Memorie van toelichting : Memorie van toelichting
35 204 Wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet houdende implementatie van de artikelen 15 en 16 van Richtlijn 2014/40/EU inzake de procedure en de verkoop van tabaksproducten
Nr. 3 HERDRUK1 MEMORIE VAN TOELICHTING
ALGEMEEN DEEL
1. Inleiding
Op 3 april 2014 is Richtlijn 2014/40/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende
de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de
lidstaten inzake de productie, de presentatie en de verkoop van tabaksproducten en
aanverwante producten en tot intrekking van Richtlijn 2001/37/EG2 (hierna: de tabaksproductenrichtlijn) tot stand gekomen. De tabaksproductenrichtlijn
beoogt de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen
van de lidstaten inzake de productie, presentatie en verkoop van tabaksproducten en
aanverwante producten teneinde de interne markt voor tabaksproducten en aanverwante
producten beter te doen functioneren – waarbij wordt uitgegaan van een hoog niveau
van bescherming van de volksgezondheid, met name voor jongeren – en teneinde te voldoen
aan de verplichtingen van de Europese Unie die voortvloeien uit het WHO-Kaderverdrag
inzake tabaksontmoediging (ook bekend als het FCTC-verdrag).3 Afgezien van de artikelen 15 en 16, is de tabaksproductenrichtlijn reeds op 20 mei
2016 in nationaal recht geïmplementeerd door middel van wijzigingen van de Tabakswet
(inmiddels: Tabaks- en rookwarenwet) en daarop gebaseerde regelgeving.4 Uit de artikelen 15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn volgt de verplichting om
alle verpakkingseenheden van sigaretten, shagtabak en andere tabaksproducten te voorzien
van unieke identificatiemarkeringen (ten behoeve van een volg- en traceersysteem)
en veiligheidskenmerken. De verplichtingen uit de artikelen 15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn
dienen ten aanzien van sigaretten en shagtabak vanaf 20 mei 2019 en ten aanzien van
andere tabaksproducten vanaf 20 mei 2024 te zijn geïmplementeerd.5 Om deze artikelen te implementeren, is deze wijziging van de Tabaks- en rookwarenwet
opgesteld (hierna: het wetsvoorstel). Aan het einde van de artikelsgewijze toelichting
zijn transponeringstabellen opgenomen waarin te zien is in welke artikelen de EU-verplichtingen
worden geïmplementeerd.
De verplichtingen uit de artikelen 15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn hebben
primair het terugdringen van de illegale handel in tabak tot doel. Naar schatting
zijn wereldwijd 1 op de 10 sigaretten en andere tabaksproducten afkomstig van de illegale
handel in tabak. De illegale tabaksmarkt in de Europese WHO regio is naar schatting
ongeveer 6 tot 10% van de totale tabaksproductenmarkt. Bovendien worden in Europa
de meeste illegale sigaretten ter wereld in beslag genomen.6 Alleen al in Nederland zijn vanaf 2011 tot en met 2014 332 miljoen illegale sigaretten
in beslag genomen.7 De illegale handel in tabaksproducten ondermijnt de effectiviteit van beleid en regelgeving
gericht op tabaksontmoediging en is daarmee een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid.
Gelet op de gevolgen voor de volksgezondheid bij het gebruik van tabaksproducten,
zoals het ontstaan van kanker, longziekten en hart- en vaatziekten, hecht de regering
belang aan een effectief tabaksontmoedigingsbeleid.
De met dit wetsvoorstel geïmplementeerde verplichtingen uit de artikelen 15 en 16
van de tabaksproductenrichtlijn zullen een belangrijke bijdrage leveren aan het terugdringen
van illegaal handelsverkeer binnen een regelgevingskader dat rekening houdt met de
doelstelling om een hoger niveau van volksgezondheid te waarborgen. De beschikbaarheid
van grote hoeveelheden illegale tabaksproducten die in de handel worden gebracht ondermijnt
sterk de doelstellingen van de tabaksproductenrichtlijn, nationale tabaksregelgeving
alsmede nationaal en Europees beleid inzake tabaksbestrijding. Het is ten eerste minder
aannemelijk dat illegale tabaksproducten voldoen aan de vereisten zoals opgenomen
in nationale en Europese tabaksregelgeving, zoals reeds geldende verpakkingsvoorschriften.
Daarmee profiteren consumenten niet van maatregelen op het gebied van volksgezondheid
die onder andere volgen uit de tabaksproductenrichtlijn. Daarnaast bemoeilijkt de
handel in illegale tabak het stoppen met roken en vergemakkelijkt het tabaksgebruik,
met name voor jongeren, doordat daarmee goedkopere alternatieven beschikbaar zijn
en de effectiviteit van belastingmaatregelen tegen roken, zoals het heffen van accijnzen,
wordt ondergraven. Met de inrichting van een volg- en traceringssysteem en het verplichten
van veiligheidskenmerken op verpakkingseenheden van tabaksproducten wordt het terugdringen
van de beschikbaarheid van illegale tabaksproducten beoogd. Dit voorstel van wet heeft
derhalve positieve gevolgen voor de gezondheid van burgers.
2. Artikel 15 en 16 tabaksproductenrichtlijn op hoofdlijnen
a. Artikel 15 tabaksproductenrichtlijn: volg- en traceersysteem
Om het probleem van de illegale handel in tabaksproducten aan te pakken, is in artikel
15 van de tabaksproductenrichtlijn vastgelegd dat alle verpakkingseenheden van tabaksproducten
die gefabriceerd worden in of geïmporteerd worden naar de Europese Unie gemerkt moeten
worden met een unieke identificatiemarkering (zoals een barcode), zodat hun bewegingen
kunnen worden geregistreerd. Zo kunnen die producten in de gehele Unie worden gevolgd
en getraceerd. De unieke identificatiemarkering kan met speciale apparatuur gescand
worden en bevat specifieke dataelementen met betrekking tot het tabaksproduct, zoals
de plaats en datum van productie, de beschrijving van het product en de beoogde verzendingsroute.
Verder moeten de bij de handel in tabaksproducten betrokken marktdeelnemers van alle
verpakkingseenheden, het in bezit krijgen, alle tussenliggende bewegingen en het niet
langer in hun bezit hebben van de verpakkingseenheden registreren. Uit artikel 15,
vijfde lid, van de tabaksproductenrichtlijn volgt dat aan deze verplichting kan worden
voldaan door het merken en registreren van geaggregeerde verpakkingseenheden van tabaksproducten,
zoals sloffen, mastercases of pallets, mits alle verpakkingseenheden te traceren zijn.
Teneinde de onafhankelijkheid en transparantie van het volg- en traceersysteem te
waarborgen, moeten producenten van tabaksproducten contracten over de opslag van gegevens
sluiten met een onafhankelijke derde, die de faciliteit voor gegevensopslag beheert
voor alle relevante gegevens. Dit volgt uit artikel 15, achtste lid, van de tabaksproductenrichtlijn.
De geregistreerde bewegingen moeten zo snel mogelijk worden verzonden naar en opgeslagen
worden bij deze onafhankelijke gegevensopslagprovider. De activiteiten van deze gegevensopslagprovider
worden gecontroleerd door een externe auditor. Ten behoeve van toezicht en handhavingsdoeleinden
moeten de faciliteiten voor gegevensopslag voor de externe auditor, de bevoegde nationale
autoriteiten en de Europese Commissie volledig toegankelijk zijn. Een volg- en traceersysteem
voor tabaksproducten vereenvoudigt het toezicht en de handhaving op illegale tabakshandel
omdat nationale autoriteiten daarmee een overzicht hebben van alle bewegingen van
tabaksproducten in de Europese Unie. Daarmee is het mogelijk om gevallen van illegale
handel te identificeren en passende maatregelen te nemen.
b. Artikel 16 tabaksproductenrichtlijn: veiligheidskenmerken
Om de verificatie van de authenticiteit van tabaksproducten voor zowel bevoegde autoriteiten
als consumenten te vergemakkelijken, is in artikel 16 van de tabaksproductenrichtlijn
bepaald dat op alle verpakkingseenheden van tabaksproducten die in de handel worden
gebracht een onvervalsbaar veiligheidskenmerk moet worden aangebracht. Dit kenmerk
moet zijn samengesteld uit zichtbare en onzichtbare elementen. Het veiligheidskenmerk
moet niet verwijderbaar, onuitwisbaar en fraudebestendig zijn en moet uit minstens
vijf soorten authenticatie-elementen bestaan, waarvan er ten minste één open, één
half-verborgen en één verborgen moet zijn. Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/5768 bevat een niet-limitatieve lijst met soorten authenticatie-elementen. De lidstaten
waar accijnszegels of voor belastingdoeleinden gebruikte nationale herkenningstekens
verplicht zijn, kunnen toestaan dat deze worden gebruikt voor het veiligheidskenmerk,
mits de accijnszegels of nationale herkenningstekens voldoen aan alle technische normen
en functies die in artikel 16 van de tabaksproductenrichtlijn en in Uitvoeringsbesluit
(EU) 2018/576 worden opgelegd. Door de verpakkingseenheid van een tabaksproduct te
voorzien van een veiligheidskenmerk wordt de authenticiteit van het product gewaarborgd.
Het is voor bepaalde tabaksproducten die in Nederland in de handel worden gebracht
(zoals Tax Free tabaksproducten) niet bij wet verplicht om er een accijnszegel op
aan te brengen. Ook deze tabaksproducten moeten echter op grond van artikel 16 van
de tabaksproductenrichtlijn voorzien zijn van een veiligheidskenmerk.
3. De artikelen 15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn in Europese en internationale
context
a. WHO FCTC-Protocol tot uitbanning van illegale handel in tabaksproducten
Het FCTC-verdrag bevat een verplichting voor de Europese Unie om als onderdeel van
een veelomvattend Uniebeleid ter bestrijding van het tabaksgebruik, ook illegaal in
de Unie ingevoerde tabaksproducten, te bestrijden. Met het oog hierop zijn de artikelen
15 en 16 in de tabaksproductenrichtlijn opgenomen. Met artikel 15 van de tabaksproductenrichtlijn
wordt uitvoering gegeven aan artikel 8 van het Protocol betreffende de uitbanning
van illegale handel in tabaksproducten bij het Kaderverdrag van de Wereldgezondheidsorganisatie
inzake tabaksontmoediging (hierna: WHO FCTC-protocol). In artikel 8 van het WHO FCTC-protocol
is namelijk bepaald dat partijen bij dit protocol een wereldwijde volg- en traceerregeling
voor tabaksproducten moeten instellen. Het FCTC-protocol is op 25 september 2018 in
werking getreden. Met dit voorstel van wet voldoet Nederland derhalve niet alleen
aan de implementatieplicht van artikel 15 van de tabaksproductenrichtlijn, maar wordt
ook uitvoering gegeven aan de verplichtingen uit artikel 8 van het WHO FCTC-protocol.
De regering is voornemens om ook de overige bepalingen uit het WHO FCTC-protocol te
implementeren en ratificeren. Vanwege de brede strekking en de complexiteit van het
WHO FCTC-protocol zal het besluit tot ratificatie van het protocol op een later moment
aan het parlement worden voorgelegd.
b. Uitvoeringshandelingen Europese Commissie
Op grond van artikel 15, elfde lid, van de tabaksproductenrichtlijn is de Europese
Commissie bevoegd door middel van uitvoeringshandelingen technische normen vast te
stellen voor de instelling en werking van een volg- en traceersysteem voor tabaksproducten,
met inbegrip van het merken met een unieke identificatiemarkering, het vastleggen,
doorgeven, verwerken en opslaan van gegevens en de toegang tot de opgeslagen gegevens.
De Europese Commissie heeft deze technische normen vastgesteld in Uitvoeringsverordening
(EU) 2018/574.9 De Europese Commissie heeft de centrale elementen van de gegevensopslagcontracten
als bedoeld in artikel 15, achtste lid, van de tabaksproductenrichtlijn in de Gedelegeerde
Verordening (EU) 2018/57310 nader uitgewerkt. De technische normen voor op tabaksproducten aangebrachte veiligheidskenmerken
zijn in Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576 nader uitgewerkt.
Delen van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 en Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576
worden zowel bij dit wetsvoorstel als bij lagere regelgeving geïmplementeerd. Gedelegeerde
Verordening (EU) 2018/573 behoeft geen implementatie.
4. Toezicht en handhaving
a. Algemeen
De NVWA is reeds belast met het toezicht op de naleving van de bepalingen van de Tabaks-
en rookwarenwet en dus ook op de bepalingen uit het wetsvoorstel. In aanvulling daarop
zal daarnaast de Douane worden belast met het toezicht en de handhaving van de bepalingen
uit dit wetsvoorstel dat ziet op de aanwezigheid van het veiligheidskenmerk bij de
verkoop van tabaksproducten en op de unieke identificatiemarkering. Het toezicht door
de Douane zal zich richten op het toezicht op accijnsverkooppunten, op importzendingen
en op binnenlands vervoer. Voor deze werkzaamheden heeft de Douane een uitvoeringstoets
uitgevoerd.11 Teneinde het toezicht doeltreffend te organiseren en te stroomlijnen zullen er tussen
het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de NVWA en de Douane werkafspraken
gemaakt worden. Bij het maken van deze werkafspraken zal aandacht worden besteed aan
o.a. informatie-uitwisseling en samenwerking.
Het wetsvoorstel behelst regels die het terugdringen van illegale tabakshandel tot
doel hebben. Deze doelen kunnen alleen worden bereikt bij naleving van de regels.
Artikel 23 van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt hierover dat lidstaten regels voor
sancties moeten vaststellen die opgelegd dienen te worden bij overtredingen van de
op grond van de richtlijn vastgestelde nationale bepalingen. Lidstaten dienen alle
nodige maatregelen te treffen om ervoor te zorgen dat de sancties worden toegepast.
De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikwekkend zijn. Eventuele
financiële administratieve sancties die kunnen worden opgelegd voor een opzettelijke
overtreding kunnen zo worden vastgesteld dat zij het met de overtreding beoogde economische
voordeel wegnemen.
De toezichts- en handhavingstaken die gelden op grond van de huidige Tabaks- en rookwarenwet
worden uitgebreid voor de bepalingen van het wetsvoorstel. Dit betekent het volgende.
b. Toezicht en handhaving
Op grond van Europese regelgeving hebben de lidstaten vrijheid bij het vormgeven van
het toezicht en handhaving. De NVWA is op dit moment reeds aangewezen als toezichthouder
ingevolge de huidige Tabaks- en rookwarenwet. Gelet op de strekking van de artikelen
15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn, namelijk het tegengaan van de illegale handel
in tabak, heeft de regering het voornemen de Douane aan te wijzen als toezichthouder
op de naleving van de bepalingen van het wetsvoorstel. De Douane zal risicogestuurd
toezicht houden op de naleving van de bepalingen uit het wetsvoorstel. De NVWA zal
tevens de bestaande werkwijze op het gebied van meldingen ten aanzien van accijns
aan de Douane uitbreiden naar meldingen van geconstateerde schendingen van de bepalingen
uit het wetsvoorstel. In beginsel zal het toezicht van de Douane, evenals potentiële
meldingen door de NVWA, gericht zijn op de aan- of afwezigheid van een unieke identificatiemarkering
en veiligheidskenmerk op de verpakkingseenheden van tabaksproducten. De handhaving
zal geschieden door de Douane. Ook indien bij een onderschepte lading met illegale
tabaksproducten achteraf wordt geconstateerd dat deze tabaksproducten bestemd waren
om in Nederland in de handel te brengen en op de verpakkingseenheden van die tabaksproducten
geen unieke identificatiemarkeringen en veiligheidskenmerken zijn aangebracht, is
de Douane bevoegd tot handhaving. De Douane zal het toezicht en de handhaving nader
vormgeven in de daartoe bestemde toezicht- en handhavingsplannen. Het toezicht van
de Douane op de naleving van de bepalingen van het wetsvoorstel zal 5 jaar na inwerkingtreding
geëvalueerd worden.
c. Sanctie-instrumentarium
Met dit wetsvoorstel wordt het sanctie-instrumentarium voor bestuursrechtelijke handhaving
uitgebreid. De bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet wordt bij dit wetsvoorstel zodanig
aangepast dat de Douane bestuurlijke boeten kan opleggen wanneer bepalingen van het
wetsvoorstel worden overtreden. De bepalingen uit dit wetsvoorstel zullen onder categorie
A en B worden geplaatst, waardoor een bestuurlijke boete van € 450,– respectievelijk
€ 4.500,– mogelijk wordt. De hoogte van een op te leggen bestuurlijke boete is per
situatie afhankelijk van de omstandigheden van het geval. In de daartoe bestemde toezicht-
en handhavingsplannen werkt de Douane nader uit wanneer, welke boete opgelegd kan
worden. Het sanctie-instrumentarium voor bestuursrechtelijke handhaving zoals dat
voor overtredingen van de huidige Tabaks- en rookwarenwet is geregeld, blijft voor
het overige ongewijzigd.
5. Gevolgen voor regeldruk en overige bedrijfseffecten
Het Adviescollege toetsing Regeldruk (ATR) heeft advies uitgebracht over het wetsvoorstel
en heeft geconcludeerd dat de beschrijving van de nut en noodzaak van het wetsvoorstel
toereikend is en geen aanleiding geeft tot opmerkingen. Met betrekking tot het aspect
«minder belastende alternatieven» adviseert het ATR om de regeldruk voor de invulling
van het veiligheidskenmerk in beeld te brengen. Omdat de (beleids)keuze voor een bepaald
veiligheidskenmerk op het niveau van een algemene maatregel van bestuur gemaakt zal
worden, zullen de regeldrukgevolgen van de verschillende opties in de toelichting
bij die AMvB in beeld worden gebracht. Tot slot adviseert het ATR de totale regeldruk
voor alle betrokken partijen in de productie- en handelsketen kwantitatief en op handelingen-niveau
in beeld te brengen. In het navolgende wordt hieraan uitvoering gegeven.
Voor producenten, importeurs en distributeurs van sigaretten, shagtabak en andere
tabaksproducten leidt dit wetsvoorstel tot nalevingskosten. Ten aanzien van de inrichting
van een volg- en traceersysteem is in artikel 8, veertiende lid, van het FCTC-protocol
bepaald dat vereist kan worden dat de tabaksindustrie de kosten hiervan zal moeten
dragen. Verder zij opgemerkt dat de kosten die gepaard gaan met de aanschaf van apparatuur
die nodig is om tabaksproducten te registreren uiteindelijk door de producenten van
tabaksproducten gedekt zal moeten worden. Dit volgt uit artikel 15, zevende lid, van
de tabaksproductenrichtlijn waarin is opgenomen dat alle marktdeelnemers die betrokken
zijn bij de handel in tabaksproducten door de producent voorzien worden van de apparatuur
die nodig is voor het registreren van tabaksproducten die worden gekocht, verkocht,
opgeslagen, getransporteerd of anderszins behandeld.
Alle verpakkingseenheden van tabaksproducten zullen telkens moeten worden voorzien
van een unieke identificatiemarkering. Deze markeringen moeten door tabaksproducenten
tegen betaling worden afgenomen bij de door de Minister van Volksgezondheid, Welzijn
en Sport aangewezen ID-uitgever. Voorts zullen de bij de handel in tabaksproducten
betrokken marktdeelnemers de bewegingen van alle verpakkingseenheden moeten registreren
en zullen producenten en importeurs contracten over de opslag van gegevens moeten
sluiten met een onafhankelijke derde. Ten behoeve van deze verplichtingen zal mogelijk
nieuwe apparatuur aangeschaft moeten worden die nodig is voor het registreren van
de tabaksproducten die worden gekocht, verkocht, opgeslagen, getransporteerd of anderszins
behandeld. Die apparatuur moet de geregistreerde gegevens elektronisch kunnen lezen
en kunnen doorsturen naar een installatie voor gegevensopslag. Daarvoor is hardware
en software nodig waarmee een snelle overdracht van gegevens naar de gegevensopslagsystemen
gegarandeerd kan worden. Verder dienen de activiteiten van de onafhankelijke derde
gecontroleerd te worden door een externe auditor die door de tabaksproducent zal moeten
worden betaald.
Bovenstaande leidt tot de volgende gemiddelde nalevingskosten mede gebaseerd op onderzoek
uitgevoerd in opdracht van de Europese Commissie.12
Wie
Tijd
Prijs
Q
Totaal
Eenmalig
Ombouwen van standaard apparatuur naar anti-manipulatiehulpmiddel t.b.v. de verificatie
van identificatiemarkeringscodes.
Producenten, importeurs
1 keer per jaar
€ 666,67
1 halve dag
€ 666,67
Aanschaf en installatie van apparatuur t.b.v. het merken en registreren van eenheidsverpakkingen,
geaggregeerde verpakkingen zoals sloffen, mastercases of pallets
producenten
–
–
1
€ 524.276 voor hogesnelheidsproductielijnen (=meer dan 800 pakjes per minuut). 118,750
voor gemiddelde en lage snelheidspro-ductielijnen
Aanschaf van apparatuur die nodig is voor het registreren van tabaksproducten en die
de geregistreerde gegevens elektronisch kunnen lezen en dorsturen naar een installatie
voor gegevensopslag
Producenten
–
€ 10.000 per systeem
2 tot 4 systemen, afhankelijk van omvang bedrijf
€ 20.000 – 40.000
Structu-reel
Inkopen van unieke identificatiemarkerings-codes voor op verpakkingseenheden van tabaksproducten
Producenten
–
€ 10,70 per 10.000 codes
Afhankelijk van omvang bedrijf
–
Kosten voor gegevensopslag door een onafhankelijke derde en inrichten van registers
waarop alle relevante transacties bijgehouden kunnen worden
Producenten
–
€ 35,80 per terrabite op basis van geo-redundante opslag
Afhankelijk van omvang bedrijf
–
Kosten controle van de activiteiten van de onafhankelijke derde door een extern auditor
Producenten
1 dag
€ 1.200
1 dag
€ 1.200
Inkopen van VHK-zegels voor op verpakkingseenheden van tabaksproducten, waarop geen
accijnszegel verplicht is
Producenten
n.v.t.
€ 3,11 per vel à 300 VHK-zegels
In totaal naar schatting 24 miljoen pakjes
€ 258.130
Ten aanzien van de administratieve lasten met betrekking tot het volg- en traceersysteem
zijn geen onderzoeksgegevens van de Europese Commissie beschikbaar. Wel kan een inschatting
worden gemaakt van de te verrichten handelingen. De inschatting is dat de administratieve
lasten laag zijn.
Voor producenten en importeurs van tabaksproducten geldt dat zij ongeveer 2 à 3 keer per jaar codes moeten aanvragen
bij de ID-uitgever. De codes zijn namelijk een half jaar geldig. Het aanvragen van
de codes zal een paar minuten duren. Dit proces zal naar verwachting vergelijkbaar
zijn met het invullen van gegeven op een website, zodat de ID-uitgever de aanvraag
in behandeling kan nemen. Verdere verwerking van de codes, zoals het printen van de
codes op de verpakking van de tabaksproducten, betreft een volledig geautomatiseerd
proces.
Voor alle marktdeelnemers geldt dat zij eenmalig een identificatiecode moeten aanvragen. Ook hiervoor geldt
dat het aanvragen van de codes een paar minuten zal duren en naar verwachting vergelijkbaar
zal zijn met het invullen van gegeven op een website, zodat de ID-uitgever de aanvraag
in behandeling kan nemen.
Het vervoer van tabaksproducten zal niet wezenlijk veranderen. Net als bij andere pakketten moet verzending, ontvangst
en opslag worden geregistreerd. De afzender scant de pakketten en geeft de bestemming
aan. De ontvanger scant de pakketten voor ontvangst. De vervoerder hoeft in dit geval
niets te scannen.
Tot slot moet informatie worden opgeslagen over a). uitgifte van het bestelnummer;
b). uitgifte van de factuur, en c). ontvangst van de betaling.
