Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
35 206 (R2127) Wijziging van enkele rijkswetten op het gebied van Justitie en Veiligheid in verband met gewijzigde regelgeving en enige andere aanpassingen van overwegend technische aard (Reparatierijkswet Justitie en Veiligheid 2019)
Nr. 3
MEMORIE VAN TOELICHTING
1. Algemeen
Het onderhavige voorstel van rijkswet omvat de aanpassing van een aantal rijkswetten
aan gewijzigde regelgeving en enige andere aanpassingen van overwegend technische
aard. Deze aanpassingen zijn onder meer het gevolg van wijzigingen in de Wet op de
rechterlijke organisatie (Wet RO), de Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren en
het Wetboek van Strafvordering. Met het oog op de leesbaarheid en overzichtelijkheid
is er wat betreft de toelichting op de wijzigingen voor gekozen om deze op te nemen
in de artikelsgewijze toelichting. Omdat dit voorstel slechts technische wijzigingen
aanbrengt, voortvloeiend uit eerdere wijzigingen in andere regelgeving, zijn geen
uitvoeringskosten of administratieve lasten te verwachten.
Het wetsvoorstel is voor advies voorgelegd aan het openbaar ministerie (OM), de Nederlandse
Vereniging voor Rechtspraak (NVvR), de Raad voor de rechtspraak (Rvdr) en de Nederlandse
Orde van Advocaten (NOvA)1. Het voorstel heeft de NVvR geen aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen.
De ontvangen adviezen van de Rvdr, de NOvA en het OM hebben op onderdelen tot wijziging,
aanvulling of verduidelijking van het wetsvoorstel of de memorie van toelichting geleid.
In zijn advies wijst het OM erop dat niet duidelijk is wie met «militaire autoriteit»
in artikel 10, tweede lid, Wet militaire strafrechtspraak (WMS) wordt bedoeld. Het
eerste lid van artikel 10 WMS regelt dat bij koninklijk besluit in een gebied waarvoor
een uitzonderingstoestand is afgekondigd of voor de berechting buiten het Koninkrijk
een of meer mobiele rechtbanken kunnen worden ingesteld. Omdat het instellen van mobiele
rechtbanken door de regering in een uitzonderingstoestand veel tijd kan vergen vanwege
schaarse communicatiemiddelen (vgl. Kamerstukken II 1982/83, 17804 (R 1228, nr. 5,
p. 25)), voorziet het tweede lid van artikel 10 WMS in de mogelijkheid om het instellen
van mobiele rechtbanken tijdens de noodtoestand bij koninklijk besluit te delegeren
aan een «militaire autoriteit». In dat koninklijk besluit zal de militaire autoriteit
worden aangewezen. Hierdoor bestaat de mogelijkheid om tijdens de uitzonderingstoestand
te bezien welke militaire autoriteit het meest aangewezen is om op dat moment de mobiele
rechtbank(en) in te stellen. De term «militaire autoriteit» komt ook voor in andere
wetgeving. Door het gebruik van deze term wordt voorkomen dat wanneer de organisatiestructuur
binnen Defensie wijzigt, de Wet militaire strafrechtspraak opnieuw gewijzigd moet
worden.
In de artikelsgewijze toelichting hieronder zal waar nodig op de overige inhoud van
de adviezen worden ingegaan.
2. Artikelsgewijze toelichting
Artikel I, onderdeel A
Met deze definitiebepaling wordt verduidelijkt dat in deze rijkswet onder het begrip
«militaire kamers» ook de militaire kantonrechter wordt verstaan.
Artikel I, onderdelen B, C, G, H, N en O
Het OM wijst in zijn advies op de artikelen 3 en 8 WMS. Daarin zou niet alleen verwezen
moeten worden naar artikel 55 Wet RO, maar ook naar artikel 49 Wet RO. De zinsnede
«genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie» in deze artikelen
slaat terug op «de rechtbank» (en niet op «de militaire kamers»). Om die reden kan
worden volstaan met een verwijzing naar artikel 55 Wet RO om duidelijk te maken dat
het gaat om de Rechtbank Gelderland. De achtergrond van de keuze destijds om voor
deze verwijzing te kiezen, was dat tijdens de parlementaire behandeling van de wet
die leidde tot deze formulering (Stb. 2013, 25) nog discussie bestond over de vraag of bij de (voorstellen voor de) herziening van
de gerechtelijke kaart de rechtbank Oost-Nederland in de rechtbanken Gelderland en
Overijssel moest worden opgesplitst (zie Kamerstukken II 2012/13, 33 429 (R 1988), nr. 6). Inmiddels is gekozen voor deze opsplitsing en is deze doorgevoerd. Dat betekent
dat thans in de artikelen waarin de rechtbank Gelderland wordt bedoeld, de zinsnede
«de rechtbank, genoemd in artikel 55 van de Wet op de rechterlijke organisatie» kan
worden vervangen door «de rechtbank Gelderland». Ook in de bepalingen waarin wordt
gedoeld op het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wordt de verwijzing naar de Wet RO vervangen
door de aanduiding van het gerechtshof.
Artikel I, onderdeel D
In zijn advies bij het wetsvoorstel doet de Rvdr de suggestie om ook artikel 4 WMS
te wijzigen, nu deze in de praktijk onvoldoende duidelijkheid geeft over wie de bevoegde
rechter is, wat zou leiden tot fouten en verwarring. Dit wordt volgens de Rvdr veroorzaakt
door de combinatie van de woorden «bij voorkeur» en «tenzij» in het huidige tweede
lid. De Rvdr doet in zijn advies een voorstel voor een nieuw derde lid, welk voorstel
hier wordt overgenomen. Het is belangrijk dat de wet voor een ieder duidelijk is en
dat de redactie van bepalingen geen aanleiding geeft tot verwarring. Daarom wordt
voorgesteld dit derde lid op te nemen in artikel 4 WMS. Ten overvloede vermeld ik
dat hiermee geen inhoudelijke wijziging is beoogd.
Artikel I, onderdeel F
Tot 1 januari 1999 was de beëdiging van de militaire leden van de militaire kamer
bij de rechtbank Gelderland en het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden geregeld in artikel
(9, vijfde lid, jo.) 6, vierde lid, van de Wet militaire strafrechtspraak, doordat
in die bepaling artikel 29 Wet RO van overeenkomstige toepassing werd verklaard. De
regeling van de ambtseed is nadien verplaatst van de Wet RO naar artikel 5g van de
Wet rechtspositie rechterlijke ambtenaren. De verwijzing naar dat artikel is destijds
niet overgenomen in de WMS. Met de voorgestelde wijziging wordt dit hersteld. Hierbij
wordt opgemerkt dat met deze wijziging op wettelijk niveau wordt gecorrigeerd wat
eerder op lager niveau, te weten met het Rijksbesluit uitvoeringsbepalingen militair
straf- en tuchtrecht, is geregeld. De bepaling uit genoemd Rijksbesluit kan bij gelegenheid
komen te vervallen.
Artikel I, onderdelen I en J
De verwijzing in de artikelen 16 en 19 WMS naar artikel 78 Wet RO wordt geactualiseerd.
Artikelen I, onderdelen K en L, en II, onderdelen E en F
In de memorie van toelichting bij de Wet van 17 november 2016, houdende wijziging
van het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met aanvulling
van bepalingen over de verdachte, de raadsman en enkele dwangmiddelen (Stb. 2016, 476), is vermeld dat een tweetal rijkswetten – het betreft de Wet militaire strafrechtspraak
en de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof – in technische zin aanpassing behoeven
(Kamerstukken II 2014/15, 34 159, nr. 3, p. 30). Deze voorgestelde wijzigingen zijn opgenomen in artikel 24, tweede lid,
WMS en de artikelen 22, derde lid en 29, eerste lid, Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof.
Zoals in de memorie van toelichting bij de genoemde wet is aangegeven, wordt de ambtshalve
toevoeging omgezet in een aanwijzing (Kamerstukken II 2014/15, 34 159, nr. 3, p. 7). Tevens voorziet de genoemde wet erin dat de kennisgeving dat een raadsman
moet worden toegevoegd als regel door de politie of het openbaar ministerie aan de
Raad voor Rechtsbijstand wordt gegeven, in plaats van – via de ambtshalve last – door
de voorzitter van de rechtbank of het hof (Kamerstukken II 2014/15, 34 159, nr. 3, p. 7–8). In de consultatieversie van die wet werden deze wijzigingen ook doorgevoerd
in artikel 23 WMS. Naar aanleiding van de kritische adviezen van de NOvA en de Rvdr
zijn deze wijzigingen evenwel herzien. Bovendien heeft het advies van de NOvA mij
aanleiding gegeven om artikel 23 WMS in het licht van richtlijn 2013/48/EU (hierna:
de richtlijn) kritisch te bekijken en waar nodig aan te passen. Dit heeft geleid tot
onderhavige wijziging van deze bepaling.
In het huidige artikel 23 WMS is geregeld dat een officier kan optreden als raadsman
en dat hij onder het Wetboek van Strafvordering, voor wat betreft de rechten en bevoegdheden
die aan een raadsman toekomen, gelijk wordt gesteld met een raadsman. Dit betekent
onder meer dat de officier-raadsman zich kan beroepen op het verschoningsrecht (artikel
218 Wetboek van Strafvordering). Voorts is de officier-raadsman op grond van artikel
12a Militaire Ambtenarenwet 1931 verplicht tot geheimhouding van alle informatie die
hem in zijn hoedanigheid als officier-raadsman wordt toevertrouwd. Een officier-raadsman
kan door de voorzitter van de rechtbank of het hof waarvoor de zaak moet dienen aan
de verdachte worden toegevoegd.
Een militaire verdachte wordt – net als elke andere verdachte – gewezen op zijn recht
op bijstand door een advocaat. Bijstand van een militaire verdachte door een reguliere
advocaat is dan ook het uitgangspunt. Bijstand van een militaire verdachte door een
officier-raadsman is een aanvullend recht. De officier-raadsman komt in de praktijk
vaak later in het strafproces, veelal pas op zitting, in beeld. In zijn bijstand aan
de verdachte militair richt de officier-raadsman zich op de specifieke militaire aspecten
van de zaak en de sociale factoren die daarmee in verband staan. Hij kan hierop met
verstand van zaken en op een adequate wijze een toelichting geven aan de rechter.
Hiermee vervult de officier-raadsman een waardevolle functie binnen het militaire
strafrecht.
Iedere militair krijgt in zijn opleiding ook onderwijs in het (militair) straf- en
strafprocesrecht. Een militair die als officier-raadsman wil optreden, krijgt een
extra, daarop toegesneden scholing. Daarbij wordt hij erop gewezen dat hij – gegeven
het feit dat hij geen strafrechtelijk gespecialiseerde jurist is – waar nodig de verdachte
militair moet adviseren de bijstand in te roepen van een advocaat. De officier-raadsman
vervult in de praktijk met name een rol in kanton- en politierechterzaken. Dit betreffen
zaken die doorgaans juridisch relatief eenvoudig van aard zijn. Wanneer het gaat om
zwaardere feiten of complexe zaken zal de officier-raadsman de verdachte altijd adviseren
zich te laten bijstaan door een advocaat. Voorts is het mogelijk – en in de praktijk
komt dit ook niet zelden voor – dat een verdachte zowel door een advocaat als door
een officier-raadsman wordt bijgestaan, waarbij de advocaat de juridische bijstand
verleent en de officier-raadsman zich richt op de militaire aspecten van de zaak.
In beginsel geldt dat de officier-raadsman, evenals de verdachte militair, in hiërarchisch
opzicht ondergeschikt is aan de Minister van Defensie. Met het oog op onafhankelijke
bijstand wordt een officier geacht alleen in te stemmen met een verzoek om als raadsman
op te treden als er voldoende functionele afstand is tot de verdachte en het feitencomplex
en als zijn optreden als raadsman de dienstuitoefening niet schaadt. Daarnaast is
de officier-raadsman op grond van artikel 12a van de Militaire Ambtenarenwet 1931
verplicht tot geheimhouding van alle informatie die hem in de hoedanigheid als officier-raadsman
wordt toevertrouwd. Schending van deze geheimhoudingsplicht door de informatie te
gebruiken of te delen voor enig ander doel dan waarvoor hem die informatie is bekend
geworden, levert een tuchtvergrijp (artikel 6 Wet militair tuchtrecht) en mogelijk
ook een commuun strafbaar feit op (artikel 272 van het Wetboek van Strafrecht). De
geheimhoudingsplicht van de officier-raadsman waarborgt de onafhankelijkheid van de
officier-raadsman jegens de militaire organisatie.
Ik deel de visie van de NOvA dat een officier-raadsman niet kan worden aangemerkt
als rechtshulpverlener in de zin van de richtlijn en dat het aanwijzen van een officier-raadsman
daarom niet zonder meer kan worden gezien als alternatief voor het aanwijzen van een
advocaat in situaties waarin een verdachte recht heeft op bijstand door een advocaat.
In de wettekst dient te worden uitgedrukt dat het recht op een raadsman – waaronder
een advocaat dient te worden verstaan – onverkort voor een militaire verdachte geldt.
De officier-raadsman vervult evenwel een waardevolle functie binnen het militaire
strafrecht. Er wordt veelvuldig gebruik gemaakt van de (kosteloze) bijstand door een
officier-raadsman en deze figuur wordt door zowel verdachten als de rechtspraak gewaardeerd.
Om die reden blijft het mogelijk voor een militaire verdachte om te worden bijgestaan
door een officier-raadsman, waarbij aan deze alle rechten en bevoegdheden van een
raadsman toekomen, waaronder het voeren van verweer. In de wet zal evenwel worden
verduidelijkt dat een verdachte alleen kan worden bijgestaan door een officier-raadsman
in plaats van een advocaat wanneer hij hier expliciet om verzoekt en wanneer hij overeenkomstig
artikel 28a Sr vrijwillig en ondubbelzinnig afstand doet van het recht op een advocaat.
Opgemerkt zij dat dit al staand beleid is bij het openbaar ministerie. Anders dan
de huidige tekst van artikel 23 WMS lijkt te impliceren, doen zich voorts in de praktijk
geen situaties voor waarin geen advocaat beschikbaar is. Dit wordt ook benadrukt in
het advies van de NOvA. In het militair recht gespecialiseerde advocaten, met ervaring
in het bijstaan van verdachte militairen, zijn verenigd in De Militaire Balie. Deze
advocaten verlenen ook piketbijstand. Ook in een operatie- of oefengebied kan de verdachte
zijn recht op consultatie- en verhoorbijstand effectueren; het contact tussen advocaat
en verdachte vindt zo nodig plaats via bijvoorbeeld videoconferentie. Indien ter plaatse
geen videoconferentie-verbinding aanwezig is, deze niet tot stand kan worden gebracht
en/of de verdachte niet instemt met verhoorbijstand met behulp van een telefoonverbinding,
kan, indien het opsporingsbelang daartoe aanleiding geeft, de verdachte militair op
voorstel van de officier van justitie worden gerepatrieerd teneinde het verhoor in
Nederland te laten plaatsvinden.
In de consultatieversie van dit wetsvoorstel werd voorgesteld om in artikel 23 WMS
– in verband met de gewijzigde systematiek in het Wetboek van Strafvordering – het
toevoegen van een officier-raadsman door de voorzitter van de rechtbank of het hof
te vervangen door een aanwijzing door de Raad voor Rechtsbijstand, in opdracht van
het openbaar ministerie. In hun adviezen hebben de Rvdr, de NOvA en het OM erop gewezen
dat de Raad voor Rechtsbijstand geen rol vervult met betrekking tot de officier-raadsman.
Bovendien is betrokkenheid van de Raad voor Rechtsbijstand in het kader van de financiering
van de officier-raadsman ook niet nodig, nu deze wordt bekostigd door het Ministerie
van Defensie. Ik heb daarom besloten om de voorgestelde wijziging te laten vervallen.
Artikel I, onderdelen E, M en S
Deze onderdelen bevatten redactionele wijzigingen die geen nadere toelichting behoeven.
Artikel I, onderdeel P
In de consultatieversie van dit wetsvoorstel werd een technische wijziging in artikel
39 WMS voorgesteld. Bij nadere bestudering van artikel 39 WMS is evenwel gebleken
dat deze bepaling niet aansluit bij de systematiek van de Wet militaire strafrechtspraak.
Ingevolge artikel 1, derde lid, van die wet is het Wetboek van Strafvordering van
overeenkomstige toepassing, tenzij daarvan bij deze wet wordt afgeweken. Het huidige
artikel 39 lijkt te berusten op de gedachte dat nu de kinderrechter binnen het militaire
recht geen rol is toebedeeld – vanwege de militaire expertise worden zaken altijd
door de militaire kamers of de militaire kantonrechter van de rechtbank Gelderland
behandeld – de bepalingen in het Wetboek van Strafvordering aangaande minderjarige
verdachten niet automatisch van toepassing zijn op de minderjarige verdachte militair
en om die reden expliciet van toepassing moeten worden verklaard in de Wet militaire
strafrechtspraak. De toepasselijkheid van de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering
betreffende jeugdige en minderjarige verdachten (Titel II. Strafvordering in zaken
betreffende jeugdige personen) volgt evenwel niet uit de bevoegdheid van de kinderrechter
(artikel 495 Sv) maar uit de leeftijd van de verdachte. Om die reden wordt ervoor
gekozen om het huidige artikel 39 WMS te laten vervallen. Het nieuwe artikel 39 WMS
zal alleen duidelijk maken dat de kinderrechter en de reguliere kantonrechter niet
bevoegd zijn, door te bepalen dat de artikelen 495 Sv – en in verband daarmee artikel
499 Sv – en 500 Sv niet van toepassing zijn.
Artikel I, onderdelen Q en R
De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 42 en 46 volgen uit de hernummering van
de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering die zien op de tenuitvoerlegging
en de verplaatsing van de bepalingen uit het Wetboek van Strafvordering over de wijze
van kennisgeving van gerechtelijke mededelingen. Deze wijzigingen in het Wetboek van
Strafvordering zijn doorgevoerd bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke
beslissingen. De genoemde bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.
Artikel II, onderdelen A, B en D, III tot en met V en VIII
Met de invoering van de Wet herziening gerechtelijke kaart zijn onder meer de benamingen
van gerechten, parketten en functionarissen werkzaam binnen de rechterlijke organisatie
gewijzigd. Met de wijzigingen voorgesteld in de artikelen II, onderdelen A, B en D,
III, onderdeel E, IV, V, onderdeel B en VIII worden deze benamingen ook aangepast
in verschillende rijkswetten.
De wijzigingen in artikel III, onderdelen A en B, vloeien voort uit de inwerkingtreding
van Boek 10 van het Burgerlijk Wetboek van Nederland op 1 januari 2012. Met artikel
III, onderdeel C, wordt een onjuiste verwijzing gecorrigeerd. Met artikel III, onderdeel
D, wordt een achterhaalde verwijzing naar de Nederlandse Antillen geactualiseerd.
Met artikel V, onderdeel A, wordt een achterhaalde verwijzing naar de Politiewet 1993
geactualiseerd.
Artikel II, onderdelen C en G tot en met K
De voorgestelde wijzigingen in artikel II, onderdelen C en G tot en met K, vloeien
voort uit wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering als gevolg van de Wet herziening
tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.
De Rvdr merkt in zijn advies op dat op een aantal plekken in voorliggend voorstel
van rijkswet wordt verwezen naar bepalingen in het ontwerpWetboek van Strafvordering.
De Rvdr stelt dat die bepalingen nog niet van kracht zijn en vraagt zich daarom af
of het niet voorbarig is daarnaar nu al te verwijzen. De bepalingen waarop de Rvdr
doelt, zijn vastgesteld bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.
Het hierin vastgestelde nieuwe Boek 6 van het Wetboek van Strafvordering, met regels
over de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen, kan als zelfstandig onderdeel,
vooruitlopend op de algehele modernisering van het Wetboek van Strafvordering in werking
treden. Voor de onderdelen van voorliggend wetsvoorstel die de genoemde nieuwe artikelen
bevatten, is beoogd deze pas daarna of gelijktijdig in werking te laten treden. Dit
is mogelijk door het voorgestelde artikel XIII, dat gefaseerde inwerkingtreding mogelijk
maakt. Om deze reden acht de regering de opgenomen verwijzingen niet voorbarig. Voor
de goede orde merk ik nog op dat het boek over de tenuitvoerlegging uiteindelijk Boek
8 zal zijn in het gemoderniseerde Wetboek van Strafvordering en dat er op termijn
voor het gehele gemoderniseerde wetboek een rijkswet zal volgen, waarin alle verwijzingen
naar het Wetboek van Strafvordering in rijkswetten zullen worden aangepast aan het
gemoderniseerde wetboek.
De voorgestelde wijzigingen van de artikelen 9 en 56 van de Uitvoeringswet Internationaal
Strafhof volgen uit de verplaatsing van de betekeningsregeling naar het algemeen deel
van het Wetboek van Strafvordering. De voorgestelde wijziging van artikel 44 volgt
uit de hernummering van de bepalingen die zien op schadevergoeding en kosten. De voorgestelde
wijzigingen van de artikelen 64 en 82 van de Uitvoeringswet Internationaal Strafhof
volgen uit de hernummering van de bepalingen die zien op de tenuitvoerlegging. De
genoemde bepalingen zijn voor het overige ongewijzigd.
Artikel VI
Ingevolge artikel IA, onderdeel A, subonderdelen 1 en 3, van de Rijkswet van 10 februari
2017, houdende wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap in verband met het
intrekken van het Nederlanderschap in het belang van de nationale veiligheid (Stb. 2017, 52) in verbinding met artikel II, tweede lid, van die wet, vervallen het vierde en negende
lid van artikel 14 van de Rijkswet op het Nederlanderschap vijf jaar na de inwerkingtreding
daarvan. Van deze gelegenheid is gebruikgemaakt om twee kennelijke verschrijvingen
in deze wijzigingsopdrachten te corrigeren. De huidige formulering leidt er abusievelijk
toe dat ook artikel 14, derde lid, vervalt. Voorts gaat het vervallen van het negende
lid ten onrechte niet gepaard met een vernummering van het huidige tiende lid. Een
en ander wordt hersteld met de in artikel VII voorgestelde wijzigingen.
Artikel VII
Met de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen wordt in het
Europese deel van Nederland de Minister van Justitie en Veiligheid van Nederland direct
verantwoordelijk voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. Het
is ten gevolge daarvan voor het Europese deel van Nederland niet langer het openbaar
ministerie maar de Minister die het gegronde vermoeden kan krijgen dat een veroordeelde
zich buiten het Koninkrijk begeeft om zich te onttrekken aan de tenuitvoerlegging
van een straf. Deze voorgestelde wijziging strekt tot de vastlegging van deze nieuwe
verantwoordelijkheidsverdeling. Voor het overige is de bepaling ongewijzigd.
Artikelen IX en X
De voorgestelde wijzigingen volgen uit de hernummering van de bepalingen uit het Wetboek
van Strafvordering die zien op de tenuitvoerlegging. Deze hernummering is doorgevoerd
bij de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen. Artikel 23t,
tweede lid, derde zin, van de Rijksoctrooiwet 1995 en artikel 2, tweede lid, van de
Rijkswet cassatierechtspraak in uitleveringszaken voor Aruba, Curaçao en Sint Maarten
zijn voor het overige ongewijzigd.
Artikel XI
Dit artikel regelt de samenloop van de in artikel V voorgestelde wijziging van artikel
24 van de Rijkswet Noodvoorzieningen Scheepvaart met de Invoeringsrijkswet vereenvoudiging
en digitalisering procesrecht en uitbreiding prejudiciële vragen. Deze Invoeringsrijkswet,
die wel al tot wet is verheven maar nog niet volledig in werking is getreden, voorziet
eveneens in terminologische verbeteringen in artikel 24 van de Rijkswet Noodvoorzieningen
Scheepvaart.
Artikel XII
Dit artikel regelt de samenloop van de in artikel II, onderdeel J, voorgestelde wijziging
van artikel 69 Uitvoeringswet Internationaal Strafhof met het bij koninklijke boodschap
van 15 januari 2019 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Penitentiaire
beginselenwet, het Wetboek van Strafrecht en enige andere wetten in verband met de
wijziging van de regeling inzake detentiefasering en voorwaardelijke invrijheidstelling
(Wet straffen en beschermen) (35 122). Concreet gaat het daarbij om de situatie dat de Wet straffen en beschermen eerder
in werking treedt dan de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen.
Artikel XIII
Dit betreft een gebruikelijke inwerkingtredingsbepaling.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
F.B.J. Grapperhaus
Ondertekenaars
F.B.J. Grapperhaus, minister van Justitie en Veiligheid
Bijlagen
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.