Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 293 Wijziging van de Aanvullingswet bodem Omgevingswet om een omissie in het overgangsrecht te herstellen
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
1. Inleiding
De Aanvullingswet bodem Omgevingswet (hierna: Aanvullingswet) is gepubliceerd in het
Staatsblad (Stb. 2020, 87) en zal tegelijk met de Omgevingswet in werking treden. De Aanvullingswet bevat een
herijking van het bodembeleid en tevens het inbouwen van die nieuwe systematiek in
de Omgevingswet, ter vervanging van de huidige Wet bodembescherming (hierna: Wbb).
In het bestuurlijke implementatietraject is een omissie naar voren gekomen, waarvan
het, in het belang van de uitvoeringspraktijk, wenselijk is om die te herstellen.
Het betreft een wetstechnische reparatie die in overeenstemming is met de beoogde
werking van het overgangsrecht. Deze wordt hierna toegelicht.
2. Hoofdlijnen van het voorstel
2.1 Inhoud van het voorstel
In artikel 13 Wbb is de zorgplicht geregeld. Dat artikel geldt alleen voor zogenoemde
«nieuwe verontreinigingen», dat wil zeggen: ontstaan na 1 januari 1987 (inwerkingtreding
zorgplicht). Wanneer iemand bepaalde, in artikel 13 aangeduide, handelingen in de
bodem verricht en daarbij verontreiniging veroorzaakt, dan verplicht deze bepaling
de veroorzaker om die verontreiniging ongedaan te maken (voor zover redelijkerwijs
mogelijk). Bovendien is de veroorzaker verplicht om de verontreiniging bij het bevoegd
gezag te melden en aan te geven welke maatregelen hij wil treffen of al heeft getroffen.
De meldingsverplichting is opgenomen in artikel 27 Wbb.
Artikel 3.2a van de Aanvullingswet regelt eerbiedigend overgangsrecht voor het handhaven
van die zorgplicht. Artikel 3.2a bepaalt dat de artikelen 13, 27 en 95 van de Wbb
van toepassing blijven op een vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet
veroorzaakte verontreiniging of aantasting als bedoeld in artikel 13 Wbb, ook als
deze na dat tijdstip wordt ontdekt.1 Beoogd is dat de handhaving van de zorgplicht kan worden voortgezet (via artikel 95
Wbb) en ook de melding in artikel 27 Wbb.
Echter, omdat in artikel 3.2a een verwijzing naar artikel 88 Wbb ontbreekt, heeft
de huidige formulering het onbedoelde effect dat een melding van een verontreiniging
of aantasting op grond van artikel 13 Wbb altijd bij de provincie moet worden gedaan.
Hetzelfde geldt voor aanwijzingen die alleen kunnen worden gegeven door de provincie
(bijvoorbeeld over te nemen maatregelen).
Door het toevoegen van artikel 88 aan de opsomming in artikel 3.2a van de Aanvullingswet
wordt bereikt dat, na inwerkingtreding van de Omgevingswet, de aangewezen grote gemeenten2 bevoegd gezag blijven om een melding in ontvangst te nemen of een aanwijzing ex artikel 27
Wbb na overtreding van de zorgplicht ex artikel 13 Wbb te geven. Ook de handhaving
van de naleving van die aanwijzingen berust dan bij zowel provincies als de bevoegd
gezag gemeenten, zoals ook is beoogd en in lijn met de algemene lijn in het eerbiedigend
overgangsrecht in de Aanvullingswet. Voor toezicht en handhaving van artikel 13 Wbb
zelf was het bevoegd gezag al geregeld door de verwijzing in artikel 3.2a van de Aanvullingswet
naar artikel 95 Wbb.
2.2 Verhouding met de Verzamelwet Omgevingswet 2023
De onvolkomenheid die dit wetsvoorstel beoogt op te lossen vormt geen belemmering
om met de Omgevingswet te werken, maar het zou wel zeer wenselijk zijn deze nog voor
inwerkingtreding van de Omgevingswet op te lossen. Er zou immers door het overgangsrecht
een bevoegdheidsoverdracht van gemeenten naar provincies optreden die vervolgens op
een later moment weer teruggedraaid zou moeten worden. Om de kans te vergroten dat
deze wijziging nog vóór inwerkingtreding van het nieuwe stelsel tot stand komt, kiest
de regering ervoor om dit wetsvoorstel niet op te nemen in het in voorbereiding zijnde
wetsvoorstel van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening, waarmee
een aantal andere wetstechnische onvolkomenheden in de Omgevingswet zelf en met de
Omgevingswet verband houdende wetten wordt opgelost. Ook voor het wetsvoorstel van
de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening geldt overigens dat gestreefd
wordt naar afronding van de behandeling voor de beoogde inwerkingtreding van de Omgevingswet,
maar voor de verzamelwet is dat tijdstip minder urgent. De onvolkomenheden die via
het wetsvoorstel van de Minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening worden
gecorrigeerd vormen, net als het herstel van deze omissie, geen belemmering om met
de Omgevingswet te werken.
3. Gevolgen van het voorstel
Deze wijziging leidt niet tot een verzwaring van de uitvoeringslasten. Immers het
toevoegen van artikel 88 Wbb aan artikel 3.2a van de Aanvullingswet was al beoogd
in de Aanvullingswet. In de berekeningen van de administratieve en uitvoeringslasten
van de Aanvullingswet is er al vanuit gegaan dat er geen veranderingen zouden zijn
in de bevoegdheidsverdeling ten opzichte van die onder de Wbb. Dit wetsvoorstel ondervangt
de nadelige gevolgen voor decentrale overheden die zouden ontstaan zonder de toevoeging
van artikel 88 Wbb (nader toegelicht in de volgende paragraaf).
4. Uitvoering en handhaving
Artikel 95 Wbb is opgenomen in artikel 3.2a van de Aanvullingswet. Hierdoor is al
geborgd dat de bestuursrechtelijke handhaving van artikel 13 Wbb ook na inwerkingtreding
van de Omgevingswet door zowel provincies als gemeenten plaats kan blijven vinden.
Door het met dit wetsvoorstel toevoegen van artikel 88 Wbb wordt nu ook geregeld dat
provincies en aangewezen gemeenten bevoegd gezag blijven voor het in ontvangst nemen
van meldingen en het geven van aanwijzingen in zorgplichtsituaties, die pas na inwerkingtreding
van de Omgevingswet worden ontdekt. Hiermee wordt een onbedoelde verschuiving van
taken voorkomen, omdat de huidige bevoegdheden in artikel 27 Wbb onbedoeld zouden
verschuiven van de aangewezen bevoegd gezag Wbb gemeenten naar de provincies. Wanneer
deze omissie niet zou worden hersteld, zouden de provincies na inwerkingtreding van
de Omgevingswet onbedoeld belast worden met extra werkzaamheden in zorgplichtsituaties.
5. Advies en consultatie
Internetconsultatie heeft in dit specifieke geval niet of nauwelijks toegevoegde waarde
aangezien het een wetstechnische reparatie betreft en de consultatie niet tot een
andere wijze van vormgeven kan leiden3.
Om dezelfde reden heeft geen aanvullende handhaafbaarheids- of uitvoerbaarheidstoets
plaatsgevonden. De beoogde werking van het overgangsrecht was al meegenomen in de
oorspronkelijke toetsen en dit wetsvoorstel is in lijn met die beoogde werking.
Wel heeft een korte bestuurlijke consultatie plaatsgevonden bij de betrokken koepels
van decentrale overheden Interprovinciaal Overleg (IPO) en Vereniging Nederlandse
Gemeenten (VNG). IPO en VNG hebben de onvolkomenheid gesignaleerd en hebben gezamenlijk
verzocht om de nu voorgestelde reparatie.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor
een formeel advies, omdat het naar verwachting geen omvangrijke gevolgen voor de regeldruk
heeft.
6. Inwerkingtreding
Dit reparatiewetsvoorstel beoogt de omissie zo spoedig mogelijk te herstellen, zodat
de uitvoeringspraktijk hiervan geen nadelen ondervindt. Het beoogde moment van inwerkingtreding
is dan ook tegelijk met de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, V.L.W.A. Heijnen
Ondertekenaars
V.L.W.A. Heijnen, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.