Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
36 207 Wijziging van de Invorderingswet 1990 en enkele andere wetten tot invoering van een grondslag voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente in specifieke gevallen (Wet delegatiebepaling geen invorderingsrente in specifieke gevallen)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 14 oktober 2022
Inhoudsopgave
Blz.
1
Inleiding
1
2
Delegatiebepaling
2
3
Evaluaties
5
4
Budgettaire en overige aspecten
5
I. ALGEMEEN
1. Inleiding
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de
leden van de fracties van de VDD, D66, GroenLinks en de ChristenUnie. Hierna wordt
bij de beantwoording van de vragen zoveel mogelijk de volgorde van het verslag aangehouden,
met dien verstande dat gelijkluidende of in elkaars verlengde antwoorden tezamen zijn
beantwoord.
De leden van de fracties van de VVD en GroenLinks vragen of er nog meer situaties
zijn waarin het niet redelijk wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen
en in welke mate deze situaties voorkomen, naast de beschreven situatie omtrent het
box 3-arrest van de Hoge Raad. De leden van de fracties van de VVD en D66 vragen welke
toetsingscriteria bestaan ten aanzien van de voorwaarde «uitzonderlijke omstandigheden»
en bij welke uitzonderlijke omstandigheden gebruik kan worden gemaakt van de voorgestelde
delegatiebepaling.
Het is niet de bedoeling dat zonder meer wordt overgegaan tot het niet in rekening
brengen van invorderingsrente. Bij de voorgestelde delegatiebepaling dient er sprake
te zijn van een situatie waarin het door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk
wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen. Als er sprake is van een
dergelijke situatie dan zal op grond van de voorgestelde delegatiebepaling worden
afgeweken van het uitgangspunt dat een belastingschuldige bij overschrijding van de
enige of laatste betalingstermijn invorderingsrente verschuldigd is. Op die manier
kan sneller een juridische basis worden gecreëerd op grond waarvan geen invorderingsrente
in rekening wordt gebracht.
Of er sprake is van een situatie waarin het door uitzonderlijke omstandigheden niet
redelijk wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen is afhankelijk van
de feiten en omstandigheden. Een omstandigheid die een rol kan spelen bij het bepalen
of er sprake is van dergelijke situatie is bijvoorbeeld dat de belastingschuldige
geen verwijt kan worden gemaakt voor de te late betaling.
Het daadwerkelijke benoemen van concrete situaties waarvoor de voorgestelde delegatiebepaling
een oplossing kan bieden, naast de beschreven situatie die in het Uitvoeringsbesluit
Invorderingswet 1990 (hierna UBIW 1990) zal worden opgenomen, is complex. De relevante
feiten en omstandigheden bepalen immers of er sprake is van een situatie waarin het
door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk is om invorderingsrente in rekening
te brengen. Tevens is het door deze casuïstische benadering niet mogelijk om vooraf
een aantal feiten en omstandigheden vast te leggen op grond waarvan is vast te stellen
of er wel of geen sprake is van een situatie waarin het door uitzonderlijke omstandigheden
niet redelijk is om invorderingsrente in rekening brengen.
Indien de voorgestelde delegatiebepaling wordt beperkt tot een aantal vooraf vastgelegde
situaties en of uitzonderlijke omstandigheden, zoals bijvoorbeeld de invorderingspauze
bij voorlopige aanslagen over het jaar 2022 met box 3-inkomen, dan dient bij de niet
genoemde situaties en of uitzonderlijke omstandigheden in de toekomst alsnog een andere
oplossing te worden gecreëerd. Het kabinet acht dat niet wenselijk. De delegatiebepaling
dient juist ook een oplossing te kunnen bieden voor andere situaties waarin het door
uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk is om invorderingsrente in rekening te
brengen. Daarom wordt in het onderhavige wetsvoorstel dan ook niet expliciet opgenomen
bij welke situaties en uitzonderlijke omstandigheden het niet redelijk is om invorderingsrente
in rekening te brengen.
2. Delegatiebepaling
De leden van de fractie van de VVD vragen om beantwoording van een vraag van het Register
Belastingadviseurs omtrent de samenhang tussen de op grond van het onderhavige wetsvoorstel
in lagere regelgeving uit te werken maatregel en artikel 28.3a van de Leidraad Invordering
2008 (hierna LI 2008).
De voorgestelde delegatiebepaling ziet op situaties waarin het door uitzonderlijke
omstandigheden niet redelijk wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen
en waarin de bepaling in de IW 1990 op grond waarvan renteloos uitstel van betaling
wordt verleend niet van toepassing is. De voorgestelde delegatiebepaling zal nader
worden uitgewerkt in het UBIW 1990. In dat besluit komen de specifieke situaties te
staan op grond waarvan geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht.
De situatie waarop artikel 28.3a LI 2008 betrekking heeft zal niet in het UBIW 1990
worden opgenomen. Artikel 28.3a LI 2008 heeft betrekking op de in de LI 2008 opgenomen
uitstelfaciliteit voor een schrijnende situatie bij het verkrijgen van een nalatenschap.1 In de Fiscale verzamelwet 2023 is een wijziging van de IW 1990 opgenomen, die voorziet
in een wettelijke basis voor het verlenen van renteloos uitstel van betaling wegens
een schrijnende situatie bij het verkrijgen van een nalatenschap.2 Dit betekent dat na inwerkingtreding van de Fiscale verzamelwet 2023 op grond van
een bepaling uit de IW 1990 voor een periode van ten minste vijf jaar renteloos uitstel
van betaling kan worden verleend wegens een schrijnende situatie. In de Uitvoeringsregeling
Invorderingswet 1990 zal deze uitstelfaciliteit voor schrijnende gevallen nader worden
uitgewerkt.
De leden van de fractie van D66 vragen of het kabinet de mening deelt dat het raar
is om op grond van de situatie omtrent het box 3-arrest, welke een uitzonderlijke
situatie is die zich nooit eerder heeft voorgedaan in de Nederlandse belastinggeschiedenis,
een delegatiebepaling te formuleren die iets moet oplossen dat vrijwel nooit voorkomt.
Het is niet ondenkbaar dat er zich in de toekomst andere situaties zullen voordoen
waarin het door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk is om invorderingsrente
in rekening te brengen en snel handelen gewenst is. Als nu alleen een oplossing wordt
gecreëerd voor de voorlopige aanslagen over het jaar 2022 met box 3-inkomen betekent
dat er in de toekomst bij andere situaties, waarin het door uitzonderlijke omstandigheden
niet redelijk is om invorderingsrente in rekening te brengen en snel handelen gewenst
is, andere (tijdelijke) oplossingen moeten worden gecreëerd en dat is onwenselijk.
Het kabinet acht het wenselijk om ook voor mogelijke situaties in de toekomst een
oplossing te kunnen bieden, zodat bij die situaties op korte termijn kan worden gerealiseerd
dat er geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht indien er sprake is van uitzonderlijke
omstandigheden.
Deze leden vragen ook wat er in de algemene maatregel van bestuur zal worden opgenomen.
In het UBIW 1990 worden de specifieke situaties opgenomen waarin het niet redelijk
wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen. In het UBIW 1990 zal ook
worden opgenomen onder welke voorwaarden geen invorderingsrente in rekening wordt
gebracht en op welke wijze invorderingsrente in rekening zal worden gebracht als de
grondslag voor het niet in rekening brengen van invorderingsrente is komen te vervallen.
Tevens vragen deze leden om toe te lichten hoe het proces omtrent het bij algemene
maatregel van bestuur aanwijzen van situaties waarin geen invorderingsrente in rekening
zal worden gebracht zal gaan alsmede de wijze waarop de Tweede Kamer bij dit proces
betrokken zal worden. Deze leden kunnen zich voorstelen dat uitvoerbaarheid een zeer
belangrijke toetssteen zal zijn, maar lezen hierover niks terug in de wettekst van
het onderhavige wetsvoorstel. Zij vragen daarom of de voorgestelde delegatiebepaling
enkel en alleen de mogelijkheid schept om bij algemene maatregel van bestuur de invorderingsrente
vast te stellen.
De voorgestelde delegatiebepaling biedt de mogelijkheid om bij algemene maatregel
van bestuur situaties aan te wijzen waarin geen invorderingsrente in rekening wordt
gebracht. Het dient hierbij te gaan om situaties waarin het door uitzonderlijke omstandigheden
niet redelijk wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen en waarin de
bepaling in de IW 1990 op grond waarvan renteloos uitstel van betaling wordt verleend
niet van toepassing is. Als er geen sprake is van een dergelijke situatie is de belastingschuldige
in beginsel bij overschrijding van de enige of laatste betalingstermijn invorderingsrente
verschuldigd. Indien er invorderingsrente in rekening moet worden gebracht, volgt
uit het Besluit belasting- en invorderingsrente de hoogte van het percentage van de
in rekening te brengen invorderingsrente.3 De voorgestelde delegatiebepaling schept derhalve niet de mogelijkheid om de invorderingsrente
bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen.
Bij de voorlopige aanslagen over het jaar 2022 met box 3-inkomen is de Tweede Kamer
geïnformeerd over de invorderingspauze en de gevolgen daarvan. Het is de bedoeling
dat bij toekomstige situaties waarin het door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk
wordt geacht om invorderingsrente in rekening te brengen op een vergelijkbare manier
de Tweede Kamer wordt betrokken bij het proces, zeker als het significante budgettaire
gevolgen heeft. De Tweede Kamer zal bijvoorbeeld per brief worden geïnformeerd wanneer
het voornemen bestaat om een specifieke situatie, waarin het niet redelijk wordt geacht
om invorderingsrente in rekening te brengen, toe te voegen aan het UBIW 1990.
Naast het informeren van de Tweede Kamer is het belangrijk dat het voornemen om in
een specifieke situatie geen invorderingsrente in rekening te brengen ook uitvoerbaar
is. Hierom zal in een vroeg stadium met de Belastingdienst worden gesproken over de
vraag op welke manier invulling gegeven kan worden aan het voornemen om in een specifieke
situatie geen invorderingsrente in rekening te brengen. Uiteindelijk volgt er zoals
gebruikelijk een uitvoeringstoets, waaruit zal blijken of het voornemen om in een
specifieke situatie geen invorderingsrente in rekening te brengen uitvoerbaar is.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of het denkbaar is dat er naast de beschreven
situatie rondom het box 3-arrest van de Hoge Raad vaker gebruik zal worden gemaakt
van de mogelijkheid om het in rekening brengen van invorderingsrente op te schorten,
zelfs als dat niet wenselijk is.
Voor de Belastingdienst is het belangrijk dat belastingschuldigen tijdig hun belastingschulden
voldoen. Het in rekening brengen van invorderingsrente bij een te late betaling vormt
voor belastingschuldigen een belangrijke prikkel om belastingschulden tijdig te voldoen
en om hun belastingschulden ook daadwerkelijk af te lossen als dat mogelijk is. Het
uitgangspunt is en blijft dat een belastingschuldige in beginsel bij overschrijding
van de enige of laatste betalingstermijn invorderingsrente verschuldigd is.4 Het is niet de bedoeling dat de voorgestelde delegatiebepaling zonder meer wordt
toegepast of wordt toegepast als dat niet wenselijk is. De voorgestelde delegatiebepaling
richt zich dan ook uitsluitend op situaties waarin het door uitzonderlijke omstandigheden
niet redelijk is om invorderingsrente in rekening te brengen. Hierdoor is het ook
niet mogelijk om de voorgestelde delegatiebepaling zonder meer toe te passen.
Voorts vragen deze leden of het kabinet heeft overwogen om deze maatregel zodanig
te formuleren dat het alleen van toepassing is op situaties waarin er sprake is van
een invorderingspauze.
Het kabinet wenst met de voorgestelde delegatiebepaling ook een oplossing te kunnen
bieden voor andere situaties waarin het door uitzonderlijke omstandigheden niet redelijk
is om invorderingsrente in rekening te brengen. De nadruk ligt hierbij op de uitzonderlijke
omstandigheden en niet op de vraag of er sprake is van een invorderingspauze. Het
is aannemelijk dat er bij toekomstige situaties waarin het niet redelijk wordt geacht
om invorderingsrente in rekening te brengen ook sprake zal zijn van een invorderingspauze.
Dat laat onverlet dat het kabinet niet bij voorbaat toekomstige situaties, waarin
er wel sprake is van uitzonderlijke omstandigheden maar geen invorderingspauze, wil
uitsluiten en zodoende wil voorkomen dat voor die situaties in de toekomst alsnog
andere (tijdelijke) oplossingen dienen te worden gecreëerd.
3. Evaluaties
De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen waarom niet is voorzien in een
evaluatiebepaling bij de voorgestelde delegatiebepaling. Voorts vragen deze leden
of het in de ogen van het kabinet niet wenselijk is om over een aantal jaar te bezien
in hoeverre gebruik wordt gemaakt van de voorgestelde delegatiebepaling.
Het kabinet onderschrijft dat het belangrijk is om over een aantal jaar te bezien
of en in welke mate gebruik is gemaakt van de voorgestelde delegatiebepaling. Gelet
daarop acht het kabinet het wenselijk om alsnog te voorzien in een evaluatiebepaling
bij de voorgestelde delegatiebepaling. Uit de evaluatiebepaling zal volgen dat vijf
jaar na de inwerkingtreding een verslag zal worden uitgebracht over de doeltreffendheid
en de effecten van de voorgestelde delegatiebepaling in de praktijk. Overigens merkt
het kabinet op dat de mogelijkheid bestaat dat dan nog geen situaties zijn toegevoegd,
bijvoorbeeld omdat dergelijke situaties zich nog niet hebben voorgedaan.
4. Budgettaire en overige aspecten
De leden van de fracties van de VDD en GroenLinks vragen wanneer meer bekend is over
de budgettaire impact van de bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen situaties
en om een toelichting waarom de verwachte budgettaire gevolgen bij de nadere uitwerking
bij algemene maatregel van bestuur nihil bedragen.
Bij het onderhavige wetsvoorstel is het budgettaire effect afhankelijk van de bij
algemene maatregel van bestuur aan te wijzen specifieke situaties waarin geen invorderingsrente
in rekening zal worden gebracht. Het budgettaire effect is afhankelijk van de totale
openstaande belastingschuld waarbij geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht.
Zodra het voornemen bestaat om een specifieke situatie in het UBIW 1990 op te nemen
om te realiseren dat in die situatie geen invorderingsrente in rekening wordt gebracht,
zal het daadwerkelijke budgettaire effect van die wijziging in kaart kunnen worden
gebracht.
In het UBIW 1990 wordt aanvankelijk alleen opgenomen dat er geen invorderingsrente
in rekening wordt gebracht bij voorlopige aanslagen inkomstenbelasting over het jaar
2022 met box 3-inkomen, zolang die aanslagen niet worden ingevorderd. De laatste betalingstermijn
bij de voorlopige aanslagen over het jaar 2022 met box 3-inkomen is 31 december 2022.
De verwachting is dat de voorlopige aanslagen over het jaar 2022 met box 3-inkomen
binnen de geldende betalingstermijn in overwegende mate zullen zijn voldaan. Thans
is 80% van de voorlopige aanslagen 2022 betaald dan wel is daarvoor door de belastingschuldige
een machtiging voor afgegeven om in termijnen te betalen. Naar verwachting zal een
klein gedeelte van de belastingschuldigen met een voorlopige aanslag over het jaar
2022 met box 3-inkomen wachten met betaling tot het moment dat het box 3-inkomen in
overeenstemming met het box 3-arrest is vastgesteld. Gelet daarop worden de budgettaire
gevolgen bij de hiervoor genoemde situatie geschat op nihil.
De Staatssecretaris van Financiën,
M.L.A. van Rij
Indieners
M.L.A. van Rij, staatssecretaris van Financiën