Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
36 510 Wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling en het Wetboek van Strafrecht in verband met de vervanging van de term «hetero- of homoseksuele gerichtheid» door «seksuele gerichtheid» en explicitering in het Wetboek van Strafrecht van de discriminatiegronden genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken
Nr. 5
VERSLAG
Vastgesteld 31 mei 2024
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken, belast met het voorbereidend onderzoek
van dit wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen
afdoende zal hebben geantwoord, acht de commissie de openbare behandeling van dit
wetsvoorstel voldoende voorbereid.
Inhoudsopgave
ALGEMEEN
2
A.
Wijziging Algemene wet gelijke behandeling
9
1.
Inleiding
9
2.
Seksuele gerichtheid
9
3.
Reikwijdte van de term «seksuele gerichtheid»
10
B.
Wijziging van het Wetboek van Strafrecht
12
1.
Inleiding
12
2.
Discriminatie van personen vanwege «seksuele gerichtheid»
13
3.
Discriminatie van personen vanwege geslachtskenmerken, genderidentiteit of genderexpressie
13
C.
Verhouding tot hoger recht
18
D.
Uitvoering en financiële gevolgen
18
E.
Consultatie
19
1.
Inleiding
19
2.
Discriminatie van personen vanwege geslachtskenmerken, genderidentiteit of genderexpressie
19
ARTIKELSGEWIJS
19
ALGEMEEN
De leden van de PVV-fractie hebben met grote zorg kennisgenomen van de respectievelijke
wetswijzigingen in het voorliggende wetsvoorstel. Deze leden willen benadrukken dat
reële discriminatie en elke vorm van geweld tegen personen op welke grond dan ook
bestreden dient te worden. Daartoe bestaat reeds uitvoerige wetgeving, waaronder specifieke
anti-discriminatiewetgeving. Deze is zeer uitgebreid en blijft verder uitdijen met
onder andere nieuwe discriminatiegronden. Deze leden zijn van mening dat dit in toenemende
mate kan schuren met grondrechten zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid
van godsdienst en daarmee ook het wetenschappelijke en publieke debat kan schaden.
Het roept de vraag op of de huidige anti-discriminatiewetgeving niet eerder meer gestroomlijnd
zou moeten worden dan uitgebreid.
De leden van de PVV-fractie wijzen erop dat de voorgestelde toe te voegen begrippen
gender, genderidentiteit en genderexpressie redelijk recent zijn, hoogst controversieel
en naar de mening van deze leden, ook in terugblik naar eerdere wetswijzigingen, onvoldoende
rijp zijn om in wetgeving vastgelegd te worden, aangezien het wetenschappelijk en
maatschappelijk debat zich nog altijd in een relatief pril stadium bevindt en bovendien
tot zover redelijk eenzijdig en veelal binnen een ideologische bubbel is gevoerd.
Deze leden merken verder op dat het voorliggende wetsvoorstel met betrekking tot genderidentiteit
en genderexpressie wel erg gemakkelijk gepresenteerd wordt als een logische stap voortvloeiend
uit andere wetgeving. Deze redenering is begrijpelijk voor het toevoegen van seksuele
gerichtheid aan de Algemene wet gelijke behandeling (Awgb) en het Wetboek van Strafrecht
(Sr/WvSr) vanwege voorgaande grondwetswijziging, maar deze leden zien deze vanzelfsprekendheid
niet als het gaat om het onderbrengen van genderidentiteit en genderexpressie onder
geslacht. Deze leden ontwaren een toenemende begripsverwarring tussen geslacht, wat
gebaseerd is op een objectief biologisch feit en gender, wat gebaseerd is op een subjectief
individueel gevoel. Deze leden achten het zeer onwenselijk dat deze begripsverwarring
opgenomen wordt in wetgeving en deze mogelijk ook verder aanjaagt. Deze leden zijn
van mening dat het wat dit deel van de wetswijziging prudent zou zijn om in ieder
geval pas op de plaats te maken tot er een breed, substantieel en evenwichtig wetenschappelijk
en maatschappelijk debat over deze materie is gevoerd, waarbij ruimte voor alle standpunten
wordt geboden. Deze leden hebben enkele vragen naar aanleiding van het wetsvoorstel,
de resultaten van de parlementaire wetenschapstoets, de onderliggende ideeën en motivatie
en de aanloop naar het uiteindelijke wetsvoorstel. Deze leden achten dit alles van
groot belang om tot voldoende inzicht te komen in dit naar hun mening onrijpe wetsvoorstel
te beoordelen.
De leden van de PVV-fractie vragen ter verduidelijking van de begrippen in het wetsvoorstel
een aantal definities te verstrekken. Deze leden vragen wat binnen het wetsvoorstel
respectievelijk geldt als de officiële juridische definitie van geslacht, van gender,
van genderidentiteit, van genderexpressie en van genderdysforie. Deze leden vragen
of de regering het eens is dat een niet objectief individueel vast te stellen gevoel
fundamenteel verschilt van een objectief vast te stellen biologisch feit. Acht de
regering het verstandig deze twee incompatibele begrippen onder één noemer in wetgeving
vast te leggen en is er voldoende nagedacht over de eventuele onverwachte onwenselijke
bijeffecten? Deze leden vragen voorts of de regering het eens is dat de term genderexpressie
gevestigde stereotypen op basis van geslacht veronderstelt en deze stereotypen juist
kan versterken en zo ja, of de regering dit wenselijk acht.
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering bekend is met de begrippen parafilie,
travestie en autogynefilie en zo ja, welke respectievelijke definities zij hanteert.
Deze leden vragen de of de regering wat deze begrippen betreft bekend is met het werk
van de Canadese psycholoog, seksuoloog en onderzoeker Ray Blanchard en in het bijzonder
zijn omschrijving van autogynefilie als «veel breder dan travestie omdat het niet
alleen seksuele opwinding bij het dragen van vrouwenkleding beschrijft, maar ook seksuele
opwinding bij mannen om borsten of een vagina te hebben». Deze leden merken op dat
autogynefilie vaak geassocieerd wordt met transgenderisme. Onderzoeker Blanchard stelt
dat alle man-naar-vrouw transseksuelen die op vrouwen vallen autogynefiel zijn. Hij
gelooft niet dat ze een vrouwelijke genderidentiteit hebben. Hij concludeert dit op
basis van een aantal onderzoeken waarbij hij vragenlijsten afnam bij ongeveer 400
transseksuelen. De meeste man-naar-vrouw transseksuelen die op vrouwen vallen, geven
toe dat zij seksuele opwinding ervaren hebben als zij over zichzelf fantaseren als
vrouw, of als zij zich als vrouw kleden. Daaruit concludeert Blanchard dat niet genderidentiteit
maar erotische opwinding de reden is voor hun transitie. Man-naar-vrouw transseksuelen
die op mannen vallen melden minder seksuele opwinding bij het omkleden. Zij zouden
al op vroegere leeftijd wensen een meisje te zijn en ook veel vrouwelijker overkomen
dan transen die op vrouwen vallen. Blanchard gelooft dat de transitie van deze laatste
groep gemotiveerd wordt door een voorkeur voor heteroseksuele mannen. Bij beide groepen
zou de transitie dus seksueel gemotiveerd zijn. Deze leden vragen de regering hoe
zij deze stellingen beoordeelt in het licht van de begrippen genderidentiteit en genderexpressie
en verzoeken om een uitgebreide en gemotiveerd reflectie. Deze leden vragen of de
regering onderkent dat in ieder geval een deel van de personen die zichzelf identificeren
als een persoon van het andere geslacht dit doet op autogynefiele grond, dat wil zeggen
uit parafiele seksuele motieven. Deze leden vragen de regering of zij van mening is
dat parafiliën in het algemeen als discriminatiegrond in wetgeving opgenomen zouden
moeten, zo nee te motiveren waarom niet en zo ja, te motiveren waarom wel. Deze leden
vragen of de regering daarbij onderscheid maakt tussen het wel of niet beschermen
van verschillende parafiliën en zo ja op basis van welke criteria zij dat onderscheid
maakt. Voorts vragen deze leden of de regering het mogelijk en wenselijk acht dat
de parafilie autogynefilie direct of indirect onderdeel uitmaakt of kan gaan uitmaken
van de discriminatiegronden seksuele gerichtheid, genderidentiteit of genderexpressie.
De leden van de PVV-fractie wijzen op het Nationaal Actieprogramma Aanpak seksueel
grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld in verband met het beschermen van minderjarigen
tegen seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Mede in dit licht vragen
deze leden de regering of zij bekend is met de seksuele stoornis exhibitionisme en
of zij bekend is met de seksuele stoornis voyeurisme en zo ja, welke respectievelijke
definities zij hanteert. Deze leden vragen de regering of zij het eens is dat meisjes,
alsmede volwassen vrouwen, het recht hebben zoveel mogelijk gevrijwaard te worden
van exhibitionisme en voyeurisme en dat naar sekse toegewezen veilige (publieke) ruimtes
daar in hoge mate aan bijdragen en of het voorliggende wetsvoorstel het bestaan van
dergelijke veilige ruimtes voldoende garandeert. Is de regering het eens dat mannen
in bezit van hun mannelijke genitaliën die zich beroepend op vrouwelijke genderidentiteit
zich met seksuele bedoelingen toegang verschaffen tot veilige ruimtes voor meisjes
en vrouwen zich nooit en te nimmer op antidiscriminatiewetgeving zouden mogen kunnen
beroepen? Is het mogelijk dat zij door een beroep te doen op antidiscriminatiewetgeving
zij door de rechter in het gelijk gesteld worden? Deze leden vragen welke waarborgen
respectievelijk voorliggend wetsvoorstel en andere wetgeving biedt om veilige ruimtes
voor meisjes en vrouwen te beschermen. Voorts vragen deze leden welke waarborgen respectievelijk
voorliggend wetsvoorstel en andere wetgeving bieden tegen vervolging en mogelijke
veroordeling op basis van antidiscriminatiewetgeving van diegenen die seksueel grensoverschrijdend
gedrag door zich achter genderidentiteit verschuilende personen in veilige ruimtes
voor meisjes en vrouwen willen voorkomen of bestrijden.
De leden van de PVV-fractie wijzen op door Sex Matters uitvoerde Census 2021 waaruit
blijkt dat mannen die zich als trans identificeren vijf keer vaker dan andere mannen
worden veroordeeld voor seksuele misdrijven. Er is een zorgwekkend groeiend aantal
incidenten in het buitenland waar op basis van wetgeving op het gebied van genderidentiteit
mannelijke veroordeelden zich toegang verschaffen tot vrouwengevangenissen. In veel
gevallen gaat het daarbij om veroordeelden voor een seksueel misdrijf. Ook komt het
veelvuldig voor dat mannen zich pas na arrestatie zeggen te identificeren als vrouw.
Dit zorgt voor als onveilig ervaren en daadwerkelijk onveilige situaties voor vrouwelijke
medegedetineerden, van seksueel overschrijdend gedrag tot seksueel en ander geweld.
Deze leden vragen of de regering het eens is dat fysiek mannelijke veroordeelden die
zich op basis van hun genderidentiteit toegang verschaffen tot vrouwengevangenissen
zich nooit en te nimmer op antidiscriminatiewetgeving zouden mogen kunnen beroepen.
Is het mogelijk dat zij door een beroep te doen op huidige en voorliggende antidiscriminatiewetgeving
zij door de rechter in het gelijk gesteld worden?
De leden van de PVV-fractie vragen de regering aan te geven waarom en op welk moment
in het wetgevingsproces er is gekozen om meerdere wijzigingen in één wetsvoorstel
onder te brengen, waarbij wezenlijk verschillende zaken als de uit de Grondwetswijziging
voortvloeiende seksuele gerichtheid enerzijds en de niet uit de Grondwet voortvloeiende
geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie anderzijds zijn opgenomen.
Deze leden vragen of het niet beter zou zijn geweest onderdelen onafhankelijk van
elkaar en op hun eigen merites te beoordelen of zij wel of niet in aanmerkingen moeten
komen als discriminatiegrond, zeker wanneer een van de onderdelen aanzienlijk controversiëler
is en als wetenschappelijk en maatschappelijk niet rijp zou kunnen worden beschouwd.
De leden van de PVV-fractie delen de kritiek van de onderzoekers van de parlementaire
Wetenschapstoets op het feit dat er blijkbaar weinig empirisch bekend is over de effectiviteit
van de bestaande strafbaarstelling van uitings- en discriminatiegronden ter voorkoming
van onder andere discriminatie en negatieve beeldvorming. Deze leden verzoeken de
regering gehoor te geven aan de aanbeveling van de onderzoekers en nog voor de behandeling
van het wetsvoorstel onderzoek te doen naar de effectiviteit van de (verbreding van
de) wetgeving.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van het
onderhavige wetsvoorstel. Deze leden constateren dat grote groepen mensen in ons land
structureel uitgesloten of bedreigd worden. Om wie ze zijn of om wat ze geloven, hun
sekse of hun seksuele gerichtheid. Zij blijven zich hiertegen verzetten en blijven
strijden voor een inclusieve en veilige samenleving. Zij willen dan ook dat het Wetboek
van Strafrecht nu wordt aangepast, zodat duidelijk wordt dat ook de discriminatie
op basis van een lesbische, biseksuele, panseksuele of a-seksuele gerichtheid strafbaar
is, alsmede discriminatie op basis van een transgender-, intersekse-, of non-binaire
identiteit, ook voor de BES-eilanden, zoals in 2019 al in de Algemenewet gelijke behandeling
is geschied voor onderscheid op grond van genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat in het wetsvoorstel de term
«hetero- of homoseksuele gerichtheid» wordt vervangen door «seksuele gerichtheid»,
van seksuele gerichtheid wordt een definitie vastgelegd in de wet. Instanties, deskundigen
en internationale mensenrechtenorganisaties onderschrijven de noodzaak van deze wijziging.
De Nationale Politie verwacht dat het wetsvoorstel bijdraagt aan de effectiviteit
van politieonderzoek naar discriminatie. Ook de Raad voor de Rechtspraak ziet het
belang van het wetsvoorstel en volgens het Wetenschappelijk Onderzoek en Datacentrum
(WODC) draagt deze wetswijziging bij aan de rechtszekerheid en helderheid van de wet.
Ook het College voor de Rechten van de Mens (hierna: het CRM) steunt de voorgestelde
wetswijziging. Volgens dit college geeft de regering hiermee vorm aan onder andere
de mensenrechtelijke verplichtingen uit artikel 8 van het Europees Verdrag voor de
Rechten van de Mens (EVRM) om te bevorderen dat intersekse en transgender personen
onbelemmerd kunnen deelnemen aan de samenleving. Het CRM noemt de term seksuele gerichtheid
inclusiever dan de huidige wettelijke terminologie en maakt duidelijk dat wettelijke
bescherming zich niet beperkt tot heteroseksualiteit en homoseksualiteit. Ook wetenschappelijk
onderzoek onderstreept het belang van de wetswijziging. Zo pleiten onderzoekers van
de Universiteit van Utrecht voor de wetswijziging vanwege herkenbaarheid en consistentie
van wetgeving en aansluiting bij de internationale terminologie en stelt een onderzoeker
van de Universiteit Gent dat de wetswijziging wenselijk en conceptueel en juridisch
noodzakelijk is.
Bij de behandeling van de oorspronkelijke Algemene wet gelijke behandeling in de Kamer
op 10 februari 1993, stelde de toenmalige Minister Dales van Binnenlandse Zaken en
Koninkrijksrelaties dat «hetero- of homoseksuele gerichtheid» in elk geval «ziet op
de gerichtheid van een persoon in seksuele gevoelens, liefdesgevoelens, liefdesuitingen
en -relaties». Geldt dat laatste ook voor de term «seksuele gerichtheid» zoals die
in dit wetsvoorstel wordt geïntroduceerd?
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de wijziging van
de Algemene wet gelijke behandeling en het Wetboek van Strafrecht in verband met de
vervanging van de term «hetero- of homoseksuele gerichtheid» door «seksuele gerichtheid»
en explicitering in het Wetboek van Strafrecht van de discriminatiegronden genderidentiteit,
genderexpressie en geslachtskenmerken. Deze leden hebben nog enkele opmerkingen en
vragen. Zij willen ten eerste benadrukken dat iedereen zich veilig en vrij moet voelen
om zichzelf te zijn. Elke vorm van discriminatie is onacceptabel en hoort niet thuis
in Nederland. Zij onderschrijven daarmee het belang van dit wetsvoorstel om eenieder
te beschermen tegen discriminatie op grond van diens seksuele gerichtheid. Zij merken
op dat met deze wetswijziging Lhbtiq+-personen die bijvoorbeeld op straat beledigd
worden zich daar beter kunnen verweren.
De leden van de NSC-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wijziging Awgb en WvSr in verband met de vervanging van de term «hetero- of homoseksuele
gerichtheid» door «seksuele gerichtheid» en explicitering in het Wetboek van Strafrecht
van de discriminatiegronden genderidentiteit, genderexpressie en geslachtskenmerken.
Deze leden steunen dit wetsvoorstel, maar hebben hierover nog een aantal vragen aan
de regering.
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het voorliggende
voorstel. Deze leden zien dit voorstel als een belangrijke stap om de Algemene wet
gelijke behandeling en het Wetboek van Strafrecht in lijn te brengen met de maatschappelijke
realiteit en de tekst in de Grondwet. Het vervangen van de term «hetero- of homoseksuele
gerichtheid» door «seksuele gerichtheid» doet recht aan alle mensen wiens seksuele
gerichtheid niet als hetero- of homoseksueel kan worden omschreven. Deze groep, waaronder
biseksuele en a-seksuele personen, krijgen vaak te maken met onbegrip, discriminatie
of andere vormen van achterstelling. Dat zij met deze wijziging expliciete erkenning
krijgen in de Awgb juichen deze leden toe.
De leden van de D66-fractie vragen de regering op welke wijze zij verwachten dat de
rechtsbescherming van deze groepen er als gevolg van deze wijziging materieel op vooruit
zal gaan. Een groter begrip van wat de wetgeving kan bijdragen aan het verminderen
van discriminatie, zo lezen deze leden. Hoe wil de regering dit grotere begrip stimuleren?
De leden van de BBB-fractie nemen kennis van het voorstel tot wijziging van de Algemene
wet gelijke behandeling en het Wetboek van Strafrecht in verband met de vervanging
van de term «hetero- of homoseksuele gerichtheid» door «seksuele gerichtheid» en explicitering
in het Wetboek van Strafrecht van de discriminatiegronden genderidentiteit, genderexpressie
en geslachtskenmerken.
Het wordt de leden van de BBB-fractie niet duidelijk welke toegevoegde waarde deze
wet heeft. Dat veroorzaakt bij ons grote terughoudendheid. De leden van de BBB-fractie
zijn van mening dat de Kamer de verantwoordelijkheid heeft om zichzelf, de Rijksoverheid
en de samenleving niet te overbelasten met nieuwe wetgeving die buiten de marges van
enige noodzakelijkheid valt. Deze leden geloven dat wetgeving effectief en doelgericht
moet zijn, en zich moet richten op concrete problemen die niet al door bestaande wetgeving
worden aangepakt.
Het bestaande juridische kader biedt al bescherming tegen discriminatie op basis van
seksuele gerichtheid en genderidentiteit. De leden van de BBB-fractie vragen zich
af of de voorgestelde terminologische wijzigingen en aanvullingen werkelijk bijdragen
aan een betere handhaving en bescherming, of dat ze juist verwarring kunnen zaaien
bij de interpretatie en toepassing van de wet. Bovendien is het belangrijk om te overwegen
hoe deze wetswijzigingen in de praktijk zullen worden geïmplementeerd. Zal er extra
training nodig zijn voor juridische en handhavingsinstanties om de nieuwe terminologie
en bepalingen correct toe te passen? Welke kosten zijn hiermee gemoeid, en wat zijn
de gevolgen voor de al bestaande werkdruk binnen verschillende instanties? De regering
noemt dit «niet substantieel», maar de deze leden verwachten concrete cijfers.
Het complete wetgevingsproces is gestoeld op motie-Jasper van Dijk c.s. (Kamerstuk
34 650, nr. 11). In deze motie wordt geconstateerd dat de term seksuele gerichtheid internationaal
gebruikelijk is, maar dat deze term niet wordt gehanteerd in de Awgb. De regering
wil daarom een wetsvoorstel wat de woroden «hetero of homoseksuele gerichtheid» wijzigd
naar «seksuele gerichtheid». De leden van de BBB-fractie zijn van mening dat de internationale
gebruikelijkheid geen steekhoudend argument is om als fundament van een wetswijziging
te functioneren. De Nederlandse taal en haar bewoording van concepten zijn onder onze
eigen autonome culturele processen tot stand gekomen. Deze leden verzetten zich tegen
de veramerikanisering en internationalisering van ons taalgebruik. Dit omdat de context
waarin Amerikaanse terminologie tot stand komt niet altijd past bij de situatie zoals
deze in Nederland zich voordoet. Daarom kan het overnemen van Amerikaanse terminologie
op het gebied van seksualiteit, ras of andere intersectionele onderwerpen vaak juist
onnodige frictie en polarisatie in onze samenleving introduceren, waar daar geen historische
of culturele noodzaak toe is.
De leden van de BBB-fractie vragen zich af hoe dit wetsvoorstel gelezen moet worden
in relatie tot buitenlandse wetsvoorstellen als de Hate Crime and Public Order (Scotland)
Act en vergelijkbare wetgeving in landen als Finland, Ierland en Canada. Wat betreft
deze leden dient het gerespecteerd te worden als mannen zich als vrouw willen identificeren,
vrouwen zich als man willen identificeren of een andere genderidentiteit willen aannemen.
Tevens dient het, in de context van vrijheid van meningsuiting, mogelijk te blijven
om deze keuze van een ander niet te erkennen en een verkeerd voornaamwoord te gebruiken.
Daar mag zowel de samenleving als de persoonlijke omgeving over oordelen, maar mag
nooit strafrechtelijke consequenties hebben. Kan de regering garanderen dat deze wetgeving
zulke, en vergelijkbare, uitingen van een mening niet strafbaar stelt?
Kortom, de leden van de BBB-fractie blijven kritisch ten opzichte van deze voorgestelde
wetswijziging en pleiten voor een grondige evaluatie van de noodzaak, praktische uitvoerbaarheid
en mogelijke maatschappelijke gevolgen ervan. Deze leden roepen de regering op om
deze punten zorgvuldig te overwegen en duidelijk te maken hoe deze wijziging daadwerkelijk
bijdraagt aan het verbeteren van de rechtspositie en het welzijn van de betrokken
groepen, zonder onnodige lasten en complicaties te introduceren.
De leden van de SP-fractie hebben de Wijziging Algemene wet gelijke behandeling en
Wetboek van Strafrecht ten aanzien van seksuele gerichtheid en genderidentiteit met
interesse gelezen. Deze leden hebben nog een aantal vragen.
De leden van de SP-fractie zijn erg benieuwd naar de verwachte gevolgen van deze wetswijziging.
Deze leden willen allereerst vragen welke concrete bescherming dit biedt voor mensen
die er nu niet is. Wat zou ervoor nodig zijn om niet alleen op papier maar ook in
de praktijk de bescherming te kunnen bieden die nodig is? Zijn daar ook investeringen
in de capaciteit voor nodig? De leden van de SP-fractie constateren dat er op het
gebied van evaluatie nagenoeg niets in de wet staat opgenomen. Tegelijkertijd zijn
hier aanbevelingen over geschreven in de wetenschapstoets: gebruik de monitoring van
meldingen, opsporing en vervolging om onderzoek te doen naar de effectiviteit van
de discriminatiewetgeving. De leden zien tegelijkertijd dat dit onderwerp zich lastig
leent voor een duidelijke evaluatie. Is de regering bereid toch nog een evaluatieparagraaf
op te nemen met inachtneming van de aanbeveling die is gedaan?
De leden van de SGP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden
vinden het zorgelijk dat de regering nauwelijks rekenschap geeft van de fundamentele
afwegingen die als gevolg van dit wetsvoorstel aan de orde (kunnen) zijn. Bovendien
constateren zij dat het voorstel in plaats van verheldering juist kan bijdragen aan
verwarring.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot
wijziging van de Algemene wet gelijke behandeling en het Wetboek van Strafrecht. Deze
leden maken graag van de gelegenheid gebruik om vragen te stellen over het voorliggend
wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat met dit wetsvoorstel uitvoering wordt
gegeven aan de aangenomen motie van Jasper van Dijk c.s. (Kamerstuk 34 650, nr. 11) en aan gedane toezeggingen. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering
nader kan toelichten waarom het wetsvoorstel niet beperkt is gebleven tot de uitvoering
van de aangenomen motie.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader te reflecteren op het
antwoord gegeven door Minister Ollongren, dat er geen noodzaak zou zijn tot aanpassing
van overige wetgeving, als gevolg van inwerkingtreding van het voorstel van wet van
de leden Bergkamp, Van den Hul en Özütok tot wijziging van de Algemene wet gelijke
behandeling ter nadere invulling van het verbod om ongeoorloofd onderscheid te maken
op grond van geslacht (Wet verduidelijking rechtspositie transgender personen en intersekse
personen) (Kamerstuk 34 650): «De heer Sjoerdsma en mevrouw Van der Graaf hebben een vraag gesteld over de al
dan niet aanwezige noodzaak van het aanpassen van overige wetgeving. Het kabinet ziet
geen juridische noodzaak om andere wetgeving systematisch aan te passen naar aanleiding
van dit voorstel. Ten eerste kan de doorwerking vanuit de Algemene wet gelijke behandeling,
zoals de indieners die voorzien, in de rechtspraktijk op die manier vorm krijgen.
Ten tweede zal de jurisprudentie op basis waarvan genderidentiteit, genderexpressie
en geslachtskenmerken nu al onder de grond «geslacht» vallen, hoe dan ook van toepassing
blijven op andere wetgeving waar de discriminatiegrond «geslacht» in voorkomt. Ik
wil ook graag benadrukken dat er wat het kabinet betreft geen uitzondering is voor
een redenering a contrario naar aanleiding van dit voorstel, waardoor de grond «geslacht»
in andere wetgeving niet meer de gronden «genderidentiteit», «genderexpressie» en
«geslachtskenmerken» zou omvatten.»
De leden van de Volt-fractie hebben kennisgenomen van het voorstel tot wijziging van
de Awgb en het Wetboek van Strafrecht. De leden van de Volt-fractie steunen het voorstel.
Het is belangrijk dat iedereen vrij kan leven. Daarvoor is het nodig dat veiligheid
wordt gegarandeerd en dat mensen niet gediscrimineerd worden. Dat is niet (meer) vanzelfsprekend.
Het aantal meldingen van LHBTQI+ discriminatie neemt toe en Nederland zakt op internationale
ranglijsten.
Over het voorstel hebben deze leden nog enkele vragen. Allereerst met betrekking tot
de uitgevoerde wetenschapstoets. Uit de wetenschapstoets volgt dat het wetsvoorstel
op enkele onderdelen extra onderbouwing kan gebruiken. Daarover worden aanbevelingen
gedaan. Kan de regering met betrekking tot de aanbevelingen waarin om aanvullende
onderbouwing wordt gevraagd, nader toelichting geven? Daarbij benadrukken deze leden
dat zij het voorstel van de regering steunen en daarom een zo stevig mogelijke onderbouwing
willen zien.
In de wetenschapstoets wordt opgemerkt dat beperkt zicht is op de effectiviteit van
de dergelijke wetgeving. De leden van de Volt-fractie denken dat het desondanks belangrijk
dat is dat het wetsvoorstel er komt. Alleen wet- en regelgeving zijn niet voldoende.
In anti-discriminatiebeleid van de regering wordt consistent aangegeven dat het van
belang is dat discriminatie gemeld wordt. Om te kunnen vervolgen, maar ook om meer
zicht te krijgen op de aard en omvang van het probleem. Om meldingsbereidheid te vergroten
is het allereerst van belang dat mensen weten wat hun rechten zijn en waar zij terecht
kunnen wanneer zij discriminatie ervaren. Welke maatregelen treft de regering al om
de bekendheid van antidiscriminatievoorzieningen en rechten te vergroten onder LHBTQI+’ers?
Kan de regering toelichten of zij het waardevol achten om bij de inwerkingtreding
van de wet een publiekscampagne te houden?
Met betrekking tot de reikwijdte en omvang van het wetsvoorstel zijn vanuit het maatschappelijk
middenveld zorgen gedeeld. De leden van de Volt-fractie delen die zorgen. Doel van
het wetsvoorstel is om te zorgen dat de artikelen 137c-f en 429quater WvSr ook bescherming
bieden tegen belediging, haat zaaien en discriminatie op grond van geslachtskenmerken,
genderidentiteit en genderexpressie. De huidige tekst van het voorstel sluit daar
niet geheel op aan. Is de regering bereid om art. 90 quater WvSr zo aan te passen
dat geslacht in alle bedoelde delicten de brede betekenis, inclusief geslachtskenmerken,
genderidentiteit en genderexpressie, krijgt? Zo niet, waarom niet? Zal de wet ook
geldig zijn in het Caribisch deel van Nederland? Zo niet, waarom niet?
A. Wijziging Algemene wet gelijke behandeling
1. Inleiding
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering met de wijziging naar «seksuele
gerichtheid» hierin nieuwe of andere problemen verwacht en hoe het de grondrechten
bij de bredere grond «seksuele gerichtheid» weegt.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie begrijpen uit wetsvoorstel Bescherming tegen
discriminatie op de BES (Kamerstuk 36 551) dat de regering de gelijke behandelingswetgeving integraal van toepassing verklaren
op Bonaire, Sint-Eustatius en Saba. Gaat inwerkingtreding van twee wetsvoorstellen
(Kamerstukken 36 510 en 36 551) gezamenlijk ook betekenen dat de verduidelijking over seksuele gerichtheid in de
Algemene wet gelijke behandeling ook onverkort gaat gelden op de BES-eilanden?
De leden van de VVD-fractie lezen onderschrijven het opnemen van de term «seksuele
gerichtheid» in de Awgb. Deze leden kunnen instemmen met de gekozen formulering in
het wetsartikel en vinden het goed dat is gekozen om expliciet in de wettekst te benadrukken
dat het uitsluitend gaat om seksuele gerichtheid op basis van consensus en gelijkwaardigheid.
2. Seksuele gerichtheid
De leden van de SGP-fractie vragen een onderbouwing van de stelling dat seksuele gerichtheid
samenhangt met geslacht. Deze leden vinden het opmerkelijk dat de regering bij deze
stelling voetstoots uitgaat van de definitie van een lobbyclub, terwijl het in de
nationale en internationale literatuur en de praktijk van vooraanstaande (overheids)organisaties
gebruikelijk is om de begrippen seksuele gerichtheid en genderidentiteit te scheiden.
Zelfs organisaties als Rutgers hanteren als uitgangspunt dat seksuele oriëntatie en
genderidentiteit verschillende aspecten van iemands identiteit zijn die beide weer
bestaan uit verschillende dimensies (Rutgers, Het meten van seksuele oriëntatie en genderidentiteit in bevolkingsstudies, 28 november 2016). Deze leden merken op dat het vermengen van beide categorieën
niet alleen op grond van wetenschappelijke inzichten inhoudelijk discutabel is, maar
ook juridisch allerlei implicaties kan hebben waarvan de regering zich in ieder geval
duidelijk rekenschap dient te geven. De veronderstelling dat het zich aangetrokken
voelen tot de ander ook de genderidentiteit kan betreffen, kan niet lichtvaardig worden
betrokken. In vervolg op het voorgaande vragen deze leden de regering eveneens om
aan te geven welke onderzoeken zouden rapporteren over de gerichtheid van biseksuelen
op genderidentiteit.
De leden van de SGP-fractie constateren dat de toelichting de suggestie wekt dat de
Yogjakartabeginselen op verzoek van de VN zouden zijn opgesteld. Deze leden merken
op dat de genoemde beginselen en de bijbehorende activistenhandleiding zijn ontstaan
als particulier initiatief van een club juristen uit verschillende landen, waarbij
ook de voormalig commissaris voor de mensenrechten van de VN betrokken was. Zij vragen
de regering onomwonden te erkennen dat de Yogjakartabeginselen geen door staten opgesteld
en ondertekend document betreffen.
De leden van de SGP-fractie vragen bij dit wetsvoorstel aandacht voor de complexe
situaties die het CRM in de praktijk ervaart als het gaat om genderidentiteit, specifiek
wat betreft voorzieningen waar blootstelling aan geslachtskenmerken aan de orde kan
zijn (Evaluatie gelijkebehandelingswetgeving 2017–2022, p. 20). Het CRM probeert in
dergelijke zaken zelf een lijn te vinden, maar maakt zowel in de evaluatie als in
oordelen duidelijk dat hier eigenlijk een taak ligt voor de wetgever en dat het een
gemis is dat de wetgever zich niet heeft uitgesproken over de kaders voor zaken zoals
kleedkamers en sportscholen (CvdRM oordeel 2018–101, overweging 6.6). Deze leden vragen
hoe de regering hierop reageert. Zij vragen of de regering kan bevestigen dat uit
het feit dat het Besluit Awgb ongewijzigd is gelaten ten aanzien van de mogelijkheid
om uitzonderingen te maken in verband met het geslacht vooralsnog opgemaakt moet worden
dat specifieke voorzieningen die onderscheid maken op basis van geslachtskenmerken,
bijvoorbeeld met het oog op de bescherming van vrouwen, kunnen prevaleren boven een
beroep op genderidentiteit en dat de latere wetgeving niet op voorhand tot andere
conclusies noopt. Zij vragen hierbij ook de verantwoordelijkheid van Nederland te
betrekken op grond van het Verdrag van Istanbul met het oog op de bescherming van
de positie van vrouwen.
De leden van de ChristenUnie-fractie erkennen het feit dat niet iedereen zich beschouwt
in de dichotomie van hetero- of homoseksuele gerichtheid. Evenwel hebben de leden
van de ChristenUnie-fractie vragen bij de stelling in de memorie van toelichting dat
de menselijke seksualiteit zo divers is als er individuele personen zijn. Deze leden
vragen de regering nader toe te lichten hoe deze stellingname zich verhoudt tot het
feit, onderzocht door het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) in de LHBT-monitor
2022, dat de overgrote meerderheid van de bevolking zich wel alleen of vooral aangetrokken
voelt tot de andere of eigen sekse.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de regering stelt dat de wijziging
naar de term «seksuele gerichtheid» ervoor kan zorgen dat discriminatie afneemt omdat
door de wijziging een groter begrip zou ontstaan van wat wetgeving van normadressaten
vraagt. Deze leden hebben twijfels bij deze veronderstelde causale relatie. Zij vragen
de regering of bekend is of normadressaten nu op dit punt moeite hebben de huidige
wetgeving te begrijpen, of daar naar te handelen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of de regering erkent, zoals uit de wetenschapstoets
onder punt 2 kan worden geconcludeerd, dat de wetswijziging naar de term «seksuele
gerichtheid» materieel geen effect zal hebben omdat andere vormen van seksuele gerichtheid
in de rechtspraktijk reeds beschermd worden. Welke gevolgen heeft deze overweging
volgens de regering voor het huidige wetsvoorstel?
3. Reikwijdte van de term «seksuele gerichtheid»
De leden van de PVV-fractie wijzen op de kritische vragen van de onderzoekers van
de wetenschapstoets met betrekking tot de gekozen definitie van seksuele gerichtheid
in artikel 1(4) Awgb en artikel 90decies WvSr, waarmee wordt beoogd de bescherming
in te perken, zodat de wet niet ook bescherming biedt aan: «seksuele gerichtheden
die [...] op grond van de huidige wetgeving strafbaar zijn. Daarbij kan worden gedacht
aan pedoseksualiteit of een seksuele gerichtheid op dieren of overleden personen.»
Deze leden zijn het eens met de onderzoekers van de wetenschapstoets dat de formulering
in de wettekst als belangrijk nadeel heeft dat bestaande stereotypische associaties
over – onder meer – homoseksualiteit in relatie tot de genoemde problematiek kunnen
worden versterkt. Zij vragen de regering hier uitgebreid op deze zorgen te reflecteren.
De leden van de PVV-fractie vragen de regering of zij met de onderzoekers van de wetenschapstoets
de zorg over het gevaar van «overinclusie» deelt. Deze leden vragen de regering hierop
te reflecteren, alsmede op de door de onderzoekers voorgestelde alternatieven.
De leden van de NSC-fractie merken op dat dit wetsvoorstel er niet toe zou moeten
leiden dat alle vormen van seksualiteit op dezelfde wijze beschermd worden als de
terminologie wordt gewijzigd in «seksuele gerichtheid». Deze leden zien dat de regering
er ook op heeft gewezen dat een punt van aandacht bij de wijziging van de terminologie
is dat «overinclusie» moet worden voorkomen. Hierbij moet worden gedacht aan seksuele
gerichtheden die strafbaar zouden zijn als daaraan in de praktijk uitvoering wordt
gegeven, bijvoorbeeld bestialiteit en necrofilie. Deze leden onderschrijven het uitgangspunt
dat geen bescherming moet worden geboden aan strafbare handelingen. Zij wijzen er
wel op dat bij een dergelijke gerichtheid (zoals bestialiteit of necrofilie gerichtheid)
de strafrechter bepaalt of in het specifieke geval sprake is van strafbare handelingen.
Kan de regering nader toelichten hoe moet worden beoordeeld of sprake is van strafbare
uitvoering van een bepaalde gerichtheid als er (nog) geen strafrechter een oordeel
heeft gegeven?
De leden van de NSC-fractie zien dat de regering het risico van «overinclusie» wenst
te verkleinen door in het wetsvoorstel op te nemen: «Onder seksuele gerichtheid wordt
verstaan seksuele gerichtheid – op basis van consensus en gelijkwaardigheid – op personen
ongeacht het geslacht van die personen.» Deze leden merken op dat dit inderdaad een
begrenzing is van het begrip «seksuele gerichtheid» en dat hiermee gerichtheden als
bestialiteit en necrofilie buiten de reikwijdte van de discriminatiegrond worden gebracht,
maar zij vragen zich wel af of de zinsnede «op basis van consensus en gelijkwaardigheid»
voldoende duidelijk en afgebakend is. Het is volgens deze leden niet geheel duidelijk
welke gerichtheden door deze zinsnede buiten het bereik vallen. Zij wijzen er ook
op dat in de wetenschapstoets wordt aanbevolen om te zoeken naar andere oplossingen
om «overinclusie» te voorkomen dan de oplossing die de regering nu heeft gekozen.
In het verlengde hiervan vragen zij zich af waarom de regering heeft gekozen voor
een breed begrip en niet voor specifiek geformuleerde gronden om zo overinclusie te
voorkomen. Deelt de regering de mening dat dat de voorzienbaarheid en rechtszekerheid
zou vergroten?
De leden van de D66-fractie hebben een vraag over de reikwijdte van de term seksuele
gerichtheid. In het wetsvoorstel wordt de term «hetero- of homoseksuele gerichtheid»
vervangen door «seksuele gerichtheid», en van seksuele gerichtheid wordt een definitie
vastgelegd in de wet. Bij de behandeling van de oorspronkelijke Awgb in de Tweede
Kamer op 10 februari 1993, stelde de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
dat «hetero- of homoseksuele gerichtheid» in elk geval «ziet op de gerichtheid van
een persoon in seksuele gevoelens, liefdesgevoelens, liefdesuitingen en -relaties».
Geldt dat laatste ook voor de term «seksuele gerichtheid» zoals die in dit wetsvoorstel
wordt geïntroduceerd?
De leden van de D66-fractie vragen of de regering bereid is de terminologie in het
voorgestelde artikel art. 90 quater WvSr zo aan te passen dat de term «geslacht» in
alle bedoelde delicten (art. 137c t/m 137f en 429quater WvSr, dus niet alleen bij
discriminatie maar ook bij (groeps)belediging, aanzetten tot haat en aanzetten tot
geweld) de brede betekenis (inclusief geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie)
krijgt.
De leden van de D66-fractie merken op dat in de Grondwetsgeschiedenis van artikel
1 meermaals ter sprake is gekomen dat «seksuele gerichtheid» dient te worden gelezen
als de gerichtheid op een ander op basis van diens geslacht – waarbij «geslacht» andermaal
breed moet worden gelezen – en niet op basis van andere persoonskenmerken. Hoe ziet
de regering dat?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe wettelijk is geborgd dat seksuele
gerichtheden waarvoor geldt dat het in de praktijk brengen ervan strafbaar is, niet
valt onder het begrip «seksuele gerichtheid», aangezien een nadelige behandeling van
een persoon vanwege diens seksuele gerichtheid, altijd verboden is. Dekt de toevoeging
van het vierde lid aan artikel 1 «op basis van consensus en gelijkwaardigheid» afdoende
het in praktijk brengen van seksuele gerichtheden die strafbaar zijn?
B. Wijziging van het Wetboek van Strafrecht
1. Inleiding
De leden van de SGP-fractie signaleren dat de regering vrij willekeurig de huidige
definitiebepaling van artikel 90quater uitbreidt met een verbijzondering voor discriminatie
op grond van geslacht (nieuw tweede lid) en een definitiebepaling inzake seksuele
gerichtheid (90decies), hoewel blijkens verschillende adviezen de juridische noodzaak
hiertoe niet aanwezig is en het vooral een politieke wens betreft. Tegelijk constateren
deze leden dat de andere discriminatiegronden uit de artikel 137c tot en met 137f
gelet op de jurisprudentie ook verduidelijking zouden kunnen gebruiken, bijvoorbeeld
als het gaat om discriminatie op grond van ras, zoals het CRM ten aanzien van de Awgb
heeft aanbevolen (Evaluatie gelijkebehandelingswetgeving 2017–2022). Waarom heeft
de regering niet gekozen voor een integrale, zorgvuldige verduidelijking van de overige
discriminatiegronden? Hoe bewaakt zij in dezen de kwaliteit en eenduidigheid van de
wetgeving?
De leden van de SGP-fractie lezen in de wetenschapstoets dat het voorstel om het begrip
geslacht toe te voegen in artikel 137c en 137e een uitgebreidere onderbouwing vraagt
dan de regering nu biedt. Deze leden merken op dat de regering als doelstelling benoemt
dat zij hiermee de bescherming van intersekse en transgender personen wil vergroten,
maar zij gaat niet in op de bredere werking als het gaat om opvattingen over mannen
en vrouwen als groep. De regering lijkt dit effect in belangrijke mate over het hoofd
gezien te hebben, blijkens de summiere opmerkingen in het kader van de consultatie.
Hoe weegt de regering de brede uitwerking van groepsbelediging op grond van geslacht
ten opzichte van de doelstelling om vooral de beperkte groep van intersekse en transgender
personen te beschermen? Is de regering van mening dat uitlatingen over een bepaald
geslacht die momenteel niet tot vervolging leiden, hoewel ze uiterst onfatsoenlijk
kunnen zijn, als gevolg van het wetsvoorstel wel strafbaar zouden moeten zijn? (zie
ook: openbaar ministerie, 2 augustus 2023, «Uitingen over vrouwen tijdens diner Amsterdams
Studenten Corps niet strafbaar», https://www.om.nl/actueel/nieuws/2023/08/01/uitingen-over-vrouwen-tijde…) Waarom dient de vrijheid van meningsuiting nu beperkt te worden?
De leden van de SGP-fractie vragen er aandacht voor dat de regering bij uitbreiding
van de discriminatiegronden in het Wetboek van strafrecht bewust ervoor gekozen heeft
om het begrip geslacht niet op te nemen in artikel 137c. De regering sloot aan bij
het pleidooi van de Emancipatieraad dat het opnemen van het geslacht in artikel 137c
de vrijheid van meningsuiting te zeer zou beperken (Kamerstuk 20 239, nr. 3, p. 3/4). Artikel 137c, en in het verlengde daarvan het beledigen in artikel 137e,
laat daarom bewust het geslacht achterwege. De regering was bovendien van mening dat
artikel 137c niet noodzakelijk was om de positie van vrouwen te beschermen. Deze leden
vragen waarom de regering een verschuiving aanbrengt in deze fundamentele afwegingen,
zonder dat de praktijk daartoe noodzaakt.
2. Discriminatie van personen vanwege «seksuele gerichtheid»
De leden van de NSC-fractie lezen in de memorie van toelichting dat bij strafrechtelijke
discriminatiebepalingen waarbij de huidige definitie «hetero- en homoseksuele gerichtheid»
geldt, ook wordt aangenomen dat die grond ook lesbische en biseksuele gerichtheid
omvat. Deze leden lezen ook dat dat niet wegneemt dat zij zich niet zonder meer herkennen
in de huidige wettelijke terminologie. Kan de regering aangeven of deze beperkte definitie
in het verleden en in het heden vaak tot problemen heeft geleid of leidt als het gaat
om strafrechtelijke discriminatieprocedures? Kan de regering ook toelichten waar deze
problemen dan uit bestaan?
De leden van de NSC-fractie lezen dat de discriminatiegronden in het Wetboek van Strafrecht
breed en neutraal zijn geformuleerd zodat zij ook aan meerderheden bescherming bieden,
ook al vormt de bescherming van minderheidsgroepen de aanleiding voor de wetswijzigingen.
Kan de regering een nadere toelichting geven over de vraag of dit wetsvoorstel zou
moeten bijdragen aan de bescherming van meerderheidsgroepen en zo ja, hoe dit zich
verhoudt tot het doel van de wet om juist minderheidsgroepen betere bescherming te
bieden?
3. Discriminatie van personen vanwege geslachtskenmerken, genderidentiteit of genderexpressie
De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering een betere onderbouwing te geven
van de «pressing social need» voor uitbreiding van de strafbaarstelling van groepsbelediging,
aanzetten tot haat, discriminatie en geweld, in het licht van artikel 9 en 10 EVRM.
Daarbij vragen deze leden de regering te expliciteren wat de mate waarin groepsbelediging
en aanzetten tot haat, discriminatie en geweld tegen groepen mensen op grond van geslachtskenmerken,
genderidentiteit en genderexpressie kan worden voorkomen, wat de (potentieel) schadelijke
consequenties daarvan (kunnen) zijn, alsmede dit te voorzien van een wetenschappelijke
onderbouwing.
De leden van de PVV-fractie verwijzen naar de parlementaire wetenschapstoets waarin
gevraagd wordt om een uitgebreidere onderbouwing met betrekking tot de bredere betekenis
van «geslacht». De onderzoekers stellen dat de regering duidelijk maakt dat het voorkomen
van discriminatie en marginalisering van bepaalde groepen noodzakelijk is, maar dat
niet ingegaan wordt op de aard van het strafrecht als zwaar middel (ultimum remedium)
en niet wordt onderbouwd waarom de inzet van het strafrecht geboden is met het oog
op proportionaliteit, subsidiariteit en effectiviteit. Deze leden verzoeken de regering
alsnog uitvoerig invulling te geven aan bovenstaande lacunes.
De leden van de PVV-fractie verzoeken de regering de toegevoegde waarde van de uitbreiding
van de term «geslacht» ten aanzien van steun aan discriminerende activiteiten (137f
WvSr) en feitelijke discriminatie in ambt, beroep en bedrijf (art. 429quater WvSr)
te onderbouwen. Deze leden vragen de regering hoe vaak en in wat voor soort situaties
zij verwacht dat deze bepalingen zullen worden ingeroepen.
De leden van de PVV-fractie wijzen op de opmerking van de onderzoekers parlementaire
wetenschapstoets dat met de toevoeging van «geslacht» aan artikel 137c en 137e WvSr
een andere belangwekkende wetswijziging wordt gerealiseerd: de bescherming van vrouwen
(en mannen) tegen groepsbelediging. Deze leden verzoeken de regering met behulp van
concrete voorbeelden duidelijk te maken wat de mogelijke praktische gevolgen kunnen
zijn van deze toevoeging. Is het mogelijk dat bijvoorbeeld een beledigend bedoelde
aanduiding als TERF strafbaar wordt? Of «boze witte mannen» of «toxic masculinity»?
Deze leden verzoeken de regering de uitbreiding van artikel 137c met groepsbelediging
van vrouwen en mannen te motiveren en de noodzaak van een dergelijke strafbaarstelling
te onderbouwen. Zij verzoeken voorts bij bovenstaande beantwoording ook de bescherming
van dominante groepen via de strafrechtelijke uitingsdelicten te betrekken.
De leden van de GroenLinks-PvdA-fractie merken op dat het doel van het wetsvoorstel
is om te zorgen dat de artikelen 137c-f en 429quater van het Wetboek van Strafrecht
ook bescherming bieden tegen belediging, haat zaaien, aanzetten tot geweld en discriminatie
op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit en genderexpressie. Kan de regering
specificeren hoe juist strafrechtelijke delicten op grond van gender kunnen bijdragen
aan marginalisering op grond van genderexpressie, genderidentiteit en geslachtskenmerken?
Kan de regering ook uitgebreider ingaan op de uitingsvrijheid en de verwachting ten
aanzien van vervolging van deze delicten? Deze leden merken op dat in de tekst van
het voorgestelde art. 90 quater van het Wetboek van Strafrecht echter alleen wordt
verwezen naar de artikelen waarin de term «discriminatie» of «discrimineren» voorkomt.
Dat betekent dat er nog steeds onduidelijkheid zou bestaan over wie er beschermd is
tegen (groeps)belediging, aanzetten tot haat en aanzetten tot geweld. De letterlijke
tekst van art. 90quater van het Wetboek van Strafrecht sluit dus niet aan bij wat
de regering met het voorstel beoogt. Zij vragen of de regering bereid is de terminologie
in het voorgestelde artikel art. 90 quater van het Wetboek van Strafrecht zo aan te
passen dat de term «geslacht» in alle bedoelde delicten (art. 137c t/m 137f en 429quater
van het Wetboek van Strafrecht, dus niet alleen bij discriminatie maar ook bij (groeps)belediging,
aanzetten tot haat en aanzetten tot geweld) de brede betekenis krijgt (inclusief geslachtskenmerken,
genderidentiteit en genderexpressie).
Ondanks het feit dat het doel van de wet is de bescherming van de LHBTQI+ gemeenschap,
is een onbedoeld neveneffect dat groepsbelediging van vrouwen en mannen dan wel haat
zaaien ook strafbaar wordt op grond van art. 137c van het Wetboek van Strafrecht.
Hoe kijkt de regering tegen dit onbedoeld effect aan? Kan de regering de uitbreiding
van artikel 137c met de discriminatiegrond geslacht, onderbouwen? Is het mogelijk
dat een verschil wordt gemaakt tussen groepsbelediging en haat zaaien van vrouwen
ten opzichte van mannen, dan wel minderheden ten opzichte van dominante groepen? Kan
de regering een aantal voorbeelden geven van grensgevallen?
De regering wil bij de wijziging van de terminologie «overinclusie» voorkomen. Dit
betreft seksuele gerichtheden die, op grond van de huidige wetgeving strafbaar zijn,
als daaraan in de praktijk uitvoering wordt gegeven. De wetenschappers die de wetenschapstoets
uitvoerden wijzen echter op de problematische effecten van overinclusie, bijvoorbeeld
in de vorm van stereotypering van bijvoorbeeld homoseksualiteit. Herkent de regering
dit? Om ongewenste inclusie te voorkomen, stellen deze wetenschappers, kunnen ook
specifiek geformuleerde wettelijke gronden in de Algemene Wet gelijke behandeling
worden opgenomen, of kan worden gekozen voor een halfopen systeem. Ook kan ervoor
worden gekozen met een nadere uitleg in de memorie van toelichting te volstaan. Is
de regering bereid om met deze suggestie iets te doen? Kan de regering aangeven aan
welke andere oplossingen we kunnen denken voor overinclusie dan de voorgestelde definitiebepaling
in artikel 1(4) van de Algemene wet gelijke behandeling en artikel 90decies van het
Wetboek van Strafrecht, die het nadeel van stereotypering niet kennen?
De leden van de VVD-fractie lezen dat bij vervolging op grond van artikel 266 Sr momenteel
ook al – op grond van de aanwijzing discriminatie – genderidentiteit reeds als strafverzwarende
omstandigheid in de strafeis kan worden betrokken. Hoe vaak is dat sinds de inwerkingtreding
van de aanwijzing gedaan? Hoe vaak wordt het momenteel al meegenomen in de strafeisen
en kan de regering voorbeelden geven van gepubliceerde uitspraken waarin ook in het
vonnis van de rechter genderidentiteit al meeweegt bij de strafoplegging?
De leden van de VVD-fractie hechten aan een goede registratie van delicten die worden
gepleegd met een discriminatoir karakter, zoals openlijke geweldpleging, bedreiging
en aanzetten tot haat en discriminatie. Kan worden toegelicht welke stappen zijn gezet
om registratie van deze delicten te verbeteren en welke maatregelen worden getroffen
om de registratie te verbeteren?
De leden van de NSC-fractie lezen in de memorie van toelichting dat volgens de regering
kan worden volstaan met het opnemen van het woord «geslacht» in de artikelen 137 e.v.
van het Wetboek van Strafrecht en dat niet specifiek «geslachtskenmerken, genderidentiteit
en genderexpressie» hoeft te worden benoemd. De regering onderbouwt dit door te stellen
dat in het voorgestelde artikel 90quater van het Wetboek van Strafrecht al wordt bepaald
dat onder discriminatie of discrimineren op grond van geslacht mede moet worden verstaan
«discriminatie of discrimineren op grond van geslachtskenmerken, genderidentiteit
en genderexpressie». In de wetenschapstoets wordt er echter op gewezen dat de termen
«discriminatie» en «discrimineren» niet in alle bedoelde strafbepalingen voorkomen,
waardoor artikel 90quater niet van toepassing zou zijn. De gedragingen die strafbaar
zijn gesteld in de artikelen 137c-e zijn «belediging (van een groep)», «aanzetten
tot haat», «aanzetten tot discriminatie» en «aanzetten tot geweld». Alleen bij «aanzetten
tot discriminatie» zou de term «geslacht» dan die bredere betekenis krijgen. Kan de
regering bevestigen dat dit niet de beoogde uitwerking is en is de regering de mening
deelt dat in deze artikelen niet kan worden volstaan met het woord «geslacht»?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering slechts zeer algemeen ingaat
op de vragen die in de strafrechtspraktijk rijzen ten aanzien van genderidentiteit.
Deze leden wijzen erop dat in andere landen reeds duidelijk is welke spanningsvelden
kunnen ontstaan en dat in zulke situaties primair een afweging van de wetgever verwacht
mag worden. Zij wijzen op voorbeelden waarin het uitdragen van fundamentele kritiek
op het onderwerp genderidentiteit aan de orde is of de weigering om de door transgender
personen gewenste voornaamwoorden te gebruiken dan wel de oproep daartoe. In zulke
situaties is het fundamentele recht van vrije meningsuiting in het geding. Eveneens
kan de vrijheid in het geding zijn om bijvoorbeeld steun te verlenen aan organisaties
die zich zeer kritisch uitlaten over de ontwikkeling van een zogeheten genderideologie,
hetgeen de regering betreurt en middels subsidies probeert te bestrijden. De wetenschapstoets
geeft volgens deze leden terecht aan dat het aan de wetgever is om bij fundamentele
afwegingen van grondrechten richting te geven, zeker als de regering zelf met een
wetsvoorstel komt dat duidelijkheid beoogt te scheppen. Deze leden vragen de regering
daarom uitgebreid in te gaan op de situaties waarin niet zozeer in geobjectiveerde
zin sprake is van belediging en discriminatie, maar situaties waarin transgender personen
op grond van hun subjectieve beleving de opvattingen van anderen als beledigend of
discriminerend betitelen. Gaat de regering inzake genderidentiteit uit van de status
quo in de jurisprudentie of zijn de opmerkingen dat ruimte geboden wordt aan maatschappelijke
ontwikkelingen uitdrukkelijk bedoeld om meer beperkingen van grondrechten aan te moedigen
ten gunste van genderidentiteit?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat in de memorie van toelichting op
pagina 9 staat: «In het geldende strafrecht wordt deze groep personen al langs diverse
wegen discriminatie beschermd». Tegelijkertijd wordt beargumenteerd dat met dit wetsvoorstel
de rechtspositie van de genoemde groep personen versterkt moet worden. Kan de regering
nader beargumenteren waarom de rechtspositie van deze groep personen aanvullende versterking
nodig heeft gezien de conclusie dat in het geldende strafrecht deze groep personen
al langs diverse wegen tegen discriminatie beschermd wordt? Welke problemen worden
met dit wetsvoorstel opgelost, en welke onderbouwing wordt hiervoor gegeven?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat het doel van het wetsvoorstel ook
is om de «zichtbaarheid» van personen van een andere biologische geslachtsvariatie
dan man of vrouw of wier genderidentiteit of genderexpressie verschilt van het hen
bij hun geboorte toegekende geslacht te versterken. Deze leden vragen de regering
nader toe te lichten waarom gekozen is voor een nieuwe strafbaarstelling met als doel
de zichtbaarheid van deze groep personen te versterken. Op basis van welke onderzoeken
acht de regering het noodzakelijk dat de zichtbaarheid van deze groep versterkt moet
worden? Zij vragen de regering of zij het standpunt onderkent dat het strafrecht geen
beleidsmiddel, maar een ultimum remedium is.
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben ook vragen bij de keuze voor het instrument
van strafbaarstelling. Is een nieuwe strafbaarstelling proportioneel en het juiste
instrument om dit doel te bereiken. Deze leden voelen zich in deze vragen gesterkt
door de conclusie uit de Wetenschapstoets (onder punt 2). Daarin wordt gesteld dat
de memorie van toelichting niet in gaat «op de aard van het strafrecht als zwaar middel
(ultimum remedium)» en de memorie van toelichting onderbouwt ook niet «waarom de inzet
van het strafrecht geboden is met het oog op proportionaliteit, subsidiariteit en
effectiviteit». De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering op deze conclusie
en op aanbeveling 2, 3 en 4 uit de wetenschapstoets te reageren.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering nader te expliciteren wat
de toegevoegde waarde is, ten opzichte van de huidige wetgeving, om aan de artikelen
137c en 137e de grond «geslacht» aan de discriminatiegronden toe te voegen.
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering middels voorbeelden te expliciteren
wat nu precies verboden uitlatingen worden. Deze leden schetsen een hypothetisch voorbeeld:
blijft het met de voorgestelde wetswijziging voor bijvoorbeeld een arts toegestaan
is om te stellen dat «transvrouwen biologische mannen zijn»? Erkent de regering dat
deze wetswijziging potentieel op gespannen voet staat met de vrijheid van meningsuiting?
Zo ja, hoe weegt de regering dit?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de voorgestelde wijziging van artikel
90quater, tweede lid, inhoudende dat onder discriminatie of discrimineren op grond
van geslacht mede wordt verstaand discriminatie of discrimineren op grond van geslachtskenmerken,
genderidentiteit en genderexpressie zich verhoudt tot het reguliere verbod op discriminatie
en belediging?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen in hoeverre de volgende hypothetische
situatie strafbaar wordt gesteld op basis van de voorgestelde wijzigingen van het
Wetboek van Strafrecht: een sportclub heeft een mannen en een vrouwen kleedkamer.
Een fysiek ogende vrouw betreedt de mannenkleedkamer, waar deze persoon wordt geweigerd
vanwege het samenstel van fysieke geslachtskenmerken. Deze persoon stelt echter op
basis van de genderidentiteit thuis te horen in de mannenkleedkamer. De persoon identificeert
zich als man. Deze leden beseffen dat dit een zeer zeldzame situatie is maar vragen
de regering te reageren op dit hypothetische voorbeeld en te beoordelen in hoeverre
deze weigering van de sportclub strafbaar zou worden?
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de regering stelt dat in de verschijningsvormen
van genderidentiteiten slechts «beperkt helderheid [kan, red] worden gegeven». Deze
leden vragen hoe een strafbaarstelling van discriminatie op grond van genderidentiteit,
waarbij vooraf beperkt helderheid gegeven kan worden over de verschijningsvormen,
zich verhoudt tot de rechtsbescherming van burgers en organisaties. Hoe moeten burgers
en organisaties weten welke uitlating of gedraging discriminerend is wanneer vooraf
onduidelijk is welke verschijningsvorm een genderidentiteit kan aannemen? De regering
schrijft hierover dat persoonlijke gevoelens pas als een genderidentiteit kunnen worden
aangemerkt indien deze worden gedeeld binnen een groep mensen die hierdoor wordt gekenmerkt.
Deze groep moet «zich op enige wijze maatschappelijk manifesteren» zodat deze groep
in de samenleving in voldoende mate «als groep kan worden (h)erkend». Kan de regering
definiëren wanneer duidelijk is of een groep zich op enige wijze gemanifesteerd heeft
en wanneer de groep als «voldoende» wordt herkend?
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben begrip voor de pijn die kan ontstaan bij
het «misgenderen» van personen. Deze leden vragen evenwel of het «misgenderen» van
personen zou kunnen leiden tot een strafbare vorm van discriminatie op basis van dit
wetsvoorstel.
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat de regering erkent dat aan de gehanteerde
begrippen een voldoende omlijnde inhoud moet worden gegeven om te kunnen dienen als
richtsnoer voor gedrag van de burger en beoordeling daarvan door de justitiële autoriteiten.
Deze leden achten dit tot nu toe onvoldoende gebeurt, met name voor het begrip «genderidentiteit»
omdat, zo erkent de regering ook zelf: «niet alle voorbeeldsgewijs genoemde geslachtsvarianten
een vastomlijnde betekenis hebben en dat ook deze ook niet zonder meer in het maatschappelijk
verkeer als bekend mogen worden verondersteld.» Kan de regering hier nader op reflecteren?
De leden van de ChristenUnie-fractie concluderen dat de conclusie uit de wetenschapstoets
luidt dat het huidige wetsvoorstel onderbouwing mist aangaande de noodzaak tot strafbaarstelling
van groepsbelediging van mannen en vrouwen. Deze leden vragen de regering op deze
omissie (zoals verwoord in de Wetenschapstoets onder punt 4 en in aanbevelingen 7
en 8) te reageren. Welke consequenties hebben deze conclusie en aanbevelingen voor
het voorliggend wetsvoorstel?
C. Verhouding tot hoger recht
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering te reageren op aanbeveling
1 uit de wetenschapstoets waarin geadviseerd wordt om nader in te gaan op de verhouding
van de voorgestelde term «seksuele gerichtheid» en de artikelen uit het EVRM.
D. Uitvoering en financiële gevolgen
De leden van GroenLinks-PvdA-fractie hechten eraan dat dit wetsvoorstel niet blijft
steken bij een dode letter, maar dat mensen die slachtoffer worden van discriminatie
op grond van hun seksuele gerichtheid weten dat dit voortaan strafbaar is, politie,
openbaar ministerie (OM) en andere wetshandhavers goed op de hoogte zijn van de inhoud,
de politie in beginsel altijd een aangifte opneemt en het OM altijd overgaat tot vervolging.
Is de regering bereid om de inwerkingtreding te begeleiden met een publiciteitscampagne,
de wetswijziging mee te nemen in (bij)scholing van politie en OM en te bevorderen
dat het OM discriminatie op grond van seksuele gerichtheid altijd overgaat tot vervolging?
De leden van de NSC-fractie onderschrijven het doel van de wet, namelijk het bieden
van betere (strafrechtelijke) bescherming van LHBTQI+-personen. Deze leden vragen zich wel af in hoeverre dit wetsvoorstel daadwerkelijk een
sterkere positie voor deze personen zal bewerkstelligen in de praktijk. Deze leden
kunnen zich, met de regering, voorstellen dat het wetsvoorstel inderdaad zal zorgen
voor het vergroten van de (her)kenbaarheid van de terminologie en dat mensen zich
door het wetsvoorstel gesteund zullen voelen om vaker melding te maken of een oordeel
te vragen over discriminatie. Dit zou een positieve ontwikkeling zijn. Tegelijkertijd
lezen zij ook dat de regering niet verwacht dat het om grote aantallen zal gaan, dat
er niet een veel groter aantal aangiften van discriminatie wordt verwacht en dat het
wetsvoorstel waarschijnlijk niet tot een significante toename van opsporing en vervolging
zal leiden. Zij hopen dat het wetsvoorstel in de praktijk wel daadwerkelijk tot een
betere aanpak van discriminatie leidt en dat de beoogde wijzigingen niet tot een «dode
letter» verworden. Kan de regering aangeven wat zij gaat doen om te stimuleren dat
er daadwerkelijk vaker meldingen en aangiften zullen worden gedaan van discriminatie
op de betreffende gronden? Deelt de regering de mening dat een hogere meldingsbereidheid
noodzakelijk is om de effectiviteit van (politie)onderzoek naar deze vormen van discriminatie
te vergroten? Kan de regering ook specifiek voor de strafrechtelijke verbredingen
uit dit wetsvoorstel aangeven waarom zij verwacht dat deze tot een sterkere positie
van de beschermde groepen gaan leiden? Kan de regering ingaan op de prioriteit die
volgens haar aan dergelijke zaken moet worden toegekend binnen opsporing en vervolging?
Kan de regering tot slot aangeven hoe zij in de jaren na eventuele inwerkingtreding
van dit wetsvoorstel gaat monitoren hoe effectief de wetswijziging is?
De leden van de NSC-fractie lezen dat in de memorie van toelichting wordt aangehaald
dat de overheid al gebonden is aan de gelijkebehandelings- en non-discriminatienorm. Deze leden merken op dat in de memorie van
toelichting niets staat over eenzijdig overheidshandelen en verwijzen naar de oproep
van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme, de voorzitter van het
CRM en de voorzitter van de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme om ook
eenzijdig overheidshandelen onder de reikwijdte van de gelijkebehandelingswetgeving
te brengen. Kan de regering ingaan op eenzijdig overheidshandelen in het kader van
de beoogde wetswijzigingen? Is de regering bereid om te overwegen ook eenzijdig overheidshandelen
onder de reikwijdte van de gewijzigde bepalingen te laten vallen? Zo nee, kan zij
toelichten waarom niet en waarom zij dit niet nodig acht?
E. Consultatie
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie merken op dat in de memorie van toelichting wordt verwezen
naar consultatieadviezen van de Nationale Politie en van het openbaar ministerie,
maar dat deze adviezen niet zijn aangehecht bij de memorie van toelichting. Kunnen
deze adviezen alsnog met de Kamer worden gedeeld?
2. Discriminatie van personen vanwege geslachtskenmerken, genderidentiteit of genderexpressie
De leden van de ChristenUnie-fractie lezen dat het OM vraagt om een nadere toelichting
op de wetstermen «geslachtskenmerken», «genderidentiteit», en «genderexpressie». Het
OM heeft zorgen of de termen zich zodanig laten afbakenen dat voor burgers voorzienbaar
is welke uitingen onder het bereik daarvan vallen. De leden van de ChristenUnie-fractie
herkennen deze zorg. Deze leden vragen de regering nader te expliciteren op welke
wijze het advies van het OM is opgevolgd en hoe deze termen nu precies onderling zijn
afgebakend. Zij vragen om de correspondentie met het OM hierover te delen met de Kamer.
ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onderdeel C
De leden van de VVD-fractie lezen dat seksuele gerichtheden waarvoor geldt dat het
in de praktijk brengen ervan strafbaarheid, buiten de reikwijdte van de discriminatiegrond
seksuele gerichtheid vallen. In dat licht vragen deze leden naar de stand van zaken
van het wetsvoorstel waarin lijkschennis zelfstandig strafbaar wordt gesteld. Wanneer
wordt dit wetsvoorstel bij de Kamer ingediend?
De leden van de VVD-fractie hebben gezien dat in het nieuwe artikel 90decies Sr en
in de Awgb wordt toegevoegd dat onder seksuele gerichtheid wordt verstaan «seksuele
gerichtheid op basis van consensus en gelijkwaardigheid op personen ongeacht het geslacht
van die personen». Deze leden onderschrijven de keuze om niet alleen in de toelichting,
maar ook in de wettekst zelf toe te voegen dat seksuele gerichtheid op basis van consensus
en gelijkwaardigheid wordt verstaan. Waarom is gekozen niet tevens deze passage ter
verduidelijking toe te voegen in artikel 137c Sr?
De leden van de SGP-fractie merken op dat de voorgestelde redactie van de definitie
van seksuele gerichtheid, met een zinsdeel tussen streepjes, weinig fraai is. Belangrijker
nog is dat deze leden constateren dat de voorgestelde definitie in plaats van de beoogde
verduidelijking vooral nieuwe vragen oproept, temeer in relatie tot de toelichting
op dit punt. Zij vragen een toelichting op het begrippenpaar consensus en gelijkwaardigheid.
De toelichting lijkt te suggereren dat de zinsnede «op basis van consensus en gelijkwaardigheid»
niets anders beoogt dan het uitsluiten van bescherming van strafbare gedragingen.
Indien dat het geval is, hetgeen deze leden te beperkt zouden vinden, zou een eenvoudiger
en adequater redactie voor de hand liggen. Mocht dat niet het geval zijn, dan vragen
zij of de regering het begrip gelijkwaardigheid nader wil duiden. Beoogt de regering
hiermee met name de relatie tussen meerderjarigen met minderjarigen te adresseren?
Zij merken in dat geval op dat dergelijke situaties door het begrip gelijkwaardigheid
zouden kunnen worden bestreken, maar dat het begrip daartoe niet beperkt hoeft te
blijven en ook op volwassenen betrekking kan hebben. Meer problematisch vinden zij
dat het begrip gelijkwaardigheid in belangrijke mate een subjectieve betekenis kan
krijgen, ten gevolge waarvan zowel de positie van minderjarigen onvoldoende beschermd
kan blijken alsook dat relaties tussen meerderjarigen als ongelijkwaardig zouden kunnen
worden betiteld en dus van bescherming verstoken kunnen blijven. Waarom heeft de regering
er niet voor gekozen om expliciet de minderjarigheid in de tekst op te nemen? Zij
vragen tot slot of de regering kan bevestigen dat het uitsluiten van bescherming niet
beperkt hoeft te blijven tot de genoemde pedoseksuele gerichtheid en de gerichtheid
op dieren en overleden personen.
Artikel II, onderdeel B
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de regering in de redactie van artikel 90decies
niet op vergelijkbare wijze als in het voorgestelde tweede lid van artikel 90quater
de discriminatie op grond van seksuele gerichtheid heeft benoemd.
De leden van de SGP-fractie vragen eveneens hoe de regering het begrip consensus bedoelt
in relatie tot seksuele gerichtheid. Deze leden menen dat hierdoor de veronderstelling
kan ontstaan dat bij seksuele gerichtheid vooral wordt gedacht aan het aangaan van
relaties. Immers, voor het beleven van de gerichtheid buiten de sfeer van relaties
is het begrip consensus niet relevant. Zij ontvangen graag nadere duiding en vragen
of de redactie gelukkig gekozen is.
De leden van de SGP-fractie vragen waarom de toevoeging «ongeacht het geslacht van
die personen» noodzakelijk zou zijn. Deze leden menen dat het weglaten van de toevoeging
mogelijk beter zou aansluiten bij de doelstelling van de regering. Immers, het onderscheidende
van de bepaling richt zich allereerst op het uitsluiten van seksuele gerichtheid op
andere wezens dan personen en vervolgens de gerichtheid op alle personen zonder nadere
duiding centraal te stellen. Deze leden zijn niet bekend met kritieken die zouden
stellen dat het geslacht van personen bepalend zou zijn voor de vraag of sprake is
van seksuele gerichtheid en daarom lijkt de toevoeging overtollig. Indien die kritieken
wel zouden bestaan, vernemen zijn daar graag toelichting op.
Artikel III
De leden van de SP-fractie zien het dilemma wat zich voordoet over de definitie van
seksuele gerichtheid in artikel 1(4) Awgb en artikel 90decies WvSr. De leden erkennen
de moeilijkheid waarmee deze definitie moet worden gekozen, maar zien net als de wetenschappers
dat het uitsluiten van bepaalde groepen ook weer problemen met zich meebrengt. Bij
een te breed gekozen definitie bestaat er het risico dat bijvoorbeeld pedoseksualiteit
of seksuele gerichtheid op dieren of overleden personen wordt beschermd waar dit niet
de bedoeling is, maar bij een te nauwe definitie bestaat er het risico dat groepen
die wél meer bescherming nodig hebben weer buiten de boot vallen. Kan de regering
reflecteren op dit dilemma? Om welke redenen is er uiteindelijk gekozen voor de huidige
definitie?
De fungerend voorzitter van de commissie, P. de Groot
De adjunct-griffier van de commissie, Kling
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
Y.C. Kling, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.