van gewasbeschermingsmiddelen. De resultaten van dit onderzoek zullen ook inzicht
geven in de mogelijke relatie tussen glyfosaat en de ziekte van Parkinson. Mocht gedurende
de onderzoeken blijken dat de gezondheid van mensen in het geding is door een toegelaten
gewasbeschermingsmiddel, dan wordt hierop direct ingegrepen door het Ctgb. De beide
onderzoeken zijn tot stand gekomen in samenwerking met de bewindspersonen van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (VWS). Zij zijn en blijven nauw betrokken bij het verloop hiervan,
net als bij andere trajecten op het raakvlak tussen gewasbeschermingsmiddelen en gezondheid.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat mensen in Nederland te veel Poly- en
perfluoralkylstoffen (PFAS) binnenkrijgen via voedsel en drinkwater en dat er hierdoor
nadelige effecten op de gezondheid kunnen ontstaan (RIVM, «PFAS» (https://www.rivm.nl/pfas). Ook constateren deze leden dat PFAS heel langzaam afbreken in de leefomgeving en
dat hoe sneller er minder PFAS in de leefomgeving terecht komen, hoe beter. Gaat de
Minister in Europees verband pleiten voor op korte termijn stoppen met het gebruik
van PFAS in bestrijdingsmiddelen? Kan de Minister komen met een duidelijk tijdspad,
met afrekenbare tussendoelen om bestrijdingsmiddelen met PFAS zo snel mogelijk volledig
uit te faseren?
Antwoord
Gewasbeschermingsmiddelen mogen alleen op de markt komen en gebruikt worden als is
aangetoond dat deze veilig kunnen worden toegepast, zo ook gewasbeschermingsmiddelen
die onder de definitie van PFAS vallen. Wij vertrouwen op het Ctgb als onafhankelijke
toelatingsautoriteit om in te grijpen wanneer gewasbeschermingsmiddelen niet meer
veilig kunnen worden toegepast. Binnen het huidige Europese restrictievoorstel voor
PFAS wordt daarnaast voorgesteld om PFAS die als hulpstof, toevoegingsstof of in verpakkingsmateriaal
van gewasbeschermingsmiddelen gebruikt worden, uit te faseren. Daarnaast heeft de
Commissie aangekondigd om, volgend op een aanbeveling uit het Europese restrictievoorstel,
stappen te ondernemen om in de beoordeling van geneesmiddelen, diergeneesmiddelen,
biociden en gewasbeschermingsmiddelen meer rekening te houden met persistentie. Wij
steunen dit initiatief en zullen de Commissie hierop blijven bevragen.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat organisaties zoals het Rijksinstituut
voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM) en de Wereldgezondheidsorganisatie stellen dat
er een mogelijk verband bestaat tussen het gebruik van chemische bestrijdingsmiddelen
en ziektes zoals Parkinson en bepaalde vormen van kanker zoals leukemie. Over dat
laatste is er vorige week een rechtszaak gewonnen in Frankrijk door een moeder bij
wie is vastgesteld dat ze haar kind aan leukemie heeft verloren door blootstelling
aan bestrijdingsmiddelen gebruikt voor bloemen (NOS, 12 oktober 2024, «Leukemie door
pesticiden op bloemen: «Franse zaak hopelijk wake-upcall voor ons» (https://nos.nl/nieuwsuur/artikel/2540478-leukemie-door-pesticiden-op-bl…). Deze leden pleiten voor Europese actie en voorzorgsmaatregelen en roepen de Minister
op zich in te zetten voor de bescherming van de gezondheid van mens, dier en milieu
tegen blootstelling aan bestrijdingsmiddelen. Elke dag dat we langer wachten hiermee
krijgen mogelijk nog meer kinderen kanker.
Antwoord
Het beschermen van mens, dier en milieu tegen de risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
en het daarbij toepassen van voorzorg is uitgangspunt van de Europese Verordening
voor gewasbeschermingsmiddelen en tevens uitgangspunt van mijn beleid. Om die reden
worden gewasbeschermingsmiddelen alleen toegelaten door het Ctgb na een uitvoerige
risicobeoordeling, conform wettelijk vastgestelde kaders en als is aangetoond dat
deze veilig kunnen worden toepast. Voor mijn inzet op dit onderwerp verwijzen wij
naar ons eerdere antwoord op de vraag van de leden van de PvdD-fractie.
