Voorstel tot wijziging Reglement van Orde : Voorstel van het lid Bontenbal tot wijziging van het Reglement van Orde in verband met het beperken van de mogelijkheid om moties in te dienen
36 537 Voorstel van het lid Bontenbal tot wijziging van het Reglement van Orde in verband met het beperken van de mogelijkheid om moties in te dienen
Nr. 2 VOORSTEL
ARTIKEL I
Het Reglement van Orde van de Tweede Kamer der Staten-Generaal wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 8.20 wordt onder vernummering van het derde tot en met vijfde lid tot vierde
tot en met zesde lid een lid ingevoegd, luidende:
3. De leden van een fractie of groep kunnen bij de beraadslaging gezamenlijk ten hoogste
twee moties als eerste ondertekenaar indienen, tenzij wordt beraadslaagd over een
wetsvoorstel. De leden kunnen bovendien slechts moties indienen als hun fractie of
groep hiermee het maximum, bedoeld in artikel 8.21a, eerste lid, niet overschrijdt.
B
Na artikel 8.21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 8.21a Maximum moties
1. De leden van een fractie of groep kunnen elk jaar gezamenlijk steeds ten hoogste
een voor hun fractie of groep geldend maximum aan moties als eerste ondertekenaar
indienen.
2. De Voorzitter stelt aan het begin van het kalenderjaar het maximum voor elke fractie
en groep vast, dat voor een volledig jaar bedraagt:
a. voor een fractie: honderdvijftig moties, verhoogd met een aantal moties dat gelijk
is aan het aantal leden van de fractie;
b. voor een groep: vijfenzeventig moties.
3. De Voorzitter stelt aan het begin van het kalenderjaar lagere maxima vast als vaststaat
dat tijdens het jaar de zitting zal eindigen. De lagere maxima worden daarbij vastgesteld
voor de periode tot en met de laatst voorziene dag van de zitting.
4. De Voorzitter stelt bij aanvang van een zitting steeds eveneens lagere maxima vast.
De lagere maxima worden daarbij vastgesteld voor de periode tot en met de laatste
dag van het kalenderjaar.
5. De Voorzitter telt voor betrokken fracties en groepen eveneens tussentijds maxima
vast, wanneer:
a. een samenvoeging van fracties als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder a,
plaatsvindt;
b. een splitsing van een fractie als bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, onder b,
plaatsvindt;
c. een afscheiding van een groep als bedoeld in artikel 5.2, of een afscheiding van
leden van een dergelijke groep, plaatsvindt;
d. leden zich onderling aansluiten in een groep als bedoeld in artikel 5.2;
e. leden zich vanuit een groep aansluiten bij een fractie.
Deze maxima worden vastgesteld voor de periode tot en met de laatste dag van het kalenderjaar,
of de laatst voorziene dag van de zitting als de vaststelling plaatsvindt in een periode
waarin het derde lid is toegepast. Bij gelegenheid van een afscheiding van een of
meer leden van een fractie in een groep als bedoeld in de eerste zin, onder c, wordt
voor de fractie waarvan de leden zich afscheiden geen tussentijds maximum vastgesteld.
6. Bij de toepassing van het derde tot en met vijfde lid, wordt de hoogte van het
maximum van een fractie of groep steeds bepaald door het aantal dagen van de periode
waarvoor het maximum wordt vastgesteld te delen door driehonderdvijfenzestig dagen,
en dit te vermenigvuldigen met het voor de fractie of groep in een volledig jaar toepasselijke
maximum, bedoeld in het tweede lid. Daarbij wordt het verkregen maximum naar boven
afgerond op een heel getal.
7. Voor het bepalen van het aantal moties dat een fractie of groep in verhouding tot
het maximum heeft ingediend, tellen alle moties mee die zijn ingediend in een plenaire
vergadering, wetgevingsoverleg of notaoverleg, met inbegrip van ingetrokken moties,
overgenomen moties als bedoeld in artikel 8.21, en aangehouden moties als bedoeld
in artikel 8.23, tweede lid. Het wijzigen van een motie telt niet mee als indiening.
Bij elke nieuwe vaststelling van een maximum van een fractie of groep wordt het aantal
ingediende moties van de fractie of groep op nul gesteld.
C
Na artikel 15.21 wordt een artikel ingevoegd, luidende:
Artikel 15.21a Register maximum moties
De griffie houdt een register bij van het maximum moties, bedoeld in artikel 8.21a,
eerste lid, van elke fractie en groep, alsmede van het bijbehorende aantal ingediende
moties, bedoeld in artikel 8.21a, zevende lid.
ARTIKEL II
Deze wijzigingen treden in werking op een door de Kamer te bepalen tijdstip.
Toelichting
I. Algemeen
Kern van het voorstel
De initiatiefnemer stelt voor een tweeledig maximum voor het aantal moties dat per
jaar door de Kamer mag worden ingediend, in het Reglement van Orde op te nemen:
1. Per jaar dient een fractie maximaal het volgende aantal moties in: 150 verhoogd
met één motie per lid van de fractie (verder: het fractiemaximum);
2. Een fractie dient maximaal 2 moties in tijdens de beraadslaging over een onderwerp
(verder: het debatmaximum).
Het voorstel voorziet in een afzonderlijke inwerkingtreding. Initiatiefnemer streeft
ernaar de nieuwe regels te laten ingaan per 1 januari 2025.
Noodzaak van een maximum
De Tweede Kamer heeft als controleur van de regering een aantal instrumenten om haar
rol te vervullen. De motie is zo’n belangrijk instrument. Het aantal moties dat in
de Tweede Kamer wordt ingediend, is in de loop van de jaren echter sterk toegenomen.
Waar er rond de eeuwwisseling nog rond de 1.000 moties per jaar werden ingediend,
ligt het aantal moties sinds 2018 boven de 4.000. Met als record het jaar 2022: in
dat jaar werden er 5.011 moties ingediend.
De motie is daarmee een bot instrument geworden; het wordt te vaak ingezet als een
politiek statement richting de eigen achterban en te weinig als een middel om de regering
te bewegen tot aanpassing van beleid in de praktijk. Initiatiefnemer is van mening
dat de Tweede Kamer zorgvuldiger moet zijn met het gebruik van dit instrument. Bij
een nieuwe bestuurscultuur hoort ook een nieuwe politieke cultuur. Daar hoort een
verstandig gebruik van parlementaire instrumenten bij. In de Bondsdag in Duitsland
is, bijvoorbeeld, het aantal vragen en moties dat wordt ingediend, vele malen lager
dan in Nederland.1
Het is niet de eerste keer dat dit wordt geconstateerd. Een commissie onder leiding
van Van der Staaij presenteerde eind 2021 een advies «Versterking functies Tweede
Kamer – Meer dan de som der delen». Ook daarin wordt gesteld dat «de Kamer ook bereid
[moet] zijn om haar instrumentarium te beschermen tegen uitholling door oneigenlijk
of overvloedig gebruik als dat nodig is.» Eén van de aanbevelingen in het rapport
is om werk te maken van het terugdringen van het aantal moties.2
Het rapport «Klem tussen balie en beleid» van begin 2021 over het parlementaire onderzoek
naar de oorzaken van problemen bij uitvoeringsorganisaties wijst op de gevolgen hiervan
in de uitvoeringspraktijk. Een van de conclusies is dat de Kamer «uitvoeringsaspecten
niet voldoende mee [weegt] of moties en amendementen in [dient] zonder zicht op de
impact daarvan».3
Het enquêterapport over de toeslagenaffaire «Blind voor mens en recht» van de Parlementaire
Enquêtecommissie Fraudebeleid en Dienstverlening (PEFD) uit februari 2024 zoomt scherp
in op de rol van de Kamer bij de toeslagenaffaire. Het rapport concludeert dat «het
parlement in meerderheid heeft gefaald in haar wetgevende en controlerende taak»,
terwijl «Kamerleden een zware verantwoordelijkheid [hebben] als het gaat om het goedkeuren
van wetten».4 Het rapport beveelt aan dat «de Tweede Kamer voldoende tijd in [moet] blijven ruimen
voor de zorgvuldige behandeling van wetten». Deze zorgvuldigheid is onmogelijk als
niets wordt gedaan aan de tijd die de Kamer bezig is met het voorbereiden, indienen
en behandelen van moties.
De aanbevelingen van deze verschillende belangrijke rapporten hebben helaas niet geleid
tot een daling van het aantal moties. Sterker nog, het aantal moties is alleen maar
gegroeid. Ook in de dagelijkse praktijk van de Kamer zelf leidt dit tot onwenselijke
situaties zoals een gebrek aan overzicht, langere debatten en onnodige werkdruk voor
Kamer, bewindspersonen en ambtenaren. Het snel oplezen van een groot aantal moties
bij een tweeminutendebat is hiervan het meest deerniswekkende voorbeeld, en is slecht
voor het aanzien van de Tweede Kamer.
Daarom wordt nu, middels dit voorstel, een wijziging van het Reglement van Orde voorgesteld.
Het voorstel behelst de introductie van een tweeledig maximum, ten eerste voor het
aantal moties dat fracties in een jaar mogen indienen en ten tweede voor het aantal
moties dat een fractie per debat kan indienen. De initiatiefnemer beseft dat dit een
ingrijpend voorstel is. Maar meer dan ooit is een goed werkend parlement nodig. En
de Tweede Kamer is er op dit punt niet in geslaagd zichzelf te disciplineren.
Een maximum heeft volgens de initiatiefnemer verschillende voordelen. Een maximum
zorgt ervoor dat Kamerleden het instrument selectiever en gerichter zullen inzetten.
Het zorgt er ook voor dat overbodige moties niet worden ingediend, dat er meer wordt
samengewerkt tussen fracties en dat in debatten vaker wordt aangedrongen op een toezegging
van een bewindspersoon. Dit voorstel moet dan ook samengaan met een stevige oproep
vanuit de Kamer aan het kabinet om veel strakker om te gaan met het beoordelen van
moties en het nauwkeuriger bijhouden van de uitvoering van aangenomen moties.
Een maximum is geen beperking van het recht van Kamerleden om zich uit te spreken.
Voor spreektijden geldt immers ook een maximum. Een maximum is eerst en vooral een
middel om het instrument motie weer tot een scherp instrument te maken. Daarmee geeft
de Kamer opvolging aan de verschillende adviezen die gedaan zijn in o.a. de parlementaire
enquêtecommissies.
Tweeledig maximum
Het is belangrijk om het maximum op de juiste manier vorm te geven. Het voorstel voor
een maximum bestaat daarom uit twee onderdelen, het fractiemaximum en het debatmaximum.
De initiatiefnemer heeft bewust gekozen voor een maximum per fractie, in plaats van
een maximum per lid. Het uitgangspunt is dat elke fractie aan alle debatten mee kan
doen. Een maximum per lid zou er bovendien toe leiden dat grote fracties in totaal
onevenredig veel meer moties zouden kunnen indienen dan kleine fracties. Zo’n voorstel
zou dus geen rekening houden met de verschillende rollen van Kamerleden in hun fracties
ten opzichte van de grootte van fracties.
Om rekening te houden met het aantal zetels van een fractie is ervoor gekozen om het
maximum van 150 moties te verhogen met één motie per lid van de fractie. Dit wordt
geïllustreerd met een rekenvoorbeeld aan de hand van de huidige zetelverdeling. Zie
hiervoor tabel 1 in de artikelsgewijze toelichting. De rationale achter deze getallen
is dat de initiatiefnemer streeft naar een minimale halvering van het aantal moties
ten opzichte van de 5.011 moties in 2022. Als het maximum zoals voorgesteld wordt
toegepast op de huidige zetelverdeling in de Kamer betekent dat een maximaal aantal
moties van 2.400. Hiermee blijft ook voldoende ruimte bestaan om over de vele belangrijke
onderwerpen die er zijn moties in te dienen. Het staat fracties overigens vrij om
minder moties in te dienen.
Aanvullend op het fractiemaximum wordt ook voorgesteld om een debatmaximum in te voeren
van maximaal twee moties per fractie per debat. De initiatiefnemer is van mening dat
dit bij de meeste debatten voldoende is om het beleid op de belangrijkste onderdelen
bij te kunnen sturen. Over andere punten kunnen toezeggingen worden gevraagd van de
bewindspersoon. Ook voorkomt dit dat fracties alsnog veel moties indienen bij één
debat, als het fractiemaximum aan het eind van het parlementaire jaar nog niet is
behaald. Het fractiemaximum geldt naast het debatmaximum. Als het fractiemaximum is
behaald, kunnen niet alsnog bij een volgend debat twee moties worden ingediend.
