Verslag van een werkbezoek : Verslag van een werkbezoek van een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Rwanda van 13 t/m 18 juli 2022
36 242 Verslag van een werkbezoek van een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking aan Rwanda
Nr. 1 VERSLAG VAN EEN WERKBEZOEK VAN EEN DELEGATIE UIT DE VASTE COMMISSIE VOOR BUITENLANDSE
HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING AAN RWANDA VAN 13 T/M 18 JULI 2022
Vastgesteld 7 november 2022
Een delegatie uit de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
heeft van woensdag 13 t/m maandag 18 juli 2022 een werkbezoek gebracht aan Rwanda.
De delegatie bestond uit de leden Wuite (delegatieleider, D66), Klink (VVD), Kamminga
(VVD), Hammelburg (D66), Amhaouch (CDA), Van der Lee (GroenLinks), Van der Graaf (ChristenUnie)
en Koekkoek (Volt), alsmede de griffier van de commissie Meijers.
Het bezoek aan Rwanda stond in het teken van landbouwontwikkeling en voedselzekerheid,
mensenrechten en de rechten van kwetsbare groepen zoals vrouwen en LHBTQI+-personen,
de genocide van 1994 en de gevolgen daarvan voor de Rwandese samenleving, en de transitie
van hulp naar handel. Sinds 1994 is Nederland nauw betrokken bij de wederopbouw en
ontwikkeling van Rwanda, vanuit ontwikkelingssamenwerking en in toenemende mate vanuit
een handelsrelatie. Eind 2023 zal de bilaterale ontwikkelingshulp vanuit Nederland
naar Rwanda stoppen. Tijdens dit werkbezoek heeft de delegatie zich een goed beeld
kunnen vormen van de inzet van Nederland de afgelopen jaren en de transitie die de
relatie met Rwanda op dit moment doormaakt. De input uit dit werkbezoek zal de commissie
gebruiken bij de behandeling van de brede Afrikastrategie die het kabinet in het najaar
naar de Kamer zal sturen.
De delegatie dankt alle gesprekspartners en degenen die betrokken zijn geweest bij
het organiseren van dit werkbezoek. In het bijzonder wil de delegatie haar waardering
uitspreken voor de inzet van de Nederlandse ambassadeur in Kigali en zijn medewerkers
bij de voorbereiding van het programma en tijdens het werkbezoek. De hartelijke ontvangst
en goede begeleiding van de delegatie hebben in belangrijke mate bijgedragen aan het
welslagen van het bezoek.
De delegatieleider, Wuite
De griffier van de delegatie, Meijers
Algemeen
Om het huidige Rwanda goed te kunnen begrijpen, moet je haar verleden kennen. De genocide
tegen de Tutsi’s van 1994 is bepalend voor de Rwandese samenleving van vandaag. Deze
genocide kwam niet zomaar uit de lucht vallen, maar was het resultaat van raciale
spanningen en haatzaaien tussen verschillende groepen vanuit de overheid sinds de
kolonisatie door Duitsland en daarna België. De genocide was geen plotselinge uitbarsting
van geweld, maar het overlopen van een emmer die over de jaren heen druppel voor druppel
was gevuld.
Na het stoppen van de genocide, verdwenen de onderliggende patronen en spanningen
dan ook niet direct. Dit is een proces dat nog altijd gaande is. Vanuit de huidige
overheid zet men in op een samenleving waar ras en etniciteit geen onderdeel meer
van is, maar de genocide en diens oorzaken liggen nog vers in het geheugen. Dit geeft
spanningen. De genocide en diens oorzaken werken immers nog altijd door in de machtsverhoudingen
en de economische verdeling, maar over dit onderscheid tussen verschillende etnische
groepen wordt niet meer gesproken. Ook in praktische zin werkt de genocide vandaag
de dag nog steeds door in de maatschappij. Er worden nog altijd nieuwe lichamen van
slachtoffers geïdentificeerd. Het proces van verzoening is nog in volle gang.
De Rwandese samenleving is erg hiërarchisch georganiseerd en Rwanda kent een top down
politiek systeem. Er is bijvoorbeeld nog nooit een Minister door het parlement naar
huis gestuurd. Sinds de genocide bestaat er een sociaal contract tussen de overheid
en de bevolking: de overheid zorgt voor veiligheid en stabiliteit, en in ruil daarvoor
protesteert de bevolking niet. Er heerst in Rwanda een sterk gevoel van «samen vooruit»,
er is een gigantische drive. De oppositie in Rwanda is weinig onderscheidend: voor
ieder ministerie en departement is er een lange termijn visie, met doelen waar iedereen
achter staat. Het onderscheid zit hoogstens in hoe die doelen het beste te bereiken.
Het systeem heeft daarbij weinig tolerantie voor slecht nieuws. Dit vertechnocratiseert
het discours; alles staat in dienst van het bereiken van de gestelde doelen. Tegelijkertijd
laat het ook weinig ruimte voor corruptie of persoonlijke verrijking.
Door het sociale contract is er veel steun voor de regering. De herinnering aan de
genocide is nog zo vers, dat het bieden van veiligheid en sociale zekerheid voor de
meeste inwoners ver bovenaan staat. Ondanks deze steun en de drive in de samenleving
om het land vooruit te brengen, zijn de middelen beperkt. Hoewel de overheid stabiliteit
weet te behouden, kent het land nog grote problemen en uitdagingen zoals armoede,
ondervoeding, bevolkingsgroei en klimaatverandering. Ook beperkt het sociale contract
en het hiërarchische systeem de ruimte voor andersdenkenden en minderheden. Op het
gebied van mensenrechten zijn nog grote stappen te zetten.
