Brief regering : Gevolgen van het gebrek aan netcapaciteit voor duurzame elektriciteitsprojecten
30 196 Duurzame ontwikkeling en beleid
Nr. 669
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 28 juni 2019
De afgelopen jaren heeft er een snelle groei van projecten voor duurzame elektriciteitsproductie
plaatsgevonden, een positieve ontwikkeling voor het reduceren van CO2 en voor de energietransitie. De keerzijde van dit succes is dat de afgelopen tijd
is gebleken dat op een aantal plekken in Nederland schaarste in het elektriciteitsnet
verhindert dat duurzaam opgewekte elektriciteit getransporteerd kan worden. Dit speelt
onder meer in de provincies Drenthe en Groningen.
Naar aanleiding van de motie Agnes Mulder c.s. (Kamerstuk 32 813, nr. 295) en mijn toezegging hierover tijdens het Algemeen Overleg van 13 februari jongstleden,
stuur ik u deze brief, waarin ik in ga op de maatregelen die een bijdrage kunnen leveren
voor het vergroten van transportcapaciteit.
Omvang van het probleem
Netbeheerders bereiden grootschalige verzwaringen voor van de netten om aan de groeiende
vraag te voldoen. De vraag naar transportcapaciteit groeit echter harder dan netbeheerders
het net kunnen verzwaren. Hierdoor ontstaat er tijdelijk schaarste op de netten. Drenthe
en Groningen zijn niet de enige gebieden waar deze schaarste zich voordoet. Netbeheerders
voorzien dat dit, naast voor Drenthe en Groningen ook gaat gelden voor Overijssel,
Brabant, Limburg, Friesland, Flevoland, Zeeland, de kop van Noord-Holland, delen van
Gelderland en op de Zuid Hollandse eilanden. Het gaat daarbij vooral om dunbevolkte
gebieden met van oudsher weinig vraag naar elektriciteit, waar dus de dunste elektriciteitsnetten
zijn neergelegd.
Het verzwaren en/of uitbreiden van het net kost tijd en geld. Een regionale netbeheerder
kan in enkele jaren zijn net verzwaren. Een regionale netbeheerder kan een nieuwe
transformator bijplaatsen in een bestaand onderstation. Hiervoor zijn weinig of geen
ruimtelijke procedures nodig. Een voorbeeld van dergelijke verzwaringen is de Noordoostpolder.
Om de knelpunten in het net van de Noordoostpolder en Urk aan te pakken, verzwaart
Liander momenteel het net in onder meer Ens, Urk, Emmeloord en Espel.
Een geheel nieuw onderstation (waar hoogspanning en middenspanning worden gekoppeld)
kost echter vijf tot acht jaar om te laten realiseren. Voor de tracés van de verbindingen
naar het nieuwe onderstation die onder de Rijkscoördinatieregeling vallen, is gelet
op alle procedures acht jaar tot tien jaar nodig. Door de Aanpassing van de Crisis-
en Herstelwet is deze tijd al zoveel mogelijk verkort door bijvoorbeeld direct beroep
bij de rechter toe te staan. Grote netverzwaringen kennen zorgvuldige ruimtelijke
besluitvormingsprocedures. Daarbij is het belangrijk om te investeren in inspraak,
participatie en onderzoek naar de milieueffecten. De netverzwaringen hebben immers
impact op de leefomgeving van mensen, op natuur en landschap. Dergelijke besluitvormingsprocedures
kennen daarom een lange doorlooptijd.
Netbeheerders stellen iedere twee jaar vast welke verzwaringen nodig zijn om schaarste
in het net te voorkomen in het investeringsplan. De netbeheerders hebben bij hun investeringsbesluiten
de afgelopen jaren rekening gehouden met verschillende scenario’s ten aanzien van
de groei van duurzame opwek van elektriciteit. Voor wind was dit vanwege de structuurvisie
Wind op land tijdig en goed in beeld en daardoor is deze toename meegenomen in de
investeringen van de netbeheerders en hebben zij dit grotendeels tijdig kunnen opvangen.
Voor de opwek van zonne-energie bestaat een dergelijke structuurvisie niet, omdat
de ruimtelijke besluitvorming over zonneparken vooral een gemeentelijke aangelegenheid
is. Provincies en gemeenten hebben wel ruimtelijk beleid voor de inpassing van zonneparken,
dit is echter vrij recent ontwikkeld. Door de korte aanlooptijd van zonneparken heeft
dit ruimtelijk beleid niet overal geresulteerd in tijdige investeringen door netbeheerders.
Bovenstaande kaart1 geeft aan dat in bepaalde regio’s in Nederland de toename van zonvermogen ertoe heeft
geleid dat de capaciteit van het net binnen 2 jaar tijd een toename zou moeten hebben
gekend die volgens netbeheerders anders over een termijn van 30 jaar zou zijn gerealiseerd.
Een stijging in verband met investeringen in zonne-energie kon worden voorzien, echter
een stijging van een dergelijke omvang binnen zo’n korte tijd en in deze specifieke
regio’s was en kon in 2016 niet worden voorzien. In de NEV 2016 werd bijvoorbeeld
uitgegaan dat er ongeveer 600 MW per jaar zonvermogen gerealiseerd zou worden. Daar
komt bij dat netbeheerders enigszins terughoudend zijn met het doen van dergelijke
grote investeringen, om de kosten van het net zo laag mogelijk te houden. Investeringen
zonder dat daartoe een noodzaak is, is immers niet efficiënt.
De opgave voor Zon-PV voor de komende jaren is groot. Projecten met een SDE+-beschikking
uit 2016–2018 hebben nog ruim 8500 MWp te realiseren in Nederland.2 Onderstaande grafiek geeft de spreiding per provincie weer. Noord-Brabant is hierbij
koploper. In deze provincie zit nog 1374 MWp qua aangevraagd vermogen van SDE+ projecten
in de pijplijn. In Drenthe gaat het om 37 MWp voor 2016, 266 MWp voor 2017 en 509
MWp voor projecten uit 2018. Deze groei is belangrijk, gelet op de doelstellingen
voor hernieuwbare energie die het kabinet in 2020 wil bereiken.
Kern van de aanpak
Gegeven de bovenbeschreven problematiek en uit hoofde van hun wettelijke verplichting
zetten netbeheerders uiteraard in op uitbreiden en verzwaren van het net zodat zo
snel mogelijk de toestand is hersteld waarbij iedereen de gewenste hoeveelheid elektriciteit
kan transporteren ongeacht of het gaat om verbruik van elektriciteit of om (duurzame)
productie van elektriciteit. Gezien de tijd die voor uitbreiding van het landelijk
hoogspanningsnet in combinatie met de regionale netten nodig is, moet echter thans
noodgedwongen worden uitgegaan van de capaciteit van het bestaande net zolang netverzwaringen
niet zijn gerealiseerd. Het is daarom van groot belang dat dit net zo efficiënt en
flexibel mogelijk wordt gebruikt, met behoud van leveringszekerheid.
De problematiek van tekortschietende netcapaciteit zal een belangrijk aandachtspunt
zijn in deze transitieperiode. Deze vraagt op korte en lange termijn om acties van
de verschillende actoren, soms van bestuurlijke, dan weer van technische aard. Samenvattend
gaat het om de volgende acties. In de bijlage geef ik nadere toelichting en uitleg
bij deze acties3.
1. Oplossen knelpunten in Drenthe, Groningen en elders
Het verzwaren van het net zal uiteindelijk tot een (structurele) oplossing in Drenthe
en Groningen leiden. Nieuwe hoogspanningsstations in het noorden van het land zijn
in voorbereiding, maar deze zijn waarschijnlijk pas in 2028 in gebruik. TenneT onderzoekt
mogelijke oplossingen voor uitbreiding van de 110 kV-netten in het noorden van het
land. Deze investeringen kunnen binnen 3 jaar verlichting geven, maar de problematiek
niet geheel oplossen. TenneT voorziet dat om een toekomstige netstructuur te maken
die geschikt is om het toekomstig elektriciteitstransport te kunnen faciliteren, de
komende tijd meer investeringsbeslissingen nodig zijn, ook voor andere delen van het
land.
2. Inzetten van congestiemanagement door netbeheerders
Netbeheerders dienen op korte termijn meer gebruik te maken van de mogelijkheden die
zij hebben om congestie te voorkomen en de maatregelen die zij hebben om indien er
toch congestie is, deze te managen. Zo kunnen zij gebruik maken van inkoop van flexibiliteit
om congestie te managen. Een eigenaar van een batterij is een voorbeeld van een aangeslotene
die flexibiliteit kan leveren. Daarnaast zijn er ook andere aanbieders van flexibel
verbruik of tijdelijk afregelbare productie. De regionale netbeheerders onderzoeken
op dit moment de mogelijkheden die congestiemanagement biedt in gebieden met schaarste.
3. Aanpassing in wet- en regelgeving
Het huidige wettelijk kader is niet ontworpen voor perioden van transportschaarste
zoals deze zich op dit moment voordoet en het is soms voor partijen onduidelijk hoe
het wettelijk kader werkt. In het document «Vragen en Antwoorden Transportschaarste»
geeft de ACM nadere toelichting op de rechten en verplichtingen van aangeslotenen,
partijen die aangesloten willen worden en netbeheerders bij transportschaarste. Daarnaast
is aanpassing van wet- en regelgeving nodig om op korte termijn de netbeheerders (al
dan niet tijdelijk) meer ruimte te geven om te anticiperen op de toename aan duurzame
opwek die gedurende deze transitieperiode nodig is. Hiervoor zullen de volgende aanpassingen
in wet- en regelgeving worden gerealiseerd:
1. Energiewet
In de nieuwe Energiewet zal aan netbeheerders meer flexibiliteit worden geboden, zodat
zij de toename van duurzame opwek in deze energietransitie kunnen faciliteren. Zij
hebben instrumenten nodig om op opkomende congestie te reageren. Het gaat onder meer
om maatregelen om zon en wind van verschillende projecten op één aansluiting/kabel
aan te sluiten en het opnemen van een opknipverbod voor zonneparken. Ook zal worden
opgenomen dat de netbeheerder tegen zo laag mogelijk maatschappelijke4 kosten een aansluiting kan realiseren.
De verwachting is dat deze wet eind van dit jaar geconsulteerd kan worden. Vooruitlopend
hierop worden enkele wijzigingen voor gebieden met schaarste al uitgewerkt in een
algemene maatregel van bestuur onder de Crisis- en Herstelwet. Hierdoor kan het nieuwe
wettelijke kader voor deze gebieden al begin volgend jaar inwerking treden.
2. Redundantie van het net
Met de inwerkingtreding van de wet van 9 april 2018 tot wijziging van de Elektriciteitswet
1998 en van de Gaswet (hierna: wet voortgang energietransitie)5 is de mogelijkheid in de wet opgenomen om bij algemene maatregel van bestuur vrijstelling
te geven van de eis dat het landelijke hoogspanningsnet redundant moet worden uitgevoerd.
De algemene maatregel van bestuur die hiervoor nodig is, kan waarschijnlijk begin
volgend jaar in werking treden.
3. Meer experimenteerruimte
De wet voortgang energietransitie biedt ook meer mogelijkheden om te experimenteren.
Energiecoöperaties en/of verenigingen, zoals VVE’s, krijgen bijvoorbeeld de gelegenheid
om het energiebeheer zelf te organiseren door eigen opwek en verbruik te optimaliseren.
Ook biedt het besluit netbeheerders mogelijkheden om hun netten en aansluitingen beter
te benutten zonder meteen te verzwaren of uit te breiden. Hiermee mogen zij tot 10.000
aansluitingen experimenteren.
4. Aanpassing van de codes door netbeheerders
De netbeheerders werken aan codewijzigingsvoorstellen voor congestiemanagement, aanpassingen
naar aanleiding van het besluit vrijstelling redundantie-eisen en curtailment, zodat
deze beter zijn toegesneden op de nu ontstane situatie van transportschaarste zolang
de netverzwaringen niet zijn gerealiseerd. De verwachting is dat deze codewijzigingsvoorstellen
eind dit jaar bij de ACM kunnen worden ingediend.
5. SDE+ aanpassen aan capaciteitsgebrek
De realisatietermijn voor Zon-PV projecten varieert van 1,5 tot en met vier jaar.
RVO kan daarop maximaal 1 jaar uitstel verlenen, mits de subsidieaanvrager kan aantonen
dat realisatie van het project binnen 1 extra jaar wel financieel en technisch haalbaar
is. In gevallen waar de realisatietermijn is verstreken zal RVO de SDE+-beschikking
intrekken. Voor het verkrijgen van de SDE+-subsidie zal door de aanvrager van nieuwe
elektriciteitsprojecten vanaf de najaarsronde 2019 een document van de netbeheerder
moeten worden overgelegd waaruit blijkt dat transportcapaciteit beschikbaar is op
de locatie waar de productie-installatie is voorzien.
Hiermee wordt voorkomen dat subsidiebeschikkingen worden afgegeven aan projecten op
locaties waarvan op voorhand duidelijk is dat ze niet binnen de geldende subsidietermijnen
kunnen worden gerealiseerd (oftewel waar de komende jaren geen transportcapaciteit
beschikbaar zal zijn).
Het afgeven van een positieve indicatie door de netbeheerder kan echter niet gezien
kan worden als een aanbod op transport conform artikel 24 van de Elektriciteitswet
1998. Daarvoor moet de aanvrager eerst formeel een aansluit- en transportovereenkomst
bij de netbeheerder aanvragen. Ik acht het echter een stap te ver gaan om deze formele
overeenkomst voorwaardelijk te maken aan de SDE- subsidie.
6. Decentrale overheden en de regionale energiestrategieën
De regionale energiestrategieën die regio’s in het kader van het Klimaatakkoord opstellen,
zullen helpen om dit soort situaties in de toekomst te voorkomen. Provincies kunnen
inmiddels ook meer hun rol pakken door bijvoorbeeld bij grote netuitbreidingen te
kiezen voor provinciale coördinatie. De netbeheerders krijgen een adviserende rol
bij het opstellen van de regionale energiestrategieën. Daar wordt door middel van
locatiechecks ingezet op het zo slim mogelijk koppelen van decentrale productie en
beschikbaarheid op het net. De RES dient vervolgens als het uitgangspunt waarop de
netbeheerders hun investeringsplannen baseren.
Vervolg en afsluiting
Bovenstaande acties heb ik in een Bestuurlijk Overleg op 13 juni jl. besproken met
netbeheerders en regionale overheden. We hebben afgesproken de acties vanaf nu in
gang te zetten. Door gezamenlijke inspanning zullen een deel van de acties (zoals
inzetten congestiemanagement, nieuwe wetgeving, wijziging van de codes, SDE+ en regionale
energiestrategie) vanaf begin volgend jaar in gang worden gezet en stap voor stap
effect kunnen gaan hebben. Het verzwaren van het net zal minder snel gaan, vanwege
de ruimtelijke procedures die daarmee samenhangen. Alle betrokken partijen blijven
met elkaar in gesprek over de te nemen acties en het effect ervan. De resultaten uit
de regionale energiestrategieën zullen weer informatie geven voor eventueel te nemen
maatregelen in het vervolgtraject. Ik zal u begin volgend jaar berichten over de voortgang
van de ingezette acties.
Om de faciliterende edoch essentiële rol van het elektriciteitsnet ten volle vorm
te blijven geven in de toekomst moeten we ook blijven nadenken over gebruik van en
kostenverdeling wat betreft het net. We moeten gaan bezien of het model dat we nu
hebben in de toekomst houdbaar blijft. In het ontwerpKlimaatakkoord is afgesproken
om een Brede Rijksvisie Marktordening & Energietransitie op te stellen, waarin vanuit
een systeemperspectief zal worden ingegaan op de ordening, regulering, bekostiging
van nieuwe infrastructuur voor met name warmte, waterstof en CO2, rekening houdend met de implicaties voor gas en elektriciteitsnetwerken. Deze brede
Rijksvisie zal medio 2020 gereed zijn en antwoord moeten geven op de vraag of het
huidige model houdbaar blijft. Indien blijkt dat er een wijziging nodig is, kan dit
meegenomen worden in de vierde tranche van de wetgevingsagenda energietransitie. In
deze tranche is voorzien in een aanpassing van de Energiewet (Energiewet 2.0).
Schaarste op het elektriciteitsnet wordt niet voor alle gevallen op korte termijn
opgelost en kan zelfs de komende jaren in omvang toenemen. De inzet is om dit zo kort
en beperkt als mogelijk te houden, zodat marktpartijen hernieuwbare elektriciteitsprojecten
kunnen blijven realiseren.
Ik blijf dan ook in overleg met alle partijen om op alle mogelijk manieren samen te
werken aan het zo snel mogelijk vergroten van de capaciteit in het elektriciteitsnet.
Ik ben ervan overtuigd dat als we met alle betrokken partijen al onze creativiteit
inzetten, de regelgeving wijzigen op de hierboven beschreven punten en de prikkels
de goede kant op laten wijzen, we voor de energietransitie belangrijke stappen zetten.
De Minister van Economische Zaken en Klimaat,
E.D. Wiebes
Indieners
-
Indiener
E.D. Wiebes, minister van Economische Zaken en Klimaat
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.