Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag schriftelijk overleg over de openbare jaarverantwoording eerstelijnscoalitie (Kamerstuk 33578-92)
2023D14205 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
In de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport bestond bij enkele fracties
behoefte een aantal vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister voor Langdurige
Zorg en Sport over de uitkomsten van het overleg met de eerstelijnscoalitie over de
uitvoering van de openbare jaarverantwoording1.
De voorzitter van de commissie,
Smals
Adjunct-griffier van de commissie,
Heller
Inhoudsopgave
I.
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks- en PvdA-fractie
5
II.
Reactie van de Minister
6
I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de uitkomsten van het overleg met de eerstelijnscoalitie over de uitvoering van de
openbare jaarverantwoording. De leden danken de Minister voor haar brief en hebben
hierbij nog enkele vragen.
De leden van de VVD-fractie lezen dat er verschil van inzicht blijft bestaan over
de toegevoegde waarde, nut en noodzaak van de openbare jaarverantwoording. In een
alternatief voorstel dat door de eerstelijnscoalitie is voorgelegd, wordt gepleit
voor een uitzonderingspositie voor de eerstelijnszorg en/of voor kleinere zorgaanbieders
tot een bepaalde omzetgrens, omdat de gevraagde tijdsinvestering voor deze groep niet
opweegt tegen wat het oplevert. De leden van de VVD-fractie willen dat de zorg zo
min mogelijk met onnodige administratieve lasten te maken krijgt, maar dat neemt niet
weg dat daar waar publiek geld besteed wordt, er ook een vorm van verantwoording nodig
is. Deze leden waarderen de inzet van zowel de eerstelijnscoalitie als de Minister
om tot een minimum aan administratieve druk te komen bij deze verantwoording. Zij
vragen de Minister wat de onderbouwing is van de kosten en de baten die de eerstelijnscoalitie
bij het alternatieve voorstel onderstreept. In hoeverre vinden er door kleine zorgaanbieders
onrechtmatigheden plaats met publiek geld?
De leden van de VVD-fractie merken op dat het terugdringen van administratieve lastendruk
een prioriteit is binnen het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. Er
lopen hier verscheidene trajecten voor, waaronder «(Ont)regel de Zorg». Deze leden
ontvangen berichten dat vooral kleine zorgaanbieders worstelen met de complexe formulieren
voor de jaarverantwoording en hebben hier ook geen capaciteit voor. Hoe wil de Minister
deze kleinere zorgaanbieders hierin ondersteunen?
Voor de leden van de VVD-fractie is het verlagen van de administratieve lastendruk
een belangrijk onderwerp en zij merken op dat er vanuit de overheid al acties zijn
gestart om dit daadwerkelijk te verlagen, maar dat dit in de praktijk niet altijd
tot uitvoering wordt gebracht. Hierbij valt de denken aan de afschaffing van de 5-minutenregistratie
in de wijkverpleging. Kan de Minister aangeven waarom het in de praktijk niet tot
uitvoering komt? En wat kan de Minister doen om dit soort voorstellen gewoon tot effectief
resultaat te brengen, waardoor in de praktijk administratieve lasten dalen, in plaats
van steeds met ideeën te moeten komen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister omtrent
de openbare jaarverantwoording en de daarbij horende stukken. Allereerst willen zij
benadrukken dat het teleurstellend is dat de Minister er niet in is geslaagd om gezamenlijk
met de eerstelijnscoalitie te komen tot een overeenstemming over de nut en noodzaak
van de jaarverantwoording. Er is veel moeite gestoken om draagvlak te creëren en in
gezamenlijkheid afspraken te maken, maar er is een blijvend verschil van inzicht ontstaan
over het instrument. Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen
naar aanleiding van de brief van de Minister.
De leden van de D66-fractie constateren dat de Minister solopraktijken uitzondert
van de jaarverantwoordingsplicht tenzij een waarnemer wordt ingezet tijdens afwezigheid van de zorgverlener. In de praktijk
denken genoemde leden dat dit betekent dat bijna iedere solopraktijkhouder onder de verplichting valt. Vaak wordt bij vakantie of ziekte iemand
ingehuurd, waarmee de continuïteit van zorg voor cliënten wordt geborgd. Dat betekent
dat solopraktijken, zoals bijvoorbeeld veel logopedisten, tóch worden geconfronteerd
met de verantwoordingsplicht. Kan de Minister hierop reflecteren? Is zij het met de
leden van de D66-fractie eens dat dit een negatief effect kan hebben op het nu al
dreigende tekort aan logopedisten? En is de Minister het met de leden van de D66-fractie
eens dat dit een ongewenste prikkel kan veroorzaken, namelijk dat solopraktijkhouders
dan maar geen waarnemer inhuren, waardoor de continuïteit van zorg wordt belemmerd?
De Minister schrijft dat als er onbedoelde disproportionele effecten optreden met
de invoering van deze jaarverantwoording, dit ter sprake zal komen in de commissie.
De leden van de D66-fractie geven er de voorkeur aan dat de Minister zelf, proactief
onderzoekt of de jaarverantwoording geen onbedoelde effecten met zich meebrengt. Zo
wordt in het meegestuurde onderzoek van bureau Improven een tijdsdruk-inschatting
gemaakt. De leden van de D66-fractie willen van de Minister weten of zij bereid is
om een invoeringstoets na een jaar (na invoering) te laten uitvoeren en of zij onder
andere lettend op de tijdsdruk waar nodig zal bijsturen.
In de brief van de Minister staat het volgende: «Ik realiseer mij dat er, zoals de eerstelijnscoalitie heeft aangegeven, opmerkingen
te maken zijn over de wijze waarop het onderzoek is uitgevoerd, maar dat tast de conclusies
niet aan.» De leden van de D66-fractie willen graag van de Minister een toelichting wat voor
opmerkingen dit zoal zijn en waarom zij ervan overtuigd is dat deze geen invloed hebben
op de conclusies van het onderzoek.
De leden van de D66-fractie zijn blij dat er werk gemaakt is van digitale voorlichting
over de nieuwe wijze van jaarverantwoording. Echter, deze leden willen graag van de
Minister weten welke niet-digitale voorlichting er is voor zorgaanbieders. Kan de
Minister ook reflecteren of zij een hulplijn, bijvoorbeeld bij de Nederlandse Zorgautoriteit
(NZa), nuttig acht om zorgaanbieders te ondersteunen bij de verantwoording?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie maken graag van de gelegenheid gebruik om enkele aanvullende
vragen te stellen over de brief van de Minister. Hoe staat het bijvoorbeeld met de
toezegging aan het lid Van den Berg in het najaar van 2022 om te kijken hoe verantwoording
aan de NZa, Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (IGJ) en zorgverleners eenduidiger
kan worden omdat ze nu dezelfde zaken net iets anders vragen?
De leden van de CDA-fractie hebben begrepen dat de kwaliteit van het onderzoek van
het bureau Improven onvoldoende is, omdat de conclusies zijn gebaseerd op de inschatting
van de onderzoekers en de inbreng van slechts één zorgverlener. Kan de Minister hierop
reflecteren? Klopt het dat de eerstelijnscoalitie nog altijd geen schriftelijke reactie
heeft gehad op hun alternatieve voorstel? Kan de Minister toelichten waarom niet?
Klopt het dat de reactie van de coalitie van accountants op het Improven-rapport ook
negatief was? Is de Minister vervolgens opnieuw het gesprek met de eerstelijnscoalitie
aangegaan? Zo ja, hoe verliep dat? Zo nee, waarom niet?
De leden van de het CDA-fractie vernemen dat de eerstelijnscoalitie signalen krijgt
van zorgverleners die sterk overwegen niet aan de verplichtingen rondom de jaarverantwoording
te voldoen, ondanks de bekendheid met de eventuele sancties. Sommigen van hen roepen
actief op tot burgerlijke ongehoorzaamheid. Hoe duidt de Minister het ontbreken van
het algemene draagvlak voor de jaarverantwoordingsplicht onder zorgaanbieders voor
wie deze verplichting nieuw is?
Herkent de Minister berichten uit het veld dat de grens van 25 personen voor een verplichte
Raad van Toezicht te laag is en dat bijvoorbeeld huisartsenpraktijken daarom nu niet
willen uitbreiden terwijl dat wel goed zou zijn voor het zorgaanbod?
De eerstelijnscoalitie krijgt van haar achterban concrete voorbeelden die laten zien
dat de jaarverantwoordingsplicht in de praktijk veel vragen en onduidelijkheden oproept.
De NZa-vragenlijst bevat vele onduidelijkheden voor zorgaanbieders. De handreikingen
die de NZa heeft ontwikkeld ter ondersteuning van het invullen van de NZa-vragenlijst
blijken onvoldoende behulpzaam. Ook de accountants- en administratiekantoren gespecialiseerd
in de zorgsector signaleren voor het financiële gedeelte van de jaarverantwoording
de nodige serieuze uitvoeringsproblemen; dit in verband met de capaciteit en gestelde
deadlines. Onderkent de Minister dit? Als inhoudelijk voorbeeld noemen zij onder meer
de verplichting de jaarrekening op te maken op commerciële waarderingsgrondslagen.
Het opstellen van een «fiscale jaarrekening» is tot dusver gebruikelijk en onder meer
geschikt voor de belastingaangifte. De kantoren geven aan dat de verplichte «stelselwijziging»
op basis van de Regeling openbare jaarverantwoording Wet Marktordening Gezondheidszorg
(WMG) veel impact heeft. Het maakt extra toelichten en herrekenen noodzakelijk, hetgeen
(sterk) kostenverhogend werkt. Aan de andere kant levert het ook geen reëler beeld
op van de marge van de zorgaanbieder. Vaak zelfs in tegendeel. Hoe beoordeelt de Minister
bovenstaande signalen?
Op welke termijn vindt de invoering plaats van de voorgenomen tijdelijke verruiming
van de openbaarmakingstermijnen (behandeling Verzamelwet en uitwerking in ministeriële
regeling)? Immers, de deadline voor het indienen van een uitstelverzoek bij de NZa
voor zorgaanbieders die wel voor 1 juni 2023 openbaar dienen te maken is op 31 maart
al verstreken en is beperkt tot overmachtssituaties. In het verlengde daarvan vragen
de leden van de CDA-fractie of de Minister voornemens is de genoemde tijdelijke verruiming
in een later stadium structureel door te voeren. De door de accountants- en administratiekantoren
geschetste structurele problematiek die ten grondslag ligt aan het verzoek om verruiming,
zal na twee jaar tijdelijke verruiming niet verholpen zijn.
Voor eenmanszaken is de financiële verantwoording beperkt tot een aantal financiële
ratio’s, zoals de liquiditeit en solvabiliteit, waardoor bijvoorbeeld het individuele
inkomen van de eigenaar niet openbaar wordt gemaakt. Dit punt speelt evenzeer voor
zorgaanbieders die slechts enkele praktijkhouders kennen, maar ook voor Bv’s met één
of meerdere directeur-grootaandeelhouders (DGA’s). Voor bijvoorbeeld duo maatschappen
is zeer eenvoudig het inkomen van de beide maten te herleiden. Heeft de Minister oog
voor de risico’s die de openbare financiële verantwoording met zich meebrengt voor
de privacy en de veiligheid van zorgaanbieders (anders dan eenmanszaken) die een jaarrekening
moeten publiceren? Hoe duidt de Minister dit in het licht van de recente ontwikkelingen
ten aanzien van openbaarheid van gegevens in het UBO-register en hoe daarover is geoordeeld
door het Hof van Justitie van de Europese Unie, met name in de context van toenemende
agressie tegen (eerstelijns)zorgverleners?
Volgens de Minister vallen solopraktijken niet onder de jaarverantwoordingsplicht
tenzij een waarnemer wordt ingezet tijdens afwezigheid van de zorgverlener. In de
praktijk betekent dit toch dat iedere solopraktijkhouder onder de verplichting valt?
Het is immers gebruikelijk om bij vakanties of ziekte een waarnemer in te huren, waarmee
de continuïteit van zorg voor cliënten wordt geborgd. Dat is van grote betekenis voor
uiteenlopende groepen patiënten en cliënten. Met het oog op het bovenstaande, zouden
genoemde leden graag een reactie van de Minister krijgen op dit specifieke punt.
De eerstelijnscoalitie krijgt signalen dat solisten die niet jaarverantwoordingsplichtig
zijn, zich hiervoor actief dienen «af te melden» bij het CIBG. Dit dient blijkbaar
te gebeuren middels een contactformulier op de website van het CIBG, met daarbij vermelding
van KvK-nummer alsmede de reden van afmelding. Voor de eerstelijnscoalitie en hun
achterbannen komt dit volledig uit het niets. Los daarvan, kan het toch niet de bedoeling
zijn dat wanneer er géén jaarverantwoordingsplicht geldt, deze groep alsnog administratieve
handelingen dient te verrichten, om zich hiervoor af te melden? Immers, op grond van
wet- en regelgeving vallen zij toch niet onder deze verplichting.
Klopt het dat huisartsen aan de belastingdienst allerlei informatie over zzp-ers moeten
aanleveren die ze niet voorhanden hebben in verband met de renseigneringsverplichting?
Wat betekent dit voor de administratieve lastendruk van de huisartsen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de SP-fractie
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister. Zij
hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de SP-fractie constateren dat de eerstelijnscoalitie forse kritiek heeft
geleverd op de analyse van Improven. Kan de Minister met een reactie komen op deze
kritiek? De eerstelijnscoalitie stelt onder andere dat er slechts één zorgaanbieder
is geïnterviewd. Klopt dit?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks- en PvdA-fractie
De leden van de GroenLinks- en PvdA-fractie hebben kennisgenomen van de onderliggende
stukken. Genoemde leden hebben twee uitgangspunten: fraude aanpakken enerzijds en
de regeldruk verminderen anderzijds. Tijdens de behandeling van de Wet Toetreding
Zorgaanbieders benadrukte beide indieners dat de wet ook proportioneel moet zijn wat
betreft fraude en verantwoording. Wat deze leden betreft vraagt dit om een praktische
aanpak. Het feit dat de onderzoekers in onderliggend rapport de regeldruk niet hebben
getoetst in de praktijk omvat precies de kern waar het in dezen mis is gegaan, aldus
genoemde leden. Waarom heeft dit onderzoek geen daadwerkelijke praktijktoets gedaan,
vragen zij de Minister. Recent nog constateerde de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving
(RVS) dat de eerstelijnszorg enorm onder druk staat.
De leden van de GroenLinks- én PvdA-fractie vragen de Minister tevens wat de toegevoegde
waarde is van openbare jaarverantwoording voor de huisartsenpraktijken. Zij hebben
een contract met een zorgverzekeraar en worden gecontroleerd door een accountant.
Genoemde leden vragen de Minister of de meeste administratieve lasten voortkomen vanuit
de openbare vragenlijst. Vanuit welk wetsartikel is deze openbare vragenlijst verplicht?
Kan de Minister bevestigen dat de openbare vragenlijst niet voortvloeit uit het amendement
Ellemeet c.s.? Immers spreekt het voornoemde amendement enkel over financiële verantwoording
en stelt het volledig aan te sluiten bij de bestaande administratie.
II. Reactie van de Minister
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
B.M.G. Smals, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M. Heller, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.