Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 276 Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met enkele wijzigingen inzake het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 10 mei 2023
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de
schriftelijke inbreng bij het voorstel van wet tot wijziging van de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met enkele wijzigingen inzake het
bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen.
De regering is de leden van de fracties van de VVD, D66, CDA, PvdA, GroenLinks en
Groep Van Haga erkentelijk voor de gemaakte opmerkingen en de gestelde vragen en reageert
daarop in de hiernavolgende tekst. Daarbij is zoveel mogelijk de volgorde van het
verslag aangehouden. Voor zover de vragen betrekking hebben op het beleidsterrein
van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (hierna: VWS), zijn de antwoorden
met hem afgestemd.
1. Inleiding en aanleiding
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel
Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband
met enkele wijzigingen inzake het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen.
De leden zien een mooie kans in de samenwerking tussen de twee academische ziekenhuizen
waardoor beschikbare specialismen, infrastructuur en voorzieningen beter benut kunnen
worden. De leden van de VVD-fractie hebben enkele vragen.
De leden van de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de Wijziging van
de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met enkele
wijzigingen inzake het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen. Deze
leden hebben enkele vragen over het wetsvoorstel.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot Wijziging
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met enkele
wijzigingen inzake het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen. Deze
leden hebben hier enkele vragen over.
De leden van de PvdA-fractie staan positief tegenover de bedoeling van dit wetsvoorstel
in zijn huidige vorm. De leden merken op dat academische ziekenhuizen van belang zijn
op het raakvlak van gezondheidszorg en hoger onderwijs.
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met veel belangstelling kennisgenomen van
het onderhavig wetsvoorstel. Zij begrijpen de noodzaak en de behoefte van de regering
om de wet mee te laten groeien met de in de praktijk ontstane samenwerkingsvormen.
Toch hebben deze leden, voornamelijk naar aanleiding van het betoog van de heer P.
Kwikkers over het wetsvoorstel1, enkele vragen die zij graag aan de regering willen voorleggen.
De leden van de Groep Van Haga hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel tot wijziging
van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met enkele
wijzigingen inzake het bestuur en de inrichting van academische ziekenhuizen. Deze
leden lezen dat sinds 2018 het academisch ziekenhuis, verbonden aan de VU2, namelijk het VUmc3, en het academisch ziekenhuis, verbonden aan de UvA4, te weten het AMC5, nu al gezamenlijk naar buiten optreden als Amsterdam UMC6. De leden zien dan ook geen belemmering om dit ook juridisch vorm te geven in de
vorm van één organisatie met één systeem van werken en één leidinggevende structuur,
mits de kwaliteit van de zorg altijd prioriteit krijgt en ook het personeel geen grote
bezwaren ondervindt. Zorgpersoneel moet natuurlijk altijd behouden blijven.
Hoewel de leden als voornoemd menen dat een samenvoeging niet altijd positief uitpakt,
zien zij dat de inmiddels in gang gezette samenwerking kennelijk voorspoedig verloopt.
Indien specialismen en voorzieningen op deze wijze beter benut kunnen worden en kwalitatief
hoogstaande zorg en wetenschappelijk onderzoek geen schade oploopt, is er volgens
deze leden geen reden om de samenvoeging tegen te houden.
2. Probleemschets
2.1. Wetsgeschiedenis positie academische ziekenhuizen in bestel
De leden van de CDA-fractie constateren dat de regering (indirect) een rijksbijdrage
ter beschikking stelt voor de werkplaatsfunctie van de academische ziekenhuizen (wetenschappelijk
geneeskundig onderwijs en onderzoek). De zorgverzekeraars bekostigen daarnaast de
patiëntenzorg, aangevuld door beschikbaarheidsbijdragen, die worden toegekend door
de NZa7. Deze leden vragen of de regering uiteen kan zetten hoe de opleidingen voor medisch
specialisten, huisartsen en tandartsen worden vergoed. Welk deel wordt vanuit de begroting
van het Ministerie van OCW8 betaald en welk deel wordt vanuit beschikbaarheidsbijdragen onder het uitgavenplafond
zorg betaald? Wordt ook een deel vanuit de begroting van het Ministerie van VWS9 bekostigd? Zo ja, welk deel?
De initiële opleidingen tot basisarts (geneeskundige masters) en tot tandarts worden
volledig bekostigd vanuit de begroting van het Ministerie van OCW. De vervolgopleidingen
tot medisch specialist en huisarts worden door het Ministerie van VWS volledig bekostigd
door middel van een beschikbaarheidsbijdrage onder het uitgavenplafond Zorg.
De leden als voornoemd vragen op welke wijze door het kabinet gezorgd wordt dat het
aantal opleidingsplekken Tandheelkunde wordt uitgebreid tot het geadviseerde aantal
zoals door het Capaciteitsorgaan wordt geadviseerd10. Door welk ministerie wordt uiteindelijk het aantal instroomplekken bepaald?
Op 13 januari 2023 is door het Capaciteitsorgaan een advies aangeboden aan de Ministers
van VWS en OCW in de vorm van het capaciteitsplan 2024–2027. Ten aanzien van de tandartsenopleidingen
wordt geadviseerd het aantal opleidingsplaatsen uit te breiden tot 375. Op dit moment
wordt door beide ministeries gewerkt aan een beleidsreactie op voornoemd advies. Deze
gezamenlijke reactie zal voor het zomerreces aan uw Kamer worden aangeboden.
Het vaststellen van het aantal instroomplekken is de verantwoordelijkheid van OCW.
Dit gebeurt in goed overleg met het Ministerie van VWS.
In de begroting van OCW wordt een plafond vastgesteld voor de bekostiging van deze
opleidingsplaatsen (een toevoeging aan de vaste voet). De betrokken instellingen stellen
zelf een numerus fixus vast. Dit zijn de Universiteit van Amsterdam en de Vrije Universiteit
(samen in de Academie voor Tandheelkunde Amsterdam (ACTA)), de Radboud Universiteit
en de Rijksuniversiteit Groningen.
Deze leden vragen of, en zo ja op welke manier, het Ministerie van OCW invloed heeft
op de verdeling van de opleidingsplaatsen over de verschillende UMC’s11. Worden de verdelingsvoorstellen van de stichting BOLS12 en de stichting TOP Opleidingsplaatsen13 altijd gevolgd of wordt hierop gestuurd, bijvoorbeeld via de toekenning van de beschikbaarheidsbijdragen?
