Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
35 381 (R2143) Goedkeuring van het op 22 oktober 2015 te Riga tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2016, 180)
Nr. 6
NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 21 augustus 2020
Met veel belangstelling heb ik kennisgenomen van het verslag van de vaste commissie
voor Justitie en Veiligheid. Ik verheug mij in het feit dat de leden van de VVD-fractie
de doelstellingen van het Aanvullend Protocol bij het Verdrag van de Raad van Europa
ter voorkoming van terrorisme (hierna: het Aanvullend Protocol) onderschrijven en
maatregelen verwelkomen die effectief bijdragen aan het voorkomen van terrorisme.
Graag beantwoord ik de door deze leden gestelde vragen, mede namens de Minister van
Buitenlandse Zaken.
1. Internationale anti-terrorismeregelgeving
De leden van de VVD-fractie constateren dat in de afgelopen jaren veel internationale
regelgeving tot stand is gekomen die tot doel heeft om terrorisme te voorkomen en
te bestrijden. Deze leden geven aan graag een actueel overzicht te ontvangen van internationale
verdragen en regelgeving die zien op de bestrijding en voorkoming van terrorisme.
Graag bied ik het door deze leden gevraagde overzicht. Zowel in VN-verband als in
het verband van de Raad van Europa en de EU zijn verschillende instrumenten tot stand
gebracht die zijn gericht op de bestrijding van terrorisme.
De eerste internationale terrorismeregelgeving ontstond aan het begin van de jaren
’70 van de vorige eeuw. Het ging om een aantal internationale verdragen dat zich richt
op specifieke verschijningsvormen van terrorisme, waaronder vliegtuigkapingen, incidenten
aan boord van vliegtuigen en gijzelingen. Gewezen wordt op de VN-verdragen die worden
vermeld in de bijlage bij het op 16 mei 2005 te Riga tot stand gekomen Verdrag van
de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme (Trb. 2006, 34, hierna: het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme). Deze
regelgeving kwam mede tot stand naar aanleiding van een aantal mondiale terroristische
incidenten, waaronder die op de Olympische Zomerspelen van 1972 in München. Hoewel
de term «terrorisme» in deze verdragen niet voorkomt, zien deze verdragen wel overduidelijk
op daden van terrorisme.
Naast de verdragen die zich richten op specifieke verschijningsvormen van terrorisme,
kwam in de jaren ’70-’90 van de vorige eeuw ook meer algemene internationale terrorismeregelgeving
tot stand, zoals het op 27 januari 1977 te Straatsburg tot stand gekomen Europees
Verdrag tot bestrijding van terrorisme (Trb. 1977, 63). Dit verdrag, dat in het kader van de Raad van Europa is opgesteld, richt zich hoofdzakelijk
op het bevorderen van de uitlevering van verdachten van terroristische misdrijven
tussen de verdragsstaten. Hiertoe behoren zowel de misdrijven uit de eerdergenoemde
VN-verdragen alsook strafbare feiten gepleegd met gebruikmaking van bommen en vuurwapens.
Ook in VN-verband bestond het streven om te komen tot meer algemene instrumenten ter
bestrijding van terrorisme. Dit streven resulteerde eind jaren ’90 in de totstandkoming
van twee belangrijke VN-verdragen. Het gaat in de eerste plaats om het op 15 december
1997 te New York tot stand gekomen Verdrag inzake de bestrijding van terroristische
bomaanslagen (Trb. 1998, 84), dat mede tot stand is gekomen naar aanleiding van de bomaanslag die in 1993 werd
gepleegd op het World Trade Center in New York. Dit verdrag heeft tot doel het gebruik
van bommen en explosieven in, op of tegen openbare plaatsen of faciliteiten te bestrijden.
Het verdrag verplicht de verdragsstaten om verschillende handelingen met betrekking
tot terroristische bomaanslagen strafbaar te stellen in het nationale recht. Daarnaast
stelt ook dit verdrag aanvullende regels op het gebied van rechtsmacht, uitlevering
en internationale samenwerking. Het tweede verdrag betreft het op 9 december 1999
te New York tot stand gekomen Internationaal Verdrag ter bestrijding van de financiering
van terrorisme (Trb. 2000, 12). Dit verdrag verplicht verdragsstaten om de financiering van terrorisme strafbaar
te stellen in het nationale recht. Het verdrag is opgesteld tegen de achtergrond van
het gegroeide besef dat voor een effectieve aanpak van terrorisme daadkrachtiger moet
kunnen worden opgetreden tegen voorbereidingshandelingen met betrekking tot terroristische
gedragingen. Ook in dit verdrag zijn aanvullende regels opgenomen op het gebied van
rechtsmacht, uitlevering en internationale samenwerking.
Het bewustzijn van de dreiging van terrorisme en de noodzaak tot internationale samenwerking
ter voorkoming en bestrijding van terrorisme zijn sterk toegenomen na de terroristische
aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten van Amerika. Deze gebeurtenissen
vormden de aanleiding voor een aantal nieuwe internationale instrumenten, waarin ook
aandacht is voor de specifieke dreiging die uitgaat van terroristische netwerken.
Zo worden staten in VN-resolutie 1373 (2001)1 opgeroepen de hiervoor genoemde VN-verdragen te implementeren.
Binnen de Europese Unie kwam op 13 juni 2002 het kaderbesluit 2002/475 tot stand.2 Het doel van dit kaderbesluit was om het materiële strafrecht van de lidstaten te
harmoniseren om terrorisme beter te kunnen bestrijden. Het kaderbesluit verplichtte
EU-lidstaten om verschillende gedragingen die verband houden met terrorisme in het
nationale recht strafbaar te stellen. Daartoe behoorden tevens verschillende gedragingen
met betrekking tot terroristische groeperingen. Daarnaast bevatte dit kaderbesluit
een verplichting om terroristische misdrijven als een aparte categorie strafbare feiten
aan te merken. Het gaat daarbij om een aantal zware misdrijven die zijn gepleegd met
een terroristisch oogmerk. Ook bevatte dit kaderbesluit een aantal aanvullende regels,
onder meer op het gebied van rechtsmacht, sancties en de bescherming van en bijstand
aan slachtoffers.
De aanslagen die na 11 september 2001 in Europa plaatsvonden in Madrid (11 maart 2004)
en Londen (7 juli 2005) en de opgedane kennis over werkwijzen van terroristische netwerken,
liggen mede ten grondslag aan twee latere instrumenten, waarin in het bijzonder aandacht
uitgaat naar het tegengaan van de verspreiding van jihadistisch gedachtengoed en trainingskampen,
waarvan inmiddels was gebleken dat veel aanslagplegers daaraan deel hadden genomen.
Het gaat allereerst om het eerder genoemde Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming
van terrorisme. Dit verdrag – dat de grondslag vormt voor het Aanvullend Protocol
dat thans ter goedkeuring aan Uw Kamer is voorgelegd – legt in navolging van het VN-Verdrag
ter bestrijding van de financiering van terrorisme een grote nadruk op voorbereidingshandelingen
voor terroristische misdrijven. Het verdrag verplicht de verdragsstaten om een aantal
van deze voorbereidingshandelingen in het nationale recht strafbaar te stellen, waaronder
het publiekelijk uitlokken van het plegen van een terroristisch misdrijf en het werven
of trainen voor terrorisme. In de tweede plaats gaat het om een EU-kaderbesluit uit
2008, waarmee het eerder genoemde EU-kaderbesluit 2002/475 werd aangevuld met soortgelijke
bepalingen.3
Mede naar aanleiding van de burgeroorlog in Syrië en de grote groepen Europese jongeren
die naar Syrië en Irak afreizen om daar deel te nemen aan de strijd, groeit in de
jaren die daarop volgen het besef van het gevaar dat uitgaat van «foreign terrorist
fighters». Dit besef resulteert in VN-resolutie 2178 (2014), die VN-lidstaten oproept
tot het strafbaar stellen van, kort gezegd, het (pogen te) reizen naar een andere
staat dan de staat van verblijf om daar terroristische daden te plegen, evenals de
financiering van dergelijke reizen.4 Deze resolutie ligt mede ten grondslag aan het Aanvullend protocol dat thans ter
goedkeuring aan Uw Kamer is voorgelegd. Ook in de EU-richtlijn inzake terrorismebestrijding
uit 2017 – die de eerder genoemde kaderbesluiten vervangt – zijn strafbaarstellingen
opgenomen die mede gericht zijn op de aanpak van «foreign terrorist fighters».5 Het gaat daarbij in de kern om dezelfde gedragingen als die in het Aanvullend Protocol
worden omschreven, zoals het deelnemen aan een terroristische organisatie, het geven
of ontvangen van training voor terrorisme en het uitreizen naar andere landen om terroristische
misdrijven te plegen.
2. Ratificatie België en het Verenigd Koninkrijk
De leden van de VVD-fractie constateren dat niet alle lidstaten van de Raad van Europa
het Verdrag van de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme uit 2005 en het Aanvullend
Protocol uit 2015 hebben geratificeerd. De aan het woord zijnde leden vragen waarom
België en het Verenigd Koninkrijk het Verdrag nog niet hebben geratificeerd en of
deze landen voornemens zijn het Verdrag en het Aanvullend Protocol te ratificeren.
Ook vragen deze leden of het niet-ratificeren van deze landen gevolgen heeft voor
de uitwisseling van informatie met deze landen ter voorkoming van terrorisme. Graag
beantwoord ik deze vragen als volgt.
België is thans bezig met de goedkeuringsprocedure voor zowel bovengenoemd verdrag
als het Aanvullend Protocol. Het verdrag moet eerst door de gewesten worden goedgekeurd
alvorens tot ratificatie kan worden overgegaan. Deze goedkeuringsprocedure loopt op
dit moment nog, het is nog niet bekend wanneer deze procedure zal zijn afgerond.
Het Verenigd Koninkrijk heeft aangegeven niet voornemens te zijn om het Verdrag van
de Raad van Europa ter voorkoming van terrorisme en het Aanvullend Protocol te ratificeren.
Dit houdt onder andere verband met het feit dat de Europese Unie sinds 1 oktober 2018
partij is bij zowel het Verdrag als het Aanvullend Protocol. Het Verenigd Koninkrijk
stelt in dit verband dat het niet in het nationale belang is om zich te binden aan
instrumenten die verband houden met de bevoegdheid van de Europese Unie op het gebied
van contraterrorisme. Het Verenigd Koninkrijk acht het in dit verband ook onwenselijk
dat het Hof van Justitie van de Europese Unie jurisdictie zou uitoefenen over kwesties
van nationale veiligheid.
Sinds 1 februari 2020 is het Verenigd Koninkrijk geen lid meer van de Europese Unie.
Op grond van het tussen de Europese Unie en het Verenigd Koninkrijk gesloten terugtrekkingsakkoord
blijft een aantal bestaande regelingen op het gebied van de strafrechtelijke samenwerking
van toepassing in en op het Verenigd Koninkrijk tijdens de overgangsperiode die duurt
tot en met 31 december 2020. Tijdens de overgangsperiode onderhandelen de Europese
Unie en het Verenigd Koninkrijk over het toekomstige partnerschap. Daartoe behoort
ook de toekomstige samenwerking op het gebied van veiligheid, inclusief samenwerking
in het kader van terrorismebestrijding. Op dit moment kan nog niet met zekerheid worden
gezegd hoe de relatie met het Verenigd Koninkrijk er op dit punt uit komt te zien.
Ook is nog niet bekend of het Verenigd Koninkrijk na de overgangsperiode wel voornemens
zal zijn om het Verdrag en het Aanvullend Protocol te ratificeren. Tot slot merk ik
op dat – los van de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie
– het Verenigd Koninkrijk wel gebonden blijft aan andere internationale regelgeving
op het gebied van terrorisme, waaronder de eerdergenoemde verdragen en de verschillende
resoluties die binnen de Verenigde Naties tot stand zijn gekomen.
Met betrekking tot de mogelijkheden tot het uitwisselen van informatie merk ik het
volgende op. Het feit dat België en het Verenigd Koninkrijk het Verdrag en het Aanvullend
Protocol nog niet hebben geratificeerd, heeft geen gevolgen voor de uitwisseling van
informatie met deze landen. Zowel Europees recht (richtlijn 2016/680/JBZ6 en kaderbesluit 2006/960/JBZ7) als bestaande internationale verdragen bieden grondslagen voor de uitwisseling van
informatie met deze landen ter voorkoming en bestrijding van terrorisme.
3. Contactpunt informatie-uitwisseling
De leden van de VVD-fractie merken op dat het Landelijk Internationaal Rechtshulpcentrum
van de politie (hierna: LIRC) is aangemeld als contactpunt bij de Raad van Europa.
In antwoord op de vraag om toelichting op deze keuze voor het LIRC verduidelijk ik
graag dat het LIRC is aangewezen vanwege de centrale rol die het LIRC in Nederland
inneemt ten aanzien van de internationale uitwisseling van politiegegevens. Het LIRC
is namelijk het knooppunt van verschillende informatiekanalen en verantwoordelijk
voor het beheer van de vijf politiële communicatiekanalen voor informatie-uitwisseling
met het buitenland (Europol, Interpol, SIRENE, Nederlandse Liaison Officers in het
buitenland en Foreign Liaison Officers geaccrediteerd voor Nederland). Daarnaast is
van belang dat het LIRC reeds als contactpunt is aangewezen voor verschillende onderdelen
van het Verdrag van Prüm die zien op gegevensuitwisseling met het oog op terrorismebestrijding.8 Het voorgaande maakt dat het LIRC het meest geschikt is om als contactpunt in de
zin van artikel 7 van het Aanvullend Protocol te fungeren.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus
Ondertekenaars
F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.