De initiatiefnemer ziet dat verschillende debatten van verschillend gewicht zijn.
Er moet ruimte zijn om bij wetgeving (en dus ook begrotingswetten) meer moties in
te dienen. Recente voorbeelden hiervan zijn de Pensioenwet en het jaarlijkse Belastingplan.
Het voorstel voorziet in deze uitzondering voor de behandeling van wetsvoorstellen.
Ook hier blijft echter het fractiemaximum gehandhaafd.
Nadere vormgeving
Het vastleggen van een maximum vereist op enkele punten praktische uitwerking. De
initiatiefnemer acht het ten eerste van belang dat het aantal ingediende moties openbaar
en transparant wordt bijgehouden. Daartoe houdt de Voorzitter van de Tweede Kamer
een register bij van het aantal ingediende moties. Dit register kan bijvoorbeeld gepubliceerd
worden via de website van de Tweede Kamer en/of de app DebatDirect.
Voorgesteld wordt dat een motie wordt toegerekend aan de fractie van de eerste initiatiefnemer
van de motie. Ook wordt voorgesteld dat ingetrokken, overgenomen en aangehouden moties
meetellen aan het fractiemaximum. Het doel is om het voorstel zo eenvoudig mogelijk
te houden en verkeerde prikkels tegen te gaan.
Verder wordt voorgesteld dat het fractiemaximum wordt vastgesteld aan het begin van
het kalenderjaar en dat met betrekking tot de periode wordt uitgegaan van het kalenderjaar.
Dit is het meest inzichtelijk en sluit het beste aan bij de huidige vormgeving van
het Reglement van Orde.
Verkiezingen
Als er verkiezingen zijn, eindigt op een bepaald moment in het kalenderjaar de zittingsduur
van de Kamer. Hiermee moet bij het vaststellen van het fractiemaximum aan het begin
van het kalenderjaar en na de verkiezingen rekening gehouden worden.
Daarom is het voorstel om na verkiezingen het fractiemaximum opnieuw vast te stellen,
naar rato van het aantal resterende kalenderdagen in het betreffende kalenderjaar.
Ook wordt in het voorstel al voorafgaand rekening gehouden met verkiezingen. Als aan
het begin van het kalenderjaar bekend is dat er reguliere of tussentijdse verkiezingen
plaatsvinden wordt het fractiemaximum vastgesteld naar rato van het aantal dagen tot
de verkiezingen ten opzichte van het aantal dagen in het betreffende jaar. Hiervoor
wordt telkens gebruik gemaakt van dezelfde berekeningswijze, waarvoor een formule
is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting.
Een en ander kan worden geïllustreerd aan de hand van een rekenvoorbeeld. Als bijvoorbeeld
de volledige zittingsduur van de Kamer eindigt op 29 maart 2028, moet aan het begin
van 2028 een aangepast maximum worden vastgesteld. Het maximum wordt dan vastgesteld
voor de periode van 1 januari tot en met 28 maart (88 kalenderdagen). Dit aantal dagen
wordt gedeeld door 365 dagen (het aantal dagen van een niet-schrikkeljaar; ter vereenvoudiging
is gekozen voor een vast aantal dagen), en het daarbij verkregen getal (dus 88 /365
= 0.24109589) wordt vermenigvuldigd met het maximum dat voor de fractie zou gelden
in een heel kalenderjaar (150 + 1 motie per lid van de fractie). Het maximum voor
de periode vanaf het begin van het kalenderjaar tot de nieuwe zitting is voor een
fractie met vijftien leden dan 40 moties ((88/365) x (150 + 15) = 39.781, naar boven
afgerond).
Wijzigingen in fractiesamenstelling
Er kunnen zich ook wijzigingen voordoen in de samenstelling van fracties, zoals (af)splitsingen
of samenvoegingen. Ook in zulke situaties dient het fractiemaximum tussentijds te
worden aangepast. Hiervoor wordt eveneens gebruik gemaakt van dezelfde formule, die
is opgenomen in de artikelsgewijze toelichting.
In het geval van een afsplitsing krijgt de afgesplitste groep de helft van het vaste
bestanddeel van het fractiemaximum van 150 (75 dus), en in het jaar van afsplitsing
naar rato van voortgang van het kalenderjaar. Het gaat in dit geval dus niet om het
resterende fractiemaximum van de fractie waarvan is afgesplitst, maar het fractiemaximum
van 150. De verhogingsfactor is hier verder niet van toepassing. De initiatiefnemer
acht dit redelijk, omdat afsplitsen met behoud van zetel niet mag worden beloond.
II. Artikelsgewijs
Artikel I, onderdeel A
Via dit onderdeel wordt de regeling voor het maximaal aantal in te dienen moties per
debat (debatmaximum) en het jaarlijks maximaal aantal in te dienen moties per fractie
of groep (fractiemaximum) verankerd in de centrale bepaling over moties, artikel 8.20.
Het onderdeel voegt daartoe onder vernummering van het huidige derde tot en met vijfde
lid een nieuw derde artikellid in.
Op grond van de eerste zin van dat lid kunnen de leden van een fractie of groep gezamenlijk
ten hoogste twee moties als eerste ondertekenaar indienen bij de beraadslaging over
een onderwerp (dus kortweg bij een debat 2 moties per fractie of groep, het debatmaximum).
Daarbij sluit de bepaling aan bij de gebruikelijke systematiek van artikel 8.20, die
aanknoopt bij de beraadslaging over een onderwerp. Het kan hierbij bijv. gaan om een
meerderheidsdebat, dertigledendebat of een tweeminutendebat. Bij de beraadslaging
over wetsvoorstellen (met inbegrip van begrotingswetsvoorstellen) geldt geen debatmaximum,
zodat daar – binnen de beperkingen van het hierna te bespreken fractiemaximum – verder
bij de behandeling geen maximum geldt.
Via de tweede zin van het lid wordt het fractiemaximum in artikel 8.20 geïntegreerd.
Op grond daarvan kunnen de leden slechts de moties indienen als hun fractie of groep
daarmee niet haar jaarlijks fractiemaximum overschrijdt. Het debatmaximum en fractiemaximum
gelden daarbij dus naast elkaar, waarbij een motie slechts kan worden ingediend wanneer
beide maxima nog niet zijn bereikt, en de uitzondering voor wetsvoorstellen niet geldt
ten aanzien van het fractiemaximum. Indien een van de maxima is bereikt, kan het lid
daarna tijdens de beraadslaging geen motie meer als eerste ondertekenaar indienen,
ook niet als het lid tussentijds een motie intrekt. Het lid kan de ingediende moties
wel (meermaals) wijzigen, waarbij de gewijzigde motie niet als extra ingediend wordt
geteld (dit kan worden afgeleid uit artikel 8.20, vijfde lid (huidig), en uit het
voorgestelde artikel 8.21a, zevende lid, derde zin.
De bepaling is dus verwerkt in artikel 8.20, dat is opgenomen in hoofdstuk 8 en ziet
op de indiening van moties tijdens de plenaire beraadslaging over een onderwerp. In
artikel 7.30, eerste lid, is echter vastgelegd dat artikel 8.20 van overeenkomstige
toepassing is op wetgevingsoverleggen en nota-overleggen, waardoor de bepaling ook
uitwerkt naar de indiening van moties tijdens deze commissie-activiteiten. Daarbij
zal het debatmaximum tijdens een wetgevingsoverleg in de praktijk uiteraard niet gelden,
aangezien in een dergelijk overleg wordt beraadslaagd over een wetsvoorstel.
Artikel I, onderdeel B
Via dit onderdeel wordt een artikel 8.21a ingevoegd, waarin de vaststelling van het
fractiemaximum centraal staat.
In het eerste lid is het algemene uitgangspunt van het fractiemaximum opgenomen, namelijk dat de gezamenlijke
leden van een fractie of groep elk jaar slechts een maximum aantal moties kunnen indienen.
De hoogte en generieke vaststelling van dit maximum volgt daarbij in een niet door
verkiezingen onderbroken jaar uit het tweede lid (hoofdregel). Het derde en vierde
lid bieden een generieke regeling voor verkiezingsjaren, en in het vijfde lid is een
specifieke regeling opgenomen voor fracties en groepen die tussentijds te maken krijgen
met een splitsing, samenvoeging, etc. De hoogte van een maximum kan in deze uitzonderingssituaties
worden berekend met behulp van het zesde lid.
Het tweede lid bevat dus de voornaamste regeling voor het bepalen van het fractiemaximum. Deze wordt
door de Voorzitter steeds aan het begin van het kalenderjaar vastgesteld, waarbij
elke fractie jaarlijks 150 moties + 1 motie voor elk van haar leden kan indienen.
Een fractie van 10 leden kan daarbij dus jaarlijks 160 moties indienen. De leden van
een groep kunnen in totaal 75 moties indienen, zonder vermeerderingsfactor per lid.
Dit leidt op grond van de huidige samenstelling van de Kamer dus tot onderstaande
verdeling van de maxima in een ononderbroken kalenderjaar:
Tabel 1: maximum aantal moties per fractie bij huidige zetelverdeling Tweede Kamer
Zetels
Aantal
PVV
37
187
GL-PvdA
25
175
VVD
24
174
NSC
20
170
D66
9
159
BBB
7
157
CDA
5
155
SP
5
155
Denk
3
153
PvdD
3
153
FVD
3
153
SGP
3
153
CU
3
153
Volt
2
152
JA21
1
151
De vaststelling van de maxima zal hierbij steeds aan het begin van het kalenderjaar
plaatsvinden, zodat de fracties hiermee (vrijwel) direct rekening kunnen houden.
Het derde lid bevat een regeling voor de vaststelling in het begin van een jaar van lagere maxima
in een jaar waarin bij voorbaat vaststaat dat een zitting zal eindigen, aangezien
er dan Kamerverkiezingen zullen gaan plaatsvinden en er nieuwe fracties met nieuwe
leden zullen aantreden. Normaliter zal het daarbij gaan om een zittingswisseling als
gevolg van periodieke verkiezingen, maar denkbaar is ook dat aan het begin van het
jaar reeds tussentijdse verkiezingen zijn ingepland. De maxima zullen daarbij net
als bij het tweede lid aan het begin van het jaar generiek voor alle fracties en groepen
worden vastgesteld, maar naar rato van de duur van de periode van het begin van het
jaar tot het einde van de zitting. De maxima zullen daarbij altijd lager zijn dan
die op basis van het tweede lid, omdat dit een kortere periode dan een jaar betreft.
Er is geen regeling getroffen voor het vaststellen van lagere maxima tot aan een nieuwe
zitting als pas tijdens een kalenderjaar duidelijk wordt dat de zitting zal eindigen
vanwege tussentijdse verkiezingen, aangezien dit voor fracties en groepen niet voorspelbaar
is, het de regeling compliceert (er zijn dan steeds al moties ingediend), en het bovendien
ook steeds om een overzienbare periode gaat.
Het vierde lid bevat de regeling voor het begin van een nieuwe zitting tijdens een jaar. Daarbij
zullen bij aanvang van de zitting nieuwe maxima moeten worden vastgesteld, aangezien
er dan nieuwe leden en fracties zijn. De maxima zullen daarbij net als bij het tweede
en derde lid generiek voor alle fracties worden vastgesteld, maar dan bij aanvang
van de zitting en naar rato van duur van de periode van de aanvang van de zitting
tot het einde van het jaar. De maxima zullen daarbij eveneens altijd lager zijn dan
die op basis van het tweede lid, omdat het ook hier een kortere periode dan een jaar
betreft.
Het vijfde lid bevat de regeling voor de tussentijdse vaststelling indien tijdens een jaar wijzigingen
plaatsvinden in de grootte van een fractie of groep. Daarbij ontstaan of verdwijnen
fracties en groepen, wat noodzaakt tot tussentijdse vaststelling van maxima voor de
samengevoegde/gesplitste fracties of groepen. Hierbij kan zich een verscheidenheid
aan situaties voordoen, die zijn opgesomd in de eerste zin, onder a t/m e. Bij gelegenheid
van deze situaties zullen steeds specifiek voor de betrokken fracties en groepen tussentijds
nieuwe maxima moeten worden vastgesteld, naar rato van de duur van de periode vanaf
de wijziging tot het einde van het jaar (of de zitting, als de splitsing plaatsvindt
in een periode waarin het derde lid is toegepast), alsmede van, voor zover het fracties
betreft, de nieuwe fractiegrootte. De maxima zullen daarbij eveneens lager zijn dan
die op basis van het tweede lid, omdat het ook hier een kortere periode dan een jaar
betreft. Aangezien een fractiesamenvoeging tot een grotere fractie aanleiding geeft,
kan het voorkomen dat de samengevoegde fractie een ogenschijnlijk hoger maximum dan
dat van de afzonderlijke fracties vóór de samenvoeging heeft. Gelet op deze bijzonderheid
wordt in het lid niet gesproken van «lagere maxima», maar ook bij samengevoegde fracties
is dus wel degelijk sprake van een lager maximum dan dat zou gelden voor de samengevoegde
fractie in een volledig jaar. In de derde zin van het lid is een uitzondering opgenomen
voor de situatie dat een groep zich afscheidt van een fractie. Bij die gelegenheid
zal voor de betrokken fractie geen tussentijds maximum worden vastgesteld (maar wel
voor de ontstane groep of groepen). Dit beperkt het aantal tussentijdse wijzigingen
tot het noodzakelijke, voorkomt dat de regeling compliceert, en houdt rekening met
de onvoorzienbaarheid van een dergelijke situatie voor een fractie.
Het zesde lid geeft de hoofdregels voor de berekening van het maximum van een fractie of groep.
Daarbij wordt de hoogte van het maximum van een fractie of groep steeds bepaald op
grond van de verhouding van het aantal dagen van de periode waarvoor het maximum wordt
vastgesteld (wat volgt uit het derde, vierde of vijfde lid) tot 365 dagen (een volledig
niet-schrikkeljaar, ten behoeve van de ontwikkeling van een digitale voorziening is
voor een vast aantal dagen gekozen), alsmede op grond van het voor de fractie of groep
in een volledig jaar toepasselijke maximum, bedoeld in het tweede lid. Daarbij kan
een maximum steeds worden vastgesteld op grond van onderstaande formule:
(P / 365) x M
waarbij:
P staat voor de periode van gelding in dagen van het maximum, die:
– (derde lid:) aan het begin van een jaar waarin vaststaat dat een zitting eindigt,
loopt vanaf dat begin tot en met de voorziene laatste dag van de zitting,
– (vierde lid:) aan het begin van een zitting loopt vanaf dat begin tot en met de laatste
dag van het jaar;
– (vijfde lid) bij een vaststelling als gevolg van een tussentijdse wijziging in de
grootte van een fractie/groep (splitsing, samenvoeging, etc.), loopt vanaf die wijziging
tot en met de laatste dag van het jaar / de voorziene laatste dag van de zitting (als
eerder het derde lid is toegepast).
M staat voor het maximum aantal in te dienen moties van de fractie of groep in een
volledig kalenderjaar, dat bedraagt:
– bij een fractie honderdvijftig moties, verhoogd met één motie per lid van de fractie;
– bij een groep vijfenzeventig moties.
Als bij de berekening wordt uitgekomen op een gebroken getal, wordt steeds naar boven
afgerond naar een geheel getal (dus een uitkomst van bijv. 78,4 wordt afgerond naar
79 moties).
Dit geeft aanleiding tot de volgende rekenvoorbeelden. In het eerste voorbeeld splitsen
twee leden zich per 1 juli 2026 af van een fractie van achttien leden en vormen samen
een groep. De oorspronkelijke fractie van nu zestien leden behoudt zijn fractiemaximum
van 168 moties tot het nieuwe jaar (of een tussentijdse nieuwe zitting).
Het maximum voor de nieuwe groep wordt dan vastgesteld voor de periode van 1 juli
tot en met 31 december (184 kalenderdagen). Dit aantal dagen wordt gedeeld door 365
dagen en het daarbij verkregen getal (dus 184 / 365 = 0.50410959) wordt vermenigvuldigd
met het maximum dat voor de groep zou gelden in een heel kalenderjaar (75 moties).
Het maximum voor de periode vanaf 1 juli tot het einde van het kalenderjaar is voor
de nieuwe groep dan 38 moties ((184/365) x (75) = 37.808, naar boven afgerond).
In het tweede voorbeeld fuseren twee fracties met beide vijf leden op 1 april 2026
tot een nieuwe fractie van tien leden. Het oude maximum van beide fracties vervalt,
aangezien de fracties ophouden te bestaan. Het maximum voor de nieuwe fractie wordt
dan vastgesteld voor de periode van 1 april tot en met 31 december (275 kalenderdagen).
Dit aantal dagen wordt gedeeld door 365 dagen en het daarbij verkregen getal (dus
275 / 365 = 0.75342466) wordt vermenigvuldigd met het maximum dat voor deze fractie
zou gelden in een heel kalenderjaar (150 + 1 motie per lid van de fractie). Het maximum
voor de periode vanaf 1 april tot het einde van het kalenderjaar is voor de nieuwe
fractie dan 121 moties ((275 / 365) x (150 + 10) = 120.548, naar boven afgerond).
Het zevende lid geeft enige regels om te bepalen hoeveel moties een fractie of groep in een periode
heeft ingediend, en dus ook wat het restaantal moties is dat nog kan worden ingediend.
Daarbij wordt in de eerste zin vastgelegd dat de tijdens een wetgevingsoverleg of
notaoverleg ingediende moties worden meegeteld, en dat het intrekken, overnemen of
aanhouden van moties geen gevolg heeft voor het meerekenen (deze blijven worden meegeteld).
Dit helpt fracties een zorgvuldige afweging te maken voordat een motie wordt ingediend.
De tweede zin legt vast dat wijzigingen van moties géén gevolg hebben voor het meetellen.
Een motie kan dus meermaals worden gewijzigd, maar wordt daarbij dan slechts eenmaal
als ingediend geteld ten opzichte van het maximum. De mogelijkheid een motie te wijzigen
is wenselijk vanuit de gedachte om tot meer samenwerking tussen fracties te komen.
In de derde zin wordt verder verduidelijkt dat bij elke vaststelling van een maximum
voor een fractie of groep (dus zowel de generieke vaststellingen op grond van het
tweede tot en met vierde lid, als de specifieke vaststellingen op grond van het vijfde
lid), voor de betrokken fracties en groepen de teller voor de ingediende moties terug
op nul gaat. Dit vereenvoudigt de regeling en de uitvoering daarvan.
Artikel I, onderdeel C
Via dit onderdeel wordt in de paragraaf over de openbare registers (§ 15.7) een artikel 15.21a
ingevoegd over een openbaar register ten behoeve van het fractiemaximum. Daarmee kan
worden bewerkstelligd dat de maxima, en de bijpassende aantallen ingediende moties,
steeds worden bijgehouden, wat essentieel is voor de goede werking van de regeling.
Het register zal daarbij krachtens artikel 15.23 openbaar toegankelijk zijn, en dus
(via een digitale voorziening) door de Kamerorganisatie, leden, fracties, groepen
en derden dienen te kunnen worden geraadpleegd.
Artikel II
De voorgestelde wijzigingen kunnen in werking treden op een afzonderlijk door de Kamer
te bepalen tijdstip, dat vanuit de inhoud van artikel 8.21a (vaststelling fractiemaximum
bij de start van een kalenderjaar en zitting) kan worden vastgelegd op 1 januari of
op de startdatum van een zitting. Gelet op de noodzaak om de nieuwe regeling goed
uit te rollen over de Kamerorganisatie (met inbegrip van de vaststelling van een digitale
voorziening voor het bijhouden van het fractiemaximum), kan daarbij worden gedacht
aan 1 januari 2025.
Bontenbal
Bijlage: cijfers over ingediende moties per jaar en per fractie
Bron: NOS, via https://nos.nl/artikel/2457351-recordaantal-moties-in-een-jaar-ingedien…
Bron: Centraal Informatiepunt Tweede Kamer, 2024
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
Henri Bontenbal, Tweede Kamerlid
Stemmingsuitslagen
Verworpen met handopsteken
Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
---|---|---|
PVV | 37 | Tegen |
GroenLinks-PvdA | 25 | Tegen |
VVD | 24 | Tegen |
NSC | 20 | Tegen |
D66 | 9 | Tegen |
BBB | 7 | Tegen |
CDA | 5 | Voor |
SP | 5 | Tegen |
ChristenUnie | 3 | Tegen |
DENK | 3 | Tegen |
FVD | 3 | Tegen |
PvdD | 3 | Tegen |
SGP | 3 | Tegen |
Volt | 2 | Tegen |
JA21 | 1 | Tegen |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.