Kan de regering aangeven hoe kan worden geborgd dat een adequate spreiding van de
opleidingsplaatsen over de regio’s plaatsvindt?
Het door deze leden bedoelde verdeelproces betreft de opleidingsplaatsen die jaarlijks
door de Minister van VWS beschikbaar worden gesteld voor een groot aantal medische
en aanverwante vervolgopleidingen. De stichting BOLS en de stichting TOP doen een
voorstel aan de Minister van VWS voor de verdeling van deze opleidingsplaatsen over
de verschillende opleidingsinstellingen (waaronder de UMC’s); BOLS voor de medisch-specialistische
opleidingen, TOP voor de ggz-opleidingen. Bij het opstellen van deze voorstellen dienen
BOLS en TOP te waarborgen dat de verdeling van opleidingsplaatsen op transparante
en juridisch houdbare wijze plaatsvindt. In dit proces is ook aandacht voor het spreiden
van opleidingsplaatsen over de regio’s. Nadat het verdeelproces is afgerond kunnen
de opleidingsinstellingen voor de aan hen toegewezen plekken een beschikbaarheidbijdrage
aanvragen bij de NZa. De beschikbaarheidbijdrage dient ter dekking van de opleidingskosten
en niet als sturingsinstrument voor de verdeling van opleidingsplaatsen.
3. Hoofdlijnen wetsvoorstel en gevolgen
3.1. UMC vorming
De leden van de VVD-fractie lezen dat er in het wetsvoorstel op verschillende onderdelen
van een bredere wettelijke inbedding van UMC’s in de WHW14
wordt ingegaan, maar een bredere wettelijke regeling nog verder wordt uitgesteld.
Gaat er een bredere wettelijke regeling komen en wat is het beoogde tijdpad voor de
wettelijke inbedding van UMC’s in de WHW?
De regering constateert dat de huidige wettelijke regeling in de Wet op het hoger
onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (WHW) en de praktijk in de loop van de tijd
uit elkaar zijn gaan lopen. Een adequate inbedding van UMC’s in het stelsel behoeft
nog nadere gedachtenvorming. De regering vindt het van belang dat voor een goede uitwerking
onder meer wordt bezien of in het kader van die samenwerkingsvorm sprake is van evenwichtigheid
in de bevoegdheden en eindverantwoordelijkheden tussen universiteit en academisch
ziekenhuis, de (wettelijke) toedeling van de bevoegdheden van het college van bestuur,
de decaan of het faculteitsbestuur en de raad van toezicht, aan de raad van bestuur,
respectievelijk de raad van toezicht van het academisch ziekenhuis en of sprake is
van evenwichtige verhoudingen tussen de medezeggenschap van het UMC en de medezeggenschap
op universitair niveau. Ook zal de rechtspositie van het personeel, dat zowel voor
de faculteit geneeskunde als het academisch ziekenhuis werkzaamheden verricht, moeten
worden bezien. De regering wil deze vraagstukken in afstemming met het veld verkennen,
waarbij ook zal worden bezien of voor deze onderwerpen nader onderzoek nodig is. Als
eerste stap in deze verkenning is een inventarisatie gedaan door de departementen
van OCW en VWS, in afstemming met het veld, van voornoemde en eventueel bijkomende
vraagstukken. De verdere uitvoering van deze verkenning en de verslaglegging daarvan,
zal in 2023 worden gestart. De uitkomsten delen de Minister van VWS en ik met uw Kamer.
De uitkomsten van de verkenning en eventueel nader onderzoek zullen de basis zijn
voor de keuze van de regering welke aanpassingen in de huidige regelgeving noodzakelijk
zijn. Een dergelijke aanpassing zal dan in een daarvoor geschikt wetsvoorstel worden
opgenomen.
Deze leden lezen dat de aanpassing van de WHW in dit wetsvoorstel alleen geldt voor
de Amsterdamse ziekenhuizen vanwege de specifieke, bijzondere situatie. Kan de regering
uiteenzetten welke situaties nog meer aanleiding zouden kunnen geven tot samenvoeging?
De leden zien de waarde van een samenwerking tussen UMC’s en universiteiten en vragen
of de suggestie van het Erasmus Medisch Centrum om samenwerkingsmogelijkheden uit
te breiden naar andere universiteiten, in de verkenning wordt meegenomen.
Ik zie met de leden van de VVD-fractie de meerwaarde van een samenwerking tussen UMC’s
en (andere) universiteiten. De aanpassing zoals voorgesteld door het Erasmus Medisch
Centrum brengt een fundamentele aanpassing in het bestel tot stand, waarvoor een zorgvuldige
en grondige analyse noodzakelijk is. Het Erasmus Medisch Centrum pleit voor een uitbreiding
van de samenwerkingsmogelijkheden van de UMC’s met universiteiten waaraan zij niet
zijn verbonden. Dan gaat het bijvoorbeeld om een samenwerking tussen het Erasmus Medisch
Centrum en de TU Delft.
De regeling zoals opgenomen in hoofdstuk van 12 van de WHW is bedoeld om de werkplaatsfunctie
van het academisch ziekenhuis dat is verbonden aan een universiteit te borgen. Met
dit wetsvoorstel wordt het in het specifieke geval van de Amsterdamse universiteiten
mogelijk dat samengewerkt wordt met één academisch ziekenhuis dat voor beide universiteiten
de werkplaatsfunctie borgt.
In algemene zin is samenwerking tussen instellingen iets wat de regering toejuicht.
In de in dit kalenderjaar te starten verkenning zal worden betrokken in hoeverre bepalingen
uit hoofdstuk 12 in de weg staan aan gewenste samenwerking tussen instellingen. Hierover
zal ik uw Kamer gelijktijdig met de uitwerking van de hiervoor aangehaalde verkenning
informeren.
3.2. Samenvoeging Amsterdamse academische ziekenhuizen
De leden van de CDA-fractie lezen dat het VUmc en het AMC sinds 2018 gezamenlijk naar
buiten optreden als Amsterdam UMC. Deze samenwerking maakt het volgens de zorginstellingen
mogelijk om beschikbare specialismen, infrastructuur en voorzieningen beter te benutten
en kwalitatief hoogstaande zorg en wetenschappelijk onderzoek te blijven leveren.
Deze leden vragen of inmiddels inzichtelijk is gemaakt of deze doelstellingen sinds
2018 daadwerkelijk behaald worden en of daartoe data beschikbaar zijn met een nulmeting
tot nu.
De verdergaande samenwerking tussen VUmc en AMC heeft tot doel kennis, expertise en
menskracht te bundelen, waardoor het mogelijk is hoogcomplexe-laagvolume academische
zorg toegankelijk te houden en de continuiteit van deze zorg te borgen. Ook kan op
deze manier beter aan innovatie in de zorg worden gewerkt. Tevens wordt daarmee de
beschikbaarheid van personeel en infrastructuur voor de 7x24 uur (acute) zorg beter
geborgd. Op het gebied van wetenschappelijk onderzoek is de concurrentie voornamelijk
internationaal van aard; om op topniveau te kunnen meedoen is een concentratie van
dure onderzoeksinfrastructuur en het gezamenlijk werven van internationale onderzoeksmiddelen
noodzakelijk. De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet om deze doelen te
realiseren; het blijft een meerjarige opdracht om de realisatie ervan dichterbij te
brengen. Hierna volgen enkele concrete voorbeelden uit het zorgdomein. De hepato-pancreato-biliaire
chirurgie15 is geconcentreerd op de locatie VUmc. Dit heeft tot gevolg gehad dat het sterftecijfer
is gereduceerd.
Daarnaast is de kinderzorg geconcentreerd op de locatie AMC. Hiermee is de kostbare
en hoog specialistische intensive care zorg aan deze doelgroep doelmatiger georganiseerd
en is 7x24 uur een kinderarts-intensive care op de kinderIC aanwezig. Daarmee is ook
de regionale functie geborgd. In de Covid-pandemie is de gezamelijke capaciteit beter
benut. Dit zijn voorbeelden van concentratie, maar ook van bevorderde samenwerking.
Dit alles in het belang van de patiëntenzorg. Ook op het gebied van de wetenschapsbeoefening
zijn belangrijke stappen gezet. Zo is het aantal wetenschappelijke publicaties sinds
2018 toegenomen.
De leden als voornoemd vragen of aangegeven kan worden hoeveel procent van de personele
lasten van het Amsterdam UMC besteed wordt aan ondersteunend personeel en welk percentage
aan (directe) zorg. Kan hierbij ook worden aangegeven hoeveel procent van de tijd,
die aan (directe) zorg wordt besteed, aan administratieve lasten wordt besteed? Is
hier sinds de samenwerking tussen VUmc en AMC verbetering in opgetreden en kan dit
met data worden ondersteund?
Een UMC heeft patiëntenzorg, onderwijs, opleiding en wetenschappelijk onderzoek als
kerntaken. Daarin verschilt een UMC van andere (algemene) ziekenhuizen. Dat wordt
ook weerspiegeld in het personeel dat bij een UMC werkzaam is; naast personeel dat
in de (directe) patiëntenzorg werkt, zijn er ook groepen medewerkers die voornamelijk
in het onderwijs of wetenschappelijk onderzoek werken. Het is niet mogelijk om aan
te geven hoeveel uren aan de directe patiëntenzorg worden besteed, omdat dit niet
als zodanig wordt geregistreerd. Ongeveer 60% van de personele lasten van Amsterdam
UMC wordt besteed medisch specialisten, verpleegkundigen en ondersteunend personeel
die in de patiëntenzorg werkzaam zijn. Het is niet mogelijk om aan te geven hoeveel
tijd deze medewerkers aan directe zorg besteden. De overige 40% van de personele lasten
wordt besteed aan onderzoekers, onderwijzend personeel en overig ondersteunend personeel.
Deze percentages zijn sinds de bestuurlijke fusie niet veranderd.
Na de samenvoeging van de twee Amsterdamse academische ziekenhuizen blijven er zeven
academische ziekenhuizen over in Nederland. De leden van de CDA-fractie vragen of
dit aantal academische ziekenhuizen per miljoen inwoners vergelijkbaar is met andere
Europese landen of dat Nederland relatief veel of juist weinig academische ziekenhuizen
heeft per miljoen inwoners. Als dit aantal academische ziekenhuizen per miljoen inwoners
sterk afwijkt van het buitenland, dan vragen de leden de regering tevens om te reflecteren
op dit verschil.
Het is niet mogelijk om een goede vergelijking te maken met andere Europese landen,
omdat in gerenommeerde internationale databronnen (Eurostat en de OESO) geen onderscheid
wordt gemaakt tussen UMC’s en algemene ziekenhuizen, vanwege het ontbreken van een
eenduidige definitie en registratie van academische ziekenhuizen. Overigens moet worden
opgemerkt dat het aantal academische ziekenhuizen in absolute zin weliswaar daalt
na de samenvoeging die middels dit wetsvoorstel wordt gefaciliteerd, maar in de praktijk
zal op beide locaties het zorgaanbod blijven bestaan.
Voornoemde leden vragen of de regering kan toelichten welke consequenties de samenvoeging
van de beide academische ziekenhuizen in de privaatrechtelijke stichting Amsterdam
UMC heeft voor de (eigendom van) onroerende zaken van het (voormalig) openbare academische
ziekenhuis AMC. Kan de regering daarbij ingaan op zowel het juridisch als het economisch
eigendom van het vastgoed?
Indien dit wetsvoorstel inwerkingtreedt, zullen alle activa en passiva worden overgedragen
aan de Stichting Amsterdam UMC. Gelijktijdig zal AMC als publiekrechtelijke entiteit
ophouden te bestaan. Het juridische en economische eigendom van het vastgoed berust,
na inwerkingtreding van het wetsvoorstel, dan ook bij de Stichting Amsterdam UMC.
Deze leden vragen uit hoeveel aparte locaties het VUmc en het AMC bestaan en hoeveel
locaties er over blijven na de samenvoeging van beide organisaties. Zijn er plannen
voor samenvoeging en daarmee sluiting van locaties en/of andere bestemmingen dan wel
verkoop van vastgoed?
Op dit moment hebben zowel AMC als VUmc ieder één locatie. Dat zal na het samengaan
van de academische ziekenhuizen in Amsterdam UMC niet anders zijn. Er zijn geen plannen
om een van de locaties te sluiten of het vastgoed te vervreemden. Overigens blijft
artikel 2.13 WHW ook in de toekomst onverkort van toepassing. Daarmee heb ik als Minister
van OCW een claimrecht op het onroerend goed.
Ten slotte vragen deze leden of organogrammen van VUmc, AMC en samengevoegde Amsterdam
UMC verstrekt kunnen worden aan de Kamer.
