Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
35 292 Wijziging van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie en de Warmtewet in verband met de implementatie van richtlijn 2018/2002/EU betreffende energie-efficiëntie
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
I. ALGEMEEN
1. Aanleiding en doel van het wetsvoorstel
Dit wetsvoorstel strekt tot implementatie van de richtlijn 2018/2002/EU van het Europees
Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot wijziging van de richtlijn 2012/27/EU
van het Europees Parlement en de Raad betreffende energie-efficiëntie (PbEU L328),
hierna te noemen: de wijzigingsrichtlijn. De wijzigingsrichtlijn wijzigt de richtlijn
2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie,
tot wijziging van richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van
de richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG, hierna te noemen: de richtlijn. De wijzigingsrichtlijn
dient uiterlijk 25 juni 2020 volledig geïmplementeerd te zijn in Nederlandse wet-
en regelgeving of door middel van feitelijk handelen. Deze wijzigingsrichtlijn is
alleen van toepassing op het grondgebied van Nederland binnen de Europese Unie en
heeft geen gevolgen voor Bonaire, Sint Eustatius en Saba.
Doel van de wijzigingsrichtlijn is het behalen van het Europese streefdoel van 32,5%
energiebesparing op het energieverbruik in 2030 ten opzichte van 2005. Energiebesparing
is, naast de productie van duurzame energie, een belangrijke pijler voor de verduurzaming
van de energievoorziening en is voor de Europese Commissie een centraal element in
de toekomstige besluitvorming over investeringen in de Europese energie-infrastructuur.
In lijn met de toezeggingen die de Europese Unie heeft gedaan in het kader van het
VN-klimaatakkoord draagt het verbeteren van de energie-efficiëntie in de hele energieketen
onder andere bij aan het milieu, de luchtkwaliteit, de volksgezondheid, de afname
van broeikasgasemissies en het doen dalen van de energiekosten voor huishoudens en
ondernemingen binnen de Europese Unie. De wijzigingsrichtlijn schrijft derhalve maatregelen
voor om het energieverbruik van overheid, burgers en bedrijven terug te dringen.
Zo worden lidstaten verplicht om van 2021 tot en met 2030 jaarlijks 0,8% energie-efficiëntie
verbetering bij eindgebruikers te realiseren. Dit kan via een verplichtingensysteem,
maar een lidstaat kan er ook voor kiezen deze besparingen op een andere wijze te realiseren.
Voor de onderhandeling van deze wijzigingsrichtlijn heeft het Ministerie van Economische
Zaken en Klimaat onderzoek laten uitvoeren naar de gevolgen van de voorgestelde wijzigingsrichtlijn
door Energieonderzoek Centrum Nederland (ECN) en Planbureau voor de Leefomgeving (PBL).
De belangrijkste bevindingen van het onderzoek van ECN zijn weergegeven in een Kabinetsreactie
op onderzoek van ECN over de herziening Europese richtlijn energie-efficiëntie.1
De wijzigingsrichtlijn bevat eisen met betrekking tot energiemeters voor verwarming,
koeling of warm water voor huishoudelijk gebruik, hierna te noemen: warmte en koude.
Bijvoorbeeld de uitrol van op afstand uitleesbare meters voor warmte en koude, zodat
consumenten accurate, betrouwbare, duidelijke en tijdige informatie over hun energieverbruik
krijgen. Indien de plaatsing van op afstand uitleesbare meters technisch niet haalbaar
of niet kosteneffectief is, dan kan hier door middel van vastgestelde regels van afgeweken
worden. Ook wordt in de wijzigingsrichtlijn verduidelijkt dat consumenten die vanuit
een centraal punt (bijvoorbeeld in appartementengebouwen) warmte en/of koude geleverd
krijgen, verbruiksinformatie moeten ontvangen, zodat zij gestimuleerd worden tot een
efficiënt verbruik. De artikelen in de richtlijn met betrekking tot energiemeters
voor gas en elektriciteit worden inhoudelijk niet gewijzigd.
De wijzigingsrichtlijn kent bepalingen over facturering en informatieverstrekking
voor warmte en koude. De wijzigingsrichtlijn verduidelijkt de rechten in verband met
facturering en facturerings- of verbruiksinformatie van consumenten die vanuit een
centrale bron (bijvoorbeeld in appartementengebouwen) warmte en koude geleverd krijgen.
Deze groep consumenten wordt «eindgebruikers» genoemd naast de bestaande term «eindafnemer».
Verduidelijkt wordt dat ook eindgebruikers verbruiksinformatie moeten ontvangen, zodat
zij gestimuleerd worden tot een efficiënt verbruik.
Tot slot bevat de wijzigingsrichtlijn verplichtingen om energie-efficiëntie te betrekken
bij de regulering van het transport van energie.
In paragraaf 2 wordt nader ingegaan op de wijzigingen van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie en de Warmtewet, zoals deze worden voorzien in onderhavig wetsvoorstel.
De Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie ziet op alle verbruikers van
koude en grootverbruikers van warmte en de Warmtewet ziet op kleinverbruikers van
warmte. Kleinverbruikers van warmte zijn verbruikers met een aansluiting van maximaal
100 kilowatt en verbruikers met een centrale aansluiting van meer dan 100 kilowatt
die tevens optreden als verhuurder voor een verbruiker met een individuele aansluiting
van minder dan 100 kilowatt of een Vereniging van Eigenaren (of een daar aan vergelijkbare
rechtsvorm, zoals de coöperatieve vereniging) waarbij een verbruiker met een individuele
aansluiting van minder dan 100 kilowatt is aangesloten. Grootverbruikers van warmte
zijn verbruikers die buiten de reikwijdte van de Warmtewet vallen. Veel van de aanpassingen
van de wijzigingsrichtlijn zijn niet in voorliggend wetsvoorstel opgenomen omdat deze
reeds in Nederland zijn geïmplementeerd of omdat daaraan kan worden voldaan door ingezet
of nog te ontwikkelen beleid. Dit wordt in paragraaf 3 op hoofdlijnen uiteengezet.
In paragraaf 4 wordt ingegaan op de gevolgen van het wetsvoorstel voor de regeldruk.
Tot slot wordt in paragraaf 5 ingegaan op de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel
en de handhaving.
2. Inhoud implementatiewetsvoorstel wijzigingsrichtlijn
In deze paragraaf worden de belangrijkste aspecten uit onderhavig wetsvoorstel ter
implementatie van de wijzigingsrichtlijn uiteengezet.
2.1 Meten van warmte en koude
In de wijzigingsrichtlijn zijn drie nieuwe artikelen opgenomen, artikelen 9bis, 9ter
en 9quater, met betrekking tot de meting van warmte en koude. Een belangrijk deel
van deze tekst staat reeds in het oorspronkelijke artikel 9 van de richtlijn. In artikel
9bis staat de algemene meetverplichting voor de levering van warmte en koude, zodat
eindgebruikers op basis van meters verbruiksinformatie ontvangen. In tegenstelling
tot artikel 9, eerste lid, van de richtlijn bevat artikel 9bis geen voorwaarden. Verder
hoeven meters geen informatie meer te geven over het werkelijke tijdstip van het verbruik,
ze moeten nog wel het daadwerkelijke energieverbruik nauwkeurig weergeven.
Als de levering van koude samenhangt met de levering van warmte door middel van een
bodem-energiesysteem (Warmte-Koude Opslag: WKO) en nodig om de warmtebalans in de
bodem te waarborgen kan dit worden uitgezonderd van de meetverplichting. De koudelevering
in de zomer is noodzakelijk voor het toevoegen van warmte aan de bodem, welke in de
winter weer gebruikt wordt voor het verwarmen van de woningen, en daarmee de warmtebalans.
De afwisselende koude- en warmtelevering is essentieel voor het technisch functioneren
van het systeem. Het meten van de levering van koude zal in deze situaties in het
algemeen niet tot energiebesparing leiden.
Artikel 9ter van de richtlijn bevat voorschriften over het installeren van individuele
meters en warmtekostenverdelers. Indien de plaatsing van op afstand uitleesbare meters
technisch niet haalbaar of niet kosteneffectief is, dan kan hier door middel van vastgestelde
regels van afgeweken worden. In de Warmtewet en de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie zijn deze voorschriften reeds opgenomen voor het meten van warmte
en koude. Ter verduidelijking van de bestaande verplichtingen staat in artikel 9ter,
eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn dat de lidstaten algemene criteria, werkwijzen
of procedures opstellen aan de hand waarvan kan worden bepaald dat de installatie
van een meter of warmtekostenverdeler technisch haalbaar en kosteneffectief is. Het
voorstel is om in dit wetsvoorstel op hoofdlijnen uit te werken wanneer deze installatie
technisch haalbaar en kosteneffectief is. In lagere regelgeving worden specifieker
eisen gesteld.
Ook gaat artikel 9ter van de richtlijn over de kostenverdeling in appartementen en
in multifunctionele gebouwen. Hierin is een nieuwe verplichting opgenomen voor lidstaten
om transparante en accurate berekeningen van het individuele verbruik mogelijk te
maken door hierover regels te stellen. Indien in bestaande gebouwen installatie van
meters of warmtekostenverdelers niet kostenefficiënt is kunnen alternatieve methoden
voor de meting van het warmtegebruik worden overwogen. De leverancier brengt dan met
behulp van een warmtekostenverdeelsystematiek, aan de verbruiker de redelijke kosten
in rekening. In artikel 8a van de Warmtewet is deze verplichting al geïmplementeerd
en geldt de NEN-norm 7440 voor warmtekostenverdeling. De reikwijdte van de Warmtewet
is echter beperkt tot kleinverbruikers. Voorgesteld wordt voor het meten en de kostenverdeling
van koude en grootverbruikers van warmte om aan te sluiten bij de wijze van kostenverdeling
in de Warmtewet.
2.2 Op afstand uitleesbare meters voor warmte en koude
De op afstand uitleesbare meetinrichting maakt het mogelijk om frequent informatie
te verstrekken over het verbruik aan de gebruiker. Op afstand uitleesbare meetinrichtingen
voor warmte en koude registreren het actuele verbruik en kunnen de gegevens versturen
naar de warmte-/ koude leverancier of de meterleverancier. De actuele informatie is
zichtbaar voor de verbruiker, tevens kan op de «consumentenpoort» een energiemanagementsysteem
worden aangesloten door de verbruiker of door een dienstverlener.
In artikel 10, tweede lid, onderdeel d, van de richtlijn is opgenomen dat lidstaten
de cyberbeveiliging bevorderen en de privacy en gegevens van eindgebruikers beschermen.
In dit wetsvoorstel wordt geregeld dat een op afstand uitleesbare meetinrichting voor
warmte en koude aan dezelfde beveiligingseisen moet voldoen als een op afstand uitleesbare
meetinrichting van elektriciteit en gas. De beveiliging van de meetgegevens die op
personen betrekking hebben is vastgelegd in de Verordening (EU) 2016/679 van het Europees
Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke
personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije
verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening
gegevensbescherming) (PbEU 2016, L 119) (hierna: AVG). Hiermee zijn ook de leveranciers
gebonden aan de AVG. Indien een eindgebruiker beschikt over een op afstand uitleesbare
warmtekostenverdeler die op de radiators in het leidingnet zijn bevestigd, zijn de
volgende normen van toepassing: NEN 7441, NEN 7340 en NEN 834. De gegevens kunnen
periodiek, radiografisch, van afstand worden uitgelezen door de leverancier of een
meetbedrijf. De gegevens zijn beveiligd door encryptie.
In alle gevallen kan een eindafnemer de beheerder van het net verzoeken om de op afstand
uitleesbare meter niet op afstand uit te lezen. In die situatie kan de verbruiker
het verbruik zelf doorgeven aan de leverancier. Bij een warmtekostenverdeler moet
de stand periodiek worden opgenomen door de leverancier of het meetbedrijf.
Een van de doelen van de wijzigingsrichtlijn is het verbeteren van de positie van
verbruikers van warmte en koude door een betere en frequente feedback over hun verbruik,
onder meer door gebruik te maken van technologische vooruitgang. Hiertoe bevat de
wijzigingsrichtlijn de nieuwe verplichting om het gebruik van op afstand uitleesbare
meetinrichtingen te bevorderen. In artikel 9quater van de richtlijn staat dat na 25 oktober
2020 alle nieuw geïnstalleerde warmte- en koudemeters op afstand uitleesbaar moeten
zijn. Daarnaast moeten alle warmte- en koudemeters die niet op afstand uitleesbaar
zijn uiterlijk op 1 januari 2027 vervangen of aangepast worden zodat het op afstand
uitleesbare meters zijn, tenzij dit niet kostenefficiënt is. De Commissie stelt deze
verplichting zodat alle verbruikers kunnen profiteren van de voordelen van deze meetinrichtingen.
Het zorgt voor een kostenefficiënte en frequente verstrekking van informatie over
het verbruik en verbruikers hoeven voor het aflezen van deze meetinrichtingen niet
thuis te zijn. De verplichting geldt vanaf 2027 voor al deze meetinrichtingen omdat
hiermee het risico op verzonken kosten wordt geminimaliseerd aangezien meetinrichtingen
over het algemeen binnen deze tijd worden vervangen vanwege technische redenen. De
richtlijn biedt geen ruimte voor een nadere afweging rond het plaatsen van het op
afstand uitleesbare meters. Voor een uitgebreidere toelichting op artikel 9quater
wordt verwezen naar het artikelsgewijze deel van de toelichting bij artikel I, onderdeel
B, en artikel II, onderdeel B, met betrekking tot artikel 9quater.
2.3 Factureren en verbruiksinformatie van warmte en koude
In artikel 10bis en bijlage VIIbis van de richtlijn zijn eisen opgenomen met betrekking
tot de factuur- en de verbruiksinformatie voor de eindgebruiker waaronder de frequentie
waarop deze moet worden verstrekt. Een deel van deze eisen is al geïmplementeerd in
het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie op grond van
artikel 6, eerste lid, jo. artikelen 4 en 5 van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie en artikel 8b van de Warmtewet. Waar nieuwe of aanvullende eisen
worden gesteld zullen deze eveneens worden geïmplementeerd in het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
In bijlage VIIbis, tweede lid, van de richtlijn worden nieuwe eisen gesteld omtrent
de frequentie van factureringsinformatie en verbruiksinformatie. In de huidige bijlage
VII, onderdeel 1.1, van de richtlijn staat al dat eindafnemers ten minste eenmaal
per jaar een factuur ontvangen en dat de verbruiksinformatie ieder kwartaal beschikbaar
wordt gesteld indien de eindafnemer dat vraagt en bij elektronische facturering, en
anders in elk geval tweemaal per jaar. Deze frequentie blijft van kracht tot 25 oktober
2020. Wanneer op afstand leesbare meters of warmtekostenverdelers zijn geïnstalleerd,
moet vanaf 25 oktober 2020 minstens elk kwartaal informatie worden verstrekt op basis
van het werkelijke verbruik of de meetgegevens van warmtekostenverdelers. Vanaf 1 januari
2022 gaat deze frequentie omhoog naar maandelijks. Verwarming en koeling kunnen van
dit voorschrift worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.
Een nieuwe eis uit bijlage VIIbis, derde lid, van de richtlijn is onder andere dat
de eindgebruiker als minimuminformatie bij de factuur informatie krijgt over de gebruikte
brandstofmix en de bijbehorende jaarlijkse uitstoot van broeikasgassen. Deze verplichting
kan worden beperkt tot warmtenetten met meer dan 20 MW levering aan de gebouwde omgeving.
In artikel 12, derde lid, onderdeel c, van de Warmtewet is de verplichting voor de
leveranciers opgenomen om over de duurzaamheid van de geleverde warmte te rapporteren
in het bestuursverslag. Deze verplichting gaat in per 1 januari 2020 en geldt voor
de vergunninghouders van de grotere warmtenetten. Het bestuursverslag vormt de basis
voor de informatie die aan de verbruikers over de duurzaamheid zal worden geleverd.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat zal een format opstellen zodat de informatie
over duurzaamheid uit het bestuursverslag transparant ter beschikking kan worden gesteld
aan verbruikers. Deze informatie over de duurzaamheid wordt door de leverancier bijgevoegd
bij de factuur of als link naar de website van de leverancier. Het rapportageformat
zal worden gepubliceerd op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland
(hierna: RVO.nl). Met deze eis wordt invulling gegeven aan de eisen over de brandstofmix,
zoals opgenomen in bijlage VIIbis en artikel 24 van de richtlijn. Met het Besluit
factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie wordt deze verplichting
ook van kracht voor de warmteleveranciers aan grootverbruikers van warmte.
Daarnaast kan de eindgebruiker de meter zelf aflezen, behalve wanneer het verbruik
wordt vastgesteld met individuele meters op basis van warmtekostenverdelers. Alleen
indien de eindafnemer of eindgebruiker voor een bepaalde factureringsperiode geen
metergegevens heeft verstrekt, wordt de facturering gebaseerd op het geschatte verbruik.
Verder hoeft volgens de richtlijn de bij de factuur geleverde informatie niet als
betalingsverzoek te worden beschouwd. In dat geval moeten er flexibele regelingen
voor feitelijke betaling worden aangeboden. Dit voorschrift sluit aan bij de Nederlandse
praktijk, waarbij afnemers maandelijks een overwegend gelijkmatig voorschot betalen
en de eindafrekening jaarlijks achteraf plaatsvindt op basis van daadwerkelijk verbruik.
Voorgesteld wordt om de persoon die het contract met de leverancier heeft afgesloten,
verantwoordelijk te maken voor het verstrekken van de in artikel 10bis leden 1 en
2 bedoelde informatie bij de factuur, onder meer informatie over klachtenprocedures,
en verbruiksinformatie aan de eindgebruikers die geen rechtstreekse of individuele
overeenkomst met een energieleverancier hebben. Dit geldt bijvoorbeeld voor verhuurders
of Verenigingen van Eigenaren die met een collectieve aansluiting warmte of koude
afnemen van een warmteleverancier en deze doorleveren aan eindgebruikers.
2.4 Kosten van toegang tot informatie van warmte en koude
Artikel 11bis van de richtlijn gaat over de kosten voor de eindgebruiker voor toegang
tot zijn facturen, factureringsinformatie en zijn verbruiksgegevens met betrekking
tot warmte en koude. In het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie is geregeld dat in geval van warmte- of koudelevering aan appartementengebouwen
en multifunctionele gebouwen de leverancier van warmte of koude geen kosten berekent
voor de facturering van individueel verbruik. De leverancier van desbetreffende appartementengebouwen
en multifunctionele gebouwen kan conform de huidige bepalingen van de Warmtewet onverminderd
het meettarief in rekening blijven brengen ter dekking van de kosten voor het beheer
en onderhoud van de warmtemeter of warmtekostenverdelers/kostenverdeling. Op grond
van artikel 11bis, tweede lid, van de richtlijn kunnen deze kosten alleen aan individuele
verbruikers kunnen worden toegerekend indien deze kostenberekening wordt uitbesteed
aan een derde partij. Op deze wijze wordt beoogd dat de warmtekostenverdeling, het
meten, verdelen en berekenen van het daadwerkelijke individuele verbruik in zulke
gebouwen doelmatig wordt uitgevoerd. Daarmee wordt voorkomen dat een leverancier kiest
voor een minder optimale wijze van kostenverdeling vanwege de uitvoeringskosten. Dit
geldt voor alle eindgebruikers, ongeacht of zij een rechtstreekse of individuele overeenkomst
met de energieleverancier hebben. Nederland neemt geen aanvullende maatregelen om
de concurrentie te stimuleren zodat de kosten voor individuele bemeteringsdiensten
redelijk blijven, aangezien de huidige Nederlandse maatregelen hiervoor volstaan,
waaronder het toezicht van de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) op de maximale
huurprijs.