Sinds 1995 heeft de Rwandese regering zich met name ingezet langs vier sporen: justitie
en verzoening, socio-economische transformatie, inclusief en effectief bestuur, en
buitenlandsbeleid.
Nederland heeft vanaf het begin ondersteuning geleverd aan Rwanda voor de justitiesector,
die na de genocide volledig was weggevaagd. Daarom is na de genocide veel gebruik
gemaakt van de gacaca courts, op traditionele rechtspraak gebaseerde rechtbanken. Dit is goed geweest voor de verzoening
en zorgde ervoor dat men binnen kleine gemeenschappen weer samen door één deur kon.
Door de snelheid van en de onvoldoende juridische waarborgen binnen de gacaca zijn er wel individuele misstanden.
Op socio-economisch gebied zijn veel hervormingen doorgevoerd sinds 1995, bijvoorbeeld
op het gebied van belastingen, versimpeling van de bureaucratie, het aanleggen van
infrastructuur en het moderniseren van veel diensten. Rwanda is op dit moment de tweede
snelst groeiende economie van Afrika en staat ook tweede in Afrika op de Ease of doing business Index van de Wereldbank. Het Rwandese BNI groeit met ongeveer 10,5% per jaar. 80,5% van
het overheidsbudget wordt uit binnenlandse bronnen opgehaald, 19,5% uit buitenlandse
financiering. Het BNI bestaat ruwweg uit 47% diensten, 23% landbouw en 22% industrie.
Ook het buitenlandbeleid van Rwanda wordt beïnvloed door de genocide. Rwanda heeft
zich tijdens die crisis in de steek gelaten gevoeld door de internationale gemeenschap.
Mede daarom streeft het land nu naar een zo onafhankelijk mogelijke positie, van alle
wereldmachten. Regionale veiligheid en stabiliteit is belangrijk voor Rwanda, mede
ook vanwege haar door land omgeven positie. Rwanda is van buurlanden afhankelijk voor
de toegang tot havens en daarmee tot veel internationale handel. De goede relatie
met haar buurlanden is niet vanzelfsprekend. Vooral met de Democratische Republiek
Congo zijn er veel spanningen. Na de genocide zijn veel Rwandezen gevlucht naar DRC,
zowel daders als slachtoffers, en binnen DRC zijn milities met Rwandese oorsprong
actief. De Congolese regering verwijt de Rwandese regering sommige van deze milities
aan te sturen; de Rwandese regering ontkent alle betrokkenheid.
Om haar buitenlandse doelen te behalen is Rwanda lid van en actief in veel internationale
organisaties, zoals de VN (waar Rwanda zich sterk inzet voor VN veiligheidsmissies
en het Responsibility to Protect (R2P)), de Afrikaanse Unie en de Britse Commonwealth.
In de Afrikaanse Unie zet Rwanda zich in voor het African Continental Free Trade Agreement
(AfCFTA). Het was een van de eerste landen die dit verdrag te ratificeerden.
Zoals gezegd is Nederland vanaf 1995 nauw betrokken bij de wederopbouw van Rwanda.
Nederland heeft vanaf het begin bijgedragen aan de wederopbouw van de justitiesector
en het land in brede zin. Eind 2023 stopt de bilaterale ontwikkelingshulp vanuit Nederland
naar Rwanda, waardoor alle projecten beëindigd zullen worden. Gelijktijdig zet Nederland
in op een versterkte handelsrelatie met Rwanda. De handelskansen voor Rwanda liggen
voornamelijk in de regio en haar buurlanden. De Rwandese economie is nog niet op brede
schaal klaar voor handel met Europa, de VS of andere gebieden verder weg.
Programma van het werkbezoek
Woensdag 13 juli
– ’s Avonds aankomst in Rwanda
Donderdag 14 juli
– Briefing ambassade
– Bezoek Kigali genocide Memorial en museum
– Bezoek Africa Improved Foods en farming cooperatives
– Diner met partners uit maatschappelijk middenveld
Vrijdag 15 juli
– Ontbijtbijeenkomst Poultry STIC
– Bezoek Hollandia Fair Foods Ltd.
– Bezoek Early Childhood Development project UNICEF
Zaterdag 16 juli
– Bezoek markt en project women in cross-border trade
– Bezoek Community Based Sociotherapy groepen
– Diner met Pole Institute, Esper, Madini en Radio Benevolencija
Zondag 17 juli
– Bezoek Biomassters
– Bezoek Rubavu Port
– Bezoek Sebeya – flood mitigation
Maandag 18 juli
– Ontbijtbijeenkomst COVID-response Rwanda
– Bezoek parlement
– Gesprek Minister Buitenlandse Zaken
– Gesprek vertegenwoordiger van Minister ICT
– Gesprek Minister Handel
– Terugreis naar Nederland
Werkbezoek – dag tot dag
Donderdag 14 juli – Kigali
Na aankomst in Rwanda op woensdagavond begon het werkbezoek op donderdagochtend met
een briefing door de ambassadeur en zijn team. Hier kreeg de delegatie een korte introductie
over de politieke en economische situatie, en de bilaterale en regionale projecten
van de ambassade.