Hieronder treft uw Kamer de organogrammen van AMC, VUmc en Amsterdam UMC aan. Deze
organogrammen treft uw Kamer tevens aan als Bijlage bij deze nota naar aanleiding
van het verslag:
3.2.1 Stappenplan totstandkoming Amsterdam UMC
De leden van de GroenLinks-fractie vragen of de regering een reactie kan geven op
de constatering dat het feitelijk niet klopt dat, zoals de memorie van toelichting
stelt, de activiteiten van het AMC en het VUmc zomaar worden voortgezet door een nieuwe
rechtspersoon, namelijk de stichting Amsterdam UMC. Deze leden lezen immers dat, voordat
Amsterdam UMC de volledige financiële en juridische verantwoordelijkheid vanuit de
in de wet geformuleerde opdracht van academische ziekenhuizen voor patiëntenzorg,
onderwijs en onderzoek van AMC en VUmc overneemt, de stichting VUmc wordt omgevormd
tot de stichting Amsterdam UMC door middel van een Akte van een statutenwijziging
van stichting VUmc. Klopt het dat de stichting Amsterdam UMC hierdoor eigenlijk geen
nieuwe rechtspersoon is, maar een rechtstreekse rechtsopvolger van de stichting VUmc,
waarbij vervolgens de activa en passiva van het AMC worden overgedragen door middel
van een overeenkomst tot overdracht tussen Amsterdam UMC en AMC? Kan de regering nader
beargumenteren waarom hier de facto geen sprake zou zijn van een overname door de
VUmc?
De regering deelt deze constatering van de leden en stelt vast dat de aangehaalde
passage uit de memorie van toelichting onvoldoende duidelijk is geformuleerd. Het
is juist dat de activa en passiva van AMC worden overgedragen aan de Stichting Amsterdam
UMC (nadat de stichting VUmc voorafgaand aan deze overdracht middels een statutenwijziging
wordt omgevormd tot de stichting Amsterdam UMC), waardoor juridisch gezien de activiteiten
worden overgenomen door de oorspronkelijke stichting Vumc. Na inwerkingtreding van
het wetsvoorstel zal de publiekrechtelijke rechtspersoon AMC ophouden te bestaan.
Uiteindelijk wordt hiermee gerealiseerd dat beide partijen, AMC en Vumc, samen door
kunnen gaan onder één naam, in één rechtspersoon.
3.2.2 Aanpassingen in interne governancestructuur en betrokkenheid stakeholders en
medezeggenschap
De leden van de CDA-fractie lezen dat de samenvoeging geen gevolgen heeft voor het
bestaand onderwijs(-aanbod). Studenten blijven nu en in de toekomst verbonden aan
hun eigen opleiding en hun eigen universiteit, aldus de regering. Deze leden vragen
of de samenvoeging wel gevolgen heeft voor de bestaande ziekenhuizen en het daar werkzame
zorgpersoneel. Hoe komt de governance, de besluitvorming en de zeggenschap binnen
de nieuwe organisatie eruit te zien? Worden de teams waarin gewerkt wordt groter,
met verdunning van de relaties als gevolg? Krijgen patiënten mede daardoor vaker andere
artsen te zien? Zijn daarvan cijfers beschikbaar? En zijn alle medewerkers in loondienst
bij het Amsterdam UMC?
Amsterdam UMC heeft aangegeven dat de governance en de besluitvorming binnen AMC en
Vumc vanwege de bestuurlijke fusie sinds juni 2018 (grotendeels) zijn geharmoniseerd.
De governance van de beoogde samengevoegde organisatie komt op hoofdijnen overeen
met de bestaande governance structuren. Er is sprake van een Raad van Toezicht en
een Raad van Bestuur. Daarnaast kent de organisatie een ondernemingsraad, cliëntenraad,
een verpleegkundige adviesraad en het stafconvent. De beide faculteiten geneeskunde
houden hun eigen facultaire studentenraad.
In de eerder aangehaalde organisatieschema’s is te zien dat Vumc en AMC vóór 2018
een nagenoeg gelijke organisatiestructuur kenden met in divisies geclusterde medische
afdelingen en daarnaast enkele ondersteunende diensten. Deze structuur is inmiddels
geharmoniseerd. De divisies en diensten staan op beide locaties onder leiding van
dezelfde personen. Met ingang van 2024 zijn ook vrijwel alle medische afdelingen volledig
geïntegreerd onder leiding van één afdelingshoofd.
De afgelopen jaren zijn in het kader van de bestuurlijke fusie afdelingen en teams
samengevoegd. Werkprocessen en personele regelingen zijn geharmoniseerd. Het kan inderdaad
voorkomen dat teams groter worden door een samenvoeging. Amsterdam UMC geeft aan dat
een samenvoeging van teams volgens de juiste procedures gaat (met onder andere betrokkenheid
van de medezeggenschaps- en adviesorganen) en dat er zorgvuldige afstemming plaatsvindt
met de betrokken medewerkers.
De omvang van de medische staf bij Amsterdam UMC draagt volgens Amsterdam UMC bij
aan een betere kwaliteit van de zorg voor onze patiënten. Op deze wijze is een breder
scala aan expertise en ervaring bij de behandeling betrokken, bijvoorbeeld in een
multidisciplinair overleg waarin de behandeling van patiënten wordt besproken.
Dat betekent niet per se dat patiënten meer specialisten te zien krijgen. Patiënten
krijgen doorgaans bij of aansluitend aan het eerste contact met het ziekenhuis een
(hoofd)behandelaar toegewezen op basis van de klachten of de aandoening van de patiënt.
Deze (hoofd)behandelaar is en blijft gedurende het zorgtraject het eerste aanspreekpunt
voor de patiënt.
Het overgrote deel van de zorgmedewerkers en het ondersteunend personeel heeft een
dienstverband met AMC of Vumc. Na de samenvoeging zijn zij in dienst van Stichting
Amsterdam UMC. Een zelfde werkgever hebben draagt bij aan het realiseren van een gezamenlijke
cultuur en identiteit. Het is een essentiële voorwaarde voor het realiseren van de
gestelde ambities op het gebied van zorg, opleiding, onderwijs en onderzoek.
De leden als voornoemd vragen hoe binnen de samengevoegde ziekenhuizen omgegaan wordt
met de bestaande softwaresystemen en gegevensuitwisseling. Worden de systemen geïntegreerd
of blijven de verschillende organisatieonderdelen met de eigen systemen werken? Daarnaast
begrijpen deze leden dat bij academische ziekenhuizen soms wel 300 à 400 apps worden
gebruikt, bijvoorbeeld voor thuismonitoring van patiënten met bepaalde chronische
ziektes. De leden vragen of kan worden aangegeven wat de situatie voor de samenvoeging
was en hoe de situatie op dit moment is.