Dit vormt een parallel traject aan de daadwerkelijke (geografische) verplaatsing van
de tabaksproducten. Deze gegevens worden nu ook al verzameld, om de boekhouding op
orde te hebben en vormen daarmee geen aanvullende administratieve lasten.
Voor zover de onderwerpen die bij algemene maatregel van bestuur worden geregeld gevolgen
hebben voor de regeldruk, worden deze gevolgen in de bijbehorende nota van toelichting
in kaart gebracht.
6. Financiële gevolgen voor de rijksbegroting
Er zijn geen financiële gevolgen voor de rijksbegroting.
7. Consultatie
De regering heeft het wetsvoorstel niet geconsulteerd, gezien het wetsvoorstel dient
ter implementatie van bindende EU-rechtshandelingen. De artikelen 15 en 16 van de
tabaksproductenrichtlijn bevatten weinig tot geen beleidsruimte en de uitvoeringsverordening
traceringssysteem en de gedelegeerde verordening gegevensopslagcontracten werken bovendien
rechtstreeks.
8. Overgangsrecht
Artikel 37 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 biedt de mogelijkheid dat verpakkingseenheden
van sigaretten en shagtabak die vóór 20 mei 2019 in de Europese Unie zijn geproduceerd
of ingevoerd, en die niet zijn voorzien van een unieke identificatiemarkering overeenkomstig
artikel 6, tot en met 20 mei 2020 vrij in omloop kunnen blijven. Sigaretten en shagtabak
die vóór 20 mei 2019 in de Unie zijn geproduceerd of in de Unie zijn ingevoerd en
niet zijn voorzien van een veiligheidskenmerk conform Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576,
kunnen tot en met 20 mei 2020 vrij in omloop blijven.
ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel I, onderdeel A
In dit onderdeel worden drie nieuwe begrippen toegevoegd aan artikel 1 van de Tabaks-
en rookwarenwet. Het gaat achtereenvolgens om Gedelegeerde verordening (EU) 2018/573
van de Commissie van 15 december 2017 betreffende de centrale elementen van de gegevensopslagcontracten
die als onderdeel van een traceringssysteem voor tabaksproducten moeten worden gesloten
(PbEU 2018, L 96), Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576 van de Commissie van 15 december
2017 inzake de technische normen voor op tabaksproducten aangebrachte veiligheidskenmerken
(PbEU 2018, L 96) en Uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 van de Commissie van 15 december
2017 inzake de technische normen voor de instelling en werking van een traceringssysteem
voor tabaksproducten (PbEU 2018, L 96). Deze drie bindende Europese rechtshandelingen
worden, voor zover nodig, geïmplementeerd in de Tabaks- en rookwarenwet met dit wetsvoorstel.
Om deze bindende rechtshandelingen te kunnen implementeren en korte verwijzing hiernaar
mogelijk te maken, worden zij toegevoegd aan artikel 1 van de Tabaks- en rookwarenwet.
Bindende Europese rechtshandelingen worden dikwijls snel gewijzigd. Om te verzekeren
dat toekomstige wijzigingen binnen de vaak korte deadlines kunnen worden geïmplementeerd
in nationale regelgeving, wordt in de begrippen bepaald dat Onze Minister de gedelegeerde
verordening, het uitvoeringsbesluit en de uitvoeringsverordening aanwijst.
Artikel I, onderdeel B
In dit onderdeel wordt bepaald dat de aanduiding van paragraaf 3 wordt ingevoegd vóór
artikel 5. Artikel 4 is immers reeds vervallen per 19 december 2009. Om de implementatie
van de artikelen 15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn in de Tabaks- en rookwarenwet
overzichtelijk te houden, wordt de implementatie vormgegeven in de nieuwe paragraaf
2a, direct na artikel 3e.
Artikel I, onderdeel C
Met dit onderdeel wordt een nieuwe paragraaf ingevoegd na artikel 3e van de Tabaks-
en rookwarenwet ter implementatie van de artikelen 15 en 16 van de tabaksproductenrichtlijn.
Artikel 4
In artikel 2 van de gedelegeerde verordening gegevensopslagcontracten, artikel 2 van
het uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk en artikel 2 van de uitvoeringsverordening
traceringssysteem zijn een aantal definities geformuleerd, die van toepassing worden
verklaard op het bij of krachtens paragraaf 2a bepaalde. Artikel 4 van het wetsvoorstel
voorziet hierin.
Artikel 4a
Artikel 15, eerste lid, van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt dat alle verpakkingseenheden
van tabaksproducten moeten zijn voorzien van een unieke identificatiemarkering (hierna:
UI). Het elfde lid van datzelfde artikel bepaalt dat de Europese Commissie door middel
van uitvoeringshandelingen technische normen kan vaststellen voor onder andere de
instelling en werking van het volg- en traceersysteem, met inbegrip van het merken
met een UI. Uitvoeringsverordening traceringssysteem is zo een uitvoeringshandeling.
Naast technische normen, bevat deze uitvoeringsverordening echter ook een zelfstandige
norm in artikel 6, eerste lid, die grotendeels overeenkomt met het bepaalde in artikel
15, eerste lid, van de tabaksproductenrichtlijn. Artikel 6, eerste lid, van die uitvoeringsverordening
bepaalt namelijk dat producenten en importeurs elke in de Unie geproduceerde of ingevoerde
verpakkingseenheid moeten merken met een UI. Uitgangspunt in het Unierecht is dat
de rechtstreeks werkende bepalingen van een (uitvoerings)verordening niet in nationale
wetgeving mogen worden overgeschreven (het zogenoemde «overschrijfverbod»). Tegelijkertijd
eist het Unierecht dat richtlijnbepalingen geïmplementeerd worden in nationale regelgeving.
In dit geval wordt in het wetsvoorstel een uitzondering gemaakt op het overschrijfverbod,
in de zin dat de rechtstreeks toepasselijke verplichting uit artikel 6, eerste lid,
van de uitvoeringsverordening traceringssysteem (deels) wordt overgeschreven in artikel
4a, eerste lid, van het wetsvoorstel. Het weglaten van de verplichting tot merken
van verpakkingseenheden met een UI in nationale wetgeving zou immers een gedeeltelijk
implementatiegebrek opleveren ten aanzien van artikel 15, eerste lid, van de tabaksproductenrichtlijn.
Bovendien zou het weglaten van de verplichting afbreuk doen aan de samenhang en begrijpelijkheid
van de verplichtingen die berusten op producenten en importeurs. Daarom bepaalt artikel
4a, eerste lid, van het wetsvoorstel dat producenten en importeurs elke geproduceerde
of ingevoerde verpakkingseenheid van een tabaksproduct moeten merken met een unieke
identificatiemarkering en dat zij daarbij de uitvoeringsverordening traceringssysteem
in acht moeten nemen. De uitvoeringsverordening traceringssysteem bevat specifieke
eisen omtrent het aanvragen en aanbrengen van de unieke identificatiemarkering en
deze werken rechtstreeks. Desondanks wordt in artikel 4a verwezen naar de uitvoeringsverordening
traceringssysteem, om daarmee ook overtredingen van de verplichtingen uit de uitvoeringsverordening
te kunnen sanctioneren.
Artikel 4a, tweede lid, bevat een grondslag om bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur eisen te stellen aan de UI. Deze eisen hebben ten eerste betrekking op
de wijze van aanbrenging van de UI op de verpakkingseenheid. Hiermee worden de eisen
die de richtlijn stelt in artikel 15, eerste lid, tweede volzin, geïmplementeerd.
Artikel 15, tweede lid, van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt welke gegevens (beschreven
in de onderdelen a t/m k) uit de UI opgemaakt moeten kunnen worden, bijvoorbeeld de
plaats en datum van productie. Deze verplichting komt -voor wat betreft de gegevens,
genoemd in de onderdelen a t/m h- overeen met de verplichting in artikel 8, eerste
lid, onderdelen c en d, van de uitvoeringsverordening traceringssysteem. Deze verplichting
werkt dus rechtsreeks. Hierdoor hoeft slechts een deel van artikel 15, tweede lid
(namelijk de onderdelen i t/m k) geïmplementeerd te worden in nationale regelgeving.
Artikel 4a, tweede lid, onderdeel b, voorziet in een grondslag om deze eisen op te
nemen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur.
Artikel 15, derde lid, van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt welke informatie deel
moet uitmaken van de UI. Ook deze eis komt terug in de uitvoeringsverordening traceringssysteem:
in artikel 8, eerste lid, onderdelen c en d. Artikel 15, derde lid, van de tabaksproductenrichtlijn
behoeft dus geen implementatie.
Artikel 15, vierde lid, van de tabaksproductenrichtlijn bepaalt verder dat de lidstaten
bepaalde informatie elektronisch toegankelijk moeten maken door middel van een koppeling
aan de unieke identificatiemarkering. Deze bepaling wordt geïmplementeerd in artikel
4a, tweede lid, onderdeel c: bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden
eisen gesteld aan de toegankelijkheid van de informatie die deel uitmaakt van de unieke
identificatiemarkering.
Om te effectueren dat producenten en importeurs de verplichting als beschreven in
artikel 4a, eerste en tweede lid, van het wetsvoorstel nakomen, is de toezichthouder
bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen bij overtreding. Derhalve wordt artikel
4a opgenomen in categorie B van de Bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet. Zie ook
de onderdelen D en G van het wetsvoorstel.
Tot slot bevat het derde lid van artikel 4a een bepaling waarmee aangesloten kan worden
bij het overgangsrecht in artikel 37 van de uitvoeringsverordening traceringssysteem.
In dit artikel is bepaald dat sigaretten en shagtabak die vóór 20 mei 2019 in de Unie
zijn geproduceerd of ingevoerd, en die niet voorzien zijn van een UI overeenkomstig
artikel 6, tot en met 20 mei 2020 vrij in omloop kunnen blijven. Voor andere tabaksproducten
die vóór 20 mei 2024 in de Unie zijn geproduceerd of ingevoerd en die niet zijn gemerkt
met een UI overeenkomstig artikel 6, geldt dat deze tot en met 20 mei 2026 vrij in
omloop kunnen blijven. De bepaling houdt kort gezegd in dat er voor verschillende
soorten tabaksproducten verschillende data van inwerkingtreding gelden ten aanzien
van het aanbrengen van de UI. Deze bepaling werkt rechtstreeks en behoeft geen implementatie.
Niet alleen de uitvoeringsverordening traceringssysteem stelt echter eisen aan de
(vorm en inhoud) van de UI, maar ook artikel 15, tweede lid, onderdelen i t/m k, en
vierde lid, van de tabaksproductenrichtlijn. Als gezegd worden deze eisen niet gesteld
in de uitvoeringsverordening traceringssysteem, dus zullen zij worden geïmplementeerd
in een AMvB of ministeriële regeling. Omwille van de consistentie, de efficiëntie
en de wisselwerking tussen de tabaksproductenrichtlijn en de uitvoeringsverordening
traceringssysteem, is het noodzakelijk dat ook voor deze eisen hetzelfde overgangsrecht
geldt als bedoeld in artikel 37 van de uitvoeringsverordening traceringssysteem. Artikel
4a, derde lid, van het wetsvoorstel, voorziet in deze mogelijkheid.