Aansluitend bracht de commissie een bezoek aan de Kigali Genocide Memorial site, waar
zij een krans heeft gelegd ter nagedachtenis aan de slachtoffers van de genocide tegen
de Tutsi. Ook heeft de delegatie een bezoek gebracht aan het museum, waar zij meer
heeft geleerd over de oorzaken, het verloop en de gevolgen van de genocide.
’s Middags heeft de delegatie eerst een bezoek gebracht aan twee boeren coöperaties.
Rwanda telt vele coöperaties, waar duizenden boeren lid van zijn (waaronder veel vrouwen).
Binnen een coöperatie werken boeren samen en delen ze hun middelen, waardoor de productie
stijgt en ze minder kwetsbaar zijn voor bijvoorbeeld een mislukte oogst door slecht
weer. Samen kunnen ze ook grotere investeringen doen in bijvoorbeeld opslag of vervoer.
De coöperaties staan wel voor uitdagingen. Ook zij hebben te maken met bijvoorbeeld
de gevolgen van klimaatverandering en de stijgende kosten van brandstof en dus transport.
Beiden coöperaties die de delegatie bezocht produceren maïs en soja voor Africa Improved
Food (AIF), een publiek-privaat partnerschap van DSM, de regering van Rwanda, IFC,
CDC Group en FMO. Zij maakt gebruik van de SDG Partnerschapsfaciliteit (SDGP). AIF
produceert met vitaminen en mineralen verrijkt voedsel voor moeder en kind, om ondervoeding
tegen te gaan. AIF betaalt de coöperaties eerlijke prijzen en biedt als enige afnemer
zekerheid voor de boeren: zij kunnen al hun productie verkopen. De producten van AIF
komen bovendien terug bij de boeren, in de strijd tegen ondervoeding bij hun eigen
kinderen.
Aansluitend heeft de delegatie een bezoek gebracht aan de fabriek van AIF. AIF zet
zich in voor voedzaam en tegelijkertijd betaalbaar eten voor de eerste 1.000 dagen
(vanaf start zwangerschap). AIF heeft geen winstoogmerk.
Op dit moment moet AIF nog veel grondstoffen importeren – de sojaproductie staat in
Rwanda bijvoorbeeld nog in de kinderschoenen – maar zij werkt zoveel mogelijk samen
met lokale producenten en leveranciers, zoals de boeren coöperaties. Op dit moment
werkt AIF met 47.000 kleine boeren als directe leveranciers. Hierdoor zijn de producten
van AIF zo’n factor 3 à 4 goedkoper dan vergelijkbare geïmporteerde producten van
bijvoorbeeld Nestlé. AIF heeft 471 mensen direct in dienst, waarvan 97% Rwandees.
De aanwezigheid van aflatoxine in met name maïs en pinda’s is een groot probleem in
Rwanda. Aflatoxine wordt geproduceerd door schimmels en is schadelijk voor mensen.
Deze schimmels ontstaan vaak bij de opslag van maïs en granen in tropische condities.
AIF werkt met boeren coöperaties samen door de maïs en soja direct na de oogst af
te nemen en zelf de verantwoordelijkheid voor drogen en opslag te dragen, zodat de
schimmels niet kunnen ontstaan. Dit verkleint het risico voor de boeren (in het eerste
jaar moest AIF nog 90% van de maïs en soja weggooien) en geeft hun direct liquide
middelen om te investeren in de nieuwe oogst. Aflatoxine zit in heel veel eten in
Oost-Afrika, wat bijdraagt aan de ondervoeding en gezondheidsproblemen.
Het World Food Program is de belangrijkste afnemer van AIF (60%). AIF is één van de
twee voorkeursleveranciers voor het WFP. Ongeveer 30% van de productie levert AIF
aan de Rwandese overheid, die het inzet in haar programma’s tegen ondervoeding en
slechte groei. De commerciële verkoop is met 10% maar een erg klein onderdeel van
de productie.
AIF heeft de ambitie om verder uit te breiden in Oost-Afrika, met Ethiopië als eerste
logische stap. Daarvoor is extra kapitaal nodig, aangezien ze niet genoeg winst genereren
om deze investeringen op eigen kracht te doen. De groeipotentie zit vooral in het
opschalen van de productie. Met de geleerde lessen uit de afgelopen jaren in Rwanda
kan er bij mogelijke nieuwe fabrieken wel sneller positief resultaat geboekt worden.
De dag werd afgesloten met een rondetafelgesprek en diner met partners uit het maatschappelijk
middenveld, rond de thema’s persvrijheid, LHBTI-rechten, vrouwenrechten en arbeidsomstandigheden
in Rwanda. De delegatie heeft gesproken met vertegenwoordigers van Legal Aid Forum,
Health Development Initiative, Amahoro Human Respect, I Matter Initiative, M28 Investigates,
STECOMA en Inwood Ltd. Zij schetsten de complexiteit van het systeem in Rwanda en
wisselen daarover met de delegatie van gedachten.