De leden van de PvdD-fractie constateren dat er nu geen regulering bestaat voor resten
van bestrijdingsmiddelen die op sierplanten en snijbloemen mogen zitten. Als een stof
in een ander land wel is toegestaan maar in de EU verboden is, mag die stof nu wel
als rest op de planten of snijbloemen achterblijven als die worden geïmporteerd. Wat
wordt de inzet van de Minister om op EU-niveau op te roepen dat er regulering komt?
Gaat de Minister pleiten dat de EU moet stoppen met het importeren van planten en
bloemen die zijn bespoten met middelen die hier verboden zijn? Gaat de Minister pleiten
voor een versnelde afbouw van chemische bestrijdingsmiddelen voor sierteelt en gaat
ze zich in zetten voor biologische sierteelt? Zo ja, op welke manier? Zo nee, gaat
de Minister op zijn minst pleiten dat er maximale residunormen worden vastgesteld
voor de sierteelt?
Antwoord
Het is de verantwoordelijkheid van de Minister van VWS om consumentveiligheid te borgen,
zo ook de veiligheid van planten en bloemen voor de consument, en de verantwoordelijkheid
van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om arbeidsveiligheid te borgen.
Wij willen daarom met deze departementen bespreken welke stappen in EU-verband nodig
zijn, bijvoorbeeld ten aanzien van residuen van gewasbeschermingsmiddelen op sierteeltgewassen.
Wij vinden het belangrijk dat ook Nederlandse importeurs en telers van tuinplanten
en de sierteeltsector zich maximaal inspannen om sierteeltproducten veilig te houden
voor mens (inclusief de teler zelf), dier en milieu. Binnen de keten kan dit niet
zonder een gezamenlijke inzet van tuinretailers, handelspartijen en ketenpartijen.
Een gestructureerde landelijke aanpak waar onder andere kwekers, teeltadviseurs, inkopers
en tuincentra onderdeel van uitmaken loopt in Nederland bijvoorbeeld vanuit de tuinbranche.
Dat juichen wij toe.
Ons beleid is gericht op het verminderen van de afhankelijkheid van chemisch-synthetische
gewasbeschermingsmiddelen. Hier werken wij met maatschappelijk en sectororganisaties
aan in het Uitvoeringsprogramma Toekomstvisie gewasbescherming 2030. Wij streven naar
deze verminderde afhankelijkheid van middelen voor alle sectoren. Via onze recente
brief hebben wij de Kamer geïnformeerd over de inzet inzake biologische sierteelt
(Kamerstuk 29 842, nr. 45).
Nederlandse inzet voor de 16e Conferentie van Partijen voor het Verdrag Inzake Biologische Diversiteit
De leden van de PvdD-fractie constateren dat Nederland te laat zal zijn met het indienen
van een rapport over het herstel van de biodiversiteit, zoals afgesproken door bijna
200 landen twee jaar geleden. Tijdens een aankomende bijeenkomst in Colombia zal Nederland
geen plan presenteren, omdat het kabinet eerst het rapport wil aanpassen aan de nieuwe
coalitieafspraken. Het rapport wordt verwacht in maart 2025. Deze leden constateren
dat natuurorganisatie International Union for Conservation of Nature (IUCN) zijn teleurstelling
heeft geuit richting Nederland over deze vertraging en heeft benadrukt dat het een
slecht signaal is dat Nederland geen bewindspersoon naar de bijeenkomst stuurt (NOS,
11 oktober 2024, «Nederland levert natuurplannen te laat in, veel andere landen ook»
(https://nos.nl/artikel/2540408-nederland-levert-natuurplannen-te-laat-i…). Deze leden delen deze teleurstellingen, maken zich zorgen en roepen de Minister
op een bewindspersoon naar de COP16 te sturen om een sterk signaal af te geven dat
de Nederlandse overheid vindt dat een belangrijke taak van de overheid het beschermen
en verbeteren van biodiversiteit wereldwijd en in Nederland is. Kan de Minister aangeven
dat ze ook erkent dat het een belangrijke overheidstaak is? WKan de Minister toelichten
waarom er geen bewindspersoon naar de COP16 wordt gestuurd? Kan er alsnog een bewindspersoon
worden gestuurd?
Antwoord
De Staatssecretaris stelt voorop dat het internationale speelveld belangrijk is, zeker
ook op natuur. Daarom wordt Nederland tijdens COP16 van het VN-Verdrag voor Biologische
Diversiteit op hoog-ambtelijk niveau vertegenwoordigd. De inzet op internationale
bijeenkomsten van bewindspersonen moet voortdurend afgewogen worden tegen de grote
nationale uitdagingen die de volledige aandacht nodig hebben en waar de Staatssecretaris
verdere stappen wil en moet maken. Naast de directeur-generaal Natuur en Visserij
van het Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur als hoofd van
de delegatie zijn de Permanente Vertegenwoordiger voor de Rome Based Agencies (FAO,
WFP, IFAD) en de Ambassadeur in Colombia alsmede de Watergezant onderdeel van de hoog-ambtelijke
vertegenwoordiging in de brede ambtelijke delegatie bestaande uit ter zake kundige
ambtenaren van verschillende ministeries. Daarmee is Nederland, zowel kwalitatief
als kwantitatief goed vertegenwoordigd.
De leden van de PvdD-fractie hebben ook kennisgenomen van het feit dat het kabinet
zegt dat zorgvuldigheid belangrijker is dan snelheid. Kent de Minister de gezamenlijke
oproep van Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) en Intergovernmental Science-Policy
Platform on Biodiversity and Ecosystem Services (IPBES) om de klimaatcrisis en biodiversiteitscrisis
in samenhang aan te pakken en de constatering dat geen van beiden wordt opgelost,
als we één van de twee verwaarlozen (Ecoact, 25 juni 2021, «New IPCC and IPBES report:
Tackle climate change & biodiversity together» (https://eco-act.com/blog/ipcc-ipbes-climate-change-biodiversity/)?
Antwoord
Ja, de Staatssecretaris is bekend met deze oproep en onderschrijft deze in de Kamerbrief
inzake de inzet voor de COP16 van het VN-Verdrag voor Biologische Diversiteit (Kamerstuk
26 407, nr. 152) en de inzet voor de Milieuraad in aanloop naar COP29 van het VN-Klimaatverdrag (Kamerstuk
31 793, nr. 272).
Heeft de Minister kennisgenomen van het recente rapport van een coalitie van 15.000
wetenschappers die in een rapport waarschuwen voor een onomkeerbare klimaatramp en
waarin biodiversiteitsverlies als een van de belangrijkste aspecten van de huidige
«diepgaande polycrisis» in het rapport wordt genoemd (Bioscience, 8 oktober 2024,
«The 2024 state of the climate report: Perilous times on planet Earth» (https://academic.oup.com/bioscience/advance-article/doi/10.1093/biosci/…)? Onderkent de Minister de urgentie om maatregelen te nemen om verdere biodiversiteitsverlies
tegen te gaan én biodiversiteit te bevorderen? Zo ja, waarom wordt het inleveren van
belangrijke plannen om effectieve maatregelen te nemen, zoals het National Biodiversity
Strategies and Action Plan (NBSAP) vertraagd? Wat was de status van het concept-NBSAP
en was het zo goed als afgerond? Is de Minister nu voornemens het NBSAP te herzien
en mogelijk af te zwakken? Verder vragen deze leden hoe staat het met de uitvoering
van de breed aangenomen motie van het lid Kostić c.s. (Kamerstuk 21 501-08, nr. 942) die de regering opdraagt om zo snel mogelijk dit jaar in beeld te brengen welke
bestaande afspraken rondom de bescherming van de natuur dreigen niet te worden gehaald,
om vervolgens waar nodig in te grijpen om ervoor te zorgen dat de afspraken alsnog
op tijd worden nagekomen en om met maatregelen te komen om ervoor te zorgen dat de
negatieve trend voor verschillende dierpopulaties, zoals wilde bijen en vlinders,
zo snel mogelijk wordt gekeerd. Hoe rijmt de Minister het met de duidelijke opdracht
van bovengenoemde motie van het lid Kostić en de wetenschappelijke inzichten over
de stand van biodiversiteit en de situatie van een biodiversiteitscrisis (zoals genoemd
door IPBES en IPCC), indien de NBSAP wordt afgezwakt?
Antwoord
De Staatssecretaris is bekend met het rapport en onderschrijft dat klimaatverandering
niet een geïsoleerd probleem is maar samenhangt met andere grote uitdagingen als biodiversiteitsverlies.