De samenvoeging maakt het volgens Amsterdam UMC mogelijk binnen enkele jaren tot een
volledige integratie van IT-systemen komt. Dubbele administraties worden vervangen
door onder andere één personeelsinformatiesysteem en financieel-logistiek systeem.
Met het oog op de patiëntveiligheid is Amsterdam UMC voornemens de beide elektronische
patiëntendossiers samen te voegen.
Sinds de (bestuurlijke) samenvoeging van AMC en Vumc worden waar mogelijk ICT contracten
en software overeenkomsten geharmoniseerd. Hiermee is het mogelijk onderhoudskosten
terug te brengen.
Op dit moment zijn er binnen AMC en Vumc in totaal 1424 applicaties in beheer waarvan
er 673 gericht zijn op de ondersteuning van de zorg. Dit betreft het totaal van software
programma’s, softwarepakketten, web- en appbased applicaties.
Met de samenvoeging is het mogelijk het aantal softwarepakketten en bijbehorende koppelingen
terug te brengen. Voor patiënten biedt Amsterdam UMC als standaard een patientenportaal
genaamd «Mijn Dossier Amsterdam UMC». Hier maken zo’n 275.000 patienten van Amsterdam
UMC actief gebruik van. Vanuit dit patiëntenportaal wordt ook de thuismonitoring aangeboden.
De leden van de CDA-fractie vragen verder of kan worden aangegeven hoe het nu gesteld
is met het melden van nevenfuncties van medisch specialisten dan wel belangen die
specialisten hebben naast het dienstverband met Amsterdam UMC. Deze leden vragen dit
naar aanleiding van eerdere berichtgeving rond de directeur van het Alzheimercentrum
van het Amsterdam UMC.16
Vumc en AMC hebben inmiddels eenzelfde regeling voor het melden van nevenwerkzaamheden
van medewerkers. De regeling is in overeenstemming met geldende wet- en regelgeving
en gebaseerd op de cao UMC. Aangezien medisch specialisten in de UMC’s in loondienst
zijn, zijn zij gehouden deze interne regels op te volgen. Met deze regeling nevenwerkzaamheden
voldoen AMC en Vumc aan een behoefte uniforme en eenduidige regels te hanteren. De
regeling draagt, naast alle publiciteit, bij aan een toegenomen bewustwording bij
medewerkers. Nevenwerkzaamheden zijn in principe mogelijk. Nevenwerkzaamheden dienen
te worden gemeld en in sommige gevallen is uitdrukkelijke toetstemming van de leidinggevende
vereist. Het gaat om die gevallen waarbij een belang van de instelling of de goede
functie-uitoefening wordt geraakt. Op de naleving van deze regeling wordt toegezien.
Op deze wijze wordt ongewenste belangenverstrengeling tegengegaan.
De leden van de PvdA-fractie merken op dat, nu er al sprake is van een vergaande afstemming
en samenwerking tussen de academische ziekenhuizen van de UvA en de VU, een volgende
stap voor de hand ligt om ook het hoger onderwijs van beide academische ziekenhuizen
samen te voegen, zodat er een volledige samenvoeging ontstaat als één academisch ziekenhuis.
Zeker in de unieke situatie waarin twee academische ziekenhuizen binnen één gemeente
zijn gehuisvest, is dit een werkbare constructie, des te meer nu de betrokken academische
ziekenhuizen dit zelf willen.
Kan de regering nog toelichten hoe hij de menselijke maat binnen het aldus samengevoegde
academische ziekenhuis zal waarborgen, zowel voor patiënten als studenten?
De regering merkt op dat het niet voor de hand ligt om ook het hoger onderwijs binnen
beide academische ziekenhuizen samen te voegen. De beide universiteiten blijven verantwoordelijk
voor het onderwijs en hebben aangegeven dat de studies geneeskunde van de UvA en de
VU niet veranderen door de samenvoeging. De studenten blijven hetzelfde onderwijs
bij één van de twee universiteiten volgen. De curricula van de geneeskundeopleiding
aan de UvA en VU zijn anders in opzet en focus, maar leiden beide op tot basisarts.
De studenten staan ingeschreven bij een van de universiteiten en volgen het curriculum
van deze universiteit, maar komen elkaar wel tegen binnen de wetenschappelijke en
klinische stages en minoren in en buiten Amsterdam UMC.
Amsterdam UMC geeft aan dat zij zich bij het verlenen van zorg laat leiden door belangrijke
kernwaarden, zoals zorgzaamheid en persoonlijke aandacht voor de patiënten. Bij de
grote veranderingen in de organisatie is de inbreng van de patiënten via de cliëntenraad
essentieel. Patiënten hebben uitdrukkelijk met hun eigen kennis en ervaring invloed
op de zorg die zij ontvangen en hebben een duidelijk stem bij de evaluatie van de
zorg via onder andere de Patiëntenervaringsmonitor (PEM) en een digitaal patiëntenpanel.
Amsterdam UMC investeert in eenvoudige communicatie tussen zorgverleners en patiënten,
voorlichting op maat en digitale toegang tot het eigen patiëntendossier.
3.2.3 Onderdelen wetsvoorstel verband houdende met de samenvoeging
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering inzicht kan geven in de omvang en
de aard van wat de financiering vanuit beide universiteiten naar het nieuwe Amsterdamse
UMC gaat zijn.
De betreffende universiteiten ontvangen jaarlijks vanuit het Ministerie van OCW een
Rijkbijdrage met daarbinnen een specifiek onderdeel dat verband houdt met de zogenoemde
werkplaatsfunctie van het academische ziekenhuis. Het specifiek onderdeel voor de
werkplaatsfunctie moet door de universiteiten op grond van de WHW onverwijld worden
betaald aan het academisch ziekenhuis. De resterende inzet van de rijksbijdrage en
opbrengsten collegegeld wordt bepaald door de universiteiten. De ziekenhuizen verantwoorden
dit bedrag als ontvangen subsidie. In 2021 bedroeg de bijdrage van de UvA en VU aan
AMC en Vumc volgens de jaarverslagen van AMC en Vumc € 81,1 miljoen euro respectievelijk
€ 74,8 miljoen euro (totaal € 155,9 miljoen euro). In de jaarverslagen wordt aangegeven
dat AMC en Vumc in 2021 € 114,9 miljoen euro respectievelijk € 83,5 miljoen euro aan
Rijksbijdrage hebben ontvangen voor de werkplaatsfunctie (totaal € 198,4 miljoen euro).
In totaal ontvingen de twee ziekenhuizen in 2021 dus volgens de jaarverslagen € 354,3 miljoen
euro voor onderwijs en onderzoek vanuit OCW via de universiteiten.
De leden van de D66-fractie lezen dat het Amsterdam UMC een bijzonder academisch ziekenhuis
zal worden. Een gevolg hiervan is dat de wettelijke voorschriften inzake benoeming,
schorsing en ontslag van de leden van de raad van bestuur en van de raad van toezicht
niet zullen gelden en dat de Minister geen rol heeft bij benoemingen van de leden
van de raad van toezicht. Deze leden zijn benieuwd waarom hiervoor is gekozen.
De regering bevestigt dat Amsterdam UMC als gevolg van de voorgestelde wetswijziging,
een bijzonder academisch ziekenhuis zal worden. Hiermee wordt aangesloten bij de ontwikkelingen
in de praktijk. Vumc en AMC hebben de ambitie geuit om verdergaand samen te werken,
vanwege de eerder aangehaalde doelen. Na een succesvolle bestuurlijke fusie is de
wens geuit om samen te gaan in één bijzonder academisch ziekenhuis. De regering heeft
onderzocht of tegen deze wens overwegende bezwaren zijn. De regering constateert dat
deze niet aanwezig zijn. Daarbij heeft de regering gekeken naar het governancemodel
van bijzondere instellingen, de inrichting van het stelsel en de publieke middelen.
Het samenvoegen van het openbare en bijzondere ziekenhuis heeft tot gevolg dat de
Minister van OCW ten aanzien van het samengevoegde academisch ziekenhuis niet de bevoegdheid
heeft om leden van de raad van toezicht te benoemen, schorsen of ontslaan. Dat ik
als de Minister van OCW in de toekomst deze bevoegdheden niet heeft ten aanzien van
Amsterdam UMC, acht de regering niet bezwaarlijk. Voorop moet worden gesteld dat de
Minister van OCW deze bevoegdheden thans ook niet heeft bij Vumc. Daar komt bij dat
de Minister van OCW bij het grosse van de instellingen in het hoger onderwijs – alle
hogescholen en een deel van de universiteiten en academische ziekenhuizen – niet een
dergelijke bevoegdheid heeft. De Minister van OCW kan desondanks nog steeds zijn stelselverantwoordelijkheid
dragen. Bij alle bijzondere instellingen ontbreekt immers deze bevoegdheid, maar de
Minister van OCW beschikt ook hier over een adequaat instrumentarium.
De inrichting van het hoger onderwijsstelsel (inclusief de academische ziekenhuizen)
als geheel is eveneens onderdeel geweest van de afweging. Het overgrote deel van de
instellingen in het hoger onderwijsstelsel gaat uit van een privaatrechtelijke rechtspersoon.
Slechts een enkele instelling bezit publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid. Ook
de openbare academische ziekenhuizen zijn in het stelsel een uitzondering, omdat de
overige ziekenhuizen privaatrechtelijk vorm zijn gegeven. Ook vanuit dit perspectief
zijn er geen bezwaren tegen de privaatrechtelijke vormgeving van het Amsterdam UMC.
Dit geldt te meer nu de publieke middelen, ook na de samenvoeging publieke middelen
blijven en slechts aan de publieke taak mogen worden besteed.
De leden van de GroenLinks-fractie vragen hoe de regering aankijkt tegen de constatering
van de heer P. Kwikkers17 dat het gekozen construct in het onderhavig wetsvoorstel, namelijk een verbijzondering
van een rijksinstelling tot een private instelling, niet per se voor de hand liggend
is. Waarom is niet gekozen voor de omgekeerde beweging, namelijk van het privaatrechtelijke
Vumc naar een publiekrechtelijk Amsterdam UMC? Welke argumenten lagen aan dit besluit
ten grondslag? Zou dit niet een wenselijkere vorm zijn, alleen al vanwege het feit
dat de middelen waarmee het Vumc is opgericht en in stand gehouden vrijwel volledig
uit publieke middelen bestaan? Graag zien deze leden een uitgebreide onderbouwde reactie
over waarom hier niet voor is gekozen. Kan de regering een overzicht geven van de
voor- en nadelen van beide vormen?
Ik verwijs de leden voor de beantwoording van deze vraag naar het hierboven gegeven
antwoord op de door de leden van de D66-fractie gestelde vraag. Op dit moment bestaan
er twee academische ziekenhuizen in de gemeente Amsterdam. Deze ziekenhuizen zijn
verbonden respectievelijk aan de Universiteit van Amstedam (een openbare universiteit)
en aan de Vrije Universiteit (een bijzondere universiteit). Beide universiteiten krijgen
vanuit de rijksbijdrage bekostiging voor de werkplaatsfunctie van het aan hen verbonden
academisch ziekenhuis. De gelden hebben, ongeacht of deze worden verstrekt aan een
openbare of bijzondere instelling, een publiek karakter. Deze gelden mogen immers
slechts aan de publieke taak, te weten de werkplaatsfunctie van het academisch ziekenhuis,
worden besteed.
Wanneer de activa (en passiva) van AMC worden overgedragen aan de Stiching Amsterdam
UMC, dient de Stichting Amsterdam UMC de publieke gelden nog steeds te besteden aan
de publieke taak. Hierover wordt in het jaarverslag van de respectievelijke universiteiten
verantwoording afgelegd. De regering spreekt dan ook niet van een privatisering van
een rijksinstelling, maar van de samenvoeging van twee academische ziekenhuizen.
Daarnaast vragen de leden als voornoemd of de regering de mening van de heer P. Kwikkers18 deelt dat met het wetvoorstel niet enkel sprake is van een codificatie van organisch
gegroeide praktijk, maar dat sprake is van het privatisering van een publiekrechtelijke
instelling. Zo nee, waarom niet? In hoeverre kan de Minister zijn verantwoordelijkheid
voor het onderwijsstelsel nog voldoende uitvoeren door de verminderende betrokkenheid
bij het Amsterdam UMC?
