Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
35 270 Wijziging van de Wet langdurige zorg in verband met de herziening van het verlies van rechtspersoonlijkheid van het CIZ
Nr. 3 MEMORIE VAN TOELICHTING
Het voorstel de rechtspersoonlijkheid van het CIZ te laten vervallen is een uitwerking
van het rapport «Herpositionering zbo’s» uit 2013 (De Leeuw). Daarin was toen de conclusie
dat een agentschapsvorm voor het CIZ als uitvoerende instantie de meest adequate rechtsvorm
was. Anno 2019 is de rechtsvorm en de voor- en nadelen ervan op het vlak van besturing,
bedrijfsvoering en kosten opnieuw en meer diepgaand bekeken. Daaruit blijkt dat de
transitiekosten, de structureel hogere personeelskosten en extra belasting die een
transitie op de organisatie zou leggen, niet opwegen tegen de beperkte toename van
de sturingsmogelijkheden. Om die reden acht de regering het niet langer wenselijk
de eigen rechtspersoonlijkheid van het CIZ op te heffen en de uitvoeringsorganisatie
onderdeel van het Ministerie van VWS te maken.
Indicatiebesluiten op grond van de Wet langdurige zorg (Wlz) worden genomen door het
CIZ, bedoeld in artikel 7.1.1, eerste lid, van de Wlz. Het CIZ is een zelfstandig
bestuursorgaan (zbo) en heeft eigen rechtspersoonlijkheid. Bij de inwerkingtreding
van de Wlz is geregeld dat het CIZ op termijn zijn rechtspersoonlijkheid zou gaan
verliezen.1 In artikel 11.3.5 van de Wlz is bepaald dat het CIZ zijn rechtspersoonlijkheid verliest
op het moment dat de Wet normalisering rechtspositie ambtenaren (Wnra) in werking
treedt.2
Op het moment dat het CIZ zijn rechtspersoonlijkheid verliest zou het een zbo worden
dat onderdeel is van de Staat, met het personeel werkzaam in een ondersteunend agentschap.
Daarbij werd uitgegaan van de vormgeving van het CIZ als baten-lastenagentschap, ingevolge
artikel 2.20, eerste lid, van de Comptabiliteitswet 2016. De afgelopen periode zijn
de consequenties van de overgang van het CIZ naar de Staat in kaart gebracht. Het
CIZ heeft momenteel personeel in dienst op basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst
en heeft een eigen CAO. Op grond van de Ambtenarenwet 2017 zijn zowel de Staat (artikel
2, onderdeel a) als het CIZ (artikel 2, onderdeel i) overheidswerkgevers. De werknemers
van het CIZ zouden na de overgang van het CIZ naar de Staat op basis van een privaatrechtelijke
arbeidsovereenkomst ambtenaar worden bij de Staat. Indien het CIZ zijn rechtspersoonlijkheid
op 1 januari 2020 niet verliest en de werknemers dus in dienst blijven bij het CIZ, zal dat ertoe leiden dat de werknemers vanaf
die datum ambtenaar worden in dienst bij het CIZ. Op die werknemers zal een eigen
CAO van toepassing zijn. Er is nog geen duidelijk zicht op de omvang van de incidentele
transitiekosten maar de inschatting is dat de structurele personeelskosten zouden
stijgen met € 5 miljoen per jaar als deze transitie zou worden ingezet.
Daarnaast wordt het CIZ de komende jaren belast met nieuwe taken. Zoals het indiceren
van verzekerden die recht op zorg op grond van de Wlz krijgen indien het bij koninklijke
boodschap van 20 februari 2019 ingediende voorstel van wet houdende wijziging van
de Wet langdurige zorg om toegang tot deze wet te bieden aan mensen die vanwege een
psychische stoornis blijvend behoefte hebben aan permanent toezicht of 24 uur per
dag zorg nabij (Kamerstukken 35 146) tot wet wordt verheven en in werking treedt. Ook krijgt het CIZ een extra taak indien
de Wet zorg en dwang in werking treedt in het kader van het voorbereiden en aanvragen
van rechterlijke machtigingen. Daarnaast zal het CIZ in de tweede helft van 2019 starten
met de landelijke uitrol van de versnelde werkwijze bij de indicatiestelling. Het
wordt niet wenselijk geacht de organisatie tijdens de invoer van deze grote nieuwe
taken te belasten met de overgang naar de Staat.
De beperkte toename van de sturingsmogelijkheden van een klein ZBO met een agentschap
als ondersteunend apparaat ten opzichte van de huidige situatie (alleen een zbo) afwegende
tegen de structureel hogere personeelskosten, incidentele transitiekosten en extra
belasting die een transitie op de organisatie zou leggen, stelt de regering voor af
te zien van het verlies van de rechtspersoonlijkheid door het CIZ.
Evenals bij het CAK het geval is (zie artikel 10.4, onderdeel B, van de Aanpassingswet
Wnra) is, blijft artikel 15 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen uitgezonderd
op het CIZ (artikel I, onderdeel A). Het afzien van het verlies van rechtspersoonlijkheid
vereist het vervallen van artikel 11.3.5 van de Wlz (artikel I, onderdeel B). De werknemers
van het CIZ kunnen daardoor een eigen CAO behouden.
Artikel I, onderdeel A, kan in werking treden op het tijdstip van inwerkingtreding
van artikel I van de Wnra. Om te voorkomen dat het CIZ voor korte tijd nog onderdeel
van de Staat wordt, dient het schrappen van artikel 11.3.5 van de Wlz uiterlijk op
1 januari 2020 in werking te treden.
Op grond van artikel 6 van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen is deze toelichting
mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
H.M. de Jonge
Ondertekenaars
H.M. de Jonge, minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.