Verslag (initiatief)wetsvoorstel (nader) : Verslag
35 302 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2020)
Nr. 11
VERSLAG
Vastgesteld 10 oktober 2019
De vaste commissie voor Financiën, belast met het voorbereidend onderzoek van bovenstaand
wetsvoorstel, heeft de eer als volgt verslag uit te brengen van haar bevindingen.
Onder het voorbehoud dat de regering de vragen en opmerkingen in dit verslag afdoende
zal beantwoorden, acht de commissie hiermee de openbare behandeling van het voorstel
van wet voldoende voorbereid.
De voorzitter van de commissie, Anne Mulder
Adjunct-griffier van de commissie, Freriks
Inhoudsopgave
INLEIDING
2
ALGEMEEN
3
1.
Inleiding
3
2.
Samenstelling pakket Belastingplan 2020
6
3.
Opzet algemeen deel
7
4.
Inkomensbeleid
7
5.
Overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001
15
6.
Aanpassen van de werkkostenregeling
16
6.1.
Vergroten vrije ruimte gericht op het mkb
17
6.2.
Vrijstellen van vergoedingen voor een VOG
18
6.3.
Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing
18
6.4.
Waarde producten uit eigen bedrijf
18
7.
Indexeren van vrijwilligersregeling
18
8.
Aanpassen vrijstelling overheidsondernemingen
19
8.1.
Aanpassen onderwijsvrijstelling
19
8.2.
Aanpassen vrijstelling voor interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling
19
9.
Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
20
10.
Aanpassen verhuurderheffing
22
11.
Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven
24
12.
Aanpassen accijns op tabaksproducten
26
13.
Vrijstellingen in de assurantiebelasting
27
14.
Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES
27
15.
Grensbedragen voor teruggaaf en terugbetaling BES
28
16.
Invoeren aftrekuitsluiting dwangsommen
28
17.
Budgettaire aspecten
29
17.1.
Budgettaire gevolgen pakket Belastingplan 2020
29
17.2.
Budgettaire gevolgen wetsvoorstel Belastingplan 2020
29
18.
EU-aspecten
29
19.
Gevolgen voor burger en bedrijfsleven
29
20.
Uitvoeringskosten Belastingdienst
29
21.
Advies en consultatie
29
22.
Evaluaties
29
23.
Transponeringstabel
29
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
30
Artikel.
30
BIJLAGE
30
Uitvoeringstoetsen Belastingplan 2020
30
Ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2020 inclusief certificeringsdocument
CPB
30
OVERIG
31
INLEIDING
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Belastingplan
2020 en de wijziging van enkele andere wetten. Nu het economisch goed gaat, de werkgelegenheid
en de overheidsfinanciën een positieve ontwikkeling laten zien is het voor de leden
van de VVD-fractie belangrijk dat de mensen hiervan profiteren. Zij zijn verheugd
dat de regering ervoor gekozen heeft ruim 3 miljard euro extra lastenverlichting voor
de middeninkomens te geven. Zij hebben nog wel enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van het Belastingplan 2020.
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van het Belastingplan 2020.
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Pakket
Belastingplan 2020. Deze leden verwelkomen dat werken meer gaat lonen, bedrijven meer
bijdragen, belastingontwijking verder wordt aangepakt en de regering hard aan de slag
is met het Klimaatakkoord.
De leden van de fractie van GroenLinks hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
Zij hebben daarbij nog enkele vragen aan de regering.
De leden van de SP-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel en hebben hierbij
enkele vragen en opmerkingen.
De leden van de PvdA-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het pakket Belastingplan
2020.
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met interesse kennisgenomen van
het tweede Pakket Belastingplan van het kabinet Rutte III. Graag maken zij van de
gelegenheid gebruik om een aantal vragen aan de regering voor te leggen.
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van het wetsvoorstel.
De leden van de fractie van 50PLUS hebben met interesse kennisgenomen van het pakket
Belastingplan 2020. Deze leden hebben echter nog de nodige vragen.
De leden van de SGP-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het Belastingplan
2020. Zij hebben nog wel enkele vragen.
ALGEMEEN
1. Inleiding
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering een totaaloverzicht kan geven van
maatregelen, de datum van inwerkingtreding en het moment van evaluatie van alle maatregelen
die ingaan per 1 januari 2020, 2021 en 2022.
De leden van de CDA-fractie willen graag een aantal algemene problemen met de Nederlandse
belastingen aanstippen voordat zij concrete vragen stellen over de voorliggende maatregelen.
Deze opmerkingen vallen uiteen in twee categorieën: een aantal algemene opmerkingen
over de staat van het Nederlandse belastingstelsel en een aantal opmerkingen over
zaken die niet in het huidige Belastingplan zijn opgenomen maar niet nog goed genoeg
lopen.
De leden van de CDA-fractie merken op dat de leden van de regering, van de Tweede
Kamer en het algemene publiek elk jaar getrakteerd worden op koopkrachtplaatjes, koopkrachtstaatjes
en koopkrachtwolken en dat op basis daarvan besluiten genomen lijken te worden.
Echter, zowel voor de Belastingdienst als voor de burger is het belasting- en toeslagenstelsel
zodanig complex geworden dat zij erdoor in de problemen kunnen komen. Het is bijkans
onmogelijk om uit te rekenen hoeveel extra belasting je moet betalen en hoeveel toeslagen
je moet terugbetalen als je € 100 extra inkomsten hebt.
Deelt de regering dat het wenselijk is dat een burger met enig gemak inzicht moet
hebben in hoeveel belasting hij betaalt hij als extra werkt? Zo ja, hoe gaat de regering
dan bewerkstelligen dat dat ook echt zo is?
En nu de regering het hoogste tarief verlaagt naar 49,5%, vragen de leden van de CDA-fractie
of de regering het ook wenselijk vindt om een minimumpercentage aan te geven dat burgers
altijd zouden moeten overhouden van elke € 100 euro die zij verdienen met extra werk
(een uitzondering daarbij mag gelden voor mensen die nog aanvullende bijstand ontvangen).
Is het voor de regering acceptabel dat mensen zeg minder dan € 40 overhouden van € 100
extra verdiend arbeidsinkomen?
Bij de toeslagen is er een evident probleem: 664.000 mensen hebben een terugbetalingsregeling,
meer dan een miljoen mensen hebben een uitstaande toeslagschuld en vorig jaar is bij
48.000 mensen loonbeslag gelegd.
De leden van de CDA-fractie merken op dat het voor veel burgers niet bekend is wat
zij overhouden van een loonsverhoging of een dag extra werk. Er zijn mensen die een
marginale druk hebben van 0% en mensen die een marginale druk hebben van 80%, zo blijkt
uit de recente cijfers van het kabinet. En vaak komen ze daar achteraf pas achter
bij het moeten terugbetalen van toeslagen of door een naheffing van de Belastingdienst.
Voor een kostwinner is het mogelijk om € 5.000 euro extra te verdienen en dan minder
dan € 1.000 euro over te houden. Weliswaar is dit een verbetering ten opzichte van
vorig jaar (toen was het mogelijk voorbeelden te maken waarbij zij/hij niets overhield),
maar dat maakt het eindbeeld nog niet rechtvaardig.
Nu is er de afgelopen jaren een aantal afspraken gemaakt en de leden van de CDA-fractie
willen graag weten wat er terechtgekomen is van de volgende afspraken om toeslagschulden
te voorkomen en mensen niet in de problemen te brengen:
1. Via de polisadministratie ontvangen de Belastingdienst/UWV de actuele inkomensgegevens
van alle werknemers, gepensioneerden en uitkeringsgerechtigden. Vindt er nu een goede
koppeling plaats zodat mensen die minder inkomen krijgen, hogere toeslagen krijgen
en omgekeerd? Binnen welke termijn werkt dit nu?
2. De Belastingdienst zou de beslagvrije voet correct berekenen. Dat betekent dat de
belastingplichtigen of toeslaggerechtigden altijd (net) genoeg geld overhouden om
te leven. Wat is de harde datum waarop dit echt ingaat?
En hoeveel beslagvrije voeten heeft de Belastingdienst het afgelopen jaar berekend
en hoeveel daarvan waren correct?
3. Kan de regering op alle beschikkingen en voorschotten het toetsingsinkomen vermelden
waarop de toeslag gebaseerd is, zodat mensen het zelf kunnen narekenen indien zij
dat wenselijk achten?
De leden van de CDA-fractie merken net zoals voorgaande jaren op dat de hoeveelheid
wetgeving in het Belastingplanpakket weer aanzienlijk is en dat het voor de parlementaire
behandeling veel beter zou zijn om dit meer te spreiden. Deze leden zijn dan ook blij
dat de regering volgend jaar met een fiscale verzamelwet zal komen. Zijn er nog meer
fiscale wetten die de regering voornemens is om in het eerste half jaar van 2020 bij
de Kamer in te dienen?
De leden van de D66-fractie zijn verheugd dat het beleid van dit kabinet de lasten
voor burgers in de jaren 2018 tot en met 2021 verlaagt met 10 miljard1 euro en dat de regering met dit Belastingplan structureel 3 miljard euro extra beschikbaar
stelt om de lasten van huishoudens te verlichten, vooral voor werkenden. De lasten
van bedrijven nemen juist toe door de aanpak van belastingconstructies, zonder dat
de regering oog verliest voor een aantrekkelijk vestigingsklimaat.
Ook worden er volgens de leden van de D66-fractie veel andere goede maatregelen voorgesteld.
De btw op e-publicaties, zoals e-books en abonnementen op online nieuwsplatforms,
wordt verlaagd, dwangsommen voor bedrijven zijn niet meer aftrekbaar van de vennootschapsbelasting,
de regering werkt verder toe naar een rookvrije generatie, vrijwilligers krijgen een
extra steun in de rug en de keuzevrijheid bij het contact tussen de Belastingdienst
en belastingplichtigen wordt vergroot.
Dit neemt niet weg dat de leden van de D66-fractie nog steeds grote uitdagingen voor
zich zien. Het belastingsysteem is zeer complex en lijkt haast overprikkeld. Bijvoorbeeld
als het gaat om het ingewikkelde woud aan toeslagen en de problemen die dit met zich
meebrengt, zoals schulden na, soms onterechte, terugvorderingen. Andere uitdagingen
zijn het mogelijk verstoorde evenwicht tussen werknemers, IB-ondernemers en dga’s,
nu de belastingdruk voor vooral directeur-grootaandeelhouders lager lijkt te zijn
dan werknemers en IB-ondernemers, de steeds verder toegenomen vermogensongelijkheid,
verstoringen in de woningmarkt, de nog steeds te hoge marginale druk en het feit dat
lagere zorgpremies via de begrotingsregels automatisch tot een hogere belastingdruk
voor de laagste inkomens leiden. Met andere woorden: de leden van D66-fractie kijken
met zeer veel belangstelling uit naar de bouwstenen voor een nieuw belastingstelsel
en willen daar het liefst zo snel mogelijk mee aan de slag.
De leden van de D66-fractie vragen of de regering een geactualiseerd overzicht kan
geven van fiscale wetswijzigingen/maatregelen met een inwerkingtredingsdatum van na
1 januari 2020, zoals eerder aan de Kamer is verstrekt2.
Kan de regering bevestigen dat het budgettaire belang van de 98 fiscale regelingen
in 2020 meer dan 110 miljard euro bedraagt?3 Hoe verhoudt dit bedrag zich tot het budgettaire belang van fiscale regelingen in
andere landen? Hoe heeft dit budgettaire belang zich over de afgelopen tien jaar ontwikkeld?
De leden van de PvdA-fractie constateren dat het pakket een aantal kleine en technische
wijzigingen bevat, welke op goedkeuring van hen kan rekenen. Echter, tegen enkele
belangrijke stappen die worden genomen in dit pakket hebben deze leden grote inhoudelijke
bezwaren. Zo zien zij een stap naar een tweeschijvenstelsel die de complexiteit van
het stelsel niet of nauwelijks vermindert, maar die wel leidt tot grotere ongelijkheid
in de samenleving.
De verlaging van het hoge vennootschapsbelastingtarief is voor 2020 van tafel, maar
zal in 2021 alsnog doorgang vinden. De leden van de PvdA-fractie zien dat de noden
in de samenleving elders liggen, en bepleiten daarom het volledig afzien van de verlaging
van de winstbelasting.
De leden van de PvdA-fractie constateren voorts dat er geen oplossingen worden aangedragen
voor de disproportionele belastingen voor woningbouwcorporaties en huurders in het
algemeen. De heffing voor corporaties als gevolg van Anti Tax Avoidance Directive
(ATAD) is veel hoger dan geraamd, ondanks het feit dat hiervoor door corporaties was
gewaarschuwd. Het is dan zaak om alsnog naar deze signalen te luisteren en te corrigeren.
Ook de verhuurderheffing loopt sneller op dan verwacht. Een korting op die heffing
van 100 miljoen euro per jaar is in die zin een doekje voor het bloeden en helpt amper
bij het oplossen van de woningnood in Nederland. De leden van de PvdA-fractie hadden
in dit Belastingplan en bij de begroting maatregelen verwacht die de huren betaalbaar
houden, grote beleggers eerlijk belasten en zorgen voor meer woningen. Dat is te weinig
gebeurd. De leden van de PvdA-fractie verzoeken de regering dan ook het Belastingplan
zo te wijzigen dat de ongelijkheid afneemt, bedrijven eerlijker worden belast en er
meer woningen gebouwd worden.
De maatregelen tegen belastingontwijking worden verwelkomd door de PvdA-fractie. Zij
constateren daarbij dat de bronbelasting op rente en royalty’s krachtiger vormgegeven
had kunnen worden. De maatregelen die voortkomen uit ATAD2 worden apart behandeld,
en vormen een zeer belangrijk middel in de strijd tegen belastingontwijking.
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat in het voorgestelde Belastingplan
enkele grondslagversmallers – de algemene heffingskorting en vooral de arbeidskorting
– fors worden verhoogd. Deze leden vragen de regering hoe dit past bij de belastinghervormingsadviezen
van de afgelopen tien jaar met als rode draad «grondslagen verbreden, tarieven verlagen»
en bij het onlangs gestarte zogenoemde bouwstenentraject om tot een toekomstbestendiger
en eenvoudiger en wat betreft deze leden ook rechtvaardiger belastingstelsel te komen.
Het valt deze leden op dat bij de belastingen voor bedrijven de doctrine «bredere
grondslagen, lagere tarieven» meer impact heeft dan bij de belastingen voor burgers.
Hoewel het hoge vennootschapsbelastingtarief (Vpb-tarief) minder omlaag gaat dan vorig
jaar is afgesproken, daalt dit tarief structureel nog steeds, terwijl het basistarief
in box 1 structureel stijgt naar meer dan 37%. Graag ontvangen de leden van de ChristenUnie-fractie
een nadere toelichting en verantwoording op deze onderscheiden fiscale bejegening
van burgers en bedrijven, mede in het licht van de al genoemde adviezen en het bouwstenentraject.
De leden van de PvdD-fractie willen in algemene zin dat de belasting op arbeid verlaagd
wordt en de belasting op het gebruik van schaarse grondstoffen verhoogd wordt. Hierdoor
wordt het voor bedrijven eenvoudiger om mensen in dienst te nemen en kan Nederland
banen behouden en creëren. In plaats van deze belasting op arbeid moeten milieuvervuilende
producten en activiteiten en het gebruik van schaarse grondstoffen en energie veel
zwaarder belast worden.
Deze leden hebben een aantal kritische vragen en opmerkingen voor de regering over
de wijze waarop deze regering de belastingen op arbeid wijzigt.
2. Samenstelling pakket Belastingplan 2020
De leden van de VVD-fractie constateren dat op het terrein van mobiliteit er een aantal
maatregelen wordt aangekondigd voor eerdere beëindiging van de stimulering van emissievrije
auto’s. Wat bedoelt de regering met emissievrije auto’s; welke technieken schaart
de regering hieronder?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of er meerdere (AEX)-bedrijven
zijn met een effectief Vpb-tarief van 0% (net als Shell). Hoeveel bedrijven zijn er
met een effectief Vpb-tarief van 0–5%? 5–10%? 10–15% etc.? Kan de regering hier meer
informatie over geven zonder daarbij individuele bedrijfsgegevens naar buiten te brengen?
3. Opzet algemeen deel
De leden van de PVV-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat Nederland nog
steeds soeverein is op fiscaal gebied en of de regering bij de argumentatie de uitspraak
van het Europese hof in de Starbucks-zaak kan meenemen. In hoeverre is de regering
bereid deze soevereiniteit op fiscaal gebied te blijven verdedigen?
4. Inkomensbeleid
De leden van de VVD-fractie zijn verheugd dat de regering extra ruimte heeft gemaakt
voor lastenverlichting voor middeninkomens. De leden van de VVD-fractie vragen naar
het gemiddelde voordeel van de extra lastenverlichting. Kan dit door middel van een
aantal voorbeeldhuishoudens worden geschetst?
De leden van de VVD-fractie vragen of historische gegevens voor het toptarief gegeven
kunnen worden. Wat was het toptarief in de laatste decennia? Kan dit vergeleken worden
met de omringende landen? Kan daarbij ook het drempelbedrag gegeven worden dat gehanteerd
wordt voor de inkomstenbelasting?
De leden van de VVD-fractie vragen naar een historische opbouw van de algemene heffingskorting.
Hoe hoog was het bedrag van de algemene heffingskorting in de laatste tien jaar? Wie
profiteren precies van de algemene heffingskorting? Hoe is de verhouding tussen actieven
en inactieven? Wat is het verschil in profijt tussen een euro verhoging van de arbeidskorting
en een euro verhoging van de algemene heffingskorting? Kan dit kwantitatief uitgesplitst
worden? Wat zou het kosten om de afbouw van de algemene heffingskorting af te schaffen?
En wat zou het voordeel hiervan zijn?
De leden van de VVD-fractie vragen welk deel van de lastenverlichting uit het saldo
wordt gehaald.
De leden van de VVD-fractie vragen tot wanneer het geld opzij wordt gezet voor de
hervorming op de arbeidsmarkt. Zijn er speciale doelen voor dit opzijgezette geld
of bepaalde voorwaarden waarvoor dit geld gebruikt dient te worden? De leden van de
VVD-fractie vragen naar het effect wanneer dit geld gebruikt zou worden voor een aanvullende
verhoging van de arbeidskorting of verlaging van de tarieven.
De leden van de VVD-fractie vragen wat de te verwachte opbrengsten zijn van het afschaffen
van de betalingskorting in de vennootschapsbelasting. Wat zijn de te verwachten effecten
als bedrijven niet langer in aanmerking komen voor een betalingskorting?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering aan te tonen dat ook zelfstandigen
er komend jaar op vooruit gaan, en welke waarborgen er zijn dat zelfstandigen in de
jaren erna niet disproportioneel geraakt worden.
De leden van de VVD-fractie vragen naar meer informatie achter het vaststellen van
de tabelcorrectiefactor. Hoe wordt deze precies vastgesteld? Wat zijn de precieze
effecten hiervan? Wat zijn de kosten of opbrengsten wanneer deze factor verhoogd of
verlaagd wordt?
De leden van de CDA-fractie hebben met instemming kennisgenomen van de beleidswijziging
van het kabinet. De inkomens van burgers zijn de afgelopen jaren achtergebleven bij
de inkomens in veel andere EU-lidstaten, ondanks de relatief hoge economische groei,
en de lasten voor het bedrijfsleven zijn per saldo verlaagd.
Daarom is het een verstandige keuze om meer lastenverlichting te geven aan burgers
en in 2020 geen verlaging door te voeren van het hoge Vpb-tarief.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering waarom de afbouw van de zelfstandigenaftrek
en de bijbehorende arbeidskorting niet in hetzelfde tempo plaatsvinden. Tevens vragen
zij waarom de opbrengst van de afbouw van de zelfstandigenaftrek gereserveerd wordt
en niet gebruikt wordt ter gedeeltelijke dekking van de verhoging van de arbeidskorting.
De leden van de CDA-fractie vragen verder ter aanvulling van tabel 1 vanaf welk arbeidsinkomen
(uit dienstbetrekking) een belastingplichtige, zonder kinderen, belasting verschuldigd
is in 2019, 2020, 2021. Zij vragen hiernaar, omdat het belastingplichtigen vaak onbekend
is dat de eerste duizenden euro’s belastingvrij verdiend kunnen worden en omdat dit
bedrag in 2020 ook fors stijgt. Met betrekking tot tabel 2 vragen de leden van de
CDA-fractie hoeveel AOW-gerechtigden te maken hebben met verzilveringsproblematiek,
omdat zij onvoldoende inkomen hebben om de heffingskortingen te verzilveren. Zou het
uitvoerbaar zijn om de ouderenkorting uit te betalen als er onvoldoende inkomen is?
De leden van de fractie van D66 vragen of de brutonetto-trajecten van werknemers,
IB-ondernemers en dga’s, zoals vorig jaar opgenomen in de tabellen van bijlage I van
de Nota naar aanleiding van het verslag4 en aan de hand van de voorbeelden uit het IBO Zelfstandigen zonder personeel, geactualiseerd
zouden kunnen worden voor de jaren 2019, 2020, 2021 en 20285. Zou de regering daarbij ook de werkgeverslasten, inclusief het lage-inkomensvoordeel
kunnen weergeven? Deze leden vragen hierbij ook naar de betekenis van de wijzigingen
in 2020 en 2021 voor deze trajecten. Daarnaast vragen de leden een vergelijking tussen
zzp’ers die zouden werken tegen het minimumtarief van € 16, inclusief de doorwerking
van de 15% kosten waarvan is uitgegaan (en de aftrekbaarheid daarvan) en een werknemer
op minimumloon met bijbehorende werkgeverslasten.
De leden van de D66-fractie vragen de regering om nader in te gaan op het voorbeeld
dat tijdens de Algemene Financiële Beschouwingen werd beschreven door de Staatssecretaris
van Financiën6, namelijk dat een werknemer 49,5% belasting gaat betalen, een IB-ondernemer 44,3%
en een dga 37,9%. In hoeverre is bij dit voorbeeld nog sprake van een globaal fiscaal
evenwicht? Deelt de regering dat daarmee de belastingdruk voor dga’s een stuk lager
ligt dan die van werknemers en IB-ondernemers, waaronder veel zelfstandigen zonder
personeel? Voor welke jaren geldt dit verschil in belastingdruk? Kan de regering daarbij
ook vooruitblikken op de situatie in 2028 wanneer de zelfstandigenaftrek is verlaagd
tot € 5.000?
De leden van de D66-fractie vragen om een figuur van de gemiddelde belastingdruk van
alle huishoudens in 2018 en 2021, na de invoering van de maatregelen van dit kabinet,
vergelijkbaar met figuur 8 van het onderzoek naar de marginale druk7.
De leden van de D66-fractie vragen of de regering de koopkracht zoals gerapporteerd
in de MEV per kwintiel kan uitsplitsen naar werkenden en niet-werkenden. Deze leden
vragen om de ontwikkeling van de AOW over de afgelopen 20 jaar ten opzichte van de
gemiddelde contractloonontwikkeling, de ontwikkeling van de inkomenspositie van de
groep vlak na pensionering en de ontwikkeling van de koopkracht van werkenden op 100%
WML.
De leden van de D66-fractie vragen of de regering een rekentool of webmodule kan maken
waarmee mensen en huishoudens eenvoudig kunnen berekenen wat hun marginale druk is.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat het beleid van de regering is achter
het verhogen van de eerste schijf van 36,65% naar 37,35% in 2020 en het daarna weer
verlagen naar 37,10% in 2021.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen wat er precies gebeurt (kwantitatief)
met de koopkrachtplaatjes als de verlaging van het toptarief niet door zou gaan en
dat geld gestopt zou worden in het verhogen van de eerste schijf. Kan per inkomensgroep
worden gegeven wat er gebeurt met het koopkrachtcijfer?
De leden van de fractie van GroenLinks hebben een vraag over figuur 3 uit het document
«Marginale druk: op het randje van de mogelijkheden (sept 2019)»8. Kan de regering meer informatie geven over de huishoudens met een bruto huishoudinkomen
van twee keer modaal en hoger die geen inkomstenbelasting betalen (een belastingdruk
lager dan 0%)? Hoe kan het dat een huishouden met een bruto huishoudeninkomen van
€ 80.000 ruim € 8.000 terugkrijgt van de Belastingdienst (belastingdruk van -10%)?
De leden van de fractie van GroenLinks en de leden van de 50PLUS-fractie vragen de
regering waarom ervoor gekozen is om de algemene heffingskorting te verhogen in plaats
van het verlagen van de eerste schijf als het doel is om de koopkracht van lagere
inkomens te verbeteren.
De leden van de SP-fractie maken zich ernstige zorgen over de versnelde invoering
van het tweeschijvenstelsel in de inkomstenbelasting. Zij betreuren dat de regering
de eerste belastingschijf verhoogt en tweede, derde en vierde schijf verlaagt. Uit
de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel maken zij op dat dit een stelselwijziging
is die de lasten verder verschuift richting de laagste en middeninkomens die al te
maken krijgen met een belastingverhoging. Kan de regering de effecten van de verhoging
en verlaging voor de verschillende inkomensgroepen in bedragen duidelijk maken? In
de memorie van toelichting lezen zij dat de inkomstenbelasting op de eerste schijf
in 2020 met 0,7%-punt stijgt en dat ter compensatie de arbeidskorting en algemene
heffingskorting stijgen met € 363. Klopt de berekening dat diegenen die enkel over
de eerste schijf belasting betalen daarmee slechts € 150 van deze stijging van de
compensatie «overhoudt»? Kan de regering voor de verschillende inkomensgroepen (wettelijk
minimumloon (WML) tot en met vijf keer WML) aangeven hoe de verhoging van de arbeidskorting
en algemene heffingskorting zich verhouden tot de bedragen gemoeid met de belastingverhoging
en -verlaging? Deze leden willen graag het nettoresultaat weten ook ten opzichte van
geen tariefswijzigingen noch compensatie via de arbeidskorting en algemene heffingskorting.
Klopt het dat degenen die in de tweede en derde schijf belasting betalen juist een
lager percentage inkomstenbelasting gaan betalen? Ofschoon beide groepen afhankelijk
van hun financiële situatie nog steeds volledig gebruik zullen kunnen maken van deze
verhogingen, vragen deze leden de regering naar de verhouding tussen de voordelen
die iemand met een inkomen boven € 68.507 gaat halen en iemand die een inkomen beneden
deze grens van de toekomstige tweede schijf heeft.
Tegelijkertijd vragen de leden van de SP-fractie naar de verhoging van de belastingdruk
op lage inkomens als gevolg van de verhoging van het lage btw-tarief en hoe deze zich
verhoudt ten opzichte van de fiscale gevolgen door de invoering van het tweeschijvenstelsel.
Voorts vragen de leden van de SP-fractie of de conclusie terecht is dat de wijziging
van de belastingtarieven vanaf 2021 geld oplevert. Zo ja, welke inkomens betalen precies
deze meeropbrengst van 184 miljoen euro structureel?
De leden van de SP-fractie vinden het principieel onjuist om de tarieven te wijzigen
zoals de regering voorstelt, omdat de verlaging en verhoging in de percentages negatief
zijn voor de laagste inkomens. De compensatie via de arbeidskorting en de algemene
heffingskortingen is een gunst en kan per kabinetsperiode en zelfs per jaar aangepast
worden. Deze «gunst» kan volgens de leden van de SP beter in de tarievenstructuur
worden vastgelegd dan via het herverdelen via de heffingskortingen. De leden van de
SP-fractie vragen de regering wat de totale som van de herverdeling via heffingskortingen
is en waar deze herverdeling haar bron precies vindt. Welke kortingen worden voor
welke inkomensgroepen toegepast?
De leden van de SP-fractie vragen de regering waarom gekozen is voor handhaving in
plaats van verhoging van het hoge tarief in de vennootschapsbelasting. Deze leden
constateren dat er sprake is van per saldo een lastenverzwaring voor de laagste inkomens
dankzij de verhoging van het lage btw-tarief, terwijl de grootste bedrijven opnieuw
buiten schot blijven. Zij vragen de regering naar een rechtvaardiging voor deze verschuiving
en verzoeken de regering om een verhoging van de vennootschapsbelasting door te voeren
om de tekorten in de publieke sector op te vangen. Waarom kiest de regering voor uitstel
van de verlaging, terwijl zij beter kan afzien van de verlaging?
De leden van de SP-fractie verbazen zich over de versnelling van de invoering van
het tweeschijvenstelsel, een wijziging die oorspronkelijk door de regering werd beoogd
per 2021, maar nu reeds per 2020 wordt ingevoerd. Deze leden vragen de regering te
beargumenteren waarom deze fiscale wijziging met meer gemak kan worden doorgevoerd
dan bijvoorbeeld een wijziging van de vermogensrendementsheffing die uitgaat van een
reëel of reëler rendement op vermogen. Deze leden zijn tevens benieuwd waarom dit
geprioriteerd kan worden door de Belastingdienst terwijl de (personele) situatie bij
deze dienst bepaald niet rooskleurig is en de affaires zich aan elkaar rijgen. Deze
leden hebben meerdere keren gevraagd om zeer spoedige afhandeling van de zaken van
mensen wier kinderopvangtoeslag onterecht is stopgezet en vragen de regering of dit
te maken had met de voorbereiding van een acute stelselwijziging die hoofdzakelijk
ten bate van de hoogste inkomens komt. Indien dit het geval is vragen deze leden welke
maatschappelijke afwegingen de regering maakt bij het prioriteren van haar taken.
De leden van de SP-fractie lezen in het wetsvoorstel dat de zelfstandigenaftrek in
negen jaar met € 2.280 zal worden verlaagd om het oneerlijke concurrentievoordeel
dat sommige zelfstandigen nu hebben ten opzichte van werknemers te verkleinen. Deze
leden begrijpen de noodzaak om iets aan de verstoorde arbeidsverhoudingen te doen
en wijzen hierbij op de vele werknemers die in de crisisjaren in bijvoorbeeld de gezondheidszorg
of de bouw zijn gestimuleerd om als zelfstandige aan het werk te gaan. Kern van de
problematiek destijds was naar de mening van deze leden echter ook dat deze zelfstandigen
met name goedkoper konden werken omdat zij zich niet hoefden te verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid
of een pensioen hoefden op te bouwen, iets dat werknemers verplicht zijn om te doen.
Deze leden constateren dat met het verkleinen van de zelfstandigenaftrek, een aftrek
die in eerste instantie bedoeld is geweest om ervoor te zorgen dat zelfstandigen zich
wel konden verzekeren en pensioen op konden bouwen, niets wordt gedaan om de maatschappelijke
risico’s te verkleinen. Zij vragen de regering welke mogelijkheden zij ziet om een
stimulans om dit alsnog te doen te creëren met de zelfstandigenaftrek.
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering afgaande
op berekeningen van het Centraal Planbureau een behoorlijke stijging van de koopkracht
verwacht. Deze leden brengen bij de regering in herinnering dat in voorgaande jaren
een stijging van koopkracht ook in het vooruitzicht is gesteld, maar niet of amper
bewaarheid werd en vragen de regering welk vertrouwen de lezers van de zinsneden over
de koopkracht erin moeten hebben dat deze stijging zal plaatsvinden. De leden van
de SP-fractie vragen in dit kader ook helder hoe de verhoging van de energierekening
– mede door 700 miljoen meeropbrengsten van de Opslag Duurzame Energie (ODE) – zich
verhoudt tot de koopkracht van mensen.
De leden van de PvdA-fractie hebben grote bezwaren bij de keuzes die de regering heeft
gemaakt met betrekking tot het inkomensbeleid. Waarom heeft de regering ervoor gekozen
mensen met een laag inkomen <115% WML) op achterstand te zetten ten opzichte van mensen
met een hoog inkomen (>300% WML)? Waarom heeft de regering ervoor gekozen mensen met
een afstand tot de arbeidsmarkt en gepensioneerden op achterstand te zetten ten opzichte
van werkenden? Erkent de regering dat hiermee bewust afscheid wordt genomen van het
voornemen dat iedereen kan meeprofiteren van de economische groei? Is er in 2020 niet
meer ruimte om te werken aan koopkracht, gezien de budgettaire gevolgen van dit belastingplan
en de staat van de overheidsfinanciën in het algemeen? Is dit bovendien het absoluut
maximaal haalbare voor alle groepen in deze economische omstandigheden?
De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan bevestigen dat het voor gepensioneerden
moeilijk is invloed op hun inkomenssituatie uit te oefenen, terwijl deze groep wel
wordt geconfronteerd met pensioenkortingen. Waarom is er dan toch voor gekozen vrijwel
niets te doen voor deze groep?
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering ervoor kiest het tarief in
de schijf van de inkomstenbelasting met 0,7% te verhogen? Waarom kiest de regering
ervoor tegelijkertijd het tarief in de hoogste schijf te verlagen van 51,75% naar
49,5%? Acht de regering dit een eerlijker tariefstructuur?
Kan de regering uiteenzetten wat het voordeel is van een vlaktaks? De leden van de
PvdA-fractie stellen dat belastingheffing meerdere doelen kent, waaronder de financiering
van overheidsactiviteiten. Daarnaast is een zeer belangrijk doel van belastingheffing
inkomensverschillen te mitigeren. Niet voor niets kennen vrijwel alle landen een progressieve
inkomstenbelasting. Kan de regering aangeven welke OESO-landen geen progressieve inkomstenbelasting
kennen? Op welke wijze denkt de regering te nivelleren zonder het instrument van de
inkomstenbelasting, of is dit streven in het geheel overboord gezet? Kan de regering
een uitgebreide analyse naar de Kamer sturen met daarin de argumenten waarom een vlaktaks
wenselijk is, welke problemen het oplost, en wat de gevolgen zijn voor de ongelijkheid
in Nederland?
De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering kan aangeven op welke punten de
inkomstenbelasting voor particuliere belastingplichtigen eenvoudiger is geworden,
op het verhogen van de eerste schijf na. Denkt de regering dat particuliere belastingplichtigen
blij zijn met deze vereenvoudiging, nu dit betekent dat zij meer belasting gaan betalen?
Had de regering deze reductie van complexiteit ook kunnen bereiken door de eerste
schijf niet te verlagen? Erkent de regering dat het toepassen van de tarieven in de
inkomstenbelasting zo ongeveer de meest eenvoudige stap is bij het berekenen van de
verschuldigde belasting?
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er niet voor gekozen is een stap te zetten
in de ouderenkorting, bijvoorbeeld door deze een hoger maximum te geven en langzamer
af te laten bouwen. Wat doet de regering om de positie van werkende partners te verbeteren?
Welke gevolgen hebben de genomen maatregelen voor de arbeidsparticipatie en de werkgelegenheid?
De leden van de PvdA-fractie steunen de richting die is ongezet om het verschil in
fiscale behandeling tussen zzp’ers en werknemers te verkleinen, zonder daarbij de
zzp’ers te benadelen. Is daarbij ook nagedacht over de introductie van een werknemerskorting,
een heffingskorting die slechts van toepassing is op werknemers in loondienst? Zo
nee, is de regering bereid de introductie van een werknemerskorting mee te nemen in
de onderzoeken naar mogelijke belastinghervormingen?
De leden van de PvdA-fractie merken op dat in de memorie van toelichting het uitstellen
van de verlaging van de winstbelasting wordt gekoppeld aan koopkrachtverbeterende
maatregelen. De leden van de PvdA-fractie steunen die richting. De winsten van bedrijven
staan niet onder druk, terwijl de koopkracht van mensen dat wel staat. Daarnaast is
er in het internationale speelveld al sprake van een race naar de bodem als het gaat
om vennootschapsbelastingtarieven; ook de brexit dreigt die te versterken. De leden
van de PvdA-fractie hebben in dat kader een aantal vragen:
1) Kan de regering een uitgebreide analyse geven over de economische noodzaak tot een
tariefsverlaging in de winstbelasting voor grote bedrijven? Kan de regering daarbij
specifiek ingaan op de ontwikkeling van de winstgevendheid, de afdracht van vennootschapsbelasting
de afgelopen jaren, de internationale ontwikkeling van tarieven, het spaaroverschot
van bedrijven en de hoogte van dividenduitkeringen?
2) Kan de regering een vergelijking bieden van ontwikkeling van de lonen in de marktsector,
de ontwikkeling van de salarissen van CEO’s en de ontwikkeling van de winsten van
multinationals? Kan de regering daar vervolgens een analyse op doen of een verlaging
van het tarief in de vennootschapsbelasting volgend jaar wel gerechtvaardigd is?
3) Kan de regering uiteenzetten hoeveel vennootschapsbelasting woningcorporaties in de
jaren 2019 tot en met 2025 betalen, en in hoeverre corporaties verantwoordelijk zijn
voor de totale stijging van de vennootschapsbelastingontvangsten over deze periode?
4) Kan de regering een analyse maken van de opbrengst als gevolg van de generieke renteaftrekbeperking,
alsmede een uitsplitsing welke deel door corporaties wordt opgebracht?
5) Waarom wordt het tarief in de innovatiebox niet al per 2020 verhoogd, en waarom wordt
het tarief niet verhoogd naar bijvoorbeeld 10%? Is er een analyse gemaakt waarom het
tarief specifiek in 2021 naar specifiek 9% moet?
6) Waarom acht de regering het nodig mee te doen aan de internationale race naar de bodem
als het gaat om tarieven vennootschapsbelasting? Kan de regering een overzicht maken
van de huidige tarieven van Europese lidstaten, en daarbij geplande tariefswijzigingen
opnemen? Kan de regering voorts een overzicht geven van de geldende tarieven in 2010?
7) Kan de regering ingaan op onderzoek van World Economic Forum waaruit blijkt dat Nederland
de meest concurrerende economie van Europa is? Welke factoren spelen daarbij een rol?
Klopt het dat de belangrijkste factoren elementen zijn die met belastinggeld gefinancierd
worden, zoals infrastructuur, onderzoek en ontwikkeling, onderwijs, een prettige leefomgeving
etc.? Is het niet redelijk om van de bedrijven die van dit uitstekende klimaat gebruikmaken
ook een eerlijke bijdrage te vragen? Klopt het dat de meest succesvolle landen nou
niet bepaald zijn te omschrijven als laagbelaste nachtwakersstaten?
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering een analyse te maken van de stapeling
van (indirecte) lasten voor huurders. Zij vragen daarbij specifiek in te gaan op de
ontwikkeling van de verhuurderheffing, de vennootschapsbelasting voor corporaties
en op de energierekening voor de jaren 2017 tot en met 2025. Zij vragen daarbij ook
specifiek in te gaan op de verschillen met de ramingen die zijn gebruikt bij het regeerakkoord.
De leden van de PvdA-fractie merken daarbij op dat corporaties een belangrijke publieke
functie vervullen, die in veel landen onbelast blijft. Vooral de renteaftrekbeperking
steekt, daar deze is bedoeld voor overmatige financiering met vreemd vermogen door
commerciële bedrijven, niet de corporaties.
De leden van de ChristenUnie-fractie juichen het toe dat de regering anticipeert op
het advies van de Commissie Borstlap, maar roepen de regering op om na de afspraak
in het Pensioenakkoord over een verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering voor
zzp’ers en de in dit Belastingplan voorgestelde beperking van de zelfstandigenaftrek
zich na deze relatief geïsoleerde maatregelen in te zetten om tot een samenhangend
en consistent pakket maatregelen te komen, waarmee de (fiscale) verschillen tussen
de verschillende typen werkenden worden verkleind. Deze leden ontvangen graag een
reactie op deze oproep.
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de voorgestelde verhoging van
de arbeidskorting in budgettaire zin de verlaging van de zelfstandigenaftrek vele
malen overstijgt. In 2022 gaat het om 2,15 miljard euro versus 0,15 miljard euro.
Waarom heeft de regering niet gekozen voor een budgetneutrale verschuiving, mede gelet
op eerdere belastinghervormingsadviezen en het in gang gezette bouwstenentraject?
En overweegt de regering om de verhoging van de arbeidskorting in lijn met het regeerakkoord
vorm te geven door het «dakje» in de arbeidskorting te verlengen? Positief gevolg
hiervan is dat de marginale druk over een langer inkomenstraject omlaag gaat. Sowieso
vragen deze leden gelet op het recent naar de Kamer gestuurde onderzoek naar de marginale
druk aandacht voor het verlagen van de (extremen in) marginale druk bij de verdere
uitwerking van de voorgenomen lastenverlichting in volgende Belastingplannen. Is de
regering bereid dat als een randvoorwaarde mee te nemen bij het volgende Belastingplan?
Welke extremen in marginale druk acht de regering eigenlijk acceptabel? Deze leden
constateren dat de regering de tabellen voor de marginale druk voor eenverdieners
in 2019 en 2020 beschikbaar heeft gesteld. Dat was de groep met de extreemste piek
de afgelopen jaren, maar hoe zien de tabellen voor alleenstaanden, de minst verdienende
partner in loondienst, de zzp’er (als meest en minst verdienende partner) – al dan
niet met bijvoorbeeld € 10.000 aan aftrekposten en al dan niet gepensioneerd – er
in 2019 en 2020 uit?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering voorts of is overwogen de
zelfstandigenaftrek verder terug te brengen of zelfs geheel af te schaffen. Waarom
wel/niet? En is daarbij overwogen om juist ondernemen voor onder meer IB-ondernemers
met personeel aantrekkelijker te maken, door voor hen de lasten te verlagen? Heeft
de regering voldoende aandacht voor de werkgeverslasten voor ondernemers? Is dit onderdeel
van het uiteindelijke hervormingspakket dat wordt voorbereid?
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat de regering de forse extra lastenverlichting
in dit Belastingplan heeft willen laten samengaan met hervormingen. Zijn er andere
hervormingen overwogen? Hoe denkt de regering er bijvoorbeeld over om, nu de rente
extreem laag is, verdere stappen te zetten in het beperken van de hypotheekrenteaftrek?
En in hoeverre heeft de regering de moeilijk uitlegbare doorwerking van de inkomstenbelasting
op de toeslagen op de korrel gehad? Hoe denkt de regering over genoemde en andere
hervormingsmaatregelen?
De leden van de PvdD-fractie lezen dat het tarief voor de laagste inkomens stijgt,
het tarief voor het inkomen tussen de € 20.000 en € 68.000 daalt en het tarief voor
het inkomen vanaf € 68.000 met 2,25%-punt daalt.
Deze leden vragen de regering waarom zij heeft gekozen voor het verhogen van de belastingen
voor de lage inkomens en heeft gekozen voor het verlagen van de belasting voor de
hoge inkomens. Deze leden vragen om een heldere grafische weergave waarin de wijzigingen
in de belastingdruk voor de verschillende inkomens als gevolg van deze tariefveranderingen
worden weergegeven.
De leden van de PvdD-fractie vragen wat de reden is dat de regering zich ten doel
heeft gesteld het verschil in de fiscale behandeling tussen werknemers en zelfstandigen
te verkleinen, aangezien kleine zelfstandigen in vergelijking met werknemers meer
risico’s lopen (arbeidsongeschiktheid, pensioenvoorziening, onzekerheid met betrekking
tot gegunde opdrachten, et cetera) en dat derhalve een hoger inkomen tot doel heeft
deze zelfstandigen hiervoor (gedeeltelijk) te compenseren. Op welke wijze wordt vanuit
de regering het feit dat zelfstandigen meer risico lopen dan werknemers fiscaal gecompenseerd?
De leden van de PvdD-fractie vragen of het klopt dat het verlagen van de zelfstandigenaftrek
relatief ongunstig uitpakt voor zelfstandigen met een relatief laag inkomen ten opzichte
van zelfstandigen met een relatief hoog inkomen en zo ja, wat de rechtvaardiging van
de regering hiervoor is.
Wat betreft de leden van de PvdD-fractie gaat de verhoging van het tarief van de innovatiebox
van 7% naar 9% niet ver genoeg. Er is immers niet bewezen dat deze fiscale voordelen,
die vooral door een aantal grote bedrijven gebruikt worden, ook daadwerkelijk het
beoogde resultaat behalen en innovatie stimuleren.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering per heffingskorting kan weergeven
welk deel niet meer verzilverd kan worden in 2017, 2018, 2019 en 2020. Is hier een
trend zichtbaar? Kan de regering aangeven welke groep(en) het meest getroffen worden
door het niet meer kunnen verzilveren van de ouderenkorting en de algemene heffingskorting?
Kan dat toegespitst worden op alleenstaanden of juist op samenwonenden die twee keer
de korting genieten?
De leden van de 50PLUS-fractie vragen op basis van welk principe ervoor gekozen is
om de ouderenkorting drie keer zo snel af te bouwen als de arbeidskorting en de algemene
heffingskorting. Waarom wordt dat in 2020 niet hersteld?
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel belastingplichtigen
gebruik maken van zowel de arbeidskorting als de zelfstandigenaftrek. En hoeveel belastingplichtigen
maken gebruik van arbeidskorting, de Inkomensafhankelijke combinatiekorting (IACK)
én de zelfstandigenaftrek?
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering kan aangeven hoeveel gepensioneerden
recht hebben op arbeidskorting. Zijn er aanwijzingen dat veel «werkende gepensioneerden»
en/of hun werkgevers deze korting vergeten toe te passen? Is er bij deze korting voor
deze groep daarnaast ook weleens sprake van verzilveringsproblematiek?
Deelt de regering het beeld uit tabel 3.8 van de MEV, waaruit blijkt dat de lastenverlichting
in 2020 nagenoeg even groot is als de lastenverzwaring in 2019? Indien nee, waarom
niet?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de arbeidskorting en de algemene heffingskorting
verhoogd worden. Waarom is ervoor gekozen om de kortingen te verhogen en niet om de
tarieven in de belastingschijven te verlagen? Kan de regering aangeven wat het effect
is van het verhogen van de kortingen op de marginale belastingdruk? Verwacht de regering
dat door het belastingpakket zoals in het Belastingplan uitgewerkt wordt, de kloof
tussen een- en tweeverdieners in belastingafdracht wordt vergroot of verkleind?
De leden van de SGP-fractie vragen wat de verwachte gevolgen volgens de regering zijn
van het verhogen van het tarief van de innovatiebox. Wat is het effect op het vestigingsklimaat?
Verwacht de regering dat de maatregel ontmoedigt om te innoveren?
De leden van de SGP-fractie constateren dat de zelfstandigenaftrek in stappen wordt
afgebouwd. Ondertussen is de Commissie Borstlap gevraagd om aanbevelingen te doen
voor fundamentele stappen naar een toekomstbestendige arbeidsmarkt. Waarom wordt nu
al deze stap gezet, en wordt niet gewacht op de aanbevelingen die deze commissie zal
doen? In de memorie van toelichting wordt aangegeven dat de regering meent deze maatregel
nu al te moeten nemen. Kan de regering aangeven op grond van welke afwegingen tot
deze conclusie is gekomen?
De leden van de SGP-fractie vragen waarom ervoor gekozen is om het tarief in de eerste
schijf volgend jaar te laten stijgen, terwijl het in 2021 weer licht daalt. Waarom
is niet gekozen voor een eenmalige, geringe stijging in 2020?
5. Overgangsrecht voor saldolijfrenten van vóór 2001
De leden van de VVD-fractie vragen naar de precieze effecten en consequenties van
deze maatregel. Hoeveel mensen voelen de effecten hiervan en welke effecten zijn dat
precies?
Hoeveel mensen hebben te maken met het overgangsrecht voor de bepaalde saldolijfrenten
en buitenlandse pensioenen?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering uitgebreid in te gaan op de vraag waarom
zij betalingsproblemen minder zwaar achten dan de mogelijkheid om langjarig belasting
uit te stellen. Hoeveel mensen komen naar verwachting in betalingsproblemen? En wat
doet de regering om de effecten hiervan te mitigeren?
De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel mensen te maken hebben met zuivere saldolijfrenten.
Wat zijn de gemiddeld te verwachten afrekenverplichtingen bij zuivere saldolijfrenten
voor de mensen? Kan de regering de berekeningen delen waaruit blijkt dat het financieel
nadeel voor de mensen minder zwaar weegt dan de verregaande mogelijkheden voor belastinguitstel
zoals staat beschreven in de memorie van toelichting?
De leden van de VVD-fractie vragen of en zo ja wanneer de in een algemene maatregel
van bestuur op te nemen grondslag via een voorhangprocedure met de Kamer wordt gedeeld.
De leden van de D66-fractie vragen hoe groot de groep is voor wie het overgangsrecht
afloopt en of de grootte van deze groep in lijn is met de verwachting ten tijde van
de Invoeringswet Wet inkomstenbelasting. Deze leden vragen hoe groot de groep is voor
wie het overgangsrecht niet beëindigd wordt en voor wie de afrekenverplichting wordt
afgeschaft. Deze leden vragen per wanneer de polissen die onder het oude recht vallen
aflopen, als we aannemen dat de bestaande polissen zouden doorlopen volgens het niet
beëindigde overgangsrecht.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen in hoeverre de voorgestelde versoepeling
bijdraagt aan de in het verleden regelmatig voorkomende vorm van tax planning door
zeer langdurig uitstel van belastingheffing.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering in hoeverre dit voorstel
bijdraagt aan het doorschuiven van vermogens naar volgende generaties.
Kan de regering een concreet voorbeeld geven van iemand die door deze wetswijziging
wordt geraakt. Wat betekent het concreet (in bedragen etc.)?
De leden van de PvdA-fractie vragen op welke wijze een boxsplitsing van hybride saldolijfrenten
uitgevoerd zou dienen te worden indien daar toch voor gekozen wordt. Voorts vragen
zij op welke wijze het box 3-deel gewaardeerd zou moeten worden. Is er ervaring met
vergelijkbare situaties waarbij boxsplitsing toegepast diende te worden?
De leden van de fractie van 50PLUS hebben bezorgde e-mails ontvangen over de hier
voorgestelde wijzigingen. Kan de regering de wijzigingen op dit onderdeel schetsen
aan de hand van enkele praktische rekenvoorbeelden, waarbij de oude situatie wordt
afgezet tegen de nieuwe situatie?
6. Aanpassen van de werkkostenregeling
De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met de intensivering van de werkkostenregeling.
Zij zien het profijt dat ondernemers hiervan kunnen hebben. De leden van de VVD-fractie
vragen de regering uit te splitsen welke sectoren vooral gebruikmaken van de werkkostenregeling.
Kan een uitputtende lijst gegeven worden van de vrijstellingen en de nihilwaarderingen
binnen de werkkostenregeling? Welke aanvullende wensen werden er in het overleg met
de werkgevers nog meer geuit, waaraan nu vanwege het budgettaire beslag niet voldaan
kon worden?
Welk bedrag is gemoeid met de vergroting van de vrije ruimte in de werkkostenregeling?
De leden van de VVD-fractie wijzen op de correspondentie bij de introductie van de
werkkostenregeling tussen de hoogste schijf in de inkomstenbelasting (toen 52%) en
de eindheffing van de werkkostenregeling van 80%. Gezien het feit dat de hoogste schijf
inkomstenbelasting is verlaagd naar 49,5%; wat zijn de budgettaire gevolgen van het
verlagen van de eindheffing van de werkkostenregeling van 80% naar 76,15%?
De leden van de D66-fractie vragen in welke mate naast werkgevers ook werknemers zijn
geconsulteerd om na te gaan voor welke aanpassingen in de werkkostenregeling draagvlak
bestaat.
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze de regering omgaat met het advies
van het Adviescollege toetsing regeldruk om te onderzoeken of de verplichte VOG voor
werknemers gefinancierd kan worden uit algemene middelen.
De leden van de PvdA-fractie vragen wat het bedrag van 100 miljoen euro voor de verlaging
van lasten op arbeid voor het mkb gemiddeld per mkb-ondernemer oplevert. Met hoeveel
kan de vrije ruimte per onderneming verhoogd worden? Hoeveel van de 100 miljoen euro
gaat op aan de gerichte vrijstelling voor de VOG? Hoe is dit bedrag van 100 miljoen
euro tot stand gekomen en is dit onderdeel van een bredere visie op het mkb in Nederland?
6.1. Vergroten vrije ruimte gericht op het mkb
De leden van de VVD-fractie vragen welke sectoren structureel hoger dan 1,2% uitkomen
en welke sectoren daar structureel onder zitten. Deze leden vragen de regering verder
in te gaan op waarom vooral het mkb de 1,2% als knellend ervaart. De leden van de
VVD-fractie vragen de regering de werkkostenregeling voortaan mee te nemen in de sleuteltabel
die gegeven wordt. Wat zijn de kosten om de 1,2% generiek te verhogen met 0,1%-punt?
Wat zijn de kosten als het nieuwe «lage» tarief van 1,7% verhoogd wordt met 0,1%-punt?
Wat zijn de kosten om de grens van € 400.000 te verhogen met € 1.000?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe de grens van € 400.000 is vastgesteld. Is dit
op basis van budgettaire mogelijkheden of is er een ondernemerstechnische ratio?
De leden van de CDA-fractie vinden het zeer terecht dat voor het mkb meer ruimte ontstaat
voor vergoedingen en verstrekkingen, omdat de werkkostenregeling hier meer knelt dan
bij grote bedrijven. Deze leden hadden het een nog beter plan gevonden als het onderscheid
tussen personeelsfeestjes op de werkplek en buiten de werkplek zou verdwijnen, maar
helaas heeft de regering daar niet voor gekozen. Met betrekking tot de voorgestelde
maatregel vragen de leden van de CDA-fractie naar de verwachte gedragseffecten in
relatie tot de budgettaire effecten. De regering laat in tabel 7 zien dat de af te
dragen eindheffing naar verwachting met 13 miljoen euro daalt door de verruiming van
de vrije ruimte. Hoeveel bedraagt het extra loon (in natura) dat werkgevers zullen
uitkeren door de verruiming van de vrije ruimte? Hoeveel belast loon zal worden omgezet
in loon dat onderdeel vormt van de vrije ruimte en aan wat voor soort loonbestanddelen
moeten deze leden dan denken?
De leden van de SGP-fractie lezen dat de berekening van de vrije ruimte op een andere
manier berekend zal worden, namelijk 1,7% van de loonsom tot en met € 400.000 plus
1,2% van het restant. Waarom is gekozen voor € 400.000, en niet voor een hoger bedrag?
Om welke reden is gekozen voor het bedrag van € 400.000?
6.2. Vrijstellen van vergoedingen voor een VOG
De leden van de VVD-fractie vragen naar de kosten van het uit de algemene middelen
betalen van een VOG. Welk bedrag is gemoeid met het gericht vrijstellen van de VOG?
Zij wijzen erop dat ook bij algemene middelen uiteindelijk ondernemers en werkgevers
de kosten dragen, maar dan via een andere manier.
De leden van de VVD-fractie vragen naar een preciezere uitsplitsing van de betrokken
ondernemers. Welke sectoren ervaren het voordeel van deze maatregel? Hoeveel ondernemers
zijn dit?
De leden van de CDA-fractie zijn het ook zeer eens dat de vergoeding voor het aanvragen
van een VOG niet meer tot het loon geteld wordt, of althans dat dit loon is vrijgesteld.
Een VOG wordt immers niet beleefd als loon, de werknemer heeft er in bijna alle gevallen
ook niets aan, het gaat alleen om kosten die de werknemer maakt voor zijn dienstbetrekking.
De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre bij de beoordeling van de noodzakelijkheid
en de doelmatigheid van deze maatregel is beoordeeld of er niet veel te vaak een VOG
wordt gevraagd. Dit kan leiden tot onnodige problemen op de arbeidsmarkt, en administratieve
lasten bij werknemer, werkgever en overheid. In hoeverre betekent deze maatregel een
stimulering van het vragen van onnodige VOG’s? Heeft de regering overwogen om gericht
een legesvrijstelling of subsidie in te richten voor sectoren en arbeidsplaatsen waar
een VOG onontbeerlijk is?
6.3. Verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing
De leden van de VVD-fractie vragen naar een preciezere uitsplitsing van de betrokken
ondernemers. Welke sectoren ervaren het voordeel van deze maatregel. Hoeveel ondernemers
zijn dit?
6.4. Waarde producten uit eigen bedrijf
De leden van de VVD-fractie vragen naar een preciezere uitsplitsing van de betrokken
ondernemers. Welke sectoren ervaren het voordeel van deze maatregel. Hoeveel ondernemers
zijn dit? Wanneer wordt het verlengen uiterste moment aangifte en afdracht eindheffing
en waarde producten uit eigen bedrijf van kracht?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering met een voorbeeld aan te geven hoe
de waarde in het economische verkeer bepaald moet worden van producten uit het eigen
bedrijf. Voor sommige producten worden immers verschillende prijzen gehanteerd afhankelijk
van de winkel waar het gekocht wordt. Welke prijs geldt dan als de waarde in het economische
verkeer? Op welke wijze moet de werkgever deze waarde vaststellen?
De leden van de PvdA-fractie vragen of de regering voorbeelden kan geven van situaties
waarbij deze maatregel tot (grote) verschillen leidt ten opzichte van de huidige praktijk.
Voorts vragen de leden van de PvdA-fractie wat het doel is van de maatregel.
7. Indexeren van vrijwilligersregeling
De leden van de VVD-fractie vragen een raming te doen van hoe de maximale vrijwilligersvergoeding
zich de komende tien jaar zal ontwikkelen.
Welke andere vergoedingen zijn de afgelopen jaren niet geïndexeerd? Kan de regering
een uitputtende lijst geven?
De leden van de CDA-fractie zijn zeer verheugd met deze maatregel. Vrijwilligers zijn
van groot belang voor de samenleving via het werk dat zij bij allerlei maatschappelijke
organisaties verrichten, van de lokale sportvereniging tot aan goede doelen. Bovendien
stijgen door inflatie ook de kosten die een vrijwilliger maakt voor zijn vrijwilligerswerk,
bijvoorbeeld de reiskosten door gestegen brandstofprijzen, en als de werkelijk te
vergoeden kosten stijgen, is het wel zo praktisch dat ook de forfaitair te vergoeden
kosten meestijgen.
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom is gekozen voor afronding op veelvouden
van 100 euro. Vrijwilligersorganisaties zijn immers niet verplicht de vergoeding ook
jaarlijks te indexeren, waardoor de complexiteit aan die kant mee zal vallen. Is een
afronding op tientallen ook overwogen? Hoe vaak zal de vrije vergoeding op basis van
het huidige wetsvoorstel naar verwachting worden geïndexeerd?
8. Aanpassen vrijstelling overheidsondernemingen
De leden van de VVD-fractie vragen om een precisering van de getroffen ondernemingen.
Wat is het budgettaire beslag van het aanpassen van de vrijstelling overheidsondernemingen
voor de drie genoemde categorieën?
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel
dat de vrijstelling van overheidsondernemingen wordt aangepast. Deze leden vragen
de regering op welke wijze het algemeen belang erbij gediend is dat overheidsondernemingen
überhaupt vennootschapsbelastingplichtig zijn geworden, of hiermee inderdaad een gelijker
speelveld is gecreëerd en zo ja, in welke sectoren. Zij vragen een uitgebreide toelichting.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering uiteen te zetten waarom er wel is
voorzien in een onderwijsvrijstelling, maar niet in een vrijstelling voor woningcorporaties
met betrekking tot diensten van algemeen economisch belang-activiteiten.
8.1. Aanpassen onderwijsvrijstelling
De leden van de CDA-fractie achten het positief dat de onderwijsvrijstelling wordt
verruimd zodat een eigen bijdrage voor toelating tot een internationale afdeling de
onderwijsvrijstelling niet in de weg staat. Deze leden vragen de regering hoe de onderwijsvrijstelling
uitpakt bij andere eigen bijdragen van ouders op een door de overheid bekostigde school
voor een speciale afdeling, bijvoorbeeld met meer uitdaging, of klas met meer begeleiding.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering uiteen te zetten hoe de maatregel
zich verhoudt tot de vrijwillige ouderbijdrage.
8.2. Aanpassen vrijstelling voor interne activiteiten en quasi-inbestedingsvrijstelling
De leden van de CDA-fractie achten het wonderlijk dat de vennootschapsbelasting voor
de staat met terugwerkende kracht gewijzigd wordt. Deze leden vragen de regering daarom
of de Belastingdienst haar eigen vennootschapsbelasting over 2017 en 2018 al berekend
en afgedragen heeft. Zo ja, hoeveel was de Belastingdienst aan vennootschapsbelasting
verschuldigd? Kan de regering deze zelfde vragen beantwoorden voor de gehele rijksoverheid?
De leden van de PvdA-fractie willen in principe voorkomen dat de keuze voor de vorm
waarin activiteiten worden uitgevoerd fiscaal gedreven wordt. Zij steunen derhalve
deze maatregel. Zij vragen wat de gevolgen zijn voor bestaande situaties.
9. Invoeren minimumkapitaalregel voor banken en verzekeraars
De leden van de VVD-fractie vragen naar een analyse van de stijgende lasten voor banken
en verzekeraars. Kan de regering deze maken? Hoe wordt voorkomen dat deze lasten doorsijpelen
in de kosten voor consumenten of de kredietverlening? Hoe blijft de concurrentie met
banken en verzekeraars in omliggende landen geborgd?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe het percentage van 92% vastgesteld is. Wat
zijn de mogelijkheden om dit te verhogen of te verlagen? Wat zijn de kosten die hieraan
verbonden zouden zijn? Wat zijn de gevolgen (o.a. budgettair) als het percentage met
1%-punt verhoogd of verlaagd wordt?
De leden van de VVD-fractie vragen of de regering kan toelichten welke banken in welke
mate de gevolgen van deze maatregel ondervinden. Kan de regering datzelfde voor de
verzekeraars in beeld brengen?
Is er onderscheid te maken in de gevolgen bij het gekozen percentage vreemd vermogen
tussen banken en verzekeraars? Zo ja, welke gevolgen zijn dat?
Hoe wordt voorkomen dat door middel van de earningsstrippingmaatregel en de thincapmaatregel
te zeer wordt ingegrepen op bedrijfseconomische keuzes van individuele bedrijven?
De leden van de VVD-fractie vragen of de bovenstaande regeling complex in de uitvoering
is voor banken en verzekeraars. Zijn er mogelijkheden om de uitvoering te vereenvoudigen,
bijvoorbeeld door te werken met een vaste rente over de openstaande schuldposities?
De leden van de VVD-fractie vragen hoe wordt voorkomen dat Nederlandse banken «gestraft»
worden omdat zij relatief veel hoofdkantoren in Nederland hebben en daarmee hun «treasury
management» in Nederland doen.
De regering geeft aan dat banken en verzekeraars op fiscale-eenheidsniveau veelal
geen rente verschuldigd zijn en doorgaans niet geraakt worden door de earningsstrippingmaatregel.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering of haar banken of verzekeraars bekend
zijn die wel onder de earningsstrippingmaatregel vallen. Of is de verwachting dat
deze bedrijven hun structuur zo zullen wijzigen dat per saldo geen rente verschuldigd
is?
Kan de regering aangeven op welke wijze negatieve renten uitwerken bij de minimumkapitaalregel?
Tevens vragen de leden van de CDA-fractie waarom de maatregel de eerste jaren meer
oplevert dan bij het Regeerakkoord was geraamd.
De leden van de fractie van GroenLinks lezen in voetnoot 24 dat het fiscale voordeel
bij financiering met vreemd vermogen in Nederland ruim 2%-punt bedraagt. Hoe groot
is het resterende fiscale voordeel als dit wetsvoorstel is aangenomen?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen hoe de rekenvoorbeelden, waarbij bijvoorbeeld
5/97 deel van het totaalbedrag aan renten niet in aftrek mag worden gebracht, zich
verhouden tot het percentage van 70% van de rente die niet afgetrokken mag worden
vanwege ATAD1. Klopt het dat ATAD1 in die zin veel strenger/beperkender is of zijn
de percentages niet met elkaar vergelijkbaar?
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de regering van
plan is om een beperking aan te leggen die ervoor zorgt dat de renteaftrek van banken
beperkt wordt indien vreemd vermogen meer dan 92% van het balanstotaal omvat. Deze
leden begrijpen de redenering achter deze maatregel, maar zijn verbaasd over het feit
dat via een fiscale route een dergelijk minimumkapitaal wordt gestimuleerd. Zij hadden
bij de term «minimumkapitaalregel» eerder een verplichting verwacht om 8% of hoger
eigen vermogen op de balans te hebben staan. Deze leden zijn benieuwd naar de afwegingen
van de regering om niet tot een meer beperkende minimumkapitaalregel te komen.
De leden van de PvdA-fractie steunen onderhavige maatregel van harte. De regering
stelt in haar toelichting dat betere kapitalisering niet het primaire doel is van
de maatregel, maar dat het beoogde doel is om de fiscale prikkel voor financiering
met vreemd vermogen te beperken. Kan de regering uitleggen wat het verschil in de
praktijk is tussen deze doelstellingen? Waarom beschouwt de regering een betere kapitaalspositie
van banken niet als een primair doel?
Heeft de regering onderzoek gedaan naar de rol van fiscaliteit bij de financieringsmix
van banken? Wat is het verwachte effect van de maatregel? Waarom is niet voor een
verdergaande norm gekozen van bijvoorbeeld 90%, nu ook de regering een verdere kapitalisatie
van banken zou toejuichen?
De leden van de PvdA-fractie vragen hoeveel banken naar verwachting een hogere aanslag
tegemoet kunnen zien als gevolg van deze maatregel. Zij vragen voorts daarbij een
uitsplitsing te geven welke banken daarvan tot de grote banken (ABN AMRO, ING, Rabobank,
Volksbank) behoren en welke tot de kleine. Zij vragen voorts hetzelfde te doen voor
verzekeraars.
De leden van de PvdA-fractie begrijpen de keuze om aan te sluiten bij de toezichtkaders
om het eigen vermogen te bepalen. Zij vragen daarbij nader in te gaan op de verschillende
instrumenten die onderdeel kunnen zijn van het Tier-1-kapitaal van banken, in het
bijzonder de instrumenten waarop rente wordt betaald. Voorts vragen zij waarom voor
een vast percentage van 92% is gekozen, terwijl voor verzekeraars en banken andere
toezichtseisen gelden.
De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre filialen van buitenlandse banken een
voordeel hebben, nu hun leverage ratio op individuele basis wordt bepaald, en niet
op groepsniveau. De buitenlandse bank kan immers de Nederlandse kapitaalratio beïnvloeden
door hier meer kapitaal neer te laten slaan uit landen waar deze maatregel niet geldt.
Hoe kan dit voordeel worden voorkomen?
De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre een vast percentage van 92% ertoe
leidt dat banken erop sturen dat zij precies daaronder blijven, waardoor het instrument
als middel om de kapitaalpositie van banken te versterken bot wordt. Welke alternatieven
zijn overwogen? Is overwogen om een vast percentage van de rente niet aftrekbaar te
laten, om een structurele prikkel voor meer eigen vermogen te veroorzaken?
De leden van de PvdA-fractie vragen in hoeverre de maatregel ertoe kan leiden dat
verzekeraars die in zwaar weer zitten nog een extra tegenvaller te verduren krijgen.
Indien bijvoorbeeld door slechte beleggingsresultaten het eigen vermogen ten opzichte
van de verplichtingen daalt tot een kritiek niveau, zouden (los van verliezen) de
vennootschapslasten theoretisch juist kunnen oplopen.
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er voor woningcorporaties niet gekozen
is voor een specifiek renteaftrekmodel? Bij hen is eigenlijk het tegenovergestelde
aan de hand als voor banken; zij zijn per definitie zwaar met vreemd vermogen gefinancierd.
Waarom is niet ook voor hen een specifiek regime ingericht dat meer recht doet aan
hun unieke positie?
10. Aanpassen verhuurderheffing
De leden van de VVD-fractie vragen welke verminderingen in de verhuurderheffing er
nu allemaal zijn en hoeveel gebruik hiervan gemaakt wordt. Is het gebruik verspreid
over Nederland of zijn er bepaalde plekken waarvoor relatief veel gebruik gemaakt
wordt van heffingsverminderingen?
Met welke gemeenten zijn nu woondeals gesloten? Is de regering van mening dat de heffingskorting
op de verhuurderheffing alleen terecht moet komen in gebieden waarmee een woningdeal
is gesloten? De leden van de VVD-fractie weten van woningkrapte in bijvoorbeeld de
regio’s Friesland, Arnhem/Nijmegen, Limburg en Breda/Tilburg. Deelt de regering de
mening dat meer geografische spreiding over het land wenselijk is? Zo nee, waarom
niet? Zo ja, dan ontvangt de VVD-fractie graag een toelichting op hoe dit wordt vormgegeven.
De leden van de VVD-fractie vragen of de vrijstelling voor tijdelijke woningen afdoende
is om voldoende tijdelijke huisvestiging te realiseren. Zijn er andere problemen,
zoals bijvoorbeeld de te betalen btw wanneer uitgegeven grond voor het definitieve
gebruik eerst gebruikt wordt voor tijdelijke woningen?
De leden van de CDA-fractie vragen de regering op welke wijze wordt vastgesteld wat
een schaarstegebied is en of hiervoor niet specifieker moet worden gekeken naar de
woningmarkt dan alleen naar de WOZ-waarde.
De leden van de D66-fractie vragen om een nadere toelichting op de vraag welke rol
tijdelijke woningen kunnen spelen bij de oplossing van de crisis op de woningmarkt.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering waarom het budgettair nauwelijks
geld lijkt te kosten om tijdelijke woningen vrij te stellen in de verhuurderheffing.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of het klopt dat de heffingsvermindering
structureel 100 miljoen euro bedraagt. Geldt dit bedrag ook na 2030? Waarom kiest
de regering ervoor om dit te communiceren als 1 miljard euro (cumulatief bedrag tussen
2020–2030)? Klopt het dat een dergelijke benadering even arbitrair is als een optelsom
van 4 miljard euro (cumulatief bedrag tussen 2020 en 2060)?
De leden van de SP-fractie lezen in het wetsvoorstel dat de verhuurderheffing met
100 miljoen euro wordt verlaagd in de periode 2020–2024. Deze leden vragen de regering
waarom niet is gekozen voor volledige afschaffing van de verhuurderheffing. Zij vragen
de regering in welke mate huren van huidige huurders van woningcorporaties zijn gestegen
als gevolg van de verhuurderheffing en of zij de mening deelt dat nieuwbouw door woningcorporaties
als gevolg van de verhuurderheffing ernstig is belemmerd. Tevens vragen deze leden
de regering in hoeverre private partijen aan nieuwbouw in deze periode hebben gedaan
en of «de markt» het dus over heeft genomen. De leden van de SP-fractie vragen de
regering helder op een rij te zetten welke inkomsten zij de afgelopen jaren heeft
gehad via de verhuurderheffing en hoeveel dit per sociale huurwoning is geweest. Vindt
zij het eerlijk dat huurders in een corporatiewoning onder de huursubsidiegrens meer
belasting betalen via de verhuurderheffing dan Shell over haar behaalde winst in Nederland?
Kan de regering hierop ingaan?
De leden van de PvdA-fractie verwelkomen de korting van 100 miljoen euro op de verhuurderheffing,
doch achten het bedrag veel te laag. Kan de regering aangeven hoe hoog bij introductie
van de verhuurderheffing de heffing werd geraamd voor 2020, en wat de huidige raming
is voor 2020? Acht de regering het ook noodzakelijk om in te grijpen, nu de realisaties
dermate afwijken van de ramingen?
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom als schaarstegebieden de COROP-gebieden
met de hoogste WOZ-waardes zijn gekozen. Waarom is de gemiddelde WOZ-waarde een goede
maatstaf? Hoe wordt ervoor gezorgd dat in deze gebieden met de korting ook gezinswoningen
gebouwd kunnen worden?
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom er slechts voor gekozen is nieuwbouw en
flexibele woningen te ondersteunen, en niet de transformatie van de voorraad in krimpgebieden
en bijvoorbeeld veranderingen te ondersteunen die noodzakelijk zijn in vergrijzende
gebieden.
De leden van de PvdA-fractie vragen de regering bij overuitputting het bedrag van
de korting automatisch te verhogen.
De leden van de PvdA-fractie vragen waarom de regering behoefte heeft aan een «flexibele
schil» aan woningen. Is er een analyse gemaakt van het aantal woningen waar slechts
tijdelijk behoefte aan is? Dient de woningnood niet structureel aangepakt te worden?
In hoeverre leidt een flexibele schil ertoe dat mensen geruime tijd in woningen van
slechte kwaliteit moeten wonen? In hoeverre leidt dit ertoe dat bijvoorbeeld gezinsvorming
wordt uitgesteld? Kan de regering voorts uiteenzetten waarom, indien de noodzakelijkheid
hiervan vaststaat, uitgerekend deze categorie woningen gestimuleerd dient te worden?
Is de bouw van tijdelijke woningen niet sowieso al goedkoper?
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen de regering of bij de heffingsvermindering
ten behoeve van nieuwbouw flexibel wordt omgegaan met de 100 miljoen euro-grens per
jaar. Als er de komende jaren meer nieuwbouwwoningen worden gebouwd, die voldoen aan
de voorwaarden voor een heffingsvermindering, is dan het beschikbare budget per jaar
leidend of de spelregels die zijn geformuleerd om voor een heffingsvermindering in
aanmerking te komen? Hoe is het begrip nieuwbouw eigenlijk gedefinieerd?
De leden van de ChristenUnie-fractie willen ook graag een actueel inzicht in de ontwikkeling
van de verhuurderheffing ten opzichte van de vorige kabinetsperiode. Hoe hoog zou
de heffing geweest zijn zonder de door deze regering doorgevoerde kortingen en heffingsverminderingen?
In hoeverre heeft de snelle stijging van de WOZ-waardes de diverse kortingen per saldo
teniet gedaan? Hoe ziet in nominale en reële termen de ontwikkeling van de opbrengsten
van de verhuurderheffing eruit, sinds deze heffing is ingesteld? Welk deel van de
heffing wordt door woningcorporaties opgebracht en welk deel door andere verhuurders?
Hoe ontwikkelen zich de totale belastingafdrachten van de woningcorporaties deze kabinetsperiode
ten opzichte van de vorige periode? Hoe verhoudt die ontwikkeling zich met andere
sectoren? In hoeverre beperkt de verhuurderheffing de investeringscapaciteit van woningcorporaties?
Is het niet logischer om, zo lang de verhuurderheffing bestaat, de grondslag te verbreden
naar alle verhuurders van alle soorten huurwoningen? Of is het misschien zelfs niet
beter om juist verhuurders die woningen met een hogere huur dan middelduur – dus meer
dan ca. € 950 – juist verhuurderheffing in rekening te brengen? In hoeverre is het
uitlegbaar en logisch om gelet op de grote woningbouwopgave met betrekking tot betaalbare
woningen de verhuurderheffing conform de huidige systematiek te continueren, zo vragen
deze leden.
De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat de regering noemt dat «de heffingsvermindering
gezien kan worden als een vorm van staatssteun». Kan de regering dit toelichten? Immers,
tot 2012 was er helemaal geen verhuurderheffing en het is deze leden niet bekend dat
Nederland toen is aangesproken vanwege staatssteun aan verhuurders. Waarom zou het
verminderen van een belasting staatssteun zijn, terwijl het afschaffen (of het niet
bestaan) van een belasting geen staatssteun is?
De leden van de 50PLUS-fractie vragen waarom de regering er niet voor kiest om de
toegenomen lasten voor woningcorporaties als gevolg van de invoering van de Europese
richtlijn ATAD1, rechtstreeks te compenseren via een lagere verhuurderheffing.
Hoeveel investeringsruimte vertegenwoordigt de totale verhuurderheffing, uitgaande
van de huidige rentestanden en de bestaande balansposities van woningcorporaties?
Kan de regering deze niet-beschikbare investeringsruimte vertalen naar een aantal
«niet gebouwde woningen». Indien nee, waarom niet?
11. Verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven
De leden van de VVD-fractie vragen welke landen naar verwachting eveneens gebruik
zullen maken van deze lidstaatoptie. Deze leden vragen eveneens hoe geborgd wordt
dat de consumentenprijzen van deze goederen nu ook zullen dalen, en dat het voordeel
van het verlaagde tarief dus daadwerkelijk bij de consument terecht komt.
De leden van de VVD-fractie lezen in de memorie van toelichting dat EU-lidstaten niet
de mogelijkheid hebben een verlaagd btw-tarief toe te passen als uitgaven uitsluitend
of vooral bestaan uit reclamemateriaal of uit muziek- of videomateriaal. De leden
vragen de regering om een toelichting hierop en dan met name op de btw-richtlijn uit
2006. Klopt het dat bijvoorbeeld het afbetalen van online reclame niet belast kan
worden met het lage btw-tarief vanwege Europese regelgeving? Heeft dit gevolgen voor
de internationale concurrentiepositie van Europese en daarmee ook Nederlandse uitgevers
en elektronische aanbieders van kranten, boeken, etc.? Zo nee, waarom niet? Zo ja,
welke (budgettaire) gevolgen?
De leden van de VVD-fractie vragen of het klopt dat het doel van de nieuwe wetgeving
onder andere was om de betaling voor nieuwssites onder het lage btw-tarief te brengen.
Hoe beoordeelt de regering het dat consumenten middels het accepteren van reclame
of het betalen van een vergoeding zich toegang verschaffen tot het nieuwsaanbod, en
dat het verkrijgen van deze toegang de «aard van de prestatie is»? Wat zijn hiervan
de gevolgen voor de consument en de aanbieder als dat niet gebeurt? Betekent dit dat
het «afkopen van reclame» dan niet een beoordelingsvraag is die niet past bij het
doel dat de consument heeft met de handeling, namelijk het toegang verkrijgen tot
nieuws?
De leden van de CDA-fractie zijn verheugd dat eindelijk het verlaagde btw-tarief voor
elektronische boeken en andere uitgaven gaat gelden. Het verlaagde tarief gaat niet
gelden ingeval uitgaven uitsluitend of hoofdzakelijk uit reclamemateriaal, muziek
of video-inhoud bestaan. De leden van de CDA-fractie vragen de regering op welke wijze
dit getoetst dient te worden door de ondernemer en de Belastingdienst. Voor een e-book
of een digitale kopie van een krant of tijdschrift is het duidelijk. Maar krantenwebsites
maken vaak ook nieuwsvideo’s. Op welke wijze heeft dit invloed op het van toepassing
zijnde btw-tarief?
De leden van de D66-fractie verwelkomen het verlaagde btw-tarief voor elektronische
uitgaven en ook de verruiming ten opzichte van het eerdere voorstel dat ter consultatie
voorlag. Deze leden vragen op welke wijze andere landen gebruik maken van de mogelijkheid
om het verlaagd btw-tarief voor elektronische uitgaven toe te passen. Kiezen zij voor
een ruimere of minder ruime implementatie? Zo ja, op basis van welke redenen kiezen
zij voor een andere implementatie?
De leden van de D66-fractie vragen hoe de regering gaat monitoren dat het verlaagde
btw-tarief door een verlaging van de prijzen ook ten goede komt aan consumenten. Deze
leden vragen de regering om de Kamer goed op de hoogte te houden van de resultaten
van deze monitoring.
De leden van de D66-fractie vragen een reactie op de vraag van het Register Belastingadviseurs
waarom niet meer wordt gesproken van de verhuur, maar van het uitlenen van bepaalde
goederen. Ook vragen deze leden om een nadere reactie waarom er niet gekozen is voor
overgangsrecht, bijvoorbeeld als het gaat om een lopend abonnement bij de bibliotheek
voor het lenen van e-books.
De leden van de D66-fractie lezen dat «het bij websites en apps voorkomt dat een vergoeding
wordt betaald voor een andere prestatie dan het leveren of uitlenen van de uitgaven.
Logischerwijs is het verlaagde btw-tarief in dit geval niet van toepassing. Gedacht
kan worden aan een website waarop artikelen gratis kunnen worden gelezen maar tegen
vergoeding de advertenties kunnen worden weggelaten.» Deze leden vragen of de regering
een nadere toelichting kan geven over de reikwijdte van deze uitsluiting en enkele
aanvullende voorbeelden kan geven van betalingen voor andere prestaties dan het leveren
of uitlenen van de uitgaven. Deze leden vragen om specifiek in te gaan op een nieuwswebsite
die twee verschillende producten (product A en product B) aanbiedt. Product A is online
gratis toegankelijk en bevat advertenties; Product B is enkel toegankelijk met een
abonnement, bevat geen advertenties en wel meer verdieping en extra nieuwsartikelen.
Geldt in dit geval voor product B ook het lage btw-tarief? Deze leden vragen of deze
specifieke uitsluiting ook is geconsulteerd. Zo ja, wat waren de reacties? Zo nee,
waarom niet?
De leden van de SP-fractie spreken zich met instemming uit over het opnemen van de
bepaling die elektronische uitgaven van kranten, tijdschriften en boeken ook in het
lage btw-tarief plaatsen.
De leden de PvdA-fractie constateren met tevredenheid dat eindelijk het lage btw-tarief
van toepassing wordt op digitale media. Zij onderkennen dat dit geen eenvoudig proces
was, en danken de regering dat dit nu eindelijk gelukt is.
12. Aanpassen accijns op tabaksproducten
De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de regering verwacht de genoemde evaluatie
gereed te hebben. De leden van de VVD-fractie vragen wat er gebeurt met de opbrengsten
van deze maatregel. Worden deze ingezet voor lastenverlichting elders? Deze leden
vragen eveneens hoe samenloop met de eerdere verhoging van de tabaksaccijnzen voorkomen
wordt. Hoe voorkomt de regering dat ondernemers verschillende keren hun prijzen moeten
aanpassen?
De leden van de PVV-fractie willen weten wat de regering gaat doen indien uit de evaluatie
blijkt dat de accijnsverhogingen slecht zijn voor de ondernemers in het grensgebied.
De leden van de CDA-fractie achten het rechtvaardig om de accijns op tabaksproducten
te verhogen om zo te proberen te voorkomen dat minder jongeren beginnen met roken
en meer mensen gaan stoppen met roken. Om substitutie-effecten te voorkomen vinden
zij het zeer verstandig om zowel de accijns op sigaretten als op tabak te verhogen.
De leden van de CDA-fractie zijn zeer benieuwd naar de grenseffecten van de maatregel,
maar de regering geeft aan dat hiernaar pas in 2021 bij de evaluatie wordt gekeken.
Kan de regering aangeven wat de verwachte grenseffecten zijn van de verhoging in onderhavig
wetsvoorstel? Met welke grenseffecten is gerekend bij de raming van de maatregel?
De leden van de D66-fractie onderschrijven de ambitie om te komen tot een rookvrije
generatie. Deze leden vragen welke maatregelen andere landen nemen om te komen tot
een rookvrije generatie. Verkleinen deze maatregelen het mogelijke risico op grenseffecten?
Kan de regering een overzicht geven van de accijns en kosten per pakje in de ons omringende
landen, inclusief in de toekomst voorgenomen prijsverhogingen? Kan de regering daarbij
in ieder geval een uiteenzetting geven van deze ontwikkelingen in Duitsland, België,
het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Luxemburg? Deze leden vragen of de regering
een uitputtend overzicht kan geven van de wijze waarop tabak en soortgelijke producten
als shag, kruidenrookproducten, e-sigaretten en navulverpakkingen in Nederland in
de belastingheffing worden betrokken.
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat de accijnzen op
tabak met € 1 worden verhoogd per 2020. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan het Preventieakkoord.
Deze leden vragen de regering welke wetenschappelijke aanwijzingen er zijn om te veronderstellen
dat het verhogen van de tabaksaccijnzen met € 1 leidt tot minder rokers. De leden
van de SP-fractie vinden dat er effectievere maatregelen mogelijk zijn om te zorgen
dat de jonge generaties niet gaan roken. Zij denken aan het verminderen van het aantal
verkooppunten en door de industrie te dwingen om minder verslavende elementen toe
te voegen aan de tabak. Kan de regering hierop ingaan? Het verhogen van de tabaksaccijnzen
komt op de leden van de SP-fractie over als het plukken van mensen met een verslaving
en zij vragen de regering welk perspectief hen geboden wordt met deze maatregel.
De leden van de SP-fractie vinden dat de extra tabaksaccijnzen ten goede dienen te
komen aan een verslavingsfonds waarmee rokers kunnen worden geholpen van hun verslaving
af te komen. Kan de regering toezeggen dit te gaan vormgeven? Zo neen, waarom niet?
De leden van de PvdA-fractie zien prijsverhogingen als een belangrijk middel om roken
te ontmoedigen. Het doel dat wordt gedeeld met de regering is een rookvrije generatie.
Verhoging van de accijnzen kan dan ook op instemming rekenen van deze leden. Zij vragen
of de verhoging ook in een sneller tempo kan.
De leden van de PvdA-fractie maken zich zorgen over het zogeheten vapen. Op e-sigaretten
en dergelijke wordt veel minder belasting geheven, terwijl de verkrijgbaarheid via
internet eenvoudiger is, en veel jongeren beginnen met de elektronische sigaret. Op
deze manier raken zij verslaafd aan nicotine, een van de meest verslavende drugs.
Is de regering bereid de accijnzen op e-sigaretten en nicotinevloeistof stevig te
verhogen, zodat ook deze producten via de prijs ontmoedigd worden?
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of de regering uiteen kan zetten dat deze maatregelen,
door bekende elasticiteiten, geen netto-opbrengst opleveren voor de schatkist. Of
is er wel een extra netto-opbrengst voorzien? Wat is de verwachte daling van het verkoopvolume
bij de gegeven prijsverhogingen?
De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat in het regeerakkoord staat dat de tabaksaccijns
«taakstellend wordt verhoogd» met 200 miljoen euro. Met hoeveel zou de tabaksaccijns
moeten worden verhoogd, om per saldo geen extra opbrengst meer te genereren? Wanneer
wordt het nadeel van dalende verkopen voor de schatkist groter dan het voordeel van
hogere prijzen? Kan de regering bevestigen dat de koopkrachtplaatjes van rokers er
significant anders uitzien dan voor niet-rokers? Kan de regering de orde van grootte
schetsen van de invloed van de voorgenomen verhogingen van de tabaksaccijns voor een
modaal inkomen?
13. Vrijstellingen in de assurantiebelasting
De leden van de CDA-fractie zijn zeer verheugd dat brede weersverzekeringen worden
vrijgesteld van assurantiebelasting. Deze leden hebben meerdere jaren gepleit voor
een vrijstelling, omdat de risico’s die agrariërs lopen door weersomstandigheden groot
zijn en ook steeds groter worden.
De leden van de D66-fractie vragen of andere ondernemers dan landbouwers ook gebruik
kunnen maken van de brede weersverzekering en de tegemoetkoming brede weersverzekering.
Deze leden zijn met name benieuwd naar andere ondernemers die behoefte hebben om zich
te verzekeren tegen schade door extreme en ongunstige weersomstandigheden. Zo ja,
om welke sectoren of type ondernemers gaat het? Zo nee, waarom niet?
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze gezorgd is voor de financiering
van het voorstel dat toeziet op de zogenoemde brede weersverzekering.
14. Rentevergoeding bij te late terugbetaling Belastingwet BES
De leden van de VVD-fractie vragen naar de oorzaak van deze wijziging. Wie ervaarde
deze situatie als onredelijk? En hoe verhoudt zich dit tot de belastingrente in Nederland
zelf? Welke tarieven worden gehanteerd? Wanneer is de regering voornemens de Nederlandse
belastingrente aan te passen omdat deze niet redelijk is?
De leden van de CDA-fractie achten het zeer rechtvaardig dat de Belastingdienst Caribisch
Nederland (BCN) rente gaat vergoeden bij een te late betaling net zoals een belastingplichtige
rente moet betalen bij een te late betaling. Kan de regering aangeven hoe hoog de
rente is die de BCN en de belastingplichtige moeten betalen bij een te late betaling?
Het valt deze leden namelijk op dat de hypotheekrente op de BES-eilanden veel hoger
is. Hetzelfde geldt overigens voor verzekeringspremies en de overdrachtsbelasting.
Kijkt de regering ook naar de overdrachtsbelasting in het kader van het onderzoek
naar het ijkpunt voor het sociaal minimum en het verlagen van de kosten van levensonderhoud?
15. Grensbedragen voor teruggaaf en terugbetaling BES
–
16. Invoeren aftrekuitsluiting dwangsommen
De leden van de VVD-fractie zijn tevreden met deze wijzing. Kan de regering aangeven
welke dwangsommen voorheen precies wel aftrekbaar waren en nu niet meer? Zijn er nog
leemtes in de wet? Welke vormen van boetes of dwangsommen zijn nu nog wel aftrekbaar?
De leden van de PVV-fractie vragen welke boetes wel aftrekbaar blijven van de winst
van bedrijven.
Tevens willen de leden van de PVV-fractie weten of er een verschil in behandeling
is tussen boetes die in Nederland zijn opgelegd en boetes van de EU.
De leden van de CDA-fractie vinden het een goed idee om dwangsommen niet langer van
de winstbelasting aftrekbaar te laten zijn. Een dwangsom is immers bedoeld om herhaling
of voortzetting van een overtreding te voorkomen en dit is minder effectief wanneer
de dwangsom in aftrek kan komen voor de bepaling van de winstbelasting. Het kan door
de aftrekbaarheid zelfs lonend zijn om de overtreding voort te zetten.
De leden van de CDA-fractie vragen de regering wat de fiscale behandeling is van dwangsommen
die door de overheid betaald worden. Deze vallen niet onder de aftrekbeperking, want
hoofdzakelijk worden deze dwangsommen aan burgers betaald en slechts zelden aan een
ander bestuursorgaan. Bovendien vallen veel bestuursorganen niet of nauwelijks onder
de winstbelasting. Toch is er in dit kader wel een interessante rechtszaak geweest,
waar de leden van de CDA-fractie aandacht voor vragen. De Hoge Raad heeft op 15 februari
2019 bepaald dat dwangsommen die Defensie uitbetaalde wegens te laat beslissen niet
belast zijn met loonbelasting. Kan de regering aangeven wat de betekenis is van dit
arrest voor andere uitbetaalde dwangsommen?
De leden van de D66-fractie verwelkomen dat bestuursrechtelijke dwangsommen voortaan
niet meer aftrekbaar zijn van de winst, mede naar aanleiding van de mondelinge vraag
van het lid Van Weyenberg van 5 februari 2019 en de schriftelijke vragen van het lid
Von Martels c.s.
De leden van de fractie van GroenLinks begrijpen dat het niet mogelijk is een exact
overzicht te krijgen van aantallen en bedragen die gemoeid zijn met het gebruik van
de last onder dwangsom. Kan de regering een (grove) benadering geven? Over welke ordegrootte
gaat het hier?
De leden van de SP-fractie lezen in de memorie van toelichting dat publiekrechtelijke
dwangsommen worden uitgesloten van belastingaftrek en spreken hun waardering uit voor
het snel ter hand nemen van dit probleem nadat dit aan de kaak werd gesteld. Het is
niet uit te leggen dat een ondernemer een boete opgelegd krijgt en dat die vervolgens
een belastingvoordeel oplevert. Terecht wordt dit gewijzigd. Zij vragen de regering
naar het verwachte effect van deze maatregel en of zij een overzicht kan geven van
de onterechte voordelen die bedrijven en individuen hebben ondervonden van deze aftrekbaarheid.
Voorts vragen de leden van de SP-fractie of de regering de effecten van het niet-uitsluiten
van privaatrechtelijk opgelegde dwangsommen in kaart heeft gebracht en zo ja, of zij
deze kan delen met de Kamer. Tevens zijn zij benieuwd naar welke argumentatie bestaat
voor het in eerste instantie aftrekbaar laten zijn van dwangsommen in het algemeen.
Want, zo vragen de leden, geldt niet ook in privaatrechtelijk opgelegde dwangsommen
dat het raar is dat deze aftrekbaar zijn van de belasting? Zij krijgen graag uitgebreid
antwoord.
17. Budgettaire aspecten
De leden van de 50PLUS-fractie noemen dat in tabel 3 het budgettaire effect van het
pakket Belastingplan 2020 te zien is met daarin de budgettaire effecten van de zes
wetsvoorstellen. Tevens zien we een budgettair effect van -57 miljoen euro in 2020.
Kan de regering het verband uitleggen tussen deze -57 miljoen euro en de miljarden
lastenverlichting die volgens de regering in 2020 wordt geëffectueerd? Als het in
2020 werkelijk om nieuwe lastenverlichting gaat, dan zou dat toch op enigerlei wijze
in deze tabel tot uitdrukking moeten komen?
17.1. Budgettaire gevolgen pakket Belastingplan 2020
–
17.2. Budgettaire gevolgen wetsvoorstel Belastingplan 2020
–
18. EU-aspecten
De leden van de 50PLUS-fractie vragen in welke EU-lidstaten geld op spaarrekeningen
zwaarder wordt belast dan in Nederland.
19. Gevolgen voor burger en bedrijfsleven
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of er cijfers bij de regering bekend zijn over
de ontwikkeling van het aantal correcties bij de definitieve aanslag, ten opzichte
van de voorlopige aanslag, zowel in euro als in aantallen. Kan de regering hen daar
inzicht in geven over een reeks van jaren vanaf 2010 of 2012 tot heden? De leden van
de 50PLUS-fractie zijn geïnteresseerd om te zien of het inkomensafhankelijk maken
van heffingskortingen, alsmede het voor-invullen van de aanslagen, invloed hebben
gehad op de aard, de aantallen en het budgettair beslag van correcties ten opzichte
van de voorlopige aanslag.
20. Uitvoeringskosten Belastingdienst
–
21. Advies en consultatie
–
22. Evaluaties
–
23. Transponeringstabel
–
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel.
–
BIJLAGE
Uitvoeringstoetsen Belastingplan 2020
De leden van de D66-fractie vragen de regering om in te gaan op de toename van de
uitvoeringkosten van de Belastingdienst in het licht van de al bestaande wervingsopgave.
Deze leden vragen of de regering ook voornemens is om een uitvoeringstoets en doenvermogentoets
uit te voeren over het gehele pakket Belastingplan 2020. Deze leden vragen naar de
gevolgen van het pakket Belastingplan 2020 op de ICT-situatie bij de Belastingdienst.
De leden van de D66-fractie vragen welke beoordeling het huidige toeslagenstelsel
zou krijgen in de huidige opzet van de uitvoeringstoets, als deze toeslagen nu voor
het eerst zouden worden ingevoerd.
De leden van de D66-fractie vragen welke criteria de regering hanteert om te bepalen
of een maatregel een substantiële beleidswijziging is.
Ramingstoelichtingen bij het pakket Belastingplan 2020 inclusief certificeringsdocument
CPB
2. Wetsvoorstel belastingplan
2.1 Pakket maatregelen inkomstenbelasting
De leden van de D66-fractie vragen waarom in de raming geen rekening is gehouden met
gedragseffecten, behalve bij het verlagen van het toptarief, waarvoor een gedragseffect
van 50% geldt. Deze leden vragen waarom er niet meer aandacht is voor gedragseffecten,
bijvoorbeeld als het gaat om de arbeidskorting. Welke criteria worden er gebruikt
om te bepalen of gedragseffecten wel of niet worden meegenomen? Waarom wordt er een
uitzondering gemaakt voor het verlagen van het toptarief?
2.2 Werkkostenregeling
De leden van de D66-fractie vragen op welke wijze het vergroten van de vrije ruime
in de werkkostenregeling bijdraagt aan het doel om de lasten op arbeid voor het mkb
te verhogen. Maakt deze maatregel het aantrekkelijker voor het mkb om extra personeel
aan te nemen of personeel te behouden?
2.7 Uitbreiden vrijstellingen voor overheidsondernemingen
De leden van de D66-fractie vragen hoe de genoemde lastenverlichting wordt meegenomen:
wordt dit gezien als een lastenverlichting die de collectieve lastendruk verlaagt
en/of als een lastenverlichting voor het bedrijfsleven?
2.8 Aanpassen tarief in de vennootschapsbelasting
De leden van de D66-fractie vragen welke analyse ten grondslag ligt aan de aanname
dat voor winsten boven de € 500.000 een gedragseffect van 20% wordt verondersteld.
Is dit aangenomen effect eenzijdig? Is bij eerdere Vpb-verlagingen ook aangenomen
dat door een lager tarief bedrijven meer geneigd zijn de beslissing te nemen om naar
Nederland te komen?
OVERIG
De leden van de VVD-fractie vragen de regering in te gaan op de situatie rond het
zorgvervoer. Hoe is invulling gegeven aan de motie van de leden Van Weyenberg c.s
over het monitoren van de effecten van de afschaffing van de bpm-teruggaafregeling9? Wat is de stand van zaken; is het probleem nu opgelost?
De leden van de VVD-fractie vragen de regering te reageren op de vragen van de Nederlandse
Orde van Belastingadviseurs (NOB), voor zover de vragen niet gesteld zijn door partijen
zelf.
Bbz
De leden van de CDA-fractie danken de regering voor wederom een toelichting op de
herstelactie
Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Zij merken echter op dat deze herstelactie
op de leenbijstand zeer weinig gebruikt wordt.
Zij verzoeken de regering daarom antwoord te geven op de volgende vragen:
1. Is in de polisadministratie zichtbaar of eenvoudig herleidbaar wie leenbijstand heeft
ontvangen in een gegeven jaar en vooral bij wie de leenbijstand omgezet is in een
gift op een bepaald moment?
2. Is de regering bereid de gemeentes aan te schrijven en te vragen een lijst te geven
wie leenbijstand ontvangen heeft in de relevante jaren?
3. Is de regering bereid om alle mensen die leenbijstand ontvangen hebben, aan te schrijven
en hen te wijzen op de herstelactie?
Ozb voor SBBI’s en ANBI’s
De leden van de CDA-fractie vragen of de regering reeds in overleg geweest is met
de VNG om gemeenten die de onroerendezaakbelasting (ozb) voor bijvoorbeeld sportverenigingen
of goede doelen willen verlagen tot het tarief dat ook voor woningen geldt te ondersteunen
bij de juridische kaders waar zij op kunnen letten.
Studiebeurzen werkgevers
De leden van de CDA-fractie merken op dat de regering een aantal maatregelen genomen
heeft om duidelijk te maken op welke manier bedrijven een studiebeurs kunnen toekennen
aan kinderen van werknemers. Is de regering bereid een folder of website te ontwikkelen
waarin deze met voorbeelden op een rij gezet worden, zodat het in een oogopslag duidelijk
is voor bedrijven op welke manieren zij ofwel studenten ofwel de studerende kinderen
van werknemers kunnen ondersteunen?
Box 3
De leden van de CDA-fractie hebben zeer veel vragen bij de per brief voorgestelde
aanpassing van box 3. In het kader van het Belastingplan vragen deze leden de regering
wel of de regering ook bekeken heeft om verzachtende maatregelen te nemen tot het
nieuwe rendement voor spaargeld ingaat, aangezien de rente op spaargeld in 2020 en
2021 naar verwachting ongeveer 0% zal bedragen. Tevens vragen deze leden de regering
of het mogelijk is om de in het schriftelijk overleg over box 3 gestelde vragen te
beantwoorden voor het wetgevingsoverleg over het Belastingplan.
AVG
De leden van de CDA-fractie vernemen graag wanneer de Belastingdienst geheel AVG-compliant
zal zijn en hoe ver de Belastingdienst hier momenteel mee is.
Commentaren
De leden van de CDA-fractie vragen de regering tevens in te gaan op de vragen van
het Register Belastingadviseurs (RB) en de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs
in hun commentaren op onderhavig wetsvoorstel.
De leden van de D66-fractie vragen de regering, mede gezien de uitvoerigheid en complexiteit
van de voorliggende wetsvoorstellen in het Pakket Belastingplan 2020, de Wet implementatie
tweede EU-richtlijn antibelastingontwijking en de Wet implementatie EU-richtlijn meldingsplichtige
grensoverschrijdende constructies, om een reactie op de aanvullende vragen van de
NOB, het RB en Taks Justice Nederland, bijvoorbeeld zoals geuit tijdens het rondetafelgesprek
over de implementatie van ATAD2.
De leden van de D66-fractie zouden graag meer inzicht krijgen in de mogelijke problemen
in de uitvoering van het fiscaal bevorderen van een gezonde keuze, naast accijns op
tabak, door bijvoorbeeld een andere fiscale behandeling van groente, fruit, suiker
en vlees. De leden van de D66-fractie merken op dat de regering bij vragen over een
andere btw-behandeling van deze producten met name wijst op problemen in de uitvoering.
Kan de regering de problemen in de uitvoering nader toelichten? Welke extra uitvoeringskosten
zouden hier bijvoorbeeld gemoeid zijn? Deze leden vragen of er voor de uitvoering
nog een verschil in zit wanneer er wordt gekozen voor een accijns, heffing of speciale
btw-regeling. Ook vragen deze leden in dit kader om een nadere reflectie op de al
bestaande complexiteit van de btw. Hoe kijkt deze regering bijvoorbeeld naar aparte
regelingen voor chocolade eieren met speelgoed erin10, dekhengsten en fokmerries11. Waarom geldt er een ander btw-tarief voor konijnenvoer dan voor hamstervoer? Waarom
valt een rollator onder het lage btw-tarief, maar een wandelstok onder het hoge? Ook
vragen de leden van de D66-fractie hoe de Belastingdienst het onderscheid maakt tussen
beleggingsgoud en ander goud, zoals goud dat in een sieraad is verwerkt. Deze leden
vragen waarom dit onderscheid in de btw-behandeling bestaat. Waarom is het voor de
Belastingdienst wel mogelijk om dergelijke speciale regelingen te hebben voor paarden
en chocolade eieren met speelgoed erin, maar niet voor bijvoorbeeld groente en fruit?
De leden van de D66-fractie vragen om een overzicht van het aantal bv’s en het aantal
vennootschapsbelastingplichtige bv’s in de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 en 2019. Deze
leden vragen of ook een inschatting kan worden gegeven van het aantal bv’s en vennootschapsbelastingplichtige
bv’s in 2020 en 2021. Deze leden vragen welke gevolgen de ontwikkelingen ten aanzien
van de fiscale eenheid heeft op het aantal bv’s en het aantal vennootschapsbelastingplichtige
bv’s. Verwacht de regering, nu het lage vennootschapsbelastingtarief wordt verlaagd,
nog verdere gedragseffecten?
De leden van de D66-fractie vragen of de regering bekend is met de vele advertenties
en berichten, waaronder die op de websites www.youngtimerimports.nl, www.gooisautoteam.nl en www.mijnautocoach.nl, waarin gewezen wordt op de voordelen van de youngtimerregeling. Hoe verklaart de
regering dat het gebruik van youngtimers in 2016 met ongeveer 40% gestegen is ten
opzichte van 2014. Deze leden vragen om een reactie op de stelling dat de Belastingdienst
met de youngtimerregeling ondernemers de mogelijkheid geeft om met minder zuinige
meer vervuilende auto’s zakelijk te rijden en daarbij alle kosten zoals afschrijving,
brandstof, onderhoud, verzekering en wegenbelasting als bedrijfskosten af te trekken
van de te betalen belasting. Deze leden vragen om een nadere toelichting over het
gebruik van youngtimers door anderen dan IB-ondernemers. Pakt de youngtimerregeling
anders uit voor IB-ondernemers en anderen? Zo ja, waar zitten deze verschillen dan
in? Deze leden vragen of er een maximum aan deze af te trekken kosten bestaat. Deze
leden vragen of de regering overweegt om een maximum te stellen aan deze aftrekbare
kosten, bijvoorbeeld maximaal het bedrag van de te betalen bijtelling. Hoe hoog is
het budgettair beslag van de youngtimerregeling?
De leden van de D66-fractie vragen waarom de regering de afwijkende youngtimerregeling
niet afschaft, mede aangezien de Staatssecretaris van Financiën heeft aangegeven dat
youngtimers minder zuinig zijn en meer fijnstof uitstoten dan nieuwere alternatieven12. Deze leden vragen waarom de regering bij deze oudere meer vervuilende auto’s kiest
voor een differentiatie ten opzichte van de algemene bijtelling. Deze leden vragen
voor welk deel van de auto’s die ouder zijn dan vijftien jaar geldt dat door toepassing
van de youngtimerregeling de bijtelling lager is dan wanneer de youngtimerregeling
niet van toepassing zou zijn. Deze leden vragen waarom voor de autowaarde van deze
youngtimers niet bij een bepaald percentage van de cataloguswaarde wordt aangesloten.
Deze leden vragen in hoeverre de youngtimerregeling prikkelt tot de keuze voor een
oudere meer vervuilende auto. Deze leden vragen of het mogelijk is om de aftrek nooit
hoger te laten zijn dan het bedrag van de bijtelling. Deze leden vragen of de regering
kan uitsluiten dat de huidige wijze van bijtelling gemiddeld genomen niet (langer)
overeenkomt met het genoten privévoordeel. De leden van de D66-fractie lezen dat «het
fiscaal bevoordelen dan wel het geven van een prikkel tot het gebruik van auto’s die
ouder zijn dan 15 jaar geen doel van de regeling is». Deze leden vragen of dit dan
wel een onbedoeld gevolg is van deze regeling en of dit onbedoelde gevolg niet voorkomen
zou moeten worden. Deze leden vragen of een regeling overwogen is waarbij de grens
van vijftien jaar naar 20 of 30 jaar wordt verplaatst en wat de effecten van een dergelijke
aanpassing zouden zijn.
De leden van de D66-fractie vragen om een nadere toelichting ten aanzien van de regeling
in het handboek loonheffingen voor de situatie dat er gelijktijdig twee of meer auto’s
voor privégebruik ter beschikking staan. Deze leden vragen in welke mate er gebruik
of misbruik wordt gemaakt van deze regeling. Deze leden vragen hoe vaak de Belastingdienst
gebruik maakt van het recht om te bepalen dat de werknemer toch over meer dan één
auto moet bijtellen. Zijn er voorbeelden dat deze regeling, in samenhang met de youngtimerregeling,
ertoe leidt dat de keuze voor de hoogste cataloguswaarde leidt tot een lagere bijtelling?
Waarom wordt er in dit besluit niet automatisch gekozen voor de hoogste bijtelling
van de ter privégebruik ter beschikking staande auto’s?
De leden van de D66-fractie vragen om een uitsplitsing van de mate waarin het mkb
ten opzichte van het grote bedrijfsleven gebruik maakt van de innovatiebox. Kan de
regering deze uitsplitsing over de jaren 2015, 2016, 2017, 2018 aangeven?
De leden van de D66-fractie vragen om het aantal dga’s dat een (stille) maatschap
vormen met een bv. Deze leden zijn met name benieuwd naar de mate waarin er constructies
bestaan waarin ondernemers zowel profiteren van de aftrekposten in de inkomstenbelasting
als de voordelen van het houden van een bv. Kan de regering hierbij ook aangeven hoe
deze constructies zich hebben ontwikkeld, zowel in aantal als in vorm. Deze leden
vragen in hoeverre met het globale fiscale evenwicht rekening wordt gehouden met dergelijke
constructies? Deze leden vragen om de ontwikkeling van het aantal constructies.
De leden van de D66-fractie vragen om een geactualiseerd overzicht van het aantal
steunstichtingen Sociaal Belang Behartigende Instellingen (SBBI’s) in de jaren 2016,
2017, 2018 en 2019.
De leden van de D66-fractie vragen naar de invulling van de motie Van Weyenberg c.s.13, waarmee de regering werd verzocht om samen met onder andere de aanbieders van zorg-
en doelgroepenvervoer de effecten van de afschaffing van de bpm-teruggave te monitoren,
om maatregelen te nemen als sprake is van onvoorziene effecten en de Kamer hierover
voor de behandeling van het Pakket Belastingplan 2020 te informeren.
De leden van de D66-fractie zijn van mening dat de term man/vrouw-firma als speciale
vorm van de vennootschapsfirma niet meer bij deze tijd past. Deze leden willen voorstellen
om deze benaming te moderniseren. Deze leden vragen de regering om een reactie.
Mede naar aanleiding van de brief van de Staatssecretaris over bouwstenen voor een
beter belastingstelstel vragen de leden van de D66-fractie wanneer het onderzoek van
het CPB naar de erf- en schenkbelasting is afgerond. Deze leden vragen of de regering
in de reactie op erf- en schenkbelasting ook kan kijken naar de mogelijkheden om de
erf- en schenkbelasting te moderniseren, bijvoorbeeld door het introduceren van een
joker, en de rol die de erf- en schenkbelasting, alsmede regelingen zoals de bedrijfsopvolgingsregeling,
speelt bij vermogensongelijkheid. Kan de regering specifieker aangeven wanneer in
2020 kan het CBS nieuwe vermogensstatistieken inclusief pensioenaanspraken kan publiceren?
De leden van de D66-fractie vragen of er in het afgelopen jaar meer zicht is op welke
ondernemers wel of geen gebruik willen gaan maken van de nieuwe kleineondernemersregeling.
Hoe groot is de groep ondernemers die prestaties leveren aan aftrekgerechtigde ondernemers
met een omzet van minder van € 20.000?
De leden van de D66-fractie vragen om een toelichting over de huidige stand van zaken
omtrent de invloed van wet- en regelgeving zoals besproken bij de behandeling van
het Pakket Belastingplan 2019 op de draf- en rensport, inclusief op welke wijze de
draf- en rensport sinds deze behandeling verder is geconsulteerd.
De leden van de fractie van GroenLinks lezen bij de beantwoording van de feitelijke
vragen over de Miljoenennota 2020 dat bedrijven tussen 2010 en 2021 € 15,1 miljard
meer belasting zijn gaan betalen (beleidsmatig). Kan dit nader worden uitgesplitst
in type belastingen? Hoe ziet dit bedrag eruit als ook rekening wordt gehouden met
endogene effecten? En in totaal (beleidsmatig + endogeen)?
De leden van de fractie van GroenLinks lezen dat de uitsplitsing in belastingen tussen
huishoudens (– € 4,2 miljard) en bedrijven (+ € 5,2 miljard) lastig is en moet worden
gezien als een grove inschatting. Is deze inschatting (voor 2018–2021) extern gevalideerd,
bijvoorbeeld door het CPB?
De leden van de fractie van GroenLinks zijn het eens met de regering dat het de begrijpelijkheid
niet ten goede komt dat de regering en het CPB andere definities hanteren voor de
beleidsmatige lastenontwikkeling. Kan de regering toezeggen dat dit volgend jaar is
opgelost?
De leden van de fractie van GroenLinks danken de regering voor de tabel met de meest
actuele cijfers van de verzilveringsproblematiek (antwoord op vraag 44 bij feitelijke
vragen Miljoenennota 2020). Gaat het bij deze getallen om aantallen gebruikers of
om bedragen in euro’s? Wat is het totaalbedrag aan kortingen dat jaarlijks niet verzilverd
wordt? Gaat het bij het percentage om aantallen of om bedragen? Zou de tabel kunnen
worden aangevuld met aantallen/bedragen?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering om nader te omschrijven
hoe op dit moment belasting kan worden ontweken via box 2 van de inkomstenbelasting.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering een inschatting kan maken
van het aantal belastingplichtigen dat profiteert van het huidige box 3-stelsel, in
de zin dat ze nu minder belasting betalen dan ze zouden moeten betalen wanneer er
geheven zou worden op basis van gerealiseerd rendement. Om hoeveel belastingplichtigen
gaat het hier? Hoeveel belasting betalen zij nu minder dan ze zouden betalen als er
wel geheven kon worden op gerealiseerd rendement? Kan de regering meer feiten en cijfers
geven over deze groep, en dan met name over de top-10% die het meest profiteert van
het huidige box 3 stelsel?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering te reageren op de uitspraak
van directeur Laurens van de Noort (vereniging van particuliere beleggers Vastgoed
Belang, Telegraaf 21 sept 2019) dat grote woningbeleggers (zoals prins Bernhard) hun
bezittingen veelal hebben ondergebracht in een bv, dus dat zij geen last hebben van
de nieuwe box 3-maatregelen». Kan de regering aangeven op welke manier grote woningbeleggers
zwaarder belast gaan worden? Of is de regering van mening dat dergelijke grote beleggers
genoeg belasting betalen?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen of de regering in kaart kan brengen
op welke manieren artikel 67 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) zou
kunnen worden versoepeld. Kan de regering een inventarisatie maken van de (Europese)
landen waar veel meer informatie openbaar is over de belastingaangiften van (grote)
bedrijven? Kan de regering daarbij aangeven wat de voor- en tegenargumenten zijn om
een dergelijk transparant systeem in Nederland in te voeren?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of zij bekend is met de
website www.missingprofits.world. Wat is de visie van de regering op de cijfers die deze website presenteert? Hoe
kijkt de regering bijvoorbeeld aan tegen het feit dat Duitsland jaarlijks 20 miljard
euro aan belasting misloopt waarvan 25% door Nederland?
De leden van de fractie van GroenLinks vragen de regering of er al meetbare effecten
zijn voor het vestigingsklimaat nu de regering besloten heeft om de dividendbelasting
te behouden. Zo ja, welke? Zo nee, verwacht de regering deze nog wel? Wanneer?
De leden van de PvdA-fractie merken op dat het mogelijk is een (onterechte) voorlopige
IB-aanslag voor het volgend jaar aan te vragen. De betalingskorting is 4% op jaarbasis
en de vordering IB hoeft niet te worden opgegeven in box 3. Dit levert een rendement
op van ongeveer 3,5%. Zij vragen of dit nog gefaciliteerd moet worden en verzoeken
de betalingskortingsregeling aan te passen.
De leden van de PvdA-fractie constateren dat de plannen voor box 3 nog niet zijn uitgewerkt
en dus nog ontbreken. Zij achten het wenselijk dat plannen worden uitgedacht en uitgewerkt
alvorens deze publiek worden gemaakt. Zij zien een uitgebreide analyse en uitwerking
graag tegemoet.
Datzelfde geldt voor de overdrachtsbelasting met betrekking tot beleggers. Het lid
Nijboer heeft hier afgelopen jaar een amendement op ingediend, en de regering kondigde
aan dit alsnog over te nemen. Daar blijkt nu niets van terecht te zijn gekomen. De
leden van de PvdA-fractie zullen het amendement opnieuw indienen, en verzoeken de
regering een uitzondering voor onderlinge overdrachten tussen woningcorporaties daarbij
in te richten.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of het de regering bekend is dat belastingplichtigen
bij de levensloopregeling konden kiezen om te stoppen of door te gaan. Is het de regering
bekend dat veel deelnemers aan de levensloopregeling besloten hebben om door te gaan
met sparen? Is de regering bekend met de voorlichting die over dit onderwerp naar
de betrokken belastingplichtigen is gecommuniceerd?
Begrijpt de regering dat het destijds voor de deelnemers onmogelijk was om in te schatten
hoe de doorlopende levensloopregeling aan zou sluiten op de verhoogde AOW-leeftijd
en dat er daardoor bij veel mensen een mismatch is ontstaan tussen de AOW-leeftijd
en de levensloopregeling, zo vragen de leden van de 50PLUS-fractie.
De leden van de 50PLUS-fractie vragen of het klopt dat de regering in de voorlichting
aan betrokkenen nooit duidelijk heeft gemaakt dat het aangeboden fiscaal voordeel
bij «stoppen» op een bepaald moment zou verdwijnen. Deelt de regering de mening dat,
mede in het licht van de volatiele AOW-leeftijd, aan deze mensen nogmaals de kans
zou moeten worden geboden om gebruik te maken van de eerder aangeboden gunstige regeling
om te stoppen met de levensloopregeling? Indien nee, waarom niet?
De leden van de 50PLUS-fractie constateren dat volgens de sleuteltabel het 18 miljoen
euro kost om het heffingsvrij vermogen in box 3 met 1.000 euro te laten stijgen. Dit
bedrag kan niet lineair worden doorgetrokken en derhalve de vraag wat het zou kosten
om het heffingsvrij vermogen te verhogen naar 100.000 euro?
1. Is het mogelijk om een dergelijke verhoging van het heffingsvrij vermogen (naar 100.000
euro) alleen te laten gelden voor spaargeld? Wat zijn de budgettaire gevolgen van
deze maatregel?
2. Wat zou het opleveren voor de schatkist als het huidige heffingsvrije vermogen van
30.000 euro alleen van toepassing wordt op spaargeld en niet op andere vermogensbestanddelen
in box 3?
3. Wat zou het opleveren voor de schatkist, als het fictief rendement in de derde schijf
van box 3 wordt verhoogd met 1%?
4. Wat levert het op voor de schatkist als de vermogensgrens voor de derde schijf van
box 3 wordt verlaagd met 100.000 euro?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A. (Anne) Mulder, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
J.F.C. Freriks, adjunct-griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
---|---|---|
VVD | 32 | Voor |
CDA | 19 | Voor |
D66 | 19 | Voor |
PVV | 19 | Tegen |
GroenLinks | 14 | Voor |
SP | 14 | Tegen |
PvdA | 9 | Tegen |
ChristenUnie | 5 | Voor |
50PLUS | 4 | Tegen |
PvdD | 4 | Tegen |
DENK | 3 | Tegen |
SGP | 3 | Voor |
FVD | 2 | Tegen |
Van Haga | 1 | Voor |
Van Kooten-Arissen | 1 | Tegen |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.