Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
36 153 Wijziging van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 2020/1783 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2020 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken (bewijsverkrijging) (herschikking) (PbEU 2020, L 405/1) (Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
Algemeen
1. Hoofdlijnen van het voorstel
In dit wetsvoorstel wordt de Bewijsverkrijgingsverordening van 25 november 2020 uitgevoerd.1 De Bewijsverkrijgingsverordening gaat over grensoverschrijdende samenwerking van
gerechten van verschillende lidstaten, met als doel bewijsverkrijging in burgerlijke
en handelszaken. Deze verordening is een herschikking van de EG-bewijsverordening.2 Gelijktijdig is de Betekeningsverordening herschikt.3 De Bewijsverkrijgings- en Betekeningsverordening worden op 1 juli 2022 van toepassing.
De aanpassingen in de Bewijsverkrijgings- en Betekeningsverordening zijn technisch
van aard en zien met name op verdere digitalisering. In overeenstemming met de EU-agenda
voor justitie voor 2020 spelen de Bewijsverkrijgings- en Betekeningsverordening in
op de behoefte om de procedurele rechten in burgerlijke zaken te versterken.4 Het doel is het wederzijdse vertrouwen van de EU-lidstaten in elkaars rechtsstelsels
te vergroten. Dit voorstel wijzigt de uitvoeringswet EG-bewijsverordening5 en regelt op die manier de benodigde juridische grondslagen voor de herschikte Bewijsverkrijgingsverordening.
Naast enkele aanpassingen in de juridische grondslagen vereisen de verordeningen ook
feitelijke uitvoering. De belangrijkste feitelijke uitvoering is het technisch aansluiten
van het IT-systeem voor de grensoverschrijdende communicatie. De Europese Commissie
ontwikkelt referentie-implementatiesoftware die gebruikt kan worden door de lidstaten
om hun nationale IT-voorzieningen aan te sluiten op e-CODEX. Dat levert voor de verzendende
en ontvangende instanties een portaal op waarmee veilig en rechtstreeks met de instanties
in de andere lidstaten kan worden gecommuniceerd, op basis van de formulieren die
bij de verordeningen zijn gevoegd. In de verordeningen is daarvoor een termijn gesteld
van drie jaar na de vaststelling van de uitvoeringshandelingen door de Europese Commissie
op uiterlijk 23 maart 2022.6 De uitvoeringshandelingen zijn vastgesteld op 14 maart 2022. Dat betekent dat op
14 maart 2025 de bepalingen in de verordeningen die gaan over de digitale werkwijze
van toepassing worden.7 De rest van de bepalingen wordt op 1 juli 2022 van toepassing.
De bijlage bij deze memorie van toelichting bevat een transponeringstabel waaruit
blijkt of en hoe de bepalingen van de Bewijsverkrijgingsverordening worden geïmplementeerd.
2. Korte inhoud Bewijsverkrijgingsverordening
In 2017 heeft de Europese Commissie de praktische toepassing van de EG-bewijsverordening
tussen de lidstaten van de Europese Unie geëvalueerd.8
,
9 Hieruit bleek dat verzoeken om bewijsverkrijging tussen de gerechten van de verschillende
lidstaten nog vrijwel uitsluitend langs papieren weg verlopen. Er wordt nauwelijks
gebruik gemaakt van videoconferentie om getuigen in het buitenland te horen. De Bewijsverkrijgingsverordening
van 25 november 2020 voorziet daarom in een modernisering van bewijsverkrijging in
zaken met grensoverschrijdende aspecten door aanpassing aan de voortschrijdende digitalisering
en andere technische ontwikkelingen. De verordening heeft ten doel juridische procedures
doeltreffender te maken en sneller te laten verlopen door de mechanismen voor samenwerking
op het gebied van bewijsverkrijging in grensoverschrijdende procedures te vereenvoudigen
en te stroomlijnen, en tevens vertragingen en kosten voor personen en ondernemingen
te helpen beperken. De verwachting is dat dit ten goede komt aan de werking van de
interne markt. 10
In de Bewijsverkrijgingsverordening verlopen verzoeken en kennisgevingen langs elektronische
weg. Verder wordt een beter, frequenter en sneller gebruik van de rechtstreekse bewijsverkrijging
in een andere lidstaat bevorderd doordat getuigen in de regel via technologie voor
communicatie op afstand worden verhoord. Daarnaast wil de Bewijsverkrijgingsverordening
grensoverschrijdende bewijsverkrijging door diplomaten en consulaire ambtenaren vergemakkelijken.
Om de elektronische uitwisseling van verzoeken en kennisgevingen mogelijk te maken,
zullen gerechten van de verschillende lidstaten moeten aansluiten op e-CODEX. 11 Dat is een bestaande Europese digitale technische oplossing voor snelle, betrouwbare
en veilige online grensoverschrijdende informatie-uitwisseling tussen bevoegde justitiële
autoriteiten in een groeiend aantal grensoverschrijdende juridische procedures. 12 Dit systeem is de afgelopen tien jaar met veel inzet vanuit Nederland en enkele andere
lidstaten ontwikkeld en sluit goed aan bij onze binnenlandse digitale architectuur.
Wel moet de aansluiting van het nationale IT-systeem op e-CODEX nog technisch ontwikkeld
worden. In de Bewijsverkrijgings- en Betekeningsverordening is geregeld dat de Europese
Commissie zogeheten referentie-implementatiesoftware zal ontwikkelen. Dit is een software-oplossing
die lidstaten kunnen gebruiken als verbindende aansluiting tussen de nationale systemen
en e-CODEX. 13
Bij de grensoverschrijdende bewijsverkrijging zal verder veel meer gebruik gemaakt
gaan worden van technologie voor communicatie op afstand. Er zijn zes mogelijkheden
voor grensoverschrijdende bewijsverkrijging, te weten:
1. een verzoek van een gerecht uit een andere lidstaat tot bewijsverkrijging in Nederland
door de Nederlandse rechter;
2. een verzoek van een gerecht uit een andere lidstaat tot rechtstreekse bewijsverkrijging
in Nederland door de rechter van die andere lidstaat;
3. een verzoek van een Nederlands gerecht tot bewijsverkrijging in een andere lidstaat
door de rechter van die andere lidstaat;
4. een verzoek van een Nederlands gerecht tot rechtstreekse bewijsverkrijging in een
andere lidstaat door de Nederlandse rechter;
5. bewijsverkrijging door de Nederlandse rechter via Nederlandse diplomatieke of consulaire
ambtenaren in een andere lidstaat;
6. bewijsverkrijging in Nederland door een gerecht uit een andere lidstaat via de diplomatieke
of consulaire ambtenaren van die andere lidstaat.
Voor elke mogelijkheid wordt de inzet van technologie voor communicatie op afstand
verbeterd. Ook bevat de Bewijsverkrijgingsverordening nadere regels voor de digitale
aanwezigheid van een gerecht van de lidstaat waar de bewijsverkrijging plaatsvindt
(bij rechtstreekse bewijsverkrijging) en van het gerecht dat bewijsverkrijging in
een andere lidstaat verzoekt (bij bewijsverkrijging door de rechter van die andere
lidstaat).
Naast de bovengenoemde zes mogelijkheden kan het bevoegde gerecht van een lidstaat
een in een andere lidstaat woonachtige partij ook als getuige oproepen en horen overeenkomstig
het recht van de lidstaat van dat gerecht. 14 Ook deskundigenbewijs dat op het grondgebied van een andere lidstaat moet worden
verricht, kan overeenkomstig het recht van de lidstaat van het gerecht worden verkregen,
tenzij de bewijsverkrijging invloed kan hebben op het openbaar gezag van de lidstaat
waarin het onderzoek moet worden verricht. 15Voor grensoverschrijdende bewijsverkrijging buiten de EU blijft het Haags Bewijsverdrag
1970 gelden.16
Dit wetsvoorstel biedt een grondslag voor de verdergaande digitale mogelijkheden voor
bewijsverkrijging en ziet op de digitale aanwezigheid daarbij van partijen en het
gerecht dat om de bewijsverkrijging heeft verzocht.
3. Verhouding tot het EVRM
Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens beschermt het recht
op een eerlijk proces. Dat omvat in burgerlijke zaken de toegang tot een onafhankelijke
en onpartijdige rechter, het recht op een procedure op tegenspraak, toegang tot bewijs,
eerlijke bewijsverkrijging en het recht op een openbare behandeling van de zaak. De
invoering van elektronische communicatiemiddelen en het frequenter gebruik van videoconferenties
bij de bewijsverkrijging in burgerlijke zaken zullen naar verwachting burgers en bedrijven
een betere toegang tot de rechter bieden. Als het vanwege de omstandigheden lastig
of zelfs onmogelijk is om in een ander EU-land bewijs te verkrijgen of de bewijsverkrijging
bij te wonen, biedt het gebruik van beeld- en geluidverbindingen een oplossing.17 Door beter gebruik te maken van technologie voor communicatie op afstand kan de openbaarheid
van de rechtspraak ook worden vergroot. Doordat het de Europese rechters makkelijker
wordt gemaakt om grensoverschrijdend samen te werken, kunnen zij onafhankelijker functioneren.18 Rechters zullen beter in staat zijn om bewijs te verkrijgen over de EU-grenzen heen,
indien nodig in nauw contact met gerechten in andere lidstaten. Er kan eenvoudiger
rechtstreeks gecommuniceerd worden met betrokkenen in rechtszaken, die zich in een
andere EU-lidstaat bevinden. Ook de doorlooptijden van procedures worden bevorderd
door de snellere en eenvoudigere uitwisseling van stukken. Bij dit alles moet steeds
de effectieve toegang tot het recht voorop staan, en het vertrouwen van de burger
daarin gewaarborgd worden.19
4. Gegevensbescherming en privacy
Bij de Europese digitaliseringsmaatregelen is rekening gehouden met de vereisten inzake
gegevensbescherming en privacy, waaronder de eIDAS-verordening.20 Het in te voeren systeem voor elektronische uitwisselingen tussen de aangewezen gerechten
moet gebaseerd zijn op een volledig betrouwbare en beveiligde technische oplossing
die de integriteit en de privacy van de verzonden gegevens waarborgt. De verordeningen
gaan uit van een door de lidstaten vooraf medegedeelde lijst van gebruikers van het
systeem (alleen gerechten en justitiële autoriteiten van de lidstaten). Dit betekent
dat gebruikers alleen op basis van een expliciete toelating tot een applicatie gerechtigd
gebruik kunnen maken van die applicatie. Zo hebben alleen gerechtigde gebruikers toegang
tot de data die via elektronische uitwisseling tussen de autoriteiten worden uitgewisseld.
De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming (EDPS) is geraadpleegd en heeft
op 13 september 2019 een advies uitgebracht.21 Er zijn een aantal aanbevelingen gedaan en de EDPS blijft beschikbaar om in een verdere
fase van het proces van digitalisering advies te verstrekken. De Europese Commissie
is ook verplicht om de EDPS te raadplegen bij het opstellen van uitvoeringshandelingen
of gedelegeerde handelingen wanneer er gevolgen zijn voor de bescherming van de rechten
en vrijheden van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens.
De grondslag voor de verwerking van de persoonsgegevens is de verordening zelf. De
Uitvoeringswet heeft geen rechtstreekse gevolgen op dat gebied. Ook is nog niet bekend
op welke manier Nederland invulling zal geven aan de digitalisering (zoals in paragraaf
7 nader is toegelicht). Als er keuzes worden gemaakt in de feitelijke uitvoering die
de verwerking van persoonsgegevens raken, zal de Autoriteit Persoonsgegevens om advies
worden gevraagd.
5. Verhouding tot nationale wetgeving
In het Nederlandse civiele bewijsrecht geldt artikel 155 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering: de rechter ten overstaan van wie bewijslevering plaatsvindt, is zoveel
mogelijk betrokken bij de uitspraak. Zo is gewaarborgd dat de rechter die moet beslissen,
zoveel mogelijk zelf is betrokken bij bijvoorbeeld het horen van de getuigen. Dat
wettelijke uitgangspunt is gediend met de verbetering van de mogelijkheden voor de
rechtstreekse bewijsverkrijging in een andere lidstaat en het vergemakkelijken van
de (digitale) aanwezigheid van het gerecht waar de procedure wordt gevoerd en de partijen
bij de bewijsverkrijging.
In de Tijdelijke Wet COVID-19 Justitie en Veiligheid is een grondslag opgenomen voor
mondelinge behandelingen door middel van een tweezijdig elektronisch communicatiemiddel.
Het is in de praktijk mogelijk gebleken om online zittingen te organiseren die door
de pers en het publiek online kunnen worden bijgewoond of via livestreams gevolgd.
Deze grondslag is naar haar aard beperkt tot de geldingsduur van de COVID-19 wetten.
Het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kent een dergelijke bepaling nog niet.
Toch wordt in de praktijk regelmatig gebruik gemaakt van een beeld- en geluidverbinding
om getuigen te horen. In de uitvoeringswet zal hiervoor voor grensoverschrijdende
bewijsverkrijging een wettelijke grondslag worden opgenomen om te waarborgen dat de
Bewijsverkrijgingsverordening kan worden nageleefd.
Het Besluit elektronisch procederen (Bep) bevat regels voor vrijwillig en verplicht
elektronisch procederen in het civiele recht en het bestuursrecht. Elektronisch procederen
is een verzamelbegrip. Hiermee wordt in het civiele recht gedoeld op de in artikel
33 Rv opgenomen mogelijkheid van het elektronisch doen of verzenden van verzoeken
en mededelingen, het elektronisch indienen ter griffie van processtukken en het elektronisch
verzenden van processtukken door de griffier, alsmede het elektronisch indienen van
een exploot van dagvaarding als bedoeld in artikel 125 Rv.
Het Bep bepaalt onder meer aan welke eisen een digitaal systeem voor gegevensverwerking
moet voldoen dat door een rechterlijke instantie wordt gebruikt voor elektronisch
procederen. In het Bep wordt de automatisering van de interne afhandeling van procedures
door de rechterlijke instanties niet geregeld. Voor zover de Bewijsverkrijgingsverordening
de grensoverschrijdende communicatie tussen Europese gerechten regelt, ter verkrijging
van bewijs, inkomend of uitgaand, is deze regeling aanvullend op het Bep.
6. Gevolgen voor burgers, bedrijven, deurwaarders en de rechterlijke macht (m.u.v.
financiële gevolgen)
De gerechten en de deurwaarders zullen via een nationale verbinding aangesloten worden
op een digitaal Europees systeem voor het uitwisselen van stukken en verzoeken.
De verdere digitalisering van de Bewijsverkrijgingsverordening verbetert de toegang
tot bewijsmateriaal in een andere lidstaat en de mogelijkheden om daar getuigen te
horen. Dit maakt procedures waarin internationale bewijsverkrijging aan de orde is
minder omslachtig.
Voor de rechterlijke macht leidt de aansluiting op een gedecentraliseerd systeem voor
uitwisseling van bewijsverkrijgingsverzoeken (Bewijsverkrijgingsverordening) en voor
de verzending en ontvangst van stukken ter betekening of kennisgeving (Betekeningsverordening)
tot een vereenvoudiging van de communicatie met gerechten in een andere lidstaat.
Daardoor kunnen de rechters in Europa beter samenwerken en dat komt de effectieve
toegang tot het recht ten goede.
De ontvangst en verzending van verzoeken tot bewijsverkrijging zullen voortaan in
de regel plaatsvinden via het digitale systeem. Indien dat niet mogelijk is wegens
verstoring van het systeem, of wegens de aard van het betrokken bewijs of uitzonderlijke
omstandigheden, vindt de verzending plaats via de snelste, meest geschikte alternatieve
middelen op grond van artikel 7, vierde lid, van de Bewijsverkrijgingsverordening.
Als voorbeeld van een situatie waarin de aard van het bewijs elektronische verzending
niet toelaat, wordt in overweging 12 bij de Bewijsverkrijgingsverordening genoemd
de verzending van DNA of bloedmonsters. Als voorbeeld van uitzonderlijke omstandigheden
wordt genoemd dat het omzetten van omvangrijke documentatie in elektronische vorm
een onevenredige administratieve belasting zou betekenen voor de verzendende instantie
of dat het originele stuk in papieren vorm nodig is om de authenticiteit ervan te
beoordelen.
Elke lidstaat moet aan de Europese Commissie laten weten met welke technische middelen
de gerechten op de lijst van artikel 3, tweede lid, van de Bewijsverkrijgingsverordening
verzoeken kunnen ontvangen.22 Ook Nederland moet dit dus doen. Op dit moment is voor de Nederlandse gerechten veilige
e-mail het enige technische middel. Daarnaast kunnen verzoeken in ieder geval worden
ontvangen per post, zoals blijkt uit bovengenoemde overweging 12. Indien in de toekomst
meer mogelijkheden ontstaan om verzoeken te ontvangen, kunnen deze aan de Europese
Commissie worden opgegeven. Op het e-Justice portaal kan de informatie worden geraadpleegd.23
De Raad voor de rechtspraak heeft verzocht om de uitvoeringswet zoveel mogelijk techniek-neutraal
te formuleren om in de toekomst ruimte te behouden voor andere technische mogelijkheden
om verzoeken te ontvangen. In artikel 6 van de huidige Uitvoeringswet EG-bewijsverordening is specifiek geregeld dat de fax de snelste wijze van verzending was die
Nederland kan aanvaarden voor de ontvangst van verzoeken tot bewijsverkrijging uit
andere EU-lidstaten. Dat artikel wordt met dit wetsvoorstel geschrapt, omdat de faxverzending
niet meer beschikbaar is voor de rechtspraak. Dat betekent in de praktijk dat bij
de keuze van de wijze van verzending door een Nederlands gerecht in de situatie van
artikel 7 lid 4 van de verordening van belang is welk middel op dat moment het snelste,
meest geschikte middel is, ermee rekening houdend dat de betrouwbaarheid en veiligheid
gewaarborgd moeten zijn. Verder moet er rekening mee worden gehouden welke technische
middelen de ontvangende instantie heeft opgegeven op grond van artikel 31, eerste
lid, onder c van de Bewijsverkrijgingsverordening. In lijn met artikel 7, vierde lid,
van de Bewijsverkrijgingsverordening in samenhang gelezen met overweging 12, kan bij
gebrek aan veilige elektronische middelen worden verzonden per post. In die situaties
is een ontvangstbevestiging nodig om de verzending te kunnen aantonen.
Ook gerechtshoven en de Hoge Raad (indien over de feiten wordt geoordeeld) zijn bevoegd
om verzoeken te doen tot bewijsverkrijging als bedoeld in artikel 3 tweede lid van
de Bewijsverkrijgingsverordening. Daarom moeten zowel rechtbanken, gerechtshoven en
de Hoge Raad worden vermeld op de lijst zoals bedoeld in artikel 3 tweede lid van
de Bewijsverkrijgingsverordening. Dit stelt gerechten van andere lidstaten in de gelegenheid
na te gaan of een verzoek bevoegd is gedaan.
7. Technische uitvoering
De Europese Commissie, bijgestaan door een comité,24 is referentie-implementatiesoftware aan het ontwikkelen in overleg met de lidstaten.
Met die software kunnen de nationale systemen aangesloten worden op e-CODEX (of een
soortgelijk Europees systeem). De interoperabiliteit van de nationale systemen en
e-CODEX staat daarbij voorop en de Europese Commissie streeft ernaar om de kosten
van de nationale aansluitingen te minimaliseren.25
Het streven is om de aansluiting op het Europese netwerk voor alle lidstaten operationeel
te hebben in 2025. Als lidstaten eerder gebruik kunnen maken van het gedecentraliseerde
IT-systeem, stellen zij de Europese Commissie daarvan in kennis.26 Het ligt voor de hand dat dezelfde procedure wordt gevolgd in geval van vertraging.
Over de technische uitvoering wordt overleg gevoerd met de betrokken instanties. Zie
daarover verder paragraaf 10 van deze toelichting.
8. Financiële gevolgen
Hoewel dit wetsvoorstel zelf geen maatregelen bevat die leiden tot financiële gevolgen
voor de rijksbegroting, dienen op grond van de Bewijsverkrijgingsverordening wel uitvoeringshandelingen
te worden verricht die mogelijk financiële gevolgen hebben voor de rechtspraak. De
belangrijkste feitelijke uitvoering betreft het technisch aansluiten op e-CODEX van
het IT-systeem voor grensoverschrijdende communicatie, zoals eerder in deze memorie
van toelichting toegelicht. Voor de implementatie hiervan krijgen de lidstaten langer
de tijd, namelijk tot drie jaar na de vaststelling van de uitvoeringshandelingen door
de Europese Commissie. Deze uitvoeringshandelingen zijn vastgesteld op 14 maart 2022.
Dat betekent dat op 14 maart 2025 de bepalingen in de verordeningen van toepassing
worden die gaan over de digitale werkwijze. Op dit moment wordt in Europees verband
nog gesproken over de wijze waarop deze technische aansluiting wordt vormgegeven.
De Raad voor de rechtspraak heeft in haar consultatiereactie reeds gerefereerd aan
mogelijke kosten die hiermee gepaard gaan. De maatregelen die dienen te worden getroffen
om de elektronische communicatie daadwerkelijk mogelijk te maken, worden de komende
periode nader uitgewerkt. Over de praktische uitvoering zullen vervolgens afspraken
worden gemaakt met de rechtspraak. Indien uit de bovengenoemde uitvoeringshandelingen
financiële consequenties voortvloeien, worden deze in overleg met de rechtspraak in
kaart gebracht en uitgewerkt.
9. Evaluatie
In de Bewijsverkrijgingsverordening is voorzien in een evaluatie uiterlijk 2027.27 Ook is voorzien in een programma voor de monitoring van de output, resultaten en
effecten.28
10. Advies en consultatie
Over dit wetsvoorstel is in juni 2021 advies gevraagd aan de Adviescommissie voor
burgerlijk procesrecht. Vervolgens is het voorgelegd aan de Raad voor de rechtspraak
(Rvdr), de Nederlandse Orde van Advocaten (NOvA), de Koninklijke Beroepsorganisatie
van Gerechtsdeurwaarders (KBvG) en de Stichting Netwerk Gerechtsdeurwaarders (SNG)
voor advies over de (financiële) gevolgen in de uitvoering. Er heeft geen internetconsultatie
plaatsgevonden, aangezien het de uitvoering van EU verordeningen betreft en de termijn
tot het van toepassing worden kort is.29 De consultatieversie was een samengevoegde versie van de twee wetsvoorstellen; na
de advisering zijn deze gesplitst.
Door de Rvdr, NOvA, KBvG en de SNG is positief gereageerd op het streven naar digitalisering
van de contacten tussen gerechten in het kader van de bewijsverkrijging in de Europese
Unie30.
De NOvA vraagt nadrukkelijk aandacht voor de reservering van voldoende tijd, mankracht
en financiële middelen om de aansluiting van de nationale IT-systemen op e-Codex te
kunnen realiseren.
De Rvdr verwacht dat de bredere inzet van digitale middelen enerzijds zal leiden tot
een (niet begrote) besparing, en anderzijds mogelijk tot meer zaken vanwege de verbeterde
toegankelijkheid. Dit kan mogelijk extra werklastgevolgen meebrengen, die gefinancierd
zullen moeten worden. De hoogte van de werklastgevolgen kan nog niet worden ingeschat.
De kosten van de aansluiting van de systemen van de rechtspraak op e-Codex schat de
Rvdr voorlopig in op € 2,7 miljoen.
Uit deze adviezen komt naar voren dat het voor alle betrokkenen van belang is dat
de financiële gevolgen helder in kaart worden gebracht. Over de wijze waarop de digitalisering
technisch wordt uitgevoerd, vindt overleg plaats met alle betrokken partijen. Een
van de onderwerpen is de vraag of het in de Nederlandse situatie wenselijk is om gebruik
te maken van de Europese referentie-implementatiesoftware. De gevolgen van deze keuze
zullen inzichtelijk gemaakt worden bij de algemene maatregel van bestuur die ter uitwerking
van de digitalisering zal worden vastgesteld. Daarbij is van belang dat het ontwerpen
van de referentie-implementatiesoftware die door de Europese Commissie wordt ontwikkeld,
wordt gefinancierd uit de algemene begroting van de Unie en dus niet voor rekening
van de lidstaten komt.31 De kosten van de toegangspunten voor de Nederlandse IT-systemen, en van de eventuele
aanpassingen met het oog op de interoperabiliteit van deze systemen, worden gedragen
door de lidstaten. Zo nodig kan daarvoor subsidie worden aangevraagd bij de Europese
Unie.32 Op dit moment is nog niet bekend wat de gevolgen van een keuze voor het ene of het
andere systeem zijn voor de kosten van beheer en onderhoud van de Nederlandse aansluiting
op het systeem.
Verder zijn concrete adviezen uitgebracht bij het wetsvoorstel door de bovengenoemde
organisaties en de Adviescommissie voor burgerlijk procesrecht. Deze adviezen zijn
verwerkt dan wel is een nadere toelichting gegeven op het betreffende onderwerp.
11. Inwerkingtreding
De verordeningen worden van toepassing op 1 juli 2022. De bepalingen over de aansluiting
op het gedecentraliseerde IT-systeem (en het gebruik daarvan) worden van toepassing
drie jaar na de vaststelling van uitvoeringshandelingen door de Europese Commissie
op 14 maart 2022. Dat betekent dat de bepalingen op grond waarvan gedigitaliseerd
wordt, op 14 maart 2025 2025 in werking treden. Overgangsrecht is niet nodig, omdat
de regels die gewijzigd worden van praktische aard zijn.
Artikelsgewijze toelichting
Inleiding
Dit wetsvoorstel wijzigt de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening van 26 mei 2004 tot
uitvoering van de EG-betekeningsverordening. Inhoudelijke wijzigingen worden hieronder
toegelicht. Wijzigingen die uitsluitend bestaan uit het aanpassen van artikelnummers
of verwijzingen worden niet nader toegelicht.
Artikel I
B (Artikel 2)
In het systeem van de Bewijsverkrijgingsverordening wordt (net als onder de EG-bewijsverordening)
een lijst opgesteld van alle gerechten in Nederland die bevoegd zijn tot bewijsverkrijging
(artikel 3, tweede lid, van de Bewijsverkrijgingsverordening). Aan de hand van die
lijst kunnen gerechten in andere lidstaten bepalen aan wie zij een verzoek moeten
richten.
In het eerste lid van artikel 2 wordt verduidelijkt dat het gaat om de bevoegdheid
«als aangezocht gerecht». Het gaat om de rechtbank binnen wier arrondissement de uitvoering
van het verzoek moet plaatsvinden, dan wel de rechtbank met een bijzondere competentie.
Dat laatste element is ter verduidelijking aan het tweede lid toegevoegd en ziet bijvoorbeeld
op bewijsverkrijging in een scheepvaartzaak waarvoor in Nederland de rechtbank Rotterdam
exclusief bevoegd is.
C (Artikel 3)
In het eerste lid wordt geregeld dat de rechtbank Den Haag voortaan als centraal orgaan
de taken als bedoeld in artikel 4, eerste en derde lid en artikel 19 van de Bewijsverkrijgingsverordening
zal uitvoeren.
D (Artikel 3a)
Op basis van het nieuwe artikel 3a kunnen bij AMvB nadere regels worden gesteld voor
een verzending via het gedecentraliseerde IT-systeem als bedoeld in artikel 7, eerste
lid, van de Bewijsverkrijgingsverordening. Het gedecentraliseerde IT-systeem bestaat
uit nationale IT-systemen die onderling verbonden zijn en op technisch vlak met elkaar
kunnen communiceren. De basis van de verbinding wordt gevormd door e-CODEX. Dit systeem
zal gereguleerd worden in een verordening en zal beheerd worden door de EU.33 De Europese Commissie ontwikkelt referentie-implementatiesoftware die gebruikt kan
worden door de lidstaten om hun nationale IT-voorzieningen aan te sluiten op e-CODEX.
34 Dat levert voor de verzendende en ontvangende instanties een portaal op waarmee veilig
en rechtstreeks met de instanties in de andere lidstaten kan worden gecommuniceerd,
op basis van de formulieren die bij de verordeningen zijn gevoegd. De Bewijsverkrijgingsverordening
bevat regels en procedurevoorschriften voor de veiligheid van gegevens en de betrouwbaarheid
van het systeem.35 Met dit wetsvoorstel wordt een grondslag opgenomen om nadere regels te kunnen stellen
voor de verzending via het IT-systeem, indien de technische uitvoering van de nationale
aansluiting op e-CODEX dat vereist. Ook deze regels moeten betrouwbaar en veilig zijn,
en daarnaast werkbaar.
I (Artikel 8)
Dit artikel regelt de mogelijkheid tot het stellen van voorwaarden aan de bewijsverkrijging
in Nederland. Het voorstel vult deze bepaling nader in. Dit gebeurt door te bepalen
dat deze voorwaarden betrekking kunnen hebben op de deelname van partijen, hun vertegenwoordigers
en het buitenlandse gerecht of op het rechtstreeks verkrijgen van bewijs door het
buitenlandse gerecht in Nederland en dat dit ook (en bij voorkeur) kan via een videoverbinding.
Het Nederlandse gerecht dat op verzoek van een gerecht uit een andere lidstaat bewijs
verkrijgt, kan voorwaarden stellen aan de deelname van partijen en hun vertegenwoordigers
op grond van artikel 13 derde lid van de Bewijsverkrijgingsverordening. Ook aan de
deelname van het verzoekend gerecht kunnen voorwaarden worden gesteld op grond van
artikel 14, vierde lid, van de Bewijsverkrijgingsverordening. Partijen, hun vertegenwoordigers
en het verzoekende gerecht zullen volgens artikel 8, eerste lid, tweede zin, bij voorkeur
in de gelegenheid worden gesteld om via een beeld- en geluidsverbinding de bewijsverkrijging
bij te wonen. Dat is efficiënt en in lijn met de grondgedachte van de Bewijsverkrijgingsverordening.
Indien het Nederlandse gerecht van oordeel is dat het bijwonen via een beeld- en geluidsverbinding
gelet op de omstandigheden waaronder het verzoek tot bewijsverkrijging moet worden
uitgevoerd, niet de voorkeur verdient, dan kunnen partijen, hun vertegenwoordigers
en het verzoekende gerecht in de gelegenheid worden gesteld om de bewijsverkrijging
in persoon bij te wonen.
Om het gerecht de benodigde armslag te bieden voor de praktische organisatie, bijvoorbeeld
van de beeld- en geluidverbinding, is de formulering van de eerste zin van het eerste
lid iets verruimd.
Rechtstreekse bewijsverkrijging in Nederland door een gerecht van een lidstaat kan
ingevolge artikel 19, tweede lid, tweede zin, van de Bewijsverkrijgingsverordening
alleen vrijwillig plaatsvinden, dat wil zeggen als de getuige daaraan vrijwillig meewerkt.
Op de rechtstreekse bewijsverkrijging in Nederland door een gerecht uit een andere
lidstaat is het buitenlandse recht van toepassing op grond van artikel 19, derde lid,
van de Bewijsverkrijgingsverordening. Het Nederlandse centraal orgaan (zijnde de rechtbank
Den Haag op grond van artikel 3, eerste lid, Uitvoeringswet EG-bewijsverordening dat
met dit wetsvoorstel ook wordt gewijzigd) kan voorwaarden op basis van het Nederlandse
recht (artikel 19, vierde lid, Bewijsverkrijgingsverordening) verbinden aan de rechtstreekse
bewijsverkrijging in Nederland door een gerecht uit een andere lidstaat. Het centraal
orgaan moet die voorwaarden meedelen aan het gerecht dat rechtstreeks bewijs wil verkrijgen
in Nederland. Het gaat om voorwaarden die gelet op de inhoud van het buitenlandse
recht en het verzoek enerzijds, en de persoon en de omstandigheden van de getuige
anderzijds zijn vereist ter bescherming van de Nederlandse inwoners en rechtsorde.
Als voorwaarde kan bijvoorbeeld worden gesteld dat de getuige met een tolk wordt gehoord.36 Ook kan gedacht worden aan de voorwaarde om minderjarige getuigen te horen in een
ruimte die daarvoor geschikt is, in aanwezigheid van een vertrouwenspersoon. De formulering
van het tweede lid van artikel 8 is daartoe verruimd. Ook wordt een vierde lid aan
artikel 8 toegevoegd, waarin wordt geregeld dat een proces-verbaal van bevindingen
wordt opgemaakt van het verloop van de bewijsverkrijging en de naleving van de gestelde
voorwaarden. Dit proces-verbaal wordt aan het centraal orgaan toegezonden. Op die
manier kan erop worden toegezien dat de gestelde voorwaarden in acht worden genomen.
De Raad voor de rechtspraak heeft aangegeven dat het tijd kost als de rechtbank Den
Haag zich moet verdiepen in het procesrecht van een verzoekende lidstaat om te beoordelen
welke voorwaarden gesteld zouden moeten worden. Meestal zal het gaan om voorwaarden
die in het algemeen van belang worden geacht voor de Nederlandse rechtsorde. Het ligt
voor de hand dat bij de beoordeling van een verzoek tot bewijsverkrijging praktisch
wordt gehandeld, bijvoorbeeld door te werken met gestandaardiseerde voorwaarden. Voor
zover in een concreet geval verdieping in het buitenlandse procesrecht nodig zou zijn,
kan gebruik gemaakt worden van het e-Justice portaal van de Europese Commissie. Daarop
worden overzichten van het bewijsrecht van de lidstaten gepubliceerd.37 De rechtbank Den Haag heeft al een aantal bijzondere bevoegdheden in het kader van
de internationale justitiële samenwerking. 38 Deze rechtbank zal als centraal orgaan de benodigde kennis en ervaring dan ook spoedig
kunnen verwerven en verdiepen, zodat de verwachting gerechtvaardigd is dat de gevolgen
voor de werklast beperkt zullen zijn.
J (Artikel 9)
In dit artikel worden regels gegeven voor een verzoek tot bewijsverkrijging van een
gerecht uit een andere lidstaat aan een aangezocht gerecht in Nederland. De voorgestelde
toevoeging in de tekst verduidelijkt dat artikel 9 uitsluitend ziet op deze inkomende
verzoeken op grond van artikel 12 Bewijsverkrijgingsverordening. De verwijzingen in
de tweede zin van het tweede lid naar bepalingen over het getuigenverhoor uit het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering worden geschrapt. De Nederlandse wettelijke
bepalingen van bewijsrecht zijn rechtstreeks op grond van artikel 12 tweede lid van
de Bewijsverkrijgingsverordening van toepassing.
M (Artikel 12)
Dit artikel regelt de verzoeken van Nederlandse gerechten aan een andere lidstaat
voor bewijsverkrijging door een rechter van die andere lidstaat.
Voor het geval het verzoekende Nederlandse gerecht de bewijsverkrijging door het gerecht
van een andere lidstaat wil bijwonen op grond van artikel 14 van de verordening, bepaalt
de voorgestelde toevoeging in artikel 12 dat dit bij voorkeur door middel van een
beeld- en geluidsverbinding plaatsvindt. Vanwege artikel 155 van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering zal de rechter die over de zaak moet beslissen, de bewijsverkrijging
door het gerecht van de andere lidstaat zoveel als mogelijk zelf moeten bijwonen.39
Voor de rechtstreekse bewijsverkrijging door een Nederlands gerecht in een andere
lidstaat is in het tweede lid van artikel 12 verduidelijkt dat het de behandelend
rechter dan wel de benoemde deskundige zelf moet zijn die de rechtstreekse bewijsverkrijging
op grond van art. 19 van de Bewijsverkrijgingsverordening uitvoert.
P (Artikel 18)
Omdat de bestaande Uitvoeringswet EG-bewijsverordening wordt gewijzigd is het niet
mogelijk het opschrift van de wet te wijzigen.40 Wel wordt de citeertitel gewijzigd zodat deze beter aansluit bij de titel van de
herschikte verordening.
Artikel II
De Bewijsverkrijgingsverordening is van toepassing per 1 juli 2022. De bepalingen
die zien op de verzending en ontvangst via het gedecentraliseerde systeem worden logischerwijs
pas van toepassing als deze systemen zijn aangesloten. De inwerkingtreding van deze
wet zal daarop afgestemd worden, zoals benoemd in paragraaf 1 van deze toelichting.
Zoveel als mogelijk zal rekening gehouden worden met de vaste verandermomenten en
de minimuminvoeringstermijn.
De Minister voor Rechtsbescherming,
F.M. Weerwind
Transponeringstabel behorende bij memorie van toelichting Uitvoeringswet Bewijsverkrijgingsverordening
Verordening 2020/1783
Uitvoeringswet
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting op keuze bij invulling beleidsruimte
Art. 1
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 2
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 3, lid 1
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 3, lid 2
Art. 2
Iedere lidstaat stelt een lijst op van de gerechten die bevoegd zijn tot bewijsverkrijging.
De rechtbanken worden aangewezen als bevoegd als aangezocht gerecht bewijs te verkrijgen, in lijn met de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening en het Bewijsverdrag
1970.
Op de lijst zullen als bevoegd tot bewijsverkrijging als verzoekend gerecht alle gerechten worden vermeld die in Nederland bevoegd zijn om bewijs te verkrijgen.
Aanwijzing is niet nodig omdat de bevoegdheid volgt uit de wet.
Art. 4, lid 1 en 3
Art. 3
Iedere lidstaat wijst een centraal orgaan aan.
De rechtbank Den Haag wordt aangewezen als centraal orgaan in de zin van zowel het
eerste als het derde lid van art. 4 van de verordening.
Art. 4, lid 2
Niet van toepassing in NL.
Art. 5
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 6
Art. 4
Verklaring welke taal wordt aanvaard in verzoeken en mededelingen.
Engelse taal wordt aanvaard, in lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
–
Art. 5
Regeling voor vertaling verzoeken en mededelingen.
Deze regeling is in de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening opgenomen in overeenstemming
met de Adviezen van de Adviescommissie burgerlijk procesrecht en de Staatscommissie
voor het Internationaal privaatrecht. Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.
Art. 7
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 8
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 9, lid 1
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 9, lid 2
Art. 7
Wijze van doorzending.
Doorzending is bindend. Hiermee wordt beoogd, in lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening,
geschillen tussen rechtbanken te voorkomen en een zo spoedig mogelijke uitvoering
van het verzoek mogelijk te maken. Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 7.
Art. 10
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 11
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 12
Art. 9
Verordening geeft geen regel voor oproeping door partijen.
Regeling voor oproeping uit hoofde van een verzoek om een bewijshandeling te verrichten
op grond van artikel 12 van de Bewijsverkrijgingsverordening. In lijn met Uitvoeringswet
EG-bewijsverordening. Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 9.
Art. 12, lid 3 en 4
Art. 11
Verordening geeft geen regel voor beroep tegen beslissingen op grond van artikel 12,
derde of vierde lid.
Regeling voor beroepsprocedure. Ook van toepassing bij artikelen 16, tweede lid en
artikel 19, zevende lid, van de verordening. In lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.
Art. 12, lid 4
Art. 15
Gebruik van communicatietechnologie.
Dit zal met name feitelijke uitvoering betreffen. Indien blijkt dat dit nodig is,
kunnen nadere regels worden gesteld bij AMvB.
Art. 13. lid 3
Art. 8
Op de bewijsverkrijging door een Nederlands gerecht op verzoek van een gerecht uit
een andere lidstaat, is het Nederlandse recht van toepassing (art. 12, tweede lid).
Artikel 13, derde lid en 14, vierde lid, bepalen dat het aangezochte gerecht voorwaarden
kan stellen aan de aanwezigheid van partijen en vertegenwoordigers van het verzoekende
gerecht.
In artikel 8 is tot uitdrukking gebracht dat voorwaarden gesteld kunnen worden uit
het oogpunt van de goede procesorde. Art. 8, lid 3 bepaalt dat bij AMvB nadere regels
kunnen worden gesteld. Dit is in lijn met de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 8.
Art. 14, lid 1, lid 3 en lid 5
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 14, lid 2
Art. 12, lid 1
Er kan invulling worden gegeven aan het begrip «vertegenwoordiger».
Ook kunnen andere personen worden aangewezen, zoals deskundigen.
Invulling «vertegenwoordiger» is rechterlijk ambtenaar met rechtspraak belast of deskundige
die is benoemd volgens artikel 194 Rv. In lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 12.
Art. 14, lid 4
Art. 8
Zie de toelichting bij artikel 13/artikel 8.
Art. 15
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 16
Art. 11
Verordening geeft geen regel voor beroep tegen beslissingen op grond van artikel 16.
Regeling voor beroepsprocedure. Ook van toepassing bij artikelen 12, derde of vierde
lid en artikel 19, zevende lid, van de verordening. In lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.
Art. 17
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 18
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 19, lid 1 en 2
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 19, lid 3
Art. 12, lid 2
Aanwijzing lid gerechtelijk personeel of deskundige.
Aanwijzing rechterlijk ambtenaar of deskundige. Tekst nader geconcretiseerd, overigens
in lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening. Zie ook Kamerstukken II, 2002/03,
28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 12.
Art. 19, lid 4
Art. 11
Verordening geeft geen regel voor beroep tegen beslissingen op grond van artikel 19.
Regeling voor beroepsprocedure. Ook van toepassing bij artikel 12, derde en vierde
lid, en artikel 16, tweede lid van de verordening. In lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Zie ook Kamerstukken II, 2002/03, 28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 11.
Art 19, lid 4
Art. 8
Op de rechtstreekse bewijsverkrijging in Nederland door een gerecht uit een andere
lidstaat, is het recht van die lidstaat van toepassing. Artikel 19, vierde lid, bepaalt
dat het centraal orgaan voorwaarden kan stellen.
Zie de toelichting bij artikel 13/artikel 8.
–
Art. 12a
Regeling voor vertaling verzoeken en mededelingen.
In lijn met artikel 12a van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening. Zie ook Kamerstukken
II, 2003/04, 28 863, nr.7, onder J.
–
Art. 14
Bewijskracht
In lijn met artikel 14 van de Uitvoeringswet EG-bewijsverordening.
Art. 20
Art. 15
Gebruik van communicatietechnologie
Indien nodig nadere regels mogelijk bij AMvB.
Art. 21
Lidstaten kunnen in nationale recht bepalen of de mogelijkheid in artikel 21 wordt
opengesteld voor de gerechten. In Nederland is deze mogelijkheid al opgenomen in art.
176 Rv, op basis van het Haags Bewijsverkrijgingsverdrag.
Art. 22
Art. 10
De verordening bevat bepalingen over de kosten van de uitvoering van een verzoek.
In artikel 10 worden deze aangesloten op de Nederlandse procesregels.
In lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening. Zie ook Kamerstukken II, 2002/03,
28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 10.
Art. 22
Art. 13
De verordening bevat bepalingen over de kosten van de uitvoering van een verzoek.
In artikel 10 worden deze aangesloten op de Nederlandse procesregels.
In lijn met Uitvoeringswet EG-bewijsverordening. Zie ook Kamerstukken II, 2002/03,
28 993, nr. 3, artikelsgewijze toelichting bij artikel 13.
Art. 23 tot en met 34
Rechtstreekse werking volstaat.
Art. 35
Art. II
De inwerkingtreding wordt afgestemd op het van toepassing worden van de verordening.
Artikel 35 van de verordening bevat een regeling over de tijdstippen van het van toepassing
worden. Voor het feitelijke technische gedeelte is dat afhankelijk van de vaststelling
van de uitvoeringshandelingen door de Europese Commissie, zoals genoemd in artikel
25 van de verordening.
Ondertekenaars
F.M. Weerwind, minister voor Rechtsbescherming
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.