Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het voorontwerp Nota Ruimte en reflecties PBL en CRa ruimtelijke voorstellen provincies (Kamerstuk 29435-267)
2024D33045 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening hebben de
onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening over de brief inzake Voorontwerp Nota
Ruimte en reflecties PBL en CRa ruimtelijke voorstellen provincies (Kamerstuk 29 435, nr. 267).
De fungerend voorzitter van de commissie,
Postma
Adjunct-griffier van de commissie,
Van der Haas
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
II Antwoord / reactie van de Minister
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
De leden van de PVV-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorontwerp
Nota Ruimte en de bijbehorende reflecties. Naar aanleiding hiervan hebben deze leden
nog enkele vragen.
De leden van de PVV-fractie merken op dat iIn het voorontwerp terecht wordt gesteld
dat er ook op de langere termijn nieuwe grootschalige woningbouwlocaties nodig zijn
en dat met het realiseren van grootschalige woningbouwlocaties forse aantallen woningen
kunnen worden toegevoegd. Deze leden vinden het belangrijk dat er nieuwe woningen
aan de woningvoorraad worden toegevoegd. Echter, een bestemmingsplan kan door bijvoorbeeld
een milieuorganisatie tot aan de Raad van State worden aangevochten. Als het bestemmingsplan
door kan gaan, kan vervolgens ook de bouwvergunningen worden aangevochten. Zij willen
graag van de Minister weten waar zij eventuele mogelijkheden ziet om dergelijke procedures
te versoberen en daarmee woningbouw te versnellen.
Voorts vragen de leden van de PVV-fractie hoe de Minister de noodzaak van buitenstedelijke
ontwikkelingen in het vervolgtraject meer wil benadrukken. Wat deze leden betreft
wordt er liever te veel dan te weinig gebouwd, en alhoewel we alle ruimtelijke aspecten
met elkaar moeten afwegen, is het van groot belang dat we de woningnood effectief
tegengaan. Dat vereist ook sterke prioritering op de bouw van nieuwe woningen. Hoe
wil de Minister ervoor zorgen dat de bouw van nieuwe woningen een absolute prioriteit
blijft?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met bijzondere interesse kennisgenomen
van het Voorontwerp Nota Ruimte en de reflecties van het Planbureau voor Leefomgeving
(PBL) en College voor Rijksadviseurs (CRa) met betrekking tot de ruimtelijke voorstellen
van provincies. Deze leden hebben naar aanleiding hiervan een aantal vragen.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie maken zich zorgen over de mate waarop er in
het voorontwerp aandacht is voor de fysieke en natuurlijke grenzen van ons land. Er
zijn harde ruimtelijke keuzes nodig om alle uitdagingen omtrent wonen, natuur, landbouw,
energie, waterveiligheid en bedrijvigheid plaats te geven. Het mantra «alles kan altijd
en overal» zal in de Nota Ruimte, die de nieuwe Nationale Omgevingsvisie zal worden,
definitief verleden tijd zijn. De leden vragen zich daaromtrent af wat de Minister
zelf verwacht van de status en het gewicht van de Nota Ruimte. Wat is het hoofddoel?
Welke problemen moet de Nota Ruimte gaan oplossen? Wat wordt de juridische en politieke
status van deze Nota? In hoeverre wordt de Nota dwingend ten opzichte van gemeenten
of provincies die afwijkende ambities hebben? Hoe zit het met de juridische borging
van de keuzes die gemaakt worden in de Nota Ruimte? Kunnen gemeenten die in een wateroverloopgebied
willen bouwen straks teruggefloten worden door de Minister?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat de ruimte in Nederland enorm
schaars is. Deze leden zien dat prioritering en het stellen van grenzen van wat wel
en niet kan een absolute randvoorwaarde is om de Nota Ruimte succesvol te maken. Een
belangrijk voorbeeld van zo’n randvoorwaarde is het sturend maken van bodem en water.
Bodem en water sturend maken is de afgelopen jaren geland in het vormgeven van de
ruimtelijke ordening. Maar hoe wordt het sturend maken van bodem en water in de praktijk
geborgd? Op welke manier gaat de Nota Ruimte daaraan bijdragen? Bij de verdeling van
de schaarse ruimte is het cruciaal om duidelijke keuzes te maken. Dit gebeurt nog
niet genoeg in de huidige arrangementen, stelt het PBL. Deze leden vragen zich af
welke prioritering er door de Minister aangehouden gaat worden omtrent alle ruimtelijke
uitdagingen. Is de Minister bereid om duidelijke keuzes te maken wanneer landbouw
en wonen of bedrijvigheid en gezondheid conflicteren? Wat wordt het gehanteerde afwegingskader
om binnen de natuurlijke grenzen al deze ruimtelijke claims te laten landen? Hoe kan
er politiek gestuurd worden op dat afwegingskader? Welke instrumenten komen er om
te kunnen meten in hoeverre de natuurlijke grenzen worden overschreden?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het belangrijk dat de Nota Ruimte bijdraagt
aan het optimaal benutten van de Nederlandse ruimte. Daarbij is het belangrijk dat
arbitraire grenzen, zoals provinciegrenzen of die van gemeentelijke samenwerkingsverbanden,
niet bepalend zijn, maar de mate waarin een locatie geschikt is voor een bepaalde
ruimtelijke opgave. Deze leden zien dergelijke conflicten wel ontstaan. Een goed voorbeeld
is Weert. Veel inwoners zijn gericht op Eindhoven voor werk en studie. De twee steden
zijn per trein een kleine twintig minuten van elkaar gescheiden, maar omdat Weert
in een andere provincie ligt valt het buiten het arrangement van de provincie Noord-Brabant
(Weert zit qua woningbouw namelijk in het Limburgse arrangement «Limburg Centraal»
waarbij zes steden met een intercitystation een programma voor wonen rondom het openbaar
vervoer hebben gepresenteerd). Hoe wordt gewaarborgd dat de NOVEX, ruimtelijke arrangementen
en andere relevante regionale indelingen goed op elkaar afgestemd worden? Hoe wordt
er in het bijzonder aandacht besteed aan het optimaal benutten van de ruimte van gemeenten
op dergelijke grensgebieden?
De leden van de fractie van GroenLinks-PvdA maken zich zorgen over de razendsnelle
groei van logistieke «dozen» in het landschap. Landbouwgrond is in rap tempo verdwenen
ten behoeve van data- en distributiecentra. Er wordt in het voorontwerp dan ook terecht
voorgesorteerd op het clusteren van logistieke bedrijvigheid zoals enkele provincies
dat nu ook al doen. Hoeveel distributieclusters mogen er wat de Minister betreft komen?
Hoeveel kostbare ruimte willen we nog opofferen voor logistiek en distributiehallen
wetende dat er tot 2040 nog ruim dertien miljoen vierkante meter bij zou kunnen komen?
Hoe wordt er omgegaan met provinciale en gemeentelijke besturen die, totdat de Nota
Ruimte in werking treedt, dergelijke centra willen ontwikkelen op plekken die daar
niet geschikt voor zijn?
De woningnood en het uitbreiden en verbinden van natuurgebieden zijn voor de leden
van de GroenLinks-PvdA-fractie twee van de belangrijkste ruimtelijke uitdagingen die
een plek moeten krijgen in de Nota Ruimte. Er zijn door het vorige kabinet al veel
stappen gezet om plannen voor nieuwe woningen in Nederland te laten landen in verschillende
woondeals en de NOVEX. Daarbij is het belangrijk dat er niet alleen afspraken worden
gemaakt over aantallen, maar ook over concrete locaties. Deze leden vragen zich af
hoe de afspraken uit de woondeals en de NOVEX precies in de Nota Ruimte worden vastgelegd.
Het is een bekend fenomeen dat een mogelijke woonbestemming de waarde van grond vele
malen kan doen toenemen. Als grond niet in publieke handen is, maakt dit maakt het
lastig om de betaalbaarheidsdoelen uit de Wet versterking regie op de volkshuisvesting
te halen. Hoe wordt er in de Nota Ruimte omgegaan met het effect van een mogelijke
woonbestemming op de grondprijzen? Komen er naast afspraken en ambities ook instrumenten
om dit probleem tegen te gaan, zoals het breder inzetten van het voorkeursrecht of
gemeenten de mogelijkheid geven om gronden op te kopen tegen de gebruikswaarde? Komt
er een uitwerking van het advies van het IBO-rapport «Op grond kun je bouwen» om harde
afspraken over locaties op te nemen in de Nota Ruimte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie zijn van mening dat de extra woningen die
nodig zijn om het woningtekort op te lossen voornamelijk binnenstedelijk gebouwd moeten
worden, maar zien ook dat het onvermijdelijk is dat er op sommige plekken uitgebreid
wordt. Deze leden vragen zich af waar deze nieuwe woningen gebouwd moeten worden.
Welke ruimte wordt er opgeofferd voor het bouwen van genoeg woningen? Komt er een
instrument om vrijkomende landbouwgrond zo doelmatig mogelijk in te zetten, ten bate
van natuur, extensivering en woningbouw in plaats van verdere opschaling van de intensieve
veehouderij of het bouwen van datacentra? Is er een mogelijkheid om in de Nota Ruimte
voor verschillende gebieden bepaalde randvoorwaarden te stellen voor mogelijk grondgebruik?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie vinden het, samen met vele hoogleraren, de
bouwsector, huurdersorganisaties en decentrale overheden, van groot belang dat er
meer regie komt in het verdelen van de schaarse ruimte. Het voorontwerp is nog onduidelijk
over de mate waarin die regie ook daadwerkelijk komt te liggen bij het Rijk, zoals
ook het PBL en CRa aangeven. Het lijkt alsof het voorontwerp gehoor wil geven aan
de roep om meer rijksregie, maar tegelijkertijd de invloed van decentrale overheden
en private initiatiefnemers niet in wil perken. Deze leden denken dat dit moeilijk
naast elkaar kan bestaan. Zij vragen zich af wie er nu de leiding krijgt in het ruimtelijk
domein wanneer de Nota Ruimte vastgesteld wordt. Hoe verhoudt het bottom-up-principe
uit de Omgevingswet zich tot de roep om meer top-down-beleid in de Nota Ruimte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren dat de wereld aan snelle veranderingen
onderhevig is. Klimaatverandering, Europees beleid, oorlog en conjunctuur hebben invloed
op de aard van de ruimtevraag. Het is dan ook belangrijk om de Nota tijdig bij te
sturen, zodat er voortvarend kan worden ingespeeld op de ontwikkelingen buiten onze
macht. Er wordt in het voorontwerp aangegeven dat noodzakelijke aanpassingen jaarlijks
gerapporteerd worden aan de Kamer. Echter, het is belangrijk dat de Nationale Omgevingsvisie
in zijn geheel regelmatig wordt geactualiseerd. Hoe flexibel wordt de Nota Ruimte?
Wat voor aanpassingen kunnen deze leden verstaan onder «noodzakelijk»? Komt er ook
een mogelijkheid om jaarlijks aanpassingen te doen die wellicht niet direct noodzakelijk
zijn maar wel nodig op de lange termijn?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat in de periode dat het voorontwerp
naar de Kamer is gestuurd en op het moment van deze inbreng op meerdere plekken in
het land de discussie is opgelaaid over het toewijzen van grond voor Defensie. Dat
gebeurt nog op basis van het huidige ruimtelijke beleid. Hoe worden de belangen van
omwonenden bij dergelijke ingrijpende veranderingen meegenomen? Hoe verandert dat
wanneer de Nota Ruimte in werking treedt? In welke mate wordt er wat betreft de huidige
zoektocht naar grond voor Defensie gezocht naar het optimaal benutten van huidige
infrastructuur en grondgebruik om onnodig nieuwe ruimteclaims te voorkomen, zoals
dat ook uitgangspunt is van de Nota Ruimte?
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie constateren verder dat er in het voorontwerp
wordt aangegeven dat provinciale en gemeentelijke omgevingsvisies aangepast worden,
zodat deze passen onder de Nationale Omgevingsvisie. Op welke manier wordt er gezorgd
dat decentrale omgevingsvisies de Nationale Omgevingsvisie overeenkomen? In hoeverre
verwacht de Minister dat dit nu al het geval is?
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorontwerp
Nota Ruimte en de reflecties van het PBL en het CRa op de ruimtelijke voorstellen
van provincies. Zij hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
Wat betreft het voorontwerp Nota Ruimte merken de leden van de VVD-fractie in zijn
algemeenheid op dat deze nog veel ruimte biedt voor verduidelijking en sturing. Er
moet vooral heel erg veel gebeuren, maar concrete keuzes ontbreken.
In de ogen van de leden van de VVD-fractie is het minder zinvol om beleidsmatige keuzes
te maken wanneer er nog geen zicht is op hoe we dat beleid daadwerkelijk gaan uitvoeren.
Onderschrijft de Minister deze mening? Deze leden hadden dan ook graag meer concreetheid
gelezen in het voorontwerp met daarbij een antwoord op de uitvoeringsvraag. Het «advies
De uitvoering aan zet» van de Raad voor de leefomgeving en infrastructuur (Rli) stelt
als haar hoofdaanbeveling dat de beleidsuitvoering radicaal geherwaardeerd dient te
worden, waarbij uitvoering minstens even belangrijk wordt gemaakt als het beleid.
Hoe neemt de Minister deze aanbeveling, die in de kabinetsreactie reeds omarmd is,
mee in het proces richting de definitieve Nota Ruimte? Kan de Minister nader ingaan
op haar plannen met betrekking tot het vormgeven van de uitvoering? Kan de Minister
ook aangeven welke rollen daarbij zijn weggelegd voor de verschillende medeoverheden
en andere partijen, zoals gemeenten, provincies, waterschappen, nutsbedrijven en marktpartijen?
De leden van de VVD-fractie merken op dat medeoverheden naar het Rijk kijken om concrete
keuzes te maken. Tegelijkertijd zullen veel van de keuzes en uitvoeringsvraagstukken
worden gemaakt in de uitvoeringsagenda. Kan de Minister verduidelijken wanneer de uitvoeringsagenda gedeeld zal worden?
Is de Minister bereid om deze gelijktijdig te publiceren met de ontwerpnota? Deze
leden menen dat de ontwerpnota, de laatste stap richting de definitieve Nota Ruimte,
beter kan worden besproken wanneer de uitvoeringsagenda ook op tafel ligt.
De leden van de VVD-fractie merken op dat het PBL in haar reflectie aangeeft dat de
beschikbaarheid van grond een voorwaarde is voor het bereiken van veel doelen uit
de Nota Ruimte. Het oprichten van een organisatie voor het verwerven van grond zou
volgens het PBL een prioriteit kunnen zijn. Hoe kijkt de Minister naar dit advies
van het planbureau, zo vragen deze leden.
De leden van de VVD-fractie merken op dat in tegenstelling tot de verwachting van
ongeveer tien jaar geleden de bevolking behoorlijk is gegroeid, terwijl de Rijksoverheid
daar niet in al haar beleid vanuit ging. Hierdoor ondervindt Nederland onder andere
een groot probleem op het gebied van woningbouw. Op gemeentelijk niveau werd deze
ontwikkeling al eerder gesignaleerd. Deelt de Minister de mening dat het contact met
gemeenten cruciaal is als het gaat om te weten wat er nodig is op het gebied van ruimtelijke
ordening? Hoe ziet de Minister de samenwerking tussen het Rijk en de gemeenten voor
zich?
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het voorontwerp Nota Ruimte van
juni 2024. Deze leden waarderen het om in dit stadium betrokken te zijn bij het voorontwerp
Nota Ruimte en hebben enkele opmerkingen en vragen.
De leden van de NSC-fractie zijn verheugd te zien dat er in het voorontwerp van de
Nota Ruimte ook aandacht is voor de Lelylijn en de Nedersaksenlijn. Deze leden wijzen
erop dat in het hoofdlijnenakkoord gekozen is voor deze spoorlijnen en voor een investering
in de bereikbaarheid van het noorden van Nederland. Zij verwachten dat dit in de verdere
uitwerking van de Nota Ruimte terugkomt.
De leden van de NSC-fractie lezen in het voorontwerp Nota Ruimte dat er duidelijke
ruimtelijke keuzes gemaakt moeten worden, zoals bescherming van hoogwaardige landbouwgrond.
Kan de Minister aangeven wat zij schaart onder hoogwaardige landbouwgrond? En hoe
zij «bescherming» daarvan voor zich ziet? Is zij hierover in overleg met de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN)? Ziet zij ook mogelijkheid
de grond rondom kwetsbare natuurgebieden te beschermen?
De leden van de NSC-fractie vinden het een goede ontwikkeling dat het Rijk de sturing
oppakt wat betreft het maken van ruimtelijke keuzes. Kan de Minister, betreffende
het aanwijzen van nieuwe grootschalige woningbouwlocaties op basis van een lange termijn-ontwikkelstrategie,
aangeven wanneer zij inzichtelijk heeft welke locaties in aanmerking komen? Hoe worden
de criteria voor deze keuzes bepaald? Wordt er voldoende rekening gehouden met aspecten
zoals bereikbaarheid, leveren van zorg, infrastructuur en duurzaamheid bij toewijzen
van grootschalige woningbouwlocaties? Hoe verhouden deze grootschalige woningbouwlocaties
zich tot de NOVEX-gebieden? En wat is de relatie met het rapport «Elke regio telt!?»
De leden van de NSC-fractie constateren dat de Minister, ondanks de bodemdaling in
bepaalde gebieden en de daarmee samenhangende funderingsproblematiek, de woningbouw
structureel wil gaan verhogen. Kan de Minister aangeven of zij voldoende inzichtelijk
heeft op welke locaties de bodemdalingsproblematiek speelt? En hoe de Minister rekening
zal houden met niet alleen bodemdaling, maar ook met overstromingsgevaar bij nieuw
te bestemmen gebieden?
De leden van de NSC-fractie constateren dat in het voorontwerp Nota Ruimte ook aandacht
is voor de noodzaak militaire locaties en activiteiten uit te breiden. Kan de Minister
reflecteren op de nationale ruimtelijke keuzes ten opzichte van de Europese en NAVO-verplichtingen?
Kan de Minister tevens toelichten hoe zij aanstuurt op integraliteit en slim regionaal
combineren ten aanzien van bijvoorbeeld het Nationaal Programma Ruimte voor Defensie
(NPRD)?
De leden van de NSC-fractie constateren dat het taalgebruik in het voorontwerp Nota
Ruimte ontzettend beleidsmatig is. Deze leden zouden in de definitieve versie willen
aansturen op hogere toegankelijkheid in woord én beeld. Deelt de Minister deze mening?
De leden van de NSC-fractie willen meer zicht op de status en voortgang van het proces.
Kan de Minister tevens aangeven wat de beleidsmatige status van het voorontwerp is
en wat de juridische status van de definitieve Nota Ruimte wordt? Kan de Minister
verder aangeven hoe de inbreng van dit schriftelijk overleg wordt meegenomen in het
vervolgproces?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het voorontwerp van de Nota Ruimte.
Deze leden onderschrijven het belang van een nieuwe Nota Ruimte. Landbouw, wonen,
de energietransitie, bedrijven en natuur leggen allemaal een claim op de weinige beschikbare
ruimte in ons land. Wel hebben deze leden nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie merken op dat er in het voorontwerp Nota Ruimte een samenhangend
(ruimtelijk) toekomstbeeld centraal staat. Het voorontwerp Nota Ruimte geeft een totaaloverzicht
van sectorale problemen en vraagstukken en van nog te onderzoeken zaken. Deze leden
willen benadrukken dat er keuzes gemaakt dienen te worden om deze sectorale problemen
en vraagstukken op te lossen. Zij vragen zich af wanneer de Minister de voorkeuren
van het huidige kabinet aan de Tweede Kamer gaat voorleggen.
De leden van de D66-fractie constateren dat er in het voorontwerp Nota Ruimte wordt
ingezet op het versterken en verstedelijken van de regio’s in het noorden, oosten
en zuiden. Hiervoor is een visie op de economisch ontwikkeling in deze regio’s in
(inter)nationaal verband onmisbaar, zoals ook gesteld wordt in de Nota Ruimte. Ook
in het hoofdlijnenakkoord wordt een visie op het ruimtegebruik belangrijk genoemd.
Kan de Minister aangeven wanneer en hoe ze tot een dergelijke visie wil komen?
De leden van de D66-fractie merken op dat water en bodem een grote rol spelen in de
Nota Ruimte. Dit is conform de beleidslijn van het vorige kabinet om water en bodem
sturend te maken. Deze leden vragen zich af of dit kabinet deze lijn door gaat zetten,
welke verbindingen er zijn met het Nationaal Programma Landelijk Gebied (NPLG), de
Kaderrichtlijn Water (KRW) en hoe dat zijn beslag krijgt in de definitieve versie
van de Nota.
Deze leden vragen zich daarnaast af of, en zo ja, waar de verwachte plannen van Deltacommissaris
Co Verdaas met betrekking tot omgang met de zeespiegelstijging opgenomen zullen worden
in de definitieve versie. Zij vragen zich daarnaast af wat het ruimtelijk betekent
dat Nederland een zeespiegelstijging van vijf meter aankan.
De leden van de D66-fractie constateren dat in het voorontwerp Nota Ruimte reflecties
van PBL en CRa zijn opgenomen over de beleidsdoelstellen voor landbouw en natuur.
Volgens deze instituten zijn ingrijpende en ongekende maatregelen nodig voor een balans
tussen generiek landbouwemissiebeleid en ruimtelijk gedifferentieerd beleid. Deze
leden vragen zich af of de Minister deze opvatting van de Rijksadviseurs deelt.
De leden van de D66-fractie merken op dat in het voorontwerp Nota Ruimte wordt gesteld
dat het een onomstreden doel voor de landbouw is om een goed functionerend productiesysteem
in Nederland te behouden, dat bijdraagt aan de voedselzekerheid met betaalbare, gezonde
producten. Deze leden vragen zich af hoeveel en welke ruimte er nodig is om voedselzekerheid
voor eigen land te garanderen.
De leden van de D66-fractie zien dat in het voorontwerp Nota Ruimte staat dat de landbouw
met 54% van het landoppervlak de grootste grondgebruiker is in Nederland. Om de natuur
te herstellen zal de landbouw moeten extensiveren. Daarnaast vragen andere functies
dan de landbouw ook extra ruimte, zoals woningbouw, energie, infrastructuur, defensie
en circulariteit. De leden vragen zich af welke landbouwvormen – ook vanuit een bredere
visie op de economische structuur in Nederland – zullen moeten verminderen en grond
vrij moeten maken voor ander gebruik.
De leden van de D66-fractie signaleren dat in het voorontwerp Nota Ruimte wordt ingezet
op het verweven van landbouw en natuur, bijvoorbeeld door meer ruimte te bieden aan
agrarisch natuurbeheer en biologische landbouw. Kan de Minister aangeven wat zij vanuit
een ruimtelijk perspectief gaat doen om deze transitie te bewerkstelligen? Deze leden
vragen zich daarnaast af hoe de Minister de ruimtevraag tussen landbouw en natuur
gaat afwegen, rekening houdend met de woningbouwambities van dit kabinet.
De leden van de D66-fractie merken op dat het NPLG genoemd wordt in het voorontwerp
Nota Ruimte. Welke effecten verwacht de Minister dat het afschaffen van het NPLG heeft
op de ruimte in Nederland? Hoe gaat de Minister dit meenemen?
De leden van de D66-fractie vragen zich af waarom in het voorontwerp de beweging naar
een klimaatneutrale en circulaire samenleving niet als prioriteit is aangemerkt? Deze
leden merken op dat deze transitie ook zijn ruimtebeslag kent en vragen zich af waar
dat in de Nota Ruimte terugkomt.
De leden van de D66-fractie zien dat er in het voorontwerp Nota Ruimte gesteld wordt
dat op lange termijn de import van energie nodig zal blijven. Kan de Minister aangeven
of dit alleen geldt voor de zware basisindustrie, of ook voor algeheel gebruik? Is
er volgens de Minister voldoende ruimte in Nederland zodat ons systeem uiteindelijk
grotendeels kan draaien op het gebruik van groene stroomopwekkers alleen?
De leden van de D66-fractie constateren dat het PBL aangeeft dat voor de netwerken
voor energie en (circulaire) economie een langetermijnvisie ontbreekt. Deelt de Minister
deze opvatting en zo ja, wanneer en hoe wordt dan inhoud gegeven aan een langetermijnvisie?
De leden van de D66-fractie merken op dat op dit moment voorstellen nog sterk beredeneerd
worden vanuit het faciliteren van het huidige economische systeem, met de bestaande
sectoren, de huidige locaties van industrieclusters en de daarmee samenhangende infrastructuur.
Deelt de Minister de opvatting van het CRa om investeringen die gedaan worden vanuit
de publieke sector, ook zo veel mogelijk in het publieke domein te investeren, en
niet meer te investeren in de bedrijven zelf, maar met name in de gebieden waar economische
activiteiten plaatsvinden? Zo nee, welke ideeën heeft de Minister wat dit betreft?
De leden van de D66-fractie signaleren dat er in de Nota Ruimte nauwelijks wordt ingegaan
op de woningbehoefte. Wel wordt een groei van achttien naar ruim twintig miljoen inwoners
aangehouden. Er is sprake van toenemende vergrijzing en steeds meer een- en tweepersoonshuishoudens
stellen andere eisen aan woningtypen en woonmilieus en zaken als betaalbaarheid. Deze
leden merken op dat woningbehoefte ook gevolgen heeft voor de ruimte en de keuzes
die hiermee samenhangen. Is de Minister van plan om dit alsnog in het voorontwerp
mee te nemen?
De leden van de D66-fracties merken op dat eerder al zeven NOVEX-verstedelijkingsgebieden
zijn aangewezen. Daarnaast worden in de Nota Ruimte aanvullend nieuwe grootschalige
woningbouwlocaties voorgesteld in het noorden, oosten en zuiden van ons land, namelijk
de Stedendriehoek (Apeldoorn, Deventer, Zutphen), Twente, Limburg (rondom steden met
intercitystations) en de Friese steden. Deze leden vragen zich af of dit aansluit
bij de behoefte van Nederlanders. Zo nee, hoe wil de Minister hierop sturen?
De leden van de D66-fractie signaleren dat voor elke nieuw voorgestelde locatie een
toets op de demografische en economische ontwikkelingen, bereikbaarheid, maatschappelijk
draagvlak en investeringsbereidheid, waarmee duidelijk wordt voor wie deze nieuwe
grootschalige woningbouwlocaties bedoeld zijn, ontbreekt. In het verlengde daarvan
ontbreken ook voorstellen voor het type woningen in relatie tot de voorgestelde doelgroepen.
Kan de Minister toelichten waarom deze belangrijke aspecten buiten beschouwing zijn
gelaten?
De leden van de D66-fractie zien dat er in de Nota Ruimte weinig aandacht wordt besteed
aan de G5-steden en de woningnood daar. Deze leden merken op dat naar verwachting
hier de grootste groei plaats zal vinden. Zij vragen zich dan ook af waarom de G5-steden
met de hoogste woningnood geen prominentere rol spelen in de Nota Ruimte.
De leden van de D66-fractie constateren dat de visie van Rijksbouwmeester Francesco
Veenstra dat door vergrijzing verdichting noodzakelijk is om voorzieningen in stand
te houden en wat dit betekent voor de verdichting van bestaande woongebieden en het
bouwen in hogere dichtheden in nieuwbouwwijken, niet terugkomt in het voorontwerp
Nota Ruimte. De leden vragen zich af waarom deze visie niet opgenomen is.
De leden van de D66-fractie valt het op dat er in de Nota Ruimte niets wordt gezegd
over de ruimtevraag van recreatie. Deze leden vragen zich af waarom daarvoor is gekozen.
Zij vragen zich ook af of de Minister, rekening houdend met de demografische ontwikkelingen,
een inschatting kan maken hoe de extra woningen verdeeld zullen worden over de in
de Nota Ruimte genoemde locaties.
De leden van de D66-fractie merken op dat de bouw van nieuwe woningen, duurzame stroomopwekking
en dergelijke een langdurig proces is. Hoe realistisch acht de Minister het dat de
ambities uit de Nota Ruimte op die gebieden op tijd behaald zullen worden? Welke maatregelen
neemt de Minister om kortere doorlooptijden voor ruimtelijke procedures te bewerkstelligen?
De leden van de D66-fractie zien dat Defensie veel ruimteclaims zal leggen in de nabije
toekomst. Welke koppelkansen met andere ruimtevragers, zoals bijvoorbeeld energievoorzieningen,
ziet de Minister om de ruimtedruk te verlichten?
De leden van de D66-fractie signaleren dat het voorontwerp Nota Ruimte wel rept over
verschillende vormen van sturing (naast wettelijk instrumentarium ook het «slim inzetten
van investeringen, kennis, ontwerp, toezicht, en handhaving ») maar dat deze inzet
vooral uitgaat van de Rijksoverheid. Deze leden vragen zich af wat het Rijk en medeoverheden
nodig hebben van anderen in de samenleving en hoe daarop zal worden gestuurd? Hoe
beziet de Minister de rol van publiek-private samenwerking om doelen te realiseren?
De leden van de D66-fractie merken op dat in het voorontwerp Nota Ruimte verschillende
keren het belang van ruimtelijke kwaliteit wordt genoemd. Zo wordt er gesproken over
gebruikswaarde, toekomstwaarde en belevingswaarde. Het woord «kwaliteit» valt regelmatig,
maar dat zegt nog niet op welke wijze kwaliteit wordt afgewogen tegen andere aspecten.
Deze leden vragen zich daarom af of concreet geformuleerd kan worden hoe genoemde
waarden worden meegenomen in de besluitvorming, aangezien de verwijzing over de kwaliteitsaanpak
dit weinig inzichtelijk maakt.
De leden van de D66-fractie vragen zich af of de Minister kan toelichten of en zo
ja, hoe er rekening is gehouden met de VINEX-nota uit 1991 die uitgangspunten formuleerde
voor nieuwe woningbouwlocaties tussen 1995 en2005. Deze ervaringen kunnen relevant
zijn bij het formuleren van nieuw beleid. De leden verwijzen daarbij naar de uitkomsten
uit de nota «Evaluatie Verstedelijking VINEX 1995 tot 2005» en vragen zich af welke
lessen de Minister uit deze evaluatie heeft meegenomen voor het nu voorliggende voorontwerp.
Deze leden zijn hierbij vooral nieuwsgierig naar de volgende punten:
o Het aanwijzen van rode contouren en grondspeculatie;
o Private winsten en publieke tekorten in gebiedsontwikkelingen;
o Actief grondbeleid;
o De eenzijdige programmering van VINEX;
o Het gebrek aan integrale financiering;
o Monitoring en bestuurlijke terugkoppeling;
o Helder kaderen van verantwoordelijkheden van diverse overheden;
o Kennis en capaciteit bij lokale overheden.
De leden van de D66-fractie constateren dat het voorontwerp Nota Ruimte met diverse
stakeholders en overige belangstellenden besproken gaat worden. Deze leden vragen
zich af wat stakeholders en belangstellenden mogen en kunnen verwachten van de beschreven
participatie. In hoeverre, waarover en met welke impact mogen zij participeren? Dit
om teleurstellingen te voorkomen. Deze leden merken op dat, zolang er nog heel weinig
ruimtelijke keuzes zijn gemaakt, de verwachtingen van de participanten zeer breed
uit elkaar kunnen liggen. Zij vragen zich af hoe de Minister dit gaat ondervangen.
Zij zijn er daarnaast van overtuigd dat participatie wel noodzakelijk is om tot een
maatschappelijk breed gedragen Nota Ruimte te komen.
De leden van de D66-fractie merken op dat besluiten op het ene sectorale gebied grote
impact hebben op andere gebieden. Deze leden vragen zich af of er daarom integrale
scenario’s gemaakt zullen worden die deze besluiten en de ruimtelijke impact inzichtelijk
maken. Zij merken op dat het anders voor alle betrokkenen onduidelijk zal blijven
waar bepaalde ruimtelijke keuzes toe zullen leiden. Deelt de Minister dit inzicht?
Het valt de leden van de D66-fractie op dat zicht op de benodigde publieke, private
en maatschappelijke investeringen, en wat er van rijkswege nodig is deze in het land
te bewerkstelligen, net zoals een algemeen financieel kader, ontbreekt in het voorontwerp
Nota Ruimte. Deze leden vragen zich af waarom hiervoor is gekozen en of de Minister
dit overzicht alsnog zal toevoegen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de stukken tot zich genomen en hebben over de voorontwerp
Nota Ruimte de volgende vragen.
Algemeen
De leden van de BBB-fratie vragen of de Minister van plan is, zoals de vorige Minister
beoogde, om de ontwerpnota en de ruimtelijke arrangementen en de uitvoeringsagenda’s
voor de NOVEX-gebieden gelijktijdig te publiceren.
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de Minister de constatering van het PBL beorrdeelt
dat het aantal afsprakenkaders (met bijbehorende bestuurlijke overleggen en gebiedsindelingen)
erg groot is en dat dit zorgt voor onduidelijkheid? Ziet de Minister mogelijkheden
om hier iets aan te doen, bijvoorbeeld door programma’s samen te voegen?
De leden van de BBB-fractie vragen hoe de strategische regionale investeringsagenda’s
die in het hoofdlijnenakkoord zijn aangekondigd zich verhouden tot de ruimtelijke
arrangementen en de daarbij horende uitvoeringsagenda’s.
Keuzes over de ontwikkeling van mobiliteitssysteem
De leden van de BBB-fractie merken op dat in het voorontwerp het volgende staat: «Te
maken keuze Toekomstige keuzes ten aanzien van bereikbaarheid, waaronder investeringsbeslissingen,
maken we op basis van bereikbaarheidsdoelen. Deze keuzes gaan over een afgestemde
ontwikkeling van verstedelijking en mobiliteit (nabijheid), locatiebeleid van voorzieningen
en investeringen in infrastructuur. Deze bereikbaarheidsdoelen worden in samenwerking
met de regio’s geformuleerd en passen bij de ontwikkelstrategie per regio en bij de
bestaande en gewenste ruimtelijke opbouw van een regio.» Deze leden vragen in hoeverre
infrastructuurprojecten (projecten op het spoor) rendabeler (en dus beter bereikbaar)
zouden worden wanneer deze gecombineerd worden met woningbouwprojecten in de buurt
van de gebieden waarin dergelijke infrastructuurprojecten aangelegd zouden kunnen
worden.
Nieuwe richtingen voor verstedelijking en regionale ontwikkeling
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister kan aangeven hoe er naast grootschalige
NOVEX-gebieden meer woningen gecreëerd kunnen worden. Is er wet- en regelgeving die
aangepast zou kunnen worden om het eenvoudiger te maken om gebouwen een herbestemming
te geven? In hoeverre is het mogelijk dat de Minister de bevoegdheid heeft om wanneer
er lokaal te weinig woningen gebouwd worden te komen met instrumenten waardoor de
bouw van woningen wel mogelijk wordt?
De leden van de BBB-fractie vragen of de Minister kan nagaan of er bij de NOVEX-gebieden
een juiste balans is tussen verschillende stakeholders en actoren, of agrariërs in
alle NOVEX-gebieden actief meegenomen worden, en of de feedback van lokale agrariërs
en agrarische belangenorganisaties voldoende verwerkt worden in de uiteindelijke ruimtelijke
plannen. Zou de Minister ook de Minister van LVVN kunnen betrekken bij deze plannen,
zodat er een realistisch toekomstperspectief ontstaat voor lokale agrariërs?
Ruimtelijke spreiding van toegevoegde waarde per vierkante kilometer in 2022
De leden van de BBB-fractie merken op dat in het rapport «Elke regio telt» wordt beschreven
dat bepaalde delen van Nederland een lage brede welvaart kennen, en in de bij het
rapport gevoegde kaart is te zien dat een groot deel van de investeringen gaat naar
de Randstad. Kan de Minister aangeven hoe de achtergestelde regio’s juist in de Nota
Ruimte een mogelijke oplossing zijn voor het huidige woningtekort, en hoe er vorm
gegeven kan worden aan een plan waarbij juist deze regio’s geholpen worden met woningbouwprojecten
en bijpassende infrastructuurprojecten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het voorontwerp Nota Ruimte en
hebben daarover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie benadrukken het grote belang van visie en regie op de
ruimtelijke ordening. Deze leden zien graag een spoedige totstandkoming van de definitieve
Nota Ruimte. Zij vragen dan ook naar het tijdpad richting de totstandkoming de definitieve
Nota Ruimte. Ook vernemen zij graag hoe zowel dit voorontwerp als de definitieve Nota
Ruimte zich verhouden tot de Wet versterking regie volkshuisvesting en de ambities
tot het hernemen van de van de regie op de volkshuisvesting.
De leden van de CDA-fractie zijn zeer overtuigd van het grote belang van goede en
betaalbare volkshuisvesting. Deze leden hechten eraan te benadrukken dat het de hoogste
tijd is voor versterking van de regie op de volkshuisvesting. Zij wijzen op het in
de Grondwet opgenomen recht om ergens thuis te zijn. Er staat in artikel 22 dat de
«bevordering van voldoende woongelegenheid» een «voorwerp van zorg der overheid» is.
De opgave om te zorgen voor voldoende woningen, in welke vorm dan ook, is dus een
zaak van algemeen belang. Deze leden benadrukken dat de versterking van de regie op
de volkshuisvesting alles te maken heeft met ruimtelijke ordening en er dus geen sprake
van kan zijn om in de ruimtelijke ordening alles af te laten hangen van de markt.
Zij horen graag hoe de Minister dit gaat voorkomen en hoe de belangen van huurders
en het algemeen belang meegenomen zal worden.
De leden van de CDA-fractie vragen ook om een reflectie op de uitvoering van de Wet
betaalbare huur en de samenhang met zowel dit voorontwerp als de definitieve Nota
Ruimte. Deze leden zien graag een beperking van verdozing in Nederland en horen graag
een reflectie van de Minister op hoe de verschillende aangenomen moties over dit onderwerp
ingrijpen op zowel dit voorontwerp als de definitieve Nota Ruimte.
De leden van de CDA-fractie horen graag hoe de Minister aankijkt tegen not in my backyard (NIMBY)-gedrag en het indienen van bezwaren en/of het (dreigen met) procederen door
omwonenden. Deze leden horen graag meer over hoe zich dit verhoudt tot zowel dit voorontwerp
als de definitieve Nota Ruimte. De grote hoeveelheid procedures is misschien wel het
belangrijkste obstakel bij de aanpak van de woningnood. Daarom vragen zij ook naar
een reflectie van de Minister op de samenhang van zowel het voorontwerp als de definitieve
Nota Ruimte met de in het hoofdlijnenakkoord opgenomen ambities om het aantal procedures
in te perken, deze procedures in te korten en het aantal beroepsmogelijkheden te beperken.
Deze leden vragen de Minister ook om een vergelijking te maken van dit voorontwerp
Nota Ruimte en de discussie over woningbouw en NIMBY-gedrag in het Verenigd Koninkrijk.
Welke overeenkomsten en verschillen zijn er en welke conclusies trekt de Minister
daaruit?
De leden van de CDA-fractie horen graag welke concrete betekenis het schrappen van
het NPLG heeft voor de Nota Ruimte. Deze leden vragen naar de reflectie van de Minister
op welke effecten dit heeft op de woningbouw en de aanpak van de woningnood. Zij horen
graag of de Minister inschat dat de mogelijkheden om meer te gaan bouwen worden vergroot
of verkleind met het schrappen van dit programma. Deze leden horen ook graag meer
over de relatie op dit gebied met provincies en gemeenten. Zij zijn benieuwd of het
schrappen van dit programma iets betekent voor hoe deze overheden aankijken tegen
en willen meewerken aan de Nota Ruimte en of dit iets betekent voor het langetermijnperspectief
en de uitvoering.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de beweging naar een klimaatneutrale en
circulaire samenleving als prioriteit wordt aangemerkt in het voorontwerp Nota Ruimte.
Richting 2030 en 2050 zal duurzame opwek van energie steeds meer ruimte vergen, meer
dan in een fossiel systeem. In het Nationaal Plan Energiesysteem (NPE) wordt bijvoorbeeld
uitgegaan van een verdubbeling van de opwek van wind op land in 2050 ten opzichte
van 2030 en een verdrievoudiging van zonne-energie. Het is dan ook belangrijk om al
in een vroeg stadium rekening te houden met het ruimtebeslag wat daarmee gepaard gaat.
Deze leden vragen de Minister duidelijk te maken op welke wijze de, ook door deze
regering in het hoofdlijnenakkoord bevestigde, klimaatdoelen voor zowel 2030 als voor
2050 en de voor de opwek van duurzame energie benodigde ruimte mee worden genomen
in de definitieve Nota Ruimte. Met welke ambities voor de opschaling van duurzame
energie opwek zal in de Nota Ruimte rekening mee worden gehouden en wat betekent dit
voor het ruimtebeslag in 2050?
De leden van de CDA-fractie roepen de Minister in herinnering dat er in het hoofdlijnenakkoord
voor is gekozen om windmolens zoveel mogelijk op zee, in plaats van op land, te realiseren
waarbij er eerst gekeken moet worden naar ruimte voor de visserij. Deze leden vragen
de Minister om inzichtelijk te maken op welke wijze het «eerst kijken naar ruimte
voor de visserij» uitgewerkt zal worden. Wat betekent dit voor de balans tussen het
ruimtelijke beslag van wind op zee en de ruimte die wordt gereserveerd voor visserij?
Hoe verwacht de Minister meer rekening te kunnen houden met ruimte voor visserij en
tegelijkertijd de ambities op het gebied van wind op zee waar te kunnen maken?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SGP-fractie
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van de voorliggende stukken. Deze
leden hebben daarover enkele vragen.
De leden van de SGP-fractie lezen dat «bestaande wet- en regelgeving het kader vormen»
voor de Nota Ruimte. In hoeverre verwacht de Minister een vermindering van het aantal
regels dan wel een vermeerdering van het aantal wetten en regels? En is verminderen
van het aantal regels een doel voor deze Minister?
De leden van de SGP-fractie wijzen op het grote belang van voldoende aandacht voor
de uitvoering van de Nota Ruimte. Hoe wordt daar nu al rekening mee houden? Welke
voorbereidingen worden daarvoor concreet getroffen? Daarnaast constateren deze leden
dat er ook een uitvoeringsagenda opgesteld wordt. Welke positie krijgt deze agenda binnen de Nota Ruimte? En
komt deze uitvoeringsagenda gelijktijdig met de Nota Ruimte of volgt deze later in
de tijd?
Tevens vragen de leden van de SGP-fractie hoe de samenwerking tussen decentrale overheden
en andere uitvoeringsorganisaties concreet vormgegeven zal worden. Daarbij wijzen
deze leden ook op het feit dat er veel op regionaal niveau geregeld dan wel vastgesteld
zal worden. Welke positie en invloed hebben lokale democratieën daarin?
De leden van de SGP-fractie wijzen op het (toenemende) risico van bodemdaling. Dit
heeft bijvoorbeeld ook grote gevolgen voor de volkshuisvesting, aangezien het funderingsschade
kan veroorzaken. De leden van deze fractie vragen of de Minister meer inzicht kan
geven in hoe dit thema voldoende aandacht krijgt binnen de Nota. En hoe is de verdeling
van verantwoordelijkheden bij dit thema geregeld? Kan de Minister daarbij ook specifiek
ingaan op het aspect van funderingsproblematiek?
De leden van de SGP-fractie lezen met instemming op diverse plaatsen in het voorontwerp
dat er meer ingezet wordt op hergebruik en recycling van materialen en grondstoffen.
Dit is een thema dat diverse beleidsterreinen maar ook diverse ministeries overstijgt.
Het raakt bijvoorbeeld ook de fiscaliteit, als het gaat om het btw-heffing op hergebruikte
materialen. Deze leden vragen hoe dit integraal opgepakt wordt en hoe verkokering
van dit specifieke thema voorkomen wordt?
De leden van de SGP-fractie wijzen op de (politieke) discussies rond de toekomst van
de economie en dat daar wellicht scherpe keuzes gemaakt moeten worden, zoals ook aangekaart
in het rapport van de Staatscommissie demografische ontwikkelingen 2050. Hoe wordt
dat meegenomen in de Nota Ruimte? Deelt de Minister de mening dat dergelijke discussies
grote impact hebben op de Nota?
De leden van de SGP-fractie vragen of de regering heeft nagedacht over mogelijke verplaatsing
van start- en landingsbanen van Schiphol naar zee. Dan is er meer ruimte voor woningbouw
in de Randstad en wordt de huidige geluidsoverlast serieus aangepakt. Tegelijkertijd
zijn er op zee mogelijkheden voor combinaties met duurzame energieproductie.
De leden van de SGP-fractie vragen naar de gevolgen van het hoofdlijnenakkoord en
het regeerprogramma voor de Nota Ruimte. Wat betekent het beleid van de nieuwe regering
bijvoorbeeld voor de indicatieve areaalopgave in het NPLG voor nieuwe natuur, extra
bosaanplant en groen-blauwe dooradering?
De leden van de SGP-fractie merken op dat enerzijds wordt aangegeven dat behoud van
landbouwgronden voor de voedselproductie belangrijk is, anderzijds dat de zoetwatervoorziening
niet overal op orde gehouden zal worden. Hoe verhoudt dit zich tot elkaar? Wat is
bijvoorbeeld het perspectief voor zoetwatervoorziening in de zuidwestelijke delta?
II Antwoord/reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
W.L. Postma, voorzitter van de vaste commissie voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening -
Mede ondertekenaar
J.P. van der Haas, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.