Nota van wijziging : Nota van wijziging
35 204 Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet houdende implementatie van de artikelen 15 en 16 van Richtlijn 2014/40/EU inzake de procedure en de verkoop van tabaksproducten
Nr. 7
NOTA VAN WIJZIGING
Ontvangen 30 september 2019
Het voorstel wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel I, onderdeel C, komt de tekst van artikel 4a, tweede lid, als volgt te
luiden:
2. Bij ministeriële regeling worden eisen gesteld aan de door de producenten en importeurs
aan te brengen unieke identificatiemarkering. De eisen hebben betrekking op de technische
wijze waarop de unieke identificatiemarkering wordt aangebracht op de verpakkingseenheid.
B
In artikel I, onderdeel C, wordt in artikel 4h, tweede lid, de zinsnede «Bij of krachtens
algemene maatregel van bestuur» vervangen door «Bij ministeriële regeling».
Toelichting
Onderdeel A
Artikel 15 van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt dat alle verpakkingseenheden van
tabaksproducten moeten worden voorzien van een unieke identificatiemarkering. Deze
unieke identificatiemarkering maakt onderdeel uit van een volg- en traceersysteem
waarmee bepaalde informatie over de tabaksproducent en het product gevolg en getraceerd
kan worden. Uitvoeringsverordening (EU) 2018/5741 bevat technische normen voor de instelling van het volg- en traceersysteem. Deze
technische normen werken rechtstreeks door in de lidstaten en behoeven geen implementatie
in nationale regelgeving. Enkele eisen uit artikel 15 van de tabaksproductenrichtlijn
komen echter niet terug in de uitvoeringsverordening. Aangezien het hier gaat om een
EU-richtlijn, dienen deze eisen geïmplementeerd te worden in nationale regelgeving.
Artikel 4a, tweede lid, van het wetsvoorstel bevat een grondslag om deze eisen bij
of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen. De nadere eisen die gesteld
moeten worden, hebben betrekking op de technische wijze waarop de unieke identificatiemarkering
aangebracht moet worden (onderdeel a). Artikel 15, eerste lid, tweede volzin, van
de tabaksproductenrichtlijn bepaalt immers dat de unieke identificatiemarkering zodanig
aangebracht of afgedrukt moet worden, dat zij niet verwijderbaar en onuitwisbaar is
en op geen enkele wijze verborgen of onderbroken kan worden.
De overige grondslagen, vervat in artikel 4a, tweede lid, onderdelen b en c, van het
wetsvoorstel, kunnen bij nader inzien geschrapt worden. Deze grondslagen waren opgenomen
om de eisen uit artikel 15, tweede, derde en vierde lid, van de tabaksproductenrichtlijn
te implementeren. Uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 stelt echter al eisen omtrent
de inhoud, vorm en de toegankelijkheid van de informatie die deel uitmaakt van de
unieke identificatiemarkering. Deze eisen zijn neergelegd in onder meer de artikelen
8, 32 en 33 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 en werken rechtstreeks door in
de Nederlandse rechtsorde. Implementatie in lagere nationale regelgeving is hier dus
niet op zijn plaats. Nu enkel de grondslag in onderdeel a overblijft en ziet op het
stellen van technische eisen ter implementatie van de richtlijn en deze geen ruimte
laat voor het maken van keuzen van beleidsinhoudelijke aard, is ondergetekende het
oordeel toegedaan dat delegatie aan de Minister hier op zijn plaats is. Gelet op aanwijzing
2.24 van de Aanwijzing voor de regelgeving dient de situatie vermeden te worden dat
gedelegeerd wordt aan de regering, die op haar beurt weer aan de Minister delegeert.
Aanwijzing 2.25 bepaalt bovendien dat delegatie van regelgevende bevoegdheid aan een
Minister, indien mogelijk, rechtstreeks geschiedt in de wet. Met deze nota van wijziging
wordt hierin voorzien.
Onderdeel B
Artikel 16 van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt dat alle verpakkingseenheden van
tabaksproducten een onvervalsbaar veiligheidskenmerk moeten bevatten. De technische
normen voor het veiligheidskenmerk zijn vastgelegd in Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576.2 Artikel 4h van het wetsvoorstel bevat een grondslag om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur eisen te stellen aan het veiligheidskenmerk ter implementatie
van het uitvoeringsbesluit. Deze eisen hebben betrekking op (a) de samenstelling van
het veiligheidskenmerk; (b) de aanbieder die het veiligheidskenmerk levert; (c) de
wijze van aanbrengen van het veiligheidskenmerk; (d) andere voorschriften die noodzakelijk
zijn voor de goede uitvoering van bindende EU-rechtshandelingen, en (e) de wijze waarop
het veiligheidskenmerk aangevraagd kan worden. De onderdelen a tot en met d dienen
ter implementatie van de artikelen 3, 4, 5 en 8 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576.
Onderdeel e dient als grondslag voor het stellen van regels over de aanvraagprocedure.
Aangezien deze eisen implementatie van EU-regelgeving betreffen, dan wel administratief
en gedetailleerd van aard zijn, is ondergetekende van mening dat delegatie aan de
Minister hier op zijn plaats is. Ingevolge Aanwijzing 2.25 dient delegatie van regelgevende
bevoegdheid aan een Minister rechtstreeks in de wet te geschieden. Door deze nota
van wijziging wordt hier uitvoering aan gegeven.
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
P. Blokhuis
Indieners
P. Blokhuis, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport