Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
36 470 XIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (XIII) voor het jaar 2023 (wijziging samenhangende met de Najaarsnota)
Nr. 3
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 3 januari 2024
De vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 11 december 2023 voorgelegd aan de Minister van Economische Zaken
en Klimaat. Bij brief van 18 december 2023 zijn ze door de Minister van Economische
Zaken en Klimaat beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De fungerend voorzitter van de commissie, Stoffer
Adjunct-griffier van de commissie, Van Tilburg
1
Waar zijn de recent toegevoegde middelen (70 mln) voor cloudtechnologie te vinden?
Antwoord
De middelen voor het IPCEI-project Cloudinfrastructure Services zijn te vinden op
artikel 2 van de EZK-begroting onder de noemer «IPCEI CIS».
2
Van welke subsidieregelingen van beleidsartikelen 1,2 en 3 ligt (een deel van) de
besluitvorming en-of uitkering bij de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen?
Antwoord
De Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM's) voeren geen subsidieregelingen uit
voor EZK. Wel hebben de ROM’s ten tijde van Corona van de overheid een lening ontvangen
van € 300 miljoen om de Corona Overbruggingsleningen (COL) uit te voeren.
3
Wat is binnen EZK de definitie van middel- en kleinbedrijf (mkb) in termen van bedrijfsomzet,
fte of iets anders? Of verschilt de definitie per regeling?
Antwoord
Binnen EZK werken we voor de meeste instrumenten met een mkb-definitie die door de
Europese Commissie is vastgesteld. Het gaat dan om minder dan 250 personeelsleden,
minder dan € 50 miljoen omzet, of minder dan € 43 miljoen balanstotaal. Bij de publicaties
over ontwikkelingen bij het mkb wordt de CBS-definitie gehanteerd. Daar is sprake
van een mkb bij minder dan 250 werkzame personen.
4
Klopt het dat er afgelopen jaar nauwelijks contact is opgenomen met de 24 industriële
bedrijven met de grootste stikstof uitstoot (NOS Nieuws, 17 november 2023)? Kunt u
een actuele update geven van de voortgang met deze bedrijven? Om welke 24 bedrijven
gaat het?
Antwoord
Nee, dit klopt niet. Het Ministerie van EZK heeft met alle 19 bedrijven uit de basisindustrie
gesproken, maar sommige gesprekken over concrete emissiereductiemaatregelen zijn verder
gevorderd dan andere. Voor de energiecentrales en afvalverbrandingsinstallaties geldt
een andere aanpak. Een actuele update zal ik u binnenkort mede namens de Minister
voor Natuur en Stikstof en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat doen
toekomen aan de hand van de Kamervragen die de SGP op 17 november over hetzelfde onderwerp
stelde.
Het gaat om de bedrijven die genoemd staan in het RIVM-rapport «Bepalen drempelwaarde
piekbelastersaanpak» van 12 juni 2023. In dat rapport staat een overzicht van industriebedrijven
en energiecentrales die in 2019 en 2020 tot de 3.000 bedrijven behoorden, die op Natura2000-gebied
dat binnen 25 km van hen ligt, de meeste depositie veroorzaken. Dit zijn niet noodzakelijkerwijs
bedrijven met de grootste stikstofuitstoot. Het overzicht ziet er als volgt uit:
Tabel 2: bedrijven uit de sectoren Industrie en Energievoorziening op 3001-lijst1
Bedrijf
2019
2020
Provincie
Tata Steel IJmuiden BV
x
x
Noord-Holland
Rockwool B.V.
x
x
Limburg
Olam Cocoa BV
x
x
Noord-Holland
Parenco B.V.
x
x
Gelderland
Chemelot Site Permit BV
x
x
Limburg
DS Smith Paper De Hoop Mill
x
x
Gelderland
Cargill BV – Cargill Cocoa (Aurora)
x
x
Noord-Holland
Afval Energie Bedrijf (Amsterdam)
x
x
Noord-Holland
AVR Afvalverwerking BV (Duiven)
x
x
Gelderland
Suiker Unie (Dinteloord)
x
x
Noord-Brabant
HVC (Alkmaar)
x
x
Noord-Holland
Nuon Power Generation BV (Velsen)
x
x
Noord-Holland
Nuon Power Generation BV (Hemweg)
x
Noord-Holland
BP Rotterdam Refinery
x
x
Zuid-Holland
Saint Gobain Construction Products
x
x
Noord-Brabant
RWE Generation NL B.V.
x
Limburg
O-I Manufacturing Netherlands BV (Maastricht)
x
x
Limburg
Nuon Power IJmond 1
x
x
Noord-Holland
Ardagh Glass Dongen BV
x
x
Noord-Brabant
Nyrstar Budel BV
x
x
Noord-Brabant
Rodruza Steenfabriek de Zandberg
x
Gelderland
ARN B.V.
x
x
Gelderland
Sappi Maastricht BV
x
x
Limburg
Uniper Centrale Maasvlakte
x
Zuid-Holland
Mayr-Melnhof Eerbeek BV
x
x
Gelderland
O-I Manufacturing Netherlands BV (Leerdam)
x
Utrecht
Crown van Gelder N.V.
x
Noord-Holland
Wienerberger Steenfabriek Heteren
x
Gelderland
X Noot
1
X betekent dat dat bedrijf in dat jaar tot de top 3000 bedrijven hoorde met de grootste
stikstof depositievracht.
5
Aangezien u heeft aangegeven dat de CO2 uitstoot bij bedrijven voorrang krijgt en dat daar inmiddels intentieverklaringen
zijn afgesloten, kunt u aangeven wat de aanpak hier is? Met welke bedrijven wordt
gesproken? Wat zijn de tijdslijnen en mijlpalen die worden nagestreefd?
Antwoord
Via de Maatwerkaanpak voor de grootste CO2-uitstoters in de industrie worden afspraken gemaakt om meer of sneller CO2 te reduceren dan deze bedrijven op grond van de CO2-heffing al geacht worden te doen. De overheid zal zich in dat geval inspannen om
knelpunten en investeringsrisico’s voor de betreffende projecten weg te nemen. Daarbij
kan het zowel om financiële als om niet-financiële aspecten van deze verduurzamingsprojecten
gaan. Tot nu toe is met Tata, Dow, Nobian, OCI, Shell, Yara, Anqore, Zeeland Refineries,
LyondellBasell en BP een Expression of Principles (EoP) getekend waarin de ambities
en voorgenomen projecten zijn vastgelegd. Met Nobian is onlangs met de ondertekening
van een Joint Letter of Intent (JLoI) al de volgende stap gezet waarbij de verduurzamingsprojecten
gedetailleerd zijn uitwerkt. Ook de andere EoP’s worden uitgewerkt in JLoI’s om uiteindelijk
tot maatwerkafspraken te komen. Voor een nadere toelichting op de aanpak verwijs ik
naar de Kamerbrief met de laatste halfjaarlijkse rapportage over de maatwerkaanpak
(Kamerstuk 29 826 nr. 197).
6
Waarom worden de meeste uitgaven en verplichtingen van het Nationaal Groeifonds verantwoord
via beleidsartikel 1 en 2 en niet via beleidsartikel 6? Waarom is de begrotingsstaat
van het Nationaal Groeifonds zelf zo goed als leeg?
Antwoord
Het is van belang om onderscheid te maken tussen de twee rollen die het Ministerie
van Economische Zaken en Klimaat (EZK) heeft bij het Nationaal Groeifonds (NGF). EZK
is één van de departementen die middelen ontvangt vanuit het NGF; maar EZK is daarnaast
ook (mede) fondsbeheerder van het NGF. Via de beleidsartikelen 1 en 2 worden de projecten
verantwoord waarvoor EZK-middelen heeft ontvangen vanuit het NGF. Beleidsartikel 6
is het zogenaamde «voedingsartikel» voor het NGF. Elk begrotingsfonds moet een voedingsartikel
hebben op de begroting van het «moederdepartement». Voor het NGF is dat EZK. Artikel
6 heeft dus een fundamenteel andere functie dan artikelen 1 en 2.
Ten slotte is de begrotingsstaat van het NGF zo goed als leeg, omdat het NGF een fonds
is van waaruit begrotingsgeld wordt overgeheveld naar andere begrotingen zoals bv.
EZK, OCW. Daarnaast worden aan het einde van het jaar alle niet-benodigde middelen
afgeboekt en doorgeschoven naar latere jaren.
7
Kan een update worden gegeven van de tabel uit de beantwoording van vraag 36 uit Kamerstuk
36 435-XIII nr. 3 over Nationaal Groeifonds-toekenningen? Welk deel van de bedragen is subsidie, lening,
bankgarantie? Welk percentage van de bedragen komt ten goede aan onderwijsinstellingen,
TO2-instellingen, grootbedrijf, mkb?
Antwoord
Dit betreft de tabel die is toegevoegd aan de beantwoording van de vragen over de
nota van wijziging (Kamerstuk 36 200-L, nr. 6) van de EZK-begroting 2024. De tabel geeft op hoofdlijnen weer aan welke NGF-projecten
middelen voorwaardelijk zijn toegekend en / of voor welke projecten middelen zijn
gereserveerd; een nadere uitsplitsing is op dit moment niet beschikbaar. Er is niets
veranderd aan de status van de tabel sinds de beantwoording van de vragen over de
NvW op 3 oktober 2023:
8
Kunt u nader toelichten hoe en op welke begrotingen te volgen is dat niet uitgegeven
klimaatfondsmiddelen worden behouden voor 2024?
Antwoord
In het Meerjarenprogramma 2024 dat met Prinsjesdag, samen met de proeve van begroting
voor het Klimaatfonds, met uw Kamer is gedeeld zijn in hoofdstuk 3 de financiële spelregels
opgenomen voor middelen uit het Klimaatfonds. Daarin staat het proces ten aanzien
van de monitoring van onderuitputting als volgt beschreven: «De middelen die departementen ontvangen mogen alleen conform de besluitvorming en
gestelde voorwaarden ingezet worden voor de afgesproken maatregel waarover besluitvorming
heeft plaatsgevonden via het Meerjarenprogramma Klimaat. Om de middelen uit het Klimaatfonds
goed te kunnen monitoren, krijgen deze een specifiek label in de financiële systemen.
In het geval er fondsmiddelen zijn overgeboekt naar een departementale begroting en
deze middelen niet volledig in het lopende jaar maar het volgende jaar nodig blijken
te zijn (bijvoorbeeld vanwege vertraging in de uitvoering), dan mag deze onderuitputting
via de eindejaarsmarge op de beleidsbegroting meegenomen worden naar het volgende
jaar, mits de Europese begrotingsregels daar ruimte voor bieden. Hiervoor leveren
departementen met de Slotwet aan hoeveel onderuitputting er is en vragen zij met de
Eerste suppletoire begroting (Voorjaarsnota) aan om de onderuitputting mee te nemen
naar het volgende jaar. Het desbetreffende departement levert informatie aan over
de reden van onderuitputting en of/waarom de middelen nog nodig zijn in een volgend
jaar. De reden voor onderuitputting wordt opgenomen in het jaarverslag van het Klimaatfonds
en van de departementale begrotingen waar de middelen naar worden overgeheveld. Afhankelijk
van de onderbouwing wordt door het Ministerie van EZK in zijn rol als fondsbeheerder
en het Ministerie van Financiën beoordeeld of middelen inderdaad nog benodigd zijn
op de departementale begroting. Departementen blijven dus beschikken over overgehevelde
middelen, tenzij de fondsbeheerder en het Ministerie van Financiën tot de conclusie
komen dat de middelen niet meer doelmatig en doeltreffend ingezet kunnen worden. Als
uit de jaarlijkse onderuitputtingsanalyse blijkt dat de middelen naar oordeel van
fondsbeheer en het Ministerie van Financiën niet meer nodig zijn voor de oorspronkelijke
maatregel, vloeien deze terug naar het klimaatfondsperceel waar de middelen oorspronkelijk
uit gefinancierd zijn, waarna in het voorjaar opnieuw besloten kan worden hoe deze
middelen alternatief ingezet worden.»
Als in opeenvolgende jaren sprake is van onderuitputting kan het resterende bedrag
op de departementale begroting ook naar beneden worden bijgesteld. Dit is in lijn
met de memorie van toelichting: «Als zou blijken dat middelen niet volledig nodig
zijn om een maatregel ermee te financieren, zullen de overtollige middelen terugvloeien
naar de begroting van het Klimaatfonds. In het Jaarverslag van het fonds wordt een
totaaloverzicht van de uitgaven aan de diverse maatregelen opgenomen. De departementen
die middelen uit het fonds via hun begroting hebben besteed, verstrekken de daarvoor
benodigde informatie aan de fondsbeheerder.» De departementen BZK, EZK, FIN, IenW,
en LNV hebben voor 2023 Klimaatfondsmiddelen ontvangen. Van deze departementen verwachten
we dat ze gebruik maken van de 100% eindejaarsmarge om middelen naar volgend jaar
door te schuiven. Met Verantwoordingsdag 2024 wordt het eerste jaarverslag Klimaatfonds
gepubliceerd.
