Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 14 mei 2019
21 501-32 Landbouw- en Visserijraad
Nr. 1179
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 27 mei 2019
De vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft een aantal vragen
en opmerkingen voorgelegd aan de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit
over o.a. de brief van 2 mei 2019 over de geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad
van 14 mei 2019 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1170). De volledige agenda is opgenomen aan het einde van het verslag.
De vragen en opmerkingen zijn op 7 mei 2019 aan de Minister van Landbouw, Natuur en
Voedselkwaliteit voorgelegd. Bij brief van 10 mei 2019 zijn de vragen, voorzien van
een inleiding, beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Kuiken
Adjunct-griffier van de commissie, Goorden
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
2
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
3
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
4
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie
5
Vragen en opmerkingen van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
6
II
Antwoord / Reactie van de Minister
23
III
Volledige agenda
40
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de agenda voor de Landbouw- en
Visserijraad van 14 mei 2019.
De Minister geeft aan steun uit te willen spreken voor het nieuwe prestatiemodel van
het toekomstig Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Kan de Minister aangeven welke
stappen er recent zijn gezet op het gebied van vereenvoudiging? En kan de Minister
aangeven of zij van mening is dat de huidige stappen in de vereenvoudiging voldoende
tegemoetkomen? De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd over de voorgestelde vereenvoudiging
en vragen zich af of de boeren in de nieuwe GLB-periode ook daadwerkelijk profiteren
van een vereenvoudiging van het GLB. Kan de Minister hier een reflectie op geven?
Kan de Minister een meetbare ambitie aangeven?
Tijdens het algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad op 10 april jl. heeft de Minister
aangegeven het belang te zien van digitalisering in de land- en tuinbouw (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1173). De leden van de VVD-fractie hebben hier meerdere malen aandacht voor gevraagd,
ook in het kader van het GLB. De Minister gaf tijdens het algemeen overleg (AO) aan
dat zij hiervoor aandacht zal blijven vragen. Kan de Minister aangeven of dit tijdens
de vorige Landbouw- en Visserijraad ter sprake is gekomen en, zo ja, wat daar besproken
is?
De leden van de VVD-fractie lezen dat de onderhandelingen voor handelsakkoorden geagendeerd
staan. Onderdeel daarvan zijn de onderhandelingen met Mercosur. Kan de Minister aangeven
of zij eerder aandacht heeft gevraagd voor de zorgelijke ontwikkelingen met betrekking
tot het Braziliaanse landbouwbeleid? Zo nee, kan de Minister aangeven waarom hier
niet eerder aandacht voor is geweest? Is de Minister bereid om in navolging van de
schriftelijke vragen van de leden Lodders en Van Haga (2019Z09052, ingezonden op 6 mei 2019) het Braziliaanse landbouwbeleid en de gevolgen voor de
Europese boeren en tuinders aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie kijken met waardering naar de inzet van de Minister om
de herziening van de Genetisch Gemodificeerd Organismen (GGO)-regelgeving op te laten
nemen in het nieuwe werkprogramma van de Europese Commissie. Heeft de Minister inzichtelijk
op welke manier de GGO-regelgeving herzien zou moeten worden om de ambitie van Nederland
vorm te kunnen geven? Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid om voor de zomer
een document op te stellen met de contouren die nodig zijn om de GGO-regelgeving te
herzien? En wil de Minister de Kamer daarbij betrekken? Zo nee, waarom niet? Wanneer
verwacht de Minister duidelijkheid over de octrooieerbaarheid van klassieke plantenveredeling,
waar de Grote Kamer van Beroep zich momenteel over buigt?
Kan de Minister een actuele stand van zaken geven over de voorziene toename van het
tariefquotum voor pluimveevlees uit Oekraïne? Dit mede in het licht van de aangenomen
motie-Ouwehand (Kamerstuk 21 501-20, nr. 1449).
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de informatie over de Bee Guidance.
De leden onderschrijven de noodzaak van een werkbaar document en praktische uitvoerbaarheid.
De leden zien een aangepast voorstel graag tegemoet. Kan de Minister aangeven of zij
bereid is tijdens de eerstvolgende vergadering van het Standing Comittee Plants, Animals,
Food and Feed (SCoPAFF) de noodzaak tot Europese aanpak van de varroamijt te agenderen?
Zo nee, waarom niet?
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de lijn van de Minister om het pulsverbod
nietig te laten verklaren door het Hof van Justitie van de EU. Welke van de vier beroepsgronden
acht de Minister kansrijk bij het Hof?
De Minister is voornemens om pulsvergunningen tot eind dit jaar te verlengen teneinde
het wetenschappelijk onderzoek naar pulsvisserij bevredigend af te ronden. Kan de
Minister aangeven of zij hiervoor steun van de Europese Commissie krijgt?
Innovatie wordt door Europese lidstaten helaas niet op waarde beoordeeld, blijkens
het verbod op pulsvisserij. De leden van de VVD-fractie zijn daarom blij dat de Minister
de wijzigingsvoorstellen van Frankrijk en Spanje niet steunt. Cofinanciering is te
allen tijde van belang om de betrokkenheid van lidstaten hierin te borgen. Kan de
Minister aangeven of er meerdere landen zijn die de wijzigingsvoorstellen van Frankrijk
en Spanje niet steunen? Zo ja, welke landen zijn dit en kan de Minister aangeven op
welke manier met deze lidstaten zal worden samengewerkt om een krachtig geluid te
laten horen?
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de Landbouw- en
Visserijraad en de inzet van de Minister als beschreven in de geannoteerde agenda.
Hierover hebben deze leden nog vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat Nederland de inzet
van de Europese Commissie steunt bij het vergroten van de markttoegang, -uitbreiding
en -behoud voor Europese landbouwproducten. Onlangs gaf de Minister in de Kamer aan
dat haar inzet ten aanzien van handelsakkoorden is dat wij onze eisen daarin ook mee
zouden moeten nemen en dat voor Nederland altijd vooropstaat dat we moeten zorgen
dat die standaarden ook daar gehanteerd gaan worden. Dit lezen deze leden niet terug.
Is de Minister bereid om bij de komende Raad maar ook daarna te blijven bepleiten
dat onze Europese standaarden ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn
ook daadwerkelijk gehanteerd worden in handelsverdragen, zodat importproducten hier
ook aan moeten voldoen? Zo nee, hoe gaat u of dit kabinet dit wel agenderen bij de
Europese Commissie? Hoe geeft de Minister uitvoering aan de aangenomen motie-Ouwehand
(Kamerstuk 21 501-20, nr. 1449) die de regering verzoekt om zich bij de komende Raden uit te spreken tegen de verhoging
van het quotum voor kippenvlees uit Oekraïne en voor deze positie ook steun onder
andere lidstaten te verwerven?
De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van de aanpassing van de Europese GGO-regelgeving
de Minister op welke termijn zij een aanpassing verwacht. Daarnaast vragen deze leden
wat de Minister bedoelt met «de Nederlandse inzet beoogt daarin te voorzien» ten aanzien
van de paragraaf over CRISPR-Cas. Is het mogelijk met een interpretatie van de huidige
GGO-regelgeving te komen met een uitzondering in Nederland?
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister wat de inzet is van andere lidstaten
ten aanzien van het Franse en Spaanse voorstel voor wijziging van het Europees Fonds
voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Welke mogelijkheden zijn er om de toelating
van de puls te koppelen aan steun voor EFMZV?
De leden van de CDA-fractie lezen dat de nieuwe Europese meststoffenverordening kwaliteitseisen
stelt aan onder meer compostproducten. De Europese kwaliteitseisen zijn vergelijkbaar
met de eisen in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. In hoeverre wijken deze eisen
af van het keurmerk Keurcompost? In de Nederlandse praktijk zien we dat Keurcompost
A en B of gelijkwaardige kwaliteit door de Brancheorganisatie Akkerbouw voorgeschreven
is in de telerhandleidingen. Keurcompost kent drie kwaliteitsklassen, te weten: klasse
C is basiskwaliteit, klasse B is de middelste kwaliteitsklasse en klasse A is de hoogste
kwaliteit. De kwaliteitsklassen onderscheiden zich door steeds strengere normen voor
verontreinigingen zoals glas en plastic.
Wanneer de Europese meststoffenverordening in werking treedt, bestaat het risico dat
vanuit onder andere Duitsland en Vlaanderen compost van mindere kwaliteit wordt geëxporteerd
naar Nederland. Zou bovenstaande voorkomen kunnen worden door Keurcompost-eisen algemeen
verbindend te verklaren? Zo ja, hoe zou dat gerealiseerd kunnen worden?
Het is de leden van de CDA-fractie ter ore gekomen dat een aantal afvalverwerkers
gratis compost aan particulieren verstrekken. Deze compost zit blijkbaar vol met plastic
en is inmiddels afgewaardeerd naar Keurcompost C. De compostsoort C wordt door diverse
gemeenten blijkbaar wel toegepast in plantsoenen, volkstuinen en/of gewone tuinen.
Daarnaast hebben deze leden vernomen dat er diverse gemeenten zijn die compost afnemen
maar geen idee hebben wat de kwaliteit daarvan is. Is de Minister bereid over bovenstaande
met de gemeenten in gesprek te gaan en de Kamer voor de zomer van 2019 over de uitkomsten
hiervan te berichten?
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van
18 april 2019 over de tijdlijn inzake het bijenrichtsnoer. Deze leden danken de Minister
voor het toesturen van de tijdlijn en de afschriften van het door Nederland ingebrachte
commentaar. De leden hebben hierover nog enkele vragen en opmerkingen.
De European Food Safety Authority (EFSA) zette in 2012 de wetenschappelijke inzichten
over risico's van bestrijdingsmiddelen voor honingbijen, wilde bijen en hommels op
een rij in een scientific opinion. Deze analyse was de basis voor de verbeterde Bee
Guidance die EFSA in 2013 voorstelde. Kan de Minister aangeven of er sinds het in
2012 gepubliceerde EFSA-rapport nieuwe wetenschappelijke inzichten zijn verkregen
die de risico’s van bestrijdingsmiddelen voor honingbijen, solitaire bijen en hommels
in een ander daglicht stellen en een andere risicobeoordeling rechtvaardigen dan EFSA
in 2013 voorstelde in het Bee Guidance document? Klopt het dat de Nederlandse inbreng
afwijkt van de wetenschappelijke analyse en het wetenschappelijke voorstel? Zo ja,
kan de Minister uitleggen waarom de Nederlandse inbreng afwijkt en wat de wetenschappelijke
analyse achter de Nederlandse zienswijze is? Kan de Minister daarnaast uitleggen wat
de wetenschappelijke analyse is achter de Nederlandse zienswijze dat de beschermingsdoelen
te conservatief zijn?
De leden van de D66-fractie constateren dat tijdens het algemeen overleg Landbouw-
en Visserijraad van 26 juni 2018 door de Minister is toegezegd dat de pilot omtrent
Remote Electronic Monitoring op visserijschepen begin 2019 van start zou gaan. Kan
de Minister toelichten hoe het hiermee staat? Klopt het dat er slechts drie schepen,
op een totaal van 300 schepen, meegenomen worden in de huidige Nederlandse pilot en
dat dit aantal in drie jaar wordt opgeschaald naar tien schepen? Zo ja, is de Minister
het met deze leden eens dat nu dit jaar de aanlandplicht volledig geïmplementeerd
is, de noodzaak voor controles op zee hoger is dan ooit? Is de Minister bereid om
op korte termijn te kijken naar de mogelijkheid om het pilotproject na de analyse
van de eerste resultaten uit te breiden naar significant meer schepen binnen de Nederlandse
vloot? Zijn er nieuwe inzichten over Fully Documented Fisheries en Remote Electronic
Monitoring opgedaan binnen Europa en kan de Minister dit toelichten?
Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen omtrent de geannoteerde
agenda van de Landbouw- en Visserijraad op 14 mei 2019. De leden lezen dat de uitkomst
van Digital Day 2019 niet aan bod is gekomen tijdens de laatste Landbouw- en Visserijraad
en dat dit agendapunt wederom op de agenda staat voor de Landbouw- en Visserijraad
van 14 mei aanstaande. In de verklaring over digitalisering van landbouw en plattelandsgebieden
staan de onderwerpen Artificial Intelligence (AI), robotica, blockchain en snel breedbandinternet
beschreven. Op welke manier passen Smart Farming en het gebruik van satellietdata
in deze verklaring? Kan de Minister aangeven op welke manier satellietdata over landbouwgronden
zijn weg vindt door Europa?
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie
De leden van de GroenLinks-fractie hebben met onvrede kennisgenomen van de documenten
ter voorbereiding van de Landbouw- en Visserijraad die op 14 mei gehouden zal worden.
Onze zorgen gaan vooral over de gang van zaken rondom het nieuwe bijenrichtsnoer en
de pulsvisserij. Deze leden willen het kabinet daarom nog enkele kritische vragen
voorleggen.
De leden van de GroenLinks-fractie zijn ontevreden met de reactie die de Minister
heeft gegeven naar aanleiding van het Europese verbod op de pulsvisserij. Ondanks
dat zij in februari nog een realistisch en dus somber perspectief gaf, heeft zij de
afgelopen tijd vissers weer hoop gegeven, o.a. door te zeggen dat ze het verbod gaat
aanvechten bij het Europese Hof van Justitie. Omdat Nederland echt alleen staat in
het pulsvisserij-debat in de Europese Unie en dit verbod tot stand is gekomen door
een democratisch proces binnen het Europees parlement, achten deze leden dit niet
als een realistisch scenario. De leden van de GroenLinks-fractie vinden dit dan ook
oneerlijk ten opzichte van de vissers. Daarom enkele vragen. Waar denkt de Minister
de nietigverklaring bij het Europees Hof op te baseren? Kan de Minister schetsen hoe
realistisch het is dat Noordzeelanden onze pulskorvissers toelaten binnen hun 12 mijlszones?
Welke landen verwacht zij dat hier positief tegenover staan en welke negatief? Kan
de Minister aangeven hoeveel aandacht er in het meerjarige pulsvisserijonderzoek wordt
gegeven aan de sociale implicaties van de pulsvisserij op kleinschalige kustvissers
in zowel Nederland als andere landen? De leden van de GroenLinks-fractie vinden het
belangrijk dat er ook aandacht is voor deze groep vissers, naast uiteraard de belangrijkste
reden voor onderzoek: de milieu en dierenwelzijnsvragen. In hoeverre zijn deze sociale
aspecten ook onderdeel van de toekomstvisie voor de kottersector op de Noordzee? Hoe
komt deze toekomstvisie tot stand en wanneer denkt de Minister deze af te ronden?
De leden van de GroenLinks-fractie zijn in verwarring over het Nederlandse beleid
om insecten te beschermen. Enerzijds is er een nieuwe ambitieuze gewasbeschermingsvisie
waar de leden van de GroenLinks-fractie in grote lijnen best in mee kunnen gaan, anderzijds
horen deze leden in de media dat Nederland de totstandkoming van het nieuwe bijenrichtsnoer
vertraagt. Dit zou zijn omdat na inwerkingtreding van deze richtlijn een aantal middelen
onterecht het stempel «riskant» krijgt en de richtlijn daarmee niet werkbaar is. Uit
brieven en antwoorden op vragen van collega-Kamerleden van andere fracties blijkt
nog geen helder antwoord op de vraag waarom de positie van Nederland zo kritisch is
ten opzichte van het nieuwe bijenrichtsnoer en op welke wetenschappelijke consensus
het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) en
de EFSA zich baseren. Daarom de volgende vraag: kan de Minister inzicht geven in de
redenen voor en tegen het nieuwe bijenrichtsnoer en daarbij aangeven welke redenen
de doorslag hebben gegeven om tegen de huidige versie van het bijenrichtsnoer te zijn?
Welke methodes gebruikt het Ctgb en hoe kunnen deze uitgebreid worden met nieuwe wetenschappelijke
inzichten, bijvoorbeeld op het gebied van niet-dodelijke effecten op insecten die
wel de voortplanting beïnvloeden? Zijn er andere Europese landen waar ook dergelijk
uitgebreid onderzoek naar toelating van middelen gedaan wordt?
Daarnaast heeft de Authorisation Procedure for Pesticides(PEST)-commissie van het
Europees parlement, onder leiding van collega Bart Staes van de Groenen, de Europese
Commissie én de lidstaten een brief gestuurd om duidelijk te maken waarom het goed
is om het bijenrichtsnoer zoals dat in juli 2018 gepresenteerd is aan te nemen1. De PEST-commissie geeft hierbij duidelijke argumenten. Wat vindt de Minister van
deze argumenten en kan zij hierbij uitgebreid aangeven waarom zij dit vindt?
Tot slot spreken de leden van de GroenLinks-fractie hun steun uit voor de Minister
omdat zij schrijft het nieuwe bijenrichtsnoer zo snel mogelijk in te willen voeren.
Dat willen deze leden ook. Is de Minister het ermee eens dat dit niet ten koste moet
gaan van de veiligheid en onze leefomgeving?