Vrijdag 15 juli – Kigali-Musanze-Gisenyi
De tweede dag van het werkbezoek begon met een ontbijtbijeenkomst met vertegenwoordigers
van het Pluimvee Service, Training and Innovation Centre (STIC), een onderdeel van het Orange Knowledge Program van Nuffic. In Rwanda zijn meerder STICs actief, bijvoorbeeld ook voor aardappelen
en zuivel. De STICs brengen bedrijfsleven, overheid en onderwijs samen om via het
verbeteren van technisch en beroepsonderwijs bij te dragen aan voedselzekerheid. Binnen
het pluimvee STIC werken twee Integrated polytechnic regional centres en het private bedrijf Abusol Ltd samen om jonge studenten de mogelijkheid te bieden
praktijkervaring op te doen in het opzetten en managen van een pluimveebedrijf en
het vinden van innovatieve manieren om de pluimveesector te verbeteren.
Rwanda kent een groeiende bevolking. Vanuit de Voedsel- en Landbouworganisatie van
de VN wordt geadviseerd om 4,5 kilo eieren per persoon per jaar te eten. In Rwanda
was dit in 2017 nog maar 1 kilo per persoon. De overheid zet er daarom op in om de
consumptie van eieren te verhogen. Dit biedt kansen voor de pluimveesector. Via het
STIC wordt de kennis en kunde van de boeren vergroot, en daarmee ook hun inkomsten.
De verbeterde producten dragen bovendien bij aan meer en gezondere voeding voor de
gehele bevolking.
Vervolgens heeft de delegatie een bezoek gebracht aan de Winnaz fabriek in Musanze,
in het noorden van Rwanda. Winnaz is een Rwandees chipsmerk, dat geproduceerd wordt
door Hollanda Fair Food Ltd (HFF). Hierbij krijgen zij ondersteuning vanuit de SDG
Partnerschapsfaciliteit, met als betrokken partners onder andere RVO/Invest International
en het Rwandese Ministerie van Landbouw.
HFF is betrokken bij het volledige productieproces, van het groeien van de aardappelen
tot de verkoop aan de klant. Zo zijn er drie landbouwkundigen die fulltime in het
veld de 11.000 boeren die voor HFF produceren ondersteunen. Ook wordt samengewerkt
met partners als Agriterra om training en advies voor verbeterde kwaliteit te leveren.
Indien de aardappelen kwalitatief voldoende zijn, koopt HFF de volledige oogst. Daarbij
worden de boeren boven de marktprijs betaald, wat bijdraagt aan hun levensstandaard.
Bij de Winnaz fabriek zijn 40 man in dienst, voornamelijk lokaal. Veel werknemers
zijn er al vanaf de start bij. HFF werkt samen met lokale onderwijsinstellingen voor
stageplaatsen en veel van hen blijven daarna in dienst. De fabriek heeft afgelopen
jaar 300.000 kilo aardappelen verwerkt tot 1,1 miljoen zakken chips. Hierbij voldoen
zij aan internationale standaarden; de verwachting is dat de fabriek op korte termijn
volledig gecertificeerd zal zijn. Hierbij zet HFF zich in om zo duurzaam mogelijk
te produceren, met zo min mogelijk afval. De overgebleven olie wordt gebruikt voor
de productie van zeep, het water wordt zo veel mogelijk hergebruikt binnen de fabriek
en het aardappelafval wordt gebruikt voor varkensvoer. Rwanda zelf kent daarbij erg
strenge milieueisen, bijvoorbeeld voor verpakkingen. Een belangrijke uitdaging voor
HFF is het blijven volgen van alle laatste ontwikkelingen en innovaties op dat gebied.
De Winnaz chips wordt afgezet in Rwanda en in de regio (Oeganda en DRC).
Bij dit bezoek heeft de delegatie tevens gesproken met Solynta en TRAIDE. Solynta
is een Nederlands bedrijf dat zich inzet voor innovatie in het kweken van aardappelen
voor meer duurzame en gezonde productie. Een uitdaging in de aardappelketen in Rwanda
is het gebrek aan voldoende gezond aardappelzaad. Solynta werkt samen met de Rwandese
overheid bij het introduceren van een nieuw zaad bij Rwandese boeren.
Het TRAIDE programma van de Nederlandse ambassade speelt een belangrijke rol in de
transitie van hulp naar handel in Rwanda. Binnen dit programma wordt ingezet op handelsbevordering
en duurzame initiatieven en investeringen tussen Nederland en Rwanda. Het programma
loopt van 2019–2022. TRAIDE biedt bedrijven diensten als marktscans, netwerk evenementen,
matchmaking, ondersteuning op het gebied van IMVO en ondersteuning bij het ontwikkelen
van investeringsclusters en lokale private sector ontwikkeling.
Ondanks al deze beschikbare ondersteuning blijft het uitdagend voor Nederlandse bedrijven
om zaken te doen in Rwanda. Rwanda is nog steeds arm, en kent logistieke uitdagingen
door haar geografische ligging (geen toegang tot zee). Een bedrijf als HFF redt het
dan ook niet volledig zonder ontwikkelingsgeld; wanneer zij de kosten voor het werk
met de boeren van bijvoorbeeld de landbouwkundigen door moeten berekenen in de prijs
van hun product, dan zouden ze niet meer competitief zijn.
Tot slot is de delegatie op vrijdag doorgereisd naar Gisenyi, in het noordoosten aan
de grens met DRC. Daar heeft de delegatie een bezoek gebracht aan een Early Childhood Development (ECD) programma van UNICEF. Via dit project zet UNICEF, mede gefinancierd door Nederland,
zich in 13 districten in Rwanda in voor het tegengaan van chronische ondervoeding
en groeiachterstanden bij kinderen van 0 tot 6 jaar, door het aanpakken van onderliggende
oorzaken zoals toegang tot water, kleuteronderwijs, voeding en armoede (sociale bescherming).
Hierbij wordt ook aandacht besteed aan mentale en psychosociale ondersteuning van
zowel de kinderen als hun ouders/verzorgers.
In 2015 was het percentage kinderen met groeiachterstanden door ondervoeding (stunting) 38%. Projecten zoals deze hebben bijgedragen aan een daling tot 33% in 2022, maar
de aantallen zijn nog steeds erg hoog. Stunting kan leiden tot verhoogde kindersterfte en beperkte cognitieve, motorische en taalkundige
ontwikkeling. Dit heeft een lange termijn impact op de economische en sociale ontwikkeling
van de gehele samenleving.
Door het oprichten van ECD-centra in de buurt van markten en andere plekken waar vrouwen
in arbeidsintensieve sectoren werken, zoals koffie- en theeplantages, neemt de arbeidsproductiviteit
van vrouwen toe en krijgen de kinderen tegelijkertijd goede zorg.
Zaterdag 16 juli – Gisenyi
Op zaterdagochtend heeft de delegatie een bezoek gebracht aan een markt waar vrouwen
over de grens tussen Rwanda en DRC handel drijven en heeft men gesproken met medewerkers
en begunstigden van Profemmes, een organisatie die zich inzet voor de sociaaleconomische
emancipatie van vrouwen in grensoverschrijdende handel in het Grote Meren gebied.
Profemmes biedt bijvoorbeeld gratis juridische ondersteuning aan vrouwen, voor het
oplossen van handelsgeschillen, maar ook voor Gender Based Violence en huiselijk geweld.
Ook wordt voorlichting gegeven over de rechten en plichten van vrouwen die over de
grens handeldrijven. Deze voorlichting wordt niet alleen gegeven aan de vrouwen zelf,
maar ook aan grenswerkers en overheidsfunctionarissen die met deze vrouwen in aanraking
komen. Hierbij gaat het om onderwerpen als intimidatie en corruptie, maar ook problemen
rond visa en reguliering.
Daarnaast biedt Profemmes ondersteuning aan de vrouwen zoals trainingen in business
management, financiële geletterdheid, en management van een coöperatie (ook hier werken
veel vrouwen samen in een coöperatie en verhandelen hun producten gezamenlijk). Tot
slot organiseert Profemmes een rondreizende kliniek voor seksuele en reproductieve
gezondheid en rechten, waar vrouwen terecht kunnen voor medische diensten omtrent
voortplanting, maar ook seksueel geweld.
Rwanda kent nog een erg traditionele en hiërarchische samenleving. Op het terrein
van de tenuitvoerlegging van vrouwenrechten is nog veel te winnen. Door het bieden
van deze diensten aan vrouwen worden vrouwen geëmancipeerd en beter in staat gesteld
voor zichzelf en hun kinderen te zorgen.
In de middag heeft de delegatie gesproken met vertegenwoordigers van Community Based
Sociotherapy (CBS) Rwanda, een non-profit organisatie die sociotherapie verzorgt voor
daders en slachtoffers van de genocide tegen de Tutsi. De gacaca heeft op korte termijn gezorgd voor gerechtigheid, maar daarmee nog niet voor verzoening
en duurzame vrede op gemeenschapsniveau. De genocide vond plaats in een hele intieme
setting: buren tegen buren, soms zelfs binnen families. Genezing en verzoening moet
daarom ook op dat niveau plaatsvinden.
CBS Rwanda biedt een 15 weken durend sociotherapie programma waarbij daders en slachtoffers
samenkomen in dezelfde therapiegroepen en het trauma van de genocide samen verwerken.
De therapie wordt verzorgd in gemeenschappen, maar ook in gevangenissen en vluchtelingenkampen.
CBS Rwanda heeft 646 sociotherapeuten opgeleid, die 2.746 groepen hebben begeleid
met 36.701 deelnemers, waarvan 81% 11 van de 15 weken voltooid heeft. 51% van de groepen
is doorgegaan met hun sessies nadat de 15 weken waren afgerond en veel daarvan hebben
samen socio-economische activiteiten ontplooit in de vorm van coöperaties.
Een belangrijk leerpunt uit dit project zijn het belang van een intergenerationele
aanpak van een dergelijk trauma. Om echt verzoening te bewerkstelligen, moet ouders
en docenten geleerd worden hoe zij de genocide kunnen adresseren bij hun kinderen.
Ook moet niet onderschat worden wat het betekent om te werken met therapeuten die
zelf ook een eigen trauma te verwerken hebben. CBS Rwanda geeft het eigenaarschap
van het verzoeningstraject terug aan de gemeenschappen, wat erg belangrijk is, maar
dit betekent ook dat degene die dit proces begeleiden er zelf ook onderdeel van zijn.
Aansluitend is de delegatie in tweetallen langs geweest bij een aantal van deze therapiegroepen,
waar zij heeft kunnen spreken met de therapeuten, daders en slachtoffers en persoonlijk
mee heeft kunnen maken hoe een therapiesessie verloopt.
De dag werd afgesloten met een rondetafelgesprek en diner met een aantal partners
uit het maatschappelijk middenveld rond het thema regionale stabiliteit en veiligheid,
en de ontwikkelingen en het conflict in het oosten van DRC.
