Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden : Verslag houdende een lijst van vragen en antwoorden
35 450 VIII Wijziging van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 (wijziging samenhangende met de Voorjaarsnota)
Nr. 5
VERSLAG HOUDENDE EEN LIJST VAN VRAGEN EN ANTWOORDEN
Vastgesteld 22 juni 2020
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, belast met het voorbereidend
onderzoek van dit voorstel van wet, heeft de eer verslag uit te brengen in de vorm
van een lijst van vragen met de daarop gegeven antwoorden.
De vragen zijn op 2 juni 2020 voorgelegd aan de Ministers van Onderwijs, Cultuur en
Wetenschap en voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media. Bij brief van 15 juni
2020 zijn ze door de Ministers van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en voor Basis-
en Voortgezet Onderwijs en Media beantwoord.
Met de vaststelling van het verslag acht de commissie de openbare behandeling van
het wetsvoorstel voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Tellegen
Adjunct-griffier van de commissie, Arends
1
Hoe staat het met de uitvoering van de motie van de leden Paternotte/Tielen1 over de mogelijkheid om een startkwalificatie bij Codam te behalen?
De Tweede Kamer ontvangt voor het zomerreces een brief over de motie Paternotte en
Tielen.
2
Kunt u een overzicht in tabelvorm geven van de gaten op de begroting en op welke wijze
deze ingevuld (gaan) worden?
De 1e Suppletoire Begroting 2020 van OCW bevat voor de gehele meerjarenperiode (2020 t/m
2024) een sluitend beeld
3
Hoe kan het dat het aantal leerlingen en studenten steeds niet op een goede manier
wordt geraamd?
In 2018 heeft het Ministerie van OCW samen met het Ministerie van Financiën en een
expert van de Auditdienst Rijk (ADR) een verkenning uitgevoerd. Over de uitkomsten
hebben wij u op de hoogte gesteld op 29 oktober 2018 (Vergaderjaar 2018–2019, 35 000 VIII, Nr. 28). Deze werkgroep heeft vastgesteld dat de Referentieraming een grote nauwkeurigheid
op totaalniveau kent. Ook is er geen sprake van structurele overraming of onderraming.
Op basis van de verkenning hebben we niet de verwachting dat de nauwkeurigheid op
totaalniveau wezenlijk kan worden verbeterd.
Daarnaast is er een uitgebreide set met procedurele waarborgen ingericht om de kwaliteit
en navolgbaarheid van de raming te garanderen. Verschillen tussen raming en realisatie
en verschillen tussen opeenvolgende referentieramingen worden geanalyseerd en behandeld
door een onafhankelijke begeleidingscommissie, de Adviescommissie Leerlingen- en Studentenramingen
(ALS). Met de ALS wordt vastgesteld of een bijstelling in de eerstvolgende referentieraming
noodzakelijk is
4
Wordt de referentieraming over de jaarlijkse raming van leerlingen- en studentenaantallen
aangepast, sinds deze raming jaar op jaar niet goed blijkt te zijn én nu blijkt dat
tot 2025 het tekort oploopt tot 416,8 miljoen euro?
Uit de nieuwste bevolkingsprognose van het CBS bleek een sterkere groei van de bevolking
dan eerder was verwacht. Deze groei heeft directe gevolgen voor het toekomstige aantal
leerlingen en studenten, waardoor dus ook de referentieraming en de begroting is bijgesteld.
De referentieraming die gebruikt is voor het opstellen van deze begroting wordt niet
meer aangepast. Voor de volgende begroting zal een nieuwe referentieraming gemaakt
worden. Daarin worden de meest recente ontwikkelingen in de bevolking (geboorte, sterfte,
immigratie, emigratie) verwerkt, samen met de laatst bekende stromen van leerlingen
en studenten door het onderwijs en de ontwikkeling van de werkloosheid. Op de methode
van de raming wordt zoals elk jaar geadviseerd door een onafhankelijke groep van experts.
Zie ook het antwoord op vraag 3.
5
Op welke manier worden de jaarlijkse ramingen van leerlingen- en studentenaantallen
aangepast zodat ze meer overeen komen met de werkelijke aantallen?
Zie het antwoord op vraag 3 en 4.
6
Wordt de meevaller van 16,1 miljoen euro in 2020 gebruikt om de tegenvaller tot 31,3
miljoen euro in 2025 te compenseren?
De meevaller op de studiefinancierings-raming van € 16,1 miljoen in 2020 wordt ingezet
ter dekking van de tegenvallers op de Referentieraming en de nieuwkomersregelingen
in het po en vo in 2020.
7
Kan worden aangegeven wat de verdeling is over de diverse onderwijssectoren van de
hogere leerlingen- en studentenramingen inclusief de bijbehorende bedragen waarmee
de realiteit de raming overschrijdt?
In de onderstaande tabel zijn de verschillen in geraamde aantallen leerlingen en studenten
weergegeven tussen de Referentieraming 2020 en de Referentieraming 2019, die gebruikt
zijn voor aanpassingen in de 1e suppletoire begroting. Deze gegevens worden in de Referentieraming gepubliceerd.
Tabel Verschil aantal leerlingen en studenten Referentieraming 2020 – Referentieraming
2019 (x 1.000)
Aantal leerlingen/ studenten
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Primair onderwijs
3,6
8,3
13,3
17,3
18,3
16,4
Voortgezet onderwijs
0,0
0,9
2,1
4,5
6,8
9,4
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
6,5
9,7
12,4
14,2
15,9
17,4
Hoger beroepsonderwijs
14,4
17,6
19,9
21,5
22,5
23,2
Wetenschappelijk onderwijs
3,4
3,2
2,7
1,8
0,9
0,1
Totaal
27,6
39,6
50,2
59,3
64,4
66,4
In de onderstaande tabel, afkomstig uit de 1e suppletoire begroting 2020, is de verdeling van de tegenvaller op de Referentieraming
over de onderwijssectoren te zien. Het gaat hier om de budgettaire doorrekening van
de geraamde aantallen in de Referentieraming.
Tegenvaller Referentieraming en studiefinancieringsraming
2020
2021
2022
2023
2024
2025
Primair onderwijs
10.076
18.747
43.353
69.410
90.539
95.701
Voortgezet onderwijs
– 260
6.813
15.192
32.331
49.070
67.354
Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie
316
61.983
66.929
84.050
100.734
115.102
Hoger beroepsonderwijs
0
87.249
103.184
121.389
133.265
140.692
Wetenschappelijk onderwijs
0
23.344
15.785
11.788
5.573
– 2.054
Studiefinanciering (relevant)
– 16.073
15.980
– 4.284
8.502
22.193
31.138
Totaal leerlingen- en studenten-ontwikkeling en studiefinanciering
– 5.941
214.116
240.159
327.470
401.374
447.933
8
Kunt u aangeven aan wie u lpo2 uitkeert, en hoeveel daarvan naar het apparaat van het Ministerie van OCW gaat?
De lpo tranche 2020 is volledig uitgekeerd over de instrumenten bekostiging (waaronder
bijvoorbeeld alle bekostigde onderwijs-, cultuur en onderzoeksinstellingen), bijdrage
aan medeoverheden, en bijdrage aan agentschappen, en volledig over artikel 11 (Studiefinanciering),
Artikel 12 (Tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten), artikel 13 (Lesgelden) en artikel 95 (Apparaatskosten). Daarnaast is deze uitgekeerd aan een beperkt
aantal organisaties dat aanspraak maakt op indexatie als gevolg van zaken als internationale
verdragen. Van de totale relevante lpo (€ 1.162 miljoen) is in 2020 € 8,5 miljoen
uitgekeerd over de apparaatskosten van OCW.
9
Is er dit jaar sprake van lpo?
Ja, dit jaar is opnieuw een tranche loon- en prijsontwikkeling uitgekeerd.
10
Welk percentage wordt gehanteerd voor de berekening van lpo?
De verschillende departementale begrotingen zijn op detail-niveau gecodeerd naar loon-
of prijsgevoeligheden. Hiervoor worden percentages gebruikt die gebaseerd zijn op
waarden uit het centraal economisch plan van het CPB.
11
Wordt lpo toegepast breed over de begroting heen? Zo nee, welke begrotingshoofdstukken
of -onderdelen zijn uitgezonderd?
Het Kabinet keert over (vrijwel) de gehele ocw-begroting lpo uit. Dit jaar is er besloten
om een klein deel van de lpo in te zetten ter dekking van de tegenvallers op de OCW-begroting.
Het gaat om lpo op de volgende begrotingsinstrumenten: subsidies, opdrachten, bijdrage
aan ZBO’s/RWT’s, bijdrage aan sociale fondsen, en bijdrage aan een ander begrotingshoofdstuk.
De uitzonderingen hierop worden benoemd in het antwoord op vraag 8. Het overgrote
deel van de lpo op de OCW-begroting wordt wel uitgekeerd (€ 1.133,7 miljoen per jaar).
12
Klopt het dat op SBB3 geen lpo wordt toegepast? Zo ja, is het een beleidsvoornemen om structureel op SBB
te bezuinigen?
Het klopt dat op SBB geen lpo wordt toegepast. Dat betekent niet dat er korting op
het budget voor SBB wordt toegepast, wel dat de bijdrage aan SBB niet meestijgt met
lonen en prijzen. Het kabinet heeft besloten de lpo op onder andere alle bijdragen
aan ZBO’s/RWT’s op de OCW-begroting in te houden ter dekking van de tegenvallers op
de OCW-begroting. Over lpo wordt elk jaar opnieuw besloten.
13
Hoe verhoudt het niet toepassen van lpo zich tot de extra opgaaf die gegeven is inzake
het actieplan «NLwerktdoor»?
De ingehouden lpo betreft lpo over de reguliere bijdrage aan SBB. Door het uitbreken
van de coronacrisis heeft SBB er enkele taken bijgekregen rondom het actieplan stages
en leerbanen, waarbij ook aansluiting wordt gezocht met NLwerktdoor. Hiervoor is extra
subsidie vrijgemaakt door het kabinet voor SBB: twee maal 4 miljoen euro. Hiermee
zet het kabinet samen met SBB ook in deze tijd in op het behouden van zoveel mogelijk
leerbanen en stageplaatsen voor mbo-studenten, werkenden en werkzoekenden.
14
Op welke manier dragen nieuwkomers bij om de tegenvaller op de nieuwkomersregeling
tegen te gaan?
De rijksbegroting kent een scheiding van inkomsten en uitgaven. De aanvullende bekostiging
die OCW aan scholen uitkeert is dus niet direct te koppelen aan een van de inkomstenbronnen
van de rijksbegroting. Hierin is dus ook geen onderscheid te maken tussen belastingen
die door nieuwkomers betaald wordt of door mensen die al langer dan een jaar in Nederland
zijn.
15
Hoeveel budget wordt vanuit de begroting van OCW besteed aan het platform NLwerktdoor.nl?
Vanuit welke begrotingspost wordt dit bekostigd?
Er wordt vanuit OCW niet financieel bijgedragen aan het platform NLwerktdoor.nl.
16
Hoeveel mensen bezoeken gemiddeld per dag de website NLwerktdoor.nl?
Vanaf de livegang tot en met 4 juni 2020 zijn er op www.nlwerktdoor.nl 15.604 unieke bezoekers geweest. Op de dag van lancering (23 april) waren er 2.921
unieke bezoekers. In de weken daarna is er een duidelijke dynamiek te zien: op werkdagen
komen veel bezoekers, in het weekend en op feestdagen nauwelijks. Het gemiddeld aantal
unieke bezoekers per werkdag over de gehele periode gezien is circa 500.
17
Hoeveel mensen maken dagelijks gebruik van de website NLwerktdoor.nl? Kunt u een uitsplitsing
per opleidingsniveau tonen?
Zie voor het aantal bezoekers het antwoord op vraag 16. Het platform NLWerktDoor heeft
als primaire doelstelling om werkgevers te verwijzen naar de juiste kanalen en verbindingen
te leggen. Het platform zorgt voor de ontsluiting van sectorale en regionale initiatieven
en (regionale) arbeidsbemiddelende organisaties (veelal de regionale werkgeversservicepunten).
Bezoekers van de site kunnen door de ontsloten informatie vervolgens zelf contact
leggen met deze organisaties. Vanwege het doorverwijzende karakter van het platform
wordt het opleidingsniveau van de bezoekers niet bijgehouden.
18
Wat is de reden voor de hogere realisatie van de nieuwkomersregeling? Zijn er meer
nieuwkomers of maken scholen meer gebruik van de regeling?
De reden voor de hogere realisatie van de nieuwkomersregeling ligt in de nieuwe bevolkingsprognose
van het CBS, waarin prognose van het aantal immigranten bijgesteld. Bij 1e suppletoire
begroting zijn middelen toegevoegd voor de nieuwkomersregeling. Deze middelen zijn
toegevoegd om het budget in lijn te brengen met de aangepaste bevolkingsprognose van
het CBS.
19
Wat is de reden voor de onderbesteding over 2019 die leidt tot de eindejaarsmarge
van in totaal 117,8 miljoen euro? Op welke posten is er onderbesteding?
Zie antwoord op vraag 25.
20
Hoeveel nieuwkomers zijn er meer dan verwacht?
Het CBS verwacht in 2020 een groei van circa 3,75% van het aantal immigranten in de
leeftijd 4–12 ten opzichte van de bevolkingsprognose van 2019, en een groei van circa
3,8% van in de leeftijd 12–18. Meerjarig is de verwachte instroom voor beide leeftijdsgroepen
relatief stabiel.
21
Wat is de reden dat de lpo niet uitgekeerd wordt aan SBB?
Dit jaar is sprake van meerdere tegenvallers op de OCW-begroting. Het grootste deel
van deze tegenvallers dekt dit Kabinet uit de generale ruimte. Hierdoor kunnen scholen
volledig gecompenseerd worden voor het stijgende aantal leerlingen en studenten. Een
kleiner deel is gedekt op de OCW-begroting met de inzet van een deel van de lpo. Hieronder
valt de lpo op het begrotingsinstrument bijdrage aan ZBO’s/RWT’s. Hieronder valt ook
de SBB.
22
Klopt het dat in het verleden op SBB eerder geen lpo is toegepast en dus resulteerde
in een structurele bezuiniging op de begroting van SBB?
Een bezuiniging betreft het omlaag bijstellen van budget ten opzichte van wat eerder
is begroot. Het inhouden van lpo betreft het niet uitkeren van aanvullend budget.
Wel is het zo dat de bijdrage aan SBB hierdoor niet meestijgt met lonen en prijzen.
Ook vorig jaar is lpo op het instrument bijdrage aan ZBO’s/RWT’s ingehouden ter dekking
van tegenvallers op de OCW-begroting.
23
Op welke manier wordt de eindejaarsmarge van 117,8 miljoen euro uit OCW besteed aan
de bekostiging van de verschillende OCW pakketten met betrekking tot corona?
De eindejaarsmarge van € 117,8 miljoen op de OCW-begroting is ingezet ter dekking
van de ramingstegenvallers op de OCW-begroting.
Het kabinet heeft besloten om een aantal maatregelen die nodig zijn door de crisissituatie
als gevolg van corona generaal te dekken en buiten het uitgavenplafond te plaatsen.
Ook het steunpakket voor cultuur (€ 300 miljoen) en het pakket voor onderwijs en studenten
(bijna € 500 miljoen) zijn op deze wijze generaal gedekt. Gezien de uitzonderlijke
situatie en de urgentie van de coronacrisis heeft er afzonderlijke besluitvorming
plaatsgevonden over deze maatregelen en zijn deze niet betrokken in de reguliere begrotingsbesluitvorming.
24
Wanneer werd duidelijk dat de onderuitputting, dus de eindejaarsmarge, zo groot was?
Wanneer wist het ministerie dit?
De eindejaarsmarge van OCW in 2019 was € 117,8 miljoen.
– Hiervan werd € 14,6 miljoen geboekt in de 2e Suppletoire Begroting 2019, waarvan € 2,8 miljoen aan overlopende verplichtingen
gemeld.
Hiervan werd € 103,2 miljoen geboekt in de Slotwet 2019, waarvan € 14,0 miljoen aan
overlopende verplichtingen gemeld in de brief beleidsmatige mutaties na Najaarsnota.
25
Waar komt de onderuitputting, de eindejaarsmarge, precies vandaan? Had dit voorzien
kunnen worden? Waarom was de raming blijkbaar niet goed? Wat wordt er gedaan om dat
te verbeteren?
De onderuitputting van € 117,8 miljoen bestaat voor een gedeelte uit overlopende verplichtingen.
Dit betekent dat de uitgaven in 2020 i.p.v. 2019 wordt gerealiseerd. Deze overlopende
verplichtingen worden in beeld gebracht bij de najaarsnota en bij de Slotwet (via
de brief Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota) en worden dan aan de eindejaarsmarge
toegevoegd. In totaal ging het om € 16,8 miljoen aan overlopende verplichtingen.
Het grootste deel van de onderuitputting, namelijk ruim € 50 miljoen komt dit jaar
van Artikel 1 (Primair onderwijs). Hier waren de bekostigingsuitgaven incidenteel
lager dan geraamd. Op Artikel 3 (Voortgezet Onderwijs) is er voor ruim € 11 miljoen
onderuitputting. Het grootste deel hiervan is terug te voeren op incidenteel minder
uitgaven aan subsidies. Bij Artikel 13 (Lesgeldontvangsten) was sprake van incidenteel
hogere ontvangsten van bijna € 13 miljoen. Er wordt voor de hele begroting een raming
gemaakt van de uitgaven en ontvangsten. Inherent aan een raming is dat deze kan afwijken
van de realisatie. De afwijking van de raming over 2019 was 0,3%. Zie ook het antwoord
op vraag 51.
26
Waarom wordt de 117,8 miljoen euro eindejaarsmarge niet gebruikt om coronamaatregelen
vanuit OCW te financieren?
Zie het antwoord op vraag 23.
27
Zijn er al resultaten bekend van de evaluatie van de inzet van de werkdrukmiddelen
door de scholen?
De tussenevaluatie wordt eind 2020 opgeleverd. In het onderzoek wordt meer duidelijk
over de effectiviteit van de inzet van de middelen.
28
Worden er voorwaarden gesteld aan de uitkering van de volgende tranches werkdrukmiddelen
naar gelang de uitkomsten van de evaluatie over de effectiviteit van de inzet van
de werkdrukmiddelen? Zo ja, welke en zo nee, waarom niet?
Op basis van de tussenevaluatie wordt bekeken of bijsturing nodig is. De Kamer wordt
daarover begin 2021 geïnformeerd.
29
Wat is de reden dat het experiment vraagfinanciering bekostiging flexibel hoger onderwijs
voor volwassenen stopt?
Het experiment stopt niet. In het Besluit experimenten vraagfinanciering is vastgelegd
dat het experiment geldt voor drie instroomcohorten (studiejaren 2016/2017, 2017/2018
en 2018/2019). Voortzetting van het experiment was afhankelijk van een te houden tussenevaluatie.
Op grond van de tussenevaluatie (Kamerstukken II 2018/19, 31288, nr. 721) is in april 2019 besloten het experiment vraagfinanciering niet te verlengen met
nieuwe instroomcohorten en niet uit te breiden met nieuwe opleidingen, studenten die
tot eind augustus 2019 zijn ingestroomd bij opleidingen die deelnemen aan het experiment
vraagfinanciering kunnen tot het eind van het experiment (2024) aanspraak blijven
maken op vouchers.
30
Wat is de reden dat het budget voor het experiment vraagfinanciering bekostiging flexibel
hoger onderwijs voor volwassenen gebruikt wordt om tegenvallers binnen de OCW-begroting
te dekken?
Het budget voor het experiment vraagfinanciering bekostiging flexibel hoger onderwijs
is structureel vrijgemaakt vanuit de regeerakkoordmiddelen Rutte-II. Nu besloten is
(zie het antwoord op vraag 29 hiervoor) het experiment niet te verlengen vanwege ontoereikende
middelen vallen de hiervoor binnen het onderwijsdeel van de bekostiging gereserveerde
middelen vrij. Op de begroting van OCW was door de groeiende leerling- en studentaantallen
een tegenvaller ontstaan. Deze is grotendeels generaal gecompenseerd. Voor het dekken
van het restant is de keuze gemaakt het vrijgevallen budget vanuit de regeling vraagfinanciering
ook hiervoor in te zetten.
31
Aan wie en/of welke organisaties wordt de lpo uitgekeerd?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
32
Hoeveel van de lpo gaat naar het ambtenarenapparaat van het Ministerie van OCW?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 8.
33
Zijn er al scholen die voor 2020 een beroep hebben gedaan op de financiële middelen
krimp in het voortgezet onderwijs conform de Commissie Dijkgraaf? Moeten scholen zelf
aangeven een beroep te willen doen op deze middelen bijvoorbeeld middels een subsidieaanvraag
of bepaalt het Ministerie van OCW welke scholen in aanmerking komen voor deze middelen?
De Subsidieregeling incidentele middelen leerlingendaling VO 2020 is op 1 mei 2020
in werking getreden. Scholen kunnen van 8 juni 2020 tot en met 22 juni 2020 een subsidieaanvraag
indienen voor ondersteuning bij het opstellen van een plan om de transitie te maken
naar een toekomstbestendig regionaal onderwijsaanbod. Voor de uitvoering van dit transitieplan
kunnen scholen van 15 december 2020 tot en met 31 januari 2021 een subsidieaanvraag
indienen. Om in aanmerking te komen voor een subsidie moet aan een aantal eisen zijn
voldaan, zoals een minimale leerlingendaling van 10% in de regio in vijf jaar in de
periode 2015 – 2025. Met deze subsidieregeling wordt invulling gegeven aan de incidentele
middelen die, conform het advies van de Commissie Dijkgraaf, aan scholen ter beschikking
komen. Hiernaast heeft de Commissie geadviseerd om structurele middelen beschikbaar
te stellen aan scholen die geïsoleerd liggen. Deze maatregel gaat tezamen met de vereenvoudiging
van de bekostiging in, naar verwachting per 1 januari 2022.
34
Wanneer komt het kabinet met de nadere uitwerking van de structurele middelen voor
het lerarentekort?
Momenteel worden de plannen voor de inzet van de extra middelen uitgewerkt. Voor de
zomer ontvangt de Kamer daar een brief over.
35
Wat is de achtergrond van de taakstelling op artikel 1 (primair onderwijs) vanwege
een dekking van een deel van het onderwijsconvenant? Over welk onderwijsconvenant
gaat het en welk onderdeel van het convenant?
Het betreft hier het Convenant aanpak lerarentekort dat OCW met sociale partners heeft gesloten op 1 november 2019 over de aanpak van
het lerarentekort in het funderend onderwijs. Hiermee is er in 2020 en in 2021 € 10,6
mln. beschikbaar gesteld om de individuele scholingsrechten po mogelijk te maken,
zoals dit ook binnen de sector vo is geregeld.
36
Hoeveel kost een leraar in het primair onderwijs gemiddeld per jaar?
Niet het Rijk of OCW is de werkgever van onderwijspersoneel, maar de sociale partners
in het po, vo en mbo gaan over de afspraken van de beloning van onderwijspersoneel.
De onderwijswerkgevers weten wat de daarbij horende kosten zijn. Die kunnen van bestuur
tot bestuur verschillen. Een globale indicatie kan OCW uitrekenen:
Een leraar in het po en vo kost respectievelijk ongeveer € 79.000 en € 91.000 per
jaar. Voor het mbo is onze (ruwe) inschatting dat een leraar ongeveer € 92.000 per
jaar kost.
Een onderwijsassistent in het po en vo kost respectievelijk ongeveer € 50.000 en € 57.000
per jaar.
Een schoolleider in het po en vo kost respectievelijk ongeveer € 105.000 en € 123.000
per jaar.
Belangrijkste aannames daarbij: De kosten gemiddeld per fte in het meest ruime kostenbegrip,
zijnde op basis van de beloning uit cao’s plus verdere lasten die anno 2020 voor rekening
van de werkgever komen. Onder leraren verstaan we degenen die zijn ingeschaald in
de L-schalen, onder onderwijsassistenten degene met de functiecategorie «onderwijsassistent»
en schoolleiders verstaan we directeuren en adjunct-directeuren.
37
Hoeveel kost een onderwijsassistent in het primair onderwijs gemiddeld per jaar?
Zie het antwoord op vraag 36.
38
Hoeveel kost een schoolleider in het primair onderwijs gemiddeld per jaar?
Zie het antwoord op vraag 36.
39
Hoeveel kost het oplossen van het totale lerarentekort in het primair onderwijs per
direct?
Schoolbesturen in het primair en voortgezet onderwijs ontvangen voor de salariskosten
voor leraren personele bekostiging. Dit is onderdeel van de lumpsumbekostiging. De
personele bekostiging wordt gebaseerd op de leerlingaantallen: schoolbesturen ontvangen
dus de middelen voor het aantal leraren dat in principe nodig is om het onderwijs
op een school te kunnen verzorgen. Dit betekent echter niet dat er met deze middelen
ook automatisch voldoende leraren zijn.
Het lerarentekort kent verschillende oorzaken. Daarom volgen we in ons beleid drie
lijnen: de instroom van leraren verhogen, leraren behouden voor het onderwijs en het
onderwijs anders organiseren. We geven u een niet-limitatieve opsomming, die de aanpak
van de tekorten illustreert:
• we investeren in 2020 en 2021 € 30 miljoen in de regionale aanpak van het tekort;
• er is € 300 miljoen incidenteel extra beschikbaar gesteld middels het Convenant extra
geld voor werkdrukverlichting en tekorten
• onderwijspersoneel in het funderend onderwijs 2020–2021.
• er is structureel € 270 miljoen geïnvesteerd in de lerarensalarissen in het po;
• voor de aanpak van de werkdruk in het po is jaarlijks € 333 miljoen beschikbaar gekomen;
• in 2019 is € 39,2 miljoen ingezet voor de opleiding en begeleiding zij-instroom en
ook voor dit jaar is eenzelfde bedrag daarvoor beschikbaar.
• dit kabinet heeft bovendien in het regeerakkoord besloten het collegegeld voor lerarenopleidingen
te halveren in de eerste twee jaar (voor overige opleidingen is dat alleen in het
eerste jaar), wat bijdraagt aan het aantrekkelijk maken van lerarenopleidingen.
Het ingezette beleid laat inmiddels positief effect zien: de geraamde tekorten voor
2024 zijn 1300 fte lager dan eerder was voorspeld. Het lerarentekort is echter nog
niet opgelost. Ook in de toekomst zullen wij ons daarom blijven inzetten om dit tekort
tegen te gaan.
40
Hoeveel kost het oplossen van het totale lerarentekort in het primair onderwijs in
schooljaar 2024/2025?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 39.
41
Hoeveel kost het oplossen van het totale lerarentekort in het primair onderwijs in
schooljaar 2024/2025 uitgaande van het verwachte tekort?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 39.
42
Hoeveel budget is er voor passend onderwijs? Hoeveel budget is er voor hoogbegaafdheid?
In de OCW-begroting 2020 staat aangegeven hoeveel er voor ondersteuningsbekostiging
beschikbaar is. In het primair en voortgezet onderwijs ontvangen samenwerkingsverbanden
en scholen jaarlijks circa € 2,6 miljard voor lichte en zware ondersteuning (inclusief
instellingen voor cluster 1 en 2). Dit is nog exclusief de loon- en prijsbijstelling
voor 2020 die bij 1e suppletoire is toegevoegd. In dit budget zit circa € 32 miljoen
voor extra ondersteuning aan hoogbegaafden. Daarnaast is er ook € 14 miljoen beschikbaar
voor ondersteuning aan (hoog)begaafden middels een subsidieregeling.
43
Hoeveel kost een leraar in het voortgezet onderwijs gemiddeld per jaar?
Zie het antwoord op vraag 36.
44
Hoeveel kost een onderwijsassistent in het voortgezet onderwijs gemiddeld per jaar?
Zie het antwoord op vraag 36.
45
Hoeveel kost een schoolleider in het voortgezet onderwijs gemiddeld per jaar?
Zie het antwoord op vraag 36.
46
Hoeveel kost het oplossen van het totale lerarentekort in het voortgezet onderwijs
per direct?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 39.
47
Hoeveel kost het oplossen van het totale lerarentekort in het voortgezet onderwijs
in schooljaar 2024/2025?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 39.
48
Hoeveel kost het oplossen van het totale lerarentekort in het voortgezet onderwijs
in schooljaar 2024/2025 uitgaande van het verwachte tekort?
Zie hiervoor het antwoord op vraag 39.
49
Hoeveel kost een leraar in het middelbaar beroepsonderwijs gemiddeld per jaar?
Zie het antwoord op vraag 36.
50
Kunt u aangeven hoe de structurele bezuiniging van 3.1 miljoen euro zich verhoudt
tot de politieke en financiële steun van het kabinet voor het actieplan om stages
en leerbanen voor mbo4»ers, werkenden en werkzoekenden te behouden, en zo toekomstige werkloosheid te voorkomen?
De € 3,1 miljoen die u noemt, betreft het tweemaal niet uitkeren van de loon- en prijsbijstelling
(lpo) aan SBB over de jaren 2019 en 2020. Dat betekent niet dat er korting op het
budget voor SBB wordt toegepast, wel dat de bijdrage aan SBB niet meestijgt met lonen
en prijzen. Het kabinet heeft besloten de lpo op onder andere alle bijdragen aan ZBO’s/RWT’s
in te houden ter dekking van de tegenvallers op de OCW-begroting. Omdat OCW zich realiseert
welke belangrijke rol SBB speelt in het mbo-veld en in het bijzonder nu in coronatijd
rondom het actieplan stages en leerbanen, spant OCW zich in om vanaf volgend jaar
structureel € 0,7 miljoen extra beschikbaar te stellen aan SBB via een herschikking
op de OCW-begroting. Daarnaast is OCW voornemens om SBB dit jaar nog € 0,7 miljoen te verrekenen
met de schuldpositie aan OCW. Voor de extra taken die SBB gaat uitvoeren in het kader
van het actieplan stages en leerbanen ten gevolge van de coronacrisis heeft het kabinet
bovendien tweemaal € 4 miljoen voor SBB uitgetrokken in 2020 en 2021. Hiermee zet
het kabinet samen met SBB in op het behouden van zoveel mogelijk leerbanen en stageplaatsen
voor mbo-studenten, werkenden en werkzoekenden.
51
Hoeveel budget blijft er jaarlijks over vanwege onderuitputting? Hoe is de verdeling
van de restbudgetten over de verschillende onderwijsniveaus mbo 3, mbo 4, ad5, hbo6, wo7?
De tabel hieronder geeft de eindejaarsmarges van de afgelopen jaren weer, met het
percentage ten opzichte van de oorspronkelijk vastgestelde begroting.
2017
2018
2019
Eindejaarsmarge (x1.000)
€ 96.200
€ 10.300
€ 117.800
Percentage van netto uitgaven
0,27%
0,03%
0,29%
De onderuitputting van € 117,8 miljoen bestaat voor een gedeelte uit overlopende verplichtingen.
Dit betekent dat de uitgaven in 2020 i.p.v. 2019 wordt gerealiseerd. Deze overlopende
verplichtingen worden deels in beeld gebracht in de 2e Suppletoire Begroting, deels
in de brief Beleidsmatige mutaties na Najaarsnota en nog een deel in de Slotwet. Deze
worden dan met de eindejaarsmarge meegerekend. Ieder jaar blijft er enige onzekerheid
in de uitvoering, waardoor de hoogte van de eindejaarsmarge over de jaren heen kan
fluctueren. Het betreft incidentele onderuitputting die ieder jaar afkomstig is van
andere onderdelen van de begroting. De eindejaarsmarge van OCW is procentueel erg
laag vergeleken met de rest van het Rijk.
52
Wat is de hoogte van de subsidieregeling bbl8 per aanvrager vanaf 2019 tot nu uitgesplitst?
In onderstaande tabel is de hoogte van het bedrag per aanvrager in het schooljaar
2018–2019 van de regeling praktijkleren te vinden. De bedragen voor het schooljaar
2019–2020 worden eind november vastgesteld.
Doelgroep
Subsidiebedrag per volledige leerplek
HBO
€ 876,15
MBO
€ 2.216,70
WO
€ 2.700,00
VO
€ 2.700,00
53
Kunt u het voor de tweede keer niet uitkeren van lpo aan SBB onderbouwen?
Zie het antwoord op vraag 21.
54
Kunt u aangeven wat de structurele bezuiniging van € 3.1 miljoen op SBB betekent voor
de continuïteit van de door SBB te verrichten wettelijke taken?
In de wet is vastgelegd dat SBB subsidie ontvangt voor de uitvoering van haar wettelijke
taken. Dit betreft € 55 miljoen per jaar waar door OCW niet op is bezuinigd. Lpo is
geen onderdeel van dit bedrag. Zie ook het antwoord op vraag 50. Dat betekent dat
SBB de middelen heeft gekregen die nodig zijn om alle wettelijke taken uit te voeren.
55
Kunt u aangeven wat het geschatte effect van de structurele bezuinigingen op SBB is
op het aantal beschikbare stageplekken?
Er is geen sprake van een structurele bezuiniging. De SBB heeft de middelen gekregen
die nodig zijn voor het uitvoeren van de wettelijke taak (zie ook het antwoord op
vraag 50 en 54).
56
Wat is de reden dat het budget voor leven lang ontwikkelen bijna is gehalveerd van
11,75 miljoen naar 6,6 miljoen euro? In hoeverre sluit de budgetaanpassing aan op
het gebruik van deze middelen? Kunt u het gebruik van deze middelen nader concretiseren
(aantallen en bestemming)?
Belangrijkste verklaring is dat door een kasschuif (€ 3,7 miljoen) ervoor gezorgd
is dat de meerjarige begroting aansluit op het betaalritme van de regeling flexibilisering
mbo, waarin staat dat bij verlening van de subsidie 60% direct wordt uitbetaald en
de resterende 40% een jaar later, nadat de tussenrapportage aan de Minister van OCW
is aangeboden. Daarmee sluit de budgetaanpassing aan op het verwachte gebruik van
deze middelen in de verschillende jaren.
De toekenning van de subsidies op grond van de regeling flexibilisering mbo hangt
af van het totaal van de subsidieaanvragen en of deze aanvragen na beoordeling kunnen
worden gehonoreerd. In de brief over de voortgang van het levenlangontwikkelenbeleid
wordt u na de zomer geïnformeerd over de gehonoreerde subsidieaanvragen op grond van
de regeling flexibilisering mbo.
De rest van het verschil (€ 1,4 miljoen) wordt veroorzaakt door enkele gecombineerde
mutaties.
57
Wat is de reden dat het budget voor Tel mee met Taal is verhoogd naar 15,2 miljoen
euro? Sluit deze budgetaanpassing aan op het gebruik van deze middelen? Kunt u het
gebruik van deze middelen nader concretiseren (aantallen en bestemming)?
Het budget voor Tel mee met Taal is € 0,7 miljoen hoger. Dit is het saldo van drie
mutaties. De eerste is een overlopende verplichting van € 3,1 miljoen uit 2019 naar
2020. Deze mutatie is genoemd in de veegbrief 2019. Daarnaast is er een overboeking
geweest van € 0,5 miljoen naar Artikel 14 (Cultuur) ten behoeve van de certificering
van taalhuizen en een incidentele overboeking van € 1,9 miljoen naar het instrument opdrachten voor het opzetten
van de nieuwe landelijke monitor laaggeletterdheid, de communicatiecampagne om meer
cursisten te werven en het kwaliteitsbeleid. Deze uitgaven zijn onderdeel van de uitvoering
van het meerjarenprogramma Samen aan de Slag voor een Vaardig Nederland, 2020–2024, die uw Kamer op 18 maart 2019 heeft ontvangen.
58
Hoeveel budget is beschikbaar voor leven lang ontwikkelen? Hoe is dit budget verdeeld
over de verschillende onderwijsniveaus mbo 3, mbo 4, ad, hbo, wo?
In de OCW-begroting is in 2020 € 11,75 miljoen beschikbaar voor het verbeteren van
de randvoorwaarden voor leven lang ontwikkelen met het actieprogramma leven lang ontwikkelen.
Hieronder valt een verkenning van een digitaal overzicht van scholingsmogelijkheden
voor volwassenen en het programma flexibilisering in het mbo.
In de publieke bekostiging van het beroepsonderwijs en het hoger onderwijs wordt geen
onderscheid gemaakt naar leeftijd. Er is dan ook in de reguliere bekostiging geen
apart (deel)budget voor leven lang ontwikkelen. De vraag naar een verdeling van de
besteding van een dergelijk budget over de verschillende niveaus of aantallen mensen
kan daardoor niet worden beantwoord.
59
Hoeveel mensen maken jaarlijks gebruik van het OCW-budget voor Leven Lang Ontwikkelen?
Hoe is de verdeling gebruikers over de verschillende onderwijsniveaus mbo 3, mbo 4,
ad, hbo, wo?
Zie het antwoord op vraag 58.
60
Hoeveel mensen maken gebruik van het levenlangleren-krediet?
Onlangs heeft Panteia in opdracht van OCW onderzoek uitgevoerd naar het gebruik van
het levenlanglerenkrediet. Dit rapport is 20 mei naar Uw Kamer gestuurd9. Uit dit onderzoek bleek dat in het studiejaar 2017/2018 6.837 mensen gebruik maakten
van het levenlanglerenkrediet. Recentere gegevens zijn nog niet beschikbaar. Het levenlanglerenkrediet
zal jaarlijks gemonitord worden. De resultaten daarvan komen voor het eerst beschikbaar
in de Monitor beleidsmaatregelen hoger onderwijs die in 2021 verschijnt.
61
Hoeveel geld is er momenteel in totaal geleend voor het levenlangleren-krediet vanaf
2015 tot nu?
In totaal is vanaf 2017 tot en met 2019 voor € 51,2 miljoen geleend voor het levenlanglerenkrediet.
62
Wat is het gemiddelde leenbedrag per aanvrager van het levenlangleren-krediet?
Uit het eerder genoemde onderzoek van Panteia blijkt dat het gemiddelde maandelijkse
leenbedrag per gebruiker € 238,22 bedraagt.
63
Hoeveel mensen per opleidingsniveau maken gebruik van het levenlangleren-krediet?
De volgende tabel geeft de samenstelling weer van de groep gebruikers naar het opleidingsniveau
dat zij zijn gaan volgen met het levenlanglerenkrediet.
Gebruikers naar niveau opleiding waarvoor levenlang-lerenkrediet is toegekend
aantal
%
MBO-1
15
0%
MBO-2
15
0%
MBO-3
44
1%
MBO-4
70
1%
MBO-niveau onbekend
108
2%
HBO Associate degree
228
3%
HBO Bachelor
3.841
57%
HBO Master
145
2%
HBO Postinitiële master
170
3%
WO Bachelor
1.122
17%
WO Master
966
14%
WO Postinitiële master
74
1%
Totaal
6.798
100%
De N in deze tabel is lager dan 6.837 omdat van een aantal toekenningen het niveau
van de bijbehorende opleiding niet bekend is.
Bron: DUO; bewerking Panteia
Het niveau van de opleiding, waarvoor krediet is toegekend, is voor 4% van de gebruikers
mbo-niveau, 3% ad-niveau, 61% hbo-niveau en 32% wo-niveau.
64
Hoeveel euro wordt er in Nederland in totaal te weinig aan onderzoek en ontwikkeling
uitgegeven om aan de R&D10-doelstelling van 2,5 procent te voldoen?
De doelstelling om 2,5% van het bruto binnenlands product (BBP) te besteden aan R&D
uitgevoerd in Nederland, is onderdeel van de Europa 2020-strategie. Op basis van de
meest recente bbp prognoses zou in Nederland € 4,8 miljard extra in R&D geïnvesteerd
moeten worden om te voldoen aan de 2,5% doelstelling.
Dit bedrag is berekend ten opzichte van de € 16,1 miljard die in 2017 aan R&D werd
uitgegeven, en bedraagt zowel publieke als private investeringen. De cijfers voor
2017 zijn de meest recente beschikbare cijfers over de totale R&D-uitgaven uitgevoerd
in Nederland, naar financieringsbron.
Wanneer wordt uitgaan van gelijkblijvende verhouding tussen de investeringen vanuit
de overheid en het bedrijfsleven (ongeveer 1:2), betekent dit een extra benodigde
overheidsinvestering van € 1,4 miljard. In 2020 is, ten opzichte van 2017, reeds € 0,86
miljard aan extra overheidsinvestering begroot, waardoor de netto extra benodigde
investering vanuit de overheid neerkomt op € 0,5 miljard.11
65
Wat is de reden voor de verschuiving van 2 miljoen euro van het instrument subsidies
naar het instrument bekostiging? Om welke subsidies en welk doel gaat het?
Met het Convenant aanpak lerarentekort, is er voor 2020 tot en met 2022 in totaal € 10,6 miljoen beschikbaar gesteld voor
Samen opleiden, wat onder het instrument bekostiging valt. In 2020 gaat het om € 2
miljoen. Deze intensivering is gedekt uit de Lerarenbeurs, die onder het instrument
subsidies valt. U bent hierover geïnformeerd met een nota van wijziging (Kamerstukken
II 2019/20, 35 300 VIII, nr. 21).
66
Wat is de reden dat het levenlangleren-krediet is verminderd van 45 naar 36 miljoen
euro? Sluit deze budgetaanpassing aan op het gebruik van deze middelen? Kunt u het
gebruik van deze middelen nader concretiseren (aantallen en bestemming)?
Het bedrag voor het levenlanglerenkrediet is met € 9,0 miljoen omlaag bijgesteld op
basis van realisatiegegevens over 2019. In 2019 werd minder geleend dan geraamd en
die realisatie is doorgetrokken. Het levenlanglerenkrediet is een open-einde regeling.
In het vorige antwoord is meer informatie opgenomen over gerealiseerde aantallen en
bestemming.
67
Wat is de achtergrond van de verlaging van de WTOS12 met 2,6 miljoen euro?
De uitgaven aan de WTOS zijn per saldo met € 2,6 miljoen verlaagd. Dit betreft een
bijstelling omhoog van € 0,4 miljoen op de inkomensoverdrachten en een bijstelling
omlaag van € 3,0 miljoen op de leningen.
De opwaartse bijstelling met € 0,4 miljoen is het gevolg van realisatiegegevens.
De niet relevante uitgaven aan de WTOS zijn per saldo met € 3,0 miljoen verlaagd waardoor
deze post op 0 uitkomt. Dit betreft geen verlaging van de uitgaven, maar een verschuiving
naar een ander artikel (te weten, artikel 11) om begrotingstechnische redenen.
68
Waarom is het eigen vermogen van het Nationaal Archief zo hoog als het is? Is dit
eigen vermogen nodig?
Het eigen vermogen dient als buffer voor het opvangen van algemene bedrijfsrisico’s
die voortvloeien uit de normale bedrijfsvoering van het Nationaal Archief. Daarnaast
is het eigen vermogen om vaste activa en werkkapitaal te financieren.
Het wordt echter als niet doelmatig gezien voor agentschappen van het rijk om een
te hoog eigen vermogen te hebben. Daarom is in de regeling agentschappen opgenomen
dat het eigen vermogen maximaal 5% van de omzet van de laatste drie jaar mag bedragen,
waarbij een surplus vervalt aan de eigenaar. Het Nationaal Archief had een surplus
van € 0,1 miljoen en heeft aan de agentschapsregels voldaan door het surplus terug
te storten aan de eigenaar, het Ministerie van OCW. Door het terugstorten van het
surplus aan het ministerie loopt het vermogen van het Nationaal Archief niet op tot
hoger dan benodigd.
69
Kunt u aangeven waarvoor de middelen voor het apparaat van het Ministerie van OCW
bedoeld zijn?
Op het artikel Apparaat Kerndepartement staat het budget voor de uitgaven aan de medewerkers
van de directies van het kerndepartement, zowel die van de beleidsdirecties als die
van de niet-beleidsdirecties, de Rijksdienst Cultureel Erfgoed, de inspecties en de
adviesraden van het Ministerie. Daarnaast worden hier de centrale uitgaven voor onder
andere huisvesting, automatisering en bijdragen aan Shared Service-Organisaties (SSO’s)
geraamd.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
O.C. Tellegen, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
M.H.R.M. Arends, adjunct-griffier
Bijlagen
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
---|---|---|
VVD | 32 | Voor |
PVV | 20 | Voor |
CDA | 19 | Voor |
D66 | 19 | Voor |
GroenLinks | 14 | Voor |
SP | 14 | Voor |
PvdA | 9 | Voor |
ChristenUnie | 5 | Voor |
PvdD | 4 | Voor |
50PLUS | 3 | Voor |
DENK | 3 | Voor |
SGP | 3 | Voor |
FVD | 2 | Tegen |
Groep Krol/vKA | 2 | Voor |
Van Haga | 1 | Voor |