Het is van belang om het verlies aan biodiversiteit te stoppen en om te keren en het
kabinet is gecommitteerd aan de internationale doelen die hiervoor gesteld zijn. Het
National Biodiversity Strategies and Action Plan (hierna: NBSAP) is nog niet gereed
en wordt in lijn gebracht met het huidige regeerprogramma, het hoofdlijnenakkoord
en de prioriteiten van het kabinet. Het kabinet is voornemens om het NBSAP in het
tweede kwartaal van 2025 bij het secretariaat van het Biodiversiteitsverdrag in te
sturen. Voorafgaand zal het met de Kamer worden gedeeld. In het Commissiedebat van
4 september jl. heeft de Staatssecretaris toegezegd dat de uitvoering van de motie-Kostić
(Kamerstuk 21 501-08, nr. 942) wordt meegenomen in de brief die voor het einde van 2024 naar de Kamer zal worden
gestuurd over het opstellen van het natuurherstelplan, omdat daar de meest inhoudelijke
relatie ligt.
De leden van de PvdD-fractie wijzen erop dat het in 2022 vastgestelde biodiversiteitskader
op vier overkoepelende doelen voor 2025 inzet: 1) bescherming en herstel van biodiversiteit;
2) het duurzaam gebruik en de bijdragen van ecosysteemdiensten voor mensen; 3) de
eerlijke verdeling van de opbrengsten van genetische hulpbronnen; en 4) voldoende
(financiële) middelen voor implementatie. In de brief van de toenmalige Minister van
maart 2023 (Kamerstuk 26 407, nr. 146 (kenmerk 2023D09116)) worden deze hoofddoelen en de concrete doelstellingen nader toegelicht. Ondertekent
de Minister nog steeds deze hoofddoelen en concrete doelstellingen?
Antwoord
In de Kamerbrief over de uitkomsten van de COP15 van het VN-Verdrag voor Biologische
Diversiteit van 7 maart 2023 (Kamerstuk 26 407, nr. 146) duidt het voorgaande kabinet de hoofddoelen en de concrete doelstellingen (targets),
waaronder van het Strategisch raamwerk voor 2030, het zogenoemde Kunming-Montreal
Global Biodiversity Framework, dat tijdens deze vergadering unaniem is aangenomen.
In het regeerprogramma geeft het kabinet aan zich te committeren aan de verplichtingen
die volgen uit internationale wet- en regelgeving ten aanzien van natuur en biodiversiteit.
Zoals aangegeven in de antwoorden op schriftelijke vragen voor de Milieuraad van 9 oktober
2024 (Kamerstuk 21 501-08, nr. 961) is het kabinet voornemens om het NBSAP in het tweede kwartaal van 2025 in te sturen
bij het secretariaat van het Biodiversiteitsverdrag en dit voorafgaand met de Kamer
te delen. Daarin zal het kabinet aangeven wat de Nederlandse bijdrage zal zijn aan
de mondiale inzet om de hoofddoelen en de concrete doelstellingen te behalen.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het feit dat het Planbureau
voor de Leefomgeving (PBL) (PBL, 22 mei 2024, «De betekenis van het VN «Kunming-Montreal
Raamwerk voor biodiversiteit» voor het Nederlandse beleid» (https://www.pbl.nl/publicaties/de-betekenis-van-het-vn-kunming-montreal…) het nodig acht om natuur in aanpalende beleidsterreinen te integreren om daadwerkelijk
vorm te kunnen geven aan de transitie naar een natuur inclusieve samenleving om te
voldoen aan de doelen die in het mondiale biodiversiteitskader zijn vastgesteld. Er
is verder volgens het PBL een versnelling van de uitbreiding en inrichting van de
natuur nodig om aan het doel te kunnen voldoen om in 30 procent van het areaal bescherming
te realiseren. Hoe worden deze doelen uit het mondiale kader meegenomen in de alternatieve
plannen voor het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), dat pas voor eind dit
jaar zal komen?
Antwoord
In het regeerprogramma is een uitvoeringsgerichte en gebiedsspecifieke aanpak aangekondigd
die uitgewerkt wordt in samenhang met de ruimtelijke keuzes voor de Nota Ruimte en
de ruimtelijke afspraken van het Programma Novex. Een eerste richting van deze aanpak
is voor het einde van 2024 aan de Kamer toegezegd. Bij die uitwerking van de aanpak
zal bezien worden welke bijdrage geleverd kan worden aan de doelen uit het mondiale
kader.
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
Geannoteerde agenda – Handelsgerelateerde landbouwvraagstukken
De leden van de SGP-fractie vragen bij het agendapunt «handelsgerelateerde landbouwvraagstukken»
aandacht voor de aangenomen motie van het lid Flach (Kamerstuk 36 518, nr. 15), waarin wordt verzocht in te zetten op het beperken van import en consumptie van
voedselproducten die in de EU op basis van de regelgeving voor milieu en dierenwelzijn
niet hadden mogen worden geproduceerd (rekening houdend met de World Trade Organization
(WTO)-kaders). Is de Minister voornemens dit mee te nemen in haar inbreng bij de LVR?
Antwoord
Nederland zal bij de Raad aangeven dat het opnemen van gelijke en redelijke standaarden
in handelsverdragen belangrijk is. Ook zal Nederland de mogelijkheden bezien om op
Europees niveau eisen te stellen aan de invoer van producten die binnen de EU niet
geproduceerd mogen worden.
Geannoteerde agenda – Goedkeuring concept-Raadsconclusies GLB na 2027
De leden van de SGP-fractie maken zich zorgen over de toekomst van akkerbouw- en vollegrondsgroenteteelten
in verband met het afnemende middelenpakket voor gewasbescherming in combinatie met
de klimaatverandering en de toenemende druk van ziekten en plagen. Juist deze teelten
zijn van belang voor voedselproductie en voedselzekerheid. Deelt de Minister met deze
leden dat het van belang is dat het GLB ook inzet op de weerbaarheid van teelten?
Op welke wijze wil zij zich in Europees verband hiervoor inzetten?
Antwoord
Het toekomstige GLB kan het beste worden ingezet om de lange termijn weerbaarheid
van de landbouw te versterken. Dat betekent zowel de economische weerbaarheid via
kennis, innovatie en concurrentiekracht, als ook de lange termijn weerbaarheid tegen
klimaatverandering en de daarbij horende uitdagingen zoals droogte, verzilting en
de toenemende druk van ziekten en plagen. Via het Actieprogramma klimaatadaptatie
landbouw is de ambitie in te zetten op innovatie, stimulatie en bevordering van lange
termijn adaptieve rassen, gewassen en teeltsystemen. Wij zullen aandacht hebben voor
het versterken van weerbare teelten in onze verkenning voor de volgende GLB-periode.
Verslag informele landbouwraad
De leden van de SGP-fractie hebben een vraag over de stand van zaken met betrekking
tot RENURE. Deze leden hebben begrepen dat de EC in haar voorstel ten opzichte van
het advies het Joint Research Centre (JRC) een voorwaarde heeft toegevoegd, namelijk
dat sprake moet zijn van bewerkingsstap. Dat zou betekenen dat urine volgens het JRC
wel als kunstmestvervanger zou kunnen worden aangemerkt, terwijl dat in het voorstel
van de EC niet het geval is. Klopt deze analyse? Zet de Minister zich ervoor in dat
ook urine toegelaten wordt als kunstmestvervanger?
Antwoord
De analyse dat urine op dit moment geen onderdeel uitmaakt van het RENURE-voorstel
van de Commissie klopt. De Commissie heeft aangegeven met dit voorstel enige terughoudendheid
te willen aanhouden ten opzichte van het rapport van het Joint Research Centre en
eventuele nadere opvolging van de aanbevelingen in het rapport te willen betrekken
bij de evaluatie van de Nitraatrichtlijn. Nederland zal zich als voorstander uitspreken
voor het verder betrekken van de aanbevelingen bij de evaluatie.
Ontbossingsverordening
De leden van de SGP-fractie constateren dat de EC een voorstel heeft ingediend om
de toepassingsdatum van de Ontbossingsverordening (Verordening (EU) 1115/2023) met
een jaar uit te stellen. Deze leden horen graag hoe de Minister dit uitstel waardeert.
Dringt de Minister er bij de EC op aan om zo snel mogelijk met alle benodigde richtsnoeren
te komen?
Antwoord
De Kamer is op 15 oktober 2024 geïnformeerd over de waardering van dit voorstel. Hierin
is aangegeven dat Nederland het voorstel van de Commissie kan steunen om de datum
voor toepassing van de verordening met twaalf maanden te verlengen.
Met het voorstel tot uitstel publiceerde de Commissie ook de langverwachte richtsnoeren.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Aardema, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
A. van den Brule-Holtjer, adjunct-griffier