3. Overige aspecten wijzigingsrichtlijn
De wijzigingsrichtlijn bevat een aantal wijzigingen van de richtlijn die (thans) geen
implementatie in wetgeving behoeven en derhalve ook niet in voorliggend wetsvoorstel
zijn opgenomen. Dit kan zijn omdat voorschriften zich richten tot uitsluitend een
lidstaat of tot de Europese Commissie. Hierbij valt vooral te denken aan onderzoeks-
en rapportageverplichtingen. Ook kan implementatie in wet- en regelgeving van voorschriften
uit de wijzigingsrichtlijn soms achterwege blijven omdat de bestaande regelgeving
daar al in voorziet. Tot slot kan aan een aantal voorschriften worden voldaan door
ingezet of nog te ontwikkelen beleid. In deze paragraaf wordt hierop op hoofdlijnen
nader ingegaan.
In dit wetsvoorstel is ten opzichte van het vaststaand kabinetsbeleid geen aanvullend
nationaal beleid opgenomen. Wel bevat de wijzigingsrichtlijn een aantal keuzes en
alternatieven. Hieronder wordt toegelicht op welke punten de wijzigingsrichtlijn beleidskeuzes
biedt en op welke manier wordt voorgesteld hiermee om te gaan.
3.1 Verplichting inzake energiebesparingen
Artikel 7 van de richtlijn bevat een nieuwe verplichting om energie te besparen. In
de periode 2021 tot en met 2030 dient elk jaar 0,8% van het gemiddelde eindverbruik
in de jaren 2016 t/m 2018 te worden bespaard. De wijzigingsrichtlijn schrijft voor
dat deze verplichting moet worden gerealiseerd met behulp van een verplichtingsregeling
voor energie-efficiëntie en/of met behulp van alternatieve beleidsmaatregelen van
de overheid. Nederland kiest ervoor om met behulp van alternatieve beleidsmaatregelen
aan de besparingsverplichting te voldoen. In de jaarverslagen over de energie-efficiëntie
richtlijnen (vanaf 2023 tweejaarlijks) wordt de gerealiseerde besparingen gerapporteerd
aan de Europese Commissie. Lidstaten zijn vrij in het kiezen van beleidsmaatregelen,
zolang deze tot additionele en verifieerbare besparingen leiden (conform de eisen
die de richtlijn in Bijlage V daaraan stelt).
Binnen de onderhandelingen voor het Klimaatakkoord is nog geen definitieve overeenstemming
bereikt over het maatregelenpakket om de Nederlandse broeikasgasemissies in 2030 met
49% te reduceren. Eventuele nieuwe energie-efficiëntiemaatregelen zullen waar nodig
in aparte wetgeving opgenomen worden. Van een aantal beleidsmaatregelen is reeds bekend
dat deze na 2020 gecontinueerd worden:
– Invoering Omgevingswet als opvolger van de Wet Milieubeheer, met de verplichting voor
bedrijven met een verbruik van meer dan 25.000 m3 aardgasequivalent per jaar en/of 50.000 kWh elektriciteit per jaar om alle energiebesparingsmaatregelen
te treffen met een terugverdientijd van kleiner of gelijk aan 5 jaar.
– Energiebelasting: heffing op het verbruik van elektriciteit en gas binnen alle sectoren.
– Energie-investeringsaftrek: doorlopende fiscale regeling voor belastingaftrek van
investeringen in energie-efficiëntie.
De wijzigingsrichtlijn maakt het mogelijk om maatregelen ter verbetering van de energie-efficiëntie
in diverse sectoren (onder andere vervoer en (afval)water) mee te laten rekenen voor
het vervullen van het energie-efficiëntiedoel, als deze voldoen aan de eisen van de
wijzigingsrichtlijn ten aanzien van additionaliteit en verifieerbare besparing opleveren.
Hierdoor kunnen ook beleidsmaatregelen in de verkeer- en vervoerssector worden meegerekend
voor het vervullen van het energie-efficiëntiedoel (zoals de verlaging van de wegenbelasting
voor volledig elektrische auto’s).
Omdat er nog geen definitieve overeenstemming is bereikt over het maatregelenpakket
zijn de genoemde maatregelen indicatief en geven geen compleet beeld van de maatregelen
waarvan de besparingen zullen worden gemonitord en geclaimd. Wanneer het maatregelenpakket
definitief is wordt dit genotificeerd in het definitieve Integraal Nationaal Energie-
en Klimaatplan (INEK) die in het najaar aan de Tweede Kamer zal worden voorgelegd
overeenkomstig artikel 3, vijfde lid, van de richtlijn zodat deze eind 2019 naar de
Europese Commissie kan worden verstuurd.
3.2 Financiering van energie-efficiëntie
Artikel 20 van de richtlijn kent verschillende bepalingen over de ondersteuning van
investeringen in energie-efficiëntie. Investeringen in energie-efficiëntie worden
gefaciliteerd. De Europese Commissie zal in dialoog gaan met publieke en particuliere
financiële instellingen om in kaart te brengen welke acties zij eventueel kunnen ondernemen
om particuliere financiering voor energie-efficiëntiemaatregelen en energierenovaties
aan te boren. Nederland stimuleert actief de beschikbaarstelling van financiering
voor energiebesparing in woningen via publiek-private fondsen. Een bekend voorbeeld
is het Nationaal Energiebespaarfonds (NEF) dat met geld van de rijksoverheid en banken
leningen verstrekt aan eigenaar-bewoners en verenigingen van eigenaren. Sinds kort
participeert ook de Council of Europe Development Bank in het NEF.
De verplichtingen en monitoring daarop volgen uit het INEK en het nader af te sluiten
Klimaatakkoord. De Europese Commissie verschaft uiterlijk op 1 januari 2020 richtsnoeren
aan de lidstaten over het aanboren van particulieren investeringen (artikel 20, lid
3quinquies).
3.3 Op afstand uitleesbare meters
In overweging 33 van de wijzigingsrichtlijn staat dat de lidstaten moeten communiceren
of zij «walk-by/drive-by» technologie zullen kwalificeren als «op afstand uitleesbaar».
Nederland beschouwt apparatuur die met draagbare of in voertuigen gemonteerde technologieën
kan worden gelezen als op afstand leesbaar. Voor het lezen van op afstand leesbare
apparatuur is geen toegang tot afzonderlijke appartementen of eenheden nodig.
3.4 Handhaving
Op grond van artikel 13 van de richtlijn moeten lidstaten bepalen welke sancties van
toepassing zijn indien de krachtens artikelen 7 tot en met 11 van de richtlijn vastgestelde
nationale bepalingen niet worden nagekomen. Ondanks dat deze artikelen uit de richtlijn
zijn aangepast behoeft dit punt geen andere implementatie. Ook voor de gewijzigde
nationale bepalingen geldt dat de handhaving is geregeld in artikelen 19, 21 en 22
van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie en in artikelen 15 tot
en met 18 van de Warmtewet. In beide gevallen is de ACM de toezichthouder. De ACM
kan bij een overtreding een last onder dwangsom opleggen of een bestuurlijke boete
opleggen van ten hoogste € 900.000 of, indien dat meer is, 1% van de omzet van de
overtreder. Deze boete kan bij een eerdere overtreding in een tijdvak van vijf jaar
worden verhoogd met 100%.
4. Regeldruk
Dit wetsvoorstel betreft de implementatie van de gewijzigde richtlijn betreffende
energie-efficiëntie in de Nederlandse wetgeving. De gewijzigde richtlijn wordt middels
wijzigingen in de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie en de Warmtewet
geïmplementeerd. Deze wijzigingen omvatten grotendeels exacte implementatie van de
richtlijn.
De richtlijn kent op een aantal punten ook nationale beleidsruimte, namelijk in artikel
7, 10bis, 11bis en bijlage VIIbis tweede en derde lid. Deze afwegingsruimte is zo
lastenluw mogelijk ingericht.
Artikel 7 van de richtlijn omvat verplichtingen inzake energiebesparingen. In de periode
2021 tot en met 2030 dient elk jaar 0,8% van het gemiddelde eindverbruik in de jaren
2016 tot en met 2018 te worden bespaard. Lid 10 bevat beleidsruimte, namelijk de mogelijkheid
om te kiezen voor een verplichtingsregeling voor energie-efficiëntie of alternatieve
beleidsmaatregelen. Nederland kiest ervoor om, net als voorheen, met behulp van alternatieve
beleidsmaatregelen aan de besparingsverplichting te voldoen. Van de beleidsmaatregelen
waarvan reeds bekend is dat deze na 2020 worden gecontinueerd, is de regeldruk in
deze beleidsmaatregelen berekend. Binnen de onderhandelingen voor het Klimaatakkoord
is nog geen overeenstemming bereikt over het maatregelenpakket om de Nederlandse de
broeikasgasemissies in 2030 met 49% te reduceren. Eventuele nieuwe energie-efficiëntiemaatregelen
zullen waar nodig in aparte wetgeving opgenomen worden, waar regeldruk onderdeel van
uitmaakt. Het overige deel van de implementatie van artikel 7 in Nederlandse wetgeving
sluit exact aan op de richtlijn.
Artikel 10bis van de richtlijn omvat verplichtingen inzake facturering en verbruiksinformatie
betreffende verwarming, koeling en warm water voor huishoudelijk gebruik. Artikel
10bis omvat drie afwegingen voor lidstaten om op nationaal niveau verder in te vullen.
Artikel 10bis, eerste lid, tweede alinea, geeft lidstaten de keuze om toe te staan
dat de eindgebruiker, behalve wanneer het verbruik wordt vastgesteld met individuele
meters op basis van warmtekostenverdelers, de meter zelf mag aflezen. In dat geval
heeft de lidstaat de keuze om, indien de eindgebruiker geen meetgegevens heeft verstrekt,
de factuur te baseren op het geschatte verbruik of op een vast tarief. Deze mogelijkheid
bestaat reeds in Nederlandse wet- en regelgeving, waarbij is gekozen voor het geschatte
verbruik. Artikel 10bis, tweede lid, tweede alinea omvat de mogelijkheid om te bepalen
dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur gevoegde informatie niet als
een betalingsverzoek mag worden beschouwd. In dat geval zorgt de lidstaat ervoor dat
flexibele regelingen voor de werkelijke betaling worden aangeboden. Deze mogelijkheid
bestaat reeds in Nederlandse wet- en regelgeving. Artikel 10bis, derde lid, omvat
de keuze voor wie verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie aan eindgebruikers
die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst hebben met een energieleverancier.
Deze verantwoordelijke zal een verhoging van regeldruk ervaren. Nederland kiest als
verantwoordelijke voor de persoon die het contract met de leverancier heeft afgesloten,
aangezien dit in de praktijk de meest voor de hand liggende optie is en op deze manier
de implementatie van dit artikel zo lastenluw kan worden ingericht. Deze keuze zal
worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Artikel 11bis, derde lid, bevat de mogelijkheid om aanvullende maatregelen om de concurrentie
te stimuleren zodat de kosten voor individuele bemeteringsdiensten redelijk blijven.
Nederland kiest ervoor om hiervan geen gebruik te maken, aangezien de huidige Nederlandse
maatregelen hiervoor volstaan.
In bijlage VIIbis, tweede lid, van de richtlijn worden nieuwe eisen gesteld omtrent
de frequentie van factureringsinformatie en verbruiksinformatie. Vanaf 1 januari 2022
gaat deze frequentie omhoog van ten minste eenmaal per jaar naar maandelijks, indien
het verbruik op afstand kan worden uitgelezen. Deze frequentieverhoging houdt een
beperkte lastenverzwaring voor bedrijven in. Bijlage VIIbis, tweede lid, bevat de
keuze om warmte en koude uit te sluiten van dit voorschrift buiten het verwarmings-
en koelingsseizoen. Nederland laat deze keuze nog open, om onder meer nader te bezien
of het uitsluiten een regeldrukverlagend effect kan hebben. Momenteel is daar nog
geen compleet beeld van.
Tot slot bevat bijlage VIIbis, derde lid, de keuze om het toepassingsgebied van de
verplichting om informatie over broeikasgasemissies te verstrekken te beperken tot
uitsluitend leveringen uit stadsverwarmingssystemen met een totaal nominaal thermisch
ingangsvermogen van meer dan 20 MW. Nederland wil van deze mogelijkheid gebruik maken,
aangesloten wordt bij de in de Warmtewet opgenomen verplichting voor vergunninghouders,
om over de duurzaamheid van de geleverde warmte te rapporteren in het bestuursverslag.
Daardoor zijn de kleine warmteleveranciers uitgesloten hetgeen een regeldrukverlagend
effect geeft.
De overige bepalingen bevatten geen nationale beleidsruimte en sluit de implementatie
van de gewijzigde richtlijn exact aan op Nederlandse wet- en regelgeving met deze
wetswijzigingen en verdere implementatie in nader op te stellen regelgeving en wijzigingen
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie. De regeldruk
van de gehele implementatie zonder nationale beleidsruimte hangt in grote mate af
van de nader op te stellen regelgeving. De implementatie bevat onder meer de verplichting
voor de uitrol van op afstand leesbare meters en kostenverdelers en bepalingen voor
informatievoorziening voor het gebruik van warmte en koude. De regeldruk hiervan hangt
af van de nader af te bakenen definities van technische haalbaarheid en kostenefficiëntie.
De verhoging van de regeldruk komt te liggen bij de bedrijven, onder meer voor de
uitrol van op afstand uitleesbare meters en informatievoorziening en kennismakingskosten
van de nieuwe wet- en regelgeving. Voor burgers en rijksoverheid treedt geen verhoging
van de regeldruk op. Voor een kwantitatieve inschatting van de regeldruk kan worden
aangesloten bij de berekende regeldruk door SIRA Consulting in 2015 bij de implementatie
van de richtlijn en bij het onderzoek van de implementatie van de richtlijn bij het
onderzoek van SIRA Consulting bij inwerkingtreding voor het Besluit factuur, verbruiks-
en kostenoverzicht energie. Een grove schatting zou dan een regeldruk voor bedrijven
bedragen van ongeveer 750.000 euro en bevat nog een zeer grote bandbreedte. Bij het
opstellen van regelgeving zal de regeldruk nader exact worden berekend.
5. Uitvoerbaarheid en handhaving
De voorgenomen wijzigingen zijn voorgelegd aan de ACM voor een uitvoerbaarheids- en
handhaafbaarheidstoets. De ACM komt tot de conclusie dat dit wetsvoorstel uitvoerbaar
en handhaafbaar is en niet leidt tot een capaciteitsvraag bij de ACM. Het advies van
de ACM om in het wetsvoorstel aan te sluiten bij de definitie van warmte uit de Warmtewet
per 1 juli 2019 is overgenomen.
II. ARTIKELEN
Artikel I
Onderdeel A
De definitie van het begrip warmte is aangepast overeenkomstig de definitie van warmte
in de Warmtewet. De Warmtewet heeft betrekking op kleinverbruikers van warmte en de
Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie op grootverbruikers van warmte.
Omdat deze wetten elkaar in dit opzicht aanvullen is het van belang dat in beide eenzelfde
definitie van warmte is opgenomen.
Deze definitie verduidelijkt dat warmte van toepassing is op de levering van water
ten behoeve ruimteverwarming en de verwarming van tapwater. Het gaat daarbij om de
thermische energie van water. Dit heeft tot gevolg dat de temperatuur van het water
dat wordt geleverd niet relevant is, slechts dat het water geleverd wordt met het
doel van verwarming. Onder deze definitie valt ook koud water als onderdeel van een
Warmte Koude Opslag (WKO) systeem. In dat geval is levering van koude noodzakelijk
om het systeem goed de laten functioneren en is de levering van koude onlosmakelijk
verbonden met de levering van warmte.
Onderdeel B
Artikel 2 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie heeft betrekking
op meetinrichtingen voor de levering van koude. In artikel 9bis van de wijzigingsrichtlijn
staat de algemene meetverplichting voor de levering van warmte en koude. In artikel
9, eerste lid, van de richtlijn staat dat eindafnemers de beschikking krijgen over
meters indien dit technisch mogelijk en financieel redelijk is. In artikel 9bis, eerste
lid, van de wijzigingsrichtlijn is dit aangepast. Eindafnemers krijgen altijd een
meter ter beschikking gesteld, behalve indien het gaat om appartementsgebouwen en
multifunctionele gebouwen zoals bedoeld in artikel 9ter, eerste lid, van de richtlijn.
Artikel 9bis is geïmplementeerd in artikel 2, eerste, tweede en zevende lid, van de
Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Omdat er overlap is tussen het
tweede, onderdeel a, en het zesde lid, is het zesde lid zodat dit lid enkel ziet op
afstand uitleesbare meetinrichtingen.
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
kan een eindafnemer een op afstand uitleesbare meter weigeren en wordt een niet op
afstand uitleesbare meter ter beschikking gesteld. Artikel 9quater, eerste lid, van
de richtlijn verplicht dat meters voor warmte en koude en warmtekostenverdelers die
na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd op afstand uitleesbare meetinrichtingen zijn.
Hierbij wordt niet beoordeeld of dit technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Wel
kan bij de beoordeling, uit artikel 9ter, eerste lid, geïmplementeerd in artikel 2,
achtste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, of het technisch
haalbaar en kostenefficiënt is om een meter ter beschikking te stellen worden meegewogen
dat vanaf 25 oktober 2020 deze meter een op afstand uitleesbare meter moet zijn. Daarnaast
verplicht artikel 9quater, tweede lid, dat vanaf 1 januari 2027 alle meters en warmtekostenverdelers
op afstand uitleesbaar zijn. In alle gevallen kan een eindafnemer overeenkomstig artikel
2, vijfde lid, de beheerder van een koudenet verzoeken om de op afstand uitleesbare
meter niet op afstand uit te lezen. Omdat er op dit moment, en dus ook nog tot 25 oktober
2020, meters worden geïnstalleerd die niet op afstand uitleesbaar zijn, wordt de verplichting
uit artikel 9quater, eerste lid, opgenomen in een nieuw vierde lid van artikel 2 die
het huidige vierde lid opvolgt. De situatie vanaf 1 januari 2027 wordt opgenomen in
artikel I, onderdeel F, dat betrekking heeft op nieuw artikel 39a van de Wet implementatie
EU-richtlijnen energie-efficiëntie dat artikel 2, vierde lid, nogmaals wijzigt. Het
nieuwe vierde lid uit artikel I, onderdeel B, zal via het inwerkingtredingsbesluit
(zie artikel IV) op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip in werking treden.
Voor appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen staat in artikel 9ter, eerste
lid, eerste alinea, van de richtlijn uitgewerkt wanneer een koudemeter aan de eindafnemer
beschikbaar moet worden gesteld. Dit komt overeen met wat in artikel 9, derde lid,
tweede alinea, van de richtlijn staat. In deze gebouwen worden individuele meters
geïnstalleerd om het koudeverbruik voor iedere eenheid van het gebouw te meten, indien
dat technisch haalbaar en kostenefficiënt is. Dit is reeds uitgewerkt in artikel 2,
achtste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Omdat kostenverdelers
alleen betrekking hebben op warmte vervallen in artikel 2 het huidige negende en tiende
lid.
Ingevolge artikel 9ter, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn dienen de lidstaten
algemene criteria, werkwijzen of procedures vast te stellen aan de hand waarvan kan
worden bepaald dat meetinrichtingen voor warmte en koude technisch niet haalbaar of
niet kostenefficiënt zijn. Het voorgestelde negende lid (nieuw), van artikel 2 van
de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie voorziet in een aantal situaties
waarin de installatie altijd technisch haalbaar en kostenefficiënt is. De installatie
is altijd haalbaar wanneer een bestaande meetinrichting wordt vervangen, een nieuwe
aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw en wanneer een gebouw ingrijpend wordt
gerenoveerd. Een defect kan een reden zijn om de meetinrichting te vervangen. Deze
situaties zijn overgenomen uit artikel 9, eerste lid, van de richtlijn 2012/27/EU
dat was geïmplementeerd in artikel 2, eerste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie. Deze situaties zijn in de wijzigingsrichtlijn niet langer opgenomen
voor warmte en koude waardoor deze tekst in artikel 2, eerste lid, vervalt. Daarnaast
voorziet artikel 2, negende lid (nieuw), in een delegatiegrondslag op grond waarvan
regels worden gesteld over de wijze waarop wordt bepaald in welke andere situaties
de installatie van individuele meters technisch haalbaar of kostenefficiënt is.
Op grond van artikel 9ter, derde lid, van de richtlijn moeten lidstaten regels opstellen
voor de verdeling van kosten voor verbruik van warmte en koude in een appartementengebouw
en in een multifunctioneel gebouw. Het voorgestelde artikel 2, tiende lid (nieuw),
van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie regelt deze verdeling.
Aan de verbruiker kunnen zowel individuele kosten als gemeenschappelijke kosten in
rekening worden gebracht.
Onderdeel C
Dit onderdeel wijzigt artikel 6 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie.
Artikel 6 is een schakelbepaling die bepaalde artikelen uit de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie van overeenkomstige toepassing verklaart op grootverbruikers van
elektriciteit, gas en warmte. De definities van deze grootverbruikers zijn opgenomen
in artikel 6, eerste lid, onderdelen c tot en met e. Door de wijzigingsrichtlijn lopen
warmte en koude verder uit elkaar dan voorheen. Hierdoor kloppen de verwijzingen naar
artikel 2 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie niet meer. Daarnaast
lopen de bepalingen voor enerzijds grootverbruikers van elektriciteit en gas en anderzijds
grootverbruikers van warmte meer uit elkaar. Daarom is ervoor gekozen om voor deze
categorieën verschillende bepalingen te gebruiken. Artikel 6 ziet alleen nog op grootverbruikers
van gas en elektriciteit en nieuw artikel 6a op grootverbruikers van warmte.
Artikel 6, tweede lid, komt overeen met de oude tekst van artikel 2, eerste lid, van
de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie dat artikel 9, eerste lid,
van de richtlijn implementeert. In de richtlijn 2012/27/EU waren voor het ter beschikking
van meetinrichtingen aan eindafnemers van elektriciteit, gas, warmte en koude dezelfde
eisen opgenomen. De wijzigingsrichtlijn maakt echter onderscheid tussen elektriciteit
en gas zoals opgenomen in artikel 9, eerste lid, enerzijds en warmte en koude zoals
opgenomen in artikel 9bis, eerste lid, anderzijds. Voor gas en elektriciteit is de
situatie gelijk gebleven en blijft de huidige tekst uit artikel 2, eerste lid, van
de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie gelden. Aangezien voor warmte
en koude de situatie is gewijzigd kan niet langer worden volstaan met een verwijzing
naar artikel 2, eerste lid, zie daarvoor de toelichting bij artikel I, onderdeel B,
met betrekking tot artikel 2, eerste lid.
Onderdeel D
Artikel 6a is een nieuw artikel van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
dat betrekking heeft op meetinrichtingen voor de levering van warmte aan grootverbruikers.
Het artikel bestaat vooral uit bepalingen die op grond van artikel 6 al van toepassing
waren op deze grootverbruikers. Daarnaast zijn deze bepalingen aangevuld overeenkomstig
de wijzigingsrichtlijn. De regels met betrekking tot kleinverbruikers van warmte zijn
opgenomen in de Warmtewet.
In het eerste lid staan twee definities opgenomen die de reikwijdte van artikel 6a
bepalen. Het eerste lid, onderdeel a, beschrijft wat onder een eindafnemer van warmte
wordt verstaan in artikel 6a. Hieruit volgt dat artikel 6a alleen van toepassing is
op grootverbruikers van warmte. De definitie stond eerst in artikel 6, eerste lid,
onderdeel e, maar wordt aangepast zodat deze aansluit op de term verbruiker uit artikel
1, eerste lid, van de Warmtewet. De term verbruiker in de Warmtewet ziet op kleinverbruikers
van warmte. Kleinverbruikers van warmte zijn verbruikers met een aansluiting van maximaal
100 kilowatt en verbruikers met een centrale aansluiting van meer dan 100 kilowatt
die tevens optreden als verhuurder voor een verbruiker met een individuele aansluiting
van minder dan 100 kilowatt of een Vereniging van Eigenaren (of een daar aan vergelijkbare
rechtsvorm, zoals de coöperatieve vereniging) waarbij een verbruiker met een individuele
aansluiting van minder dan 100 kilowatt is aangesloten. Grootverbruikers van warmte
zijn verbruikers die buiten de reikwijdte van de Warmtewet vallen. Het eerste lid,
onderdeel b, beschrijft de term leverancier van warmte waarbij wordt aangesloten bij
de term leverancier uit de Warmtewet.
Op grond van het oude artikel 6, eerste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie zijn artikelen 2, eerste, tweede en zesde lid, 4 tot en met 5
zijn van overeenkomstige toepassing op grootverbruikers van warmte. Dit is onveranderd
alleen wordt dit nu grotendeels uitgeschreven in artikel 6a. De tekst uit artikel
2, eerste, tweede en zesde lid, is opgenomen in artikel 6a, tweede, derde en vijfde
lid.
Artikel 6a, derde lid, komt overeen met artikel 2, tweede lid. Het betreft de implementatie
van artikel 9bis, eerste lid, van de richtlijn waarin staat dat een eindafnemer tegen
concurrerende prijzen een meter ter beschikking moet krijgen die hun daadwerkelijke
energieverbruik nauwkeurig weergeeft. Artikel 6a, derde lid, onderdeel a, voorziet
in een delegatiebepaling die de mogelijkheid biedt om in uitvoeringsregelgeving concreet
aan te geven aan welke eisen de meter zal moeten voldoen. De meter moet in elk geval
het daadwerkelijke energieverbruik nauwkeurig weergeven. De eisen die aan de meetinrichting
worden gesteld, moeten uiteraard in overeenstemming zijn met de (Europese) metrologieregelgeving,
zoals geïmplementeerd met de Metrologiewet. In artikel 6a, derde lid, onderdeel b,
is een grondslag opgenomen om bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels
te stellen over de tarieven voor de koop of gebruik van een meter. Ingevolge artikel
9bis, eerste lid, van de richtlijn moet meter in elk gevel tegen een concurrerende
prijs ter beschikking wordt gesteld.
De wijziging van artikel 6a, tweede en vijfde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie in artikel I, onderdeel D, is vergelijkbaar met artikel I, onderdeel
B, eerste en derde lid, met betrekking tot het voorgestelde artikel 2, eerste en zesde
lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Kortheidshalve wordt
voor een toelichting op artikel I, onderdeel D, met betrekking tot het voorgestelde
artikel 6a, tweede en vijfde lid, verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel
B, eerste en derde lid, met betrekking tot het voorgestelde artikel 2, eerste en zesde
lid.
In artikel 6a, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
is opgenomen dat warmtemeters en warmtekostenverdelers bij grootverbruikers van warmte
op afstand uitleesbaar moeten zijn. Artikel 9quater, eerste lid, van de richtlijn
verplicht dat meters voor warmte en koude en warmtekostenverdelers die na 25 oktober
2020 worden geïnstalleerd op afstand uitleesbare meetinrichtingen zijn. Kortheidshalve
wordt voor een toelichting op artikel I, onderdeel D, met betrekking tot het voorgestelde
artikel 6a, vierde lid, verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel B, tweede
lid, met betrekking tot het voorgestelde artikel 2, vierde lid.
Op grond van het oude artikel 6, tweede lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie zijn artikel 2, zevende tot en met tiende lid, van overeenkomstige
toepassing op grootverbruikers van warmte. Ook dit is onveranderd en is uitgeschreven
naar de situatie voor grootverbruikers van warmte in artikel 6a, zesde tot en met
negende lid. Anders dan ten opzichte van de huidige tekst van artikel 6, tweede lid,
is dat in artikel 6a, zesde lid, in plaats van «warmtewisselaar» de term «afleverset
voor warmte» wordt gebruikt. Deze wijziging is overeenkomstig de wijziging van de
Warmtewet naar aanleiding van de evaluatie van de Warmtewet (Stb. 2018, 311). Uit de evaluatie is gebleken dat het begrip «warmtewisselaar», dat in de Warmtewet
wordt gehanteerd wanneer naar die installatie wordt verwezen, slechts een onderdeel
is van het gehele apparaat. In de Warmtewet is daarom het begrip «afleverset voor
warmte» opgenomen. Er is sprake van een afleverset voor warmte indien de desbetreffende
installatie zorgt voor energieoverdracht tussen een warmtenet en een binneninstallatie
of een inpandig leidingstelsel. Omdat de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
van hetzelfde begrip uitgaat is ervoor gekozen om deze term ook hier op te nemen.
In artikel 6a, zevende tot en met negende lid, wordt artikel 9ter, eerste en tweede
lid, van de richtlijn geïmplementeerd. Hierin staat dat voor appartementsgebouwen
en multifunctionele gebouwen uitgewerkt wanneer een warmtemeter of warmtekostenverdeler
aan de eindafnemer beschikbaar moet worden gesteld. Dit komt grotendeels overeen met
wat in artikel 9, derde lid, tweede alinea, van de richtlijn staat. Indien het niet
technisch haalbaar of niet kostenefficiënt om een meter in iedere eenheid in een appartementengebouw
of iedere eenheid in een multifunctioneel gebouw te installeren, installeert een leverancier
van warmte een individuele kostenverdeler. Als ook dat niet kostenefficiënt is dan
hanteert een leverancier een andere kostenefficiënte methode. Dit is reeds uitgewerkt
in het oude artikel 2, achtste tot en met tiende lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie. Omdat kostenverdelers alleen betrekking hebben op warmte vervallen
in artikel 2, het negende en het tiende lid. Deze leden, worden opgenomen in artikel
6a, achtste en negende lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie.
Artikel 6a, zevende lid, komt overeen met artikel 2, achtste lid.
Het nieuwe negende en tiende lid van artikel 2 van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie geldt ook voor grootverbruikers van warmte en wordt uitgeschreven
in artikel 6a, tiende en elfde lid. Artikel 6a, tiende lid, betreft de implementatie
van artikel 9ter, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn op grond waarvan de
lidstaten algemene criteria, werkwijzen of procedures dienen vast te stellen aan de
hand waarvan kan worden bepaald dat meetinrichtingen voor warmte en koude technisch
niet haalbaar of niet kostenefficiënt zijn. Voor koude is dit uitgewerkt in het voorgestelde
negende lid (nieuw) van artikel 2 van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie.
Anders is dat artikel 2, negende lid (nieuw), met betrekking tot koude alleen ziet
op individuele meters en artikel 6a, tiende lid, naast warmtemeters ook op individuele
warmtekostenverdelers. Artikel 6a, tiende lid, voorziet in een aantal situaties waarin
de installatie van warmtemeters en warmtekostenverdelers altijd technisch haalbaar
en kostenefficiënt is. De installatie is altijd haalbaar wanneer een bestaande meetinrichting
wordt vervangen, een nieuwe aansluiting wordt gemaakt in een nieuw gebouw en wanneer
een gebouw ingrijpend wordt gerenoveerd. Een defect kan een reden zijn om de meetinrichting
te vervangen. Deze situaties zijn overgenomen uit artikel 9, eerste lid, van de richtlijn
2012/27/EU. Daarnaast is in dit lid een delegatiegrondslag opgenomen op grond waarvan
regels worden gesteld over de wijze waarop wordt bepaald in welke andere situaties
de installatie technisch haalbaar of kostenefficiënt is. Hiermee wordt invulling gegeven
aan de voorwaarden technisch haalbaar en kostenefficiënt in artikel 6a, zevende tot
en met negende lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Daarnaast
wordt hiermee ook artikel 9ter, tweede lid, van de richtlijn geïmplementeerd dat bepaalt
dat in nieuwe appartementengebouwen en multifunctionele gebouwen altijd een individuele
meter wordt geïnstalleerd.
Artikel 6a, elfde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
gaat over kostenverdeling. Op grond van artikel 9ter, derde lid, van de richtlijn
moeten lidstaten regels opstellen voor de verdeling van kosten voor verbruik van warmte
en koude in een appartementengebouw en in een multifunctioneel gebouw. Het voorgestelde
artikel 6a, elfde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
regelt deze verdeling. Aan de verbruiker kunnen zowel individuele kosten als gemeenschappelijke
kosten in rekening worden gebracht.
In artikel 6a, twaalfde lid, staat, net als in het huidige artikel 6, eerste lid,
dat artikelen 4 en 5 van overeenkomstige toepassing zijn op grootverbruikers van warmte.
Artikelen 4 en 5 betreffen een delegatiegrondslag voor het stellen van regels over
het verstrekken van informatie, het verbruiks- en indicatief kostenoverzicht, de factuur
en meetgegevens. Het betreft de implementatie van artikel 10bis en bijlage VIIbis
van de richtlijn. De betreffende regels zijn opgenomen in het Besluit factuur, verbruiks-
en indicatief kostenoverzicht energie. Artikel 5 maakt het mogelijk netbeheerders,
leveranciers van energie of handelaren in energie te verplichten om informatie aan
onder meer eindafnemers te verstrekken.
Onderdeel E
Hoofdstuk 3, bestaande uit artikelen 19, 21 en 22, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie gaat over handhaving van energiebesparing. Door het opnemen van
een nieuw artikel 6a moet aan de betreffende artikelen worden toegevoegd dat ook voor
grootverbruikers van warmte de Autoriteit Consument en Markt (hierna: ACM) de toezichthouder
blijft. De ACM is hiertoe momenteel al bevoegd op grond van het huidige artikel 6
van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Zie hierover ook paragraaf
3.4 uit het algemene deel van de toelichting.
Onderdeel F
Op grond van artikel 2, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
kan een eindafnemer een op afstand uitleesbare meter weigeren en wordt een niet op
afstand uitleesbare meter ter beschikking gesteld. Artikel 9quater, eerste lid, van
de richtlijn verplicht dat meters voor warmte en koude en warmtekostenverdelers die
na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd op afstand uitleesbare meetinrichtingen zijn.
Dit wordt geïmplementeerd door artikel I, onderdelen B, tweede lid, in artikel 2,
vierde lid (nieuw) en C, in artikel 6a, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie. Daarnaast verplicht artikel 9quater, tweede lid, dat vanaf 1 januari
2027 alle meters en warmtekostenverdelers op afstand uitleesbaar zijn. Aan deze verplichting
hoeft niet te worden voldaan indien wordt aangetoond dat dit niet kostenefficiënt
is. Dit zal in weinig situaties aangetoond kunnen worden omdat er dan tien jaar zijn
verstreken sinds de publicatie van het Commissievoorstel en meters en warmtekostenverdelers
doorgaans binnen 10 jaar vervangen moeten worden. Het argument dat meters niet afgeschreven
zijn kan geen rechtvaardiging zijn om af te wijken van de vereiste dat meetinrichtingen
op afstand uitleesbaar moeten zijn. Meer specifieke omstandigheden moeten aanwezig
zijn.
In alle gevallen kan een eindafnemer bij koude overeenkomstig artikel 2, vijfde lid,
de beheerder van een koudenet verzoeken om de op afstand uitleesbare meter niet op
afstand uit te lezen. De situatie vanaf 25 oktober 2020 wordt opgenomen in een nieuw
vierde lid van artikel 2 die het huidige vierde lid opvolgt. De situatie vanaf 1 januari
2027 wordt opgenomen in een nieuw vierde lid van artikel 2 dat het nieuwe vierde lid
uit artikel I, onderdeel B, tweede lid, zal opvolgen. Dit wordt geregeld in artikel
39a van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie.
Artikel II
Onderdeel A
Artikel 1a van de Warmtewet gaat over de reikwijdte van de Warmtewet. Ingevolge het
eerste lid van dit artikel is de Warmtewet van toepassing op de levering van warmte
aan verbruikers. In het eerste lid worden echter twee categorieën leveranciers van
warmte uitgezonderd. Het betreft de leveranciers die tevens optreden als verhuurder
voor de verbruikers aan wie warmte geleverd wordt en leveranciers die tevens een vereniging
van eigenaars vormen, of een daaraan vergelijkbare rechtsvorm zoals de coöperatieve
vereniging (hierna: vereniging van eigenaars). In het tweede lid van artikel 1a is
bepaald dat de uitzondering op de reikwijdte van de Warmtewet voor de groepen bedoeld
in het eerste lid niet van toepassing is op de bepalingen ter implementatie van de
meetverplichting van artikel 9 van de richtlijn. Met de wijzigingsrichtlijn is de
meetverplichting nu opgenomen in artikelen 9 tot en met 9quater van de richtlijn.
Deze artikelen van de richtlijn zijn geïmplementeerd in artikelen 8, tweede tot en
met vierde, zesde, zevende en negende lid, en 8a, van de Warmtewet. Aangezien artikel
8 van de Warmtewet is uitgebreid met leden tien tot en met veertien die deze artikelen
van de richtlijn implementeren, moet ook de uitzondering in artikel 1a, tweede lid,
van de Warmtewet worden uitgebreid. Dit betekent dat de verplichting omtrent individuele
bemetering van het gebruik van warmte en de uitzonderingen hierop die zijn opgenomen
in de artikelen 8, tweede tot en met vierde, zesde, zevende en negende tot en met
veertiende lid, en 8a van toepassing blijven op de groepen leveranciers uit artikel
1a, eerste lid, van de Warmtewet.
Onderdeel B
Met dit onderdeel wordt artikel 8 van de Warmtewet aangepast. Artikel 8 heeft betrekking
op het ter beschikking stellen van een individuele meter door een leverancier van
warmte. De wijziging van artikel 8, tweede lid, van de Warmtewet in artikel II, onderdeel
B, is vergelijkbaar met artikel I, onderdeel B, eerste lid, met betrekking tot het
voorgestelde artikel 2, eerste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie.
Kortheidshalve wordt voor een toelichting op artikel II, onderdeel B, eerste lid,
verwezen naar de toelichting bij artikel I, onderdeel B, eerste lid.
Artikel 9quater, eerste lid, van de richtlijn verplicht dat meters voor warmte en
koude en warmtekostenverdelers die na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd op afstand
uitleesbare meetinrichtingen zijn. Hierbij wordt niet beoordeeld of dit technisch
haalbaar en kostenefficiënt is. Wel kan bij de beoordeling, uit artikel 9ter, eerste
lid, geïmplementeerd in artikel 8, elfde tot en met dertiende lid, van de Warmtewet,
of het technisch haalbaar en kostenefficiënt is om een meter ter beschikking te stellen
worden meegewogen dat vanaf 25 oktober 2020 deze meter een op afstand uitleesbare
meter moet zijn. Artikel 9quater, tweede lid, van de richtlijn bepaalt dat indien
de warmtemeters en warmtekostenverdelers worden geïnstalleerd deze uiterlijk op 1 januari
2027 op afstand uitleesbaar moeten zijn gemaakt of worden vervangen door meetinrichtingen
die op afstand leesbaar zijn. De situatie vanaf 25 oktober 2020 is opgenomen in het
voorgestelde nieuwe derde lid van artikel 8 en de situatie vanaf 1 januari 2027 in
artikel II, onderdeel D, dat betrekking heeft op artikel 45a (nieuw) van de Warmtewet
dat artikel 8, derde lid, nogmaals wijzigt. Het nieuwe derde lid uit artikel II, onderdeel
B, zal via het inwerkingtredingsbesluit (zie artikel IV) op een bij koninklijk besluit
te bepalen tijdstip in werking treden.
Artikel 9bis, tweede lid, van de richtlijn schrijft voor dat een meter voor warmte
en koude wordt geïnstalleerd bij de warmtewisselaar of het leveringspunt. In het voorgestelde
artikel 8, tiende lid, van de Warmtewet wordt opgenomen dat voor warmte een meter
wordt geïnstalleerd bij een afleverset voor warmte omdat het begrip «warmtewisselaar»
een te beperkte term is (zie hierover ook de toelichting bij artikel I, onderdeel
E, met betrekking tot artikel 6a, zesde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie).
In het voorgestelde elfde tot en met dertiende lid van artikel 8 van de Warmtewet
wordt artikel 9ter, eerste en tweede lid, van de richtlijn uitgewerkt. Daarin staat
wanneer een warmtemeter of warmtekostenverdeler aan de eindafnemer beschikbaar moet
worden gesteld in een eenheid in een appartementengebouw of multifunctioneel gebouw.
Dit komt grotendeels overeen met wat in artikel 9, derde lid, tweede alinea, van de
richtlijn staat. Indien het niet technisch haalbaar of niet kostenefficiënt om een
meter in iedere eenheid in een appartementengebouw of iedere eenheid in een multifunctioneel
gebouw te installeren, installeert een leverancier een individuele kostenverdeler.
Als ook dat niet kostenefficiënt is dan hanteert een leverancier een andere kostenefficiënte
methode.
Het nieuwe veertiende lid van artikel 8 in artikel II, onderdeel B, is vergelijkbaar
met het in artikel I, onderdeel B, voorgestelde artikel 2, negende lid (nieuw), van
de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie. Kortheidshalve wordt naar
deze toelichting verwezen voor een toelichting op het voorgestelde artikel 8, veertiende
lid.
Onderdeel C
Artikel 8a heeft onder meer betrekking op de kostenverdeelsystematiek. Op grond van
artikel 11bis, tweede lid, van de richtlijn dient de verdeling van de kosten in verband
met de factureringsinformatie betreffende het individuele verbruik van warmte en koude
een appartementengebouw of in een multifunctioneel gebouw kosteloos te worden uitgevoerd.
Alleen wanneer het meten, verdelen en berekenen van het werkelijke individuele verbruik
door een ander dan de leverancier geschiedt kunnen de kosten worden doorberekend aan
de eindgebruiker. In artikel 8a, vierde lid, van de Warmtewet is nu opgenomen dat
als onderdeel van de kostenverdeelsystematiek kosten van verbruik in het gemeenschappelijk
belang en redelijke kosten voor uitvoering van de kostenverdeelsystematiek zelf aan
individuele verbruikers worden toegerekend. De voorgestelde wijziging van artikel
8a, vierde lid, van de Warmtewet zorgt ervoor dat naast de kosten voor gezamenlijk
verbruik, alleen in de situatie uit artikel 11bis, tweede lid, van de wijzigingsrichtlijn
de kosten kunnen worden doorberekend.
In de wijzigingsrichtlijn wordt onderscheid gemaakt tussen eindgebruikers en eindafnemers.
In overweging 31 en in artikel 10bis, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn
wordt dit onderscheid uitgewerkt. Ingevolge de wijzigingsrichtlijn omvat de term eindafnemer
natuurlijke personen of rechtspersonen die energie aankopen op basis van een rechtstreekse,
individuele overeenkomst met een energieleverancier. De term eindgebruiker verwijst
naar een bredere groep consumenten. Onder eindgebruikers vallen ook bewoners van afzonderlijke
gebouwen of van afzonderlijke eenheden van appartementsgebouwen of multifunctionele
gebouwen indien de levering aan deze eenheden vanuit een centrale bron gebeurt en
de bewoners geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met de energieleverancier
hebben. Artikel 11bis, tweede lid, van de richtlijn heeft betrekking op factureringsinformatie
betreffende verbruik in onder ander appartementsgebouwen en multifunctionele gebouwen
en is daarom gericht tot eindgebruikers. Immers, juist in deze situaties zullen niet
alle verbruikers van warmte zelf een contract hebben met een leverancier. Artikel
11bis, tweede lid, van de richtlijn wordt door onderdeel B, eerste lid, geïmplementeerd
in het voorgestelde artikel 8a, vierde lid, van de Warmtewet. Omdat de term verbruiker
uit de Warmtewet beperkter is dan de term eindgebruiker in de wijzigingsrichtlijn,
wordt in artikel 8a, dertiende lid, opgenomen dat in dit artikel onder verbruiker
mede een eindgebruiker wordt verstaan.
Onderdeel D
Op grond van artikel 8, derde lid, van de Warmtewet kan een eindafnemer een op afstand
uitleesbare meter weigeren en wordt een niet op afstand uitleesbare meter ter beschikking
gesteld. Artikel 9quater, eerste lid, van de richtlijn verplicht dat meters voor warmte
en koude en warmtekostenverdelers die na 25 oktober 2020 worden geïnstalleerd op afstand
uitleesbare meetinrichtingen zijn. Dit wordt geïmplementeerd door artikel II, onderdeel
B, in artikel 8, derde lid (nieuw) van de Warmtewet. Daarnaast verplicht artikel 9quater,
tweede lid, dat vanaf 1 januari 2027 alle meters en warmtekostenverdelers op afstand
uitleesbaar zijn. Aan deze verplichting hoeft niet te worden voldaan indien wordt
aangetoond dat dit niet kostenefficiënt is. Dit zal in weinig situaties aangetoond
kunnen worden omdat er dan tien jaar zijn verstreken sinds de publicatie van het Commissievoorstel
en meters en warmtekostenverdelers doorgaans binnen 10 jaar vervangen moeten worden.
Het argument dat meters niet afgeschreven zijn kan geen rechtvaardiging zijn om af
te wijken van de vereiste dat meetinrichtingen op afstand uitleesbaar moeten zijn.
Meer specifieke omstandigheden moeten aanwezig zijn. In alle gevallen kan een eindafnemer
overeenkomstig artikel 8, vierde lid, de beheerder van een koudenet verzoeken om de
op afstand uitleesbare meter niet op afstand uit te lezen.
De situatie vanaf 25 oktober 2020 wordt opgenomen in een nieuw derde lid van artikel
8 die het huidige derde lid opvolgt. De situatie vanaf 1 januari 2027 wordt opgenomen
in een nieuw derde lid van artikel 8 dat het nieuwe derde lid uit artikel II, onderdeel
B, zal opvolgen. Dit wordt geregeld in artikel 45a van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie.
Artikel III
Artikel 10bis, tweede lid, onderdeel d, van de richtlijn bepaalt dat lidstaten cyberbeveiliging
bevorderen en de privacy en de gegevens van eindgebruikers beschermen overeenkomstig
de AVG. In artikel 2, zesde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie
en artikel 8, zesde lid, van de Warmtewet is bepaalt dat bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur regels kunnen worden gesteld omtrent de eisen waaraan een op
afstand uitleesbare meetinrichting voldoet en worden in elk geval regels gesteld ten
aanzien van de beveiliging van meetgegevens. Voor elektriciteit en gas zijn deze eisen
uitgewerkt in artikelen 6 en 9 van het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen.
Voorgesteld wordt om deze eisen ook op warmte en koude van toepassing te verklaren
en daartoe wordt de aanhef van het Besluit op afstand uitleesbare meetinrichtingen
aangepast.
Artikel IV
De wet treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip.
Artikelen I, onderdeel B, tweede lid, (met betrekking tot artikel 2, vierde lid, van
de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie), I, onderdeel D, (met betrekking
tot artikel 6a, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie)
en II, onderdeel B, tweede lid, (dat een wijziging inhoudt van artikel 8, derde lid,
van de Warmtewet) zien op de situatie zoals bedoeld in artikel 9quater, eerste lid,
van de richtlijn. Deze artikelen zullen in beginsel gelden van 25 oktober 2020 tot
en met 1 januari 2027. Deze artikelen zullen op een bij koninklijk besluit te bepalen
tijdstip in werking treden.
Artikel I, onderdeel F, (met betrekking tot artikel 39a van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie dat artikel 2, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen
energie-efficiëntie wederom wijzigt) en artikel II, onderdeel D, (met betrekking tot
artikel 45a van de Warmtewet dat artikel 8, derde lid, van de Warmtewet wederom wijzigt)
zien op de situatie vanaf 1 januari 2027 zoals bedoeld in artikel 9quater, tweede
lid, van de richtlijn.
III. TRANSPONERINGSTABEL
Bepaling EU-regeling
Bepaling in implementatieregeling of in bestaande regelgeving; toelichting indien
niet geïmplementeerd of uit zijn aard geen implementatie behoeft
Omschrijving beleidsruimte
Toelichting van keuze(n)
Artikel 1
Eerste lid
(artikel 1, eerste lid, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Tweede lid
(artikel 3, vierde lid, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Tweede lid
(artikel 3, vijfde lid, van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Zie § 3.1 van het algemeen deel van de toelichting
Tweede lid
(artikel 3, zesde lid, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Derde lid,
(artikel 7, eerste tot en met negende lid, van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Zie § 3.1 van het algemeen deel van de toelichting
Derde lid,
(artikel 7, tiende lid, van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
De mogelijkheid om te kiezen voor een alternatief voor een verplichtingsregeling voor
energiebesparing
Zie verder § 3.1 van het algemeen deel van de toelichting
Derde lid,
(artikel 7, elfde en twaalfde lid, EED)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Vierde lid
(artikel 7bis van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
De mogelijkheid om te kiezen voor een alternatief voor een verplichtingsregeling voor
energiebesparing
Van deze optie wordt geen gebruikt gemaakt. Zie verder § 3.1 van het algemeen deel
van de toelichting
Vierde lid
(artikel 7ter van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
De mogelijkheid om te kiezen voor een alternatief voor een verplichtingsregeling voor
energiebesparing
Van deze optie wordt gebruikt gemaakt. Zie verder § 3.1 van het algemeen deel van
de toelichting
Vijfde lid, onder a
(artikel 9, titel, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Vijfde lid, onder b
(artikel 9, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn)
Artikel I, onder C. Voor het overige reeds geïmplementeerd (artikel 6, eerste, jo.
artikel 2, tweede lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie,
artikelen 26ae, 30a en 95la, eerste lid, van de Elektriciteitswet 1998, artikelen
13e, 42a, eerste lid, en 81e van de Gaswet, artikel 2 Besluit op afstand uitleesbare
meetinrichtingen)
Geen
Vijfde lid, onder c
(artikel 9, derde lid, van de richtlijn)
Het oude derde vervalt. Deze tekst is nu opgenomen in artikel 9bis, tweede lid, en
in artikel 9ter EED.
Geen
Zesde lid
(artikel 9bis, eerste lid, van de richtlijn)
Artikelen I, onder B en D, II, onder B. Voor het overige reeds geïmplementeerd (artikel
2, tweede lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, artikel
8, tweede en vijfde lid, van de Warmtewet)
Geen
Zesde lid
(artikel 9bis, tweede lid, van de richtlijn)
Artikelen I, onder D, en II, onder B. Voor het overige reeds geïmplementeerd (artikel
2, zevende lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, artikel
8, eerste lid, van de Warmtewet)
Geen
Zesde lid
(artikel 9ter, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn)
Artikelen I, onder D, en II, onder B. Voor het overige reeds geïmplementeerd (artikel
2, achtste lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, artikel
8, elfde lid, van de Warmtewet)
Geen
Zesde lid
(artikel 9ter, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn)
Artikelen I, onder B en D, II, onder B.
Geen
Zesde lid
(artikel 9ter, tweede lid, van de richtlijn)
Artikel I, onder D, II onder B.
Geen
Zesde lid
(artikel 9ter, derde lid, van de richtlijn)
Artikel I, onder B en D. Voor het overige reeds geïmplementeerd (artikel 8a van de
Warmtewet)
Geen
Zesde lid
(artikel 9quarter, eerste lid, van de richtlijn)
Artikelen I, onder B en D, II, onder B. Voor het overige reeds geïmplementeerd (artikel
2, vierde lid, van de Wet implementatie EU-richtlijnen energie-efficiëntie, artikel
8, derde lid, van de Warmtewet)
Geen
Zesde lid
(artikel 9quarter, tweede lid, van de richtlijn)
Artikelen I, onder F, II, onder D.
Geen
Zevende lid, onder a
(artikel 10, titel, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Zevende lid, onder b
(artikel 10, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikelen 2, 4, eerste lid, en 7, eerste lid, van het
Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige
worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Geen
Achtste lid
(artikel 10bis, eerste lid, eerste alinea, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikelen 2, 4, eerste lid, en 7, tweede lid, van het
Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige
worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Geen
Achtste lid
(artikel 10bis, eerste lid, tweede alinea, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 5 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief
kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd in het Besluit
factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Keuze om toe te staan dat de eindgebruiker, behalve wanneer het verbruik wordt vastgesteld
met individuele meters op basis van warmtekostenverdelers, de meter zelf mag aflezen.
In dat geval de keuze dat indien de eindgebruiker geen meetgegevens heeft verstrekt,
dat de factuur dan wordt gebaseerd op het geschatte verbruik of op een vast tarief.
Deze mogelijkheid bestaat reeds, waarbij is gekozen voor het geschatte verbruik.
Zie verder § 2.3 van het algemeen deel van de toelichting
Achtste lid
(artikel 10bis, tweede lid, onder a, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 13, tweede lid, van het Besluit factuur, verbruiks-
en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Achtste lid
(artikel 10bis, tweede lid, onder b, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 12 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief
kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd in het Besluit
factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Achtste lid
(artikel 10bis, tweede lid, onder c, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 9, eerste lid en artikel 10 van het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Achtste lid
(artikel 10bis, tweede lid, onder d, van de richtlijn)
Artikel III.
Geen
Achtste lid
(artikel 10bis, tweede lid, tweede alinea, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 9, eerste en vierde lid, van het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
De mogelijkheid om te bepalen dat, op verzoek van de eindafnemer, de bij de factuur
gevoegde informatie niet als een betalingsverzoek mag worden beschouwd.
In dat geval zorgt de lidstaat ervoor dat flexibele regelingen voor de werkelijke
betaling worden aangeboden.
Deze mogelijkheid bestaat reeds.
Zie verder § 2.3 van het algemeen deel van de toelichting
Achtste lid
(artikel 10bis, derde lid, van de richtlijn)
Zal worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Keuze wie verantwoordelijk is voor het verstrekken van informatie aan eindgebruikers
die geen rechtstreekse of individuele overeenkomst met een energieleverancier hebben.
Zie verder § 2.3 van het algemeen deel van de toelichting
Negende lid
(artikel 11 van de richtlijn)
Reeds geïmplementeerd (artikel 6, eerste lid, jo. artikel 4 van de Wet implementatie
EU-richtlijnen energie-efficiëntie, artikelen 26ab, vijfde lid, en 95lb van de Elektriciteitswet
1998, artikelen 13b, vijfde lid, en 42b van de Gaswet en artikel 14 van het Besluit
factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie)
Geen
Tiende lid
(artikel 11bis, eerste lid, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 14 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief
kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd in het Besluit
factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Tiende lid
(artikel 11bis, tweede lid, van de richtlijn)
Artikel II, onder C. Zal voor het overige worden geïmplementeerd in het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Tiende lid
(artikel 11bis, derde lid, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Lidstaten kunnen maatregelen nemen om de concurrentie te stimuleren zodat de kosten
voor individuele bemeteringsdiensten redelijk blijven.
Zie verder § 2.4 van het algemeen deel van de toelichting
Elfde lid
(artikel 15, lid 2bis, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Twaalfde lid
(artikel 20, lid 3bis, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Twaalfde lid
(artikel 20, lid 3ter, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Twaalfde lid
(artikel 20, lid 3quarter, van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Twaalfde lid
(artikel 20, lid 3quinquies, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Zie § 3.2 van het algemeen deel van de toelichting
Dertiende lid
(artikel 22, tweede lid, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Veertiende lid, onder a
(artikel 23, tweede lid, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Veertiende lid, onder b
(artikel 23, lid 3bis, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Vijftiende lid, onder a
(artikel 24, lid 4bis van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Vijftiende lid, onder b
(artikel 24, leden 12 tot en met 15, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Zestiende lid
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Artikel 2
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Artikel 3
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Artikel 4
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Bijlage
Eerste lid
(Bijlage IV, voetnoot 3, van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Tweede lid
(Bijlage V van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Derde lid
(Bijlage VII, titel, van de richtlijn)
Behoeft uit de aard van deze bepaling geen implementatie
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, eerste lid, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikelen 2 en 4, eerste lid, van het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, tweede lid, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 7, tweede lid, van het Besluit factuur, verbruiks-
en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Warmte en koude kunnen van dit voorschrift worden uitgesloten buiten het verwarmings-/koelingsseizoen.
Zie verder §2.3 van het algemeen deel van de toelichting
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, eerste alinea, onder a, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 10 van het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief
kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd in het Besluit
factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, eerste alinea, onder b, van de richtlijn)
Zal worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Het toepassingsgebied van de verplichting om informatie over broeikasgasemissies te
verstrekken, kan worden beperkt tot uitsluitend leveringen uit stadsverwarmingssystemen
met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 20 MW.
Zie verder §2.3 van het algemeen deel van de toelichting
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, eerste alinea, onder c, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 10, eerste lid, onder e, van het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, eerste alinea, onder d, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 10, eerste lid, onder f, van het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, eerste alinea, onder e, van de richtlijn)
Zal worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, eerste alinea, onder f, van de richtlijn)
Deels reeds geïmplementeerd (artikel 10, eerste lid, onder d, van het Besluit factuur,
verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie). Zal voor het overige worden geïmplementeerd
in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht energie.
Geen
Vierde lid
(Bijlage VIIbis, derde lid, tweede alinea, van de richtlijn)
Zal op worden geïmplementeerd in het Besluit factuur, verbruiks- en indicatief kostenoverzicht
energie.
Geen
Vijfde lid
(Bijlage IX, deel 1, vierde alinea, onder g, van de richtlijn)
Implementatie wordt vorm gegeven door feitelijk handelen
Geen
Zesde lid
(Bijlage XII, eerste alinea, onder a, van de richtlijn)
Reeds geïmplementeerd (artikelen 15a, 20d, 23, 24, 24Aa, 27, 28, 29 en 41b van de
Elektriciteitswet 1998)
Geen
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
E.D. Wiebes
Ondertekenaars
E.D. Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| VVD | 32 | Voor |
| PVV | 20 | Tegen |
| CDA | 19 | Voor |
| D66 | 19 | Voor |
| GroenLinks | 14 | Voor |
| SP | 14 | Voor |
| PvdA | 9 | Voor |
| ChristenUnie | 5 | Voor |
| 50PLUS | 4 | Voor |
| PvdD | 4 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| SGP | 3 | Voor |
| FVD | 2 | Tegen |
| Van Haga | 1 | Voor |
| Van Kooten-Arissen | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.