Artikel 4b
Dit artikel bevat een verbodsbepaling, waarmee uitvoering wordt gegeven aan artikel
23 van de tabaksproductenrichtlijn. In dat artikel is bepaald dat lidstaten erop moeten
toezien dat tabaksproducten die niet aan de eisen uit de tabaksproductenrichtlijn
voldoen, niet in de handel worden gebracht. In concreto betekent dit dat tabaksproducten
die geen UI bevatten, niet aan consumenten ter beschikking gesteld mogen worden. Om
dit te effectueren, is in artikel 4b van het wetsvoorstel opgenomen dat het verboden
is tabaksproducten die niet aan de eisen in artikel 4a voldoen, te leveren, in te
voeren, uit te voeren of in de handel te brengen. Dit betekent dat een distributeur
of groothandelaar niet over mag gaan tot levering van tabaksproducten aan de volgende
partij in de handelsketen, indien de tabaksproducten geen UI bevatten. Dit verbod
geldt evenzo voor importeurs, exporteurs en marktdeelnemers die tabaksproducten in
de handel brengen (veelal de detaillist). Omdat deze handelspartijen verschillende
handelingen verrichten, worden er diverse werkwoorden gebruikt in artikel 4b. Er wordt
zoveel mogelijk aangesloten bij reeds gedefinieerde begrippen. Leveren ziet op de handeling die een distributeur of groothandelaar verricht na zijn eigen
productiestap te hebben voltooid. Invoeren ziet op de handeling die een importeur verricht. Dit begrip is afkomstig uit artikel
2 van de tabaksproductenrichtlijn. Uitvoeren is de verzending van een tabaksproduct vanuit de Unie naar een derde land en ziet
onder andere op exporteurs. Dit begrip is gedefinieerd in artikel 2 van de uitvoeringsverordening
traceringssysteem. In de handel
brengen is tot slot de terbeschikkingstelling van producten aan consumenten in de Europese
Economische Ruimte, al dan niet tegen betaling, inclusief via de verkoop op afstand,
ongeacht de plaats van productie ervan; in geval van grensoverschrijdende verkoop
op afstand wordt het product geacht in de handel te zijn gebracht in Nederland indien
de consument zich in Nederland bevindt. Dit begrip is afkomstig uit artikel 1, eerste
lid, van de Tabaks- en rookwarenwet.
Overtreding van het verbod vervat in artikel 4b geeft de toezichthouder de mogelijkheid
een bestuurlijke boete op te leggen. De hoogte van de boete is afhankelijk van de
marktdeelnemer die de overtreding begaat. Derhalve wordt artikel 4b opgenomen in zowel
categorie A als categorie B van de Bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet. Zie ook
de onderdelen D en G van het wetsvoorstel.
Artikel 4c
Artikel 4c, eerste tot en met zesde lid, behelst de implementatie van de artikelen
15, vijfde tot en met achtste lid, van de tabaksproductenrichtlijn. Zo worden alle
bij de handel in tabaksproducten betrokken marktdeelnemers, van de producent tot de
laatste marktdeelnemer vóór de eerste detaillist, verplicht diverse bewegingen van
een tabaksproduct te registreren. Artikel 15, vijfde lid, van de tabaksproductenrichtlijn
bepaalt om welke bewegingen gaat: het in bezit krijgen, alle tussenliggende bewegingen
en het niet langer in bezit hebben van de verpakkingseenheden. Opgemerkt wordt dat
aan deze verplichting ook voldaan kan worden door het merken en registreren van de
geaggregeerde verpakking zoals sloffen, mastercases of pallets, mits het volgen en
traceren van alle verpakkingseenheden mogelijk blijft. Bij deze verplichting dienen
de marktdeelnemers ook de uitvoeringsverordening traceringssysteem in acht te nemen,
waarin gespecificeerd wordt welke gebeurtenissen marktdeelnemers dienen te registreren
(artikel 32 van die uitvoeringsverordening). Naast de verplichting bewegingen te registreren,
dienen alle natuurlijke personen en rechtspersonen die deel uitmaken van de leveringsketen
van tabaksproducten een register bij te houden van alle relevante transacties (artikel
15, zesde lid, van de tabaksproductenrichtlijn) en dienen producenten van tabaksproducten
alle marktdeelnemers te voorzien van apparatuur die nodig is voor het registreren
van tabaksproducten die worden gekocht, verkocht, opgeslagen, getransporteerd of anderszins
behandeld (artikel 15, zevende lid, van de tabaksproductenrichtlijn). Deze apparatuur
moet de geregistreerde gegevens kunnen lezen en doorsturen naar een installatie voor
gegevensopslag. Artikel 15, achtste lid, bepaalt vervolgens dat producenten en importeurs
van tabaksproducten contracten over de opslag van gegevens moeten sluiten met een
onafhankelijke derde. Deze derde beheert de faciliteit voor gegevensopslag voor alle
relevante gegevens. Bij het sluiten van zo een contract dient de gedelegeerde verordening gegevensopslagcontracten in acht te worden genomen, daar deze verordening de belangrijkste elementen geeft
die moeten worden opgenomen in het contract. De activiteiten van de derde worden gecontroleerd
door een externe auditor die door de tabaksproducent wordt voorgesteld en betaald
en door de Commissie wordt goedgekeurd. De externe auditor moet de bevoegde autoriteiten
en de Commissie een jaarverslag voorleggen, waarin met name onregelmatigheden met
betrekking tot de toegang tot de faciliteit voor gegevensopslag worden beoordeeld.
De faciliteiten voor gegevensopslag dienen immers volledig toegankelijk te zijn voor
de Minister, de Europese Commissie en de externe auditor.
Tot slot bevat artikel 4c, zevende lid, een grondslag om bij of krachtens algemene
maatregel van bestuur nadere regels te stellen, wanneer dit nodig wordt geacht op
grond van bij of krachtens de tabaksproductenrichtlijn gestelde voorschriften. Dit
kan bijvoorbeeld nodig zijn wanneer de tabaksproductenrichtlijn wordt gewijzigd.
Artikel 4d
Op grond van artikel 3, eerste lid, van de uitvoeringsverordening traceringssysteem
dienen lidstaten een ID-uitgever aan te wijzen die belast wordt met het aanmaken en
uitgeven van unieke identificatiemarkeringen. Hiernaast wordt de ID-uitgever belast
met het aanmaken en uitgeven van marktdeelnemeridentificatiecodes (artikel 15), faciliteitsidentificatiecodes
(artikel 17) en machine-identificatiecodes (artikel 19).
In artikel 4d, eerste lid, onderdelen a t/m d, van het wetsvoorstel is bepaald dat
de Minister deze taken op zich zal nemen. Het gehele proces vanaf de aanvraag van
een unieke identificatiemarkering door een marktdeelnemer tot en met de uitgifte van
de unieke identificatiemarkering door de ID-uitgever wordt uitvoerig beschreven in
de uitvoeringsverordening traceringssysteem (onder meer in de artikelen 8, 9, 11 en
13). Het aanmaken en uitgeven van unieke identificatiemarkeringen en andere identificatiecodes
behelst een taak die technische kennis en expertise vergt. Op dit moment zijn er meerdere
commerciële bedrijven die hierin gespecialiseerd zijn. Deze opdracht zal daarom worden
aanbesteed en de geselecteerde partij zal het aanmaken en uitgeven van unieke identificatiemarkeringen
en andere identificatiecodes namens de Minister in mandaat uitvoeren. De uitvoeringsverordening
traceringssysteem stelt specifieke eisen aan de ID-uitgever. Zo bepaalt artikel 35
dat de ID-uitgever onafhankelijk moet zijn van de tabaksindustrie en haar functie
onafhankelijk moet uitvoeren. Ter invulling van dit begrip geeft artikel 35 aan wanneer
sprake is van onafhankelijkheid van de tabaksindustrie. Bij de aanbesteding zullen
alle door de uitvoeringsverordening traceringssysteem gestelde eisen als leidraad
worden genomen. Indien het geselecteerde commerciële bedrijf niet (langer) voldoet
aan de onafhankelijkheidseis, kan een lidstaat de nodige maatregelen nemen om ervoor
te zorgen dat alsnog aan deze eis wordt voldaan. Deze mogelijkheid geeft de uitvoeringsverordening
traceringssysteem in artikel 35, vierde en zesde lid. Onder nodige maatregelen kan
onder andere het geven van een bevel tot bijvoorbeeld stopzetting van bepaalde activiteiten
worden verstaan. Het nemen van de nodige maatregelen komt Onze Minister toe, op grond
van artikel 4g van het wetsvoorstel. Op deze manier kan de Minister borgen dat het
geselecteerde commerciële bedrijf onafhankelijk is ten opzichte van de tabaksindustrie.
Het eerste lid, onderdeel a, van artikel 4d geeft ook uitvoering aan artikel 4, eerste
lid, van de uitvoeringsverordening. Hierin is opgenomen dat voor in de Unie geproduceerde
tabaksproducten de ID-uitgever bevoegd is die is aangesteld door de lidstaat waar de producten worden geproduceerd. Dit is de hoofdregel van de uitvoeringsverordening. Als uitzondering hierop kan
een lidstaat echter ook bepalen dat de bevoegde ID-uitgever de entiteit is die is
aangesteld door de lidstaat waar de producten in de handel worden gebracht. Met het eerste lid, onderdeel a, van artikel 4d wordt door de regering ervoor gekozen
dat de ID-uitgever bevoegd is wanneer tabaksproducten in Nederland in de handel worden gebracht. Dit is voor de marktpartij die de taak van ID-uitgever zal gaan vervullen namens
de Minister economisch interessant en zal kunnen leiden tot meer aanmeldingen van
kandidaten als toekomstige ID-uitgever. Daarnaast kan deze keuze waardevolle informatie
opleveren voor de toezichthouder. Ieder pakje sigaretten dat in Nederland in de handel
wordt gebracht, moet niet alleen voorzien worden van een UI, maar ook van een veiligheidskenmerk
(artikel 4h wetsvoorstel). De aantal UI’s die worden afgegeven op basis van het in
de handel brengen van tabaksproducten in Nederland kan op deze manier door de toezichthouder
worden vergeleken met het aantal uitgegeven veiligheidskenmerken. Indien er discrepantie
bestaat tussen deze aantallen, levert dit waardevolle informatie op voor de toezichthouder.
Op grond van artikel 3, negende lid, van de uitvoeringsverordening traceringssysteem
mag de ID-uitgever alleen voor het aanmaken en uitgeven van unieke identificatiemarkeringen
vergoedingen vaststellen en aan marktdeelnemers aanrekenen. Deze vergoedingen moeten
niet-discriminerend en evenredig zijn met betrekking tot het aantal aangemaakte en
aan marktdeelnemers uitgegeven unieke identificatiemarkeringen, rekening houdend met
de wijze van levering. Het tweede lid van artikel 4d regelt dat bij ministeriële regeling
tarieven worden vastgesteld voor het aanmaken en uitgeven van unieke identificatiemarkeringen.
Artikel 4e
Artikel 4e bevat een optionele delegatiegrondslag die de Minister de mogelijkheid
geeft tot het stellen van nadere regels ter uitvoering van de uitvoeringsverordening
traceringssysteem. ID-uitgevers zijn in beginsel verplicht om eenheids-UI’s elektronisch
aan te leveren. Artikel 9, vierde lid, van de uitvoeringsverordening traceringssysteem
bepaalt echter dat lidstaten van de ID-uitgevers kunnen verlangen dat zij als alternatief
voor de elektronische levering ook de fysieke levering van eenheids-UI’s aanbieden.
Hiernaast moeten ID-uitgevers offline platte bestanden en registers opzetten waarin
marktdeelnemers en eerste detaillisten informatie met betrekking tot hun aanvraag
kunnen indienen. Artikel 20, tweede lid, van de uitvoeringsverordening bepaalt dat
de offline platte bestanden niet groter mogen zijn dan twee gigabyte per ID-uitgever.
Het vierde lid bepaalt dat lidstaten deze maximaal toegestane grootte kunnen aanpassen,
rekening houdend met de gemiddelde grootte van het beschikbare geheugen dat is geïnstalleerd
op de verificatieapparaten voor offlinecontrole van de unieke identificatiemarkeringen
en met het totale aantal ID-uitgevers. Voorts bepaalt artikel 27 van de uitvoeringsverordening
de functies van de secundaire gegevensopslag. Het derde lid van dit artikel geeft
de lidstaten de bevoegdheid om specifieke regels te stellen voor automatische waarschuwingen
en de ontvangst van periodieke verslagen. Tot slot bepaalt artikel 32 van de uitvoeringsverordening
welke gebeurtenissen marktdeelnemers moeten registreren om de daadwerkelijke verzendingsroute
van verpakkingseenheden vast te kunnen stellen. Voorbeelden van die gebeurtenissen
zijn de verzending van tabaksproducten vanuit een faciliteit en het overladen. Artikel
32, vijfde lid, bepaalt dat lidstaten kunnen toestaan dat aan deze registratieverplichting
ook wordt voldaan door toegang te verlenen tot de volg- en traceersysteembestanden
van het logistieke postbedrijf. Het moet dan wel gaan om het verzenden en overladen
van eenheids- of geaggregeerde verpakkingen van tabaksproducten met een totaalgewicht
van minder dan 10 kg met een bestemming buiten de Unie.
Artikel 4f
Dit artikel bevat een grondslag voor de aanwijzing van verschillende bevoegde autoriteiten
en nationale beheerders die belast worden met bepaalde taken uit de uitvoeringsverordening
traceringssysteem.
Het gaat ten eerste specifiek om artikel 7, tweede en vijfde lid. Artikel 7 bepaalt
dat producenten en importeurs ervoor zorgen dat het aanbrengen van de eenheids-UI’s
onmiddellijk wordt gevolgd door de verificatie van die eenheids-UI’s door te controleren
of deze correct zijn aangebracht en leesbaar zijn. Dit proces dient te worden beveiligd
met een antimanipulatiehulpmiddel dat wordt geleverd en geïnstalleerd door een onafhankelijke
derde die aan de betrokken lidstaten en de Commissie een verklaring verstrekt waaruit
blijkt dat het geïnstalleerde hulpmiddel aan de vereisten van de uitvoeringsverordening
voldoet. De Minister bepaalt aan welke Nederlandse instantie de onafhankelijke derde
deze verklaring dient te verstrekken. Verder bepaalt artikel 7, vierde lid, dat producenten
en importeurs waarborgen dat de door het antimanipulatiehulpmiddel geregistreerde
informatie tot negen maanden na het tijdstip van registratie beschikbaar dient te
blijven. Het vijfde lid bepaalt dat de producenten en importeurs volledige toegang
dienen te geven tot de registratiegegevens op verzoek van de lidstaten. Ook hier geldt
dat de Minister aanwijst wie namens Nederland bevoegd is zo een verzoek te doen.
Artikel 8 van de uitvoeringsverordening gaat over de structuur van de eenheids-UI’s.
Hierin staat aangegeven waaruit een eenheids-UI moet zijn opgebouwd. Het vierde lid,
tweede alinea, bepaalt dat ID-uitgevers encryptie of compressie kunnen gebruiken bij
het genereren van eenheids-UI’s. Indien zij hier gebruik van maken, dienen zij de
bevoegde autoriteiten van de lidstaten en de Commissie in kennis te stellen van de
voor die encryptie en compressie gebruikte algoritmen. Ook hier bepaalt de Minister
wie namens Nederland de bevoegde autoriteit is.
De artikelen 15, 17 en 19 gaan over de uitgifte en registratie van marktdeelnemeridentificatiecodes,
faciliteitsidentificatiecodes en machine-identificatiecodes. In het vierde lid van
deze artikelen is bepaald dat de lidstaten de ID-uitgever kunnen verzoeken om een
van de genoemde codes te deactiveren. In dergelijke gevallen dient de lidstaat de
marktdeelnemer of eerste detaillist te informeren over de deactivering. Ook hier geldt
dat Onze Minister bepaalt wie namens Nederland een dergelijk verzoek kan doen.
Artikel 25 geeft algemene kenmerken over het gegevensopslagsysteem. Dit systeem moet
voldoen aan enkele voorwaarden. Zo moet het systeem het verzenden van automatische
statusberichten aan marktdeelnemers, en op verzoek aan lidstaten en de Commissie mogelijk
maken, bijvoorbeeld in het geval van succes, fouten of wijzigingen met betrekking
tot meldingsactiviteiten, overeenkomstig de voorschriften van de uitvoeringsverordening.
Daarnaast moet het systeem toegankelijk zijn voor de bevoegde autoriteiten van de
lidstaten en de Commissie. Aan de door de lidstaten aangestelde nationale beheerders
en diensten van de Commissie worden toegangsrechten verleend die hen in staat stellen
om via een grafische interface voor gebruiksbeheer toegangsrechten voor gebruikers
tot gegevensopslagplaatsen aan te maken, te beheren en in te trekken. De door de lidstaten
aangestelde nationale beheerders kunnen verdere toegangsrechten verlenen aan gebruikers
die onder hun verantwoordelijkheid vallen. Bovendien moet het systeem de lidstaten
en de Commissie in staat stellen downloads uit te voeren van volledige en geselecteerde
gegevensreeksen die in een gegevensopslag worden bewaard. Al deze bevoegde autoriteiten
worden door de Minister aangewezen.
Artikel 26 gaat over de primaire opslagplaatsen. Hierin is onder andere bepaald dat
elke producent en importeur ervoor dient te zorgen dat een primaire gegevensopslag
wordt opgezet. Hiertoe dienen de producent en importeur een onafhankelijke derde aanbieder
te contracteren overeenkomstig de gedelegeerde verordening gegevensopslagcontracten.
Het zesde lid van dit artikel bepaalt dat de lidstaten, de Commissie en de externe
auditor (die door de Commissie wordt goedgekeurd) de mogelijkheid hebben om eenvoudige
zoekopdrachten uit te voeren met betrekking tot alle gegevens die in een primaire
gegevensopslag worden bewaard. Ook hier geldt dat de Minister de bevoegde instantie
aanwijst die deze mogelijkheid krijgt.
Artikel 27 gaat over de secundaire gegevensopslag. De secundaire gegevensopslag bevat
een kopie van alle in de primaire gegevensopslagplaatsen opgeslagen gegevens. De beheerder
van de secundaire gegevensopslag wordt aangesteld uit de aanbieders van de primaire
gegevensopslagplaatsen door de Commissie. Artikel 27 bevat de eisen waar de secundaire
gegevensopslag aan moet voldoen. Zo dient het systeem grafische en niet-grafische
gebruiksinterfaces te bevatten waarmee lidstaten en de Commissie toegang hebben tot
de opgeslagen gegevens en waarmee zij zoekopdrachten kunnen uitvoeren. Ook in dit
geval wijst de Minister de Nederlandse bevoegde instantie aan die deze bevoegdheden
krijgt.
Tot slot bepaalt artikel 35, vijfde en zevende lid, dat ID-uitgevers, aanbieders van
gegevensopslagdiensten en aanbieders van antimanipulatiehulpmiddelen elke verandering
in de omstandigheden die verband houden met de onafhankelijkheidseisen dienen te melden
aan de betrokken lidstaten en de Commissie. Ook dienen de betrokken lidstaten en de
Commissie in kennis te worden gesteld van alle gevallen van bedreigingen of andere
pogingen tot ongepaste beïnvloeding die daadwerkelijk of potentieel de onafhankelijkheid
kunnen aantasten. Voor deze bepalingen geldt tevens dat de Minister aanwijst aan wie
deze meldingen moeten worden gedaan.
Artikel 4g
Artikel 35, vierde lid, van de uitvoeringsverordening traceringssysteem bepaalt dat
de lidstaten en de Commissie documenten kunnen verlangen van de ID-uitgevers, de aanbieders
van gegevensopslagdiensten en de aanbieders van antimanipulatiehulpmiddelen (hierna:
aanbieders). Met die documenten kunnen de lidstaten en de Commissie de naleving van
de onafhankelijkheidseis beoordelen.
Wanneer uit deze documentatie of uit de melding, bedoeld in artikel 35, vijfde lid,
van de uitvoeringsverordening traceringssysteem blijkt dat de aanbieders niet langer
voldoen aan de onafhankelijkheidseis, dienen de lidstaten de nodige maatregelen te
nemen om ervoor te zorgen dat aan de onafhankelijkheidseisen wordt voldaan. In artikel
4g van het wetsvoorstel is opgenomen dat de Minister bevoegd is deze maatregelen te
nemen. Onder deze maatregelen kunnen herstelsancties worden verstaan in de zin van
de Awb, waaronder het opleggen van een bevel, opdat alsnog aan de onafhankelijkheidseisen
wordt voldaan.
Artikel 4h
Het eerste lid bepaalt dat alle verpakkingseenheden van tabaksproducten die in de
handel worden gebracht een onvervalsbaar veiligheidskenmerk moeten bevatten als bedoeld
in artikel 16, eerste lid, van de tabaksproductenrichtlijn. Het tweede lid bevat een
delegatiebepaling op grond waarvan eisen gesteld kunnen worden aan dit veiligheidskenmerk.
Zo moet het veiligheidskenmerk ingevolge artikel 16, eerste lid, van de tabaksproductenrichtlijn
bestaan uit zichtbare en onzichtbare elementen. Het kenmerk moet zodanig worden afgedrukt
of aangebracht dat het niet verwijderd kan worden, dat het onuitwisbaar is en op geen
enkele wijze verborgen of onderbroken wordt, ook niet door accijnszegels of prijsaanduidingen
of andere elementen die wettelijk verplicht zijn. Hiernaast stelt ook het uitvoeringsbesluit
veiligheidskenmerk eisen aan het veiligheidskenmerk. Deze eisen zijn van procedurele
of technische aard, waardoor de eisen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur
gesteld zullen worden.
Om te effectueren dat producenten en importeurs de verplichtingen als beschreven in
artikel 4h, eerste en tweede lid, van het wetsvoorstel nakomen, is de toezichthouder
bevoegd een bestuurlijke boete op te leggen bij overtreding. Derhalve wordt artikel
4h opgenomen in categorie B van de Bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet. Zie ook
de onderdelen D en G van het wetsvoorstel.
Het derde lid geeft een grondslag om de op grond van het tweede lid gestelde eisen
voor verschillende tabaksproducten verschillend te regelen en verschillende tijdstippen
vast te stellen waarop zij gaan gelden. Met dit lid wordt uitvoering gegeven aan het
overgangsrecht als bedoeld in artikel 8 van het uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk.
Hierin is bepaald dat sigaretten en shagtabak die vóór 20 mei 2019 in de Unie zijn
geproduceerd of in de Unie zijn ingevoerd en niet zijn voorzien van een veiligheidskenmerk,
tot en met 20 mei 2020 vrij in omloop kunnen blijven. Daarnaast kunnen andere tabaksproducten
die vóór 20 mei 2024 in de Unie zijn geproduceerd of in de Unie zijn ingevoerd en
niet zijn voorzien van een veiligheidskenmerk, tot en met 20 mei 2026 vrij in omloop
blijven.
Het vierde lid van dit artikel geeft aan dat de Minister ook een voor belastingdoeleinden
gebruikt nationaal herkenningsteken kan aanwijzen als veiligheidskenmerk. Deze mogelijkheid
biedt de tabaksproductenrichtlijn (artikel 16, eerste lid, tweede alinea). In Nederland
is dit het accijnszegel. Indien de Minister niet het accijnszegel aanwijst als veiligheidskenmerk,
zal het veiligheidskenmerk moeten voldoen aan de in artikel 3, eerste lid, van het
uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk gestelde eisen. Het kenmerk dient dan uit niet
minder dan vijf soorten authenticatie-elementen te bestaan, waarvan er tenminste één
open is, één half-verborgen is en één verborgen is. Ten minste één van deze elementen
moet bovendien worden geleverd door een onafhankelijke externe aanbieder. Deze onafhankelijke
externe aanbieder moet voldoen aan de onafhankelijkheidseisen uit artikel 8 van het
uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk.
Artikel 4i
Dit artikel bevat een verbodsbepaling waarmee wordt bepaald dat tabaksproducten niet
mogen worden geleverd, ingevoerd of in de handel worden gebracht indien zij geen veiligheidskenmerk
bevatten of indien zij niet voldoen aan de eisen die bij of krachtens algemene maatregel
van bestuur worden gesteld aan het veiligheidskenmerk. Met dit artikel wordt uitvoering
gegeven aan artikel 23 van de tabaksproductenrichtlijn. In dat artikel is bepaald
dat lidstaten erop moeten toezien dat tabaksproducten die niet aan de eisen uit de
tabaksproductenrichtlijn voldoen, niet in de handel worden gebracht. Om dit te effectueren,
wordt in artikel 4i een verbod opgenomen dat gericht is tot alle partijen in de handelsketen
van tabaksproducten. Er worden daarom verschillende begrippen gehanteerd in artikel
4i. Leveren, invoeren en in de handel brengen van tabaksproducten zonder veiligheidskenmerk
is verboden. Zie voor een uitleg van de verschillende begrippen de toelichting bij
artikel 4b. Zo mag een distributeur of groothandelaar niet overgaan tot levering van
tabaksproducten aan de volgende partij in de handelsketen, indien de producten geen
veiligheidskenmerk bevatten. Dit geldt evenzo voor importeurs en marktdeelnemers die
tabaksproducten in de handel brengen. Overtreding van dit verbod geeft de toezichthouder
de mogelijkheid een bestuurlijke boete op te leggen. De hoogte van de boete is afhankelijk
van de partij die de overtreding begaat. Derhalve wordt artikel 4i opgenomen in zowel
categorie A als categorie B van de Bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet. Zie ook
de onderdelen D en G van het wetsvoorstel.
Artikel 4j
Artikel 8, vierde lid, van het uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk bepaalt dat de
aanbieder van authenticatie-elementen elke verandering in de omstandigheden die verband
houden met de onafhankelijkheidseisen en die gedurende twee opeenvolgende kalenderjaren
blijft bestaan, onverwijld dient te melden aan de betrokken lidstaten en de Commissie.
Ook dienen zij de betrokken lidstaten en de Commissie onverwijld in kennis te stellen
van alle gevallen van bedreigingen of andere pogingen tot ongepaste beïnvloeding die
daadwerkelijk of potentieel hun onafhankelijkheid kunnen aantasten (artikel 8, zesde
lid). Artikel 4j bepaalt dat de Minister degene aanwijst die deze meldingen dient
te ontvangen.
Artikel 4k
Artikel 8, derde en vijfde lid, van het uitvoeringsbesluit bepaalt dat de lidstaten
documenten kunnen verlangen van de aanbieders van de authenticatie-elementen waarmee
de naleving van de onafhankelijkheidseisen kan worden beoordeeld. Wanneer uit deze
documenten of uit een melding (als bedoeld in artikel 8, vierde lid, van het uitvoeringsbesluit)
blijkt dat een aanbieder niet langer voldoet aan de onafhankelijkheidseisen, dienen
de lidstaten de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat aan de onafhankelijkheidseisen
wordt voldaan. Ook hier geldt dat de Minister bevoegd is deze maatregelen te nemen.
Onder deze maatregelen kunnen herstelsancties worden verstaan in de zin van de Awb,
bijvoorbeeld het opleggen van een bevel, waardoor alsnog aan de onafhankelijkheidseisen
wordt voldaan.
Artikel 4l
Op grond van artikel 4l kunnen enkele artikelen uit paragraaf 2a bij ministeriële
regeling worden gewijzigd. Dit in verband met mogelijke aanpassingen in bindende EU-rechtshandelingen,
voor zover de aanpassingen niet inhoudelijk van aard zijn. Het komt veelal voor dat
bindende EU-rechtshandelingen worden gewijzigd, waarbij een korte implementatietermijn
wordt gegeven. Zo een wijziging kan bijvoorbeeld een vernummering van artikelen inhouden.
Tijdige implementatie is in zo een geval gewenst. Aangezien in de artikelen 4, 4a,
4c, 4d, 4e, 4f, 4g, 4h, 4j en 4k naar specifieke artikelen en onderdelen van bindende
EU-rechtshandelingen wordt verwezen (het uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk, de
uitvoeringsverordening traceringssysteem en de gedelegeerde verordening gegevensopslagcontracten),
ligt een aanpassing van deze verwijzing bij ministeriële regeling vanuit een oogpunt
van efficiënte en noodzaak in de rede.
Onderdeel D
Dit artikel wijzigt artikel 11b, van de Tabaks- en rookwarenwet. Hiermee krijgt de
Minister de bevoegdheid een bestuurlijke boete op te leggen in het geval de bepalingen
uit het wetsvoorstel worden overtreden. Met het opleggen van een bestuurlijke boete
wordt beoogd de overtreder te straffen. De Tabaks- en rookwarenwet kent een gefixeerd
boetestelsel (bestaande uit vier boetecategorieën), waarbij aansluiting wordt gezocht
voor overtreding van de bepalingen uit het wetsvoorstel. Voor het bepalen welke categorieën
het meest geschikt zijn voor de verplichtingen uit het wetsvoorstel, is per bepaling
van het wetsvoorstel onderzocht wat de aard van de persoon is tot wie de bepaling
is gericht, de ernst van de overtreding, het effect van de sanctie en de mate waarin
de overtreder profijt heeft van zijn sanctie.13
Het eerste lid van artikel 11b bepaalt in welke gevallen de Minister een bestuurlijke
boete kan opleggen. Het tweede lid bepaalt dat de hoogte van de bestuurlijke boete
wordt bepaald op de wijze als voorzien in de bijlage. Daarnaast is bepaald wat de
te betalen geldsom ten hoogste mag bedragen. Artikel 11b, eerste en tweede lid, worden
zodanig aangepast dat overtreding van de verplichtingen uit het wetsvoorstel bestuurlijk
beboetbaar worden. Daarnaast worden de categorieën uit de bijlage aangepast. In onderdeel
G van het wetsvoorstel wordt dit nader toegelicht.
Onderdeel E
Aan artikel 13, tweede lid, van de Tabaks- en rookwarenwet wordt een lid toegevoegd.
Hiermee wordt aangegeven dat indien ambtenaren worden aangewezen als toezichthouder
op grond van de Tabaks- en rookwarenwet en deze ambtenaren onder een ander ministerie
dan het Ministerie van VWS ressorteren, het aanwijzingsbesluit wordt genomen in overeenstemming
met de Minister die het mede aangaat. Op dit moment houdt de NVWA toezicht op de naleving
van de bepalingen bij of krachtens de Tabaks- en rookwarenwet. Voor het toezicht op
de bepalingen uit het wetsvoorstel wordt mogelijk de douane als toezichthouder aangewezen.
De douane ressorteert onder het Ministerie van Financiën. Het aanwijzingsbesluit zal
in dat geval in overeenstemming genomen worden met de Minister van Financiën.
Onderdeel F
Het huidige artikel 15 bepaalt dat van elke krachtens artikel 5:18 Awb onderzochte
zaak aan de belanghebbende op diens verzoek een vergoeding wordt gegeven ter grootte
van het bedrag waarmee haar verkoopwaarde ten gevolge van het onderzoek is verminderd.
Deze bepaling vormt een aanvulling op artikel 5:18 Awb. Artikel 5:18 Awb geeft de
bevoegdheid aan de toezichthouder om zaken te onderzoeken, aan opneming te onderwerpen
en daarvan monsters te nemen. Op grond van artikel 15 van de Tabaks- en rookwarenwet
kan een vergoeding worden verstrekt aan de belanghebbende.
Artikel 7, tweede lid, van het uitvoeringsbesluit veiligheidskenmerk bepaalt dat producenten
en importeurs op verzoek monsters moeten verstrekken van tabaksproducten die op dat
moment in de handel zijn. De monsters moeten worden geleverd in verpakkingseenheidformaat
en moeten het aangebrachte veiligheidskenmerk bevatten. De lidstaten dienen de ontvangen
monsters op verzoek aan de Commissie ter beschikking te stellen. Om deze bevoegdheid
te kunnen uitoefenen, wordt met onderdeel F van het wetsvoorstel een lid toegevoegd
aan het huidige artikel 15 van de Tabaks- en rookwarenwet.
Onderdeel G
In dit onderdeel wordt de bijlage bij de Tabaks- en rookwarenwet gewijzigd, waarmee
de overtreding van de verplichtingen uit het wetsvoorstel beboetbaar worden gesteld.
Overtredingen behorend tot categorie A worden bestraft met een bestuurlijke boete
van € 450. Dit bedrag kan worden verhoogd tot maximaal € 4.500 indien sprake is van
recidive. De huidige overtredingen behorend tot categorie A zien met name op eisen
die betrekking hebben op de verpakking van tabaksproducten en het reclameverbod.
Aan categorie A worden de artikelen 4b, 4c, eerste en tweede en zesde lid, 4e en 4i
van het wetsvoorstel toegevoegd. Dit zijn bepalingen die zien op verpakkingsvoorschriften
en registratieverplichtingen. De inhoud van deze verplichtingen komen overeen met
de verplichtingen uit de Tabaks- en rookwarenwet die reeds beboetbaar zijn op grond
van categorie A. Daarnaast zijn deze bepalingen gericht tot kleine marktdeelnemers.
Hieronder vallen dus niet producenten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten.
Overtredingen behorend tot categorie B worden bestraft met een bestuurlijke boete
van € 45.000. Dit bedrag kan worden verhoogd tot maximaal € 450.000 indien sprake
is van recidive. Deze categorie bevat op dit moment overtredingen die door fabrikanten,
groothandelaren en importeurs worden begaan.
Gelet op de aard en ernst van de overtreding en de aard van de personen tot wie de
boetebepaling is gericht, worden een aantal bepalingen uit het wetsvoorstel opgenomen
in categorie B van de Tabaks- en rookwarenwet. Het gaat specifiek om de artikelen
4a, 4b, 4c, eerste tot en met vijfde lid, 4h en 4i van het wetsvoorstel. Dit zijn
bepalingen die gericht zijn tot producenten, groothandelaren en importeurs van tabaksproducten.
Deze bepalingen bevatten met name kernverplichtingen, zoals de verplichting een veiligheidskenmerk
en een UI aan te brengen op tabaksproducten, het verbod tabaksproducten te leveren
die niet deze kenmerken bevatten en het bijhouden van een register waarin alle bewegingen
worden geregistreerd. Om ervoor te zorgen dat een bestuurlijke boete doeltreffend,
afschrikwekkend en proportioneel is ten aanzien van de partij tot wie de boete is
gericht, worden deze bepalingen opgenomen in boetecategorie B van de Bijlage bij de
Tabaks- en rookwarenwet.
Artikel II
Met dit artikel wordt de bijlage bij de Algemene douanewet (hierna: Adw) aangepast.
De Tabaks- en rookwarenwet wordt toegevoegd aan de bijlage. De Adw bevat onder andere
nationale bepalingen ter uitvoering van het Douanewetboek van de Unie.14 Zo is onder meer bepaald wat voor bevoegdheden de inspecteur van de Douane toekomt
ter handhaving van verboden of beperkingen die opgenomen zijn in bepaalde wetten.
Die inspecteur kan slechts gebruik maken van de bevoegdheden uit de Adw met betrekking
tot die verboden en beperkingen die zijn opgenomen in wetten die in de bijlage bij
de artikelen 1:1 en 1:3 van de Adw staan vermeld. Gezien de Douane ingevolge dit wetsvoorstel
onder meer de toezichttaak krijgt vast te stellen of een tabaksproduct al dan niet
een veiligheidskenmerk en een unieke identificatiemarkering bevat, is het nodig de
Tabaks- en rookwarenwet toe te voegen aan de bijlage bij de Adw. Zo kan de Douane
haar handhavingsinstrumentarium inzetten ten aanzien van de verplichtingen uit dit
wetsvoorstel. Met artikel II van het wetsvoorstel wordt hierin voorzien.
Artikel III
Door de verplichtingen, beschreven in de artikelen 4a, 4b, 4c, 4h en 4i van dit wetsvoorstel,
toe te voegen aan de Wet op de economische delicten, kunnen overtredingen van deze
verplichtingen ook strafrechtelijk worden gehandhaafd. Met artikel III worden de kernverplichtingen
uit dit wetsvoorstel toegevoegd aan artikel 1, onder 4, van de Wet op de economische
delicten, waardoor overtreding gehandhaafd kan worden met onder meer een hechtenis
van zes maanden, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.
Artikel IV
In dit artikel is bepaald dat het wetsvoorstel in werking treedt op een bij koninklijk
besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan
verschillend kan worden vastgesteld.
Er wordt gekozen voor een gefaseerde inwerkingtreding, omdat de artikelen 15 en 16
van de tabaksproductenrichtlijn per 20 mei 2019 van toepassing zijn op sigaretten
en shagtabak en per 20 mei 2024 op andere tabaksproducten (zie artikel 15, dertiende
lid, en artikel 16, derde lid, van de tabaksproductenrichtlijn). Er zal afgeweken
worden van de vaste verandermomenten, omdat het hier implementatie betreft van bindende
EU-rechtshandelingen. Op grond van Ar 4.17, vijfde lid, onderdeel d, van de Aanwijzingen
voor de regelgeving is deze afwijking gerechtvaardigd.
Transponeringstabellen
Artikelen 15 en 16 van Richtlijn 2014/40/EU
Bepaling EU-regeling
Inhoud
Bepaling in implementatieregeling
Omschrijving beleidsruimte en evt. toelichting
Art. 15(1)
Lidstaten zorgen ervoor dat alle verpakkingseenheden van tabaksproducten zijn voorzien
van een unieke identificatiemarkering (UI). Onuitwisbaar en niet verwijderbaar.
Artikel 4a, eerste en tweede lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(2)
De identificatiemarkering moet de bepaling van een aantal gegevens mogelijk maken.
Art. 4a, tweede lid, onderdeel b, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(3)
Bepaalde informatie moet deel uitmaken van de UI.
Behoeft geen implementatie. Deze verplichting werkt rechtstreeks op grond van artikel
8, eerste lid, onderdelen c en d van de uitvoeringsverordening traceringssysteem.
Geen
Art. 15(4)
De lidstaat moet ervoor zorgen dat bepaalde informatie elektronisch toegankelijk is
door middel van een koppeling aan de UI.
Artikel 4a, tweede lid, onderdeel c, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(5)
Lidstaten zorgen ervoor dat alle marktdeelnemers het in het bezit krijgen en alle
tussenliggende handelingen van de verpakkingseenheden registreren. Aan deze verplichting
kan worden voldaan door het merken en registreren van de geaggregeerde verpakking
zoals sloffen etc.
Artikel 4c, eerste lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(6)
Alle natuurlijke personen en rechtspersonen die deel uitmaken van de leveringsketen
van tabaksproducten moeten een volledig en nauwkeurig register bijhouden van alle
relevante transacties.
Artikel 4c, tweede lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(7)
De producenten van tabaksproducten moeten alle marktdeelnemers die betrokken zijn
bij de handel in tabaksproducten voorzien van apparatuur die nodig is voor het registreren
van de tabaksproducten. Die apparatuur moet de geregistreerde gegevens elektronisch
kunnen lezen en doorsturen naar een installatie voor gegevensopslag uit hoofde van
lid 8.
Art. 4c, derde lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(8), eerste alinea
Producenten en importeurs van tabaksproducten moeten contracten sluiten over de opslag
van gegevens met een onafhankelijke derde, die de faciliteit voor gegevensopslag beheert
voor alle relevante gegevens.
Art. 4c, vierde lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(8), tweede alinea
De activiteiten van de derde moeten worden gecontroleerd door een externe auditor.
Tabaksproducenten moeten deze externe auditor voorstellen en betalen en deze moet
door de Commissie worden goedgekeurd. De externe auditor moet de bevoegde autoriteiten
en de Commissie een jaarverslag voorleggen, waarin m.n. onregelmatigheden mbt de toegang
worden beoordeeld.
Art. 4c, vijfde lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(8), derde alinea
De faciliteiten voor gegevensopslag moeten volledig toegankelijk zijn voor de bevoegde
autoriteiten van de lidstaten, de Commissie en de externe auditor. In gemotiveerde
gevallen kunnen lidstaten en de Commissie toegang verlenen tot de opgeslagen gegevens
aan producenten of importeurs.
Art. 4c, zesde lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(9)
Geregistreerde gegevens worden niet gewijzigd of gewist door een marktdeelnemer die
betrokken is bij de handel in tabaksproducten.
Valt deels onder valsheid in geschrifte (artikel 225 Wetboek van Sr) en voor het overige
zie artikel 4c, eerste lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 15(10)
Lidstaten nemen Richtlijn 95/46/EG in acht bij verwerking van persoonsgegevens.
Behoeft geen implementatie. De Algemene Verordening Gegevensverordening werkt rechtstreeks.
Geen
Art. 15(11) en (12)
De Commissie stelt uitvoeringshandelingen en gedelegeerde handelingen vast.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 15(13)
Inwerkingtredingsbepaling
Artikel IV
Geen
Art. 16(1)
Lidstaten eisen dat op alle verpakkingseenheden van tabaksproducten een veiligheidskenmerk
komt. Dit kenmerk mag niet verwijderd worden en moet onuitwisbaar zijn.
Art. 4h, eerste en tweede lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 16(2)
Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 16(3)
Inwerkingtredingsbepaling
Artikel IV
Geen
Art. 23(3)
Lidstaten stellen sancties vast die worden opgelegd bij overtredingen.
Artikel I, onderdelen D en G en artikel III.
Er wordt aangesloten bij het bestaande bestuurlijke boete-regime uit de Tabaks- en
rookwarenwet en de strafrechtelijke sancties ogv Wet op de economische delicten.
Uitvoeringsverordening (EU) 2018/574 inzake de technische normen voor de instelling
en werking van een traceringssysteem voor tabaksproducten
Bepaling EU-regeling
Inhoud
Bepaling in implementatieregeling
Omschrijving beleidsruimte en evt. toelichting
Art. 1
Inhoud verordening
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 2
Definities
Art. 4
Geen
Art. 3(1)
Lidstaat moet uiterlijk 6 mei 2019 een ID-uitgever aanwijzen die verantwoordelijk
is voor het aanmaken en uitgeven van unieke identificatiemarkeringen (UI’s genoemd).
Art. 4d, eerste lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Geen
Art. 3(2)
Lidstaten zien erop toe dat een ID-uitgever die gebruik wil maken van onderaannemers,
uitsluitend voor benoeming in aanmerking komt indien de lidstaten in kennis zijn gesteld
van de identiteit van alle voorgestelde onderaannemers.
Art. 4d, eerste lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Geen
Art. 3(3)
De ID-uitgever moet onafhankelijk zijn.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 3(4)
Elke ID-uitgever krijgt een unieke identificatiecode.
Behoeft geen implementatie. ID-uitgever moet dit bij de AIM aanvragen.
Geen
Art. 3(5)
ID-uitgever die meer dan in één lidstaat wordt aangesteld, moet adhv dezelfde code
kunnen worden geïdentificeerd.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 3(6)
Lidstaten stellen de Commissie in kennis van de aanstelling van de ID-uitgever en
zijn identificatiecode.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 3(7)
Lidstaten stellen informatie over ID-uitgever publiek beschikbaar en online toegankelijk.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 3(8) onderdeel a
Lidstaat neemt adequate maatregelen om te waarborgen dat de ID-uitgever onafhankelijk
blijft.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 3(8) b
De door opeenvolgende ID-uitgevers geleverde diensten worden niet onderbroken.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 3(9)
ID-uitgever mag alleen vergoedingen vaststellen voor het aanmaken en uitgeven van
identificatiemarkeringen. Niet-discrimerend en evenredig.
Art. 4d, tweede lid, wetsvoorstel.
Wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.
Art. 4(1)
Voor in de Unie geproduceerde tabaksproducten is de bevoegde ID-uitgever de entiteit
die is aangesteld door de lidstaat waar de producten (1) geproduceerd worden, of (2)
in de handel worden gebracht.
Art. 4d, eerste lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Optie 2 om redenen van goed toezicht en economisch voordeel ID-uitgever.
Art. 4(2)
Voor in de Unie ingevoerde tabaksproducten is de bevoegde ID-uitgever de entiteit
die is aangesteld door de lidstaat waar de producten in de handel worden gebracht.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 4(3)
Voor in de Unie geaggregeerde tabaksproducten is de ID-uitgever van de lidstaat bevoegd
waar de producten worden geaggregeerd.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 4(4)
Voor tabaksproducten die bestemd zijn voor de uitvoer, is de bevoegde ID-uitgever
de entiteit die is aangesteld door de lidstaat waar de producten worden geproduceerd.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 4(5)
Commissie kan marktdeelnemers toestaan om de diensten van een andere ID-uitgever te
gebruiken, indien de bevoegde ID-uitgever afwezig is.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 5(1)
Geldigheid van de identificatiemarkeringen is zes maanden.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 5(2)
Het gegevensopslagsysteem zorgt ervoor dat de UI’s die niet binnen zes maanden worden
gebruikt, worden gedeactiveerd.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 5(3)
Producenten en importeurs kunnen een verzoek tot deactivering van de UI’s indienen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 6(1)
Producenten en importeurs moeten alle in de Unie ingevoerde of geproduceerde verpakkingseenheden
merken met een UI.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 6(2)
Voor buiten de Unie geproduceerde tabaksproducten geldt dat de eenheids-UI op de verpakkingseenheid
aangebracht moet worden vóór het product in de Unie wordt ingevoerd.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 7(1)
Het aanbrengen van de UI wordt onmiddellijk gevolgd door de verificatie van die UI
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 7(2)
Het proces in het eerste lid wordt beveiligd met een antimanipulatiehulpmiddel dat
wordt geleverd en geïnstalleerd door een onafhankelijke derde. Derde verstrekt aan
de Commissie en de lidstaat een verklaring waaruit blijkt dat het hulpmiddel aan de
eisen van deze verordening voldoet.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 7(3)
UI correct aanbrengen
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 7(4)
Producenten en importeurs moeten waarborgen dat de geregistreerde informatie beschikbaar
blijft
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 7(5)
Producenten en importeurs geven toegang tot gegevens aan lidstaten op verzoek.
Art. 4f wetsvoorstel.
Minister wijst de bevoegde autoriteit aan.
Art. 7(6)
Uitzondering op het tweede, vierde en vijfde lid
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8(1)
Elke verpakkingseenheid moet gemerkt worden met een UI.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8(2)
De ID-uitgevers zijn verantwoordelijk voor het aanmaken van een code die bestaat uit
een aantal elementen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8(3)
Producenten en importeurs moeten een tijdsstempel toevoegen aan de code.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8(4) eerste alinea
UI’s bevatten geen andere gegevens dan de in lid 1 vermelde gegevenselementen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8(4) tweede alinea
Wanneer ID-uitgevers encryptie of compressie gebruiken, moeten zij de bevoegde autoriteiten
en de Commissie in kennis stellen van de algoritmen.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 9, leden 1 t/m 3
Producenten en importeurs sturen hun aanvragen voor de UI’s naar de bevoegde ID-uitgever
en verstrekken info als bedoeld in de bijlage. ID-uitgever makt de codes binnen twee
werkdagen aan.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 9(4)
Lidstaat kan van de ID-uitgever verlangen dat zij als alternatief voor de elektronische
levering ook de fysieke levering van eenheid-UI’s aanbieden.
Art. 4e wetsvoorstel.
De Minister kan dit bij nadere regels verplichten.
Art. 9(5)
Producenten en importeurs kunnen hun aanvraag binnen één werkdag annuleren.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 10
Merken dmv geaggregeerde UI’s ingevolge artikel 15, vijfde lid, van de Richtlijn.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 11
Structuur geaggregeerde UI’s
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 12
Koppeling tussen UI-niveaus
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 13
Aanvraag en uitgifte geaggregeerde UI’s
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 14
Aanvraag van een identificatiecode voor marktdeelnemers
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 15 (1 t/m 3)
Uitgifte en registratie van marktdeelnemersidentificatiecodes
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 15(4)
Lidstaten kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen in overeenstemming met hun
nationale wetgeving de ID-uitgever verzoeken om een marktdeelnemersidentificatiecode
te deactiveren.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 15(5)
Informatie-uitwisseling
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 16
Aanvraag van een faciliteitsidentificatiecode
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 17(1 t/m 3)
Uitgifte en registratie van faciliteitsidentificatiecodes
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 17(4)
In naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen lidstaten de ID-uitgever verzoeken een
faciliteitsidentificatiecode te deactiveren.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 18
Aanvraag van een machine-identificatiecode
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 19(1 t/m 3)
Uitgifte en registratie van machine-identificatiecodes
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 19(4)
In naar behoren gemotiveerde gevallen kan de lidstaat de ID-uitgever verzoeken om
een machine-identificatiecode te deactiveren.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 20(1 t/m 3)
Overdracht van offline platte bestanden en registers
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 20(4)
Lidstaten kunnen de maximaal toegestane grootte van platte bestanden aanpassen.
Art. 4e wetsvoorstel.
De Minister kan dit bij nadere regels vereisen. Administratief voorschrift.
Art. 21
Gegevensdragers voor de Unieke identificatiemarkeringen
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 22
Kwaliteit van de optische gegevensdragers
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 23
Door de mens leesbare code
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 24
Onderdelen van het gegevensopslagsysteem
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 25(1) onderdelen f, k en l
Het gegevensopslagsysteem is toegankelijk voor de bevoegde autoriteiten van de lidstaten
en de Commissie.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 26(6)
Lidstaten hebben de mogelijkheid om eenvoudige zoekopdrachten uit te voeren mbt alle
gegevens die in een primaire gegevensopslag worden bewaard.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 27
Lidstaten hebben toegang tot de in het gegevensopslagsysteem opgeslagen gegevens.
Art. 4f wetsvoorstel.
De Minister wijst de bevoegde autoriteiten aan.
Art. 27(3)
Lidstaat moet specifieke regels kunnen bepalen voor automatische waarschuwingen etc.
Art. 4e wetsvoorstel.
De Minister kan dit bepalen.
Art. 27(11)
Lidstaten behouden zich het recht voor aanvullende dienstenniveauovereenkomsten te
sluiten met de aanbieder van de secundaire gegevensopslag met als doel die laatste
in te huren voor het verrichten van aanvullende diensten. De aanbieder kan een vergoeding
vragen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 28
Coördinatietaken van de aanbieder van de secundaire gegevensopslag
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 29
Router
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 30
Kosten van het gegevensopslagsysteem worden gedragen door de producenten en importeurs.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 31
Het gegevensopslagsysteem moet uiterlijk 20 maart 2019 zijn ingesteld en klaar zijn
voor testdoeleinden.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 32(5)
Lidstaten waar de verzendingsfaciliteit is gevestigd kunnen toestaan dat een deel
van de registratieverplichting wordt vervuld door toegang te verlenen tot de volg-
en traceersysteembestanden van het logistieke of postbedrijf.
Art. 4e wetsvoorstel.
De Minister kan dit toestaan.
Art. 33
Registreren en doorgeven van transactie-informatie
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 34
Termijn voor het verzenden van de vereiste informatie
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 35(1 t/m 3)
ID-uitgevers, aanbieders van gegevensopslagdiensten en aanbieders van antimanipulatiehulpmiddelen
zijn onafhankelijk.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 35(4)
Onafhankelijkheid. Lidstaten kunnen documenten verlangen waarmee de onafhankelijkheid
kan worden vastgesteld. Hier kan onder meer een lijst worden verstaan van de aan de
tabaksindustrie verleende diensten.
Behoeft geen implementatie
Geen
Art. 35(5 en 7)
Meldingenplicht
Art. 4f, wetsvoorstel.
Geen
Art. 35(6)
Lidstaten en de Commissie kunnen de nodige maatregelen nemen indien de aanbieders
van gegevensopslagdiensten en aanbieders van antimanipulatiehulpmiddelen niet langer
voldoen aan de gestelde eisen, om ervoor te zorgen dat alsnog aan de gestelde eisen
wordt voldaan.
Artikel 4g, wetsvoorstel.
Geen
Art. 37
Overgangsrecht
Art. 4a, derde lid, wetsvoorstel.
Gedelegeerde verordening (EU) 2018/573 van de Commissie van 15 december 2017 betreffende
de centrale elementen van de gegevensopslagcontracten die als onderdeel van een traceringssysteem
voor tabaksproducten moeten worden gesloten
Bepaling EU-regeling
Inhoud
Bepaling in implementatieregeling
Omschrijving beleidsruimte en evt. toelichting
Art. 1
Voorwerp van de gedelegeerde verordening
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 2
Definities
Art. 4
Geen
Art. 3
Belangrijkste door de aanbieder te vermelden diensten in het contract
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 4
In de ovk moet worden bepaald dat de aanbieders een schriftelijke verklaring moeten
verstrekken aan de producent of importeur waaruit blijkt dat ze over technische en
operationele expertise beschikken.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 5
In het contract wordt vereist dat de beschikbaarheid van de primaire gegevensopslag
99,5% is.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 6
In het contract worden de voorwaarden vastgesteld waaronder aan nationale beheerders
van de lidstaten toegang mag worden verleend.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 7
Uitbesteding mag geen invloed hebben op de primaire verantwoordelijkheid van de dienstverlener
voor de uitvoering van het contract
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8
In het contract wordt vereist dat de aanbieders een schriftelijke verklaring verstrekken
waaruit hun onafhankelijkheid blijkt.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 9
In het contract wordt vastgesteld dat de aanbieder alle passende maatregelen treft
om de vertrouwelijkheid van de gegevens te waarborgen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 10
In het contract wordt vereist dat de aanbieders verklaren dat de primaire gegevensopslag
(en evt. secundaire) conform internationaal erkende normen worden beheerd.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 11
De door de aanbieders aan producenten of importeurs aangerekende kosten moeten overeenkomstig
art. 30 van de uitvoeringsverordening billijk, redelijk en evenredig zijn.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 12
In het contract wordt vereist dat de aanbieder meewerkt aan de instelling van het
secundaire gegevensopslagsysteem. Aanbieder moet in staat zijn kosten die voortvloeien
uit de instelling, de werking en het onderhoud te verhalen op de producenten en importeurs.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 13
Duur van contract is minstens vijf jaar, met mogelijkheid tot verlenging.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 14
In het contract wordt vereist dat de aanbieders met elkaar en met de bevoegde autoriteiten
van de lidstaten samenwerken.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 15
In het contract worden de voorwaarden vastgesteld waaronder externe door de Commissie
goedgekeurde auditors aangekondigde en onaangekondigde audits kunnen uitvoeren.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 16
In het contract worden overeenkomstig het toepasselijk recht de voorwaarden vastgesteld
voor de aansprakelijkheid van de partijen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 17
In het contract worden de voorwaarden vastgesteld mbt de beëindiging ervan, in overeenstemming
met het toepasselijke recht. In bepaalde gevallen moet het contract onmiddellijk worden
beëindigd. Opzegtermijn bedraagt ten minste vijf maanden.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 18
In het contract wordt bepaald dat de opschorting van de diensten in geval van late
betaling door een producent of importeur verboden is, tenzij de vertraging de laatste
betalingstermijn met dertig dagen of meer overschrijdt.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 19
In het contract moet worden bepaald dat aanbieders moeten zorgen voor volledige overdraagbaarheid
van de gegevens indien producenten of importeurs een contract afsluiten met een nieuwe
aanbieder. Het contract bevat een exitplan.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 20
Het contract valt onder het recht van één van de lidstaten van de EU en is onderworpen
aan de jurisdictie van één van de lidstaten van de EU, zoals overeengekomen door de
partijen bij het contract.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/576 van de Commissie van 15 december 2017 inzake de technische
normen voor op tabaksproducten aangebrachte veiligheidskenmerken
Bepaling EU-regeling
Inhoud
Bepaling implementatieregeling
Omschrijving beleidsruimte en evt. toelichting
Art. 1
Voorwerp
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 2
Definities
Art. 4
Geen
Art. 3(1)
Lidstaten vereisen dat de veiligheidskenmerken uit niet minder dan vijf soorten authenticatie-elementen
bestaan, waarvan tenminste één open is, één half-verborgen is en één verborgen is.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Geen
Art. 3(2)
Lidstaten vereisen dat ten minste één van de lid 1 bedoelde elementen wordt geleverd
door een onafhankelijke externe aanbieder die aan de in artikel 8 gestelde eisen voldoet.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel b, wetsvoorstel.
Geen
Art. 3(3) en (4)
Elke lidstaat stelt de producenten en importeurs in kennis van de combinatie(s) van
de elementen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 4(1)
Lidstaten zien erop toe dat de uiteindelijke veiligheidskenmerken voldoen aan de eisen
van artikel 3 van dit besluit en artikel 16 van de Richtlijn, indien lidstaten kiezen
voor het accijnszegel.
Art. 4h, vierde lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 4(2)
Wanneer accijnszegel niet voldoet aan alle eisen, mag het alleen worden gebruikt als
onderdeel van het veiligheidskenmerk. Lidstaten zorgen er dan voor dat producenten
en importeurs worden geïnformeerd over aanvullende soorten elementen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 4(3)
De in lid 2 bedoelde informatie wordt uiterlijk op 20 september 2018 aan producenten
en importeurs ter beschikking gesteld.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 5(1)
Lidstaten vereisen dat de veiligheidskenmerken op een van de volgende manieren op
de verpakkingseenheden worden aangebracht: bevestigen, afdrukken of een combinatie
van bevestigen en afdrukken.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel c, wetsvoorstel.
Geen
Art. 5(2)
Veiligheidskenmerken worden op zodanige wijze op de verpakkingseenheden aangebracht
dat zij de identificatie en verificatie van de authenticiteit van een individuele
verpakkingseenheid van een tabaksproduct mogelijk maken en zij beschermd zijn tegen
vervanging, hergebruik of wijziging op welke manier dan ook.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel c, wetsvoorstel.
Geen
Art. 6(1)
Lidstaten kunnen te allen tijde besluiten om programma’s voor de afwisseling van veiligheidskenmerken
in te voeren of in te trekken.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Bij amvb kunnen eisen worden gesteld aan de samenstelling van het veiligheidskenmerk.
Art. 6(2)
Lidstaat moet in sommige situaties eisen dat het veiligheidskenmerk wordt vervangen
of gewijzigd.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel a, wetsvoorstel.
Bij amvb kunnen eisen worden gesteld aan de samenstelling van het veiligheidskenmerk.
Art. 6(3)
Lidstaten kunnen formele richtsnoeren of voorschriften vaststellen voor de veiligheid
van productie- en distributieprocedures.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel d, wetsvoorstel.
Geen
Art. 7(1)
Lidstaten moeten ervoor zorgen dat zij over de nodige middelen beschikken voor het
analyseren van elke combinatie van authenticatie-elementen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 7(2)
Lidstaten verplichten de producenten en importeurs om op schriftelijk verzoek monsters
te verstrekken
Artikel I, onderdeel F, wetsvoorstel.
Geen
Art. 7(3)
Lidstaten staan elkaar bij met de verificatie van de authenticiteit van een tabaksproduct
met inbegrip van het delen van alle monsters.
Artikel I, onderdeel F, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(1)
Eisen die gesteld worden aan aanbieders van authenticatie-elementen en hun eventuele
onderaannemers.
Art. 4h, tweede lid, onderdeel b, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(2)
Aanbieder blijft verantwoordelijk voor onderaannemers.
Artikel 4h, tweede lid, onderdeel b, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(3)
Lidstaten kunnen documenten en jaarlijkse verslagen verlangen van aanbieders
Artikel 4k, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(4)
Verandering in omstandigheden die verband houden met de eisen die gesteld worden aan
de aanbieders, worden gemeld aan de commissie en de lidstaten.
Artikel 4j, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(5)
Lidstaten nemen de nodige maatregelen.
Artikel 4k, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(6)
Aanbieders stellen de betrokken lidstaten onverwijld in kennis van alle gevallen van
bedreigingen etc.
Artikel 4j, wetsvoorstel.
Geen
Art. 8(7)
Overheidsinstanties worden geacht onafhankelijk te zijn van de tabaksindustrie
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 8(8)
Procedures voor het toezicht op de naleving van de in lid 1 vermelde onafhankelijkheidscriteria
worden aan een periodieke toetsing door de Commissie onderworpen.
Behoeft geen implementatie.
Geen
Art. 9(1)
Overgangsrecht
Art. 4h, derde lid, wetsvoorstel.
Geen
Art. 9(2)
Overgangsrecht
Art. 4h, derde lid, wetsvoorstel.
Geen
De Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,
P. Blokhuis
Ondertekenaars
P. Blokhuis, staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.