De twee academische ziekenhuizen in Amsterdam zijn in de loop van de tijd steeds intensiever
gaan samenwerken. In 2018 heeft een bestuurlijke fusie plaatsgevonden. De stap die
met dit wetsvoorstel wordt gezet is de laatste stap in de samenvoeging van de twee
academische ziekenhuizen. Thans is Vumc (net als het Radboud UMC) een bijzonder academisch
ziekenhuis. Na inwerkingtreding van het wetsvoorstel blijven er twee bijzondere academische
ziekenhuizen bestaan in het stelsel. Met dit wetsvoorstel wordt het bijzondere academische
ziekenhuis te Amsterdam (Amsterdam UMC) verbonden aan twee universiteiten (de VU en
de UvA). Weliswaar heeft de Minister van OCW niet de bevoegdheid de leden van de Raad
van Toezicht van de bijzondere academische ziekenhuizen te benoemen (net als bij alle
andere bijzondere instellingen in het hogeronderwijsstelsel), maar dat maakt niet
dat ik als de Minister van OCW mijn stelselverantwoordelijkheid niet waar kan maken.
Voor deze bijzondere academische ziekenhuizen geldt eenzelfde verantwoordingsplicht
(via de jaarverslagen) als voor de openbare ziekenhuizen. Daarnaast bestaat er een
verplichting van het bestuur van het bijzondere academische ziekenhuis om de Minister
van OCW alle gevraagde inlichtingen te verstrekken. Daarnaast heb ik als de Minister
van OCW een bevoegdheid ten aanzien van de vaststelling en wijziging van de structuurregeling.
3.3. Samenwerking bijzondere universiteiten en academische ziekenhuizen
De leden van de CDA-fractie lezen dat in de bijzondere academische ziekenhuizen in
Amsterdam (Vumc) en Nijmegen (Radboudumc) al wordt gewerkt met een GBO19 en een GUO20 en dat hier dus sprake is van codificatie van de bestaande situatie. Deze leden vragen
of dit ook het geval is met betrekking tot het op basis van Hoofdstuk 12 van de wet
verplichte periodiek overleg tussen bestuur van de geneeskundefaculteit en de raad
van bestuur van het academisch ziekenhuis. Wordt hier ook al mee gewerkt in het VUmc
en het Radboudumc of zal deze nieuwe verplichting een wijziging van de huidige praktijk
zijn?
In de structuurregeling die op grond van 12.18 WHW door de Radboudumc is opgesteld,
is opgenomen dat de algemene leiding van de faculteit door het college van bestuur
van de universiteit wordt opgedragen aan de raad van bestuur van het ziekenhuis, met
uitzondering van (de leiding van) onderwijs, onderzoek en de inrichting van de examens.
De decaan (die tevens vicevoorzitter is van de raad van bestuur) voert, overeenkomstig
de reglementen van de universiteit, het bestuur over de faculteit en draagt daarbij
zorg voor onderwijs, onderzoek en de inrichting van de examens. Besluiten betreffende
onderwijs, onderzoek en de inrichting van de examens blijven voorbehouden aan de decaan
en deze neemt die besluiten in overeenstemming met de overige leden van de raad van
bestuur. Omdat de decaan ook vicevoorzitter (en dus lid) van de raad van bestuur is
en de raad van bestuur wekelijks vergadert, kan worden gesteld dat sprake is van overleg
tussen faculteitsbestuur en raad van bestuur.
Zowel in de huidige situatie als ook na de samenvoeging maken de decanen geneeskunde
UvA en VU vanuit hun functie deel uit van de raad van bestuur van Amsterdam UMC. Ook
daarmee wordt invulling gegeven aan de samenwerkingsverplichtingen.
4. Advies en openbare internetconsultatie
De leden van de D66-fractie begrijpen dat ervoor is gekozen om het wetsvoorstel te
wijzigen ten opzichte van de versie die in internetconsultatie is gegaan. Het belangrijkste
verschil is dat de regeling voor de bredere wettelijke inbedding van UMC’s niet meer
in het wetsvoorstel is opgenomen. Deze leden vinden het belangrijk dat het wettelijke
kader en inbedding van het publieke onderwijs en -onderzoek goed aansluit bij de praktijk.
Op die manier kan bijvoorbeeld medezeggenschap en toezicht op een goede manier worden
georganiseerd. De leden zijn benieuwd naar de concrete vervolgstappen van de regering
met betrekking tot de inbedding van de UMC in de WHW.
De regering vindt het van belang dat voor een goede uitwerking onder meer wordt bezien
of in het kader van die samenwerkingsvorm sprake is van evenwichtigheid in de bevoegdheden
en eindverantwoordelijkheden tussen universiteit en academisch ziekenhuis, de (wettelijke)
toedeling van de bevoegdheden van het college van bestuur, de decaan of het faculteitsbestuur
en de raad van toezicht, aan de raad van bestuur, respectievelijk raad van toezicht
van het academisch ziekenhuis en of er sprake is van evenwichtige verhoudingen tussen
medezeggenschap van het UMC en de medezeggenschap op universitair niveau. Ook zal
de rechtspositie van het personeel, dat zowel voor de faculteit geneeskunde als het
academisch ziekenhuis werkzaamheden verricht, moeten worden bezien. De regering zal
deze vraagstukken in afstemming met het veld verkennen, waarbij ook zal worden bezien
of voor deze onderwerpen nader onderzoek nodig is. Als eerste stap in deze verkenning
is een inventarisatie door de departementen van OCW en VWS, in afstemming met het
veld, van voornoemde en eventueel bijkomende vraagstukken. De verdere uitvoering van
deze verkenning en de verslaglegging daarvan, zal in 2023 worden gestart. De regering
zegt toe het verslag te zijner te delen met uw Kamer. De uitkomsten van de verkenning
en eventueel nader onderzoek zullen de basis zijn voor de keuze van de regering op
welke wijze de huidige regelgeving moet worden aangepast. Een dergelijke aanpassing
zal dan in een dan daarvoor geschikt wetsvoorstel worden opgenomen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat een adequate inbedding van UMC’s in het stelsel
van wet- en regelgeving nog nadere gedachtevorming behoeft. In de memorie van toelichting
wordt echter niet onderbouwd wat de nut en noodzaak is van inbedding van UMC’s in
de wet. Deze leden vragen daarom of de regering (kort) kan aangeven wat de nut en
noodzaak hiervan is en welke doelen behaald moeten worden door het in de wet opnemen
van UMC’s. Welke problemen worden op dit moment in de praktijk ervaren die ontstaan
doordat UMC’s niet in de wet zijn opgenomen?
De wettelijke bepalingen die zien op de samenwerking tussen academische ziekenhuizen
en universiteiten, zoals opgenomen in hoofdstuk 12 van de WHW, vinden hun oorsprong
in wetgeving uit 1993. Sinds de inwerkingtreding van deze wettelijke bepalingen is
de samenwerking tussen universiteiten en academische ziekenhuizen verder uitgebouwd
en zijn verschillende samenwerkingsvormen ontstaan. De kaders die de wet hiervoor
biedt zijn ten volle benut en soms zijn de grenzen opgezocht. De wet is niet meegegroeid
met de UMC-vorming die in de loop van de jaren negentig heeft plaatsgevonden. De regering
vindt het van belang dat wet- en regelgeving actueel en toepasbaar is op de actuele
situaties bij de huidige umc’s. Zo zijn in de huidige situatie het academisch ziekenhuis
en de (faculteit geneeskunde van de) universiteit steeds meer met elkaar verweven
geraakt, terwijl in de huidige wet- en regelgeving strikt een onderscheid wordt gemaakt
tussen de taken en verantwoordelijkheden van het academisch ziekenhuis enerzijds en
de (faculteit geneeskunde van de) universiteit anderzijds.
De leden als voornoemd vragen of de regering op hoofdlijnen kan aangeven wat de reactie
op het wetsvoorstel is geweest van de twee betrokken academische ziekenhuizen (het
AMC en het Vumc), de hieraan verbonden universiteiten (de UvA en de VU) en de RU21.
AMC, Vumc, UvA en VU hebben gezamenlijk op de conceptversie van het wetsvoorstel gereageerd.
De inhoudelijke opmerkingen hadden hoofdzakelijk betrekking op de wijze waarop de
UMC’s (toen nog onderdeel van het wetsvoorstel) geregeld werden. Over het wetsvoorstel
is veelvuldig contact geweest met de betrokken instellingen. Het voorstel zoals het
er nu ligt voorziet in de behoefte van AMC en Vumc (en de UvA en VU) dat het academisch
ziekenhuis samengevoegd gaat worden, waarna Amsterdam UMC aan beide universiteiten
verbonden zal zijn.
De Radboud Universiteit heeft ook gereageerd op het concept wetsvoorstel. Zij kunnen
zich vinden in de wijze waarop de specifieke situatie van de Radboud Universiteit
(uitgaande van de Stichting Radboud Universiteit) in de bijlage bij de WHW wordt geregeld.
Verder hebben zij opmerkingen gemaakt over de wijze waarop de UMC’s aanvankelijk in
dit wetsvoorstel werden geregeld. Zoals eerder gememoreerd is gekozen om de UMC-vorming
niet in dit wetsvoorstel mee te nemen. Daarvoor dient – kort gezegd – een nadere verkenning
plaats te vinden.
5. Inwerkingtreding
De leden van de VVD-fractie vragen waarom er in dit proces tijd verloren is gegaan.
De beoogde inwerkingtreding was voorzien op 1 januari 2023, maar nu is dat verlaat
naar 1 januari 2024.
De regering hecht er aan dat bij de totstandstandkoming van een wetsvoorstel alle
belanghebbenden zorgvuldig worden betrokken en gehoord. Dit heeft er inzake het onderhavige
wetsvoorstel toe geleid dat er, naar aanleiding van de opmerkingen uit de internetconsultatie,
opnieuw doordenking en afstemming met het veld en het Ministerie van VWS heeft plaatsgevonden.
Dit heeft gevolgen gehad voor de doorlooptijd van dit wetsvoorstel. Om boekhoudkundige
redenen is inwerkingtreding van het onderhavige wetsvoorstel met ingang van enig kalenderjaar
gewenst. Amsterdam UMC heeft kenbaar gemaakt dat zij in beginsel alle ten behoeve
van dit wetsvoorstel noodzakelijke voorbereidende handelingen eind van het kalenderjaar
(2023) kan afronden.
Artikelsgewijze toelichting
Artikel I
Onderdeel C
De leden van de CDA-fractie constateren dat niet langer per artikel wordt uitgeschreven
welke bepalingen de openbare ziekenhuizen regelen en welke bepalingen bekostigingsvoorwaarden
zijn voor bijzondere ziekenhuizen. De leden vragen of met deze wijziging in de praktijk
wijzigingen worden doorgevoerd in de bekostigingsvoorwaarden of dat dit slechts een
wetstechnische wijziging betreft.
De aanpassing van artikel 1.15 WHW betreft een wetstechnische wijziging. In de verschillende
hoofdstukken (hoofdstuk 2, hoofdstuk 4 en hoofdstuk 12) is in de reikwijdtebepaling
opgenomen welke bepalingen gelden voor de academische ziekenhuizen. Hierin is in hoofdstuk
2 en hoofdstuk 4 geen wijziging aangebracht. Wel is in hoofdstuk 12 bepaald dat de
bepalingen omtrent het gemeenschappelijk beleidsorgaan en het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan
– ook – van toepassing zijn op de academische ziekenhuizen die verbonden zijn aan
een bijzondere universiteit. Deze inhoudelijke wijziging komt voort uit de ontwikkeling
dat de academische ziekenhuizen en de universiteiten niet meer uitgaan van eenzelfde
rechtspersoon. Dit maakt dat het noodzakelijk is – en dat gebeurt in de praktijk ook
– dat afstemming plaatsvindt tussen het academisch ziekenhuis en de universiteit.
Onderdeel G
De leden van de CDA-fractie zien dat artikel 12.18, eerste lid van de WHW (Structuurregeling,
inlichtingenplicht, jaarverslag bijzonder academisch ziekenhuis) zodanig wordt gewijzigd
dat het bestuur van het bijzondere academisch ziekenhuis de regels vaststelt inzake
het bestuur en de inrichting van die academisch ziekenhuizen, in afstemming met het
bestuur van de betreffende universiteit. Deze leden vragen wat in dit verband «in
afstemming met» precies inhoudt. Gaat het hier om het vaststellen van de regels na
overleg, in overleg of in overeenstemming met het bestuur van de universiteit?
Bedoeld is tot uitdrukking te brengen dat de bijzondere academische ziekenhuizen de
regelen pas vaststellen na overleg met de universiteit waaraan het ziekenhuis is verbonden.
Dit sluit ook aan bij de bepalingen omtrent het gemeenschappelijk beleidsorgaan en
het gemeenschappelijk uitvoeringsorgaan.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H. Dijkgraaf
Indieners
R.H. Dijkgraaf, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap