Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
35 963 Wijziging van de Wet register onderwijsdeelnemers en enkele andere wetten in verband met het uitbreiden van de wettelijke grondslagen voor de verwerking van gegevens in het kader van het register onderwijsdeelnemers
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 22 februari 2022
I. Algemeen
De leden van de VVD-fractie en de D66-fractie hebben met interesse kennisgenomen van
dit wetsvoorstel. De leden van de CDA-fractie en de SP-fractie hebben kennisgenomen
van het onderhavige wetsvoorstel. De leden van de PvdA-fractie, de GroenLinks-fractie
en de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel.
De regering dankt de leden van de vaste Kamercommissie voor de door hen gestelde vragen
en gemaakte opmerkingen. In deze nota naar aanleiding van het verslag is de indeling
van het verslag aangehouden.
Deze nota naar aanleiding van het verslag wordt gegeven mede namens de Minister voor
Primair en Voortgezet Onderwijs en gaat vergezeld van een nota van wijziging waarin
enkele technische wijzigingen van het wetsvoorstel worden doorgevoerd.
1. Hoofdlijnen wetsvoorstel
1. Inleiding
De leden van de D66-fractie vernemen dat met het wetsvoorstel de wettelijke grondslagen
in de WRO1 worden uitgebreid. Zo worden gegevens uit het register onderwijsdeelnemers voortaan
aan verschillende nieuwe instanties verstrekt. Deze leden hebben echter nog een vraag
bij de wettelijke grondslag voor het delen van gegevens met nieuwe organisaties. De
Afdeling van de Raad van State (RvS) wijst er immers op dat de verwerking van persoonsgegevens
zo concreet en nauwkeurig mogelijk dient te zijn. Zij constateren dat de regering
de aanbeveling van de RvS maar gedeeltelijk heeft overgenomen. Zo zijn de vereisten
waaraan moet worden voldaan wel nader uiteengezet, maar kiest de regering voor een
andere inkadering dan de RvS voorstelt. Kan zij toelichten waarom ze hiervoor heeft
gekozen, zo vragen deze leden.
De regering heeft zorgvuldig gekeken naar de criteria die de Afdeling advisering van
de Raad van State heeft geopperd voor de afbakening van de kring van organisaties
die in aanmerking komen voor gegevensverstrekking op grond van artikel 23 WRO. Het
criterium «ontbreken van winstoogmerk» dat de Afdeling heeft gesuggereerd is overgenomen.2 Met betrekking tot het criterium «samenhang met een overheidstaak» wordt opgemerkt
dat de organisaties die onderzoek verrichten naar de kwaliteit, toegankelijkheid of
doelmatigheid van het onderwijs, per definitie werkzaamheden verrichten die samenhangen
met een overheidstaak. Het doen van onderzoek naar het onderwijs is immers een (structurele)
taak van de overheid (mede vanwege de grondwettelijke zorg voor het onderwijs). Dit
criterium is dan ook onvoldoende onderscheidend als het gaat om de vraag welke organisaties
in aanmerking komen voor gegevensverstrekking. Dit geldt ook voor het andere door
de Afdeling geopperde criterium, namelijk het criterium dat het zou moeten gaan om
organisaties die «werkzaamheden verrichten die van (groot) belang zijn voor belanghebbenden
in het onderwijs». Ook hier kan worden betwijfeld of dit een wezenlijke nadere invulling
zou geven aan het meer algemene criterium «werkzaamheden op het terrein van het onderwijs
met een gewichtig maatschappelijk belang», dat was opgenomen in het wetsvoorstel zoals
voorgelegd aan de Afdeling. Beide criteria zouden het derhalve in onvoldoende mate
mogelijk maken om onderscheid te maken tussen organisaties die wel en niet in aanmerking
komen voor gegevensverstrekking op grond van artikel 23 WRO. Daarom is gekeken naar
andere mogelijkheden voor afbakening van de kring van organisaties. Dit heeft geleid
tot het voorstel om enerzijds een aantal organisaties in de wet zelf te benoemen en
anderzijds een aantal organisaties, die voldoen aan specifieke wettelijke criteria,
bij amvb aan te wijzen.3
2. Aansluiting particuliere, buitenlandse en internationale scholen op het register
onderwijsdeelnemers
De leden van de VVD-fractie lezen dat B4-scholen4 net als B3-scholen5 niet verplicht zijn om gegevens in het register aan te leveren en dat dit wetsvoorstel
een grondslag creëert voor de levering van gegevens over onderwijsdeelnemers door
de particuliere B3- en B4-scholen. Betekent dit ook dat B3- en B4-scholen dus voortaan
wettelijk verplicht zijn om de verzuimgegevens in het nieuwe register aan te leveren,
zo vragen deze leden.
Ja, dat is het geval. B3- en B4-scholen zijn op grond van de Leerplichtwet 1969 nu
al verplicht om verzuimgegevens aan de gemeente door te geven (decentrale verzuimmelding).
Met dit wetsvoorstel verlopen deze verzuimmeldingen voortaan via het register onderwijsdeelnemers
(centrale verzuimmelding).6 Op deze wijze wordt het verzuim voor alle scholen die onderwijs verzorgen in de zin
van de Leerplichtwet 1969 centraal geregistreerd. Deze centrale verzuimmelding heeft
wat betreft administratieve lasten, volledigheid van de gegevens en informatiebeveiliging
belangrijke voordelen ten opzichte van de decentrale verzuimmelding.
De leden van de D66-fractie lezen dat de huidige praktijk van het decentraal melden
van inschrijvingen, uitschrijvingen en verzuim door B3- en B4-scholen onwenselijk
wordt geacht. Zij vragen de regering toe te lichten op welke wijze het melden zal
plaatsvinden nadat deze groepen scholen zijn aangesloten op het register onderwijsdeelnemers.
In plaats van de huidige melding bij de gemeente (de decentrale melding) wordt een
melding voortaan gedaan in het register dat door DUO wordt beheerd, conform de wijze
waarop meldingen reeds door bekostigde scholen worden gedaan. De uitwisseling gebeurt
digitaal via goed beveiligde verbindingen tussen DUO en de school, waarbij de school
de keuze heeft tussen het uitwisselen middels een softwarepakket (leerlingenadministratiesysteem)
of via het verzuimloket van DUO.
Deze leden vragen de regering voorts toe te lichten op welke wijze gemeenten zicht
krijgen op kinderen en jongeren die niet op een school ingeschreven staan en dus ook
niet in het register opgenomen zijn.
