Memorie van toelichting (initiatiefvoorstel) : Memorie van toelichting
36 473 Voorstel van wet van de leden Rudmer Heerema en Van Nispen houdende regels voor een nationaal vastgesteld zwemdiploma en een nationaal vastgesteld zweminstructeursdiploma (Wet zwemvaardigheid)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Inleiding en aanleiding
In Nederland beschikt vrijwel iedereen over een zwemdiploma. Dit toont aan dat wij
het in het waterrijke Nederland belangrijk vinden, en er waarde aan hechten, dat wij
en onze kinderen goed en veilig kunnen zwemmen. Het is van belang dat kinderen op
jonge leeftijd water- en zwemveilig zijn voor als ze in het water zouden vallen en
daarnaast ook plezier kunnen beleven in het water van een recreatieplas of een zwembad.
Echter staat het niet vast dat wanneer een kind een zwemdiploma heeft behaald het
zich ook goed kan redden in het water. Naast dat het niet wettelijk verplicht is om
een zwemdiploma te behalen, zijn er ook geen kwaliteitseisen verbonden aan de aanbieders
van zwemlessen: iedereen mag en kan een zwemdiploma uitgeven. Dit wetsvoorstel beoogt
de kwaliteit van het zwemonderwijs en de zwemonderwijzers vast te leggen zodat ieder
kind, ongeacht waar in Nederland en bij welke zwemschool een vastgesteld zwemdiploma
is behaald, tenminste zwemveilig is.
1.1 Aanleiding
In Nederland is het iedereen toegestaan om zwemlessen aan te bieden en een zwemdiploma
uit te geven met zelf vastgestelde eisen. Het is dus niet alleen een vrij beroep,
ook het zwemdiploma zelf kan met eigen zwemvaardigheidseisen ontworpen worden. Er
bestaat hier geen wettelijk verankering voor. In 1984 heeft de overheid deze verantwoordelijkheid
overgedragen aan de Stichting Nationale Raad Zwemveiligheid (NRZ). Zij toetsen aanbieders
van zwemonderwijs op kwaliteit en geven een Licentie Nationale Zwemdiploma’s uit.
Alleen aanbieders die over deze licentie beschikken mogen het nationale zwemdiploma
(zoals het Zwem-ABC) uitgeven. Momenteel beschikken 643 zwemaanbieders over deze licentie;
zij zijn te vinden op de website van de NRZ. Echter is 32 procent van de ouders niet
op de hoogte van het bestaan van de Licentie Nationale Zwemdiploma’s, blijkt uit onderzoek
van het Nationaal Plan Zwemveiligheid 2021–2024 dat door de NRZ wordt getrokken.1 Ook heeft onderzoek uitgevoerd door Radar uitgewezen dat 84 procent van de ouders
niet weet dat niet alle zwemonderwijzers in Nederland beschikken over een diploma2 waarmee zwemonderwijs gegeven mag worden. Daarnaast weet 70 procent van de ouders
niet dat een zwemaanbieder niet hoeft te voldoen aan een kwaliteitskeurmerk.3 Een zwemdiploma is dus niet altijd een garantie dat een kind beschikt over goede
zwemvaardigheden. Een kwart van de door Radar ondervraagde ouders vindt ook dat hun
kind niet goed genoeg heeft leren zwemmen.4 Jaarlijks verdrinken ongeveer acht kinderen door ernstig zuurstoftekort onder water
en belanden ongeveer tachtig kinderen op de intensive care vanwege een verdrinking
of bijna-verdrinking.5 Meestal verlaten deze kinderen het ziekenhuis niet zonder (blijvende) schade. Het
aantal kinderen dat jaarlijks verdronk met een dodelijke afloop daalde de afgelopen
jaren, maar deze trend is de laatste jaren niet doorgezet, terwijl verdrinking in
de meeste gevallen te voorkomen is. Ieder kind dat verdrinkt of bijna-verdrinkt is
er één te veel. Het aantal volwassenen dat jaarlijks verdrinkt ligt hoger: cijfers
van het CBS tonen aan dat er 250 tot 300 mensen per jaar verdrinken in Nederland.6 Ongeveer 38% van deze verdrinkingen zijn accidenteel.
Mensen met een slechte zwemvaardigheid lopen meer risico op verdrinking. In Nederland
is het percentage kinderen dat in het bezit is van een zwemdiploma erg hoog, echter,
het is dan wel van belang dat de vaardigheden die het kind aangeleerd worden ervoor
zorgen dat het zich kan redden in het water, met name in noodsituaties. Het is van
belang dat kinderen goed leren zwemmen, zeker in een waterrijk land als Nederland.
Daarnaast moeten ouders erop kunnen vertrouwen dat de zwemlessen die hun kinderen
volgen van goede kwaliteit zijn en veilig zijn. Wanneer kinderen een vastgesteld zwemdiploma
hebben behaald moeten ouders ervan op aan kunnen dat hun kind zwemveilig is en voldoet
aan de eisen die gesteld zijn aan het desbetreffende diploma. Op dit moment is dat
niet altijd het geval.
1.2 Cijfers en feiten
De momenteel behaalde zwemdiploma’s geven aan op welk niveau de zwemvaardigheid van
een kind zich bevindt. Wanneer een kind zwemdiploma’s A, B en C bezit voldoet het
aan de Nationale Norm Zwemveiligheid. Na het behalen van het C-diploma kan een kind
veilig zwemmen in een zwembad met attracties en in buitenwater zonder stroming of
golfslag. Volgens de NRZ moet een deelnemer tijdens het afzwemmen voor het A, B en
C-diploma aan de volgende eisen voldoen:7
• Met kleren aan, na een onverwachte val in water, boven water oriënteren met watertrappelen,
een basis- of langere afstand zwemmen met ten minste één van de vier zwemslagen en
zelfstandig uit het water komen;
• Op verscheidene wijzen (bijvoorbeeld met kleren aan, duiken, etc.) water betreden,
onder water oriënteren en door, bijvoorbeeld, een gat zwemmen;
• Het hebben van een basis-, goede, of zeer goede conditie om met één van de vier zwemslagen
een basis-, langere, of afstand af te leggen;
• De vier zwemslagen technisch voldoende kunnen uitvoeren over een basis- of langere
afstand;
• Drijven op zowel rug als buik;
• Vertrouwd voelen in het water;
• Watertrappelen met armen en benen, draaien en oriënteren;
• Naar de bodem van het water kunnen zakken;
• Naar een drijvend voorwerp toe zwemmen en hierop drijven om uit te rusten en op de
rug drijven om uit te rusten.
Ieder jaar behalen ongeveer 280.000 kinderen een zwemdiploma. In 2020 was 9 procent
van de 6 tot 16-jarigen niet in het bezit van een zwemdiploma. Verder voldoet 32 procent
aan de Nationale Norm Zwemveiligheid. Tussen 2018 en 2020 is het aandeel kinderen
zonder zwemdiploma toegenomen van 6 procent naar 9 procent en is het aandeel kinderen
dat zwemveilig is ook afgenomen van 36 procent naar 32 procent.8 De positieve trend in zwemdiplomabezit tussen 2012 en 2018 is daarmee doorbroken.
Echter is de verwachting dat deze ontwikkeling te maken heeft met de coronapandemie,
waardoor veel zwembaden gesloten waren voor lange periodes9 en kinderen stil stonden in hun zwemlesontwikkeling.
1.3 Scope
De voornaamste prioriteit van dit wetsvoorstel is de zwemveiligheid van kinderen en
het bieden van zekerheid over de zwemvaardigheid voor zowel ouder als kind, indien
zij beschikken over een vastgesteld zwemdiploma. Dit wetsvoorstel is gericht op de
aanbieders van zwemonderwijs en zwemleraren.
Dit wetsvoorstel zal geen eisen stellen aan de manier waarop zwemscholen zwemonderwijs
geven, noch aan de lengte of breedte van zwembaden waarin zwemles gegeven zal worden.
Echter zal het zwembad waarin het diplomazwemmen plaatsvindt voor een vastgesteld
diploma wel aan lengte eisen moeten voldoen om aan te tonen dat de leerling in staat
is om langere afstanden onafgebroken te kunnen zwemmen. Verder zal vrijheid van zwemonderwijs
ook hier worden gewaarborgd. De manier waarop zwemles gegeven wordt mag, onder leiding
van een gediplomeerd zweminstructeur, zelf ingevuld worden. Ook verbiedt dit wetsvoorstel
niet het zwemmen zonder nationaal zwemdiploma.
2. Voorgeschiedenis
In 1890 werd er voor het eerst gesproken over de zwemdiploma’s «Geoefend Zwemmer»
en «Zwemmeester» door de Nationale Zwembond (later de Koninklijke Nederlandse Zwembond,
KNZB). Deze werden een aantal jaren later daadwerkelijk uitgegeven. De Nationale Zwembond
was destijds de enige organisatie die landelijke zwemdiploma’s uitgaf. In 1937 werd
voor het eerst een «uniform Nederlands Zwemdiploma» uitgebracht gevolgd door vier
Zwemvaardigheidsdiploma’s voor schoolzwemmen.10 Tijdens de oorlog in 1942 werden alle KNZB-diploma’s ondergebracht bij de overheid
door de Duitse bezetter. Hierbij werd onderscheid gemaakt tussen scholieren en niet-scholieren:
wie via schoolzwemmen een zwemdiploma behaalde kreeg een diploma van het Ministerie
van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en niet-scholieren kregen een KNZB-diploma. Deze
scheiding was aanwezig tot 1984. Na de oorlog werd de KNZB verantwoordelijk geacht
voor het toezicht op en het uitvoeren van het diplomazwemmen voor niet-scholieren.
Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap bleef verantwoordelijk voor het
schoolzwemmen.
Vanaf 1984 kwamen alle zwemdiploma’s die destijds in omloop waren te vervallen.
2.1 Nationale Raad Zwemveiligheid
In 1984 deelde de Nederlandse overheid de wens om één centraal uitgegeven Nationaal
Zwemdiploma vast te stellen. Vervolgens werd de stichting Nationale Raad Zwemdiploma’s
opgericht, die controleert of het diplomazwemmen voldoet aan de vastgestelde eisen.
Een aantal jaren later vervangt het landelijk erkende Zwem-ABC de verouderde A- en
B-diploma’s. Tegelijkertijd worden voor het eerst exameneisen landelijk vastgelegd
in de Bepalingen, Richtlijnen en Examenprogramma’s Zwem-ABC (BREZ). In 2014 wordt
de Licentie Zwem-ABC geïntroduceerd, die kwaliteitseisen stelt aan de aanbieders van
zwemonderwijs. Alle zwemlesaanbieders die het Nationale Zwemdiploma willen uitgeven,
moeten voldoen aan de kwaliteitseisen van deze licentie. Voor een zwemlesaanbieder
een licentie ontvangt, wordt er onder andere gecontroleerd of een aanbieder voldoet
aan wet- en regelgeving, of de zwemonderwijzer beschikt over de juiste kwalificaties,
of de zwemonderwijzer is gescreend en in het bezit is van een Verklaring Omtrent het
Gedrag (VOG), of de zwemlesaanbieder zich houdt aan de Gedragscode Zwembranche, of
er een zwemlesplan is en of de ouders van het zwemmende kind worden geïnformeerd over
de vorderingen van het kind tijdens de zwemles. De licentiehouder wordt vervolgens
intern en extern getoetst op vier punten:
1. Een auditor van de NRZ toetst jaarlijks of de licentiehouder voldoet aan de eerdergenoemde
criteria.
2. De examinator van de licentiehouder controleert intern of de kwaliteit van het zwemonderwijs
wordt gewaarborgd bij het diplomazwemmen.
3. Een externe kwaliteitscontrole wordt uitgevoerd door een gedelegeerde van de NRZ en
zal steekproefsgewijs aanwezig zijn bij het diplomazwemmen.
4. Gedurende het jaar worden door de NRZ steekproeven gehouden bij licentiehouders. 11
Licentiehouders worden zowel tijdens het diplomazwemmen, als ook tijdens het geven
van de zwemlessen, gecontroleerd op kwaliteit. Voldoen zij gedurende het jaar aan
de kwaliteitseisen uit het Handboek Licentie Nationale Zwemdiploma’s, dan wordt de
licentie door de NRZ vernieuwd voor het daaropvolgende jaar.
De eisen voor het Zwem-ABC zijn gericht op ontwikkeling van de vaardigheden die nodig
zijn bij het zwemmen in buitenwater, zwembaden en subtropische zwemparadijzen. Daarnaast
wordt er geleerd hoe gereageerd moet worden wanneer iemand onverwachts te water raakt.
De eisen voor het behalen van het zwemdiploma worden op de achterzijde van het diploma
gedrukt ter referentie.
2.2 Commerciële zwemscholen
Naast het zwemonderwijs dat zich heeft aangesloten bij de NRZ zijn er in Nederland
ook andere aanbieders van zwemonderwijs die zich niet bij de NRZ hebben aangesloten.
Iedere zwemschool hanteert een eigen lesplan en stelt eigen eisen aan het zwemdiploma.
Een aantal van hen zijn aangesloten bij The International Federation of Swimming Teachers»
Associations (IFSTA), een organisatie die in 1976 is opgericht om een internationale
samenwerking aan te gaan om wereldwijde zwemveiligheid te verbeteren.12 De IFSTA voert geen kwaliteitscontrole uit die vergelijkbaar is met de controle op
licentiehouders van de NRZ.
Het onderzoek van Radar13 heeft aangetoond dat een deel van de ouders zich zorgen maakt over de kwaliteit van
het zwemdiploma dat hun kinderen hebben behaald en dat dit in enkele gevallen tot
gevaarlijke situaties heeft geleid. Zwemscholen die niet bij de NRZ aangesloten zijn
worden veelal niet door een externe partij gecontroleerd op kwaliteit; commerciële
partijen handhaven zichzelf. Dit betekent niet dat zwemscholen die niet bij de NRZ
zijn aangesloten minder goed zwemonderwijs geven. Het onderzoek van Radar heeft niet
aangetoond welke zwemscholen niet naar behoren presteren.
2.3 Voortzetting van de parlementaire discussie
Op 2 december 2021 heeft de Tweede Kamer met 143 stemmen de motie Van Nispen en Rudmer
Heerema aangenomen, waarin de regering wordt verzocht om in gesprek te gaan met de
zwembranche over de mogelijkheden om tot één nationaal zwemdiploma te komen.14 Ook heeft het lid Van Nispen op 14 maart 2022 schriftelijke vragen gesteld aan de
Minister voor Langdurige Zorg en Sport over het ontbreken van een nationaal zwemdiploma,
naar aanleiding van de uitzending van Radar.15
Op 3 maart 2022 heeft de Minister de zwembranche verzocht om een branche-consultatie16 te organiseren met als doel te onderzoeken hoe de kwaliteit van zwemles en zwemdiploma’s
kan worden geborgd in Nederland. Deze consultatie is vervolgens door de NRZ georganiseerd.
De discussie van de consultatiebijeenkomst werd gevoerd aan de hand van zes stellingen
die in groepen van vier werden besproken. De volgende partijen waren aanwezig bij
de consultatiebijeenkomst:
– De Koninklijke Nederlandse Zwembond (KNZB);
– SRO NV;
– Optisport;
– Sportfondsen Nederland;
– Nederlandse Stichting voor Water- & Zwemveiligheid (NSWZ);
– Easyswim;
– Nederlandse Onderwatersport Bond (NOB);
– LACO Sportbedrijf;
– Eerste Nederlandse Verenging voor Zwembadmedewerkers (ENVOZ);
– Vereniging Werkgevers in Zwembaden en Zwemscholen (WiZZ);
– Sportbedrijf Rotterdam;
– ZwemOnderwijs Nederland (ZON);
– FNV Sport en Bewegen;
– Yask.
Drie zwemlesaanbieders leverden schriftelijk een inbreng:
– Nederlandse Culturele Sportbond (NCS);
– Vereniging Sport en Gemeenten (VSG);
– Stichting «Het Nieuwe Zwemmen».
Geen van de aanwezigen heeft aangegeven tegen uniforme, centraal vastgestelde kwaliteitseisen
aan het zwemdiploma te zijn. Daarnaast waren veertien van de aanwezigen niet tegen
het wettelijk verankeren van deze kwaliteitseisen. De partijen die wel tegen de wettelijke
verankering zijn gaven aan zich onder andere zorgen te maken over beperkingen voor
de branche veroorzaakt door de wetgeving. De partijen die voor wettelijke verankering
zijn deelden dat zij dit onder andere wenselijk vonden om het mogelijk te maken de
kwaliteit van het zwemdiploma te handhaven en dichter bij het doel van volledig zwemveilige
kinderen in Nederland te komen. Echter werd wel de wens gedeeld dat de initiatiefwet
niet te veel regels en eisen zou moeten opleggen aan de zwembranche; overregulering
zou voorkomen moeten worden.
Naast de brancheconsultatie hebben de initiatiefnemers ook gesprekken gevoerd met
verschillende stakeholders uit de zwembranche om te inventariseren wat de wensen zijn
met betrekking tot nieuwe wetgeving omtrent het nationale zwemdiploma. Dit waren zowel
commerciële zwemscholen en particulieren, als de NRZ. De overgrote meerderheid was
voorstander van nationale wetgeving met betrekking tot een zwemdiploma, mits de wetgeving
niet te veel beperkingen en verplichtingen zou opleggen. Een enkeling was kritisch.
Argumenten die werden genoemd tegen nationale wetgeving waren, onder andere: het niet
willen uitgeven van eenzelfde diploma als alle andere zwemdiploma aanbieders, de wens
om het aan de branche over te laten, de zorg dat de kosten zullen stijgen en zorgen
over het ontstaan van een complex systeem.17 De initiatiefnemers menen echter dat deze zorgen niet aan de orde zullen zijn. Het
huidige systeem zal waar mogelijk gelijk blijven. Lesplannen en methodes, evenals
het ontwerp en logo van het zwemdiploma kunnen onveranderd blijven. Er zal echter
worden toegezien op het voldoen aan de nog vast te stellen vereisten van het zwemdiploma.
Deze vereisten zullen gelden voor iedere zwemdiploma aanbieder. Ook vinden de initiatiefnemers
dat het zwemonderwijs in de huidige vorm niet overgelaten kan worden aan de branche.
Sinds het afschaffen van het schoolzwemmen is het zwemonderwijs aan de branche overgelaten,
waarna er zonder regulering (grote) kwaliteitsverschillen zijn ontstaan tussen zwemlesaanbieders.
3. Noodzaak wetsvoorstel
Na de afschaffing van het verplichte schoolzwemmen kreeg de NRZ de opdracht om een
nationaal zwemdiploma in te richten. Echter, het is niet wettelijk verplicht voor
zwemscholen om zich hierbij aan te sluiten. Daarnaast bestaan er geen wettelijke kwaliteitseisen
die waarborgen dat ieder kind zwemveilig is na het behalen van het zwemdiploma. Er
zijn verschillende commerciële partijen die zwemles aanbieden waarvan de kwaliteit
van het zwemonderwijs niet altijd zeker is. Bijvoorbeeld: uit de praktijk is een aantal
voorbeelden naar voren gekomen waarbij kinderen het zwemdiploma hebben behaald vanwege
het sluiten van de zwemschool, in plaats van wanneer zij vaardig genoeg waren. Dit
soort incidenten zouden niet moeten voorvallen en kunnen tot (zeer) onveilige situaties
leiden. Na het onderzoek van Radar18 werd duidelijk dat 31 procent van de ouders die een kind op zwemles heeft gehad zorgen
had over de kwaliteit van de zweminstructeur. Daarnaast vindt een kwart van de ouders
dat het kind onvoldoende zwemvaardig is geworden, ondanks het behalen van het zwemdiploma.19 Dit initiatiefwetsvoorstel beoogt te garanderen dat ieder kind voldoet aan de eisen
die gekoppeld zijn aan het behaalde diploma. Dit biedt ouders de zekerheid dat het
kind daadwerkelijk zwemveilig is na het behalen van een vastgesteld zwemdiploma. Daarnaast
neemt het aantal kinderen met een zwemdiploma af.20 Dit wetsvoorstel draagt bij aan de bekendheid van het zwemdiploma.
Na het opheffen van het schoolzwemmen werd er voor gekozen de zwembranche de vrijheid
te geven om zelf de kwaliteit van het zwemonderwijs te reguleren. Echter heeft de
praktijk uitgewezen dat deze werkwijze onvoldoende zekerheid biedt dat afzwemmende
kinderen voldoende zwemveilig zijn geworden dankzij de zwemlessen. Door middel van
dit initiatiefwetsvoorstel zullen alle zwemscholen die vastgestelde zwemdiploma’s
afgeven aan kwaliteitseisen moeten voldoen en zal dit steekproefsgewijs worden gemonitord.
Van overheidswege zal hierop toezicht worden gehouden door het in te stellen Instituut
Zwemvaardigheid zodat er gebruik kan worden gemaakt van het bestaande systeem van
de NRZ, waarbij een groot aantal zwemscholen reeds zijn aangesloten. De NRZ zal gedeeltelijk
worden omgevormd tot Zelfstandig Bestuursorgaan (ZBO). In paragraaf 5.2.2. zal worden
ingegaan op de noodzaak van het instellen van een ZBO. Daarnaast zal het wetsvoorstel
vaststellen aan welke landelijke eisen kinderen minimaal zouden moeten voldoen om
als zwemveilig te worden beoordeeld, waardoor ieder kind dat afzwemt voor een vastgesteld
zwemdiploma aan de hand van dezelfde eisen zal worden getoetst. Dit zal de zekerheid
en duidelijkheid bieden die in het huidige systeem ontbreekt. Momenteel zijn er geen
universele kwaliteitseisen aan zowel de zwemschool als de zweminstructeur verbonden,
met alle gevolgen van dien. Dit achten de initiatiefnemers bijzonder onwenselijk.
4. Hoofdlijnen wetsvoorstel
Om te waarborgen dat ieder kind zwemonderwijs kan genieten van goede kwaliteit en
daarnaast zwemveilig na het behalen van een vastgesteld zwemdiploma is het van belang
dat er minimumkwaliteitseisen worden gesteld aan de volgende drie aspecten:
1. Het zwemdiploma;
2. De zweminstructeur;
3. Toezicht tijdens de examens voor het zwemdiploma en de opleiding(en) van de zweminstructeur.
Deze wetgeving met eisen aan het nationaal vastgestelde zwemdiploma zal ruimte overlaten
voor zelfregulering door het veld, waarop toezicht wordt gehouden door het Instituut
Zwemvaardigheid. Daarnaast zal de Minister voor Langdurige Zorg en Sport zweminstructeur-diploma’s
vaststellen waardoor de kwaliteit van deze opleiding zal worden aangetoond.
4.1 Kwaliteitseisen aan het nationaal zwemdiploma
Dit wetsvoorstel pleit voor het vaststellen van een nationaal vastgestelde zwemdiploma’s.
Er mogen verschillende zwemdiploma’s worden aangeboden, echter moeten deze aan de
door dit wetsvoorstel voorstelde eisen voldoen. De afzwemmende personen moeten naar
tevredenheid voldoen aan de vereisten alvorens zij het desbetreffende diploma behalen,
deze eisen zullen voor ieder kind gelijk zijn. De eisen waaraan moet zijn voldaan
voor de erkenning van een categorie zwemdiploma, zullen nog nader worden uitgewerkt
in een nog op te stellen ministeriële regeling. De erkenning, wanneer verleend, loopt
voor vijf jaar waarna deze op aanvraag telkens kan worden verlengd met vijf jaar als
aan de voorwaarden voor de erkenning wordt voldaan.
Iedere aanbieder van zwemles door een vastgestelde instructeur en/of afgifte van vastgesteld
zwemdiploma’s dient rekening te houden met de eisen die gesteld worden aan het diploma.
Het vastgestelde diploma zal nog steeds uitgegeven worden door de individuele zwemscholen
met eigen logo’s, echter zijn de landelijke kwaliteitseisen hieraan verbonden. De
invulling van het curriculum mag door de zwembranche zelf bepaald worden evenals de
verdere vormgeving van het diploma.
4.2 Kwaliteitseisen zweminstructeur
De vrijheid van het geven van onderwijs is verankerd in artikel 23 van de Grondwet.
Het tweede lid van dit artikel luidt: «Het geven van onderwijs is vrij, behoudens
het toezicht van de overheid en, voor wat bij de wet aangewezen vormen van onderwijs
betreft, het onderzoek naar de bekwaamheid en de zedelijkheid van hen die onderwijs
geven, een en ander bij de wet te regelen.» Er zullen daarom ook geen eisen worden
gesteld aan de manier van lesgeven voor opleidingen tot zweminstructeur. De kwaliteit
van de zweminstructeur zal worden gewaarborgd via een erkenning van wenselijke toetsingseisen
van zwemleraar-opleidingen door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport. De normen
waaraan een gediplomeerd zweminstructeur in elk geval aan moet voldoen zijn als volgt:
– Beschikken over voldoende zwemvaardigheid. In een ministeriële regeling dient te worden
uitgewerkt wat wordt verstaan onder voldoende zwemvaardigheid. En in het bezit zijn
over een verklaring omtrent het gedrag (VOG);
– Didactische en pedagogische vaardigeden;
– MBO-4 werk- en denkniveau.
Het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid is bevoegd om de erkenning van een door een
instelling afgegeven zwemdiploma of het zweminstructeursdiploma in te trekken wanneer
deze niet langer voldoet aan de voorschriften. In een nog op te stellen ministeriële
regeling kunnen nadere eisen worden gesteld waaraan moet zijn voldaan voor de erkenning
van het zweminstructeursdiploma.
4.3 Toezicht en inspectie
Om de kwaliteit van het nationale zwemdiploma te garanderen en te handhaven zal er
toezicht worden gehouden op het diplomazwemmen door het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid.
De NRZ zal worden omgezet in een ZBO dat de naam Nederlands Instituut Zwemvaardigheid
zal krijgen. De kwaliteitseisen die aan het vastgestelde zwemdiploma en de vastgestelde
zweminstellingen verbonden worden zijn tot stand gekomen in samenwerking met partijen
uit de zwembranche die vervolgens onafhankelijk zullen worden getoetst.21
Wanneer tijdens een controle wordt vastgesteld dat het diplomazwemmen niet aan de
vereisten voldoet, wordt de zwemlesaanbieder verzocht de werkwijze te corrigeren.
Wanneer de zwemlesaanbieder wederom niet voldoet aan de vereisten heeft het Nederlands
Instituut Zwemvaardigheid de bevoegdheid om de erkenning in te trekken.
5. Gevolgen wetsvoorstel
5.1 Gevolgen samenleving
Dit wetsvoorstel heeft effect op verschillende doelgroepen in de samenleving.
5.1.1 Zwemscholen
Alle zwemscholen die een vastgesteld zwemdiploma uitgeven zullen in het geval van
in werking treden van deze initiatiefwet moeten voldoen aan de eisen van het beschikken
over een gediplomeerde zweminstructeur en van het voldoen aan de eisen van het nationale
zwemdiploma bij het diplomazwemmen. Daarnaast zullen zij de vormgeving van het diploma
beperkt moeten aanpassen om de eisen waaraan de leerling bij het diplomazwemmen moet
voldoen te noteren.
Aangezien dit initiatiefwetsvoorstel geen eisen stelt aan de inhoud van de zwemlessen,
noch aan de lesmethode zullen de gevolgen op dit gebied beperkt zijn. Echter is het
van belang dat zwemscholen die niet beschikken over gediplomeerde zwemleerkrachten
hiervoor voldoende de tijd krijgen; ofwel om huidige leerkrachten bij te scholen,
ofwel om gediplomeerde zwemleerkrachten in dienst te nemen.
Indien er door zwemscholen onrechtmatig gebruik wordt gemaakt van het door het Nederlands
Instituut Zwemvaardigheid wettelijk vastgestelde zwemdiploma kan een last onder dwangsom
worden opgelegd.
5.1.2. Nederlands Instituut Zwemvaardigheid
Met het voorliggende wetsvoorstel zal het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid worden
ingesteld als publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan. De NRZ zal met deze wijziging
gedeeltelijk opgaan in het Instituut. De NRZ is hierover geconsulteerd tijdens de
voorbereidingen op dit initiatiefwetsvoorstel. Er is gekozen voor het instellen van
een ZBO, omdat de NRZ in huidige vorm een privaatrechtelijke rechtspersoon is en daarom
geen Awb-toezichthouder kan zijn. Daarnaast is de NRZ in beginsel opgericht met als
doel toezicht te houden op de kwaliteit van het diplomazwemmen. Het is dan ook een
logisch vertrekpunt voor het verder verankeren van deze kwaliteitswaarborg. Na het
oprichten van de ZBO zal een bestuur worden benoemd met drie gekwalificeerde zetels
en zullen er publieke taken aan worden toegekend (zie artikel 3). De structuur van
de ZBO zal vergelijkbaar zijn met die van de Dopingautoriteit. Alle taken van de huidige
NRZ zullen moeten worden overgedragen aan het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid.
Wanneer de NRZ vervangen zou worden door het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid
zullen persoonsgegevens ook moeten worden overgedragen aan het Instituut. Echter mogen
eventuele activiteiten die door de huidige NRZ worden verricht, zoals het uitgeven
van cursusboeken of lesmateriaal of eventuele andere voorlichtingsactiviteiten en
gerelateerde taken, niet worden ondergebracht bij het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid.
Deze vallen buiten de wettelijk opgedragen activiteiten van het ZBO en zullen moeten
worden afgesplitst.
Het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid zal te maken krijgen met een toename in de
werkzaamheden wanneer zij toezicht zullen moeten houden op het diplomazwemmen van
meer zwemscholen dan in de huidige situatie als zijnde de NRZ. Ook werkt de NRZ in
de huidige vorm met ongeveer 280 vrijwilligers die de kwaliteitscontroles uitvoeren,
waar in een ZBO geen mogelijkheid voor is. De vrijwilligers zouden wanneer dit wenselijk
is een andere vrijwilligersrol dan het toezichthouden kunnen vervullen binnen het
Nederlands Instituut Zwemvaardigheid.
5.2 Financiële gevolgen
Aan dit wetsvoorstel zijn financiële gevolgen verbonden voor zowel de rijksoverheid
als instellingen en bedrijven. De initiatiefnemers streven ernaar om de verandering
in kosten ten gevolge van dit initiatiefwetsvoorstel voor de zwembranche en de afnemers
van zwemlessen waar mogelijk te beperken.
5.2.1 Rijksoverheid
De kosten voor de rijksoverheid voor het handhaven van dit wetsvoorstel en het waarborgen
van het diplomazwemmen zal naar schatting minimaal € 1 miljoen per jaar zijn. Dit
bedrag is tot stand gekomen aan de hand van de volgende berekening. In Nederland bevinden
zich naar schatting 1.500 zwemscholen die ongeveer 3 tot 4 keer per jaar geïnspecteerd
moeten worden; dit komt neer op 4.500 tot 6.000 bezoeken per jaar. Wanneer een bezoek
ongeveer een halve werkdag in beslag neemt (4 uur), zijn er 18.000 tot 24.000 werkuren
hiervoor nodig. Een fulltime baan bevat jaarlijks ongeveer 1.800 werkuren. Omgerekend
zal alleen de inspectie 10 tot 13 fte per jaar nodig hebben. Als richtlijn zal worden
uitgegaan van minimaal € 65.000 per fte. Hierbij zullen de loonkosten voor inspecteurs
tussen de € 650.000 tot € 845.000 vallen. Bij dit bedrag zullen de volgende kosten
nog moeten worden meegerekend: reiskosten, overhead, rapportages, ICT-systeem en diversen.
Een globale inschatting van de incidentele kosten voor de inrichting van het systeem
bij aanvang, bedraagt € 3 á 4 miljoen.
5.2.2 Instellingen en bedrijven
De kosten die worden gemaakt bij de behandeling van de aanvraag van een erkenning
zijn voor de rekening van de aanvrager. Het tarief zal worden vastgesteld door de
Minister.
II. ARTIKELSGEWIJS
Artikel 1
Dit artikel beschrijft wat wordt verstaan onder de begrippen «bevoegd gezag», «erkenningsperiode»,
«zweminstelling», «Instituut», «keurmerk» en «Onze Minister».
Artikel 2
Dit artikel bevat de instelling van het Nederlands Instituut Zwemvaardigheid als publiekrechtelijk
zelfstandig bestuursorgaan. Ingevolge het derde lid heeft het Instituut eigen rechtspersoonlijkheid
en maakt als zodanig geen onderdeel uit van de rechtspersoon van de Staat der Nederlanden.
Deze eigen rechtspersoonlijkheid is noodzakelijk omdat het Instituut, naast rechtshandelingen
die betrekking hebben op de bedrijfsvoering, ook rechtshandelingen verricht die onderdeel
zijn van haar taakuitoefening. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om overeenkomsten waarbij
toezichthouders in dienst worden genomen.
Artikel 3
Het eerste lid van artikel 3 bevat de taakomschrijving van het Instituut: het verlenen,
aanvullen, intrekken en bekendmaken van erkenningen van zwemonderwijs, toezicht houden
op de uitvoering van de wet en overige taken die zijn opgedragen door de Minister
en verband houden met de zwemveiligheid. De taak die staat vermeld in artikel 3, onderdeel
a, is de algemene kerntaak van het Instituut. Op basis van het tweede lid is het Instituut
bevoegd tot het verwerken persoonsgegevens voor de uitvoering van haar taken.
Artikel 4
Zoals is beschreven in paragraaf 5.2.2. van het algemeen deel van deze memorie van
toelichting, zal de structuur van het Instituut vergelijkbaar zijn met die van de
Dopingautoriteit. Om deze reden wordt voorgesteld om drie (deeltijd)bestuurders aan
te stellen. Daarmee wordt aangesloten bij het bestuursmodel van de Dopingautoriteit,
dat goed functioneert. De bestuurders worden ingevolge de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen
benoemd door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport. Eventueel kunnen ingevolge
het derde lid bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld over de benoemingsprocedure,
of de functieprofielen.
Artikel 5
Artikel 5, eerste lid, bevat een verplichting voor het Instituut om een bestuursreglement
op te stellen, dat in ieder geval een regeling bevat ten aanzien van de in het tweede
lid genoemde onderwerpen. Hiermee wordt een transparant sturingsinstrument gecreëerd
voor het algemene functioneren van het Instituut. Het is uitdrukkelijk geen uitputtende
opsomming; het staat het Instituut vanzelfsprekend vrij om naar eigen inzicht aanvullende
onderwerpen in het bestuursreglement te regelen. Ingevolge artikel 11, eerste lid,
van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen, behoeft het bestuursreglement de goedkeuring
van de Minister voor Langdurige Zorg en Sport.
Artikel 6
Het Instituut zal worden gefinancierd door een combinatie van twee geldstromen. Ten
eerste is dat financiering uit de rijksbegroting. Een tweede geldstroom bestaat uit
tarieven die in rekening worden gebracht bij de zweminstellingen voor de behandeling
van een aanvraag voor een erkenning of een aanvulling ervan. De tarieven worden vastgesteld
bij ministeriële regeling, op grond van artikel 20.
Artikel 7
In artikel 7 is opgenomen dat het Instituut aan een zweminstelling een erkenning kan
afgeven voor categorieën zwemdiploma’s. Dat wil zeggen dat een erkenning betrekking
heeft op het mogen uitgeven bijvoorbeeld het diploma dat op moment van schrijven bekend
staat als het «A-diploma» of op het mogen uitgeven van de alle drie de diploma’s die
tezamen bekend staan als het «Zwem-ABC». In de erkenning wordt aangegeven op welke
categorieën de erkenning betrekking heeft.
Artikel 8
Artikel 8 geeft de voorwaarden op basis waarvan een erkenning voor categorieën zwemdiploma’s
wordt afgegeven. Ingevolge het eerste lid wordt een erkenning afgegeven wanneer degenen
aan wie een zwemdiploma is verleend blijk geven van voldoende zwemvaardigheid én de
zweminstructeurs in het bezit zijn van een zweminstructeursdiploma voorzien van een
keurmerk of daartoe in opleiding zijn bij een zweminstelling. In andere woorden: als
het Instituut constateert dat degenen die bij een zweminstelling afzwemmen voor het
A-diploma inderdaad op dat niveau kunnen zwemmen, en de zweminstelling dus terecht
de A-diploma’s afgeeft (of weigert), dan wordt de zweminstelling erkend voor het mogen
afgeven het A-diploma.
De eisen uit het eerste lid zijn niet limitatief van aard. Het tweede lid biedt immers
een grondslag om bij ministeriële regeling nadere eisen te stellen waaraan moet zijn
voldaan voor de erkenning. Het derde lid regelt dat in een ministeriële regeling nader
kan worden uitgewerkt wat wordt verstaan onder voldoende zwemvaardigheid per categorie
zwemdiploma. Zwemvaardigheid betekent iets anders bij het halen van een A-diploma
dan bij het halen van een diploma voor reddingszwemmen. Deze keuze om bij ministeriële
regeling nadere regels te stellen, is gelegen in de wetenschap dat deze voorschriften
zeer gedetailleerd van aard kunnen zijn, en mogelijk in de loop der tijd wijziging
behoeven. Wanneer een zweminstelling voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 wordt
op aanvraag een erkenning afgegeven door het Instituut.
Artikel 9
Op grond van het eerste lid van artikel 9 kan het Instituut aan een zweminstelling
een erkenning afgegeven worden waaruit blijkt dat de zweminstelling zweminstructeursdiploma’s
mag uitgeven.
Artikel 10
Artikel 10 geeft de voorwaarden op basis waarvan een erkenning voor het zweminstructeursdiploma
wordt afgegeven. Het eerste lid schrijft voor dat erkenning enkel wordt afgegeven
indien het zweminstructeursdiploma, zoals uitgegeven door de zweminstelling, ervan
blijk geeft dat voldaan wordt aan de eisen die gesteld zijn in artikel 10, eerste
lid, onderdeel a, b én c. Deze eisen zijn niet limitatief van aard. Het derde lid
van artikel 10 biedt immers de wettelijke grondslag om bij ministeriële regeling nadere
eisen te stellen waaraan moet zijn voldaan voor de erkenning voor het mogen uitgeven
van een zweminstructeursdiploma.
De eisen uit het eerste en derde lid zijn van algemene aard waarmee wordt geborgd
dat een zweminstelling bij het diplomeren van zweminstructeurs aan diverse kwaliteitseisen
voldoet. Het tweede lid betreft een aan de zweminstelling die niet ziet op de erkenning,
maar op elk individueel zweminstructeursdiploma. Een dergelijk diploma mag door een
erkende zweminstelling pas worden afgegeven aan een zweminstructeur als die in het
bezit blijkt te zijn van een verklaring omtrent gedrag.
Het vierde lid schrijft voor dat in een ministeriële regeling dient te worden uitgewerkt
wat wordt verstaan onder voldoende zwemvaardigheid. De keuze om direct bij ministeriële
regeling nadere regels te stellen aan een zweminstructeursdiploma, is gelegen in de
wetenschap dat deze voorschriften zeer gedetailleerd van aard kunnen zijn, en mogelijk
tussentijdse aanpassing behoeven. Wanneer een zweminstelling voldoet aan de voorwaarden
van artikel 10 wordt op aanvraag erkenning afgegeven door het Instituut.
Artikel 11
Wanneer de zweminstelling niet meer voldoet aan de voorschriften van artikel 8 en
10 heeft het Instituut op grond van artikel 11 de bevoegdheid om de erkenning voor
het afgeven van zwemdiploma’s of zweminstructeursdiploma’s in te trekken (onderdeel
a). Dit kan ook als de instelling zelf om een intrekking verzoekt (onderdeel b). Een
intrekking kan ook gedeeltelijk zijn, bijvoorbeeld in het geval een zweminstelling
zich wenst te concentreren op het aanbieden van één type zwemonderwijs en daardoor
ander zwemonderwijs niet meer aanbiedt, of als blijkt dat dat de zweminstelling voor
één categorie zwemdiploma’s niet langer voldoet aan de eisen, maar voor de andere
categorieën wel.
Artikel 12
Op grond van het eerste lid van artikel 12 kan het Instituut een lopende erkenning
aanvullen met een erkenning voor aanvullende categorieën zwemdiploma’s. Dit gebeurt
op verzoek van een zweminstelling. Het tweede lid schrijft voor dat de aanvulling
aansluit bij de erkenningsperiode van de originele erkenning. De aanvulling heeft
daarmee geen afzonderlijke erkenningsperiode.
Artikel 13
Van de erkenningen, de aanvulling alsmede de intrekkingen wordt mededeling gedaan
in de Staatscourant. Dit teneinde betrokkenen (ouders of verzorgers, instellingen
en andere betrokkenen) naar behoren te kunnen informeren en op die manier een extra
waarborg te bieden voor de zwemveiligheid en -vaardigheid in algemene zin. Conform
artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dient een erkenning daarnaast
te worden opgestuurd naar de desbetreffende zweminstelling.
Artikel 14
Het eerste lid van artikel 14 bepaald dat een erkenning vijf jaar geldig is. Het tweede
lid schrijft voor dat de erkenning telkens met vijf jaar kan worden verlengd, voor
de verlenging is een herbeoordeling op grond van artikel 8 of artikel 10 noodzakelijk.
Artikel 15
Artikel 15 schrijft voor dat het keurmerk bestaat uit woorden. Deze woorden dienen
te worden vermeld op het diploma. Het tweede lid schrijft voor dat in een ministeriële
regeling de vormgeving van de woorden dient te worden uitgewerkt. Er is gekozen om
direct bij ministeriële regeling nadere regels te stellen met betrekking tot de vormgeving
aangezien deze voorschriften zeer gedetailleerd en technisch van aard zullen zijn.
Het derde lid geeft een grondslag tot het vaststellen van een teken of logo als onderdeel
van het keurmerk.
Artikel 16
Artikel 16 schrijft voor dat het verboden is om het keurmerk te gebruiken zonder daarvoor
de juiste erkenning te hebben, of anderszins te doen voorkomen dat zwemonderwijs gegeven
wordt dat kan resulteren in een gekeurmerkt diploma, als dat niet het geval is.
Artikel 17
Artikel 17 geeft in het eerste lid het bevoegd gezag van de zweminstelling de mogelijkheid
in de erkenning van een categorie zwemdiploma (artikel 7 van dit wetsvoorstel) alsmede
het zweminstructeursdiploma (artikel 9 van dit wetsvoorstel) een keurmerk te vermelden,
inhoudende: «Erkend door de Minister voor Langdurige Zorg en Sport op grond van de
Wet nationaal zwemonderwijs». Het tweede lid schrijft voor dat als de zweminstelling
andere activiteiten verricht dan het onderwijs waarop deze wet van toepassing is,
dat dan het bevoegd gezag in de met betrekking tot de instelling uitgaande correspondentie,
publicaties en reclame, en op de website, duidelijk moet opnemen op welk onderwijs
de erkenning betrekking heeft.
Artikel 18
In dit artikel wordt bepaald dat het toezicht op de naleving van de wet door zweminstellingen
wordt uitgeoefend door personen, die daartoe door het Instituut zijn aangewezen. Voor
aanwijzing komen slechts personen in aanmerking die aantoonbaar over voldoende expertise
beschikken. In het algemeen deel van deze memorie van toelichting is aangegeven waarom
het noodzakelijk is dat het Instituut een toezichthouder is in de zin van de Awb.
Kortheidshalve wordt daarom naar paragraaf 4.3 en 5.2.2 van het algemeen deel verwezen.
Voor het uitvoeren van de toezichthoudende functie is het niet noodzakelijk dat de
toezichthouder zaken of voertuigen kan onderzoeken, haar toezichthoudende taak ziet
namelijk op de kwaliteit van de zwemdiploma’s. Om deze reden is in het tweede lid
bepaald dat de onderzoeksbevoegdheden uit de artikelen 5:18 en 5:19 van de Awb niet
toekomen aan de toezichthouders van het Instituut.
Artikel 19
Dit artikel bepaald dat het Instituut het onrechtmatig gebruik van het keurmerk of
het niet plaatsen van het keurmerk op diploma’s kan handhaven doormiddel van een last
onder dwangsom.
Artikel 20
Dit artikel schrijft in het eerste lid voor dat de kosten die worden gemaakt bij de
behandeling van de aanvraag van een erkenning of een aanvulling daarvan, voor de rekening
van de aanvrager zijn. Het tweede lid biedt een wettelijke grondslag om bij ministeriële
regeling de bedragen ter vergoeding van de kosten vast te stellen.
Artikel 21
Dit artikel bevat een overgangsbepaling die voorziet in een regeling voor een goede
transitie. Deze transitie bestaat eruit dat de Stichting Nationale Raad voor de Zwemveiligheid
gedeeltelijk opgaat in het Instituut. Gelet op deze transitie bepaalt dit artikel
dat de relevante gegevensbestanden van de stichting worden overgedragen aan het Instituut.
Verder worden licenties die zijn uitgegeven door de Stichting na inwerkingtreding
van de wet gelijkgesteld met een erkenning. Dit betekent dat zweminstellingen na inwerkingtreding
van de wet erkend zijn voor het uitgeven van een bepaalde categorie zwemdiploma’s,
indien zij hiervoor in het bezit waren van een licentie voor die categorie zwemdiploma’s.
De erkenningsperiode geldt onverkort voor deze licenties, dit betekent dat na inwerkingtreding
van de wet de licenties voor vijf jaar gelijk zijn gesteld met erkenningen. Het vijfde
lid regelt dat in het geval een zweminstelling voor het verloop van de betreffende
licentie een aanvulling voor een categorie wenst, de aanvraag daartoe wordt behandeld
als een aanvraag om een erkenning. De door de Stichting afgegeven licentie kan dus
niet tussentijds worden aangevuld.
Artikel 22
Dit artikel bevat de inwerkingtredingsbepaling. Inwerkingtreding zal bij koninklijk
besluit worden geregeld. Hierin zal worden aangesloten bij de vaste verandermomenten
en wordt rekening gehouden met de tijd die nodig is om aan de nieuwe voorschriften
te voldoen.
Artikel 23
Dit artikel schrijft de citeertitel van deze wet voor: Wet zwemvaardigheid.
R. Heerema Van Nispen
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.J. (Rudmer) Heerema, Tweede Kamerlid -
Mede ondertekenaar
Michiel van Nispen, Tweede Kamerlid
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.