9
Betekent het eventueel schrappen van het Klimaatfonds ook het schrappen van het voor
klimaatbeleid gereserveerd budget? Zo nee, wat zijn dan wel de gevolgen van het schrappen
van het Klimaatfonds?
Antwoord
Op dit moment is het Klimaatfonds nog in oprichting. De instellingswet ligt momenteel
voor in de Eerste Kamer. Als de oprichting van het Klimaatfonds niet doorgaat, dan
heeft dit geen directe gevolgen voor de middelen; deze staan namelijk vooralsnog gereserveerd
op de Aanvullende Post van het Ministerie van Financiën, of zijn reeds overgeheveld
naar departementale begrotingen. Wel vervallen in dat geval de spelregels van de uitgaven,
zoals doelen en criteria, eisen op het gebied van het inwinnen van onafhankelijk advies,
monitoring en verantwoording.
10
Wat zijn de gevolgen voor het Nederlandse bedrijfsleven en voor de Nederlandse economie
als het Klimaatfonds wordt geschrapt, of erop wordt bezuinigd?
Antwoord
Naast normeringen en beprijzingen die nodig zijn om CO2 te reduceren, zorgt het Klimaatfonds met subsidies ervoor dat bedrijven en burgers
de transitie kunnen meemaken, kunnen verduurzamen en nieuwe verdienmodellen kunnen
creëren. In Nederland vragen we een aanzienlijk hogere bijdrage van de industrie en
het bedrijfsleven aan de klimaatdoelen dan in omringende landen. Nederland kent bijvoorbeeld
als één van de weinige EU-lidstaten een CO2-heffing voor de industrie bovenop het EU ETS en heeft een internationaal gezien hoge
energiebelasting. Ook is het Nederlandse vestigingsklimaat van veel factoren afhankelijk
en niet alleen van het Klimaatfonds. Om de nationale klimaatopgave in een internationaal
speelveld te realiseren, is een samenhangend beleidspakket ontwikkeld dat naast normering
en beprijzing ook inzet op subsidiering van de verduurzaming van het bedrijfsleven
via het Klimaatfonds, mede vanwege de risico’s op verplaatsing en weglek. Om de doelstelling
van 55% CO2-reductie in 2030 te halen, richt het kabinet het beleid op 60% reductie
om de doelstelling na te streven. Zonder het Klimaatfonds moeten subsidies uit andere
bronnen komen of zijn er meer normerende en beprijzende maatregelen nodig om 55% reductie
te waarborgen. Het is moeilijk een inschatting te geven wat de exacte gevolgen zijn
voor de Nederlandse economie als het Klimaatfonds wordt geschrapt, en daarmee deze
subsidies zouden wegvallen, maar de huidige opgave is in internationaal perspectief
ambitieus. Dit geeft het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) ook aan. Het wegvallen
van subsidies terwijl de ambitieuze doelen worden gehandhaafd zou het level playing
field nadelig beïnvloeden.
11
Indien het Klimaatfonds als begrotingsfonds wordt geschrapt, wat betekent dat voor
het inzicht van de Kamer in de uitgaven aan klimaatbeleid? En hoeveel langer duurt
het in dat geval om het beleid te maken?
Antwoord
De Kamer zal nog steeds inzicht worden geboden in de klimaatrelevante uitgaven via
het overzicht daarvan in de EZK-begroting en de Miljoenennota, maar de Kamer zal geen
integraal overzicht via het Meerjarenprogramma Klimaatfonds, de Klimaatfondsbegroting
en het Klimaatfondsjaarverslag meer ontvangen. Monitoring vindt dan voornamelijk decentraal
plaats via de departementale begrotingen en niet (ook) integraal via stukken over
het Klimaatfonds.
De mogelijkheid tot het voeren van regie door de Minister voor Klimaat en Energie
zal worden beperkt als het Klimaatfonds wordt geschrapt. Als fondsbeheerder heeft
de Minister voor Klimaat en Energie ook voorwaarden gesteld bij de overheveling van
middelen of gereserveerde middelen, bijvoorbeeld als het gaat om voldoende voortgang
op het gebied van bijbehorende normering en beprijzing. Dit is een stok achter de
deur en versnelt de voortgang daarop.
Daarnaast kan vertraging oplopen door onzekerheid over de beschikbaarheid van middelen.
Klimaatbeleid is continu in beweging waardoor op voorhand nog niet precies duidelijk
is hoeveel middelen overal precies voor nodig zijn. Door via het Klimaatfonds voor
bepaalde doelen middelen te reserveren is het mogelijk om investeringszekerheid te
bieden, zonder het risico van geld zoekt bestemming, omdat elk jaar integraal wordt
afgewogen hoeveel middelen nodig zijn gelet op recente ontwikkelingen en ervaring
met eerdere openstellingen.
12
Wat zijn de risico's voor het Nederlandse vestigingsklimaat indien het Klimaatfonds,
inclusief het budget (o.a. voor vroegefaseopschaling), worden geschrapt?
Antwoord
Zie het antwoord op vraag 10.
13
Hoe verloopt de governance van de verschillende EU cofinancieringen? Hoe wordt bepaald
welke instelling recht heeft op de steun? Hoe lopen de betaalstromen die voortkomen
uit deze financieringen?
Antwoord
Europese financieringsprogramma’s verschillen qua opzet en regels. Per programma is
dit vastgelegd in verordeningen, zoals het Digital Europe Programme (2021–2027). Daarin zijn ook bepalingen opgenomen over de maximale EU financiering en mogelijkheden
voor nationale cofinanciering. Specifiek voor het Digital Europe Programma geldt voor
de periode 2021–2027 dat de maximale nationale cofinanciering is vastgesteld op 50%
van de totale kosten van de betreffende projecten, de hoogte van dit percentage is
afhankelijk van de in de Europese oproep gestelde voorwaarden.
Organisaties die een beschikking ontvangen van de EU kunnen een aanvraag indienen
voor nationale cofinanciering indien oproepen zijn geprioriteerd door het ministerie.
Deze prioriteiten worden opgenomen in de «Regeling Nationale EZK- en LNV-subsidies»
en gepubliceerd op de website van de RVO zodat het vooraf duidelijk is voor deelnemers
aan Europese oproepen («calls») of deze projecten voor nationale cofinanciering in
aanmerking komen. Deze organisaties ontvangen cofinanciering op basis van de door
de Europese Commissie vastgestelde rangschikking tot het subsidieplafond zoals gesteld
in de regeling bereikt wordt.
De financiering die beschikbaar is gesteld door de EU verloopt rechtstreeks van de
Europese Commissie naar de organisaties. De nationale cofinanciering wordt door RVO
rechtstreeks aan de organisaties gecommitteerd en gefinancierd volgens in de beschikkingen
vastgestelde afspraken.
14
Is er een uitsplitsing van de toegekende PPS-middelen naar bedrijven of instellingen
te maken?
Antwoord
Ruim 95% van de PPS-middelen komt terecht bij kennisinstellingen. Deze gebruiken de
PPS-middelen om vraag-gestuurd samen te werken met bedrijven aan innovatieprojecten.
15
In het licht van het feit dat in de toelichting een tweetal redenen wordt gegeven
waarom de verplichtingen en uitgaven van het Nationaal Groeifonds lager uitvallen
dan oorspronkelijk begroot, namelijk minder aanvragen en vertraging in het toekenningsproces,
welke onderdelen van het proces kosten het meeste mankracht of doorlooptijd? Zijn
er plannen om het proces efficiënter te maken of de doorlooptijd te verkorten?
Antwoord
Binnen het NGF heeft er inmiddels over 52 projecten positieve besluitvorming plaatsgevonden.
Voor de meeste projecten op de EZK-begroting is de uitvoering hiervan belegd bij de
Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO). Voor de projecten die vertraging oplopen
in de uitvoering, zoals toegelicht in de Tweede suppletoire begroting, bestaan verschillende
redenen. Er is in die zin geen sprake van één proces dat kan worden doorgelicht. Dit
zorgt ervoor dat er ook niet één oplossing is om deze vertraging te verminderen of
te voorkomen. Met name de uitwerking en openstelling van nieuwe project-specifieke
subsidieregelingen kost in de praktijk soms meer tijd dan vooraf was voorzien. Binnen
het project Groenvermogen zal de ondersteuning van grootschalige demonstraties en
ketenprojecten via een zogenaamde «opschalingsregeling» bijvoorbeeld pas in 2024 tot
uitvoering komen. In sommige gevallen leidt een publicatie en openstelling van een
regeling op dit moment (2023), pas na de jaarwisseling (2024) tot beschikkingen (verplichtingen)
en uitgaven op door RVO in behandeling genomen aanvragen. Bij zowel EZK als RVO is
er continu aandacht voor procesoptimalisatie en mogelijke efficiencyverbetering.
16
Wat markeert precies het moment waarop een Nationaal Groeifonds subsidie als verplichting
wordt opgenomen?
Antwoord
Zoals bij elke subsidie wordt dit moment gemarkeerd door het afgeven van een subsidiebeschikking.
17
Op welke manier wordt er gestreefd om op de kortst mogelijke termijn groene leningen
tegen lage rente bij microfinanciers te beleggen?
Antwoord
Er is een motie aangenomen in juli waarin duurzaamheidsleningen met een lage rente
moeten gaan meelopen in de besluitvorming van het Klimaatfonds.
De middelen van het Klimaatfonds zijn voor 2025. Er is daarom een amendement ingediend
tijdens de EZK-begrotingsbehandeling om € 10 miljoen als voorschot te verstrekken
in 2024, zodat een microfinancieringsmaatschappij kan starten in derde kwartaal 2024
met duurzaamheidsleningen.
18
Hoeveel mkb’ers hebben gebruik gemaakt van de Energie Investeringsaftrek (EIA), uitgesplitst
in jaren?
Antwoord
In 2020 en 2021 werd door circa 17.500 mkb-bedrijven gebruik gemaakt van de EIA, ongeveer
90% van het totaal aantal aanvragen. In 2022 werd door circa 25.500 mkb-bedrijven
gebruik van de EIA gemaakt, dit betrof ongeveer 95% van het totaal aantal aanvragen.
Het aandeel mkb in de totale meldingsbedragen bedraagt in deze jaren circa 80%.
19
Hoeveel mkb‘ers hebben gebruik gemaakt van de Milieu Investeringsaftrek (MIA), uitgesplitst
in jaren?
Antwoord
De MIA valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
De fiscale regelingen MIA en Vamil zijn bedoeld om investeringen in duurzame innovatieve
bedrijfsmiddelen te stimuleren waarmee milieuwinst wordt behaald die boven de wettelijke
norm ligt. Beide regelingen zijn dit jaar geëvalueerd over de periode 2017–2021 en
daarbij doelmatig en doeltreffend bevonden. Het is lastig om aan te geven hoeveel
mkb-ers gebruik maken van de MIA en Vamil, aangezien deze regelingen zich niet specifiek
richten op stimulering van het mkb. Ook de evaluatie noemt geen aantallen mkb-ers
dat de afgelopen jaren van de MIA dan wel de Vamil gebruik heeft gemaakt. Wel monitort
RVO, belast met de uitvoering van deze regelingen, hoeveel van de binnengekomen meldingen
worden gedaan door ondernemingen met minder dan 250 werknemers. Hoewel hierbij geen
onderscheid wordt gemaakt tussen MIA en Vamil verwacht RVO niet dat hier tussen grote
verschillen zijn. In totaal zijn tussen 2017 en 2022 ruim 127 duizend meldingen gedaan
door deze groep, dit aantal schommelt per jaar tussen bijna 10 duizend en ruim 32
duizend meldingen. Het percentage mkb-ers volgens dit criterium schommelt per jaar
tussen de 83% en 96% met over de periode 2017–2022 een gemiddelde van 91%.
20
Hoeveel mkb’ers hebben gebruik gemaakt van de Vamil, uitgesplitst in jaren?
Antwoord
De Vamil valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Infrastructuur en
Waterstaat. De fiscale regelingen MIA en Vamil zijn bedoeld om investeringen in duurzame
innovatieve bedrijfsmiddelen te stimuleren waarmee milieuwinst wordt behaald die boven
de wettelijke norm ligt. Beide regelingen zijn dit jaar geëvalueerd over de periode
2017–2021 en daarbij doelmatig en doeltreffend bevonden. Het is lastig om aan te geven
hoeveel mkb-ers gebruik maken van de MIA en Vamil, aangezien deze regelingen zich
niet specifiek richten op stimulering van het mkb. Ook de evaluatie noemt geen aantallen
mkb-ers dat de afgelopen jaren van de MIA dan wel de Vamil gebruik heeft gemaakt.
Wel monitort RVO, belast met de uitvoering van deze regelingen, hoeveel van de binnengekomen
meldingen worden gedaan door ondernemingen met minder dan 250 werknemers. Hoewel hierbij
geen onderscheid wordt gemaakt tussen MIA en Vamil verwacht RVO niet dat hier tussen
grote verschillen zijn. In totaal zijn tussen 2017 en 2022 ruim 127 duizend meldingen
gedaan door deze groep, dit aantal schommelt per jaar tussen bijna 10 duizend en ruim
32 duizend meldingen. Het percentage mkb-ers volgens dit criterium schommelt per jaar
tussen de 83% en 96% met over de periode 2017–2022 een gemiddelde van 91%.
21
Hoeveel mkb’ers hebben gebruik gemaakt van de BMKB-groen en welk leenbedrag is hiermee
gemoeid?
Antwoord
Sinds de introductie van de BMKB-Groen hebben 8 mkb bedrijven gebruik gemaakt van
deze regeling. Het totaal geleende bedrag door mkb-bedrijven bedraagt € 12,1 miljoen,
het totale garantiebedrag bedraagt € 3,6 miljoen.
22
Kunt u ten aanzien van het toekomstfonds aangeven hoe de 490 miljoen aan uitgaven
die u verwacht is opgebouwd? Welk deel is op moment van schrijven daadwerkelijk uitgegeven
en welk deel verwacht u nog tot het eind van het jaar uit te geven? Hoe verdeelt dat
budget zich over de verschillende regelingen?
Antwoord
De uitgaven die onder het Toekomstfonds vallen, kunnen per regeling teruggevonden
worden in de budgettaire tabel van beleidsartikel 3 op pagina 20 van de Tweede suppletoire
begroting van EZK. Hierin wordt per soort instrument (subsidies, leningen, etc.) aangegeven
hoeveel is begroot voor de betreffende regelingen.
De realisatie op artikel 3 bedraagt op het moment 33% van het totaal. Naar verwachting
zal 51% van de € 490 miljoen nog dit jaar worden uitgegeven. De onderuitputting komt
voornamelijk door de nieuw toegevoegde middelen voor Economische Veiligheid en de
bijdrage aan het European Tech Champion Initiative bij de Prinsjesdag Suppletoire
begroting, die nog niet tot besteding zijn gekomen. Resterende middelen zullen via
de eindejaarsmarge van het Toekomstfonds bij de Voorjaarsnota in 2024 weer worden
opgevraagd.
23
Wat is de oorzaak van het feit dat voor kapitaalverstrekking aan de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen
minder is gerealiseerd dan geraamd, waardoor het kasbudget wordt verlaagd?
Antwoord
Met de Regionale Ontwikkelingsmaatschappijen (ROM’s) zijn er afspraken gemaakt over
het storten van kapitaal vanuit EZK (en andere partijen). De afgesproken stortingen
voor 2023 zijn gerealiseerd. Hiernaast zijn middelen uit voorgaande jaren via de eindejaarsmarge
van het Toekomstfonds doorgeschoven van 2022 naar 2023, waardoor het budget hoger
ligt dan de gerealiseerde uitgaven voor dit jaar. Onderdeel hiervan is nog een resterende
kapitaalstorting aan de ROM Utrecht, welke naar verwachting eind 2026 in plaats van
eind 2023 plaats zal vinden op basis van de liquiditeitsbehoefte van de ROM.
24
Wat is de laatste stand van zaken rondom de subsidiëring van biomassa?
Antwoord
In mijn brief van 22 april 2022 (Kamerstuk 32 813, nr. 1039) heb ik de beleidsinzet van het kabinet geschetst op de duurzame rol en hoogwaardige
toepassing van biogrondstoffen en de afbouw van laagwaardige toepassingen. Naar aanleiding
van meerdere moties die daarom vroegen heb ik in die brief bovendien een afbouwpad
aangekondigd voor de afgifte van nieuwe subsidies op lagetemperatuurwarmte uit houtige
biogrondstoffen. Met het oog op het duurzaamheidskader en de hoogwaardige rol die
biogrondstoffen op specifieke onderdelen van de grondstoffen- en energietransitie
kunnen spelen, vindt het kabinet het afbouwpad voor laagwaardige toepassingen de optimale
route om hoogwaardige inzet te stimuleren. Een verdergaande interpretatie, waarbij
ook hoogwaardige vormen van houtige biogrondstofinzet, zoals bijvoorbeeld zwaar transport
of hogetemperatuurwarmte, worden gestopt, vindt het kabinet niet wenselijk met het
oog op de Nederlandse verduurzamingsambities. Al eerder is besloten om in de SDE++
geen lage temperatuurwarmte voor houtige biomassa meer te subsidiëren. Sinds dit jaar
wordt in de SDE++ ook geen hoge temperatuurwarmte voor gebouwde omgeving en glastuinbouw
meer gesubsidieerd.
25
Hoeveel is er bij artikel 4, posten SDE, SDE+ en SDE++ voor respectievelijk zon-PV,
wind op land en biomassa uitgekeerd (kasuitgaven) in 2021 en 2022? Wat is de verwachting
voor 2023 (uitgaande van de voorlopige correctiebedragen)?
Antwoord
Kasuitgaven SDE/SDE+/SDE++ per categorie per jaar (euro x miljoen]1
2021
2022
20232
Zon-PV
464
231
– 56
Wind op Land
444
– 58
– 35
Biomassa3
458
260
– 27
X Noot
1
Dit betreft het saldo van uitgaande kasuitgaven en (eventuele) inkomende terugstortingen
in verband met negatieve bijstellingen van subsidies.
X Noot
2
Bron: Najaarsraming SDE/SDE+/SDE++ (RVO, augustus 2023)
X Noot
3
Inclusief Groengas, exclusief Bij-en-meestook
26
Hoe groot is de gemiddelde subsidie-uitkering voor respectievelijk zon-PV, wind op
land en biomassa per geproduceerde MWh, voor de SDE, SDE+ en SDE++ voor de drie genoemde
jaren?
Antwoord
In de onderstaande tabel wordt de uitkomst van een vuistregel-berekening gepresenteerd.
Het geeft een indicatie voor de gemiddelde subsidie-uitkering per geproduceerde MWh.
Voor deze berekening zijn de kasuitgaven in het betreffende jaar gedeeld door de (per
12-12-2023) geregistreerde producties.
Een aantal opmerkingen zijn van belang:
– De kasuitgaven (die ook gepresenteerd zijn in de tabel bij vraag 25) betreffen de
kasuitgaven in het betreffende jaar. Voor het jaar 2021 houdt dat in: de uitgaven
hebben betrekking op de voorschotten die zijn uitbetaald in 2021, en op betalingen
(of verrekeningen) aan bijstellingen in een voorgaand jaar.
– De producties hebben betrekking op de per 12-12-2023 geregistreerde subsidiabele producties
van het betreffende jaar. Voor het jaar 2023 houdt dat in dat de producties nog niet
volledig zijn.
– Omdat er in 2023 nagenoeg geen voorschotten zijn uitbetaald (door hoge voorlopige
correctiebedragen) maar er wel sprake is van negatieve bijstellingen over het voorgaande
jaar, resulteert dit in een negatief saldobedrag.
Indicatie van de gemiddelde subsidie-uitkering per geproduceerde MWh (Euro/MWh.]
2021
2022
2023
Zon-PV
82
28
– 7
Wind op Land
59
– 5
– 3
Biomassa1
51
31
– 5
X Noot
1
Inclusief Groengas, exclusief Bij-en-meestook
27
Hoeveel procent van de kasuitgaven voor de SDE-regelingen is in deze drie jaren naar
zon-PV, wind en biomassa uitgekeerd?
Antwoord
Aandeel kasuitgaven SDE/SDE+/SDE++ per categorie per jaar
2021
2022
2023
Zon-PV
20%
43%
47%
Wind op Land
19%
– 11%
29%
Biomassa1
20%
48%
22%
X Noot
1
Inclusief Groengas, exclusief Bij-en-meestook
28
Klopt het dat de categorieën zon-PV en wind feitelijk nagenoeg subsidievrij zijn geworden?
Antwoord
In 2023 was er sprake van hoge energieprijzen waardoor er nagenoeg geen projecten
zijn waarvoor voorschotten zijn uitbetaald. Dit gold ook voor de zon-pv en wind op
land projecten. Daarnaast geldt voor deze technologieën tevens dat de kosten ten opzichte
van 5–10 jaar geleden sterk zijn gedaald, wat ook eraan bijdraagt dat projecten geen
subsidie nodig hebben. Bij lagere energieprijzen zullen projecten in de toekomst mogelijk
wel weer recht op subsidie hebben en voorschotten ontvangen.
29
Klopt het dat Nederland via Europese wetgeving is gebonden aan een CO2-reductie van minimaal 52% in 2030? Zo ja, wat zijn de gevolgen voor Nederland als
niet aan deze verplichting wordt voldaan?
Antwoord
Er is geen doelstelling voor heel Nederland vanuit EU-wetgeving. De Nederlandse Klimaatwet
schrijft een CO2-reductie van 55% in 2030. Voor sectoren onder het Europese emissiehandelssysteem
(EU ETS), dat wil zeggen de grote industrie en elektriciteitssector, bestaan geen
nationale doelen maar enkel een doel op EU niveau, namelijk 62% in 2030 t.o.v. 2005.
Voor sectoren buiten het EU ETS, dat wil zeggen mobiliteit, gebouwde omgeving, landbouw,
en de kleine industrie, bestaan wel nationale doelen via de Effort Sharing Regulation
(ESR). De Nederlandse doelstelling onder de ESR is 48% in 2030 t.o.v. 2005 en een
cumulatief emissiebudget van 833 Mton in de jaren 2021–2030. Nederland is verplicht
zich aan de ESR doelstelling te houden. Mocht Nederland onvoldoende emissies reduceren
om dit ESR doel te realiseren (inclusief de inzet van flexibiliteitsmechanismen),
dan kan het Hof van Justitie van de EU, na een ingebrekestellingsprocedure, een boete
opleggen met een dwangsom voor de tijd dat Nederland in gebreke blijft.
30
Wat zijn de verwachte kosten in het jaar 2100 voor klimaatadaptatie en klimaatschade
in Nederland indien het niet lukt om de mondiale klimaatopwarming te beperken tot
maximaal 2 graden? En wat zijn de verwachte kosten voor zorg/volksgezondheid als de
opwarming boven de 2 graden uitkomt?
Antwoord
De informatie om deze vraag te beantwoorden is niet beschikbaar. Er is een Klimaatschadeschatter
wat een tool is die inschat hoeveel schade wateroverlast, hitte en droogte in Nederland
zullen veroorzaken in de periode 2018 tot 2050. De tool geeft een schatting voor verschillende
schades, zoals extra ziekenhuisopnames door hitte, schade aan panden door wateroverlast
en droogteschade in de landbouw. Deze klimaatschadeschatter geeft aan dat de klimaatschade
tot 2050 kan oplopen tot 173,6 miljard euro bij een sterk veranderd klimaat. De kosten
zullen na 2050 verder oplopen.
31
Hoeveel inkomsten voor Nederlandse bedrijven heeft het klimaatbeleid de afgelopen
jaren gegenereerd?
Antwoord
Het primaire doel van klimaatbeleid is niet het genereren van inkomsten voor het Nederlandse
bedrijfsleven op de korte termijn. Wel is het een noodzakelijke randvoorwaarde voor
het behoud van industrie in Nederland. Door middel van klimaatbeleid worden bedrijven
gestimuleerd en ondersteund in hun verduurzaming. Daarmee is klimaatbeleid een belangrijke
randvoorwaarde voor het behoud van (duurzame) bedrijven in Nederland. Klimaatbeleid
draagt dus bij aan het toekomstige verdienvermogen van Nederland.
We weten dat veel bedrijven bezig zijn met verduurzaming. Zo heeft het CBS onlangs
becijferd dat ruim 80% van de bedrijven afgelopen jaar maatregelen heeft genomen om
hun bedrijfsvoering duurzamer te maken.1 Hoewel er geen overkoepelend totaalbeeld is van de opbrengsten van klimaatbeleid
voor Nederlandse bedrijven, zijn er wel per sector verschillende economische analyses
beschikbaar. De Monitor Verduurzaming Industrie 20222 bevat statistische informatie over de verduurzaming in de industrie. Deze monitor
wordt twee keer per jaar geactualiseerd. Ook het rapport Economische betekenis sector
elektrisch vervoer Nederland 2020–20223 en de Economische bijdrage van windenergie op zee4 maken inzichtelijk op welke wijze bedrijven profiteren van het verduurzamingsbeleid.
32
Wat is het laagst mogelijke bedrag waarmee de 22 Mton uit het klimaatpakket van dit
voorjaar had kunnen worden gerealiseerd (kost nu 28 miljard, maar subsidies kunnen
worden vervangen door normering en beprijzing)?
Antwoord
Het kabinet heeft voor de balans van normering, beprijzing en subsidiering gekozen
zoals gepresenteerd in het voorjaar van 2023. Daar zijn ook andere keuzes mogelijk
en er is niet een absoluut minimum voor de mogelijk omvang van de subsidies te noemen.
De kosten van maatregelen nemen met minder subsidies niet af, maar komen dan direct
terecht bij burger, bedrijven en maatschappelijke organisaties. Hun lasten zouden
fors kunnen toenemen, terwijl het handelingsperspectief voor een deel van deze groepen
zonder subsidies afneemt. Zonder subsidies kan het betekenen dat bijvoorbeeld bedrijven
geen handelingsperspectief hebben om aan normering en beprijzing te voldoen en daardoor
bijvoorbeeld failliet gaan. Dit kan ertoe leiden dat bedrijven naar het buitenland
verplaatsen en daar de uitstoot voortzetten, waardoor het op Europees of mondiaal
niveau niet bijdraagt aan het behalen van de klimaatdoelen.
33
In hoeverre profiteert de Nederlandse maakindustrie van het klimaatbeleid en de middelen
die daarmee beschikbaar komen?
Antwoord
De Nederlandse maakindustrie is een zeer heterogene groep, die op verschillende manieren
gebruik kan maken van het EZK-instrumentarium. Het klimaatbeleid bestaat uit een breed
pakket van diverse instrumenten. Bedrijven in uiteenlopende sectoren kunnen profiteren
van de middelen die daarvoor beschikbaar zijn. De Nederlandse maakindustrie profiteert
voor wat betreft Energie-Innovatie specifiek op de volgende manieren:
– Ontwikkeling nieuwe toepassingen: De maakindustrie profiteert van verschillende energie-innovatieregelingen;
zoals tenders vanuit de Topsector Energie, de MOOI-regeling en de DEI+-regeling. Deze
regelingen zijn gedeeltelijk gericht op publiek-private samenwerking aan de ontwikkeling
van CO2-reducerende installaties. Bedrijven die investeren in de ontwikkeling van deze toepassingen,
doen dit met het oog op potentieel toekomstig verdienvermogen en productie.
– Verduurzaming bedrijfsvoering: Daarnaast maakt de maakindustrie gebruik van financiering
voor verduurzaming van de bedrijfsvoering en implementatie van duurzame technieken;
zoals via de SDE++, EIA, ISDE, MIA/Vamil, VEKI en MKB-groen regeling.
– Stimuleren opbouw maakindustrie: Verder is de maakindustrie nauw betrokken bij voorstellen
die raken aan het opbouwen en opschalen van maakindustrie in Nederland vanuit het
Nationaal Groeifonds; zoals Circulaire Zonnepanelen, Circular Batteries, Circular
PlasticNL en GroenvermogenNL. Daarnaast kijkt men vanuit de Net Zero Industry Act
(NZIA) naar versnelling (vergunningen) en stimuleringsmogelijkheden voor de maakindustrie.
De verruiming van de staatssteunkaders (TCTF en AGV) geven lidstaten meer ruimte om
de productie van schone technologieën te stimuleren. Op 19 juni jl. is in dit kader
een marktconsultatie afgerond voor een nieuwe subsidie ten behoeve van de maakindustrie
in waterstof: productielijnen en fabrieksomgevingen. Het kabinet onderzoekt de potentie
van deze route ook voor de opbouw van andere duurzame industrie te benutten.
– Indirect: profiteert de Nederlandse maakindustrie van het trickle-down effect van
klimaatbeleid. Door aangescherpte duurzaamheidsvereisten en opschaling van CO2-reducerende technieken neemt de vraag naar nieuwe duurzame productie toe.
34
Kunt u een overzicht aanleveren van alle klimaatfondsmiddelen op alle relevante begrotingen
die niet zijn uitgegeven en dus behouden worden voor 2024?
Antwoord
Op 29 september is een Kamerbrief (Kamerstuk 32 813, nr. 1295) gepubliceerd over de uitgaven Klimaatfonds. Pas met het opstellen van een jaarverslag
kan definitief inzicht worden gegeven in middelen die worden opgevraagd bij Voorjaarsnota
2024 en daarmee doorschuiven naar 2024. Met Verantwoordingsdag 2024 wordt het eerste
jaarverslag Klimaatfonds gepubliceerd om de Kamer een goed beeld te geven van de Klimaatfonds
uitgaven en realisatie van diens doelstellingen. In de Tweede suppletoire begroting
van EZK is € 264 miljoen onderuitputting afgeboekt op Klimaatfondsmiddelen. De uiteindelijke
realisatie wordt gepresenteerd in het jaarverslag. Welke middelen via de eindejaarsmarge
beschikbaar blijven voor 2024 en latere jaren, wordt in bij Voorjaarsnota 2024 bepaald.
35
Kunt u nader toelichten hoe en op welke begrotingen te volgen is dat niet uitgegeven
klimaatfondsmiddelen worden behouden voor 2024?
Antwoord
Zie antwoord vraag 8.
36
Kunt u aangeven wat de achterliggende reden is voor de verlaging van de uitgaven aan
gemeenten voor de uitvoeringskosten klimaat voor medeoverheden?
Antwoord
De onderuitputting wordt veroorzaakt doordat de afdracht aan het BTW compensatiefonds
nog niet heeft plaatsgevonden. Daarnaast heeft er loonbijstelling plaatsgevonden gedurende
het jaar die niet meegenomen kon worden bij de bepaling van bij de bedragen voor de
medeoverheden. De loonbijstelling zal wel worden meegenomen bij het bepalen van de
bedragen voor 2024.
37
Welke doelstellingen komen door de onderuitputting zoals gepresenteerd in deze begroting
in de knel?
Antwoord
Onderputting heeft niet per definitie onmiddellijke gevolgen voor het realiseren van
doelstellingen. De grootste knelpunten kunnen ondervangen worden doordat het mogelijk
is om via de eindejaarsmarge 1% van de begrotingsmiddelen te behouden en mee te nemen
naar het volgende jaar, voor bijvoorbeeld uitgaven die doorschuiven als gevolg van
vertraging. Voor bijvoorbeeld het Klimaatfonds en het toekomstfonds geldt een 100%
eindejaarsmarge, waardoor middelen behouden blijven voor latere jaren. Ook voor de
SDE geldt dat de uitgaven via de begrotingsreserve behouden blijven voor latere jaren.
38
Hoe hadden deze onderuitgaven eerder geconstateerd kunnen worden zodat onderuitputting
had kunnen worden voorkomen?
Antwoord
De uitgaven op de EZK-begroting worden gedurende het jaar gemonitord en op de gebruikelijke
begrotingsmomenten indien nodig bijgesteld, naar de inschatting die op dat moment
kan worden gegeven.
39
Hoeveel subsidie is er nodig om een kerncentrale rendabel te maken? Kan hier een grove
schatting van worden gedeeld?
Antwoord
Of het ontwikkelen, bouwen en exploiteren van een kerncentrale een rendabel project
is hangt af van verschillende variabelen, zoals de bouwtijd, bouwkosten, rentestanden
en toekomstige productie en elektriciteitsprijzen. Een kerncentrale is niet noodzakelijkwijs
onrendabel, maar kent hoge investeringskosten in de bouwfase en een lange periode
tussen investering en eerste inkomsten, wat de nodige financiële risico's met zich
meebrengt. Welke combinaties van overheidssteun op een efficiënte, doelmatige wijze
investeringen in kerncentrales tot stand brengen wordt nu onderzocht in een marktconsultatie
onder technologieleveranciers en financiële instellingen. Ook onderzoek ik samen met
het Ministerie van Financiën de mogelijke rol van de overheid. Ik zal uw Kamer in
het najaar van 2024 informeren over mogelijke overheidssteunpakketten en mogelijke
financieringsconstructies voor kerncentrales, inclusief een inschatting van de kosten
en baten.
40
Wat is de stand van zaken rondom de Subsidieregeling Coöperatieve Energieopwekking
(SCE)? Is er sprake van onderuitputting of wordt de SCE overtekend?
Antwoord
De openstelling van de SCE in 2023 heeft plaatsgevonden van 9 januari tot 1 november.
Het totaal beschikbare budget was € 150 miljoen in 2023. Er is voor circa € 74 miljoen
aan subsidie aangevraagd. RVO beoordeelt momenteel deze aanvragen. Er zijn aanzienlijk
meer aanvragen voor de SCE in 2023 gedaan dan in 2022, ondanks dat het budget niet
volledig is uitgeput. Ik zal uw Kamer informeren over de resultaten van de SCE 2023
ronde in de Kamerbrief over de openstelling van de SCE 2024 in Q1 2024.
41
Kunt u reflecteren op de moeite die het de afgelopen jaren kost om de begrote uitgaven
met betrekking tot het toekomstfonds en het Nationaal Groeifonds ook daadwerkelijk
te realiseren? Kunt u daarbij aangeven waarom u deze bijstellingen nog niet op het
netvlies had bij de Prinsjesdag Suppletoire?
Antwoord
Voor het Toekomstfonds fluctueren de uitgaven per jaar aanzienlijk. Een van de redenen
is de financieringswijze van projecten zoals Seed Capital en het Innovatiekrediet,
waarbij de middelen pas worden toegekend nadat geijkte mijlpalen behaald zijn. Deze
behaalde milestones verschillen per regeling en kunnen bijvoorbeeld in het geval van
de Seed Capital gedurende een lange looptijd worden opgevraagd, waardoor het lastig
is om de uitgaven ramen.
De fondsen Deep Tech Fund, Dutch Future Fund, en Fonds Alternatieve Credit worden
uitgeput op basis van capital calls van Invest-NL. Zij zijn op hun beurt afhankelijk
van externe fondsen die verzoeken indienen.
Voor de middelen uit het Nationaal Groeifonds die voor verscheidene projecten beschikbaar
zijn op artikel 2 van EZK zijn verschillende redenen waarom vertraging op is gelopen.
Met name de uitwerking en openstelling van nieuwe project-specifieke subsidieregelingen
kost in de praktijk soms meer tijd dan was voorzien.
De uitgaven op de EZK-begroting worden gedurende het jaar gemonitord en op de gebruikelijke
begrotingsmomenten indien nodig bijgesteld. Ten tijde van de suppletoire begroting
op Prinsjesdag zijn uitgaven bijgesteld naar de inschatting die destijds gegeven kon
worden.
42
Wanneer verwacht u effect van het beschikbaar stellen van de Nationaal Groeifonds-funding
terug te zien in het R&D percentage van het bruto nationaal product (bnp)? Is er een
inschatting gemaakt van de impact?
Antwoord
Het kabinet heeft als ambitie om de uitgaven voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie
te laten stijgen naar 3% van het bbp. Dat is nu 2,26%.
Het Nationaal Groeifonds (NGF) draagt bij aan deze ambitie. De NGF-middelen zijn bestemd
voor grote, meerjarige programma’s die gefaseerd via de departementale- of subsidieroute
worden uitgevoerd. Door de publiek-private opzet van het Nationaal Groeifonds is minstens
dezelfde hoeveelheid cofinanciering uitgelokt. Deze middelen zijn daarom niet direct
zichtbaar in het R&D-percentage.
Het Rathenau Instituut becijferde evenwel dat de publieke R&D-uitgaven in 2024 € 3,1
miljard hoger liggen dan in 2021 (+31%; een stijging van gemiddeld 7,4% per jaar).
Deze stijging is grotendeels te verklaren door middelen uit het NGF en de stijging
in de financiering van universiteiten door het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap. Ook becijferde het Rathenau Instituut dat de begrote R&D en innovatie-uitgaven
van de rijksoverheid om diezelfde reden flink toenemen in de periode 2021–2025, tot
0,1% extra van het bbp.
43
Klopt het dat het percentage personeelskosten voor externe inhuur voor EZK ver boven
de Roemer-norm van 10% van het totaal aan personeelskosten zou uitkomen, zoals verschillende
media op Prinsjesdag hebben gemeld (29 miljoen < 10% van 448 miljoen)? Wat is het
juiste percentage voor EZK als geheel uit deze najaarsnota?
Antwoord
Het klopt dat het percentage externe inhuur voor EZK en zijn uitvoeringsorganisaties
boven de Roemer-norm van 10% uitkomt. Het percentage externe inhuur voor geheel EZK
bedraagt tot en met het derde kwartaal van 2023 circa 31%. De overschrijding van de
norm heeft met name te maken met de inhuurpercentages bij de Nationaal Coördinator
Groningen (NCG), Dienst ICT Uitvoering (DICTU) en de Rijksdienst voor Ondernemend
Nederland (RVO). Krapte op de arbeidsmarkt – zeker in specifieke sectoren zoals ICT
– zijn een belangrijke verklaring voor de hoge uitgaven aan externe inhuur. Daarnaast
geldt dat er specifieke deskundigheid nodig is voor onder andere de versterkingsoperatie
in Groningen. Hierbij tevens de kanttekening dat de uitvoeringsorganisaties RVO en
DICTU voor grote delen van de rijksoverheid opdrachten uitvoeren en deze uitgaven
dus niet uitsluitend verband houden met EZK-beleid.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
C. Stoffer, voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken en Klimaat -
Mede ondertekenaar
I. van Tilburg, adjunct-griffier