Het wetsvoorstel brengt op dit punt geen verandering aan. Als een kind niet op een
school is ingeschreven kunnen er twee situaties aan de orde zijn: het kind is vrijgesteld,
of er is sprake van absoluut verzuim. Wat betreft vrijstellingen is de leerplichtambtenaar
daarvan op de hoogte, omdat ouders daar bij de gemeente een beroep op doen. Informatie
over vrijstellingen wordt ook in het register onderwijsdeelnemers opgenomen en van
daaruit verstrekt aan de gemeente.7 Wat betreft absoluut verzuim kan de leerplichtambtenaar daarop zicht krijgen door
de gegevens uit de basisregistratie personen te vergelijken met de inschrijvingsgegevens
uit het register onderwijsdeelnemers die aan de gemeente worden verstrekt.8 Door inschrijvingsgegevens voor leerlingen op B3- en B4-scholen voortaan centraal
te registreren, tellen leerlingen die op een B3- of B4-school zijn ingeschreven op
landelijk niveau niet langer mee in de cijfers over absoluut verzuim. Er ontstaat
hierdoor op landelijk niveau een beter beeld van absoluut verzuim.
De leden van de D66-fractie vragen tevens of het klopt dat ook de gemeentelijke gezondheidsdienst
voor de uitoefening van de jeugdgezondheidszorg toegang heeft tot het register onderwijsdeelnemers,
en kinderen en jongeren die niet in het register zijn opgenomen niet bij hen in beeld
zijn.
Uit het register onderwijsdeelnemers worden bepaalde gegevens (waaronder inschrijvingsgegevens)
van alle onderwijsdeelnemers jonger dan 18 jaar verstrekt aan de uitvoerders van de
jeugdgezondheidzorg (JGZ), zoals GGD’en.9 Het gaat hier om gegevens die nodig zijn om kinderen en jongeren op te roepen voor
een periodiek gezondheidsonderzoek door de jeugdarts of jeugdverpleegkundige van de
JGZ-organisatie.10 Daarnaast hebben de uitvoerders van de JGZ toegang tot de basisregistratie personen.11 Op deze manier zijn kinderen en jongeren die niet in het register onderwijsdeelnemers
zijn opgenomen, maar wel in de basisregistratie personen zijn opgenomen, toch in beeld
bij de JGZ.
1.3 Verstrekkingen van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers
De leden van de D66-fractie vragen of onderzoeksinstellingen en aangewezen organisaties
continu toegang hebben tot het register of dat er ook de mogelijkheid bestaat om een
onderzoeksinstelling of organisatie incidenteel of voor een vooraf afgebakende periode
toegang te geven tot het register.
Onderzoeksinstellingen en aangewezen organisaties krijgen geen toegang tot het register
onderwijsdeelnemers als zodanig. Zij kunnen een verzoek doen om voor een specifiek
onderzoek gegevens uit het register verstrekt te krijgen, als zij kunnen aantonen
dat dit noodzakelijk is. Als de Minister een dergelijk verzoek honoreert, dan krijgt
de betrokken organisatie de voor het desbetreffende onderzoek benodigde gegevens.
Als organisaties voor onderzoek verschillende keren dezelfde set van gegevens nodig
hebben, kan de Minister een verstrekkingsbesluit voor een bepaalde periode (bijvoorbeeld
twee jaar) afgeven. Binnen deze periode kunnen dan bijvoorbeeld jaarlijks of twee
keer per jaar de gegevens die in het besluit zijn genoemd worden verstrekt, voor de
doelen die in het besluit zijn genoemd. Zo wordt voorkomen dat een organisatie voor
dezelfde set van gegevens en voor hetzelfde onderzoek steeds een nieuw verzoek moet
indienen. Een dergelijk besluit geldt altijd voor een bepaalde duur, en de gegevensverstrekking
is daarmee altijd in de tijd afgebakend. Mocht gedurende de periode waarvoor het besluit
geldt blijken dat (deels) andere gegevens nodig zijn, of dat het doel waarvoor de
gegevens worden verstrekt (deels) verandert, dan dient de organisatie wel een nieuw
verzoek te doen.
Deze leden vragen tevens of de regering – vanuit het oogpunt van rechtszekerheid,
voorzienbaarheid en privacybescherming – periodiek de bij AMvB12 aangewezen organisaties die structureel toegang tot het register krijgen bij wet
zal aanwijzen.
Naar aanleiding van de adviezen van de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) en de Raad
van State heeft de regering de kring van private organisaties die voor gegevensverstrekking
in aanmerking komen zo nauwkeurig mogelijk willen afbakenen. Er is daarom enerzijds
voor gekozen om enkele organisaties die momenteel reeds gegevens uit het register
ontvangen voor onderzoeksdoeleinden (Studiekeuze 123, Nuffic en Kences) op het niveau
van de formele wet aan te wijzen.13 Anderzijds is er omwille van een gelijk speelveld voor organisaties die belanghebbenden
uit het onderwijsveld vertegenwoordigen en omwille van de noodzakelijke flexibiteit,
voor gekozen om bepaalde organisaties bij amvb te kunnen aanwijzen. Momenteel worden
al gegevens verstrekt aan JOB (voor de JOB Monitor) en de sectorraden. De regering
heeft ruimte willen scheppen om ook andere landelijke vertegenwoordigende organisaties
uit het onderwijsveld (bijvoorbeeld andere studentenorganisaties of lerarenorganisaties)
in aanmerking te kunnen brengen voor gegevensverstrekking voor onderzoeksdoeleinden
zonder dat hiervoor de wet hoeft te worden aangepast. Om die kring van organisaties
ook goed af te bakenen zijn op wetsniveau criteria geformuleerd waaraan bij amvb aan
te wijzen organisaties moeten voldoen. Het moet gaan om rechtspersonen die geen winstoogmerk
hebben, die op landelijk niveau onderwijsdeelnemers, ouders, onderwijspersoneel of
besturen van onderwijsinstellingen representeren, en die aannemelijk hebben gemaakt
dat zij persoonsgegevens uit het register nodig hebben voor onderzoeksactiviteiten
naar de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs. De wet in
formele zin geeft hierdoor een behoorlijk precieze omschrijving van het soort organisaties
waaraan verstrekt kan worden. De concrete aanwijzing geschiedt bij amvb. Deze amvb
komt tot stand via een procedure die waarborgen bevat voor de rechtszekerheid, voorzienbaarheid
en privacybescherming. Zo worden de AP, de Afdeling advisering van de Raad van State
en de Staten-Generaal (via de voorhangprocedure) bij de amvb betrokken en wordt de
voorzienbaarheid gediend door de openbare internetconsultatie en de publicatie van
de vastgestelde amvb.
Het aanwijzen van organisaties bij wet of amvb staat los van het feit of incidenteel
of structureel gegevens uit het register aan de betreffende organisatie worden verstrekt.
1.3.1 Uitgangspunten verstrekking uit register onderwijsdeelnemers
De leden van de VVD-fractie lezen dat private organisaties toegang krijgen tot de
gegevens uit het register. Kan de regering een overzicht geven van de verschillende
organisaties die deze toegang krijgen, zoals Studiekeuze123, JOB en Nuffic? Daarnaast
lezen de leden een opsomming van organisaties die hier gebruik van kunnen maken; Studiekeuze
123, JOB14, Kenniscentrum voor studentenhuisvesting (Kences), Stichting Nuffic en verschillende
sectorraden. Is dit de complete lijst van organisaties die gebruik mogen maken van
deze gegevens of waren dit enkele voorbeelden? Indien dat laatste het geval is, welke
andere organisaties krijgen nog meer toegang tot deze gegevens, zo vragen deze leden.
De organisaties die op dit moment in het wetsvoorstel en de ontwerp-amvb zijn opgenomen
zijn:
– instellingen als bedoeld in artikel 1.2 van de WHW, hieronder vallen universiteiten,
hogescholen en academische ziekenhuizen;
– Studiekeuze 123;
– Kences;
– Nuffic;
– JOB;
– de sectorraden.
Dit is voor nu een complete lijst. Wel laat dit wetsvoorstel voor de toekomst de mogelijkheid open om bij amvb andere partijen in aanmerking te brengen voor verstrekking van gegevens ten behoeve van onderzoeksactiviteiten op het terrein van
onderwijs.15
Deze leden vragen aan welke criteria een private organisatie moet voldoen om toegang
te krijgen tot deze gegevens. Wat is precies de definitie van een «maatschappelijke
behoefte», zo vragen deze leden.
De term «maatschappelijke behoefte» is geen wettelijk criterium als zodanig. Zoals
in de memorie van toelichting naar voren is gebracht, voorzien de onderzoeken en de
informatieproducten die de private organisaties met de gegevens maken wel in maatschappelijke
behoeften. Zo voorziet de Studiekeuzedatabase in een behoefte van jongeren aan informatie
waarmee zij een opleiding kunnen kiezen en kan informatie op websites zoals «Scholen
op de kaart» ouders en leerlingen helpen bij een keuze voor een school.
Voor zover het gaat om een private organisatie die bij amvb wordt aangewezen gelden
de volgende criteria. Het moet gaan om een organisatie die:
– een rechtspersoon is met volledige rechtsbevoegdheid en geen winstoogmerk heeft;
– op landelijk niveau optreedt als vertegenwoordigende organisatie van onderwijsdeelnemers,
ouders, onderwijspersoneel of besturen van onderwijsinstellingen; en
– voldoende aannemelijk maakt dat het persoonsgegevens uit het register nodig heeft
voor onderzoeksactiviteiten naar de kwaliteit, toegankelijkheid of doelmatigheid van
het onderwijs.
Als een organisatie bij amvb of bij de wet is aangewezen betekent dit niet automatisch
dat een organisatie ook persoonsgegevens uit het register zal ontvangen. De organisatie
zal voor een specifiek onderzoek of informatieproduct een verzoek moeten indienen,
waarin moet worden aangetoond dat gegevensverstrekking voor dat onderzoek of informatieproduct
noodzakelijk is. De Minister zal hier een besluit over nemen.
Deze leden vragen voorts hoe de regering controleert dat deze organisaties zorgvuldig
met dergelijke gegevens omgaan. Daarnaast lezen deze leden dat, volgens het huidige
artikel 23, WRO-gegevens uit het register onderwijsdeelnemers slechts worden verstrekt
aan onderzoeksinstellingen en dat deze beperking problematisch is als het gaat om
onderzoek doen binnen het onderwijs. Hoe borgt de regering de veiligheid van persoonsgegevens
als deze beperking eraf wordt gehaald, zo vragen deze leden.
Deze organisaties zijn verwerkingsverantwoordelijke in de zin van de AVG. Zij hebben
zelf de verantwoordelijkheid om aan de AVG te voldoen en zorgvuldig met de gegevens
om te gaan. De AP houdt daarop toezicht. Daarnaast worden de risico’s gemitigeerd
door de inhoud en voorwaarden van het verstrekkingsbesluit van de Minister. Deze zien
onder andere op:
– Het opnemen van de bewaartermijnen in het besluit. Op deze wijze wordt geborgd dat
de gegevens niet langer dan noodzakelijk worden bewaard bij de betreffende organisatie.
– Het stellen van beperkingen en voorschriften, zoals de wijze van verstrekking en de
voorwaarde dat medewerking aan privacy-audits moet worden verleend.
– Daarnaast kan het verstrekkingsbesluit worden ingetrokken als de organisatie de voorschriften
en beperkingen zoals opgenomen in het besluit niet naleeft of als de organisatie de
gegevens voor een ander doel gebruikt.
De leden van de VVD-fractie vragen daarnaast of het voor deelnemers mogelijk is om
ervoor te kiezen dat hun gegevens niet met deze private organisaties worden gedeeld.
Zo nee, waarom niet, zo vragen deze leden.
Er bestaat voor de onderwijsdeelnemer geen keuzemogelijkheid of, anders gezegd, geen
mogelijkheid om wel of geen toestemming te verlenen voor het delen van de gegevens
aan aangewezen organisaties. De grondslag voor gegevensverstrekking uit het register
onderwijsdeelnemers is niet gebaseerd op de grondslag «toestemming» maar de gegevens
worden verstrekt op grond van de wet voor een taak van algemeen belang. In die zin
bestaat er voor betrokkenen dus geen keuzemogelijkheid.
Voor een goede uitoefening van de taken van de aangewezen organisaties en de totstandkoming
van de informatieproducten van deze organisaties is het noodzakelijk dat de gegevens
volledig zijn. Daarom is de grondslag voor verstrekking van gegevens in de wet vastgelegd.
Immers, als de verstrekking afhankelijk zou zijn van toestemming van onderwijsdeelnemers
heeft dit gevolgen voor de volledigheid van de gegevens. Toestemming kan immers worden
geweigerd of ingetrokken. Als de gegevens niet volledig zijn, doet dit af aan de goede
uitvoering van de taken van de betreffende organisaties en de betrouwbaarheid en bruikbaarheid
van de informatieproducten.
Daarnaast lezen de leden van de VVD-fractie dat «verstrekking van persoonsgegevens
pas aan de orde is als geanonimiseerde data niet zouden voldoen en dus tot de persoon
herleidbare gegevens noodzakelijk zouden zijn». Op welke manier wordt deze persoon
in kwestie betrokken bij de beslissing om dergelijke gegevens te verstrekken?
Conform het uitgangspunt van het informatiebeleid van OCW en DUO worden geanonimiseerde
open onderwijsdata beschikbaar gesteld voor geïnteresseerden. Met behulp van deze
data kunnen onderzoekers en organisaties onderzoek doen. Echter, niet voor alle onderzoeken
zijn geanonimiseerde open onderwijsdata toereikend. Daarom bevat het wetsvoorstel
een grondslag om onder strikte voorwaarden voor onderzoeksdoeleinden persoonsgegevens
te verstrekken uit het register. Aangewezen organisaties kunnen bij de Minister een
verzoek indienen voor verstrekking van persoonsgegevens in geval de geanonimiseerde
data niet zouden voldoen voor het onderzoek.
De Minister zal het verzoek beoordelen en daarover een besluit nemen. Bij inwilliging
van dit soort verzoeken worden geen gegevens verstrekt die direct tot (individuele)
personen herleidbaar zijn.16 Slechts gepseudonimiseerde gegevens worden verstrekt. De Minister zal daarom bij
de besluitvorming over een specifieke verstrekking geen individuele personen (onderwijsdeelnemers)
betrekken. In het antwoord op de vorige vraag is uitgelegd dat er voor de betrokkenen
geen keuzemogelijkheid bestaat voor de gegevensverstrekking. Wel zal de Minister de
(privacy)belangen van onderwijsdeelnemers meewegen in zijn besluitvorming en hiervoor
voorzieningen treffen, bijvoorbeeld door dataminimalisatie, bewaartermijnen en andere
voorwaarden die aan het verstrekkingsbesluit worden verbonden. Deze afweging heeft
een algemeen karakter.17 Als de Minister het verzoek inwilligt wordt dit besluit in de Staatscourant bekendgemaakt.
De leden van de VVD-fractie zijn positief over het feit dat door dit wetsvoorstel
verzuim centraal kan worden gemeld en dat dit voor minder administratieve lasten zorgt
bij zowel scholen als gemeenten. Deze leden vragen of medewerkers van scholen en gemeenten
een training zullen krijgen om de nieuwe procedures te leren.
De regering acht een training omtrent de nieuwe procedures niet noodzakelijk. Voor
de B3- en B4-scholen geldt dat zij de meldingen kunnen doen via een softwarepakket
(leerlingadministratiesysteem) of via het verzuimloket van DUO. Als de melding via
een softwarepakket gaat, dan verzorgen de softwareleveranciers begeleiding en communicatie
richting de betreffende scholen. Voor het verzuimloket stelt DUO een handleiding beschikbaar
en zal DUO ook de nodige communicatie richting de scholen verzorgen. Naar verwachting
zijn de scholen op deze manier afdoende geïnformeerd. Gemeenten zijn reeds bekend
met de voorgestelde nieuwe werkwijze, omdat de verzuimmeldingen van B1- en B2-scholen
al geruime tijd – sinds 2009 – vanuit het register onderwijsdeelnemers (voorheen het
meldingsregister relatief verzuim) naar de gemeenten lopen.
1.3.2 Verstrekking aan instellingen voor hoger onderwijs en aan aangewezen organisaties
De leden van de VVD-fractie lezen dat organisaties die in aanmerking komen voor gegevensverstrekking
breder dan het doel verantwoording onder andere moeten voldoen aan «voldoende aannemelijk
maken dat zij persoonsgegevens uit het register nodig hebben voor onderzoeksactiviteiten
naar de kwaliteit, toegankelijk of doelmatigheid van het onderwijs». Wanneer is iets
voldoende aannemelijk gemaakt volgens de regering, zo vragen deze leden.
Het voldoende aannemelijk maken ziet op verschillende onderdelen:
– Er moet sprake zijn van concrete voornemens om onderzoek te verrichten naar de kwaliteit,
toegankelijkheid of doelmatigheid van het onderwijs.
– Het moet voldoende aannemelijk zijn dat daarvoor persoonsgegevens uit het register
nodig zijn en dat niet kan worden volstaan met bijvoorbeeld geanonimiseerde gegevens.
Een voorbeeld hiervan is als Studiekeuze123 onderzoek doet naar de doorstroomcijfers
van onderwijsdeelnemers. Daarvoor is het nodig de onderwijsdeelnemer door de jaren
heen te «volgen». Geanonimiseerde data volstaan dan niet, omdat dan niet duidelijk
is welke geanonimiseerde gegevens uit verschillende jaren op dezelfde persoon betrekking
hebben. Door te werken met gepseudonimiseerde (persoons)gegevens is zulk onderzoek
over de jaren heen wel mogelijk.
Deze leden lezen dat er pas persoonsgegevens aan organisaties worden verstrekt als
dat noodzakelijk is en wanneer de Minister van OCW daarover een besluit heeft genomen.
Wordt de Kamer in dergelijke gevallen dan ook op de hoogte gebracht, zo vragen deze
leden.
Het wetsvoorstel bepaalt dat het besluit van de Minister wordt gepubliceerd in de
Staatscourant.18 Door publicatie in het Staatscourant is de kenbaarheid van de verstrekkingsbesluiten
van de Minister verzekerd. De besluiten zijn dan immers voor een ieder toegankelijk.
Dit sluit overigens aan bij de systematiek van de Wet basisregistratie personen. Besluiten
van de Minister van BZK tot verstrekking van gegevens uit de basisregistratie personen
worden eveneens gepubliceerd in de Staatscourant.19 De Kamer is betrokken wanneer een organisatie in aanmerking komt om, ten behoeve
van gegevensverstrekking voor onderzoeksdoeleinden, bij wet of bij amvb te worden
aangewezen. Er geldt een voorhangprocedure bij de amvb.20
De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom de gegevens van het CBS21 ten behoeve van onderzoeken naar de kwaliteit en toegankelijkheid van het onderwijs
niet meer toereikend zijn om onderzoeken tijdig en volledig uit te kunnen voeren?
Welke gegevens ontbreken er om die onderzoeken volgens de regering goed te kunnen
doen? Welke extra gegevens zullen met dit wetsvoorstel beschikbaar komen uit het register
onderwijsdeelnemers voor dit doel, zo vragen deze leden.
Deze vraag refereert aan de passage in de memorie van toelichting over uitbreiding
van artikel 23 WRO naar het primair en voortgezet onderwijs. In het verleden werden
onderzoeken naar de kwaliteit en toegankelijkheid van het primair en voortgezet onderwijs
uitgevoerd met gebruikmaking van gegevens van het CBS, maar die oplossing was al geruime
tijd niet toereikend om de onderzoeken tijdig en volledig te kunnen uitvoeren. De
gegevens in het register onderwijsdeelnemers – bijvoorbeeld over bij welke instellingen
leerlingen en studenten onderwijs volgen, in welk leerjaar ze zitten, welke opleiding
ze doen, naar welke vervolgopleiding zij doorstromen, hoe lang zij erover doen – worden
aangeleverd door de instellingen zelf en geven daarmee het meest actuele en volledige
beeld. Het CBS ontvangt deze gegevens uit hoofde van zijn taken zelf ook van DUO,
maar voert daar vervolgens bewerkingen op uit, waardoor de gegevens pas geruime tijd
later beschikbaar komen voor verder onderzoek. Daarom wordt voor onderzoek naar kwaliteit
en toegankelijkheid van het primair en voortgezet onderwijs niet alleen gebruik gemaakt
van CBS-gegevens.
Deze leden vragen in hoeverre deze gegevens en de onderzoeken op basis van deze gegevens
(extra) zullen worden gebruikt om scholen af te rekenen op bijvoorbeeld doorstroomcijfers
van brugklas naar derde klas of hoeveel leerlingen in het derde leerjaar zonder vertraging
hun diploma halen, zo vragen deze leden.
De genoemde gegevens over doorstroom en verblijfsduur in het onderwijs zijn ook nu
al beschikbaar in het register onderwijsdeelnemers en worden gebruikt voor onderzoeken
die met de gegevens uit het register worden uitgevoerd door de aangewezen organisaties.
Voor deze onderzoeken geldt dat de organisaties die ze uitvoeren, er veelal zelf voor
kiezen die openbaar te maken ten behoeve van publieke verantwoording. Dit wetsvoorstel
schept geen nieuwe verplichtingen om dit te doen. Meer specifiek geldt voor de verstrekking
van gegevens voor het doel verantwoording (om sectororganisaties in staat te stellen
de besturen daarin te ondersteunen) dat dit per definitie tot openbare informatie
leidt, in de vorm van verantwoordingsinformatie in onder meer benchmarks en dashboards.
Op deze manier maken onderwijsinstellingen transparant welke resultaten zij behalen
en welke keuzes zij maken en kunnen zij hierover het gesprek met hun omgeving aangaan.
De leden van de SGP-fractie lezen allerlei voorbeelden waarin het verruimen van de
mogelijkheden van gegevensverstrekking volgens de regering nuttig zou kunnen zijn.
Het wordt deze leden echter onvoldoende duidelijk in hoeverre de regering tot op heden
daadwerkelijk tegen knelpunten is aangelopen bij verzoeken om gegevensverstrekking.
Zij vragen een nadere toelichting. In dat verband vragen zij ook aandacht voor het
feit dat de rapportages, benchmarks en onderzoeken van de verschillende organisaties
die de regering nuttig acht, kennelijk nu al bestaan zonder een beroep te doen op
gegevensverstrekking. Kan de regering aangeven hoe de meerwaarde van het wetsvoorstel
geduid moet worden? Of is momenteel sprake van gegevensverstrekking in strijd met
de wettelijke kaders, zo vragen deze leden.
Uw Kamer is bij brief van 22 januari 2021 geïnformeerd over deze wijziging van de
Wet register onderwijsdeelnemers.22 In deze brief bent u ingelicht over de doorlichting van gegevensverwerkingen en -verstrekkingen
door DUO die afgelopen jaren heeft plaatsgevonden. Mede naar aanleiding van de inwerkingtreding
van de AVG in 2018 is onder andere bezien of voor de verschillende gegevensverwerkingen
een toereikende grondslag aanwezig was. Dat bleek niet voor alle verstrekkingen het
geval, daarom voorziet deze wet hierin. Het gaat onder meer om de levering van gepseudonimiseerde
gegevens aan organisaties zoals Studiekeuze123 en de sectorraden. De noodzaak van
gegevensverstrekking aan deze organisaties is de afgelopen jaren niet verminderd,
het belang van de Studiekeuzedatabase bijvoorbeeld is onverminderd groot. Daarom is
gekozen voor deze wetswijziging.
Deze leden constateren dat in het wetsvoorstel bij de verstrekking van gegevens ten
behoeve van de ondersteuning van het onderwijs enkel de sectororganisaties expliciet
worden benoemd. Deze leden vragen waarom hierbij niet ook organisaties zijn opgenomen
die het belang van het personeel dienen en die bijvoorbeeld in het kader van het bevorderen
van professionalisering gegevens nodig hebben.
Gegevens kunnen worden verstrekt aan sectorraden indien dit noodzakelijk is voor de
ondersteuning van onderwijsinstellingen en samenwerkingsverbanden bij hun verantwoording
omtrent de kwaliteit, toegankelijkheid en doelmatigheid. De verantwoording is een
taak van het bevoegd gezag, die ondersteund wordt met rapportages en benchmarks door
de sectorraden. Deze taak is in het verleden in verschillende bestuursakkoorden, gesloten
door het Ministerie van OCW met de sectorraden, met hen overeengekomen.23 Op basis daarvan zijn websites zoals «Scholen op de kaart» of «Vensters voor verantwoording»
ontwikkeld. Aangezien de verantwoording een taak van het bevoegd gezag is, is het
niet aan de orde om deze taak ook toe te kennen aan bijvoorbeeld organisaties die
onderwijspersoneel vertegenwoordigen. Het is tevens in lijn met het advies van de
AP om te expliciteren dat bovengenoemde gegevens alleen worden verstrekt aan de sectorraden.
Organisaties voor onderwijspersoneel kunnen wel in aanmerking komen voor gegevensverstrekking
voor zover het gaat om gebruik voor onderzoek naar de kwaliteit, toegankelijkheid
of doelmatigheid van het onderwijs (artikel 23, eerste en tweede lid, WRO). Zij kunnen
bij amvb worden aangewezen, mits zij aannemelijk maken dat zij persoonsgegevens nodig
hebben voor het doen van zulk onderzoek.
1.3.3. Gegevensverstrekking aan samenwerkingsverbanden passend onderwijs
De leden van de D66-fractie constateren dat met het wetsvoorstel wordt beoogd om de
informatiepositie tussen samenwerkingsverbanden te versterken. Hoe verhoudt dit zich
tot de verbeteraanpak passend onderwijs? Hoe draagt deze wetswijziging bij aan de
verbeterpunten geïdentificeerd door de regering? Kan zij concreet uiteenzetten hoe
deze wijziging de taak tot het verdelen van middelen vergemakkelijkt en verbetert?
Hoe groot is de groep waarover samenwerkingsverbanden nu gegevens mogen ontvangen
en hoe groot is de groep waarover zij gegevens nodig hebben, zo vragen deze leden.
Dit wetsvoorstel is één van de onderdelen van de verbeteraanpak passend onderwijs.
In de beleidsnota bij de kamerbrief Evaluatie en Verbeteraanpak passend onderwijs
van november 2020 is de volgende passage opgenomen die naar dit wetsvoorstel verwijst:
«Samenwerkingsverbanden krijgen een betere informatiepositie als het gaat om het uitvoeren
van hun huidige wettelijke taken. De instrumenten Kijkglazen en Dashboard passend
onderwijs worden daartoe verbeterd. De gegevensuitwisseling tussen DUO en de samenwerkingsverbanden
wordt wettelijk verankerd, zodat de gegevensuitwisseling voldoet aan de Algemene verordening
gegevensbescherming (AVG).»24
Met behulp van de hierboven genoemde instrumenten kunnen samenwerkingsverbanden zien
waar leerlingen met een ondersteuningsbehoefte naar school gaan. Op basis van die
informatie kunnen zij de ondersteuningsmiddelen in de juiste hoeveelheid over de juiste
scholen verdelen. De informatie wordt met dit wetsvoorstel preciezer (exacte aantallen
leerlingen in plaats van dat kleine aantallen leerlingen worden afgeschermd). Daarmee
kunnen de middelen doelmatiger worden verdeeld dan op dit moment het geval is. Ook
hoeven samenwerkingsverbanden bij leerlingen met een toelaatbaarheidsverklaring minder
tijdrovende controles uit te voeren om na te gaan of de juiste hoeveelheid middelen
is toegekend aan de (v)so-scholen en in mindering is gebracht op de ondersteuningsmiddelen
van het samenwerkingsverband.
In de met dit wetsvoorstel samenhangende wijziging van het Besluit register onderwijsdeelnemers
(BRO) wordt geregeld dat een samenwerkingsverband van alle leerlingen die staan ingeschreven
aan een school binnen dat samenwerkingsverband en waaraan dat samenwerkingsverband
ondersteuning verleent, gegevens verstrekt krijgt ten behoeve van de verdeling en
toewijzing van ondersteuningsmiddelen aan scholen. Op grond van het huidige artikel
30 van het BRO krijgt een samenwerkingsverband alleen gegevens over de leerlingen
aan wie dat samenwerkingsverband een toelaatbaarheidsverklaring heeft verstrekt. De
bedoelde wijziging van het BRO is onlangs bij uw Kamer voorgehangen.25
De leden van de D66-fractie lezen daarnaast dat het voornemen is om in het BRO
26
de aan de samenwerkingsverbanden te verstrekken set gegevens opnieuw vast te stellen
en dat bij deze wijziging de noodzaak van aanvullende gegevens nader worden onderbouwd.
Kan de regering hier een nadere toelichting op geven, zo vragen deze leden.
De samenwerkingsverbanden krijgen gegevens vanuit DUO via de reeds bestaande instrumenten
Kijkglazen en Dashboard passend onderwijs. Voor die instrumenten wordt gebruik gemaakt
van gegevens uit het register onderwijsdeelnemers. Gebleken is echter dat de grondslag
in het BRO voor deze verstrekkingen nu onvolledig is. Bij de totstandkoming van het
BRO is niet met alle gegevens die via deze instrumenten aan samenwerkingsverbanden
verstrekt worden, en die noodzakelijk zijn voor een goede uitvoering van de wettelijke
taken van de samenwerkingsverbanden, rekening gehouden. In de met dit wetsvoorstel
samenhangende wijziging van het BRO wordt daarom voorgesteld de ontbrekende gegevens
alsnog aan te wijzen en is de noodzaak van aanvullende gegevens nader onderbouwd.
Ik verwijs hier tevens naar de beantwoording van de vraag van de leden van de SP-fractie
over de te verstrekken gegevensset verderop in deze paragraaf.
De leden van de SP-fractie vragen de regering in hoeverre ouders inzage hebben in
de gegevens over de gezondheid van hun kind zoals omschreven in het register onderwijsdeelnemers.
In hoeverre hebben zij zeggenschap over het verstrekken van deze gegevens aan samenwerkingsverbanden,
zo vragen deze leden.
Ouders (wettelijke vertegenwoordigers) hebben op grond van de AVG een recht op inzage
in alle persoonsgegevens die over hun kind zijn opgenomen in het register onderwijsdeelnemers.
27 Onderwijsdeelnemers van 16 jaar of ouder hebben ditzelfde inzagerecht.
Wat betreft zeggenschap van ouders over het verstrekken van gegevens wordt het volgende
opgemerkt. Gegevensverstrekking uit het register aan de samenwerkingsverbanden is
niet gebaseerd op de grondslag «toestemming» van de ouders, maar op de grondslag «wettelijke
verplichting» uit de AVG.28 Samenwerkingsverbanden zijn bestuursorganen met wettelijke taken, zoals het verdelen
van ondersteuningsmiddelen- en voorzieningen. Om die taak goed te kunnen uitvoeren
is het noodzakelijk dat zij beschikken over bepaalde gegevens uit het register onderwijsdeelnemers.
De grondslag »toestemming» past daar niet goed bij. Als toestemming geweigerd of ingetrokken
wordt, zou dat er immers toe leiden dat samenwerkingsverbanden niet zouden kunnen
beschikken over de desbetreffende noodzakelijke gegevens.29 Bij die noodzakelijke gegevens horen ook bepaalde gegevens over gezondheid (bijvoorbeeld
het gegeven dat een leerling ambulante begeleiding vanuit het (v)so ontvangt).30 Er zijn hierbij waarborgen getroffen voor de bescherming van de privacy. Zo worden
de gegevens beschikbaar gesteld via een gesloten omgeving die voor alleen enkele medewerkers
van het samenwerkingsverband toegankelijk is.
Voorts vragen deze leden met welke gegevens de te verstrekken gegevensset aan samenwerkingsverbanden
precies wordt uitgebreid. In hoeverre hebben ouders hier inspraak in? Op welke wijze
wordt geborgd dat deze gegevens niet te herleiden zijn tot specifieke leerlingen?
Waarom is het niet mogelijk om exacte leerlingaantallen door te geven aan het samenwerkingsverband
voor toekenning van middelen zonder extra gegevens te verstrekken, zo vragen de leden.
Ten opzichte van het huidige artikel 30 van het BRO en de bijbehorende bijlage, wordt
in de met dit wetsvoorstel samenhangende wijziging van het BRO voorgesteld om de set
gegevens die aan samenwerkingsverbanden wordt verstrekt uit te breiden met: de schoolsoort,
het leerjaar, de bekostigingsindicatie, de begin- en einddatum van het ontwikkelingsperspectief,
en gegevens met betrekking tot de ambulante begeleiding die een leerling ontvangt.
Hiervoor is in antwoord op een vraag van de leden van de D66-fractie reeds aangegeven
dat deze gegevens noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de wettelijke taken door
samenwerkingsverbanden.
Op de zeggenschap van de ouders ben ik reeds ingegaan bij de vorige vraag.
Bij de gegevens die op dit moment in het Dashboard passend onderwijs aan de samenwerkingsverbanden
worden verstrekt gaat het om exacte leerlingenaantallen, waarbij kleine aantallen
(kleiner dan vijf) zijn afgeschermd. Hierdoor zijn de gegevens niet tot individuele
personen herleidbaar. Echter, de samenwerkingsverbanden hebben kleine aantallen wel
nodig voor een goede uitvoering van hun wettelijke taak (verdeling en toewijzing van
ondersteuningsmiddelen). Ter illustratie: door samenwerkingsverbanden kan worden bepaald
dat bij de toekenning van middelen aan scholen mede wordt gekeken naar het aantal
leerlingen voor wie een ontwikkelingsperspectief is vastgesteld. De samenwerkingsverbanden
beschikken op dit moment niet over exacte kleine aantallen, maar slechts over het
gegeven of het om minder dan vijf leerlingen gaat. Als het om één leerling gaat en
het samenwerkingsverband betaalt de betreffende school voor vier leerlingen, krijgt
de school een te hoog bedrag. Daarmee is het nodig om ook voor de verstrekking van
kleine exacte aantallen toch iets te regelen. Een grondslag is nodig, omdat bij verstrekking
van kleine exacte aantallen sprake kan zijn van herleidbaarheid tot een individu en
dus van persoonsgegevens.31 Door uitbreiding van de gegevensset in artikel 30 van het BRO kunnen straks ook deze
kleine aantallen leerlingen via het Dashboard verstrekt worden. Daarmee wordt het
samenwerkingsverband beter in staat gesteld de middelen doelmatig te verdelen.
2. Bescherming persoonsgegevens
De leden van de PvdA- en de GroenLinks-fractie merken op dat de Autoriteit Persoonsgegevens
kritisch was over de verschillende private partijen die grote hoeveelheden persoonsgegevens
zullen ontvangen uit het register onderwijsdeelnemers en erop wees dat daar bijzondere
persoonsgegevens bij zitten, namelijk gegevens over de gezondheid van sommige leerlingen
en studenten die in het register staan. De overheid zou de controle verliezen over
de aan haar toevertrouwde persoonsgegevens en er zouden grotere risico’s ontstaan
met betrekking tot onder meer beveiliging en onverenigbaar gebruik. Deze leden vragen
of de Autoriteit Persoonsgegevens zich heeft laten overtuigen door de uitleg van de
regering over proportionaliteit en subsidiariteit bij de noodzaak van de gegevensverstrekking
aan de aangewezen organisaties.
Dit kan de regering niet aangeven, aangezien – overeenkomstig de gebruikelijke gang
van zaken – de AP, na de aanpassingen die zijn verricht na ontvangst van het advies
van de AP, niet opnieuw om advies is gevraagd over het wetsvoorstel. De AP wordt alleen
opnieuw om advies gevraagd als een wetsvoorstel na het advies van de AP ingrijpend
is gewijzigd. Dat was in casu niet het geval.
De regering is in de memorie van toelichting op het wetsvoorstel uitgebreid ingegaan
op het advies van de AP en heeft de noodzaak van de gegevensverstrekking aan de aangewezen
private organisaties nader onderbouwd. Daarbij is tevens ingegaan op de proportionaliteit
en subsidiariteit.32 Tot slot wordt opgemerkt dat het aangepaste wetsvoorstel en de nadere onderbouwing
aan de Raad van State voor advies is voorgelegd. De Raad van State toetst bij de wetgevingsadvisering
de noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van in wetgeving geregelde gegevensverstrekkingen.
De Raad zag geen aanleiding om over de noodzaak van de gegevensverstrekking aan aangewezen
organisaties opmerkingen te maken.
3. Caribisch Nederland
De leden van de PvdA- en de GroenLinks-fractie merken op dat uit twee pilots werd
geconcludeerd dat de uitwisseling tussen de onderwijsinstellingen op Caribisch Nederland
en DUO33 onder een aantal randvoorwaarden, met name inzake instellings- en opleidingscodes,
goed valt te regelen. Het streven is nu om onderwijsinstellingen op Bonaire in 2022
aan te sluiten op het register onderwijsdeelnemers en in 2023 in de rest van Caribisch
Nederland. Welke overwegingen liggen ten grondslag aan dit onderscheid, zo vragen
deze leden.
De overweging die eraan ten grondslag ligt Caribisch Nederland gefaseerd aan te laten
sluiten op het register onderwijsdeelnemers ligt in het feit dat Bonaire het Nederlandse
onderwijs- en examenstelsel heeft. Saba en Sint Eustatius hebben voor het voortgezet
onderwijs een Caribisch onderwijsstelsel. Dit zorgt voor extra aanpassingen in zowel
het register onderwijsdeelnemers als het register instellingen en opleidingen (RIO).
4. Advies en openbare consultatie
4.1 Advies Autoriteit Persoonsgegevens
De leden van de SP-fractie maken zich grote zorgen om de privacy van scholieren en
studenten als meer instanties toegang tot gegevens van studenten, scholieren en diploma-
en verzuimgegevens krijgen. Met name verzuimgegevens kunnen medische gegevens bevatten
die extra beschermd moeten worden. Ook de Autoriteit Persoonsgegevens heeft zich hier
eerder kritisch over uitgelaten. Daarom zijn de leden ook erg benieuwd wat de regering
met het advies van de Autoriteit Persoonsgegevens heeft gedaan en of de privacy van
studenten en leerlingen gewaarborgd is met deze wetswijziging. Is de regering voornemens
om de noodzaak van de gegevensverstrekkingen aan aangewezen organisaties nader te
onderbouwen, zo vragen de leden.
In het register onderwijsdeelnemers zijn verschillende typen gegevens opgenomen, namelijk
basisgegevens, vrijstellingsgegevens, verzuimgegevens en diplomagegevens. De regeling
in het wetsvoorstel voor de verstrekking van gegevens aan aangewezen organisaties
gaat alleen over basisgegevens. De noodzaak van de verstrekking van basisgegevens
aan aangewezen organisaties is naar aanleiding van het advies van de AP nader gemotiveerd,
in paragrafen 3.3.2 en 9.2 van de memorie van toelichting. Verzuimgegevens en diplomagegevens
worden niet verstrekt aan aangewezen organisaties en dit wetsvoorstel bevat daarvoor
ook geen grondslag.
Een ander belangrijk punt dat de Autoriteit Persoonsgegevens in haar advies aankaart,
zo brengen deze leden naar voren, is de controle die de overheid verliest over de
aan haar toevertrouwde persoonsgegevens. Private partijen hebben andere belangen en
meer ruimte om naar believen gewenste activiteiten te ondernemen. Daardoor kan druk
ontstaan om gegevens voor andere doeleinden te benutten. Deze leden vragen hoe de
regering ervoor zorg gaat dragen dat de gegevens zo veel mogelijk in het publieke
domein blijven.
Naar aanleiding van de adviezen van de AP en de Raad van State zijn de bepalingen
over verstrekking aan private organisaties aangescherpt. In plaats van het eerder
in het wetsvoorstel opgenomen algemene criterium dat de organisatie «werkzaamheden
van gewichtig maatschappelijk belang» moet verrichten, zijn nu specifiekere eisen
opgenomen. Een bij amvb aan te wijzen organisatie moet een rechtspersoon zijn zonder
winstoogmerk, een landelijke organisatie zijn van onderwijsdeelnemers, ouders, onderwijspersoneel
of besturen van onderwijsinstellingen, en de organisatie moet voldoende aannemelijk
maken dat zij voor onderzoek basisgegevens uit het register nodig heeft. Door deze
eisen wordt voorkomen dat commerciële partijen, of partijen die niet als doel hebben
de belangen van eerdergenoemde partijen te behartigen, deze gegevens ontvangen. Daarom
is druk om de gegevens voor andere doeleinden te benutten ook minder aannemelijk.
Daarnaast zijn in het wetsvoorstel waarborgen ingebouwd voor een zorgvuldige omgang
met gegevens. Zo wordt in het verstrekkingsbesluit van de Minister een bewaartermijn
voor de gegevens opgenomen en worden aan het besluit voorschriften en beperkingen
verbonden in het belang van een zorgvuldige en doelmatige gegevensverwerking door
de aangewezen organisaties. Deze omvatten bijvoorbeeld afspraken over onafhankelijke
audits. Indien de organisatie hieraan niet voldoet, of de gegevens voor een ander
doel gebruikt dan waarvoor ze verstrekt zijn, kan het verstrekkingsbesluit worden
ingetrokken. Daarnaast wordt opgemerkt dat de organisaties, als gegevensverantwoordelijken
in de zin van de AVG, onder toezicht van de AP staan.
De leden van de SP-fractie vragen ten slotte of DUO voldoende is toegerust om dit
alles uit te voeren, daar het takenpakket van DUO al zwaar is. Is de regering net
als de leden niet bang dat de capaciteit van DUO een oorzaak kan zijn van gebrekkige
taakuitvoering van DUO? Is de regering bereid om de capaciteit bij DUO uit te breiden?
Ziet de regering nog andere mogelijke gevaren, zo vragen deze leden.
DUO verstrekt op dit moment al gegevens aan aangewezen organisaties. Dit wetsvoorstel
biedt daarvoor een deugdelijke wettelijke grondslag. In die zin verandert er niets
aan het takenpakket van DUO. Wat met dit wetsvoorstel wel gaat veranderen, is dat
er een nieuwe procedure komt voor de verstrekking van gegevens: de betreffende aangewezen
organisatie die gegevens uit het register wil ontvangen moet daarvoor eerst een verzoek
indienen. De Minister neemt vervolgens daarop een besluit. Dit brengt voor DUO meer
werkzaamheden met zich mee dan in de huidige situatie. DUO heeft een uitvoeringstoets
uitgevoerd en geeft aan dat het wetsvoorstel (ook dit onderdeel van het wetsvoorstel)
uitvoerbaar is.
II ARTIKELSGEWIJS
Artikel I, onderdeel E
Artikel 23
De leden van de SGP-fractie constateren dat de regering in het voorgestelde artikel
23, tweede lid, onderdeel b, spreekt van besturen van onderwijsinstellingen in plaats
van aan te sluiten bij de definitiebepaling van bestuur. Daardoor zou er onduidelijkheid
kunnen ontstaan over de vraag of het wetsvoorstel enkel het bestuur als orgaan bedoelt
dan wel het bestuur als bevoegd gezag. Dat zou concreet kunnen betekenen dat een organisatie
voor interne toezichthouders (VTOI) buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel valt.
Anderzijds constateren zij dat de artikelsgewijze toelichting een nog veel ruimere
reikwijdte zou kunnen bevatten, door te spreken van organisaties die op landelijk
niveau belanghebbenden in het onderwijs vertegenwoordigen. Deze formulering hoeft
niet strikt beperkt te zijn tot het bevoegd gezag. Deze leden vragen de regering hierop
te reflecteren en aan te geven waarom niet is aangesloten bij de definitie van bestuur
uit de wet.
Bij het opnemen van het begrip »besturen van onderwijsinstellingen» in artikel 23,
tweede lid, onderdeel b, WRO, werd niet beoogd om een smalle definitie van bestuur
(enkel het bestuur als orgaan) te geven. Bij de uitleg van genoemd begrip zou moeten
worden aangesloten bij de definitie van «bestuur» in artikel 1 WRO, die een bredere
strekking heeft. «Bestuur» wordt daar gedefinieerd als het «bevoegd gezag».34 Het bevoegd gezag is de rechtspersoon die de onderwijsinstelling in stand houdt.35 Hier vallen verschillende organen onder, niet alleen het bestuur (in enge zin) maar
ook interne toezichthouders. Een landelijke organisatie voor interne toezichthouders
is dan ook niet uitgesloten van de kring van organisaties van artikel 23 WRO.
Met de door deze leden aangehaalde zin uit de artikelsgewijze toelichting is niet
beoogd om een ruimere kring van organisaties aan te duiden dan in artikel 23, tweede
lid, onderdeel b, WRO is vastgelegd. Met «organisaties die op landelijk niveau belanghebbenden
in het onderwijs vertegenwoordigen» zijn dezelfde organisaties bedoeld als die in
de genoemde wetsbepaling zijn vermeld.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.H. Dijkgraaf
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
R.H. Dijkgraaf, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.