Aan één tafel spraken leden van de delegatie met Madini en International Alert over
het gebrekkige beheer over de mijnensector als bron van conflict in Oost-DRC. In Oost-DRC
worden de 3T+G gewonnen (tin, wolfraam (tungsten) en tantaal + goud). De mijnen bevinden
zich in vrij geïsoleerde en erg onstabiele gebieden, waar de controle van de overheid
minimaal is. Ondanks de vele initiatieven voor eerlijke mijnbouw, laat internationaal
onderzoek zien dat grote bedrijven zoals Sony en Amazon nog altijd goud van ongecertificeerde
mijnen uit Oost-Congo gebruiken. Hierdoor blijft het voor gewapende groepen lucratief
om deze mijnen in handen te hebben en blijft het conflict gaande. De organisaties
aan tafel werken samen met lokale gemeenschappen om de oorzaken van conflict en instabiliteit
in de regio’s rondom de mijnen aan te pakken. Ook zetten zij zich in voor schone waardenketens
voor mineralen.
Aan de tweede tafel spraken leden van de delegatie met ESPER (dat samenwerkt met VNG
en Cordaid) over hun inzet voor de toegang tot recht en goed bestuur op het niveau
van dorpen en gemeenschappen. Zij betrekken de gemeenschap bij het ontwerpen van lokale
veiligheidsactieplannen via lokale veiligheidscomités. Aan dezelfde tafel vertelde
Radio Benevolencija over hun werk tegen haatzaaien in Rwanda, Burundi en Oost-DRC
via radioprogramma’s. Door het maken van inclusieve en grensoverschrijdende programma’s
verkleint zij de tolerantie voor discriminatie op basis van ras en identiteit en vergroot
zij het vertrouwen binnen gemeenschappen.
Aan de derde tafel sprak de delegatie met het Pole Institute, een denktank gespecialiseerd
in conflictpreventie en -resolutie. Zij hebben de delegatie meer inzicht gegeven in
de culturele, politieke en economische onderliggende oorzaken van de instabiliteit
in Oost-DRC. Zij doen lokaal onderzoek en hebben daarbij toegang tot data over lokale
stammen, gewapende groepen en sociale ontwikkelingen.
Zondag 17 juli – Gisenyi-Sebeya-Kigali
De vierde dag van het werkbezoek begon met een bezoek aan BioMassters, een Nederlands-Rwandees
bedrijf, dat is begonnen met de productie van pellets als brandstof om op te koken.
Ongeveer 40% van de luchtvervuiling in Rwanda komt door het gebruik van harde brandstoffen
als houtskool voor het koken. Dit veroorzaakt ook veel gezondheidsproblemen bij vrouwen
en kinderen. De pellets die BioMassters produceert zijn sneller, goedkoper en veel
schoner dan kolen, bijna net zo schoon als gas, maar zonder de benodigde infrastructuur
van gas. Daarbij levert de lokale productie van de pellets banen op, en wordt lokaal
afval verwerkt in de pellets (BioMassters werkt samen met lokale meubelmakers voor
hun zaagsel en bosbeheer voor het snoeiafval). De Wereldgezondheidsorganisatie gebruikt
een puntensysteem voor schone manieren van koken, waarbij de pellets 4/5 scoren. De
pellets zijn 90% schoner dan kolen en 30–50% goedkoper.
BioMassters is een Nederlands-Rwandees bedrijf. Het kent zes oprichters, drie Rwandezen
en drie Nederlanders. Op dit moment zijn ze nog in de pilot-fase. Het bedrijf kan
nu 10.000 klanten bedienen, maar dit wordt nog niet gehaald. De Rwandese overheid
is bezig met het verbieden van het gebruik van kolen, in het kader van haar verduurzamingsstrategie.
Dit biedt kansen voor bedrijven als BioMassters. De ambitie van BioMassters is om
verder uit te breiden en een grotere fabriek te bouwen in de buurt van Kigali, zodat
productie verder vergroot kan worden.
Gesprekspartners gaven aan dat projecten voor het verduurzamen van brandstof voor
koken door gewone huishoudens in het verleden vaak benaderd werden als ontwikkelingsproject,
vanuit ngo’s. Door de huidige meer commerciële benadering wordt het interessant voor
bedrijven om hierin te investeren, waardoor sneller innovaties plaatsvinden en meer
vooruitgang wordt geboekt.
Vervolgens heeft de delegatie een bezoek gebracht aan de haven in aanbouw van het
Rubavu district. Deze nieuwe haven maakt onderdeel uit van het bredere Lake Kivu inland waterway transport project, waarbinnen vier havens aan Lake Kivu worden gebouwd om de handel tussen aangrenzende
districten van Rwanda, maar ook tussen Rwanda en DRC te bevorderen. Het project wordt
mede gefinancierd door Invest Internation (DRIVE-faciliteit). Rubavu zal de grootste
haven van de vier worden, omdat Rubavu ook thuishaven is van verschillende economische
bedrijvigheid, waaronder een brouwerij van Heineken. De nieuwe havens dragen niet
alleen bij aan bereikbaarheid, maar ook aan een reductie van de kosten om handel te
kunnen drijven. Tijdens dit bezoek heeft de delegatie gesproken met vertegenwoordigers
van de Rwanda Transport Development Agency over het belang van de haven en de voortgang
van het bouwproject.
Tot slot heeft de delegatie, voor de terugreis naar Kigali, een bezoek gebracht aan
het stroomgebied van de Sebeya, onderdeel van het Integrated Water Resource Management Prgramma van de ambassade. Hierbinnen zet de ambassade in op het versterken van de capaciteit
van de nationale en lokale overheden op het gebied van watermanagement, het implementeren
van de bevinden van verschillende uitgevoerde studies (bijvoorbeeld op het gebied
van grondwater en wateropslag), erosiebeperking, overstromingsmanagement en het ondersteunen
van private sector initiatieven op dit terrein.
De delegatie heeft een bezoek gebracht aan Mahako, een overstromingshotspot, waar
overstromingen ieder jaar voor doden en veel schade zorgden. Door verbeterd watermanagement
wordt dit nu voorkomen. Daarna heeft de delegatie een van deze overstromingsbeperkende
maatregelen bezocht, namelijk een stelsel van dijken en overloopgebieden. Tijdens
deze bezoeken heeft de delegatie gesproken met vertegenwoordigers van de Rwanda Water
Resources Board, uitvoerders van het programma, over de impact van de ondernomen werkzaamheden
en de voortgang van het programma.
Maandag 18 juli – Kigali
De laatste dag van het werkbezoek aan Rwanda begon met een ontbijtbijeenkomst over
de COVID-aanpak van Rwanda. Hierbij heeft de delegatie gesproken met vertegenwoordigers
van het kantoor van de President, de Rwandese Voedsel en Warenautoriteit, het Rwanda
Biomedial Center en de vertegenwoordiging van de Europese Unie in Rwanda.
De Rwandese COVID-respons begon vrij vroeg, met het opstarten van screening en early detection in januari 2020. Tegen maart 2020 was er een crisiscentrum operationeel. Hierbij
heeft Rwanda vanaf het begin geïnvesteerd in diagnostiek.
Ook heeft Rwanda vanaf het begin ingezet op de ontwikkeling van en toegang tot een
vaccin. Rwanda ontving de eerste doses vaccins relatief vroeg in vergelijking met
andere midden- en lage inkomenslanden, in maart 2021. Het is voor Rwanda een doorlopende
uitdaging om voldoende vaccins te krijgen. Na de eerste leveringen in maart 2021 kwam
er bijvoorbeeld vier maanden lang niks meer binnen. Vaccins bereiken Rwanda via COVAX,
bilaterale overeenkomsten en via donaties. COVAX had haar eerste bestellingen geplaats
in India, maar toen daar de grenzen op slot gingen stopten de leveringen. Rwanda heeft
toen zelfs een overeenkomst gesloten met India en betalingen gedaan om extra doses
te ontvangen, maar tot nu toe is daar nog niks van geleverd.
Om de leveringszekerheid te vergroten, is Rwanda daarom gaan investeren in lokale
productie. De uitdagingen hiervoor waren groot; vaccinproductie is een complex proces.
De samenwerking met bedrijven als Biontech is echter bemoedigend, net als de ondersteuning
vanuit de EU. In december 2022/januari 2023 zal het eerste productiesysteem van Biontech
arriveren, met een capaciteit van 50 miljoen doses per jaar. Alle productie is bestemd
voor de Afrikaanse markt. Om deze productiefaciliteit toekomst bestendig te maken,
zal zij ook gaan werken aan onderzoek naar vaccins voor malaria en tuberculose. De
hoop is dat meer farmaceutische bedrijven zich hierbij aan zullen sluiten. Rwanda
heeft nog geen farmaceutische industrie, en is dit dus van de grond af aan het opbouwen.
Hierdoor konden wel heel snel deze stappen gezet worden, in tegenstelling tot Senegal
en Zuid-Afrika, waar ook productielocaties voor COVID-vaccins zullen komen, maar waar
deze ingebouwd moeten worden in de reeds bestaande farmaceutische markt.
Financiering is niet het grootste probleem voor Rwanda. Er is veel internationale
good will en internationale financiële instellingen zijn bereid te investeren. De grootste
uitdaging is om particuliere bedrijven betrokken te krijgen en te overtuigen van het
feit dat het geen liefdadigheid is, maar een slimme investering waaruit rendement
te behalen valt. Deze zaak kan Rwanda goed maken, maar ze kan ondersteuning gebruiken
bij het identificeren en benaderen van de juiste bedrijven.
De vaccinbereidheid in Rwanda is relatief hoog. Dit is onder andere te danken aan
de investeringen die al 20 jaar worden gedaan vanuit de overheid in publieke gezondheid
en het vergroten van vertrouwen van de burgers in gezondheidsinstellingen vanuit de
overheid. Goede communicatie vanuit de overheid was hierbij vanaf het begin van de
crisis cruciaal. In Kigali is de juiste capaciteit voor het koelen en bewaren van
de vaccins. Met behulp van het leger worden ze over het land verspreid. In Rwanda
zijn eerste mensen in de gezondheidssector gevaccineerd, gevolgd door de 60-plussers
en daarna de mensen in contactberoepen in sectoren cruciaal voor het heropenen van
de economie (motortaxi’s, hotels, etc.).
Daarna heeft de delegatie een bezoek gebracht aan het Rwandese Huis van Afgevaardigden,
waar zij gesproken heeft met de Voorzitter, mw. Donatille Mukabalisa, ondervoorzitters
dhr. Harerimana Fazi en mw. Edda Mukabagwiza, de voorzitter van de commissie Economie
en Handel dhr. Munyangeyo Theogene en de voorzitter van de commissie Buitenlandse
Zaken dhr. Emmanuel Bugingo. Hierbij is van gedachten gewisseld over de relaties tussen
Nederland en Rwanda en de bijdrage van Nederland aan de wederopbouw van bijvoorbeeld
de justitie sector in Rwanda na de genocide. Ook is gesproken over de verschillen
tussen het Nederlandse en Rwandese parlement. Zo heeft Rwanda 11 politieke partijen
vertegenwoordigd in het parlement en zijn er zetels gereserveerd voor jongeren, mensen
met een beperking en regionale vertegenwoordigers. Net als in Nederland, zijn de vergaderingen
in het parlement in Rwanda openbaar. Voor communicatie met het bredere publiek beschikt
het Rwandese parlement over zijn eigen radiozender.
Aansluitend heeft de delegatie gesproken met de Minister van Buitenlandse Zaken en
Internationale Samenwerking, dhr. Vincent Biruta. Met hem heeft de delegatie van gedachten
gewisseld over de transitie van hulp naar handel. Rwanda is er van overtuigd dat investeringen
bij kunnen dragen aan de verdere ontwikkeling van Rwanda. De hoop vanuit Rwanda is
wel dat Nederland, naast handel en investeringen, ook bereid blijft bij te dragen
aan samenwerkings- en ontwikkelingsprojecten. Niet alles kan opgevangen worden met
handel en investeringen.
Ook is er gesproken over de problematiek rondom gedwongen verdwijningen in Rwanda,
waarbij de Minister aangaf met de VN samen te werken om vooruitgang te boeken op dit
dossier. Ratificatie van het verdrag is op dit moment nog niet mogelijk voor Rwanda,
vanwege de problematiek in de regio met gewapende groepen die grensoverschrijdend
actief zijn. Het is voor de overheid niet te controleren of mensen zich bij deze groepen
aansluiten of anderszins verdwijnen.
Wat betreft de (in)stabiliteit in de regio en de samenwerking met buurlanden, is gesproken
over de potentie van de East African Community en het belang van regionale samenwerking. Stabiliteit is essentieel voor handel en
verdere economische ontwikkeling.
Vervolgens vond er een gesprek plaats met de permanent secretaris van de Minister
van ICT (de Minister was vanwege onvoorziene omstandigheden verhinderd). Hierbij is
van gedachten gewisseld over de rol die digitalisering en ICT speelt en kan spelen
in Rwanda. Belangrijke sectoren waarbij hierop word ingezet zijn de gezondheidszorg
(zorg op afstand, gebruik van drones voor het bezorgen van medische goederen in afgelegen
gebieden, verbeterde toegang tot informatie voor mensen), landbouw (verbeterede toegang
voor boeren tot bijvoorbeeld marktinformatie, maar ook informatie over weersomstandigheden,
klimaatverandering en de nieuwste ontwikkelingen), en groene digitale economie (cashless
transport, innovaties in luchtvervuiling en klimaatbeheersing, digitalisering van
overheidsdiensten en verbeterde toegang burgers).
Het gaat hierbij niet alleen om de toegang tot de nieuwste technologieën, maar ook
om human capital development, bijvoorbeeld via investeringen in onderwijs, verbeterde toegang van mensen tot diensten
en het verbeteren van digitale vaardigheden. Samenwerking met buitenlandse overheden,
maar ook bedrijven met kennis in bepaalde sectoren, kan Rwanda hierbij helpen.
Het werkbezoek aan Rwanda werd afgesloten met een gesprek met de Minister voor Handel
en Industrie, mw. Beate Habyarimana. Hierbij is gesproken over de verschillende terreinen
waar het ministerie zich op inzet: binnen- en buitenlandse handel, intellectueel eigendom
en investeringen. Regionale economische gemeenschappen zijn voor Rwanda van groot
belangs, zoals de East Africa Community, de Common Market East and Southern Africa, de Economische Gemeenschap voor Centraal Afrika en het AfCTA. Door Rwanda’s centrale
ligging kan het een belangrijke rol spelen in regionale handel. Het ligt letterlijk
in het hart van Afrika. Het nieuwe initiatief van de Kigali International Financial
Center kan van Rwanda echt een poort voor inter-Afrikaanse investeringen maken.
Ook zijn er andere internationale verdragen en regelingen die Rwanda helpen in haar
economische ontwikkeling, zoals de Everything But Arms-regeling en het Generalised
System of Preferences van de EU en de Amerikaanse Growth and Opportunity Act.
De handel tussen Nederland en Rwanda is exponentieel gegroeid de laatste vijf jaar.
Belangrijke sectoren voor export zijn bloementeelt, koffie en thee. De import vanuit
Nederland bestaat met name uit zuivel, chips en farmaceutische producten.
In dit gesprek heeft de delegatie tevens aandacht gevraagd voor een aantal zorgpunten
die in eerdere gesprekken dit werkbezoek naar voren zijn gekomen, zoals de beschikbaarheid
van land en landrechten, en het verduurzamen van de handel en productie en met name
de bureaucratie daaromheen.
Ondertekenaars
J. Wuite, voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking