Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 153 Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 2 februari 2023
ALGEMEEN DEEL
Inleiding
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voorstel
van wet tot wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening in verband met de
herschikte Bewijsverkrijgingsverordening (hierna: het wetsvoorstel). Zij onderschrijven
de noodzaak van grensoverschrijdende samenwerking van gerechten van de verschillende
EU-lidstaten om bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken te bevorderen. Zij
stellen nog enkele vragen.
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Zij ondersteunen
het streven om het contact tussen gerechten van EU-lidstaten eenvoudiger en efficiënter
te laten verlopen. Zij hebben dan ook met belangstelling kennisgenomen van het voorstel,
en hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het wetvoorstel en hebben vooralsnog
geen verdere vragen.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel. Deze leden onderschrijven
het belang van bewijsverkrijging via digitale weg in andere lidstaten. Toch hebben
zij nog enkele vragen.
Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van de opmerkingen en de vragen van de
leden van de fracties van de VVD, het CDA, D66 en de SP. Graag ga ik in deze nota
in op de gestelde vragen en de gemaakte opmerkingen. Daarbij sluit ik zoveel mogelijk
aan bij de in het verslag gekozen paragraafindeling en volgorde van vraagstelling.
Omdat ik de vragen van verschillende fracties over eenzelfde aspect van de voorgestelde
regeling voor de overzichtelijkheid gezamenlijk beantwoord, wijkt in een aantal gevallen
de volgorde waarin de vragen worden beantwoord iets af van de volgorde waarin de vragen
in het verslag zijn opgenomen.
1. Hoofdlijnen van het voorstel
De leden van de VVD-fractie merken op dat de herschikte Bewijsverkrijgingsverordening
de bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken bevordert. Deze leden wijzen erop
dat het wederzijdse vertrouwen van de EU-lidstaten in elkaars rechtssysteem ook een
essentiële rol speelt bij de bewijsverkrijging in (grensoverschrijdende) strafzaken.
Welke initiatieven zijn er op dit moment om de digitalisering van de bewijsverkrijging
in strafzaken te bevorderen? In het bijzonder vragen deze leden een reflectie van
de regering op het bevorderen van de mogelijkheden voor videoconferenties in strafzaken.
Wat is het standpunt van de regering over het bevorderen van mogelijkheden voor videoconferenties
in strafzaken? Deelt de regering de mening dat er veel efficiënter en sneller kan
worden gewerkt in grensoverschrijdende strafzaken als de mogelijkheden voor het houden
van het horen van getuigen of het onderzoek ter terechtzitting via videoconferentie
worden verruimd?
De bewijsverkrijgingsverordening is van toepassing op bewijsverkrijging in burgerlijke
of in handelszaken en is daarmee niet van toepassing op de bewijsverkrijging in het
kader van de strafvordering. In het kader van de modernisering van het Wetboek van
Strafvordering wordt de ontwikkeling van verdere digitalisering voortgezet. Ter gelegenheid
van de indiening van de wetgeving tot vaststelling van een nieuw Wetboek van Strafvordering
zal de regering hierop nader ingaan. Met betrekking tot het gebruik van videoconferentie
in grensoverschrijdende strafrechtelijke procedures verwijs ik graag naar het standpunt
zoals verwoord in de Kamerbrief d.d. 14 oktober jl. met betrekking tot uitvoeringsaspecten
van de voorgestelde verordening en richtlijn digitalisering justitiële samenwerking
en toegang tot het recht (hierna: het e-Justicevoorstel).1 Dit e-Justicevoorstel omvat een regeling voor het horen van een verdachte of veroordeelde
in strafrechtelijke procedures. Een dergelijk verhoor zal kunnen worden toegestaan,
mits daarvoor de betreffende technologie aanwezig is, de bijzondere omstandigheden
van het geval de inzet van de technologie rechtvaardigen, en de verdachte of veroordeelde
zijn instemming heeft gegeven. Daarnaast behoort de verdachte, zo stelt het e-Justicevoorstel,
toegang tot een rechtsmiddel te hebben indien hij het niet eens is met de beslissing
tot inzet van videoconferentie. Het voorstel volgt hierbij de systematiek die bekend
is van reeds bestaande Europese juridische instrumenten, zoals het Europees bewijsverkrijgingsbevel
en het Europees onderzoeksbevel. Het is de verwachting van de regering dat het regelen
van de inzet van videoconferentie in grensoverschrijdende strafrechtelijke procedures,
zoals voorzien in het e-Justicevoorstel, bijdraagt aan de efficiëntie en snelheid
waarmee in grensoverschrijdende strafrechtelijke procedures wordt samengewerkt.
2. Korte inhoud Bewijsverkrijgingsverordening
De leden van de D66-fractie lezen in de memorie van toelichting dat er verscheidene
manieren van grensoverschrijdende bewijsverkrijging mogelijk zijn. Een van deze mogelijkheden
is het verkrijgen van bewijs door de Nederlandse rechter via Nederlandse diplomatieke
of consulaire ambtenaren in een andere lidstaat. De aan het woord zijnde leden lezen
in het consultatieadvies van de Raad voor de Rechtspraak (Rvdr) dat het niet duidelijk
is hoe de Nederlandse procesrechtelijke regels omtrent het getuigenverhoor worden
gewaarborgd wanneer getuigen via de Nederlandse ambassade of het Nederlandse consulaat
worden gehoord. Kan de regering nader toelichten welke waarborgen worden geïmplementeerd
opdat de Nederlandse procesrechtelijke regels niet worden geschonden?
Het horen van getuigen door Nederlandse consulaire ambtenaren is op dit moment al
mogelijk op grond van het Haags Bewijsverdrag. De praktijk wijst uit dat dergelijke
ondervragingen worden gedaan door de rechter via videoconference, waarbij de getuige
zich in de ambassade bevindt. Dit wetsvoorstel bevat geen bepaling die artikel 21
van de herschikte verordening uitvoert. Ook om die reden wordt niet voorzien in nadere
waarborgen omtrent het horen van getuigen via de Nederlandse ambassade of het Nederlandse
consulaat.
De leden van de SP-fractie begrijpen dat de verordening in zijn geheel pas in 2025
actief wordt. Toch geldt de verordening al sinds 1 juli, terwijl er nog wordt gewerkt
aan de technische mogelijkheid om alle Europese gerechtelijke instanties op e-Justice
Communication through Online Data Exchange (e-CODEX) aan te laten sluiten. Zou het
niet beter zijn dat eerst alles technisch in orde wordt gebracht alvorens een verordening
in werking treedt, zo vragen deze leden.
De verordening is voor het grootste deel van toepassing geworden op 1 juli 2022. Dat
is alleen anders voor het deel van de verordening dat ziet op de technische uitvoering
ofwel de digitalisering (artikel 7), welk deel pas van toepassing wordt met ingang
van de eerste dag van de maand volgend op de periode van drie jaar na de datum van
inwerkingtreding van de uitvoeringshandelingen. Deze uitvoeringshandelingen zijn in
werking getreden op 4 april 2022, hetgeen betekent dat artikel 7 van de verordening
op 1 mei 2025 van toepassing wordt. De technische implementatie dient ook op die datum
te zijn afgerond.
4. Gegevensbescherming en privacy
De leden van de D66-fractie menen dat het waarborgen van de privacy van burgers, zeker
wanneer het gaat om gerechtelijke informatie, van groot belang is. Het in te voeren
systeem voor digitale informatie-uitwisseling tussen verschillende justitiële autoriteiten
van de lidstaten dient te zijn gebaseerd op een volledig betrouwbare en beveiligde
technische oplossing. Uit de memorie van toelichting blijkt dat er tussen de betrokken
instanties overleg wordt gevoerd over de technische uitvoering. Wordt de Autoriteit
Persoonsgegevens ook betrokken bij de overwegingen voor de technische uitvoering?
Kan de regering toelichten waarom de Autoriteit Persoonsgegevens niet om advies is
gevraagd in de voorbereiding van dit wetsvoorstel?
In de voorbereidende fase van het wetsvoorstel is nagedacht over de vraag of een privacy
impact assessment zou moeten worden gedaan en of de Autoriteit persoonsgegevens om
advies zou moeten worden gevraagd. Omdat het wetsvoorstel geen nieuwe verwerking van
persoonsgegevens bevat – het gaat immers om uitwisseling van gegevens die ook nu al
onder de huidige verordening worden uitgewisseld – en er geen hoog risico is voor
de rechten en vrijheden van natuurlijke personen, is er geen DPIA opgesteld. Het betreft
het digitaliseren van de gegevensuitwisseling tussen justitiële autoriteiten waar
voor de technische uitvoering aansluiting wordt gezocht bij e-CODEX. Hierom en omdat
er geen beleidsruimte is gelaten voor de lidstaten bij de uitvoering van de verordening
ten aanzien van de wijze van verwerken van persoonsgegevens, is ook geen advies gevraagd
aan de Autoriteit persoonsgegevens. Indien in de feitelijke uitvoering als gevolg
van de herziening van de bewijsverkrijgingsverordening keuzes worden gemaakt die de
verwerking van persoonsgegevens raken, zal de Autoriteit Persoonsgegevens om advies
worden gevraagd.
8. Financiële gevolgen
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de adviezen
van de Raad voor de Rechtspraak en de Nederlandse Orde van Advocaten. Beiden benadrukken
het belang van voldoende tijd, mankracht en middelen om de aansluiting van de nationale
ICT-systemen op e-Codex te kunnen realiseren. Uit de paragraaf over de financiële
gevolgen in de memorie van toelichting blijkt niet of de benodigde mankracht en middelen
door de regering in kaart zijn gebracht. Kan de regering toelichten welke mankracht,
tijd en middelen zij noodzakelijk acht voor een succesvolle aansluiting op het e-Codex
systeem? Hoe is de regering van plan de belasting op de voornoemde organisaties te
faciliteren?
De benodigde resources en financiële middelen voor de implementatie en uitvoering
van zowel de bewijsverkrijgings- als de betekeningsverordening worden met betrokken
organisaties, waaronder de Rechtspraak, momenteel in kaart gebracht. Daarbij worden
verschillende oplossingen onderzocht. De implementatie dient immers in goed overleg
te worden vormgegeven. Relevant daarbij is onder meer de vormgeving van de door de
Europese Commissie aangeboden referentie-implementatiesoftware. De precieze specificaties
hiervan zijn nog niet bekend. Zie hieromtrent ook de eerdergenoemde Kamerbrief d.d.
14 oktober jl.2 De implementatie dient te zijn afgerond op 1 mei 2025.
10. Advies en consultatie
De leden van de VVD-fractie vragen in navolging van een aantal geconsulteerde organisaties
of er voldoende overleg, tijd en aandacht is om de aansluiting van IT-systemen op
e-CODEX mogelijk te maken. Klopt het dat onder regie van de Minister voor Rechtsbescherming
en in samenspraak met de betrokken organisaties de beslissingen worden genomen over
de implementatie van het wetsvoorstel en de aansluiting op e-Codex? Voorts lezen deze
leden dat advies is gevraagd over het wetsvoorstel aan de adviescommissie voor burgerlijk
procesrecht. Kan dit advies met de Kamer worden gedeeld?
De benodigde resources en financiële middelen voor de implementatie en uitvoering
van zowel de bewijsverkrijgings- als de betekeningsverordening worden met betrokken
organisaties, waaronder de Rechtspraak, momenteel in kaart gebracht. Daarbij worden
verschillende oplossingen onderzocht. De implementatie dient immers in goed overleg
te worden vormgegeven. Daarbij kan worden opgemerkt dat e-CODEX een bestaande gemeenschappelijke
dienst is in het justitiedomein en de Nederlandse standaard geeft voor digitale grensoverschrijdende
gegevensuitwisseling. JustID verzorgt de fysieke aansluiting tussen organisaties in
de Nederlandse justitiesector en Europese counterparts.
De bespreking met de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht heeft niet geleid
tot een afzonderlijk advies van de Adviescommissie. Naar aanleiding van het verzoek
van de leden van de VVD-fractie zijn daarom de notulen van de 203e vergadering van
de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht d.d. 16 juni 2021 als bijlage bij onderhavige
nota naar aanleiding van het verslag gevoegd.
De leden van de SP-fractie lezen in het advies van de Raad voor de Rechtspraak diverse
vragen over het horen van getuigen op een Nederlandse ambassade of consulaat maar
hebben nergens de antwoorden op die vragen aangetroffen in de memorie van toelichting.
Kan de regering de vragen alsnog beantwoorden rondom de centrale vraag welk probleem
met dit voorstel wordt opgelost gecodificeerd in artikel I onderdeel M? Hoe wordt
de kwaliteit van deze vorm van bewijsverordening gewaarborgd?
Naar aanleiding van het advies van de Raad voor de rechtspraak is het voorgestelde
artikel over de mogelijkheden van het horen van getuigen door consulaire of diplomatieke
ambtenaren geschrapt. Het maakt niet langer deel uit van het wetsvoorstel. Op die
wijze is tegemoetgekomen aan de vragen van de Raad voor de rechtspraak. Ik verwijs
ook graag naar het antwoord op de in paragraaf 2 (Korte inhoud Bewijsverkrijgingsverordening)
gestelde vraag door de D66-fractie.
11. Inwerkingtreding
De leden van de VVD-fractie vragen of 14 maart 2025 door de uitvoeringspraktijk wordt
gezien als een logische en haalbare datum waarop alle bepalingen in werking treden
en dus alle betrokken organisaties aangesloten dienen te zijn op e-Codex. Wat gebeurt
er als de nationale IT-systemen van sommige EU-lidstaten op die datum nog niet zijn
aangesloten op e-Codex? Welke gevolgen brengt dat met zich mee voor de praktijk?
De implementatie dient te zijn afgerond op 1 mei 2025. Dit is een verplichting waaraan
EU-lidstaten zijn gehouden en die bij niet-naleving een infractieprocedure kan opleveren.
Ook vragen deze leden wat precies wordt bedoeld met de opmerking dat geen overgangsrecht
noodzakelijk zou zijn, omdat de gewijzigde regels slechts «praktisch» van aard zijn.
Kan de regering dat nader toelichten? Er zullen in 2025 procedures aanhangig zijn
gemaakt en worden afgedaan op basis van de huidige verordening, terwijl na maart 2025
andere regels gelden voor de bewijsverkrijging en specifiek voor verzoeken uit een
andere EU-lidstaat aan een gerecht of centraal orgaan in Nederland. Waarom is overgangsrecht
niet noodzakelijk?
Artikel 7 van de herschikte verordening wordt in alle lidstaten rechtstreeks van toepassing
met ingang van de eerste dag van de maand volgend op de periode van drie jaar na de
datum van inwerkingtreding van de in artikel 25 van de herschikte verordening bedoelde
uitvoeringshandelingen. De bedoelde uitvoeringshandelingen zijn in werking getreden
op 4 april 2022, wat betekent dat artikel 7 van toepassing wordt op 1 mei 2025. Artikel
7 bevat regels over de aansluiting op het gedecentraliseerde IT-systeem en het gebruik
daarvan. Omdat artikel 7 rechtstreeks werkt, hoeft de uitvoeringswet op dat punt niet
te worden aangepast. Er moet alleen feitelijk uitvoering worden gegeven aan artikel
7 van de herschikte verordening, door het realiseren van de aansluiting op e-CODEX.
Die feitelijke uitvoering moet zijn afgerond op 1 mei 2025 en daarvoor is geen overgangsrecht
nodig.
De leden van de D66-fractie constateren dat er beperkte implementatieruimte bestaat
in dit wetsvoorstel en dat zij derhalve beperkte ruimte hebben om hun parlementaire
taak tot uitvoering te brengen. In een eerder stadium, wanneer de verordening op Europees
niveau nog niet is vastgesteld, kunnen de aan het woord zijnde leden die taak ten
uitvoer brengen. Daarom achten zij het wenselijk om op dat moment dan ook goed geïnformeerd
te zijn over de consequenties van de verordening in het kader van nationale implementatie.
Acht de regering het mogelijk om, bijvoorbeeld bij het BNC-fiche, de Kamer te informeren
over mogelijke consequenties van een verordening bij nationale implementatie? De aan
het woord zijnde leden overwegen dat een advies van de Raad van State daarvoor mogelijk
een geschikt middel kan zijn. Kan de regering hierop reflecteren?
Ik ben het graag eens met de leden van de D66-fractie dat het van belang is dat de
parlementaire taak kan worden uitgevoerd en dat het belangrijk is om in een vroeg
stadium uitvoeringsconsequenties in beeld te brengen. De regering informeert het parlement
na het verschijnen van een nieuw Europees voorstel met een BNC-fiche. Onderdeel van
dat fiche is een appreciatie van het voorstel, alsmede een inschatting van de financiële
consequenties voor overheden, burgers en bedrijven. Ook de juridische implicaties
van een voorstel krijgen een plek in het BNC-fiche. Zo wordt uiteengezet of naar verwachting
wetgeving zal moeten worden aangepast en zo ja welke wetgeving dat waarschijnlijk
zou zijn. Nadat het BNC-fiche naar het parlement is verzonden, heeft uw Kamer de mogelijkheid
mondelinge of schriftelijke vragen te stellen over het voorstel en het fiche. Eventuele
zorgen en wensen kunnen dan worden meegenomen tijdens de onderhandelingen. Gedurende
de loop van de onderhandelingen wordt uw Kamer via kwartaalrapportages geïnformeerd
over de voortgang. Ook naar aanleiding van dergelijke kwartaalrapportages kunnen –
schriftelijk of mondeling – vragen worden gesteld.
Het vragen van advies aan de Raad van State in de aanloop naar een BNC-fiche is niet
haalbaar. De afspraak is dat een BNC-fiche zes weken na het verschijnen van de Engelstalige
tekst van het voorstel naar uw Kamer wordt gezonden. Deze termijn is van belang om
snel na publicatie van een Commissievoorstel in Brussel te kunnen onderhandelen met
een afgestemd standpunt, maar zes weken is te kort om de Raad van State om advies
te vragen. Daar komt bij dat de inventarisatie van de uitvoeringsconsequenties van
het Commissievoorstel juist tot doel heeft om in de onderhandelingen het Commissievoorstel
bij te sturen daar waar de verwachte gevolgen onevenredig zijn. De uiteindelijke tekst
van een richtlijn of verordening wijkt mede daarom vaak op belangrijke punten af van
het Commissievoorstel.
De Minister voor Rechtsbescherming,
F.M. Weerwind
Indieners
F.M. Weerwind, minister voor Rechtsbescherming