Vragen en opmerkingen van de Partij voor de Dieren-fractie
Bijenrichtsnoer, agendapunt bij SCoPAFF-overleg
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie maken zich grote zorgen over de schadelijke
effecten van door de EU toegelaten bestrijdingsmiddelen op het ecosysteem, met bijen
en hommels als specifiek punt van grote zorg. Deze leden waarschuwen al sinds jaar
en dag dat de testmethoden op basis waarvan de Europese voedsel- en warenautoriteit
EFSA pesticiden beoordeelt achterlopen bij de wetenschappelijke inzichten. Daar komt
bij dat de studies op basis waarvan de EFSA een stof beoordeelt, worden aangeleverd
door de gifproducenten zelf – bedrijven als Bayer-Monsanto en Syngenta. De beoordelingen
kunnen tot overmaat van ramp tot nu toe niet onderworpen worden aan openbare peer-reviews
(de standaard wetenschappelijke werkwijze, die wat de leden van de Partij voor de
Dieren-fractie betreft óók de norm zou moeten zijn als het gaat om het toelaten van
pesticiden in Nederland en de EU), omdat de (door de industrie aangeleverde) studies
waarop EFSA zich baseert bij de beoordeling van pesticiden tot nu toe nog altijd niet
openbaar worden gemaakt.2
Het voorgeschreven gebruik van de omstreden Klimisch ranking dwingt EFSA ten onrechte
om bij haar risicobeoordeling meer gewicht te geven aan (geheime) industriestudies
(met good laboratory practice(GLP)-certificaten en volgens de richtlijnen van de Organisation
for Economic Cooperation and Development (OECD) uitgevoerd) dan aan collegiaal getoetste
studies gepubliceerd in wetenschappelijke tijdschriften. De leden van de Partij voor
de Dieren-fractie vinden dat Nederland zich met hoge prioriteit moet inzetten voor
het zo snel mogelijk afschaffen van de Klimisch ranking in alle EFSA-richtsnoeren,
om in plaats daarvan echt wetenschappelijke kwaliteitscriteria te gebruiken (zoals
statistisch onderscheidend vermogen) bij het toekennen van gewicht aan studies, of
deze nou van de industrie of van academische wetenschappers afkomstig zijn.
Hoewel de risicobeoordelingen door EFSA slechts input zouden moeten vormen voor het
politieke besluitvormingsproces (EFSA is verantwoordelijk voor het risk assesment,
de politiek is verantwoordelijk voor het risk management en moet een bredere afweging
maken over de vraag of het verantwoord is om bepaalde pesticiden toe te laten op de
hele Europese markt), worden ze door de Europese Commissie en lidstaten zoals Nederland
als voldongen feiten gepresenteerd. Daarbij gaan ze zowel voorbij aan de (voornoemde)
mankementen in de verouderde beoordelingssystematiek als aan hun eigen verantwoordelijkheid
om een politiek besluit te nemen, waarbij niet alleen de EFSA-beoordeling, maar bijvoorbeeld
ook het voorzorgbeginsel en de positie van biologische boeren een rol spelen in de
afweging. Verordening 1107/20093 stelt immers in artikel 1.4 dat: «De bepalingen van deze verordening stoelen op het
voorzorgsbeginsel teneinde te garanderen dat werkzame stoffen of middelen die op de
markt worden gebracht niet schadelijk zijn voor de gezondheid van mensen en dieren
of voor het milieu. In het bijzonder worden de lidstaten er niet van weerhouden het
voorzorgsbeginsel toe te passen wanneer er wetenschappelijk gezien onzekerheid bestaat
over de risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren of voor het milieu van de
op hun grondgebied toe te laten gewasbeschermingsmiddelen.»
Onder de genoemde gemankeerde systematiek van risicobeoordelingen zijn begin jaren
«90 systemische insecticiden toegelaten in de hele Europese Unie, neonicotinoïden
(zoals imidacloprid) en fipronil. Wetenschappers die waarschuwden dat EFSA ten onrechte
– want op basis van een achterhaald model – had geconcludeerd dat deze systemische
insecticiden veilig waren, werden lange tijd genegeerd en weggehoond, tot de gevolgen
tóch zichtbaar werden in het ecosysteem. EFSA kwam uiteindelijk zelf tot de conclusie
dat de risico’s voor bijen onvoldoende in kaart waren gebracht. De beoordeling van
acute toxiciteit voor honingbijen gaf, zo constateerde EFSA in een analyse in 2012,
onvoldoende inzicht in andere effecten die wel degelijk optreden bij het gebruik van
(systemische) pesticiden, zoals de chronische toxiciteit, de indirecte gevolgen en
de effecten van blootstelling van larven van wilde, solitaire bijen en hommels.4 In het tot dan toe gehanteerde model werd niet gekeken naar het feit dat bijen binnen
een paar weken alsnog kunnen sterven wanneer zij herhaaldelijk worden blootgesteld
aan pesticiden, of dat pesticiden het navigatievermogen van bijen kunnen aantasten
waardoor zij sterven door honger of kou. Hiervoor, zo luidde nu óók de conclusie van
EFSA zelf, zijn aanvullende testen nodig. Precies waar onafhankelijk wetenschappers
en toxicologen al langer op wezen.
Nu de conclusie onontkoombaar was, ontwikkelde EFSA een concept voor een nieuw richtsnoer,
de Bee Guidance5, dat wél deze risico’s voor hommels en bijen in kaart brengt, onder andere door de
invoering van uitgebreidere (semi)veldstudies. Dit concept is gebruikt om opnieuw
te kijken naar de risico’s van drie neonicotinoïden, waaronder imidacloprid.
Op basis van deze nieuwe risicobeoordeling kon niet anders dan worden geconcludeerd
dat een tijdelijke inperking van het gebruik van deze drie neonics nodig was (waarbij
de effecten twee jaar lang moesten worden gemonitord). Toen dat gebeurd was, bleek
dat de inperking permanent moest worden én fors moest worden uitgebreid. Het kwam
in 2018, na een herbeoordeling van deze middelen op basis van het in 2013 afgeronde,
maar nog niet vastgestelde Bee Guidance richtsnoer, tot een verbod op het gebruik
van drie neonicotinoïden in open teelten.
Hoewel de leden van de Partij voor de Dieren-fractie het goed vinden dat het gebruik
van deze drie neonicotinoïde middelen in open teelten uiteindelijk is verboden, vinden
deze leden het wrang dat deze middelen al die jaren grote schade hebben aangericht
aan het ecosysteem, en dat die schade nog wel even doorgaat omdat systemische bestrijdingsmiddelen
een lange afbrekingstijd kennen en ook omdat gebruik in kassen en als biocide en diergeneesmiddel
buiten het verbod vallen en de neonicotinoïden thiaclorpid, sulfoxaflor en acetemiprid
nog steeds op grote schaal in buitenteelten toegelaten zijn. De gifstoffen die door
onzorgvuldige toelatingsbesluiten in onze natuur, bodems en water terecht zijn gekomen
en nog altijd komen, verdwijnen niet zomaar op het moment dat het gebruik van deze
stoffen eindelijk aan banden is gelegd.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het zeer ernstig dat het nieuwe
richtsnoer voor de beoordeling van risico’s van pesticiden voor bijen en hommels al
in 2012 in conceptvorm is gepresenteerd en in 2013 is afgerond, maar anno 2019 nog
altijd niet is geïmplementeerd. Er zijn in de tussentijd allerlei nieuwe stoffen toegelaten,
ook ándere neonictotinoïde middelen, die niet zijn beoordeeld op basis van de nieuwe
wetenschappelijke inzichten en het nieuwe bijenrichtsnoer, maar op basis van het verouderdere
richtsnoer uit 20016, waarvan vaststaat dat dit belangrijke risico’s voor bijen en hommels buiten beschouwing
laat.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben hier enkele vragen over.
1. Erkent de Minister dat de toelating van in ieder geval neonicotinoïden en fipronil
heeft geleid tot schade aan het ecosysteem?
2. Erkent de Minister dat deze schade zich voorlopig nog wel even blijft voltrekken,
ook nu het gebruik van drie neonicotinoïden in open teelten is verboden, omdat deze
pesticiden in het milieu terecht zijn gekomen en daar maar langzaam afbreken?
3. Erkent de Minister dat de Europese beoordelingssystematiek (op basis van tot nu toe
niet-openbare, door de industrie aangeleverde studies, waarbij geen openbare peer-review
mogelijk is) in het algemeen – en het gehanteerde richtsnoer uit 2001 in het bijzonder
– het risico met zich meebrengen dat bestrijdingsmiddelen worden toegelaten die later
toch meer schadelijke effecten blijken te hebben op milieu, volksgezondheid, ecosysteem
en – meer specifiek – bijen en hommels?
4. Hoe kijkt de Minister naar het risico dat toegelaten bestrijdingsmiddelen bij nader
inzien meer schadelijke effecten hebben dan op voorhand werd gedacht?
5. Denkt de Minister dat zo’n risico onvermijdelijk is of denkt zij dat je zulke risico’s
zou kunnen uitsluiten?
6. Deelt de Minister de mening dat het risico dat toegelaten stoffen bij nader inzien
toch meer schadelijke gevolgen hebben dan op voorhand werd ingeschat, (als dat risico
niet kan worden uitgesloten) dan in elk geval zo klein mogelijk moet worden gemaakt?
7. Erkent de Minister dat de Bee Guidance, zoals in concept gepresenteerd in 2012 en
afgerond in 2013, een antwoord was op het wetenschappelijke inzicht dat de beoordelingssystematiek
tot dan toe – acute toxiciteit voor honingbijen – onvoldoende inzicht gaf in andere
effecten die wel degelijk optreden bij (systemische) pesticiden, zoals chronische
toxiciteit, indirecte gevolgen en blootstelling van larven van wilde bijen en hommels?
8. Erkent de Minister dat de eerste gedeeltelijke inperking van drie neonicotinoïden
gebaseerd was op de concept Bee Guidance van EFSA uit 2012 (waarin lessen werden getrokken
uit de tekortkomingen van het beoordelingsmodel tot dan toe), inclusief nieuwe EFSA-
beoordelingen en aanvullend onderzoek, uitgevoerd door de industrie op basis van de
nieuwe concept Bee Guidance?
9. Kan de Minister bevestigen dat uit deze studies en beoordeling onder andere bleek
dat deze drie neonicotinoïde middelen zich – omdat ze systemisch zijn – verspreiden
via wilde bloemen en volggewassen en dat de conclusie luidde dat er eigenlijk geen
veilige toepassing is van deze neonicotinoïde middelen?
10. Kan de Minister bevestigen dat Nederland die eerste gedeeltelijke inperking – op basis
van de nieuwe wetenschappelijke inzichten van EFSA en de concept Bee Guidance uit
2012 – heeft gesteund?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden dat het verouderde richtsnoer
al lang had moeten worden vervangen. Het kent grote tekortkomingen die ervoor zorgen
dat stoffen «veilig» worden genoemd terwijl ze dat helemaal niet zijn. Zo kunnen stoffen
op basis van dit verouderde richtsnoer, zelfs als op basis van laboratoriumonderzoek
vast is komen te staan dat bij veldrealistische blootstelling onaanvaardbare schade
optreedt bij bijen, toch worden toegelaten als de industrie een veldproef kan overleggen
waaruit zou blijken dat de schade meevalt. Doordat het oude richtsnoer geen eisen
stelt aan het statistisch onderscheidend vermogen van de veldproef (en bovendien geen
eisen stelde aan een valide opzet van de veldproef) glippen tal van stoffen, waaronder
systemische neonicotinoïden, op dit moment nog altijd door de mazen van het toelatingsnet.
De Kamer mocht erop vertrouwen dat het kabinet de mening deelde dat het oude richtsnoer
zo snel mogelijk moest worden vervangen door een richtsnoer dat gebaseerd is op wetenschappelijke
kwaliteitscriteria, en dat het Nederlandse kabinet zich inzette voor nieuwe, betere
beoordeling van pesticiden op de effecten voor bijen en hommels op basis van de nieuwste
stand van de wetenschap. Het kabinet verwees de Kamer en haar zorgen over de schadelijke
effecten van neonicotinoïde middelen op bijen en hommels steeds naar de Europese herbeoordelingen,
op basis van de concept Bee Guidance, die Nederland dus steunde. Een aangenomen motie
(Kamerstuk 27 858, nr. 155) die het kabinet verzocht om zelfstandig maatregelen te treffen om de Nederlandse
natuur te beschermen tegen neonicotinoïden, werd niet uitgevoerd met verwijzing naar
(aangescherpte) herbeoordelingen van de betreffende middelen. Staatssecretaris Dijksma
schreef hierover in 2014: «Het kabinet concludeert dat op nationaal en op Europees
niveau zeer recent de gewasbeschermingsmiddelen met neonicotinoïden en fipronil zijn
herbeoordeeld aan de nieuwste stand van de wetenschap als het gaat om de risico’s
voor bijen» (Kamerstuk 27 858, nr. 264). Staatssecretaris Dijksma schreef in mei 2014 ook expliciet in een brief aan de
Kamer in reactie op het nieuwe EFSA-richtsnoer voor de beoordeling van risico’s voor
bijen dat zij het «van groot belang achtte dat een dergelijk richtsnoer wordt opgesteld
en in de hele EU wordt gebruikt bij de beoordeling van de risico’s van gewasbeschermingsmiddelen
voor bijen». En in 2018 steunde het Nederlandse kabinet het verbod op het gebruik
van drie neonicotinoïde middelen in open teelten, op basis van herbeoordeling van
de middelen aan de hand van de in 2013 gepresenteerde (maar nog steeds niet vastgestelde)
nieuwe Bee Guidance.
Uit de informatie die de Kamer van het kabinet ontving over de Nederlandse inzet voor
de bescherming van bijen en de besluiten die werden genomen om het gebruik van neonicotinoïden
in te perken, spreekt dat Nederland zich ook in Europa inspande voor een bijenrichtsnoer
dat goede bescherming voor bijen en hommels voorop stelt.
De Kamer vertrouwde daar ook op, totdat er eind 2018 signalen kwamen dat Nederland
achter de schermen meewerkte aan uitholling van het in 2013 gepresenteerde richtsnoer
dat bijen en hommels beter zou moeten beschermen. Er lekten notulen uit de SCoPAFF-vergadering,
waarin politiek vertegenwoordigers (ambtenaren) namens de regering van hun lidstaat
met elkaar overleggen over de voorstellen van de Europese Commissie. Uit die notulen
bleek dat er een implementatieplan voor de nieuwe Bee Guidance voorlag en dat Nederland
zich bij een indicatieve stemming in het tegenkamp bevond.
Dat leidde tot grote verbazing en vooral grote zorg bij de leden van de Partij voor
de Dieren-fractie. De leden hebben zeer grote moeite met de manier waarop de Kamer
tot op dat moment was geïnformeerd over het Nederlandse handelen met betrekking tot
de Bee Guidance, net als met de manier waarop de Kamer werd geantwoord toen de leden
van de Partij voor de Dieren-fractie specifieke vragen stelden over het proces rond
de totstandkoming en tussentijdse aanpassingen van het EFSA-bijenrichtsnoer (het Bee
Guidance document) en voorstel voor implementatie (Roadmap to implementation).
Sinds de eerste signalen, heeft het lid Ouwehand in schriftelijke overleggen7, algemeen overleggen8 en schriftelijke vragen9 gevraagd naar de positie van Nederland in de discussie over het richtsnoer. De leden
van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen hoe de discussie over het Bee Guidance
document van EFSA tot dan toe was verlopen. De Minister antwoordde dat het document
nog niet was vastgesteld omdat «een groot aantal lidstaten onderdelen van het document
niet uitvoerbaar vinden», waarmee ze suggereerde dat ándere lidstaten dwarslagen,
niet Nederland.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vroegen wat de opstelling van Nederland
(steeds) is geweest in de discussie. De Minister antwoordde dat Nederland bij de Europese
Commissie heeft aangedrongen op het zo spoedig mogelijk vaststellen van de Bee Guidance
met daarbij een «gefaseerde invoering van de onderdelen waarover consensus bestaat»
en dat Nederland heeft aangegeven dat de praktische toepassing van het Bee Guidance
document kan worden «verbeterd» – waarmee ze suggereerde dat Nederland zich constructief
opstelde en nog altijd voor een snelle toepassing van de BeeGuidance was.
De Minister stelde voorts dat er geen voorstel voorlag, dat er geen sprake was van
uitholling, dat er geen sprake van was dat Nederland een andere inzet zou hebben dan
waar de Kamer al die tijd van uit was gegaan (namelijk optimale bescherming van bijen
en hommels tegen acute en chronische toxiciteit), dat de Kamer zou worden geïnformeerd
op het moment dat er zal worden gestemd over het onderwerp, dat Nederland pas dan
een positie inneemt en dat de inzet van Nederland niet is gewijzigd.
Pas nadat Follow the Money op 4 april 2019 een artikel publiceerde waarin een aantal
onthullingen werd gedaan over de inbreng van de Nederlandse delegatie in SCoPAFF,
stuurde de Minister meer informatie, en pas nadat de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
aandrongen op een feitenrelaas (Kamerstuk 27 858, nr. 451, ontvangen op 18 april jl., waarvoor dank aan de Minister), heeft de Kamer zicht
op wat er sinds 2013 rondom de Bee Guidance is gebeurd en hoe de Nederlandse regering
zich daarbij heeft opgesteld. Nu pas heeft de Kamer er kennis van kunnen nemen dat
er sinds 2013 wel degelijk tenminste zeven (!) verschillende momenten zijn geweest
waarop er een (gewijzigd) voorstel voor het bijenrichtsnoer of het bijbehorende implementatieplan
was of werd voorgelegd aan de lidstaten. We lezen nu pas wat er schuilgaat achter
het verhullende taalgebruik dat de Minister en haar voorgangers hebben gebezigd in
brieven naar de Kamer. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het zeer
ernstig dat dit kabinet en voorgaande kabinetten de Kamer niet uit zichzelf hebben
geïnformeerd over de ontwikkelingen en de inzet en het handelen van Nederland rond
de Bee Guidance.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben hier vragen over.
1. Erkent de Minister dat de leden van de Partij voor de Dieren-fractie gevraagd hebben
naar de positie van Nederland in de discussie rond de Bee Guidance, naar eventuele
wijzigingen van het voorstel in de afgelopen zes jaar, naar het meewegen van de chronische
toxiciteit in de risicobeoordeling en naar het meewegen van de gevolgen voor solitaire
bijen en hommels (en niet naar ophanden zijnde stemmingen)?
2. Erkent de Minister dat zij de Kamer niet juist of niet volledig heeft geïnformeerd
door niet te melden dat er in de afgelopen zes jaar in ieder geval zes en op dit moment
zeven versies van het implementatieplan (Roadmap to implementation) zijn besproken
binnen SCoPAFF?
3. Erkent de Minister dat zij de Kamer niet juist heeft geïnformeerd door te antwoorden
«Nederland heeft nog geen positie aangezien er nog geen eindvoorstel officieel is
voorgelegd aan de lidstaten»?
4. Erkent de Minister dat zij de Kamer niet volledig heeft geïnformeerd door niet te
melden dat Nederland al die jaren binnen SCoPAFF is genoteerd in het kamp van de tegenstemmers?
5. Erkent de Minister dat voorstellen en wijzigingen van voorstellen die op ambtelijk
niveau zoals in ScoPaff worden gepresenteerd, voorgesteld, besproken en indicatief
ter stemming worden gebracht, medebepalend zijn voor de uiteindelijke uitkomst?
6. Erkent de Minister dat de Kamer geïnformeerd moet worden over de verschillende voorstellen
die voor komen te liggen in deze overleggen, evenals over de inbreng en positie van
Nederland in deze overleggen, zeker als de Kamer daarom vraagt?
7. Kan de Minister bevestigen dat EFSA gedurende de ontwikkeling van de Bee Guidance
en voordat het richtsnoer in 2013 definitief werd opgeleverd zeer ruime inspraakmogelijkheden
heeft geboden10 en daarbij is uitgegaan van de laatste stand van wetenschap?
8. Kan de Minister bevestigen dat, na de oplevering van het Bee Guidance document dat
door wetenschappers is ontwikkeld, het document sindsdien achter gesloten deuren van
SCoPAFF door politieke vertegenwoordigers van lidstaten besproken en mogelijk aangepast
wordt?
9. Kan de Minister bevestigen dat bij deze SCoPAFF-overleggen geen wetenschappers aanwezig
zijn?
10. Kan de Minister bevestigen dat er geen sprake is van wetenschappelijke peer-review
van de besluiten die binnen SCoPAFF worden genomen?
Behalve over de manier waarop de Minister is omgegaan met de informatiepositie van
de Kamer, zijn de leden van de Partij voor de Dieren-fractie zeer ontstemd over wat
– zo blijkt nu – het Nederlandse kabinet achter de schermen heeft gedaan rond de Bee
Guidance, wat beduidend anders is dan het kabinet de Kamer al die tijd heeft gemeld.
Terwijl de Kamer erop mocht vertrouwen dat Nederland zich inzette voor betere bescherming
van bijen en hommels, bevestigen het feitenrelaas dat de Minister naar de Kamer stuurde
(opnieuw Kamerstuk indien mogelijk) en de bijbehorende commentaren die door Nederland
achter de schermen zijn ingebracht bij de Europese Commissie het beeld dat Follow
the Money onlangs onthulde: Nederland pleit achter de schermen, in de besloten overleggen,
actief voor het verminderen van de zwaarte van de voorgestelde veiligheidstesten en
gebruikt hierbij opvallend veel termen en argumenten die letterlijk terug te vinden
zijn in de lobbybrieven van de industrie.
Zonder dat aan de Kamer te melden, heeft het Nederlandse kabinet in de discussie over
het implementatieplan ingezet op het uitstellen van de invoering van feitelijk alle
testen die betrekking hebben op de beoordeling van de risico’s van middelen voor hommels
en andere bijen dan honingbijen, en ook de invoering van testen die de risico’s met
betrekking tot chronische toxiciteit in kaart moeten brengen, moeten, als het aan
het Nederlandse kabinet ligt, worden uitgesteld. Terwijl de Minister op de vragen
naar de discussie meldde dat «lidstaten» dwarslagen, blijkt Nederland zelf dwars te
liggen. En met succes, zagen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie in een
uitgelekte conceptversie van het implementatieplan. Niet alleen is mede onder druk
van Nederland de invoering van deze testen uitgesteld: de invoeringsdatum is in de
nieuwe uitgelekte conceptversie van het implementatieplan zelfs volledig geschrapt.
Invoering van de testen die volgens de laatste stand van de wetenschap nodig zijn
om blootstelling van bijen en hommels aan schadelijke pesticiden te vermijden is dus
op de lange baan geschoven, zonder zelfs maar een einddatum waarop de invoering een
feit zou moeten zijn. Nederland pleit ervoor om het deel van het richtsnoer met de
nu uitgestelde ofwel geschrapte testen te laten herschrijven door EFSA, om dit daarna
(over twee jaar) vervolgens opnieuw binnen SCoPAFF te bespreken. Erkent de Minister
dat de Bee Guidance zoals deze nu in werking zal treden, hiermee is uitgekleed tot
weinig meer dan het huidige richtsnoer uit 2001? Erkent de Minister dat hierdoor de
daadwerkelijke bescherming van hommels en solitaire, wilde bijen nog altijd uitblijft?
De commentaren die Nederland achter de schermen aan de Europese Commissie heeft gestuurd,
geven een volstrekt ander beeld dan de (summiere) informatie over de discussie die
door de Minister en haar voorgangers aan de Kamer is verstrekt.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie herinneren de Minister graag aan een
aantal uitspraken die haar voorgangers hebben gedaan. Zo schreef Staatssecretaris
Dijksma in mei 2014 in de kabinetsreactie op het EFSA-richtsnoer voor de beoordeling
van risico’s voor bijen dat zij het van groot belang achtte dat een dergelijk richtsnoer
wordt opgesteld en in de hele EU wordt gebruikt bij de beoordeling van de risico’s
van gewasbeschermingsmiddelen voor bijen (Kamerstuk 27 858, nr. 265). Hierbij wees zij op het commentaar dat is ingebracht door stakeholders, waaruit
zou blijken dat het richtsnoer een grote impact zal hebben op de werkprocessen. Op
initiatief van Nederland is daarop een workshop georganiseerd met de lidstaten en
de EFSA. Na verwerking van de laatste aanpassingen aan het richtsnoer door EFSA zou
besluitvorming in de zomer van 2014 plaatsvinden, waarna het document en het bijbehorende
implementatieplan per 1 januari 2015 in werking zouden treden.
Nu lezen wij in de brief met de tijdlijn inzake het bijenrichtsnoer van april 2019
dat Nederland achter de schermen in september 2013 schriftelijk commentaar heeft geleverd
aan de Europese Commissie waarin zij zèlf (en dus niet alleen stakeholders) met scherpe
kritiek kwam op het voorstel (Kamerstuk 27 858, nr. 451). Hier spreekt Nederland ineens over een aantal tekortkomingen in het richtsnoer,
waarschuwt zij dat risicobeoordelingen extra tijd en extra geld zullen kosten, noemt
zij het Bee Guidance document erg conservatief, lijkt zij de noodzaak voor het beoordelen
van de risico’s voor hommels en wilde bijen ter discussie te stellen, stelt zij de
vraag of lidstaten de risico’s voor hommels en wilde bijen wel willen beoordelen en
levert zij commentaar op de vereisten voor veldstudies.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben hierover een aantal vragen:
1. Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 20 september 2013 aan de Europese
Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?
2. Kan de Kamer de adviezen of de overwegingen die daaraan ten grondslag lagen, ontvangen?
3. Vindt de Minister dat de brief van Staatssecretaris Dijksma van 22 mei 2014 (Kamerstuk
27 858, nr. 265) een goede weergave is van de Nederlandse inbreng van de discussie over het EFSA-voorstel?
Kan zij dit toelichten?
4. Had de Kamer volgens de Minister op basis van deze brief kunnen weten dat Nederland
zwaar inhoudelijke commentaar op het richtsnoer leverde aan de Europese Commissie?
5. Deelt de Minister de mening dat de schets van het vervolg van het traject in de brief
van 22 mei 2014 de indruk wekt dat de EFSA naar aanleiding van de workshop laatste
aanpassingen deed aan het voorstel en dat dit vervolgens per 1 januari 2015 in werking
zou treden?
In 2014 is het bijenrichtsnoer tijdens zes verschillende SCoPAFF-vergaderingen besproken,
schrijft de Minister in haar brief van 18 april jongstleden. De Minister schrijft
hierover dat Nederland geen schriftelijk commentaar heeft geleverd. In de samenvattingen
van de vergaderingen zien de leden van de Partij voor de Dieren-fractie echter dat
er wel een inhoudelijke discussie heeft plaatsgevonden. Tijdens de vergadering in
juli 201411 heeft elke lidstaat bijvoorbeeld in een «tour de table» een toelichting gegeven op
zijn positie ten aanzien van het gewijzigde voorstel en het implementatieplan. Sommige
lidstaten waren voor de voorstellen, sommige waren tegen de voorstellen en een aantal
lidstaten had nog geen standpunt of mening.
1. Wat was de positie van Nederland ten aanzien van de voorstellen die in juli 2014 op
tafel lagen?
2. Hoorde Nederland bij de lidstaten die voor, tegen of zonder mening waren?
3. Wat was de mondelinge inbreng bij de vergaderingen in 2014? Kan de Minister de gespreksnotities
of memo’s aan de Kamer sturen?
Staatssecretaris Van Dam schreef de Kamer in januari 2016 wederom dat hij het van
groot belang vond dat er snel besluitvorming zou plaatsvinden over het bijenrichtsnoer
en dat hij de Europese Commissie hier per brief om zou verzoeken (Kamerstuk 27 858, nr. 344). Hij schreef hierbij dat Nederland actief een belangrijke bijdrage leverde aan nieuwe
toetsingsmethoden om het toetsingskader te verbeteren. Kan de Minister deze brief
van haar voorganger aan de EC naar de Kamer sturen? Is de Minister van mening dat
uit de brief van haar voorganger uit januari 2016 blijkt dat Nederland zich verzet
tegen de implementatie van het bijenrichtsnoer?
In mei 2016 werd een conceptvoorstel voor de implementatie van het bijenrichtsnoer
en een wijziging van de Uniforme beginselen geagendeerd, schrijft de Minister in haar
brief van 18 april jongstleden. De voorzitter van de Nederlandse Akkerbouw Vakbond
(NAV) schreef voorafgaand aan die SCoPAFF-vergadering in een brief d.d. 13 mei 2016
aan Staatssecretaris Van Dam dat hij had gehoord dat Nederland voornemens was om het
voorstel te steunen en doet vervolgens een pleidooi om dit voornemen te wijzigen.12 Klopt de bewerking van de voorzitter van de NAV dat Nederland op dat moment voornemens
was om voor het voorstel te stemmen? Zo niet, waardoor heeft dit beeld kunnen ontstaan?
In het schriftelijke commentaar dat Nederland achter de schermen aan de Europese Commissie
stuurde op 10 juni 2016 en dat nu door de Minister aan de Kamer is gestuurd, is echter
te lezen dat Nederland op dat moment nog steeds grote zorgen («deep concern») had
over de «haalbaarheid» van sommige delen van het bijenrichtsnoer. En dan met name
over het feit dat veel middelen zouden afvallen door dit richtsnoer te gebruiken om
de risico’s te beoordelen. Nederland pleitte in dit commentaar tevens voor het hanteren
van het door Syngenta ontwikkelde en door EFSA afgewezen BEEHAVE-model. Is het BEEHAVE-model
waar Staatssecretaris Van Dam op doelde met de actieve en belangrijke bijdrage die
Nederland leverde aan nieuwe toetsingsmethoden om het toetsingskader te verbeteren?
In het schriftelijke commentaar van 10 juni 2016 is tevens te lezen dat Nederland
de geplande data voor inwerkingtreding van februari 2018 (te) ambitieus noemt. Hierbij
wordt gesteld dat Nederland sterke twijfels heeft of een «werkbare» risicobeoordeling
op dat moment beschikbaar is. Deelt de Minister de mening dat dit iets heel anders
is dan «pleiten voor snelle besluitvorming», zoals Staatssecretaris Van Dam enkele
maanden daarvoor schreef aan de Kamer (Kamerstuk 27 858, nr.344)? Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 10 juni 2016 aan de Europese
Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?
In het schriftelijke commentaar dat Nederland op 13 januari 2017 aan de Europese Commissie
stuurde is wederom te lezen dat Nederland zich zorgen maakt om de afwijzing van veel
middelen vanwege de beoordeling van de risico’s voor hommels en solitaire bijen. De
leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben hierover enkele vragen.
1. Was de Minister verbaasd dat een vernieuwd richtsnoer, waarin nieuwe wetenschappelijke
kennis is verwerkt over de zeer zorgwekkende achteruitgang van de insectenpopulatie
en de oorzaken daarvan, zou betekenen dat de risico’s van middelen voor bijen en hommels
grondiger zouden worden bekeken?
2. Had de Minister niet verwacht dat pesticiden zouden afvallen wanneer de bijbehorende
risico’s voor bijen en hommels beter in kaart worden gebracht, zelfs niet na de herbeoordeling
van de drie neonicotinoïden?
3. Erkent de Minister dat de inbreng die Nederland achter de schermen heeft geleverd,
de indruk wekt dat zij zich meer zorgen maakt over de kosten voor de industrie en
de beschikbaarheid van pesticiden voor de landbouwsector dan over de bescherming van
bijen en hommels?
4. Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 13 januari 2017 aan de Europese
Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?
In september 2017 diende het lid De Groot drie moties in over het Bee Guidance document,
waaronder een motie (Kamerstuk 27 858, nr. 403) met het verzoek om bij de Europese Commissie aan te dringen op toepassing van het
Guidance document for bees op alternatieve middelen met een hoog risicoprofiel voor
bijen. Minister Kamp merkte deze aan als ondersteuning van beleid. Erkent de Minister
dat de Kamer op basis hiervan niet anders kon dan veronderstellen dat het kabinet
achter het Bee Guidance document stond en instemde met de inhoud en implementatie
daarvan?
Intussen hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie vernomen dat, ondanks
de uitholling van (de implementatie van) de BeeGuidance, waardoor deze inmiddels inhoudelijk
zo weinig voorstelt dat een meerderheid van de lidstaten hiermee in zal stemmen, Nederland
nog altijd niet akkoord zal gaan. Dit vanwege de vereisten voor de veldstudies.
1. Kan de Minister dit bevestigen?
2. Zo ja, hoe kan de Minister dit verantwoorden, in het licht van de uitspraken van haar
voorgangers en op basis van alle wetenschappelijke informatie die beschikbaar is?
3. Klopt het dat er tijdens het komende SCoPAFF-overleg, in tegenstelling tot eerdere
berichten, toch nog geen stemming zal plaatsvinden? Zo ja, wat is hiervoor de reden?
4. Indien er geen stemming plaatsvindt, wat zal de inbreng zijn van Nederland tijdens
de «tour de table»?
5. Is de Minister bereid zich vanaf nu wel daadwerkelijk in te zetten voor een optimale
bescherming van bijen en hommels?
6. Indien er wel een stemming plaatsvindt, hoe zal Nederland hierbij stemmen?
7. Is de Minister bereid zich dit keer wel daadwerkelijk in te zetten voor een optimale
bescherming van bijen en hommels?
8. Is de Minister tot slot bereid om alle zeven versies van de voorstellen voor het implementatieplan
(Roadmap to implementation) die tussen 2013 en mei 2019 zijn en worden besproken aan
de Kamer te sturen?
Kan de Minister bovenstaande vragen inzake het bijenrichtsnoer vóór 13 mei 2019 beantwoorden,
in verband met het komende SCoPAFF-overleg op 20 mei 2019?
Automatische verlenging van toelatingen
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie hebben enkele vragen over de automatische
verlenging van toelatingen. In haar brief van 11 april 2019 kondigde de Minister aan
dat er direct na dat weekend, op 15 april in SCoPAFF zou worden gestemd over een voorstel
van de Europese Commissie over de automatische verlenging van 34 werkzame stoffen
in verband met niet tijdig afgeronde herbeoordeling (Kamerstuk 27 858, nr. 447). Deze automatische verlengingen zonder de wettelijk voorgeschreven herbeoordeling
zorgen ervoor dat pesticiden waarvan bekend is dat ze kankerverwekkend, mutageen of
giftig voor de voortplanting zijn, keer op keer worden toegelaten. De reden hiervoor
zou zijn dat er sprake is van een capaciteitsgebrek bij de Europese beoordelingsinstanties,
waaronder EFSA.
Uit onderzoek van foodwatch13 bleek afgelopen zomer dat toelatingen tot wel vier keer achter elkaar automatisch
en ongezien worden verlengd. Ruim 200 pesticiden zijn niet op tijd herbeoordeeld.
Eerder al heeft de Tweede Kamer zich uitgesproken tegen de automatische verlenging
van stoffen waarvan bekend is dat ze gevaarlijk zijn en riep de Kamer de Minister
op om zich te verzetten tegen een voorstel van de Europese Commissie om 42 stoffen
automatisch te verlengen (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1145). Ook het Europees parlement heeft de Europese Commissie vorig jaar door middel van
een aangenomen resolutie14 opgeroepen om te stoppen met het ongezien verlengen van omstreden bestrijdingsmiddelen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie constateren echter dat de automatische
verlengingen nog altijd gewoon doorgaan.
In het pakket van 34 stoffen die in april 2019 zonder herbeoordeling zijn verlengd
bevonden zich onder andere de stoffen tebuconazool, waarvan vermoedens bestaan dat
dit ongeboren kinderen kan beschadigen en flumioxazine, waarvan eerder is vastgesteld
dat het zowel ongeboren kinderen als de vruchtbaarheid kan schaden. Deze stoffen zouden
niet door een herbeoordelingstoets komen en zouden volgens deze leden dan ook nooit
verlengd mogen worden. Ook de stoffen dimethoate, fenamiphos en metribuzin staan vanwege
hun toxiciteit op de lijst van stoffen die vervangen moeten worden en waarvan het
gebruik zo snel mogelijk gestopt moet worden.
De Minister schrijft in haar brief dat Nederland vóór het voorstel van de Europese
Commissie zou gaan stemmen om de toelating van de 34 stoffen automatisch te verlengen.
Ze zou zich daarbij met een stemverklaring gaan verzetten tegen de verlenging van
de stof tebuconazool, vanwege de in 2013 aangenomen motie-Ouwehand die vroeg om deze
stof van de markt te weren (Kamerstuk 27 858, nr. 222).
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het onbestaanbaar dat de Minister
voor de voorstellen van de Europese Commissie stemt die de toelating van deze gevaarlijke
stoffen verlengt zonder de voorgeschreven herbeoordeling. Als de Minister in een televisieprogramma
over de grote zorgen van burgers over landbouwgif in hun omgeving reageert door te
beloven dat het «drastisch anders» wordt, kan zij toch niet blijven instemmen met
het op de markt houden van middelen die op basis van verouderde richtsnoeren of modellen
zijn toegelaten, en niet opnieuw zijn bekeken op hun effecten terwijl dat nota bene
wél verplicht is?
Een stemverklaring tegen één van de stoffen heeft daarbij geen enkel effect als het
totale pakket wordt verlengd met steun van Nederland. De Partij voor de Dieren wil
dat er een einde komt aan deze ongeziene verlengingen en dat de Minister doet wat
ze in de richting van betrokken burgers heeft gesuggereerd.
Over de stoffen die in april zijn verlengd, hebben de leden een aantal vragen:
1. Wanneer, op welke momenten, is de stof tebuconazool beoordeeld door de EFSA?
2. Wanneer, op welke momenten, is de stof tebuconazool door het Ctgb getoetst voor toelating?
3. Wanneer is de stof tebuconazool voor het laatst beoordeeld?
4. Door welke instantie was dat?
5. Met welk richtsnoer?
6. Wat waren de bevindingen?
7. Waar wordt het middel tebuconazool gebruikt?
8. Wanneer, op welke momenten, is de stof flumioxazine beoordeeld door de EFSA?
9. Wanneer, op welke momenten, is de stof flumioxazine door het Ctgb getoetst voor toelating?
10. Wanneer is de stof flumioxazine voor het laatst beoordeeld?
11. Door welke instantie was dat?
12. Met welk richtsnoer?
13. Wat waren de bevindingen?
14. Waar wordt het middel flumioxazine gebruikt?
15. Wanneer, op welke momenten, is de stof dimethoate beoordeeld door de EFSA?
16. Wanneer, op welke momenten, is de stof dimethoate door het Ctgb getoetst voor toelating?
17. Wanneer is de stof dimethoate voor het laatst beoordeeld?
18. Door welke instantie was dat?
19. Met welk richtsnoer?
20. Wat waren de bevindingen?
21. Waar wordt het middel dimethoate gebruikt?
22. Wanneer, op welke momenten, is de stof fenamiphos beoordeeld door de EFSA?
23. Wanneer, op welke momenten, is de stof fenamiphos door het Ctgb getoetst voor toelating?
24. Wanneer is de stof fenamiphos voor het laatst beoordeeld?
25. Door welke instantie was dat?
26. Met welk richtsnoer?
27. Wat waren de bevindingen?
28. Waar wordt het middel fenamiphos gebruikt?
29. Wanneer, op welke momenten, is de stof metribuzin beoordeeld door de EFSA?
30. Wanneer, op welke momenten, is de stof metribuzin door het Ctgb getoetst voor toelating?
31. Wanneer is de stof metribuzin voor het laatst beoordeeld?
32. Door welke instantie was dat?
33. Met welk richtsnoer?
34. Wat waren de bevindingen?
35. Waar wordt het middel metribuzin gebruikt?
Een schone planeet voor iedereen: strategische langetermijnvisie voor een klimaatneutrale
economie – landbouwaspecten
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien in de geannoteerde agenda dat er
een gedachtewisseling zal plaatsvinden over een Europese strategische langetermijnvisie
voor een klimaatneutrale economie in 2050. Hoe ziet de Minister een klimaatneutrale
landbouw in 2050 voor zich, in de wetenschap dat vlees en zuivel grote klimaatschade
veroorzaken?
Zal de Minister in de gedachtewisseling over een schone planeet en de landbouwaspecten
van een klimaatneutrale economie wijzen op het onderzoek van landbouweconoom Joseph
Poore van Oxford University15 over de klimaatimpact van voedselproductie en -consumptie, op basis waarvan hij stelt
dat er wereldwijd weinig is dat zo’n brede, schadelijke impact heeft als de veehouderij?
Zo niet, welke bronnen gebruikt zij dan voor haar inbreng?
Erkent de Minister dat een drastische verandering in het eetpatroon nodig is om de
klimaatdoelen te halen, met daarin fors minder dierlijke eiwitten? Is de Minister
bereid dit punt in te brengen in de gedachtewisseling bij dit agendapunt?
Erkent de Minister dat een nieuw GLB waarin wéér zeven jaar grote bedragen aan subsidie
naar de melkveehouderij zullen gaan, het realiseren van een klimaatneutrale landbouw
fors zal belemmeren? Zo ja, welke voorstellen zal de Minister inbrengen in de gedachtewisseling
om dit tegen te gaan? Zo nee, kan zij dit toelichten?
Welke rol ziet de Minister in een klimaatneutrale economie voor de internationale
handel in landbouwproducten, zoals onder andere voortkomend uit de handelsakkoorden
met Mercosur, Chili, Indonesië, Australië en Nieuw-Zeeland waarover nu wordt onderhandeld?
Handelszaken landbouwproducten
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Minister van LNV of zij zich
ervan bewust is dat de handelsverdragen waar nu over onderhandeld wordt, met bijvoorbeeld
de Mercosur-landen, Australië, Nieuw-Zeeland en Chili, uiteindelijk zullen leiden
tot een veel hogere invoer van veehouderijproducten en andere landbouwproducten uit
die landen.
Voorbeelden van die veehouderijproducten zijn rundvlees uit Zuid-Amerika, met name
uit Argentinië en Brazilië, kippenvlees uit Brazilië, rund- en kalfsvlees en wol uit
Australië. Voorbeelden van overige landbouwproducten waarvan de invoer naar verwachting
fors zal stijgen zijn soja, die in Europa als veevoer wordt gebruikt, en suiker. Vindt
de Minister dit wenselijk?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke lessen de Minister heeft
getrokken uit de onderhandelingen over het openbreken van de associatieovereenkomst
met Oekraïne en het fors verhogen van de tariefcontingenten voor kippenvlees uit Oekraïne.
Hierbij kwam de Minister pas na het afsluiten van een (voorlopige) overeenkomst in
actie, terwijl het al maanden eerder bekend was geworden wat de onderhandelingsinzet
van de Europese Commissie en de gevolgen van deze onderhandelingsinzet voor de invoer
van kippenvlees waren.
Is de Minister bereid zich bij de Europese Commissie en in de Raad nu wel proactief
op te stellen en zich actief te verzetten tegen het liberaliseren van de vrijhandel
in landbouwproducten, gezien de negatieve effecten van deze liberalisering voor de
dieren, het klimaat, het milieu in zowel Europa als elders in de wereld, het gelijke
speelveld voor de Europese boeren en de eigen kringlooplandbouwvisie?
Is de Minister zich er voorts van bewust dat de Braziliaanse president Bolsonaro de
facto een beleid voert dat lijnrecht tegen het klimaatverdrag van Parijs ingaat, met
name door de landbouwpolitiek die Bolsonaro voert? Is de Minister het met de leden
van de Partij voor de Dieren-fractie eens dat dit beleid desastreus is voor het Amazonewoud
en de wereldwijde klimaatdoelstellingen? Is de Minister het met de leden van de Partij
voor de Dieren-fractie eens dat een handelsverdrag met Mercosur, waarvan Brazilië
verreweg de grootste lidstaat is, derhalve zeer oneerlijke concurrentie voor de Europese
boeren betekent? Is de Minister bereid bij de Europese Commissie en in de Raad zich
uit te spreken tegen het afsluiten van een handelsverdrag met verdragspartners die
het klimaatakkoord van Parijs niet respecteren?:
Voorts vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie of de Minister zich bij
de Europese Commissie en in de Raad wil uitspreken tegen het opnemen van landbouwproducten
in een handelsverdrag met de Verenigde Staten. Vooralsnog is landbouw uitgesloten
van de onderhandelingen, maar de VS lobbyt actief voor het opnemen van landbouw in
het handelsverdrag. Is de Minister bereid om samen met Frankrijk en België en mogelijk
andere lidstaten zich er hard voor te maken dat landbouw uitgesloten blijft van de
onderhandelingen over een handelsverdrag met de Verenigde Staten? Is de Minister zich
ervan bewust dat als landbouw in een dergelijk handelsverdrag wordt opgenomen, dit
zal leiden tot een forse toename van de invoer van bijvoorbeeld zuivelproducten uit
de VS?
Diversenpunt: Herziening GGO-Regelgeving «Nieuwe Veredelingstechnieken»
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzetten zich, zoals bekend, tegen
de versoepeling van de regels voor genetisch geknutsel aan planten en dieren en steunen
de inzet van de Minister dan ook niet. Deze fractie vindt bovendien dat de Minister
een onverantwoorde uitspraak doet door te zeggen dat er veredelingstechnieken zijn
waarvan de veiligheid voor mens en milieu zou zijn «vastgesteld». De leden van deze
fractie wijzen alleen al naar bovenstaande inbreng over de neonicotinoïden, waarbij
voortschrijdende inzichten jaren na toelating van deze middelen tot de conclusie noopten
dat de eerdere claim dat deze middelen veilig kunnen worden gebruikt onterecht bleek
– met alle gevolgen van dien, zoals de onmogelijkheid de stoffen terug te halen uit
de ecosystemen waar ze in terecht zijn gekomen. Dit druist regelrecht in tegen het
voorzorgsbeginsel.
Bij recent gepubliceerd onderzoek in Nature16 bleek dat bij onderzoeken naar technieken waarin wordt geknutseld met genen (base
editing / genome editing) effecten zijn gevonden op het RNA (ribonucleïnezuur, verantwoordelijk
voor het coderen, overbrengen, reguleren en tot expressie brengen van genen). Hieruit
trekken de onderzoekers de conclusie dat de techniek brede veranderingen aanbrengt
in menselijke cellen17 en dat de gemodificeerde CRISPR-Cas9-technologie nog veilig kan worden gebruikt voor
onderzoek en therapeutische toepassingen. Eerder al bleek uit twee onderzoeken, bij
muizenembryo’s18 en bij rijst19, dat «CRISPR-based»-technieken honderden ongewenste veranderingen opleverden in andere
delen van het genoom («off-target mutations»).
Kalvertransporten
Afgelopen vrijdag publiceerde Trouw een artikel over de aanklacht die Stichting Eyes
on Animals wegens mishandeling van kalfjes indient tegen de door de EU erkende, «high
quality» rustplaats voor veetransporten in Tollevast, Frankrijk20. Kalfjes tussen de 17 en 30 dagen oud, geboren in Ierland en vervolgens in vrachtwagens
met de boot naar Frankrijk vervoerd, om van daaruit weer verder te worden vervoerd
naar mesterijen in Nederland en Spanje, bleken bij een inspectie op de rustplaats
te worden geslagen, geschopt, aan hun oren te worden weggetrokken bij een drinkplaats
en zo hard op hun rug geslagen dat ze in elkaar zakten en op de voorpoten probeerden
weg te komen21. Bovendien bleken de vrachtwagens waarin de kalfjes waren vervoerd, ongeschikt te
zijn voor kalfjes, omdat de gemonteerde zuigspenen bedoeld waren voor biggen. Hierdoor
konden de kalfjes tijdens het hele transport niet drinken.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het afschuwelijk en onbestaanbaar
wat jonge dieren van slechts iets meer dan twee weken oud moeten doorstaan in de melkveehouderij:
direct na geboorte bij hun moeder weggehaald en al na twee weken op een lang transport
worden gezet vanuit Ierland, via Frankrijk naar Nederland – de grootste kalvermester
van Europa. Hier worden ze na een lange reis in kleine hokken geplaatst en staan zij
de rest van hun leven op harde roostervloeren, tot ze worden afgevoerd naar het slachthuis,
waar ze (onverdoofd) worden geslacht. En alsof dit allemaal nog niet genoeg is, worden
ze tijdens hun transport op de verzamelplaats keihard geslagen, geschopt en aan hun
oren getrokken. Misselijkmakend. De Minister zegt echter waar en wanneer ze maar kan
dat ze «trots» is op de boeren, inclusief de kalverhouderij. Is ze nog steeds «trots»
op deze sector?
De leden hebben enkele vragen over dit onderwerp:
1. Klopt het dat de rustplaats Tollevast in Frankrijk waar Eyes on Animals en L214 hebben
geïnspecteerd, over een erkenning door de EU beschikt?
2. Hoe verklaart de Minister dat dergelijke mishandeling plaatsvindt op een door de EU
erkende rustplaats?
3. Vindt de Minister het waardevol dat vrijwillige inspectieorganisaties hebben geregistreerd
wat er in werkelijkheid gebeurt op deze verzamelplaats?
4. Hoe is het toezicht op deze rustplaatsen vormgegeven en wat is de toezichtsintensiteit?
Is er permanent toezicht op deze verzamelplaatsen? Wie is hiervoor verantwoordelijk?
5. Klopt het dat een groot deel van de kalfjes die op de rustplaats vanuit Ierland aankomen
worden doorgevoerd naar Nederlandse kalverhouders?
6. Erkent de Minister dat de kalfjes nog zuigelingen zijn als ze nauwelijks 14 dagen
oud op transport naar Nederland moeten?
7. Voelt de Minister een verantwoordelijkheid voor deze weerloze dieren die Nederland
uit Ierland haalt, om hier te mesten en te doden? Zo ja, welke concrete acties gaat
de Minister ondernemen om de situatie voor de dieren op korte termijn te verbeteren?
8. Vindt de Minister dat de daders moeten worden bestraft?
9. Is de Minister bereid om de import van kalfjes stil te leggen nu (opnieuw) blijkt
dat van dierenwelzijn geen enkele sprake is? Zo nee, welke sancties vindt zij dan
wel passend tegen het walgelijke geweld tegen weerloze jonge dieren?
10. Erkent de Minister dat Nederland, als zij de transporten niet stillegt, willens en
wetens meewerkt aan ernstige aantasting van het welzijn van piepjonge kalfjes voor
economisch gewin?
11. Is de Minister bereid een verbod in te stellen op het vervoeren van dieren die nog
bij hun moeder zouden moeten drinken?
12. Hoe is het volgens de Minister mogelijk dat deze kalfjes zijn vervoerd in vrachtwagens
met drinksystemen en zuigspenen die ongeschikt waren voor kalfjes, omdat zij bedoeld
waren voor biggen?
13. Hoeveel uur zijn de kalfjes vanuit Ierland onderweg als zij aankomen op de rustplaats
om dan eindelijk te kunnen drinken?
14. Is het de Minister bekend dat de kalfjes van deze leeftijd van nature elke twee uur
bij hun moeder moeten drinken?
15. Kan de Minister bevestigen dat in 2015 kalfjes niet meer op lange afstandstransport
mochten worden gezet, omdat er in veewagens geen geschikte drinkwatervoorzieningen
voor de jonge kalfjes aanwezig waren?22
16. Kan de Minister bevestigen dat in 2017 de kalfjes weer op transport mochten worden
gezet, omdat er een geschikt drinksysteem op de wagens zou zijn? Zo ja, hoe verklaart
de Minister dat de drinksystemen nog steeds niet in orde zijn?
17. Is het de Minister bekend dat Eyes on Animals heeft geconstateerd dat er dit jaar
opnieuw trucks zijn die de rustplaats niet bezochten en daarmee de maximale reistijd
(max. 19 uur), rust- en drenktijden overschreden? Zo ja, wat heeft de Minister hiertegen
de afgelopen jaren gedaan?
18. Hoe vaak heeft de NVWA op rustplaatsen gecontroleerd in de afgelopen vijf jaar?
19. Is het de Minister bekend dat in de truck de kalfjes dicht opeen zijn gepropt en dat
wanneer een kalfje in de rijdende veewagen gaat liggen of zijn evenwicht verliest
of valt, het dier het risico loopt door andere kalfjes betrapt en verwond te worden?23
20. Kan de Minister bevestigen dat de kalfjes nog steeds driehoog geladen worden in de
veewagens en daardoor nauwelijks ruimte boven de schoft hebben en zich daardoor kunnen
verwonden?
21. Hoe staat het met het voornemen om de stahoogte voor kalveren in veewagens te verhogen
tot 20 cm boven de schoft van het kalf?24
22. Hoe verhoudt dit voornemen zich tot artikel 16a van de Beleidsregel dierenwelzijn:
«als voldoende stahoogte voor runderen, behoudens voor slachtrunderen ouder dan 1
jaar: ten minste 20 cm boven de kruin van het hoogste dier»?
23. Kan de Minister van de afgelopen tien jaar inzichtelijk maken hoeveel kalfjes hun
transport niet hebben overleefd? Zo nee, waarom niet?
24. Kan de Minister bevestigen dat de kalfjes aan extreme weersomstandigheden bloot kunnen
worden gesteld tijdens het transport, bijv. tussen 0 en 5 graden op de boot van Ierland
naar Frankrijk?25
25. Kan de Minister bevestigen dat het totale transport vanuit Ierland naar Nederland
meer dan 40 uur duurt?
26. Kan de Minister bevestigen dat het kabinet de Nederlandse kalverhouderij subsidies
geeft uit de pot met geld die bedoeld was voor plattelandsontwikkeling? Op hoeveel
maatschappelijk draagvlak denkt zij dat dat kan rekenen?
Pulsvisserij
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn teleurgesteld in het voornemen
van de Minister naar het Europees Hof van Justitie te stappen in een poging het verbod
op de pulsvisserij ongedaan te maken. De pulstechniek is al sinds 1988 verboden in
Europa en het Europees parlement heeft nu in grote meerderheid besloten dat verbod
strikt te handhaven. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening
dat de Minister de kritiek van het Europees parlement serieus zou moeten nemen in
plaats van een poging te doen een verboden techniek gelegaliseerd te krijgen. Erkent
de Minister dat Nederland jarenlang de wet heeft overtreden door op verkeerde gronden
onderzoeksvergunningen af te geven voor de commerciële visserij? Hoe rechtvaardigt
de Minister dat zij deze handelwijze nu gelegaliseerd wil krijgen?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het onbestaanbaar dat we anno
2019 nog altijd wachten op de uitslag van het grootschalig wetenschappelijke onderzoek
naar de pulsvisserij. Sinds 2010 zijn er tientallen pulsvergunningen afgegeven zonder
dat groot veelomvattend onderzoek plaatsvond.26 Met de pulskor wordt het bodemleven opgeschrikt door stroomstoten, zonder dat we
iets weten over het effect op haaien en roggen, die een elektrisch zintuig gebruiken
om hun prooien op te sporen in het water. De bijvangst is met de pulskor nog altijd
aanzienlijk, en er is bijna niets bekend over de effecten op het bodemleven, op de
voortplanting van kleine organismen en over de gevolgen voor lokale vispopulaties
in de Noordzee. Als gevolg daarvan is Nederland teruggefloten door Europa. De leden
van de PvdD-fractie zijn van mening dat het kabinet alle vergunningen voor de commerciële
pulsvisserij zou moeten opschorten, op zijn minst tot wetenschappelijk onderzoek meer
duidelijkheid biedt. In plaats van te leren van deze fout, gaat het kabinet door met
verlengen van vergunningen. Kan de Minister hier een reactie op geven?
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) concludeert dat de biodiversiteit in
de Noordzee sinds 1990 met dertig procent is afgenomen en nog geen tekenen van herstel
vertoont, mede door de intensieve visserij. De leden van de PvdD-fractie zijn zeer
bezorgd over het toegenomen gebruik van het alternatief voor de pulskor; de boomkor
woelt de zeebodem namelijk om met zware sleepkettingen. Uit onderzoek van de Universiteit
van Wageningen blijkt dat de boomkorvisserij verantwoordelijk is voor sterke verschuivingen
in de bodemgemeenschap van de Noordzee.27 Ondanks de schrikbarende afname van de biodiversiteit, is de ambitie van de regering
om in 2020 slechts 10 tot 15 procent van de Noordzee te vrijwaren van «noemenswaardige»
bodemberoerende visserij. Dat zal onvoldoende zijn om het grootste natuurgebied van
Nederland adequaat te beschermen en ruimte te geven voor herstel. Is de Minister,
gezien de recente ontwikkelingen rond de boomkor, bereid deze ambitie aan te scherpen?
Is de Minister verder bereid de boomkor op termijn uit te faseren, en op zijn minst
nu volledig te verbieden in beschermde natuurgebieden? Indien de Minister hier niet
toe bereid is, kan zij toelichten hoe zij de biodiversiteit in de Noordzee gaat beschermen
zonder voorwaarden te stellen aan de manier waarop deze bevist mag worden?
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie betreuren de gang van zaken rond het
pulsvisserijverbod. Helaas moeten de leden concluderen dat de lijn die het kabinet
nu uitzet, vooralsnog laat zien dat het niet geleerd heeft van zijn fouten. Als het
de Nederlandse overheid echt te doen is om duurzame innovatie en de bescherming van
de Noordzee, dan zou zij meer beschermde gebieden creëren en het gebruik van schadelijke
sleepnetten beteugelen. Dan zou zij volledig inzetten op het afronden van het wetenschappelijk
onderzoek naar de pulsvisserij en uit voorzorg alle vergunningen opschorten. Keuzes
die, gezien de grote ecologische waarde van de Noordzee en de noodzaak deze ook voor
toekomstige generaties in stand te houden, pijnlijk maar noodzakelijk zijn.
II Antwoord / Reactie van de Minister
Inleiding
Met deze brief beantwoord ik de vragen van de fracties van uw Kamer van 7 mei jl.
over onderwerpen die geagendeerd zijn voor de Landbouw- en Visserijraad van 14 mei
aanstaande en die over mest en pulsvisserij.
In het SO is een groot aantal vragen gesteld over gewasbescherming en in het bijzonder
over het bijenrichtsnoer. Een deel van deze vragen betreft de aankomende vergadering
van het SCoPAFF gewasbescherming op 20 en 21 mei aanstaande. In deze brief treft u
de antwoorden op deze vragen aan. De overige vragen zal ik separaat beantwoorden,
waarbij ik ervoor zal zorgen dat de antwoorden tijdig voor het AO gewasbescherming
van 6 juni a.s. naar uw Kamer verzonden worden.
In het AO LNV-raad van 10 april jl. heb ik aangegeven (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1173) dat de eerstvolgende gelegenheid waarop de Europese Commissie de implementatie van
het bijenrichtsnoer in stemming zou kunnen brengen, de komende SCoPAFF-vergadering
van 20 en 21 mei zou zijn (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1173). Inmiddels is de agenda van deze vergadering beschikbaar en is duidelijk er geen
besluitvorming over de implementatie van het bijenrichtsnoer zal plaatsvinden. Wel
staat het onderwerp geagendeerd voor gedachtewisseling (onder de zogenaamde C-punten
van de agenda). In de antwoorden zal ik ingaan op die bespreking. Verder zal ik uw
Kamer zoals gebruikelijk voorafgaand aan de SCoPAFF-vergadering informeren over de
voorgenomen standpunten van de Nederlandse delegatie op voorstellen van de Europese
Commissie die ter stemming aan lidstaten worden voorgelegd, de zogenaamde B-punten.
Op de agenda staan nu acht B-punten. Het betreffen voorstellen voor goedkeuring van
drie nieuwe werkzame stoffen (waaronder een laag risico stof), voorstellen voor de
verlenging van de goedkeuring van twee bestaande werkzame stoffen en voorstellen voor
niet-verlenging van de goedkeuring van drie werkzame stoffen. Ik verwacht uw Kamer
medio volgende week te kunnen informeren over de adviezen van het Ctgb en de voorgenomen
standpunten van de Nederlandse delegatie.
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De Minister geeft aan steun uit te willen spreken voor het nieuwe prestatiemodel van
het toekomstig Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB). Kan de Minister aangeven welke
stappen er recent zijn gezet op het gebied van vereenvoudiging? En kan de Minister
aangeven of zij van mening is dat de huidige stappen in de vereenvoudiging voldoende
tegemoetkomen? De leden van de VVD-fractie zijn bezorgd over de voorgestelde vereenvoudiging
en vragen zich af of de boeren in de nieuwe GLB-periode ook daadwerkelijk profiteren
van een vereenvoudiging van het GLB. Kan de Minister hier een reflectie op geven?
Kan de Minister een meetbare ambitie aangeven?
Ik begrijp de zorg van de VVD-fractie. In de onderhandelingen wordt gesproken over
de uitwerking en verduidelijking van het prestatiemodel. Vereenvoudiging dient te
leiden tot minder gedetailleerde EU-voorschriften met het doel de administratieve
lasten voor boeren zo laag mogelijk te houden en ook de uitvoeringslasten voor de
overheid te beperken. Een concreet voorbeeld hiervan is de single audit systematiek waarmee de verantwoordelijk voor controles, als gevolg van grotere subsidiariteit,
aan de lidstaten wordt gelaten en die tegelijk in de praktijk leidt tot minder controles
en audits op bedrijfsniveau. Op veel andere terreinen blijkt echter ook dat werkelijke
vereenvoudiging een uitdaging is. Een belangrijke reden daarvoor is dat de besteding
van publiek geld verantwoord moet worden en dat onderhandelingen tussen veel partijen
eerder tot maatwerk dan tot vereenvoudiging leiden. Vereenvoudiging blijft voor mij
echter
een belangrijke prioriteit. Er is op dit punt zeker ook winst te halen bij de implementatie
van het nieuwe GLB in het Nationaal Strategisch Plan, door de keuze en vormgeving
van de maatregelen.
Tijdens het algemeen overleg Landbouw- en Visserijraad op 10 april jl. (Kamerstuk
21 501-32, nr. 1173) heeft de Minister aangegeven het belang te zien van digitalisering in de land- en
tuinbouw. De leden van de VVD-fractie hebben hier meerdere malen aandacht voor gevraagd,
ook in het kader van het GLB. De Minister gaf tijdens het algemeen overleg (AO) aan
dat zij hiervoor aandacht zal blijven vragen. Kan de Minister aangeven of dit tijdens
de vorige Landbouw- en Visserijraad ter sprake is gekomen en, zo ja, wat daar besproken
is?
Digitalisering in de land- en tuinbouw is tijdens de Landbouw- en Visserijraad van
april jl. niet ter sprake gekomen en is opnieuw geagendeerd voor de Landbouw- en Visserijraad
van 14 mei aanstaande. De «Verklaring over een slimme en duurzame digitale toekomst
voor de Europese landbouw en landelijke gebieden» die mede door Nederland is getekend
tijdens Digital Day van 9 april jl. vormt voor mij een belangrijk vertrekpunt. De
verklaring geeft de uitdagingen aan (sociaal, economisch, milieu en klimaat) waar
de agrifoodsector en landelijke gebieden voor staan en hoe technologieën zoals Artificial
intelligence (AI), robotica, blockchain en snel breedbandinternet hier een oplossing
voor kunnen bieden. Bij het opstellen van de verklaring is tevens gekeken naar het
«Berlijn communiqué» over digitalisering in de agrosector dat begin dit jaar door
74 Landbouwministers, waaronder Nederland, is getekend.
De leden van de VVD-fractie lezen dat de onderhandelingen voor handelsakkoorden geagendeerd
staan. Onderdeel daarvan zijn de onderhandelingen met Mercosur. Kan de Minister aangeven
of zij eerder aandacht heeft gevraagd voor de zorgelijke ontwikkelingen met betrekking
tot het Braziliaanse landbouwbeleid? Zo nee, kan de Minister aangeven waarom hier
niet eerder aandacht voor is geweest? Is de Minister bereid om in navolging van de
schriftelijke vragen van de leden Lodders en Van Haga (2019Z09052, ingezonden op 6 mei 2019) het Braziliaanse landbouwbeleid en de gevolgen voor de
Europese boeren en tuinders aan de orde te stellen? Zo nee, waarom niet?
Dit is de eerste keer na de presidentsverkiezingen van Brazilië dat in de Landbouw-
en Visserijraad de stand van zaken bij handelsakkoorden, waaronder Mercosur, besproken
wordt. Bij dit agendapunt zal ik aangeven dat Nederland hecht aan het vasthouden van
de Europese standaarden voor bescherming van mens, dier, plant en milieu en een gelijk
speelveld. Nederland heeft eerder in de Landbouw- en Visserijraad over de Mercosur-onderhandelingen
ook gevraagd om bijzondere aandacht voor duurzaamheid. Ik zal dit in de komende Landbouw-
en Visserijraad nogmaals benadrukken en de Commissaris vragen welke gevolgen de ontwikkelingen
in Brazilië m.b.t. het landbouwbeleid hebben voor de onderhandelingen, in het bijzonder
voor het duurzaamheidshoofdstuk. De vragen die gesteld zijn door de leden van de VVD
op 6 mei 2019 zullen nog door het kabinet worden beantwoord.
De leden van de VVD-fractie kijken met waardering naar de inzet van de Minister om
de herziening van de Genetisch Gemodificeerd Organismen (GGO)-regelgeving op te laten
nemen in het nieuwe werkprogramma van de Europese Commissie. Heeft de Minister inzichtelijk
op welke manier de GGO-regelgeving herzien zou moeten worden om de ambitie van Nederland
vorm te kunnen geven? Zo nee, waarom niet? Is de Minister bereid om voor de zomer
een document op te stellen met de contouren die nodig zijn om de GGO-regelgeving te
herzien? En wil de Minister de Kamer daarbij betrekken? Zo nee, waarom niet? Wanneer
verwacht de Minister duidelijkheid over de octrooieerbaarheid van klassieke plantenveredeling,
waar de Grote Kamer van Beroep zich momenteel over buigt?
Over de contouren van de wijze waarop de regelgeving herzien zou kunnen worden is
uw Kamer op 30 november 2018 geïnformeerd. Het kabinet heeft daarbij aangegeven dat
het onder bepaalde voorwaarden uitzonderen van (producten van) nieuwe veredelingstechnieken
onder richtlijn 2001/18/EEG (de ggo-richtlijn) een oplossing zou kunnen zijn. Het
zogenoemde Nederlandse discussievoorstel voor wijziging van bijlage 1B met betrekking
tot uitzonderingen van de richtlijn, is als discussiestuk herhaaldelijk onder de aandacht
van de Europese Commissie en de lidstaten gebracht en blijft de Nederlandse inzet
zodra er sprake is van daadwerkelijke modernisering van de regelgeving. Hierover zal
ik uw Kamer nader informeren.
Allereerst is het van belang dat er een Europese meerderheid ontstaat om de noodzaak
van herziening van de GGO-regelgeving op te nemen in het werkprogramma van de nieuw
te benoemen Europese Commissie. Daarvoor heb ik mij de afgelopen maanden ingezet,
met als resultaat agendering in deze Landbouw- en Visserijraad waarin ik ter vergadering
zal oproepen het onderwerp in het werkprogramma op te nemen en daarvoor steun zal
vragen. Ik wil dan ook nu niet vooruit lopen op de inhoudelijke Europese discussie
over wijziging van die regelgeving omdat een inhoudelijke positiebepaling, nog voordat
deze stap is gezet, op weerstand zou kunnen stuiten bij lidstaten die een ander standpunt
of een andere oplossingsrichting in gedachten hebben.
Wanneer de gewenste duidelijkheid over octrooieerbaarheid is te verwachten, is moeilijk
te zeggen. Dat is ook in handen van de Vergrote Kamer van Beroep van het Europees
Octrooibureau. Het EOB heeft tijdens eens hoorzitting in het EP op
8 april jl. aangegeven dat het gelet op de doorlooptijden van soortgelijke zaken,
mogelijk 4 tot 21 maanden kan duren. Ik hoop dat er zo snel mogelijk duidelijkheid
is.
Kan de Minister een actuele stand van zaken geven over de voorziene toename van het
tariefquotum voor pluimveevlees uit Oekraïne? Dit mede in het licht van de aangenomen
motie-Ouwehand (Kamerstuk
21 501-20, nr. 1449).
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking stuurt binnenkort
op verzoek van uw Kamer een brief met het feitenrelaas over de onderhandelingen met
Oekraïne. De Europese Commissie heeft de lidstaten gemeld dat zij met Oekraïne tot
een ontwerpakkoord is gekomen over herziening van het quotum voor pluimveevlees. De
Europese Commissie werkt aan het concept-Raadsbesluit voor goedkeuring en voorlopige
toepassing. Voordat voorlopige toepassing kan plaatsvinden, moet aan de EU-zijde de
Raad met de oplossing instemmen.
Ik heb op 25 april jl. een brief aan Commissaris Hogan gestuurd waarin onze zorgen
worden geuit over de voorlopige uitkomst van de onderhandelingen met Oekraïne, in
het bijzonder de voorziene verhoging van het quotum voor pluimveevlees, en het belang
van spoedige implementatie door Oekraïne van SPS- en dierenwelzijnsregelgeving van
de EU. Deze zorgen heb ik ook uitgesproken in de Landbouwraad van 15 april en die
zorgen zal ik weer uitspreken in de komende Landbouw- en Visserijraad. Hiermee geef
ik invulling aan de motie Ouwehand. Een afschrift van de brief wordt meegezonden met
het feitenrelaas.
De leden van de VVD-fractie ondersteunen de lijn van de Minister om het pulsverbod
nietig te laten verklaren door het Hof van Justitie van de EU. Welke van de vier beroepsgronden
acht de Minister kansrijk bij het Hof?
Zoals ik uw Kamer in mijn brief van 18 april 2019 (Kamerstuk 32 201, nr. 110) schreef, wordt dit voornemen thans verder uitgewerkt. Dit gebeurt in nauw overleg
met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zodra ik daarover meer duidelijkheid heb
zal ik u nader informeren. Ik wil hierbij aantekenen dat een dergelijke beroepsprocedure
enkele jaren kan duren en dit biedt voor de korte termijn dus geen perspectief voor
de pulsvissers.
De Minister is voornemens om pulsvergunningen tot eind dit jaar te verlengen teneinde
het wetenschappelijk onderzoek naar pulsvisserij bevredigend af te ronden. Kan de
Minister aangeven of zij hiervoor steun van de Europese Commissie krijgt?
Voor de tweede groep van 20 schepen die wetenschappelijk onderzoek doen in het kader
van pulsvisserij laat ik de vergunningen doorlopen tot 1 januari 2020. Ik zal mijn
uiterste best doen met de Commissie tot een goede modus te komen, maar voor mij staat
vast dat ik het lopende onderzoek volgens planning wil afronden. Het is in het belang
van alle betrokken partijen, voor- en tegenstanders van de pulsvisserij, dat we een
afgerond onderzoek kunnen voorleggen aan internationale wetenschappelijke gremia,
de Europese Commissie, lidstaten en Europees parlement.
Innovatie wordt door Europese lidstaten helaas niet op waarde beoordeeld, blijkens
het verbod op pulsvisserij. De leden van de VVD-fractie zijn daarom blij dat de Minister
de wijzigingsvoorstellen van Frankrijk en Spanje niet steunt. Cofinanciering is te
allen tijde van belang om de betrokkenheid van lidstaten hierin te borgen. Kan de
Minister aangeven of er meerdere landen zijn die de wijzigingsvoorstellen van Frankrijk
en Spanje niet steunen? Zo ja, welke landen zijn dit en kan de Minister aangeven op
welke manier met deze lidstaten zal worden samengewerkt om een krachtig geluid te
laten horen?
Het standpunt van andere lidstaten ten aanzien van het voorstel is nu nog niet bekend.
Met de medestanders zal ik uiteraard tijdens de Landbouw- en Visserijraad gezamenlijk
optrekken.
De leden van de VVD-fractie hebben kennisgenomen van de informatie over de Bee Guidance.
De leden onderschrijven de noodzaak van een werkbaar document en praktische uitvoerbaarheid.
De leden zien een aangepast voorstel graag tegemoet. Kan de Minister aangeven of zij
bereid is tijdens de eerstvolgende vergadering van het Standing Comittee Plants, Animals,
Food and Feed (SCoPAFF) de noodzaak tot Europese aanpak van de varroamijt te agenderen?
Zo nee, waarom niet?
Ik deel het belang dat de leden van de VVD-fractie hechten aan een Europese aanpak
voor de bestrijding van de varroamijt. Het SCoPAFF-overleg over regelgeving gewasbescherming
leent zich echter niet voor het agenderen hiervan. Bij een Europese aanpak voor de
bestrijding van de varroamijt gaat het niet om nieuwe Europese regelgeving maar vooral
om onderzoek en kennisontwikkeling, het delen van die kennis en vervolgens toepassen
op nationaal of lokaal niveau. Om die reden heb ik onderzoeksbudget vrij gemaakt voor
Nederlandse deelname aan het EU Honingprogramma 2017–2019. In de antwoorden op Kamervragen,
ingediend tijdens het Schriftelijk Overleg over de Landbouw- en Visserijraad op 16 juli
2018 (Kamerstuk 21 501-32, nr. 1121) ben ik ingegaan op de aspecten om honingbijen meer weerbaar te maken voor de varroamijt.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de agenda van de Landbouw- en
Visserijraad en de inzet van de Minister als beschreven in de geannoteerde agenda.
Hierover hebben deze leden nog vragen.
De leden van de CDA-fractie lezen in de geannoteerde agenda dat Nederland de inzet
van de Europese Commissie steunt bij het vergroten van de markttoegang, -uitbreiding
en -behoud voor Europese landbouwproducten. Onlangs gaf de Minister in de Kamer aan
dat haar inzet ten aanzien van handelsakkoorden is dat wij onze eisen daarin ook mee
zouden moeten nemen en dat voor Nederland altijd vooropstaat dat we moeten zorgen
dat die standaarden ook daar gehanteerd gaan worden. Dit lezen deze leden niet terug.
Is de Minister bereid om bij de komende Raad maar ook daarna te blijven bepleiten
dat onze Europese standaarden ten aanzien van gewasbeschermingsmiddelen en dierenwelzijn
ook daadwerkelijk gehanteerd worden in handelsverdragen, zodat importproducten hier
ook aan moeten voldoen? Zo nee, hoe gaat u of dit kabinet dit wel agenderen bij de
Europese Commissie? Hoe geeft de Minister uitvoering aan de aangenomen motie-Ouwehand
(Kamerstuk 21 501-20, nr. 1449) die de regering verzoekt om zich bij de komende Raden uit te spreken tegen de verhoging
van het quotum voor kippenvlees uit Oekraïne en voor deze positie ook steun onder
andere lidstaten te verwerven?
Periodiek wordt de stand van zaken rond handelsakkoorden in relatie tot landbouw geagendeerd
op de landbouwraad. Ik spreek daar de steun uit aan de Commissie om nieuwe markttoegang
te vinden voor Europese, en dus ook Nederlandse landbouwproducten. Hierbij zal ik
het standpunt van Nederland benadrukken dat er gebalanceerde handelsakkoorden moeten
komen die vasthouden aan de Europese standaarden voor de bescherming van mens, dier,
plant en milieu, die de standaarden buiten de EU bevorderen en die bijdragen aan het
komen tot een gelijk speelveld. Alle naar de EU geëxporteerde producten moeten voldoen
aan Europese eisen op het gebied van plant- en diergezondheid, voedselveiligheid en
etikettering. Dit betekent voor gewasbeschermingsmiddelen dat als een stof op Europees
niveau niet is goedgekeurd als werkzame stof in gewasbeschermingsmiddelen, dat residuen
van de stof niet aantoonbaar mogen zijn in dat product. Dit is een kwestie van volksgezondheid
en primair de verantwoordelijkheid van de Minister voor Medische Zorg en Sport. Als
gebruik in een derde land wél is toegelaten, wat de eigen verantwoordelijkheid is
van het land waar het middel wordt toegepast, heeft een belanghebbende in dat land
de mogelijkheid een hogere MRL (een zogenaamde «invoertolerantie») aan te vragen.
Deze invoertolerantie wordt verleend, als uit een risicobeoordeling door de evaluerende
lidstaat en EFSA blijkt dat voedsel en diervoeder ook met een hogere MRL veilig is
voor consumptie.
Voor de zomer stuur ik een voortgangsbrief over de beleidsbrief dierenwelzijn naar
de Kamer. Daar zal ik nader ingaan op mijn inzet voor dierenwelzijn bij handelsakkoorden.
Voor de onderhandelingen met Oekraïne verwijs ik naar mijn antwoord op vragen van
de VVD-fractie.
De leden van de CDA-fractie vragen ten aanzien van de aanpassing van de Europese GGO-regelgeving
de Minister op welke termijn zij een aanpassing verwacht. Daarnaast vragen deze leden
wat de Minister bedoelt met «de Nederlandse inzet beoogt daarin te voorzien» ten aanzien
van de paragraaf over CRISPR-Cas. Is het mogelijk met een interpretatie van de huidige
GGO-regelgeving te komen met een uitzondering in Nederland?
Op 30 november 2018 is uw Kamer geïnformeerd over de Europese inzet van dit kabinet
voor de toepassing en toelating van nieuwe veredelingstechnieken – waaronder CRISPR/Cas9
– mits daarbij geen soortgrenzen worden overschreden. Daarbij is ingegaan op de uitspraak
van het Europese Hof van Justitie waaruit blijkt dat gewassen waarbij nieuwe veredelingstechnieken
als CRISPR-Cas zijn toegepast, onder het toepassingsbereik van de Europese ggo-richtlijn
vallen. Lidstaten kunnen nationaal geen uitzondering maken voor gewassen die met CRISPR-Cas
zijn ontwikkeld. Deze gewassen kunnen alleen op de markt worden gebracht wanneer zij
aan de ggo-richtlijn voldoen. De uitspraak bevestigt de urgentie van een discussie
over herziening van de vigerende regelgeving die uitsluitend op Europees niveau kan
worden gevoerd. Het Hof heeft bepaald dat lidstaten voor reeds uitgezonderde mutagenese-technieken
(klassieke veredelingstechnieken) wel aanvullende regels kunnen stellen. Hier is het
kabinet op tegen, omdat een gelijk speelveld binnen de EU voor de interne markt van
groot belang is en dit door aanvullende regels fors zou worden gecompliceerd.
De leden van de CDA-fractie vragen de Minister wat de inzet is van andere lidstaten
ten aanzien van het Franse en Spaanse voorstel voor wijziging van het Europees Fonds
voor Maritieme Zaken en Visserij (EFMZV). Welke mogelijkheden zijn er om de toelating
van de puls te koppelen aan steun voor EFMZV?
Het standpunt van andere lidstaten ten aanzien van het voorstel is nu nog niet bekend.
Met de medestanders zal ik uiteraard tijdens de Landbouw- en Visserijraad gezamenlijk
optrekken. De toelating van puls wordt geregeld door de Verordening Technische Maatregelen
waarin zoals u weet een verbod is vastgesteld. Het EFMZV is gericht op ondersteuning
van innovaties binnen de vastgestelde kaders van het Gemeenschappelijk Visserijbeleid
en Verordeningen zoals de Verordening Technische Maatregelen.
De leden van de CDA-fractie lezen dat de nieuwe Europese meststoffenverordening kwaliteitseisen
stelt aan onder meer compostproducten. De Europese kwaliteitseisen zijn vergelijkbaar
met de eisen in het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. In hoeverre wijken deze eisen
af van het keurmerk Keurcompost? In de Nederlandse praktijk zien we dat Keurcompost
A en B of gelijkwaardige kwaliteit door de Brancheorganisatie Akkerbouw voorgeschreven
is in de telerhandleidingen. Keurcompost kent drie kwaliteitsklassen, te weten: klasse
C is basiskwaliteit, klasse B is de middelste kwaliteitsklasse en klasse A is de hoogste
kwaliteit. De kwaliteitsklassen onderscheiden zich door steeds strengere normen voor
verontreinigingen zoals glas en plastic.
Wanneer de Europese meststoffenverordening in werking treedt, bestaat het risico dat
vanuit onder andere Duitsland en Vlaanderen compost van mindere kwaliteit wordt geëxporteerd
naar Nederland. Zou bovenstaande voorkomen kunnen worden door Keurcompost-eisen algemeen
verbindend te verklaren? Zo ja, hoe zou dat gerealiseerd kunnen worden?
De nieuwe Europese Meststoffenverordening stelt eisen aan bemestingsproducten, zoals
onder meer meststoffen, bodemverbeteraars en groeimedia. Het product, dat in Nederland
onder de term compost op de markt gebracht wordt, valt binnen de nieuwe verordening
onder de productcategorie organische bodemverbeteraars. Er worden eisen gesteld aan
de minimumgehalten organische stof en droge stof, en aan de maximale gehalten voor
zware metalen en pathogenen. Daarnaast worden er eisen gesteld aan de grondstof, waarvan
deze bodemverbeteraars geproduceerd worden, deze hebben betrekking op de aard van
het organisch materiaal, het proces van sanitatie van de grondstof, de aanwezigheid
van organische microverontreiniging en de macroscopische verontreinigingen (van glas,
metaal of plastic). In algemene zin volgt het keurmerk Keurcompost de huidige eisen
van het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet. Voor het product compost worden hierin
ook eisen gesteld voor organische stof, zware metalen, bodemfractie en bodemvreemde
niet-biologisch afbreekbare delen (zoals glas, metaal en plastic). De waarden voor
zware metalen en macroscopische verontreinigingen liggen in de nationale regelgeving
strenger dan nu in de Europese regelgeving wordt voorgeschreven, de eisen voor sanitatie,
organische microverontreinigingen en organische stof liggen in de Europese verordening
strenger dan de nationale regelgeving. Als de nieuwe Meststoffenverordening inwerking
treedt en het product voldoet aan de eisen die in deze verordening worden voorgeschreven,
kan het product op de Nederlandse markt gebracht worden. Producentenorganisaties zijn
vrij om binnen kwaliteitscertificering strengere eisen te stellen aan het gebruik
van bemestingsproducten. Ik ben van mening dat dit via het huidige certificeringssysteem
in de akkerbouw (VVAK) goed is geregeld en zie geen aanleiding om de Keurcompost-eisen
algemeen verbindend te verklaren.
Het is de leden van de CDA-fractie ter ore gekomen dat een aantal afvalverwerkers
gratis compost aan particulieren verstrekken. Deze compost zit blijkbaar vol met plastic
en is inmiddels afgewaardeerd naar Keurcompost C. De compostsoort C wordt door diverse
gemeenten blijkbaar wel toegepast in plantsoenen, volkstuinen en/of gewone tuinen.
Daarnaast hebben deze leden vernomen dat er diverse gemeenten zijn die compost afnemen
maar geen idee hebben wat de kwaliteit daarvan is. Is de Minister bereid over bovenstaande
met de gemeenten in gesprek te gaan en de Kamer voor de zomer van 2019 over de uitkomsten
hiervan te berichten?
In het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet wordt de eis gesteld, dat compost niet meer
dan 0,5 gewichtsprocent aan bodemvreemde niet-biologisch afbreekbare delen, zoals
glas, metaal of plastic mag bevatten. Als het product voldoet aan de eisen die in
het uitvoeringsbesluit Meststoffenwet gegeven worden, kan het product op de markt
gebracht worden, zowel voor particulieren als voor gemeenten. Ik roep gemeenten en
particulieren op zich er van te vergewissen van welke kwaliteit de compost is, die
zij aanschaffen voor gebruik in plantsoenen, volkstuinen en/of gewone tuinen. Deze
kennis kan bijdragen aan het tegengaan van de verspreiding van microplastics naar
het milieu. Ik zal dit onderwerp inbrengen bij de zogeheten «Versnellingstafel stoffen»
van het programma Delta-aanpak Waterkwaliteit.
Vragen en opmerkingen van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie constateren dat tijdens het algemeen overleg Landbouw-
en Visserijraad van 26 juni 2018 door de Minister is toegezegd dat de pilot omtrent
Remote Electronic Monitoring op visserijschepen begin 2019 van start zou gaan. Kan
de Minister toelichten hoe het hiermee staat? Klopt het dat er slechts drie schepen,
op een totaal van 300 schepen, meegenomen worden in de huidige Nederlandse pilot en
dat dit aantal in drie jaar wordt opgeschaald naar tien schepen? Zo ja, is de Minister
het met deze leden eens dat nu dit jaar de aanlandplicht volledig geïmplementeerd
is, de noodzaak voor controles op zee hoger is dan ooit? Is de Minister bereid om
op korte termijn te kijken naar de mogelijkheid om het pilotproject na de analyse
van de eerste resultaten uit te breiden naar significant meer schepen binnen de Nederlandse
vloot? Zijn er nieuwe inzichten over Fully Documented Fisheries en Remote Electronic
Monitoring opgedaan binnen Europa en kan de Minister dit toelichten?
Vanaf 1 januari jl. is de aanlandplicht volledig ingevoerd. Voor ondermaatse schol
die wordt gevangen in boomkorren met kleine mazen in de visserij op tong is een uitzondering
van één jaar toegekend met mogelijkheid tot verlenging, mits voldoende voortgang wordt
geboekt ten aanzien van onderzoek naar selectiviteit en overleving en de stapsgewijze
invoering van het pilotproject Fully Documented Fisheries (FDF).
Dit pilotproject beoogt een systeem van automatische registratie van de hoeveelheid
en samenstelling van vangsten en discards te ontwikkelen. Dit kan van grote waarde
zijn voor bestandsbeheer, onderzoek naar selectiviteit en overleving en verhoging
van de efficiëntie van verwerkingsprocessen aan boord. Het FDF-pilotproject is geen
controle instrument.
In het najaar 2018 en voorjaar van dit jaar is het project volledig uitgewerkt en
op korte termijn zal een start worden gemaakt. Het is de ambitie te beginnen met drie
schepen en dit aantal uit te breiden naar 10 schepen aan het eind van 2019. Verdere
opschaling van FDF zal afhankelijk zijn van de mate waarin automatische beeldherkenning
beschikbaar en toepasbaar is op deze visserij, de resultaten van de eerste fase dit
jaar en verlenging van de scholuitzondering. Het Nederlandse initiatief om een pilotproject
FDF te starten in de tongvisserij wordt door lidstaten met veel belangstelling gevolgd.
Daarnaast hebben de leden van de D66-fractie nog enkele vragen omtrent de geannoteerde
agenda van de Landbouw- en Visserijraad op 14 mei 2019. De leden lezen dat de uitkomst
van Digital Day 2019 niet aan bod is gekomen tijdens de laatste Landbouw- en Visserijraad
en dat dit agendapunt wederom op de agenda staat voor de Landbouw- en Visserijraad
van 14 mei aanstaande. In de verklaring over digitalisering van landbouw en plattelandsgebieden
staan de onderwerpen Artificial Intelligence (AI), robotica, blockchain en snel breedbandinternet
beschreven. Op welke manier passen Smart Farming en het gebruik van satellietdata
in deze verklaring? Kan de Minister aangeven op welke manier satellietdata over landbouwgronden
zijn weg vindt door Europa?
Smart farming (of precisielandbouw) is een manier van landbouw die intensief gebruik
maakt van data en algoritmen waardoor gebruik van productiemiddelen en emissies naar
het milieu flink kunnen worden gereduceerd. Dit is een belangrijke stap op weg naar
kringlooplandbouw. Satellietdata worden in precisielandbouw gebruikt als databron
voor het ontwikkelen van algoritmen waarmee bijvoorbeeld gewasziekten worden gedetecteerd
of precisiebemestingen worden uitgevoerd. Ook kunnen satellietdata in combinatie met
AI steeds beter worden ingezet voor allerlei monitoringsdoeleinden in het kader van
het GLB. Het Europese aardobservatie programma Copernicus levert steeds meer satellietdata
met een wereldwijde dekking. Deze data worden als open data beschikbaar gesteld. Om
toegang en gebruik van deze Copernicus data te vereenvoudigen is de Europese Data
and Information Acces Service (DIAS) beschikbaar. Deze IT-infrastructuur bevat alle
data die door Copernicus worden geregistreerd alsmede hiervan afgeleide informatieproducten
en instrumenten om deze te bewerken.
Vragen en opmerkingen van de leden van de GroenLinks-fractie
De leden van de GroenLinks-fractie zijn ontevreden met de reactie die de Minister
heeft gegeven naar aanleiding van het Europese verbod op de pulsvisserij. Ondanks
dat zij in februari nog een realistisch en dus somber perspectief gaf, heeft zij de
afgelopen tijd vissers weer hoop gegeven, o.a. door te zeggen dat ze het verbod gaat
aanvechten bij het Europese Hof van Justitie. Omdat Nederland echt alleen staat in
het pulsvisserij-debat in de Europese Unie en dit verbod tot stand is gekomen door
een democratisch proces binnen het Europees parlement, achten deze leden dit niet
als een realistisch scenario. De leden van de GroenLinks-fractie vinden dit dan ook
oneerlijk ten opzichte van de vissers. Daarom enkele vragen. Waar denkt de Minister
de nietigverklaring bij het Europees Hof op te baseren?
Zie mijn antwoord aan de leden van de VVD-fractie. Zoals ik uw Kamer in mijn brief
van 18 april 2019 (Kamerstuk 32 201, nr. 110) schreef, wordt dit voornemen thans verder uitgewerkt. Dit gebeurt in nauw overleg
met het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Zodra ik daarover meer duidelijkheid heb
zal ik u nader informeren. Ik wil hierbij aantekenen dat een dergelijke beroepsprocedure
enkele jaren kan duren en dit biedt voor de korte termijn dus geen perspectief voor
de pulsvissers.
Kan de Minister schetsen hoe realistisch het is dat Noordzeelanden onze pulskorvissers
toelaten binnen hun 12 mijlszones? Welke landen verwacht zij dat hier positief tegenover
staan en welke negatief?
Lidstaten krijgen direct na inwerkingtreding van de Verordening de mogelijkheid om
de pulsvisserij te verbieden binnen hun eigen 12-mijlszone. Op dit moment weet ik
niet of en zo ja welke lidstaten dit gaan doen. Vanzelfsprekend is mijn inzet daarbij
om waar mogelijk de toegang te behouden.
Kan de Minister aangeven hoeveel aandacht er in het meerjarige pulsvisserijonderzoek
wordt gegeven aan de sociale implicaties van de pulsvisserij op kleinschalige kustvissers
in zowel Nederland als andere landen?
Het meerjarig onderzoek richt zich op de impact van pulsvisserij op het ecosysteem,
onder andere op basis van advies van ICES (International Council for the Exploration
of the Sea) in 201628. In dit onderzoek wordt niet ingegaan op de sociale implicaties van de pulsvisserij
op de kleinschalige kustvissers.
De leden van de GroenLinks-fractie vinden het belangrijk dat er ook aandacht is voor
deze groep vissers, naast uiteraard de belangrijkste reden voor onderzoek: de milieu
en dierenwelzijnsvragen. In hoeverre zijn deze sociale aspecten ook onderdeel van
de toekomstvisie voor de kottersector op de Noordzee? Hoe komt deze toekomstvisie
tot stand en wanneer denkt de Minister deze af te ronden?
Zoals ik in mijn brief heb aangegeven, ben ik gestart met dit traject in samenwerking
met de kotterorganisaties en betrokken NGO’s. In de eerste fase wordt met name aandacht
gegeven aan de feiten en cijfers wat wil zeggen dat ik de verschillende ontwikkelingen
die op de kottervisserij afkomen in kaart wil brengen, juist ook hun gezamenlijk effect.
Het proces moet aansluiten op het nu lopende proces op weg naar een Noordzeeakkoord.
Ik verwacht tenminste tot het einde van het jaar nodig te hebben om te komen tot een
breed gedragen visie. Ook sociale aspecten zullen worden meegenomen.
Vragen en opmerkingen van de Partij voor de Dieren-fractie
Een schone planeet voor iedereen: strategische langetermijnvisie voor een klimaatneutrale
economie – landbouwaspecten
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zien in de geannoteerde agenda dat er
een gedachtewisseling zal plaatsvinden over een Europese strategische langetermijnvisie
voor een klimaatneutrale economie in 2050. Hoe ziet de Minister een klimaatneutrale
landbouw in 2050 voor zich, in de wetenschap dat vlees en zuivel grote klimaatschade
veroorzaken?
In de geannoteerde agenda staat dat het kabinet de ambitie van de Europese Commissie
(EC) steunt om in 2050 tot een klimaatneutrale EU te komen, waarbij rekening gehouden
moet worden met andere maatschappelijke doelen zoals bevordering van de biodiversiteit
en een duurzame voedselvoorziening. Hierin is de rol voor landbouw, in combinatie
met landgebruik, om te zorgen voor zowel voedselzekerheid als grondstoffen (incl.
hout) voor materialen. De door de EC voorgestelde visie op landbouw in deze ambitie
is vergelijkbaar met de visie geschetst is in het onderdeel Landbouw en Landgebruik
van het Ontwerp voor een Klimaatakkoord (OKA). In het OKA wordt een doorkijk naar
de landbouw in Nederland in 2050 gegeven. Deze doorkijk past als Nederlandse bijdrage
binnen de Europese langetermijnvisie.
Zal de Minister in de gedachtewisseling over een schone planeet en de landbouwaspecten
van een klimaatneutrale economie wijzen op het onderzoek van landbouweconoom Joseph
Poore van Oxford University29 over de klimaatimpact van voedselproductie en -consumptie, op basis waarvan hij stelt
dat er wereldwijd weinig is dat zo’n brede, schadelijke impact heeft als de veehouderij?
Zo niet, welke bronnen gebruikt zij dan voor haar inbreng?
Ik zal mijn inbreng voornamelijk baseren zijn op de LNV-visie «Landbouw, natuur en
voedsel: waardevol en verbonden.
Erkent de Minister dat een drastische verandering in het eetpatroon nodig is om de
klimaatdoelen te halen, met daarin fors minder dierlijke eiwitten? Is de Minister
bereid dit punt in te brengen in de gedachtewisseling bij dit agendapunt?
Het kabinet steunt de ambitie om in 2050 tot een klimaatneutrale EU te komen. Hiervoor
stelt de Europese Commissie twee ambitieuze scenario’s voor. In beide scenario’s is
aanpassing van het eetpatroon aan de orde. Het kabinet heeft zelf aangegeven de schijf
van vijf als uitganspunt te nemen voor een duurzaam consumptiepatroon.
Erkent de Minister dat een nieuw GLB waarin wéér zeven jaar grote bedragen aan subsidie
naar de melkveehouderij zullen gaan, het realiseren van een klimaatneutrale landbouw
fors zal belemmeren? Zo ja, welke voorstellen zal de Minister inbrengen in de gedachtewisseling
om dit tegen te gaan? Zo nee, kan zij dit toelichten?
Ik ondersteun de inzet van de Commissie dat het nieuwe GLB een belangrijke bijdrage
moet leveren aan het klimaatakkoord van Parijs en de duurzame ontwikkelingsdoelen
van de VN. Het GLB biedt veel mogelijkheden om verduurzaming te stimuleren. Daar zet
ik mij bij de onderhandelingen over de nieuwe Verordeningen voor in en dat zal ik
ook doen bij de implementatie via het Nationaal Strategisch Plan.
Handelszaken landbouwproducten
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen de Minister van LNV of zij zich
ervan bewust is dat de handelsverdragen waar nu over onderhandeld wordt, met bijvoorbeeld
de Mercosur-landen, Australië, Nieuw-Zeeland en Chili, uiteindelijk zullen leiden
tot een veel hogere invoer van veehouderijproducten en andere landbouwproducten uit
die landen.
Handelsakkoorden geven een bilateraal kader voor de handel in goederen. Het is aan
ondernemers of ze, op grond van afgesproken voorwaarden, gebruik maken van de mogelijkheden
die een handelsakkoord biedt voor import en export. Handelsakkoorden leiden niet automatisch
tot meer invoer of uitvoer van landbouwproducten. Er zijn meer factoren bepalend voor
de handel in goederen.
Nederland is voorstander is gebalanceerde handelsakkoorden die vasthouden aan de Europese
standaarden voor de bescherming van mens, dier, plant en milieu, en die bijdragen
aan het komen tot een gelijk speelveld. Op die manier kunnen wij via handel en handelsverdragen
ook bijdragen aan verduurzaming van de sectoren buiten Nederland.
Voorbeelden van die veehouderijproducten zijn rundvlees uit Zuid-Amerika, met name
uit Argentinië en Brazilië, kippenvlees uit Brazilië, rund- en kalfsvlees en wol uit
Australië. Voorbeelden van overige landbouwproducten waarvan de invoer naar verwachting
fors zal stijgen zijn soja, die in Europa als veevoer wordt gebruikt, en suiker. Vindt
de Minister dit wenselijk?
Bij onderhandelingen over handelsverdragen zijn er voor Europa en de beoogde handelspartner
defensieve en offensieve belangen. Om deze te kunnen inschatten worden door de Europese
Commissie impact assessments gemaakt, het marktaanbod maakt hier onderdeel van uit.
Het doel is om de voor Europa gevoelige tarieflijnen te identificeren zodat er, in
overleg met de lidstaten, een afgewogen Europees marktaanbod kan worden neergelegd.
Gevoelige tarieflijnen zoals sommige vleesproducten en suiker kunnen worden uitgesloten
van het marktaanbod of er kan een quotum worden gehanteerd om de interne markt te
beschermen, een gelijk speelveld te creëren, of een duurzame landbouw te bevorderen.
Deze impact assessments worden gepubliceerd. Na het sluiten van het handelsovereenkomst
is het aan ondernemers of zij gebruik maken van de kaders van de handelsovereenkomst.
Zij moeten daarbij wel voldoen aan de eisen die gesteld zijn aan markttoegang tot
de Europese Unie. Alle naar de EU geëxporteerde producten, onafhankelijk of er een
handelsakkoord is, moeten voldoen aan Europese eisen op het gebied van plant- en diergezondheid,
voedselveiligheid en etikettering. Mocht na inwerkingtreding van een handelsverdrag
toch sprake zijn van ongewenste markteffecten dan kunnen, afhankelijk van de situatie,
maatregelen worden genomen om de interne markt te beschermen.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vragen welke lessen de Minister heeft
getrokken uit de onderhandelingen over het openbreken van de associatieovereenkomst
met Oekraïne en het fors verhogen van de tariefcontingenten voor kippenvlees uit Oekraïne.
Hierbij kwam de Minister pas na het afsluiten van een (voorlopige) overeenkomst in
actie, terwijl het al maanden eerder bekend was geworden wat de onderhandelingsinzet
van de Europese Commissie en de gevolgen van deze onderhandelingsinzet voor de invoer
van kippenvlees waren.
De Minister voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking stuurt binnenkort
op verzoek van de Tweede Kamer ook namens mij een brief met het feitenrelaas over
de onderhandelingen met Oekraïne. Het moge duidelijk zijn dat dit gebruik van de specifieke
tarieflijnen onvoorzien was en dit is ook niet eerder voorgekomen met andere akkoorden.
Is de Minister bereid zich bij de Europese Commissie en in de Raad nu wel proactief
op te stellen en zich actief te verzetten tegen het liberaliseren van de vrijhandel
in landbouwproducten, gezien de negatieve effecten van deze liberalisering voor de
dieren, het klimaat, het milieu in zowel Europa als elders in de wereld, het gelijke
speelveld voor de Europese boeren en de eigen kringlooplandbouwvisie?
Zie mijn antwoord op de eerste vraag van de leden van de Partij voor de Dieren-fractie
over handelszaken.
Is de Minister zich er voorts van bewust dat de Braziliaanse president Bolsonaro de
facto een beleid voert dat lijnrecht tegen het klimaatverdrag van Parijs ingaat, met
name door de landbouwpolitiek die Bolsonaro voert? Is de Minister het met de leden
van de Partij voor de Dieren-fractie eens dat dit beleid desastreus is voor het Amazonewoud
en de wereldwijde klimaatdoelstellingen? Is de Minister het met de leden van de Partij
voor de Dieren-fractie eens dat een handelsverdrag met Mercosur, waarvan Brazilië
verreweg de grootste lidstaat is, derhalve zeer oneerlijke concurrentie voor de Europese
boeren betekent? Is de Minister bereid bij de Europese Commissie en in de Raad zich
uit te spreken tegen het afsluiten van een handelsverdrag met verdragspartners die
het klimaatakkoord van Parijs niet respecteren?
Deze ontwikkelingen zijn inderdaad zorgwekkend. Zoals ik heb aangegeven op de eerdere
vraag van de leden van de Partij voor de Dieren, zal ik in de Landbouwraad aangeven
dat het belangrijk is dat we als EU ook vasthouden aan bescherming van het milieu,
naast de bescherming van mens, dier en plant.
Voorts vragen de leden van de Partij voor de Dieren-fractie of de Minister zich bij
de Europese Commissie en in de Raad wil uitspreken tegen het opnemen van landbouwproducten
in een handelsverdrag met de Verenigde Staten. Vooralsnog is landbouw uitgesloten
van de onderhandelingen, maar de VS lobbyt actief voor het opnemen van landbouw in
het handelsverdrag. Is de Minister bereid om samen met Frankrijk en België en mogelijk
andere lidstaten zich er hard voor te maken dat landbouw uitgesloten blijft van de
onderhandelingen over een handelsverdrag met de Verenigde Staten? Is de Minister zich
ervan bewust dat als landbouw in een dergelijk handelsverdrag wordt opgenomen, dit
zal leiden tot een forse toename van de invoer van bijvoorbeeld zuivelproducten uit
de VS?
Onderhandelingen tussen de EU en de VS worden behandeld in de Raad Buitenlandse Zaken
en Handel. In het onderhandelingsmandaat van de Raad voor de onderhandelingen tussen
de EU en de VS maakt landbouw geen onderdeel uit van onderhandelingen.
Diversenpunt: Herziening GGO-Regelgeving «Nieuwe Veredelingstechnieken»
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie verzetten zich, zoals bekend, tegen
de versoepeling van de regels voor genetisch geknutsel aan planten en dieren en steunen
de inzet van de Minister dan ook niet. Deze fractie vindt bovendien dat de Minister
een onverantwoorde uitspraak doet door te zeggen dat er veredelingstechnieken zijn
waarvan de veiligheid voor mens en milieu zou zijn «vastgesteld». De leden van deze
fractie wijzen alleen al naar bovenstaande inbreng over de neonicotinoïden, waarbij
voortschrijdende inzichten jaren na toelating van deze middelen tot de conclusie noopten
dat de eerdere claim dat deze middelen veilig kunnen worden gebruikt onterecht bleek
– met alle gevolgen van dien, zoals de onmogelijkheid de stoffen terug te halen uit
de ecosystemen waar ze in terecht zijn gekomen. Dit druist regelrecht in tegen het
voorzorgsbeginsel.
Bij recent gepubliceerd onderzoek in Nature30 bleek dat bij onderzoeken naar technieken waarin wordt geknutseld met genen (base
editing / genome editing) effecten zijn gevonden op het RNA (ribonucleïnezuur, verantwoordelijk
voor het coderen, overbrengen, reguleren en tot expressie brengen van genen). Hieruit
trekken de onderzoekers de conclusie dat de techniek brede veranderingen aanbrengt
in menselijke cellen31 en dat de gemodificeerde CRISPR-Cas9-technologie nog veilig kan worden gebruikt voor
onderzoek en therapeutische toepassingen. Eerder al bleek uit twee onderzoeken, bij
muizenembryo’s32 en bij rijst33, dat «CRISPR-based»-technieken honderden ongewenste veranderingen opleverden in andere
delen van het genoom («off-target mutations»).
Bij de discussie die Nederland in Europees verband wil voeren, zijn de randvoorwaarden
belangrijk. Uitzonderingen zijn uitsluitend aanvaardbaar voor Nederland als de veiligheid
ervan voor mens, dier en milieu is vastgesteld. Dat kan het geval zijn bij gewassen
die ook via klassieke veredeling tot stand kunnen komen en waarbij nieuwe veredelingstechnieken
dit proces kunnen versnellen. Vanzelfsprekend moet dan wel vaststaan dat de gebruikte
technieken geen schadelijke effecten opleveren die bij klassieke veredeling niet zouden
zijn ontstaan, zoals door de genoemde off-target effecten.
Pulsvisserij
De leden van de fractie van de Partij voor de Dieren zijn teleurgesteld in het voornemen
van de Minister naar het Europees Hof van Justitie te stappen in een poging het verbod
op de pulsvisserij ongedaan te maken. De pulstechniek is al sinds 1988 verboden in
Europa en het Europees parlement heeft nu in grote meerderheid besloten dat verbod
strikt te handhaven. De leden van de Partij voor de Dieren-fractie zijn van mening
dat de Minister de kritiek van het Europees parlement serieus zou moeten nemen in
plaats van een poging te doen een verboden techniek gelegaliseerd te krijgen. Erkent
de Minister dat Nederland jarenlang de wet heeft overtreden door op verkeerde gronden
onderzoeksvergunningen af te geven voor de commerciële visserij? Hoe rechtvaardigt
de Minister dat zij deze handelwijze nu gelegaliseerd wil krijgen?
Nee. We hebben altijd met medeweten van de Europese Commissie gehandeld. Wij zijn
van mening dat de onderzoeksvergunningen toelaatbaar waren onder de bestaande Verordening
Technische Maatregelen. In het oorspronkelijke voorstel van de Europese Commissie
was pulsvisserij ook toegestaan.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie vinden het onbestaanbaar dat we anno
2019 nog altijd wachten op de uitslag van het grootschalig wetenschappelijke onderzoek
naar de pulsvisserij. Sinds 2010 zijn er tientallen pulsvergunningen afgegeven zonder
dat groot veelomvattend onderzoek plaatsvond.34 Met de pulskor wordt het bodemleven opgeschrikt door stroomstoten, zonder dat we
iets weten over het effect op haaien en roggen, die een elektrisch zintuig gebruiken
om hun prooien op te sporen in het water. De bijvangst is met de pulskor nog altijd
aanzienlijk, en er is bijna niets bekend over de effecten op het bodemleven, op de
voortplanting van kleine organismen en over de gevolgen voor lokale vispopulaties
in de Noordzee. Als gevolg daarvan is Nederland teruggefloten door Europa. De leden
van de PvdD-fractie zijn van mening dat het kabinet alle vergunningen voor de commerciële
pulsvisserij zou moeten opschorten, op zijn minst tot wetenschappelijk onderzoek meer
duidelijkheid biedt. In plaats van te leren van deze fout, gaat het kabinet door met
verlengen van vergunningen. Kan de Minister hier een reactie op geven?
Het is in het belang van alle betrokken partijen, voor- en tegenstanders van de pulsvisserij,
dat we een afgerond onderzoek kunnen voorleggen aan internationale wetenschappelijke
gremia, de Europese Commissie, lidstaten en Europees parlement. De tweede groep vergunningen,
gebaseerd op het wetenschappelijk onderzoeksartikel, had een vergunning voor onbepaalde
tijd. Deze heb ik een einddatum gegeven die samenvalt met het afronden van het wetenschappelijk
onderzoek door ICES dit jaar.
Het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) concludeert dat de biodiversiteit in
de Noordzee sinds 1990 met dertig procent is afgenomen en nog geen tekenen van herstel
vertoont, mede door de intensieve visserij. De leden van de PvdD-fractie zijn zeer
bezorgd over het toegenomen gebruik van het alternatief voor de pulskor; de boomkor
woelt de zeebodem namelijk om met zware sleepkettingen. Uit onderzoek van de Universiteit
van Wageningen blijkt dat de boomkorvisserij verantwoordelijk is voor sterke verschuivingen
in de bodemgemeenschap van de Noordzee.35 Ondanks de schrikbarende afname van de biodiversiteit, is de ambitie van de regering
om in 2020 slechts 10 tot 15 procent van de Noordzee te vrijwaren van «noemenswaardige»
bodemberoerende visserij. Dat zal onvoldoende zijn om het grootste natuurgebied van
Nederland adequaat te beschermen en ruimte te geven voor herstel. Is de Minister,
gezien de recente ontwikkelingen rond de boomkor, bereid deze ambitie aan te scherpen?
Is de Minister verder bereid de boomkor op termijn uit te faseren, en op zijn minst
nu volledig te verbieden in beschermde natuurgebieden? Indien de Minister hier niet
toe bereid is, kan zij toelichten hoe zij de biodiversiteit in de Noordzee gaat beschermen
zonder voorwaarden te stellen aan de manier waarop deze bevist mag worden?
In het traject rondom beschermde gebieden in het kader van Natura 2000 en de Kaderrichtlijn
Mariene Strategie wordt reeds veel aandacht besteed aan het beschermen van de meest
kwetsbare natuurgebieden en wordt ruimte gegeven voor herstel. In mijn brief van 14 december
2018 heb ik u geïnformeerd over het proces rondom deze gebieden. Met het sluiten van
deze gebieden wordt voldaan aan de ambitie om 10–15% van de Nederlandse Noordzeebodem
te vrijwaren van noemenswaardige bodemberoering.
De leden van de Partij voor de Dieren-fractie betreuren de gang van zaken rond het
pulsvisserijverbod. Helaas moeten de leden concluderen dat de lijn die het kabinet
nu uitzet, vooralsnog laat zien dat het niet geleerd heeft van zijn fouten. Als het
de Nederlandse overheid echt te doen is om duurzame innovatie en de bescherming van
de Noordzee, dan zou zij meer beschermde gebieden creëren en het gebruik van schadelijke
sleepnetten beteugelen. Dan zou zij volledig inzetten op het afronden van het wetenschappelijk
onderzoek naar de pulsvisserij en uit voorzorg alle vergunningen opschorten. Keuzes
die, gezien de grote ecologische waarde van de Noordzee en de noodzaak deze ook voor
toekomstige generaties in stand te houden, pijnlijk maar noodzakelijk zijn.
Bijenrichtsnoer
Erkent de Minister dat de Bee Guidance zoals deze nu in werking zal treden, hiermee
is uitgekleed tot weinig meer dan het huidige richtsnoer uit 2001?
Erkent de Minister dat hierdoor de daadwerkelijke bescherming van hommels en solitaire,
wilde bijen nog altijd uitblijft?
Het bijenrichtsnoer is sinds 2013 niet veranderd, noch uitgekleed. Zoals aangegeven
is Nederland voorstander van een gefaseerde invoering van het richtsnoer. Het implementeren
van de onderdelen van het bijenrichtsnoer waarover voldoende consensus bestaat, zal
leiden tot een verbetering van de bescherming van bijen en hommels. De herziening
van het bijenrichtsnoer op een aantal onderdelen, waartoe de Europese Commissie mandaat
heeft verleend aan EFSA, kan de bescherming in de toekomst mogelijk nog verder verbeteren.
In het schriftelijke commentaar dat Nederland op 13 januari 2017 aan de Europese Commissie
stuurde is wederom te lezen dat Nederland zich zorgen maakt om de afwijzing van veel
middelen vanwege de beoordeling van de risico’s voor hommels en solitaire bijen. (…)
Waarop is het schriftelijke commentaar dat Nederland op 13 januari 2017 aan de Europese
Commissie heeft gestuurd, gebaseerd?
Het schriftelijk commentaar van Nederland is gebaseerd op de technisch-wetenschappelijke
expertise van het Ctgb over de kwaliteit en uitvoerbaarheid van richtsnoeren en beoordelingscriteria.
Het schriftelijk commentaar van Nederland is dus een weergave van het advies van het
Ctgb.
Het Ctgb heeft die expertise opgebouwd vanuit hun rol als rapporterende lidstaat bij
de beoordeling van dossiers van werkzame stoffen en als toelatingsautoriteit van gewasbeschermingsmiddelen
in Nederland. In de toelichting op de vijf algemene punten van het schriftelijk commentaar
onderbouwt het Ctgb met concrete punten waar het bijenrichtsnoer tot praktische problemen
leidt indien het door aanvragers moet worden gebruikt bij het opstellen van dossiers
en door beoordelende instanties, zoals het Ctgb, bij het opstellen van evaluatierapporten
voor EFSA en de Europese Commissie.
Het Nederlands commentaar is erop gericht het bijenrichtsnoer praktisch uitvoerbaar
te maken. Het schriftelijk commentaar dat op 13 januari 2017 naar aanleiding van een
vraag van de Europese Commissie is verstuurd, is een verdere uitwerking van het commentaar
dat in 2016, eveneens naar aanleiding van de vraag van de Europese Commissie, is aangeleverd.
Intussen hebben de leden van de Partij voor de Dieren-fractie vernomen dat, ondanks
de uitholling van (de implementatie van) de BeeGuidance, waardoor deze inmiddels inhoudelijk
zo weinig voorstelt dat een meerderheid van de lidstaten hiermee in zal stemmen, Nederland
nog altijd niet akkoord zal gaan. Dit vanwege de vereisten voor de veldstudies. Kan
de Minister dit bevestigen? Zo ja, hoe kan de Minister dit verantwoorden, in het licht
van de uitspraken van haar voorgangers en op basis van alle wetenschappelijke informatie
die beschikbaar is?
Nee, het door de leden van de PvdD-fractie geschetste beeld is niet juist. Zoals aangegeven
in mijn brief van 18 april jl. (Kamerstuk 27 585, nr. 451) is de inzet van Nederland steeds geweest om snel te komen tot een goed bijenrichtsnoer,
waarbij Nederland ervoor pleitte – en dat nog steeds doet – om de onderdelen van het
richtsnoer die wetenschappelijk actueel en praktisch uitvoerbaar zijn zo snel mogelijk
in te voeren, en daarnaast de European Food Safety Authority (EFSA) mandaat te geven
om binnen een bepaald tijdsbestek de onderdelen uit te werken waarvoor dat nog niet
het geval is. De Europese Commissie zal waarschijnlijk komende juli een gefaseerde
invoering van het richtsnoer aan de lidstaten voorstellen. Ik verwacht dat het Commissievoorstel
goed zal aansluiten bij mijn inzet en sta hier dus positief tegenover. Over mijn definitieve
positie zal ik uw Kamer informeren wanneer het voorstel ook daadwerkelijk aan de lidstaten
wordt voorgelegd ter stemming en ik mij heb laten adviseren door het Ctgb.
Daarnaast heeft de Europese Commissie reeds in maart 2019 mandaat aan EFSA verleend
om binnen twee jaar het richtsnoer te herzien op onderdelen waar aanpassing aan nieuwe
wetenschappelijke inzichten wenselijk wordt geacht. De vereisten voor veldstudies
om de risico’s inzake chronische toxiciteit te beoordelen, is een van de onderdelen
die EFSA nader zal bekijken binnen het door de Europese Commissie verstrekte mandaat.
Zoals hierboven aangegeven heeft Nederland zich daar steeds voor uitgesproken.
Klopt het dat er tijdens het komende SCoPAFF-overleg, in tegenstelling tot eerdere
berichten, toch nog geen stemming zal plaatsvinden? Zo ja, wat is hiervoor de reden?
Ja, dit klopt. In het AO LNV-raad van 10 april jl. heb ik aangegeven dat de eerstvolgende
gelegenheid waarop de Europese Commissie de implementatie van het bijenrichtsnoer
in stemming zou kunnen brengen, de komende SCoPAFF-vergadering van 20 en 21 mei zou
zijn. Inmiddels is de agenda van deze vergadering beschikbaar en is duidelijk er geen
besluitvorming over de implementatie van het bijenrichtsnoer zal plaatsvinden. De
Europese Commissie heeft het onderwerp wel voor gedachtewisseling geagendeerd, als
zogenaamd C-punt. Het is mij niet bekend wat de redenen van de Europese Commissie
hiervoor zijn.
Indien er geen stemming plaatsvindt, wat zal de inbreng zijn van Nederland tijdens
de «tour de table»?
Er is nog geen document verspreid (d.d. 7 mei 2019) maar de verwachting is, op basis
van hetgeen de Europese Commissie in de vorige SCoPAFF-vergadering heeft gemeld, dat
het voorstel gaat over de implementatie van de onderdelen waarvan in de vorige SCoPAFF-vergadering
bleek dat er voldoende consensus bestaat. Nederland zal in dat geval aangeven dat
het voorstander is van een gefaseerde implementatie en zal vragen om een spoedige
agendering van het voorstel voor besluitvorming. De bescherming van bijen en hommels
is immers het best gediend als de onderdelen waarover voldoende consensus bestaat,
snel worden toegepast bij de (her)beoordeling van dossiers.
Is de Minister bereid zich vanaf nu wel daadwerkelijk in te zetten voor een optimale
bescherming van bijen en hommels?
Mijn ambtsvoorgangers en ik hebben zich, op basis van de adviezen van het Ctgb, vanaf
het begin ingezet voor een praktisch uitvoerbare richtsnoer dat zorgdraagt voor een
optimale bescherming van bijen en hommels en ik zal dat blijven doen. Het is mijn
overtuiging dat alleen een praktisch uitvoerbare richtsnoer daadwerkelijk bijdraagt
aan die bescherming.
Indien er wel een stemming plaatsvindt, hoe zal Nederland hierbij stemmen? Is de Minister
bereid zich dit keer wel daadwerkelijk in te zetten voor een optimale bescherming
van bijen en hommels?
Er zal geen stemming plaatsvinden. Kortheidshalve verwijs ik verder naar de antwoorden
op de voorgaande vragen.
Is de Minister tot slot bereid om alle zeven versies van de voorstellen voor het implementatieplan
(Roadmap to implementation) die tussen 2013 en mei 2019 zijn en worden besproken aan
de Kamer te sturen?
Ik hecht aan transparantie in dit dossier en heb uw Kamer daarom reeds uitgebreid
geïnformeerd over de tijdlijn inzake het bijenrichtsnoer en de inbreng die door Nederland
geleverd is. In de vraag wordt gedoeld op werkdocumenten van de Europese Commissie.
De werkdocumenten van de Europese Commissie worden met een beroep op vertrouwelijkheid
verspreid onder de lidstaten. Ik respecteer die vertrouwelijkheid en kan derhalve
niet aan het verzoek voldoen
III Volledige agenda
Geannoteerde agenda Landbouw- en Visserijraad van 14 mei 2019. Kamerstuk 21 501-32, nr. 1170 – Brief regering d.d. 02-05-2019, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten.
Verslag van de Landbouw- en Visserijraad van 15 april 2019. Kamerstuk 21 501-32, nr. 1169 – Brief regering d.d. 02-05-2019, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten.
SCoPAFF van 15 april 2019. Kamerstuk 27 858, nr. 447 – Brief regering d.d. 11-04-2019, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten.
Kwartaalrapportage lopende EU-wetgevingshandelingen LNV. Kamerstuk 22 112, nr. 2788 – Brief regering d.d. 17-04-2019, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten.
Tijdlijn inzake bijenrichtsnoer. Kamerstuk 27 858, nr. 451 – Brief regering d.d. 18-04-2019, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten.
Besluitvorming in de Europese Unie over de nieuwe Verordening Technische maatregelen
en de gevolgen voor de pulsvisserij. Kamerstuk 32 201, nr. 110 – Brief regering d.d. 18-04-2019, Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit,
C.J. Schouten.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.H. Kuiken, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit -
Mede ondertekenaar
F.C.G. Goorden, adjunct-griffier