Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over stand van zaken nieuwe verdeling provinciefonds (Kamerstuk 36410-C-5)
36 410 C Vaststelling van de begrotingsstaat van het provinciefonds voor het jaar 2024
Nr. 7
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 12 juni 2024
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft een aantal vragen en opmerkingen
voorgelegd aan de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties over de brief
van 6 maart 2024 over stand van zaken nieuwe verdeling provinciefonds (Kamerstuk 36 410 C, nr. 5).
De vragen en opmerkingen zijn op 12 april 2024 aan de Minister van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties voorgelegd. Bij brief van 12 juni 2024 zijn de vragen, mede
namens de Staatssecretaris van Financiën, beantwoord.
De fungerend voorzitter van de commissie, P. de Groot
De adjunct-griffier van de commissie, Kling
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties en reactie van de Minister
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met belangstelling kennis genomen van
de plannen ten aanzien van de nieuwe verdeling van het provinciefonds. Deze leden
delen de mening van het kabinet, zoals onder ander verwoord in de adviesaanvraag voor
de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB), dat het nieuwe verdeelmodel met name de verdeling
van de noodzakelijke kosten van provincies moet volgen en tevens rekening moet houden
met de mogelijkheden die provincies zelf hebben om een deel van die kosten uit eigen
inkomsten te dekken. Daarnaast verwachten deze leden ook dat de verdeling zodanig
ingericht gaat worden dat de budgetten van de provincies niet te veel gaan schommelen,
maar dat de verdeling ook wel weer zo flexibel moet zijn om rekening te kunnen houden
met de veranderende kosten die provincies maken.
1.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen dat het kabinet het onlangs aan
het ROB gevraagde advies nog voor komende zomer zou willen ontvangen. Heeft het kabinet
de indruk gekregen dat de ROB aan dat verzoek kan voldoen? Wat is het tijdschema dat
het kabinet voor ogen heeft met betrekking tot de invoering van het nieuwe verdeelsysteem?
Antwoord 1.
Het kabinet heeft de indruk gekregen dat de ROB het gevraagde advies voor de komende
zomer kan opleveren.
Als fondsbeheerders hebben we met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een
nieuw verdeelmodel. Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor
het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande
het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
2.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen dat het nieuw in te richten verdeelmodel
beter rekening moet gaan houden met mogelijkheden die de provincies zelf hebben om
inkomsten te genereren. Nu is een deel van de provinciale inkomsten ook afhankelijk
van opcenten Motorrijtuigenbelasting. Deze leden hebben begrepen dat het voornemen
van het kabinet-Rutte-IV is om de motorrijtuigenbelasting door een kilometerheffing
te vervangen. Dit onderwerp is inmiddels controversieel verklaard. Deelt het kabinet
de mening dat indien er alsnog overgegaan zou gaan worden naar een kilometerheffing
dat dat dan ook gevolgen zal gaan hebben voor de inkomsten van provincies? Zo ja,
op welke wijze en hoe wordt daar in de adviesaanvraag aan de ROB en daarna de herziening
van het provinciefonds rekening mee gehouden? Zo nee, waarom niet?
Antwoord 2.
De nu gemaakte afspraken met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO zijn gericht op het verdere proces ter realisatie van een nieuw
verdeelmodel.
Mocht te zijner tijd besloten worden tot afschaffing of wijziging van de huidige motorrijtuigenbelasting
dan zal op dat moment bekeken worden wat de gevolgen zijn voor het verdeelmodel van
het provinciefonds.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
3.
Hoe gaat het nieuwe verdeelmodel werken voor provincies die minder goed in staat zijn
eigen inkomsten te genereren maar wel uitgaven moeten doen die gelijkaardig zijn aan
provincies die meer eigen inkomen kunnen genereren? Hoe gaat rekening gehouden worden
met de eigenheid van provincies? Gaat het nieuwe verdeelmodel rekening houden met
een gelijkwaardig voorzieningenniveau tussen regio’s? Hoe kan worden voorkomen dat
door een herverdeeleffect een oneerlijke verdeling ontstaat en dat inwoners daar de
dupe van zijn?
Antwoord 3.
Conform verzoek van de Eerste Kamer naar aanleiding van een motie van lid Van der
Goot is in de Voorjaarsnota 2024 een regioparagraaf opgenomen. In het rapport «Elke
regio telt!» dat op 23 maart 2023 verscheen is namelijk geconstateerd dat welvaart
en welzijn op een aantal plekken in Nederland achterlopen. In reactie hierop heeft
het kabinet aangegeven dat het «anders en beter moet» en dat het hiermee aan de slag
gaat. Er is hierbij aangekondigd een voorstel voor een aanpak neer te leggen voor
een volgend kabinet. De Tweede Kamer wordt rond de zomer van 2024 geïnformeerd over
de bouwstenen die het kabinet voorziet voor de uitwerking van de adviezen van het
rapport.
Het verdeelmodel van het provinciefonds richt zich uitsluitend op de mate van aansluiting
tussen hetgeen het verdeelmodel verdeelt over de provincies en de daadwerkelijke uitgavenpatronen.
Er wordt niet gekeken naar een eventuele noodzaak om aanvullende investeringen te
doen in bepaalde provincies om het gewenste voorzieningenniveau te bereiken.
Via de verdeling van het provinciefonds beoogt de Financiële-verhoudingswet provincies
in een gelijke financiële uitgangspositie te brengen. Dit is volgens CEBEON in haar
model gerealiseerd door aan de uitgavenkant bij de verdeling van de middelen rekening
te houden met de kosten die provincies moeten maken, gegeven de objectieve kostenbepalende
kenmerken van elke provincie (kostenoriëntatie). Daarnaast heeft CEBEON aan de inkomstenkant
rekening gehouden met verschillen in de mogelijkheden die provincies hebben om een
deel van hun uitgaven uit eigen middelen te bekostigen (inkomstenverevening).
Volgens CEBEON is de provinciale eigenheid geborgd door de keuze van (1) de structuurkenmerken
van provincies en (2) de wijze waarop wordt omgegaan met historisch gegroeide situaties,
zoals met name de uiteenlopende vermogenspositie van provincies.
De systematiek voor de verevening van verschillen in belastingcapaciteit met betrekking
tot de motorrijtuigenbelasting (MRB) is in het model van CEBEON niet gewijzigd. Net
als in de huidige verdeling worden deze verschillen in capaciteit verevend op basis
van de hoofdsom. Dit betekent dat in de verdeling rekening wordt gehouden met verschillen
in potentiële capaciteit en niet met feitelijke inkomsten uit de MRB.
De systematiek voor de verevening van de overige eigen middelen (OEM) is in het model
van CEBEON wel gewijzigd. In de huidige verdeling wordt de OEM grotendeels verevend
op basis van verschillen in historische rendementen op vermogens. In de nieuwe verdeling
wordt de OEM verevend op basis van een fictief rendement op het eigen vermogen van
provincies.
Oftewel provinciale keuzes met betrekking tot de hoogte van de opcenten of het beleggen
van vermogens zijn niet van invloed op de verevening van de inkomstencapaciteit in
het nieuwe verdeelmodel. Wanneer provincies door relatief hoge opcenten of goed renderende
beleggingen meer inkomsten genereren dan waar in de verevening rekening mee wordt
gehouden, blijven deze extra inkomsten beschikbaar voor de provincie.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB gevraagd in te gaan op of de onderzoeksmethode
volgens de Raad tot een solide onderbouwde kostengeoriënteerde verdeling leidt. Ook
is de ROB gevraagd in te gaan op de wijze waarop de verevening van de Motorrijtuigenbelasting
en van de OEM is vormgegeven. Verder is de ROB gevraagd advies te geven als het gaat
over de introductie en invoering van het uiteindelijke model en hoe dan moet worden
omgegaan met de herverdeeleffecten.
4.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie lezen ook dat de vervanging van het huidige
model in de ogen van het kabinet politiek-bestuurlijke weging en besluitvorming vereist.
In hoeverre is deze weging en besluitvorming nu er sprake is van een demissionair
kabinet op dit moment nog actueel? Deze leden vragen dat ook omdat bij de verdeling
van het provinciefonds het nogal uitmaakt of die verdeling uit een groter dan wel
kleiner provinciefonds moet gebeuren. Deze leden hebben om de ombuigingslijst ook
zien staan dat er minder Rijksgeld in het provinciefonds gestort zou hoeven te worden
als de provincies met de hoogste reserves die reserves voor een deel zouden moeten
gaan gebruiken om eigen inkomsten te creëren. Deelt de Minister de mening dat de discussie
over een wijziging van de verdeling van het provinciefonds aanzienlijk ingewikkelder
zal zijn in het geval het nieuwe kabinet tot bezuinigingen op het provinciefonds zal
overgaan? Kan de Minister hierop ingaan?
Antwoord 4.
De nu gemaakte afspraken met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO zijn gericht op het verdere proces ter realisatie van een nieuw
verdeelmodel.
Ongeacht de omvang van het provinciefonds is het van belang dat de verdeling van het
provinciefonds, conform de Financiële-verhoudingswet, dusdanig is vormgegeven dat
het provincies in een gelijke financiële uitgangspositie brengt.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
5.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben gelezen dat door «weeffouten» in het
huidige verdeelmodel van het provinciefonds de provincies Noord- en Zuid-Holland samen
175 miljoen euro hebben misgelopen. Deelt de Minister die mening van de provincies
dat deze weeffout hersteld moet worden en er niet gewacht kan worden op een definitiever
herziening van de verdeling en dat deze fouten al op korte termijn hersteld moeten
worden? Zo ja, hoe gaat de Minister daarvoor zorgen? Zo nee, waarom niet? Gaat met
het nieuwe verdeelmodel de opschalingskorting verdwijnen?
Antwoord 5.
In de offerteaanvraag is door BZK als fondsbeheerder aandacht gevraagd voor de weeffouten
in het huidige model. In dat kader is gevraagd om in het herijkingsonderzoek in ieder
geval te kijken naar het effect van grensverschuivingen tussen provincies en naar
de relatie met de BDU Verkeer en Vervoer en de vervoersregio’s. CEBEON heeft dan ook
in het door haar uitgevoerde onderzoek en ontwikkelde voorstel de historische weeffouten,
waaronder dat de verdeling van de in 2017 geïntegreerde BDU-middelen is gebaseerd
op gedateerde gegevens (2008 en eerdere jaren), meegenomen. Evenzo heeft CEBEON gekeken
naar het feit dat bij de overheveling van de jeugdzorgmiddelen van het provinciefonds
naar het gemeentefonds in 2017 een aantal provincies onevenredig is benadeeld.
Als fondsbeheerders hebben we met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een
nieuw verdeelmodel. Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor
het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande
het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds. In de ROB adviesaanvraag is ook een
vraag opgenomen of de weeffouten uit het vorige model, waaronder de wijze waarop rekening
wordt gehouden met de vervoersregio’s en de uitname van middelen voor jeugdzorg, op
een adequate manier zijn opgelost/meegewogen. Verder is de ROB gevraagd advies te
geven als het gaat over de introductie en invoering van het uiteindelijke model en
hoe dan moet worden omgegaan met de herverdeeleffecten.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5) op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
Het demissionaire kabinet heeft per Kamerbrief aangegeven dat de oploop van de opschalingskorting
die vanaf 2026 weer in de boeken staat dit voorjaar op tafel ligt. Bij Voorjaarsnota
is in constructief overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovincial
Overleg (IPO) – in gewaardeerde aanwezigheid van de Unie van Waterschappen (UvW)
– besloten over te gaan tot het schrappen van de oploop van deze korting in combinatie
met het vervroegd invoeren van de nieuwe financieringssystematiek in 2024.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief inzake de stand van
zaken nieuwe verdeling provinciefonds (TK 36 410 C, nr. 5). Deze leden hebben hier nog enkele vragen en opmerkingen over.
1.
Het rapport lezende wordt het deze leden niet duidelijk wat het nieuwe model financieel
gaat betekenen voor de individuele provincies. Kan de Minister hier een duidelijk
overzicht van geven?
Antwoord 1.
Als fondsbeheerders hebben we met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een
nieuw verdeelmodel. Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor
het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande
het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB gevraagd advies te geven als het gaat over de introductie
en invoering van het uiteindelijke model en hoe dan moet worden omgegaan met de herverdeeleffecten.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
2a.
Uit de brief van het Interprovinciaal Overleg (IPO) maken de leden van de VVD-fractie
op dat de provincies niet unaniem voorstander zijn en dat ook het IPO nog de nodige
vraagtekens heeft. Hoe gaat de Minister zich inspannen om het IPO en alle provincies
achter het nieuwe model te krijgen?
Antwoord 2a.
Het onderzoeksbureau CEBEON is gevraagd een voorstel te ontwikkelen voor een nieuwe
verdeling van het verdeelmodel van het provinciefonds. Tijdens het onderzoekstraject
is vanuit een aantal provincies ambtelijke expertise geleverd. Bovendien is tijdens
het onderzoeksproces periodiek contact geweest en informatie uitgewisseld met alle
provincies, zowel rechtstreeks met individuele provincies als via het IPO en/of de
Ambtelijke Advies Commissie en de Bestuurlijke Advies Commissie financiën. Inmiddels
heeft CEBEON een eindrapport opgeleverd. Dit rapport is zeer intensief ambtelijk besproken
met en door de provincies. De gezamenlijke provincies hebben de fondsbeheerders per
brief van juni 2023 van de uitkomst van die besprekingen op de hoogte gesteld. Deze
brief heb ik ter uwer informatie als bijlage toegevoegd aan mijn kamerbrief van 6 maart jl.
(Kamerstuk II 2023/24, 36 410 C, nr. 5), zodat ook u kennis kan nemen van de vragen en zorgen die op dit moment nog bij
de provincies leven.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 1 is aangegeven hebben we met de Bestuurlijke
adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het
verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel.
2b.
In het onderzoek is ervoor gekozen om 2020 als basisjaar te zien. Wat is hiertoe precies
de reden? Heeft de Minister ook andere opties overwogen?
Antwoord 2b.
Zoals CEBEON in haar rapport aangeeft is de nieuwe verdeling voor het provinciefonds
afgestemd op de netto lasten van provincies per cluster in 2020 en zijn de uitkomsten
beoordeeld in meerjarig perspectief (2017–2024). Het jaar 2020 is het meest recente
rekeningjaar waarvoor gegevens beschikbaar waren bij de start van het onderzoek.
2c.
In hoeverre wordt er rekening gehouden met andere Rijksinvesteringen in de verschillende
provincies? Naast herijking zou er bijvoorbeeld ook gekeken kunnen worden naar het
takenpakket van de provincies. Is de Minister hierover in gesprek met de provincies?
Antwoord 2c.
Zoals vermeld in de Voorjaarsnota 2024 spelen op het fysiek terrein een aantal fundamentele
ontwikkelingen die veel van overheden vragen en financieel grote gevolgen kunnen hebben.
Kabinet en IPO erkennen dat er onderzoek nodig is naar de vraag of de bbp-systematiek
evenredig meebeweegt met de ontwikkeling van de kosten op de drie beleidsterreinen
openbaar vervoer, infrastructuur en natuur. Bij het onderzoek dient goed gekeken te
worden naar uitvoeringscapaciteit, trends, ontwikkelingen en prognoses, juridische
en financiële obstakels. Waarbij dit ook in het licht van de gehele overheidsfinanciën
wordt bekeken.
Op deze dossiers is daarom in het kader van de Voorjaarsnota 2024 afgesproken dat
in voorbereiding op het BOFv van juni 2024 de concrete vraagstukken nader worden uitgewerkt.
Het gaat om de balans tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Voor
deze drie beleidsterreinen zal in samenspraak met de betrokken beleidsverantwoordelijke
departementen tot een verdere concretisering van de handelingsperspectieven en oplossingsrichtingen
worden gekomen.
Streven is om door de verdere uitwerking, indien mogelijk, zo snel mogelijk een meer
compleet beeld te hebben van aard en omvang en mogelijke maatregelen. Daarbij zal zowel
gekeken worden naar de financiële aspecten, de inhoudelijke sturing als de rolneming
door zowel Rijk als medeoverheden.
De nu gemaakte afspraken met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO zijn gericht op het verdere proces ter realisatie van een nieuw
verdeelmodel.
Ongeacht de omvang van het provinciefonds is het van belang dat de verdeling van het
provinciefonds, conform de Financiële-verhoudingswet, dusdanig is vormgegeven dat
het provincies in een gelijke financiële uitgangspositie brengt.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
2d.
Is het nieuwe model flexibel genoeg om in te spelen op veranderende economische en
demografische omstandigheden?
Antwoord 2d.
Het betreft een nieuwe verdeling van de algemene uitkering van het provinciefonds
die voldoet aan de eisen van de Financiële-verhoudingswet uit 1997 (Fvw). Dit laatste
wil zeggen dat de verdeling de noodzakelijke kosten van provincies moet volgen (kostenoriëntatie),
rekening moet houden met de mogelijkheden die provincies zelf hebben om een deel van
die kosten uit eigen inkomsten te dekken (inkomstenverevening), niet te gedetailleerd
moet verdelen om te voorkomen dat de verdeling als bestedingsnorm gaat werken (globaliteit)
en beloning van goed of slecht gedrag (ongewenste prikkelwerking) moet worden vermeden.
Daarnaast moet de verdeling in de tijd voldoende stabiel zijn, zodat budgetten niet
te veel schommelen. Maar de verdeling moet wel zo flexibel zijn dat deze meebeweegt
met de veranderende kosten die provincies maken.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB haar oordeel gevraagd over de stabiliteit en de
dynamische werking van het conceptmodel, zowel aan de «uitgavenkant» als de «inkomstenkant»
van het model, mede in het licht van de grote transities waar de provincies voor aan
de lat staan. Tevens is aan de Raad gevraagd of zij het model voldoende toekomstbestendig
acht en wat volgens haar nodig is om het model toekomstbestendig te maken en/of te
houden.
2e.
In de stukken lezen deze leden dat verschillende provincies hebben verzocht om inzicht
in de meerjarige werking van het nieuwe model. De verwachting was dat dit voor 6 april
2023 door de Minister gedeeld kon worden. Is dit reeds gedeeld? Zo ja, kan de Minister
dit delen met de Kamer?
Antwoord 2e.
Zoals CEBEON in haar rapport aangeeft is de nieuwe verdeling voor het provinciefonds
afgestemd op de netto lasten van provincies per cluster in 2020 en zijn de uitkomsten
beoordeeld in meerjarig perspectief (2017–2024). Het jaar 2020 is het meest recente
rekeningjaar waarvoor gegevens beschikbaar waren bij de start van het onderzoek.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 1 is aangegeven hebben we met de Bestuurlijke
adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het
verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB gevraagd advies te geven als het gaat over de introductie
en invoering van het uiteindelijke model en hoe dan moet worden omgegaan met de herverdeeleffecten.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
Vragen en opmerkingen van de leden van de NSC-fractie
1.
De leden van de NSC-fractie hebben kennisgenomen van het advies van het Centrum Beleidsadviserend
Onderzoek (Cebeon) voor een nieuw verdeelmodel voor het provinciefonds en van de reactie
van de Minister op dit advies. Deze leden merken op dat de reactie van de Minister
geen inhoudelijk oordeel bevat over het voorstel van een nieuw verdeelmodel, terwijl
de provincies verdeeld op het advies hebben gereageerd. De Minister geeft echter wel
aan dat er «politiek-bestuurlijke weging en besluitvorming» nodig is, «met inachtneming
van de leefwereld van provincies». Deze leden vragen de Minister om inhoudelijk te
reageren op het advies van Cebeon, in het licht van de wettelijke criteria die ten
aanzien van het verdeelmodel gelden. Is het verdeelmodel dat door Cebeon is voorgesteld
naar het oordeel van de Minister uitlegbaar, stabiel over de tijd, en kan dit worden
ingevoerd op een verantwoorde wijze rekening houdend met de financiële situatie bij
provincies? Kan de Minister aangeven hoe het voorgestelde verdeelmodel de komende
jaren financieel zou uitpakken voor de verschillende provincies (meerjarige doorrekening)?
Antwoord 1.
In het door mij opgestelde plan van aanpak is gesteld dat het streven is een verdeelmodel
van de algemene uitkering van het provinciefonds die aansluit bij de leefwereld van
provincies en voldoet aan de eisen van de Financiële-verhoudingswet uit 1997 (Fvw).
Dit laatste wil zeggen dat de verdeling de noodzakelijke kosten van provincies moet
volgen (kostenoriëntatie), rekening moet houden met de mogelijkheden die provincies
zelf hebben om een deel van die kosten uit eigen inkomsten te dekken (inkomstenverevening),
niet te gedetailleerd moet verdelen om te voorkomen dat de verdeling als bestedingsnorm
gaat werken (globaliteit) en beloning van goed of slecht gedrag (ongewenste prikkelwerking)
moet worden vermeden. Daarnaast moet de verdeling in de tijd voldoende stabiel zijn,
zodat budgetten niet te veel schommelen. Maar de verdeling moet wel zo flexibel zijn
dat deze meebeweegt met de veranderende kosten die provincies maken.
Zoals CEBEON in haar rapport aangeeft is de nieuwe verdeling voor het provinciefonds
afgestemd op de netto lasten van provincies per cluster in 2020 en zijn de uitkomsten
beoordeeld in meerjarig perspectief (2017–2024).
Als fondsbeheerders hebben we met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een
nieuw verdeelmodel. Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor
het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande
het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB gevraagd in te gaan op of de onderzoeksmethode
volgens de Raad tot een solide onderbouwde kostengeoriënteerde verdeling leidt. Ook
is de ROB gevraagd in te gaan op de wijze waarop de verevening van de Motorrijtuigenbelasting
en van de OEM is vormgegeven. Daarnaast is in de ROB adviesaanvraag aan de ROB gevraagd
haar oordeel te geven over de stabiliteit en de dynamische werking van het conceptmodel,
zowel aan de «uitgavenkant» als de «inkomstenkant» van het model, mede in het licht
van de grote transities waar de provincies voor aan de lat staan. Tevens is aan de
Raad gevraagd of zij het model voldoende toekomstbestendig acht en wat volgens haar
nodig is om het model toekomstbestendig te maken en/of te houden. Verder is de ROB
gevraagd in te gaan op de uitlegbaarheid van de effecten van het conceptmodel van
CEBEON voor provincies en advies te geven als het gaat over de introductie en invoering
van het uiteindelijke model en hoe dan moet worden omgegaan met de herverdeeleffecten.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
2.
Tevens vragen deze leden de Minister om nader in te gaan op de vraag welk probleem
het nieuwe verdeelmodel nu eigenlijk precies oplost. Leidt het bestaande verdeelmodel
tot uitkomsten die evident onrechtvaardig of onuitlegbaar zijn, en zo ja, welke? Wat
gaat er mis als het huidige verdeelmodel de komende jaren de basis voor de uitkering
uit het provinciefonds blijft? En waarom is er niet voor gekozen om de herziening
van het verdeelmodel te bezien in samenhang met de discussie over de toekomstige vormgeving
van het eigen provinciale belastinggebied (i.c. de toekomstige vormgeving van de motorrijtuigenbelasting
en de ruimte voor provincies om via opcenten eigen inkomsten te verwerven)?
Antwoord 2.
Ongeacht de omvang van het provinciefonds is het van belang dat de verdeling van het
provinciefonds, conform de Financiële-verhoudingswet, dusdanig is vormgegeven dat
het provincies in een gelijke financiële uitgangspositie brengt.
Mocht te zijner tijd besloten worden tot een andere vormgeving van het provinciaal
belastinggebied, bijvoorbeeld afschaffing of wijziging van de huidige motorrijtuigenbelasting,
dan zal op dat moment bekeken worden wat de gevolgen zijn voor het verdeelmodel van
het provinciefonds.
Het huidige model kent weeffouten. In de offerteaanvraag is door BZK als fondsbeheerder
aandacht gevraagd om in het herijkingsonderzoek in ieder geval te kijken naar de weeffouten
in het huidige model. CEBEON heeft dan ook in het door haar uitgevoerde onderzoek
en ontwikkelde voorstel de historische weeffouten meegenomen. Zo is de verdeling van
de in 2017 geïntegreerde BDU-middelen gebaseerd op gedateerde gegevens (2008 en eerdere
jaren) en is bij de overheveling van de jeugdzorgmiddelen van het provinciefonds naar
het gemeentefonds in 2017 een aantal provincies onevenredig benadeeld.
De nu gemaakte afspraken met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO zijn gericht op het verdere proces ter realisatie van een nieuw
verdeelmodel. Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 1 is aangegeven is met de gedeputeerden
overeengekomen dat er aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke
adviesaanvraag wordt gedaan aangaande het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB gevraagd in te gaan of de weeffouten uit het vorige
model, waaronder de wijze waarop rekening wordt gehouden met de vervoersregio’s en
de uitname van middelen voor jeugdzorg, op een adequate manier zijn opgelost/meegewogen.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 1 is aangegeven is de ROB ook gevraagd in te gaan
op de uitlegbaarheid van de effecten van het conceptmodel en advies te geven als het
gaat over de introductie en invoering van het uiteindelijke model en hoe dan moet
worden omgegaan met de herverdeeleffecten.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
3.
Kan de Minister aangeven of hij vindt dat de uitgavenclusters in het nieuwe verdeelmodel
goed aansluiten bij de taken van de provincies en de kosten die zij maken? Doet de
verdeelsleutel voldoende recht aan de daadwerkelijk gemaakte kosten en de verschillen
die zich tussen provincies voordoen? In hoeverre is het nieuwe verdeelmodel algemeen
en robuust genoeg om ook bij discussies over additionele taken als basis te dienen
als verdeelsleutel? En doet het verdeelmodel voldoende recht aan de rol van provincies
bij een aantal grote transities, zoals op het gebied van klimaat en energie, platteland
en (circulaire) regionale economie?
Antwoord 3.
CEBEON heeft het model ontworpen uitgaande dat via de verdeling van het provinciefonds
de Financiële-verhoudingswet beoogt provincies in een gelijke financiële uitgangspositie
te brengen. Dit is volgens CEBEON in haar model gerealiseerd door aan de uitgavenkant
bij de verdeling van de middelen rekening te houden met de kosten die provincies moeten
maken, gegeven de objectieve kostenbepalende kenmerken van elke provincie (kostenoriëntatie).
Daarnaast heeft CEBEON aan de inkomstenkant rekening gehouden met verschillen in de
mogelijkheden die provincies hebben om een deel van hun uitgaven uit eigen middelen
te bekostigen (inkomstenverevening).
Volgens CEBEON is de provinciale eigenheid geborgd door de keuze van (1) de structuurkenmerken
van provincies en (2) de wijze waarop wordt omgegaan met historisch gegroeide situaties,
zoals met name de uiteenlopende vermogenspositie van provincies.
Zoals bij mijn antwoord bij uw vraag 1 is aangegeven is de ROB gevraagd om advies
te geven over hoe de Raad oordeelt over de stabiliteit en de dynamische werking van
het conceptmodel, zowel aan de «uitgavenkant» als de «inkomstenkant» van het model,
mede in het licht van de grote transities waar de provincies voor aan de lat staan.
Tevens is de Raad gevraagd of ze het model voldoende toekomstbestendig acht en wat
volgens haar nodig is om het model toekomstbestendig te maken en/of te houden. Verder
is de ROB gevraagd in te gaan op de uitlegbaarheid van de effecten van het conceptmodel
van CEBEON.
4.
Kan de Minister aangeven hoe hij aankijkt tegen de voorgestelde wijze van verevening
van verschillen in belastingcapaciteit? In hoeverre wordt voldoende recht gedaan aan
het uitgangspunten dat de beschikking over een eigen belastinggebied provincies in
staat moet stellen om autonome keuzes te maken, gelet op de open huishouding van provincies?
En in hoeverre zijn de huidige (verschillen in) belastingtarieven van provincies te
beschouwen als een uitdrukking van die eigen keuzes, of eerder een uitdrukking van
tekortschietende middelen voor taken?
Antwoord 4.
Ongeacht de omvang van het provinciefonds is het van belang dat de verdeling van het
provinciefonds, conform de Financiële-verhoudingswet, dusdanig is vormgegeven dat
het provincies in een gelijke financiële uitgangspositie brengt.
Dit is volgens CEBEON in haar model gerealiseerd door aan de uitgavenkant bij de verdeling
van de middelen rekening te houden met de kosten die provincies moeten maken, gegeven
de objectieve kostenbepalende kenmerken van elke provincie (kostenoriëntatie). Daarnaast
heeft CEBEON aan de inkomstenkant rekening gehouden met verschillen in de mogelijkheden
die provincies hebben om een deel van hun uitgaven uit eigen middelen te bekostigen
(inkomstenverevening).
De systematiek voor de verevening van verschillen in belastingcapaciteit met betrekking
tot de motorrijtuigenbelasting (MRB) is in het model van CEBEON niet gewijzigd. Net
als in de huidige verdeling worden deze verschillen in capaciteit verevend op basis
van de hoofdsom. Dit betekent dat in de verdeling rekening wordt gehouden met verschillen
in potentiële capaciteit en niet met feitelijke inkomsten uit de MRB.
De systematiek voor de verevening van de overige eigen middelen (OEM) is in het model
van CEBEON wel gewijzigd. In de huidige verdeling wordt de OEM grotendeels verevend
op basis van verschillen in historische rendementen op vermogens. In de nieuwe verdeling
wordt de OEM verevend op basis van een fictief rendement op het eigen vermogen van
provincies.
In de ROB adviesaanvraag is de ROB gevraagd in te gaan op of de onderzoeksmethode
volgens de Raad tot een solide onderbouwde kostengeoriënteerde verdeling leidt. Ook
is de ROB gevraagd in te gaan op de wijze waarop de verevening van de Motorrijtuigenbelasting
en van de OEM is vormgegeven.
5.
Hoe kijkt de Minister aan tegen het voorstel van Cebeon om de Overige Eigen Middelen
(OEM) te berekenen op basis van een fictief rendement? Hoe reëel zijn de berekeningen
van dit fictief rendement, mede gelet op het feit dat provincies inmiddels verplicht
zijn om hun tegoeden aan te houden bij de schatkist? Kan de Minister aangeven welk
rendement provincies in de praktijk maken op hun vermogen en wat daarbij de verschillen
zijn tussen de provincies? Waarom is er niet gekozen voor een verrekening op basis
van reëel rendement?
Antwoord 5.
Zoals CEBEON in haar rapport aangeeft wordt in de nieuwe verdeling de OEM verevend
op basis van een fictief rendement op het eigen vermogen van provincies.
CEBEON geeft daarbij aan dat een balans is gezocht tussen nauwkeurigheid en beïnvloedbaarheid.
Enerzijds dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat niet over het hele
eigen vermogen rendement kan worden gerealiseerd en dat er ook provincies zijn met
substantiële schulden. Anderzijds dient de verevening ook niet te complex te worden
door allerlei correcties op het eigen vermogen, waardoor de uitkomst van de verevening
mogelijk beïnvloedbaar wordt. Deze balans is gevonden door een drempelwaarde op het
eigen vermogen te hanteren, waarover geen rendement wordt verondersteld. Deze drempelwaarde
is bepaald op de jaaromzet van provincies. Daarmee wordt op globale wijze rekening
gehouden met het feit dat over bepaalde componenten van het eigen vermogen geen feitelijk
rendement wordt gerealiseerd en sommige provincies ook substantiële schulden hebben.
Het fictieve rendement bedraagt volgens CEBEON in de uitgangssituatie 3,45% en is
afgestemd op de totale feitelijke inkomsten uit de OEM in 2020. Ten behoeve van de
stabiliteit is door CEBEON voor alle variabelen een meerjarig gemiddelde (2017–2020)
gehanteerd. CEBEON stelt voor om dit fictieve rendement te dynamiseren door het te
koppelen aan het actuele rendement op 10-jarige Nederlandse staatsleningen.
De ROB is gevraagd in te gaan op de wijze waarop de verevening van de OEM is vormgegeven.
6a.
De leden van de NSC-fractie vernemen graag een reactie van de Minister op de kritiek
van provincies op de voorgenomen korting op het provinciefonds in 2026.
Antwoord 6a.
Het demissionaire kabinet heeft per Kamerbrief aangegeven dat de oploop van de opschalingskorting
die vanaf 2026 weer in de boeken staat dit voorjaar op tafel ligt. Bij Voorjaarsnota
is in constructief overleg met de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovincial
Overleg (IPO) – in gewaardeerde aanwezigheid van de Unie van Waterschappen (UvW) -besloten
over te gaan tot het schrappen van de oploop van deze korting in combinatie met het
vervroegd invoeren van de nieuwe financieringssystematiek in 2024.
Als onderdeel van het hierboven beschreven en met de VNG en het
IPO overeengekomen besluit is ook gesproken over enkele inhoudelijke (budgettaire)
thema’s. Dit heeft geleid tot enkele concrete afspraken. Voor de dossiers in het fysieke
domein (infrastructuur, natuur en openbaar vervoer) is in het kader van de Voorjaarsnota
2024 afgesproken dat in voorbereiding op het BOFv van juni 2024 de concrete vraagstukken
nader worden uitgewerkt. Het gaat het om de balans tussen ambitie, taken, middelen
en uitvoeringskracht. Voor deze drie beleidsterreinen zal in samenspraak met de betrokken
beleidsverantwoordelijke departementen tot een verdere concretisering van de handelingsperspectieven
en oplossingsrichtingen worden gekomen. Streven is om door de verdere uitwerking,
indien mogelijk, zo snel mogelijk een meer compleet beeld te hebben van aard en omvang
en mogelijke maatregelen. Daarbij zal zowel gekeken worden naar de financiële aspecten,
de inhoudelijke sturing als de rolneming door zowel Rijk als medeoverheden.
6b.
Kan de Minister aangeven hoe het takenpakket van de provincies zich in de afgelopen
twintig jaar heeft ontwikkeld, afgezet tegen de totale inkomsten van provincies? In
hoeverre hebben er in de afgelopen twintig jaar decentralisaties plaatsgevonden waarbij
tegelijkertijd een efficiencykorting is ingeboekt?
Antwoord 6b.
De afgelopen jaren zijn decentralisaties in het provinciefonds doorgevoerd ten aanzien
van de taken Natuur, Dienst Landelijk Gebied en Verkeer en Vervoer, te weten:
• Natuur: In het Bestuursakkoord natuur – dat werd afgesloten onder kabinet-Rutte I
– werd afgesproken dat de provincies tot 2021 in totaal 40.000 hectare aan nieuwe
natuur zouden inrichten, waarvoor nog 17.000 hectare landbouwgrond moest worden verworven.
Voor de dekking hiervan stelde het Rijk grond beschikbaar. Voor het beheer van die
gronden kregen de provincies jaarlijks 105 miljoen euro via het Provinciefonds. Zelf
zouden de provincies jaarlijks een eigen bijdrage aan het beheer moeten leveren van
65 miljoen euro. Met het kabinet-Rutte II kwam er 200 miljoen euro extra middelen
per jaar beschikbaar voor het Provinciefonds. De extra middelen kregen hun beslag
in het Natuurpact van 2013, waarin provincies en Rijk afspraken om de ontwikkelopgave
uit het Bestuursakkoord minimaal te verdubbelen. Daarnaast streven provincies en Rijk
naar een eigen bijdrage van maatschappelijke partijen aan de realisatie van het Natuurnetwerk,
namelijk van 15 procent.
• Dienst Landelijk Gebied: De provincies zijn per 1 januari 2015 verantwoordelijk voor
het «provinciaal aandeel» Dienst Landelijk Gebied. Daartoe hebben zij, nadat het Rijk
de efficiencytaakstelling heeft geëffectueerd, de zeggenschap over de bijbehorende
capaciteit (400 fte) over en zijn bijbehorende middelen (jaarlijks 41 miljoen euro)
aan het Provinciefonds toegevoegd.
• Verkeer en Vervoer: Met ingang van 2016 maken de voor de provincies bestemde middelen
uit de Brede Doeluitkering (BDU) Verkeer en vervoer onderdeel uit van het provinciefonds.
Voorheen werden deze middelen toegekend via een specifieke uitkering van het Ministerie
van Infrastructuur en Milieu. De BDU-middelen van de voormalige plusregio’s, met uitzondering
van de regio’s Amsterdam, Haaglanden en Rotterdam, zijn eveneens naar het provinciefonds
overgeheveld en toegekend aan de betreffende provincies.
Verdere budgettaire consequenties betreft: In de begroting 2010 van het provinciefonds
is per 2011 een structurele korting van 300 miljoen euro opgelegd. Op 19 maart 2009
heeft de Raad voor Financiële Verhoudingen zijn advies «Naar een herijking van de
financiële verhouding tussen Rijk en provincies» uitgebracht. In zijn advies constateerde
de Raad dat provincies in staat bleken te zijn om van hun takenpakket uit eigen middelen
€ 597 miljoen meer te bekostigen dan tot nu toe bij de bepaling van de algemene uitkering
uit het provinciefonds werd verondersteld. Het kabinet achtte het verantwoord om mede
op basis van dit advies het provinciefonds met ingang van 2011 structureel met € 300
miljoen te verlagen.
6c.
Hoe kijkt het kabinet aan tegen de huidige verhouding tussen taken en middelen van
provincies?
Antwoord 6c.
Tijdens het Overhedenoverleg op 6 september 2023 is door een kabinetsdelegatie en
de koepels VNG, IPO en Unie van Waterschappen met elkaar gesproken over de balans
tussen ambities, taken, middelen en uitvoeringskracht. Dit vanuit de gedeelde verantwoordelijkheid
en de ervaren urgentie om gezamenlijk voor de inwoners van Nederland aan de grote
maatschappelijke opgaven te werken. Daarbij is ook gesproken over het belang van financiële
middelen, die daarmee in evenwicht zijn.
Zoals bij uw vraag 6a is aangegeven is dit voorjaar in constructief overleg met de
VNG en het IPO – in gewaardeerde aanwezigheid van de Unie van Waterschappen ook gesproken
over enkele inhoudelijke (budgettaire) thema’s. Dit heeft geleid tot enkele concrete
afspraken. Voor de dossiers in het fysieke domein (infrastructuur, natuur en openbaar
vervoer) is in het kader van de Voorjaarsnota 2024 afgesproken dat in voorbereiding
op het BOFv van juni 2024 de concrete vraagstukken nader worden uitgewerkt. Het gaat
het om de balans tussen ambitie, taken, middelen en uitvoeringskracht. Voor deze drie
beleidsterreinen zal in samenspraak met de betrokken beleidsverantwoordelijke departementen
tot een verdere concretisering van de handelingsperspectieven en oplossingsrichtingen
worden gekomen. Streven is om door de verdere uitwerking, indien mogelijk, zo snel
mogelijk een meer compleet beeld te hebben van aard en omvang en mogelijke maatregelen.
Daarbij zal zowel gekeken worden naar de financiële aspecten, de inhoudelijke sturing
als de rolneming door zowel Rijk als medeoverheden.
6d.
In hoeverre is er met het nieuwe verdeelmodel sprake van het «herverdelen van schaarste»
waardoor provincies niet langer in staat zijn om hun (medebewinds-)taken adequaat
uit te voeren?
Antwoord 6d.
Zoals bij uw vraag 6c is aangegeven is dit voorjaar in constructief overleg met de
VNG en het IPO – in gewaardeerde aanwezigheid van de Unie van Waterschappen gesproken
over enkele inhoudelijke (budgettaire) thema’s. Dit heeft geleid tot enkele concrete
afspraken. Voor de dossiers in het fysieke domein (infrastructuur, natuur en openbaar
vervoer) is in het kader van de Voorjaarsnota 2024 afgesproken dat in voorbereiding
op het BOFv van juni 2024 de concrete vraagstukken nader worden uitgewerkt. Het gaat
het om de balans tussen ambitie, taken, middelen en uitvoeringskracht. Voor deze drie
beleidsterreinen zal in samenspraak met de betrokken beleidsverantwoordelijke departementen
tot een verdere concretisering van de handelingsperspectieven en oplossingsrichtingen
worden gekomen. Streven is om door de verdere uitwerking, indien mogelijk, zo snel
mogelijk een meer compleet beeld te hebben van aard en omvang en mogelijke maatregelen.
Daarbij zal zowel gekeken worden naar de financiële aspecten, de inhoudelijke sturing
als de rolneming door zowel Rijk als medeoverheden.
6e.
En is de Minister van mening dat het voorgestelde verdeelmodel provincies in een gelijke
uitgangspositie brengt, ook in die gebieden waarin de afgelopen jaren sprake is geweest
van verschraling van voorzieningen?
Antwoord 6e.
Conform verzoek van de Eerste Kamer naar aanleiding van een motie van lid Van der
Goot is in de Voorjaarsnota 2024 een regioparagraaf opgenomen. In het rapport «Elke
regio telt!» dat op 23 maart 2023 verscheen is namelijk geconstateerd dat welvaart
en welzijn op een aantal plekken in Nederland achterlopen. In reactie hierop heeft
het kabinet aangegeven dat het «anders en beter moet» en dat het hiermee aan de slag
gaat. Er is hierbij aangekondigd een voorstel voor een aanpak neer te leggen voor
een volgend kabinet. De Tweede Kamer wordt rond de zomer van 2024 geïnformeerd over
de bouwstenen die het kabinet voorziet voor de uitwerking van de adviezen van het
rapport.
Het verdeelmodel van het provinciefonds richt zich uitsluitend op de mate van aansluiting
tussen hetgeen het verdeelmodel verdeelt over de provincies en de daadwerkelijke uitgavenpatronen.
Er wordt niet gekeken naar een eventuele noodzaak om aanvullende investeringen te
doen in bepaalde provincies om het gewenste voorzieningenniveau te bereiken.
6f.
Hoe weegt het advies «Elke regio telt!» mee in het bestuurlijk oordeel over het verdeelmodel?
Antwoord 6f.
Zoals staat in het rapport «Elke regio telt!» zijn de budgetten uit het Gemeentefonds,
en hetzelfde geldt voor het Provinciefonds, bedoeld voor het in stand houden van het
lokale voorzieningenniveau en
om zorg en ondersteuning te bieden aan inwoners.
Het verdeelmodel van het provinciefonds richt zich uitsluitend op de mate van aansluiting
tussen hetgeen het verdeelmodel verdeelt over de provincies en de daadwerkelijke uitgavenpatronen.
Er wordt niet gekeken naar een eventuele noodzaak om aanvullende investeringen te
doen in bepaalde provincies om het gewenste voorzieningenniveau te bereiken.
Via de verdeling van het provinciefonds beoogt de Financiële-verhoudingswet provincies
in een gelijke financiële uitgangspositie te brengen. Dit is volgens CEBEON in haar
model gerealiseerd door aan de uitgavenkant bij de verdeling van de middelen rekening
te houden met de kosten die provincies moeten maken, gegeven de objectieve kostenbepalende
kenmerken van elke provincie (kostenoriëntatie). Daarnaast heeft CEBEON aan de inkomstenkant
rekening gehouden met verschillen in de mogelijkheden die provincies hebben om een
deel van hun uitgaven uit eigen middelen te bekostigen (inkomstenverevening).
7a.
Kan de Minister aangeven hoe het aantal specifieke uitkeringen en de bedragen die
hiermee gemoeid zijn zich in de afgelopen twintig jaar heeft ontwikkeld, in verhouding
tot de omvang van de algemene uitkering?
Antwoord 7a.
Onderstaand vindt u een overzicht hoe het aantal specifieke uitkeringen en de bedragen
die hiermee gemoeid zijn zich in de afgelopen twintig jaar heeft ontwikkeld, in verhouding
tot de omvang van de algemene uitkering.
Jaar
Aantal Spuks GF, PF en WGR1
Bedrag Spuks PF2
Omvang Alg. Uitk. PF3
Verhouding Bedrag Spuks PF tot Omvang Alg. Uitk. PF
2004
131
1.508.000
874.725
172%
2005
119
1.508.000
920.470
164%
2006
136
1.505.000
970.062
155%
2007
134
2.433.000
1.045.977
233%
2008
101
2.120.000
1.152.787
184%
2009
109
2.229.000
1.252.646
178%
2010
88
2.414.000
1.259.046
192%
2011
75
2.478.000
726.650
341%
2012
55
1.200.000
487.263
246%
2013
45
2.354.000
508.465
463%
2014
34
1.778.000
347.342
512%
2015
22
1.945.000
309.431
629%
2016
15
38.000
229.520
17%
2017
17
106.000
2.051.405
5%
2018
16
42.000
2.051.980
2%
2019
41
124.000
2.119.824
6%
2020
99
565.000
2.325.420
24%
2021
131
934.000
2.423.793
39%
2022
137
896.000
2.767.686
32%
2023
153
1.019.000
3.050.517
33%
X Noot
1
Bron: Onderhoudsrapporten Specifieke Uitkeringen en Begrotingen (begrotingscijfers
met bewerking BZK). Betreft totaal aantal specifieke uitkeringen aan gemeenten, provincies
en gemeenschappelijke regelingen (een gespecificeerde onderverdeling is niet beschikbaar).
X Noot
2
Bron: Onderhoudsrapporten Specifieke Uitkeringen en Begrotingen (begrotingscijfers
met bewerking BZK), bedragen x € 1.000
X Noot
3
Bron: Jaarverslagen, bedragen x € 1.000
7b.
Is het kabinet voornemens om het aantal specifieke uitkeringen – en daarmee ook de
verantwoordingslasten van provincies – te verminderen?
Antwoord 7b.
Zoals in de Voorjaarsnota 2024 is vermeld is de gezamenlijke inzet van Rijk, VNG en
IPO is gericht op een beperking van het aantal specifieke uitkeringen en het verminderen
van de verantwoordingslasten. Naast de lopende inspanningen om de Financiële verhoudingswet
aan te passen en daarmee het uitkeringsstelsel te vernieuwen, zal een plan worden
uitgewerkt om te komen tot doorlichting en waar mogelijk het verminderen van het aantal
(nieuwe) specifieke uitkeringen. Bestaande specifieke uitkeringen zullen daarbij tegen
het licht worden gehouden met de vraag of ze op korte termijn al kunnen worden opgenomen
in het Gemeentefonds en Provinciefonds. Nog voor de zomer zullen afspraken over de
verdere uitwerking hiervan met de medeoverheden worden gemaakt.
8.
De leden van de NSC-fractie vragen de Minister tevens hoe hij aankijkt tegen de ontwikkeling
van het provinciale belastinggebied (opcenten motorrijtuigenbelasting), mede in relatie
tot de discussie over de omvang en verdeling van het provinciefonds. Deelt de Minister
de visie van de leden van de NSC-fractie dat provincies moeten blijven beschikken
over eigen belastingmiddelen? Wat is de visie van het kabinet op een passend provinciaal
belastinggebied, zowel wat betreft de omvang als de grondslag? Op welke wijze werkt
de elektrificatie van het wagenpark en een mogelijke herziening van het belastingstelsel
(betalen naar gebruik) door in de toekomstige belastingopbrengsten van provincies?
In hoeverre is het voorgestelde verdeelmodel robuust genoeg om mogelijke wijzigingen
in belastingen op automobiliteit te kunnen opvangen?
Antwoord 8.
Gezien de demissionaire status van het kabinet ligt het niet in de rede om een beoordeling
te geven over de omvang van het belastinggebied van decentrale overheden.
Tussen 2026 en 2030 wordt een nieuwe tariefkorting van 30 procent in de motorrijtuigenbelasting
(MRB) geïntroduceerd voor emissievrije personenauto’s. Dit leidt voor provincies tot
lagere inkomsten uit de opcenten. Ter compensatie is bij Voorjaarsnota een budget
van in totaal 656 miljoen euro tot en met 2030 op de Aanvullende Post gereserveerd.
Mocht te zijner tijd besloten worden tot afschaffing of wijziging van de huidige motorrijtuigenbelasting
dan zal op dat moment bekeken worden wat de gevolgen zijn voor het verdeelmodel van
het provinciefonds.
9.
Kan de Minister tot slot aangeven wat de planning is voor de invoering van het nieuwe
verdeelmodel?
Antwoord 9.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 1 is aangegeven hebben we met de Bestuurlijke
adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het
verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel. Uw Kamer zal, zoals toegezegd
in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24, 36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de stukken
ten aanzien van de nieuwe verdeling van het provinciefonds. Deze leden hechten grote
waarde aan voldoende financiële middelen zodat alle provincies hun taken naar behoren
kunnen uitvoeren. Daarnaast willen deze leden benadrukken dat provincies als zelfstandige,
democratisch gekozen bestuurslaag voldoende eigen afwegingsruimte dienen te hebben
om beleidskeuzes te maken. De inrichting en uitwerking van het provinciefonds moet
daar dienend aan zijn. Anders verworden decentrale overheden tot uitvoeringskantoren
van het Rijk en dat doet geen recht aan hun grondwettelijke positie, zo stellen deze
leden.
1.
De leden van de D66-fractie steunen de doelen die het kabinet stelt voor het nieuwe
model dat deze een verbetering dient te zijn, maar ook uitlegbaar, stabiel over tijd
en op een verantwoorde wijze kan worden ingevoerd. Hoe definieert de Minister hierbij
een verbetering? Wordt hierbij aangesloten bij de eerdere norm dat het aansluit bij
de leefwereld van provincies en voldoet aan de eisen uit de Financiële-verhoudingswet
(Fvw)? Of zijn er andere factoren nog verder van belang volgens de Minister?
Antwoord 1.
De herziening van het verdeelmodel is in de ogen van de fondsbeheerders meer dan een
technische model exercitie. Als fondsbeheerders achten wij het van belang dat het
nieuwe model een verbetering is van het huidige model, uitlegbaar is, stabiel is over
de tijd, en kan worden ingevoerd op een verantwoorde wijze rekening houdend met de
financiële situatie bij provincies.
Het huidige model kent weeffouten. In de offerteaanvraag is door BZK als fondsbeheerder
aandacht gevraagd om in het herijkingsonderzoek in ieder geval te kijken naar de weeffouten
in het huidige model. CEBEON heeft dan ook in het door haar uitgevoerde onderzoek
en ontwikkelde voorstel de historische weeffouten meegenomen. Zo is de verdeling van
de in 2017 geïntegreerde BDU-middelen gebaseerd op gedateerde gegevens (2008 en eerdere
jaren) en is bij de overheveling van de jeugdzorgmiddelen van het provinciefonds naar
het gemeentefonds in 2017 een aantal provincies onevenredig benadeeld.
In het plan van aanpak is gesteld dat het streven is een verdeelmodel van de algemene
uitkering van het provinciefonds die aansluit bij de leefwereld van provincies en
voldoet aan de eisen van de Financiële-verhoudingswet uit 1997 (Fvw). Dit laatste
wil zeggen dat de verdeling de noodzakelijke kosten van provincies moet volgen (kostenoriëntatie),
rekening moet houden met de mogelijkheden die provincies zelf hebben om een deel van
die kosten uit eigen inkomsten te dekken (inkomstenverevening), niet te gedetailleerd
moet verdelen om te voorkomen dat de verdeling als bestedingsnorm gaat werken (globaliteit)
en beloning van goed of slecht gedrag (ongewenste prikkelwerking) moet worden vermeden.
Bovendien moet de verdeling in de tijd voldoende stabiel zijn, zodat budgetten niet
te veel schommelen. Maar de verdeling moet wel zo flexibel zijn dat deze meebeweegt
met de veranderende kosten die provincies maken.
2.
De leden van de D66-fractie wijzen er in dat kader op dat het IPO als resultaat van
het intensieve traject slechts constateren dat het model navolgbaar is, maar dat het
IPO (nog) geen oordeel velt over het model. Hoe wordt voorkomen dat provincies pas
na afloop oordelen vellen over het model afhankelijk van de uitkomsten? Kan de Minister
ingaan hoe omgegaan wordt met de bespreekpunten die het IPO noemt? Hoe is de Minister
voornemens in algemene zin te zorgen dat in de uitwering van de nieuwe verdeling deze
doelen voldoende beschermd zijn tegen lobbydruk? Hoe voorkomt de Minister bijvoorbeeld
dat een provincie die geen sterke lobby uitoefent de rekening betaalt van wensen van
andere provincies? Is er voldoende commitment van alle partijen voor het uitvoeren
van de technische exercitie zodat deze overeind blijft wanneer duidelijk is wat de
uitkomsten zijn?
Antwoord 2.
Tijdens het onderzoekstraject is vanuit een aantal provincies ambtelijke expertise
geleverd. Bovendien is tijdens het onderzoeksproces periodiek contact geweest en informatie
uitgewisseld met alle provincies, zowel rechtstreeks met individuele provincies als
via het IPO en/of de Ambtelijke Advies Commissie en de Bestuurlijke Advies Commissie
financiën.
Verder zijn met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van
het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel.
Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor het Openbaar Bestuur
(ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande het nieuwe verdeelmodel
van het provinciefonds. Waarbij ROB de provincies over onder andere hun bespreekpunten
kan consulteren. In het bijzonder is aan de ROB gevraagd in te gaan op de vragen van
de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO en de fondsbeheerders.
Zoals bij uw vraag 1 is aangegeven achten wij het als fondsbeheerders van belang dat
het nieuwe model een verbetering is van het huidige model, uitlegbaar is, stabiel
is over de tijd, en kan worden ingevoerd op een verantwoorde wijze rekening houdend
met de financiële situatie bij provincies en moet het nieuwe model voldoen aan de
eisen van de Financiële-verhoudingswet (Fvw) uit 1997.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5) op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
3.
De leden van de D66-fractie merken op dat sommige van de formerende partijen in hun
doorrekening de maatregel voorstelden om financiële middelen af te romen van provincies.
Indien dit in een aankomend regeerakkoord belandt, wat zou dit betekenen in het proces
om te komen tot een herijking van het provinciefonds? Zou dit uitstel betekenen en
hoe lang is de schatting?
Antwoord 3.
De nu gemaakte afspraken met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO zijn gericht op het verdere proces ter realisatie van een nieuw
verdeelmodel.
Ongeacht de omvang van het provinciefonds is het van belang dat de verdeling van het
provinciefonds, conform de Financiële-verhoudingswet, dusdanig is vormgegeven dat
het provincies in een gelijke financiële uitgangspositie brengt.
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5), op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben kennisgenomen van de stand van zaken nieuwe verdeling
provinciefonds. Deze leden hebben daar een aantal opmerkingen en vragen over.
1.
De leden van de BBB-fractie vonden de reactie van het IPO aangaande de nieuwe verdeling
van het provinciefonds opmerkelijk. Vooral de brief van het IPO en de passage daarin:
«De voorgenomen korting op het Provinciefonds staat, in combinatie met de herverdeling
van het Provinciefonds, bovendien haaks op het recent uitgebrachte advies «Elke Regio
telt». De discussie over een eerlijke verdeling van de middelen uit het Provinciefonds
is niet los te zien van de bredere discussie over een gelijkwaardig voorzieningenniveau
tussen regio’s, en van alle in deze brief neergelegde financiële vraagstukken.» Kan
de Minister reflecteren op deze passage?
Antwoord 1.
Conform verzoek van de Eerste Kamer naar aanleiding van een motie van lid Van der
Goot is in de Voorjaarsnota 2024 een regioparagraaf opgenomen. In het rapport «Elke
regio telt!» dat op 23 maart 2023 verscheen is namelijk geconstateerd dat welvaart
en welzijn op een aantal plekken in Nederland achterlopen. In reactie hierop heeft
het kabinet aangegeven dat het «anders en beter moet» en dat het hiermee aan de slag
gaat. Er is hierbij aangekondigd een voorstel voor een aanpak neer te leggen voor
een volgend kabinet. De Tweede Kamer wordt rond de zomer van 2024 geïnformeerd over
de bouwstenen die het kabinet voorziet voor de uitwerking van de adviezen van het
rapport.
Zoals staat in het rapport «Elke regio telt!» zijn de budgetten uit het Gemeentefonds,
en hetzelfde geldt voor het Provinciefonds, bedoeld voor het in stand houden van het
lokale voorzieningenniveau en om zorg en ondersteuning te bieden aan inwoners.
Het verdeelmodel van het provinciefonds richt zich dan ook uitsluitend op de mate
van aansluiting tussen hetgeen het verdeelmodel verdeelt over de provincies en de
daadwerkelijke uitgavenpatronen. Er wordt niet gekeken naar een eventuele noodzaak
om aanvullende investeringen te doen in bepaalde provincies om het gewenste voorzieningenniveau
te bereiken.
Een nieuwe verdeling moet balans creëren tussen stedelijke en landelijke gebieden
om het vertrouwen in de overheid te herstellen en versterken. Daar moet ook de verdeling
van het provinciefonds aan bijdragen. Doet het dat niet, dan zal een herverdeling
enkel bijdragen aan een scheve verdeling van middelen in het voordeel van stedelijke
gebieden. Een algemene korting of het schrappen van taken kan een fiscale onvermijdelijkheid
zijn, maar scheve verdeling is een politieke keuze.
2.
Daarom het verzoeken de leden van de BBB-fractie om een aantal zaken inzichtelijk
te maken.
Welke provincies voelen zich door de nieuwe verdeling in meer of mindere mate benadeeld?
Kan de Minister een overzicht sturen van de voormalige verdeling en de nieuwe voorgestelde
verdeling van het provinciefonds? En kan de Minister de relatieve mutaties daarbij
inzichtelijk maken?
Antwoord 2.
Herziening van het verdeelmodel is in de ogen van de fondsbeheerders meer dan een
technische model exercitie. Als fondsbeheerders achten wij het van belang dat het
nieuwe model een verbetering is van het huidige model, uitlegbaar is, stabiel is over
de tijd, en kan worden ingevoerd op een verantwoorde wijze rekening houdend met de
financiële situatie bij provincies. De vervanging van het huidige model vraagt dan
ook om politiek-bestuurlijke weging en besluitvorming, met inachtneming van de provinciale
leefwereld. We hebben als fondsbeheerders dan ook niet de intentie om het door CEBEON
ontwikkelde verdeelmodel onverkort in te voeren.
Als fondsbeheerders hebben we met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een
nieuw verdeelmodel. Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor
het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande
het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds. In zijn algemeenheid is de vraag aan
ROB om bij zijn adviezen waar mogelijk ook handreikingen te geven voor de wijze waarop
de adviezen het beste geconcretiseerd kunnen worden. Daarbij is de ROB gevraagd in
te gaan op de uitlegbaarheid van de effecten van het conceptmodel van CEBEON voor
provincies en advies te geven als het gaat over de introductie en invoering van het
uiteindelijke model en hoe dan moet worden omgegaan met de herverdeeleffecten?
Uw Kamer zal, zoals toegezegd in mijn brief van 6 maart jl. (Kamerstuk II 2023/24,
36 410 C, nr. 5) op de hoogte worden gehouden over het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
Vragen en opmerkingen van de leden van de ChristenUnie-fractie
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van de toegezonden stukken
voor het nieuw verdeelmodel provinciefonds.
1.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet om een reflectie op de stelling
van het IPO dat de voorgenomen korting op het provinciefonds, in combinatie met de
herverdeling van het provinciefonds, haaks staat op het rapport «Elke Regio telt».
Deze leden vragen op welke wijze de lessen uit het rapport «Elke Regio telt», over
onder meer investeren in de brede welvaart in heel Nederland, zijn toegepast. Is inzichtelijk
in welke regio’s deze herverdeling tot financiële uitdagingen zal leiden?
Antwoord 1.
Conform verzoek van de Eerste Kamer naar aanleiding van een motie van lid Van der
Goot is in de Voorjaarsnota 2024 een regioparagraaf opgenomen. In het rapport «Elke
regio telt!» dat op 23 maart 2023 verscheen is namelijk geconstateerd dat welvaart
en welzijn op een aantal plekken in Nederland achterlopen. In reactie hierop heeft
het kabinet aangegeven dat het «anders en beter moet» en dat het hiermee aan de slag
gaat. Er is hierbij aangekondigd een voorstel voor een aanpak neer te leggen voor
een volgend kabinet. De Tweede Kamer wordt rond de zomer van 2024 geïnformeerd over
de bouwstenen die het kabinet voorziet voor de uitwerking van de adviezen van het
rapport.
Zoals staat in het rapport «Elke regio telt!» zijn de budgetten uit het Gemeentefonds,
en hetzelfde geldt voor het Provinciefonds, bedoeld voor het in stand houden van het
lokale voorzieningenniveau en om zorg en ondersteuning te bieden aan inwoners.
Het verdeelmodel van het provinciefonds richt zich dan ook uitsluitend op de mate
van aansluiting tussen hetgeen het verdeelmodel verdeelt over de provincies en de
daadwerkelijke uitgavenpatronen. Er wordt niet gekeken naar een eventuele noodzaak
om aanvullende investeringen te doen in bepaalde provincies om het gewenste voorzieningenniveau
te bereiken.
2.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met zorg kennisgenomen van de second opinion
die door het Centrum voor Onderzoek van de Economie van de Lagere Overheden (COELO)
is uitgevoerd op het verdeelmodel dat CEBEON heeft ontwikkeld (COELO, 21 juni 2023
(https://research.rug.nl/en/publications/second-opinion-bij-voorstel-her…)). Deze leden zien dat deze second opinion zeer grote bezwaren aan het licht brengt
over dit model.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen het kabinet in te gaan op het negatieve
oordeel vanuit het COELO en hierbij expliciet in te gaan op de bezwaren ten aanzien
van:
− De methodologische tekortkomingen in de gevolgde onderzoeksmethode
− De onnavolgbaarheid en oncontroleerbaarheid van het onderzoek
− Het gebrek aan informatieverstrekking om aan criteria te kunnen toetsen en foutmarges
in te schatten
− Het gebrek aan aannemelijkheid dat met dit voorstel de kosten van provincies goed
zouden worden verevend
− De onjuiste verevening van de provinciale capaciteit om overige eigen middelen te
verwerven
− Het creëren van een nieuwe weeffout voor de provincie Zeeland
− De onwenselijkheid van een prikkel tot verlaging van de eigen vermogens van de provincies
− Het niet voldoen aan het criterium van globaliteit
− De onduidelijkheid omtrent de voorkoming van doorwerking van eigen beleid van provincies
in de voorgestelde verdeling
− Het niet rekening houden met de stille lastenproblematiek
− De grootte en onuitlegbaarheid van de herverdeeleffecten
Antwoord 2.
Tijdens het onderzoekstraject is vanuit een aantal provincies ambtelijke expertise
geleverd. Bovendien is tijdens het onderzoeksproces periodiek contact geweest en informatie
uitgewisseld met alle provincies, zowel rechtstreeks met individuele provincies als
via het IPO en/of de Ambtelijke Advies Commissie en de Bestuurlijke Advies Commissie
financiën.
In het door mij opgestelde plan van aanpak is gesteld dat het streven is een verdeelmodel
van de algemene uitkering van het provinciefonds die aansluit bij de leefwereld van
provincies en voldoet aan de eisen van de Financiële-verhoudingswet uit 1997 (Fvw).
Dit laatste wil zeggen dat de verdeling de noodzakelijke kosten van provincies moet
volgen (kostenoriëntatie), rekening moet houden met de mogelijkheden die provincies
zelf hebben om een deel van die kosten uit eigen inkomsten te dekken (inkomstenverevening),
niet te gedetailleerd moet verdelen om te voorkomen dat de verdeling als bestedingsnorm
gaat werken (globaliteit) en beloning van goed of slecht gedrag (ongewenste prikkelwerking)
moet worden vermeden. Daarnaast moet de verdeling in de tijd voldoende stabiel zijn,
zodat budgetten niet te veel schommelen. Maar de verdeling moet wel zo flexibel zijn
dat deze meebeweegt met de veranderende kosten die provincies maken.
Als fondsbeheerders hebben we met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar
bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een
nieuw verdeelmodel. Met de gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor
het Openbaar Bestuur (ROB) een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande
het nieuwe verdeelmodel van het provinciefonds.
In de ROB adviesaanvraag is de Raad allereerst gevraagd of het conceptmodel en de
totstandkoming ervan volgens haar aan de uitgangspunten van de Financiële-verhoudingswet
voldoet.
Aanvullend is de Raad gevraagd in te gaan op of de onderzoeksmethode volgens de Raad
tot een solide onderbouwde kostengeoriënteerde verdeling leidt. Ook is de Raad gevraagd
hoe zij oordeelt over de gebruikte data en de (navolgbaarheid van de) aannames over
deze data en daarmee de plausibiliteit van de maatstaven en gewichten die daar gehangen
worden.
Verder is de Raad gevraagd of de weeffouten uit het vorige model op een adequate manier
zijn opgelost/meegewogen en of zij eventueel nieuwe weeffouten ziet in het conceptmodel.
Tevens is de ROB gevraagd in te gaan op de wijze waarop de verevening van de Motorrijtuigenbelasting
en van de OEM is vormgegeven inclusief de mogelijke prikkelwerking die door de systematiek
ontstaat.
Eveneens is de ROB gevraagd in te gaan op de uitlegbaarheid van de effecten van het
conceptmodel van CEBEON voor provincies en advies te geven als het gaat over de introductie
en invoering van het uiteindelijke model en hoe dan moet worden omgegaan met de herverdeeleffecten.
3.
De leden van de ChristenUnie-fractie zien met zorg dat het COELO stelt dat niet kan
worden geadviseerd door te gaan met invoering van dit verdeelmodel en dat ook het
doen van aanpassingen binnen de geadviseerde verdeelformule niet zinvol wordt geacht
gezien de aard van de tekortkomingen. Hoe reflecteert het kabinet hierop?
Antwoord 3.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 2 is aangegeven hebben we als fondsbeheerders
met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO afspraken
gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel. Met de
gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB)
een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande het nieuwe verdeelmodel van
het provinciefonds.
4.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben twijfels bij de opportuniteit van de ROB-aanvraag
op dit moment. Dient het kabinet niet zelf eerst een globale reflectie te geven op
de wenselijkheid van het voorliggende model, zeker in het licht van de uiterst kritische
second opinion die is uitgevoerd?
Antwoord 4.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 2 is aangegeven hebben we als fondsbeheerders
met de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO afspraken
gemaakt over het verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel. Met de
gedeputeerden is overeengekomen dat er aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB)
een gezamenlijke adviesaanvraag wordt gedaan aangaande het nieuwe verdeelmodel van
het provinciefonds.
5.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben, zoals gezegd, twijfels bij de tijdigheid
van de ROB-aanvraag. Echter, wanneer het kabinet hieraan wenst vast te houden, zou
zij op zijn minst de ROB moeten vragen de second opinion te betrekken bij diens oordeel.
Is het juist dat dit nog niet is gebeurd? Waarom niet? Is het kabinet alsnog bereid
dit te doen?
Antwoord 5.
Zoals bij mijn antwoord op uw vraag 2 is aangegeven hebben we met de Bestuurlijke
adviescommissie Financiën en Openbaar bestuur van het IPO afspraken gemaakt over het
verdere proces ter realisatie van een nieuw verdeelmodel. ROB wordt in het bijzonder
gevraagd in te gaan op de vragen van de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en
Openbaar bestuur van het IPO en de fondsbeheerders. In zijn algemeenheid is de vraag
aan ROB om bij zijn adviezen waar mogelijk ook handreikingen te geven voor de wijze
waarop de adviezen het beste geconcretiseerd kunnen worden. Waarbij ROB de provincies
over onder andere hun bespreekpunten kan consulteren. In het bijzonder is aan de ROB
gevraagd in te gaan op de vragen van de Bestuurlijke adviescommissie Financiën en
Openbaar bestuur van het IPO en de fondsbeheerders.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, adjunct-griffier