Nota n.a.v. het (nader/tweede nader/enz.) verslag : Nota naar aanleiding van het verslag
35 032 Wijziging van de Wet op de omzetbelasting 1968 (Wet implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel)
Nr. 5 NOTA NAAR AANLEIDING VAN HET VERSLAG
Ontvangen 26 oktober 2018
1. Inleiding
Het kabinet heeft met interesse kennisgenomen van de vragen en opmerkingen van de
leden van de fracties van de VVD, het CDA, GroenLinks en de SGP.
Met genoegen heeft het kabinet geconstateerd dat de leden van de fractie van de VVD
met interesse hebben kennisgenomen van dit wetsvoorstel en dat zij het belang van
begrijpelijke wetgeving en ruimte voor ondernemers benadrukken. Dit wetsvoorstel kan
daaraan bijdragen. De leden van de fractie van het CDA merken terecht op dat het voorstel
leidt tot minder bureaucratie en administratieve lasten voor kleine ondernemers en
ook tot een beperkte complexiteitsreductie voor de Belastingdienst. Het verheugt het
kabinet dat ook de leden van de fractie van GroenLinks hun steun uitspreken voor de
met dit voorstel beoogde vereenvoudiging voor ondernemers die leidt tot een afname
van de administratieve lasten. Ook de leden van de fractie van de SGP hebben kennis
genomen van het voorliggende wetsvoorstel en maken van de gelegenheid gebruik om enkele
vragen te stellen. Hierna wordt ingegaan op de vragen van de leden van deze fractie
en die van de fracties van de VVD, het CDA en GroenLinks.
2. Hoofdlijnen van het wetsvoorstel
De leden van de fractie van de VVD vragen waarom er is gekozen voor een omzetdrempel
van € 10.000 per jaar, waarboven pas de btw over grensoverschrijdende digitale diensten
aan particulieren in andere lidstaten wordt geheven in de lidstaat waar die consument
woont. Ook de leden van de fractie van de SGP vragen waarom is gekozen voor deze grens.
Deze grens is destijds in het voorstel voor de richtlijn elektronische handel opgenomen.
De aanleiding daarvan was een door de Europese Commissie verrichte geschiktheidscontrole
van het sinds 1 januari 2015 bestaande mini-éénloketsysteem (MOSS) voor grensoverschrijdende
elektronische diensten binnen de Europese Unie. Op basis van de in die studie geconstateerde
tekortkomingen en belemmeringen van het MOSS, waarmee in het bijzonder midden- en
kleinbedrijven en micro-ondernemers te maken hebben, is gekozen voor de omzetdrempel
van € 10.000. Dit voorkomt dat ondernemers die sporadisch of voor kleine bedragen
digitale diensten over de grens verrichten, te maken krijgen met extra buitenlandse
btw-verplichtingen. De Commissie en de lidstaten zijn van mening dat met de drempel
de administratieve problemen voor genoemde bedrijven voldoende worden aangepakt en
dat deze maatregel proportioneel is ten opzichte van de hiermee gemoeide heffingsbelangen
Het kabinet begrijpt de opmerking van de leden van de fractie van het CDA dat de invoering
van bovengenoemde omzetdrempel van € 10.000 principieel een enigszins wonderlijke
verandering is, omdat de btw onder die drempel voortaan niet meer wordt afgedragen
in het land waar de consument woont. Dit is inderdaad een uitzondering op het algemene
uitgangspunt in de btw-heffing dat de belasting moet toekomen aan de jurisdictie waar
de consument woont, welk principe sinds 1 januari 2015 ook binnen de Europese Unie
van toepassing is op alle digitale diensten. Zoals hierboven is aangegeven, en ook
in onderdeel 2.1 van de memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel, was die wijziging
van 1 januari 2015 voor in het bijzonder kleinere ondernemers in een aantal gevallen
onevenredig zwaar wat betreft hun administratieve lasten. Deze kleinere ondernemers
worden nu tegemoet gekomen, wanneer ze maar in 1 lidstaat een vestiging hebben en
wanneer ze onder genoemde omzetdrempel blijven voor hun grensoverschrijdende digitale
diensten. Het kabinet meent dat daarmee de door de leden van deze fractie bedoelde
schuif van het land van de consument naar het land van de ondernemer gerechtvaardigd
is en gezien de beperkte hoogte van de drempel ook proportioneel is in relatie tot
de hiermee gemoeide heffingsbelangen.
De leden van de fractie van het CDA vragen naar het aantal bewijsstukken dat ondernemers
moeten leveren voor het bepalen van de plaats waar de consument van digitale diensten
gevestigd is. Zoals ook in de memorie van toelichting is aangegeven, is de desbetreffende
nieuwe bepaling in het Unie-recht een tegemoetkoming aan ondernemers die in niet omvangrijke
mate digitale diensten verrichten voor consumenten. Hierdoor kan een ondernemer die
jaarlijks voor niet meer dan € 100.000 aan digitale diensten verricht voor consumenten,
voor het vaststellen van de woonplaats van een consument volstaan met één bewijsstuk
van een derde betrokkene bij de digitale dienst. Het kabinet merkt in dit verband
op dat de vermelding in onderdeel 2.1 van het algemene deel van de memorie van toelichting
dat het hier zou gaan om een drempel van € 100.000 aan grensoverschrijdende digitale
diensten, niet correct is. Het gaat hier dus om het totaal van de door een ondernemer
verrichte digitale diensten aan consumenten die wonen in zowel zijn eigen lidstaat
als in andere lidstaten. In antwoord op de leden van de fractie van het CDA merkt
het kabinet dan ook op dat deze nieuwe regeling in het Unie-recht los moet worden
bezien van de keuze die een ondernemer maakt voor de lidstaat van heffing wanneer
zijn grensoverschrijdende digitale diensten aan consumenten minder dan € 10.000 bedragen.
De leden van de fractie van GroenLinks vragen naar de mogelijkheid voor ondernemers
met een grensoverschrijdende omzet van minder dan € 10.000 om er voor te kiezen toch
de btw te blijven voldoen in het land van de consument. Dit naar aanleiding van de
opmerking van de regering dat zoiets bijvoorbeeld aantrekkelijk kan zijn in gevallen
waarin het tarief in de lidstaat van de consument aanzienlijk lager is dan het tarief
in de eigen lidstaat. Graag licht het kabinet toe dat deze opmerking moet worden gezien
in het belang van de kleine ondernemer die in andere lidstaten concurreert met lokaal
gevestigde aanbieders en voor wie een substantieel tariefverschil relevant kan zijn.
Omdat afdracht in de eigen lidstaat bedoeld is als een begunstigende administratieve
faciliteit en niet als een nadelig uitwerkende verplichting, hebben lidstaten besloten
om ondernemers die onder de drempel blijven de keuze te bieden tussen de administratieve
faciliteit of het benutten van het buitenlandse tariefvoordeel.
Naar aanleiding van de vraag van de leden van de fractie van GroenLinks over de bestaande
tariefverschillen merkt het kabinet op dat digitale diensten in de meeste lidstaten
onder het algemene btw-tarief vallen. Het algemene tarief verschilt tussen lidstaten
variërend van 17% tot 27% op 1 januari 2018. Verder vallen bepaalde digitale diensten
in sommige lidstaten onder het verlaagde btw-tarief. Het totale bedrag aan buitenlandse
btw voor digitale diensten dat via het MOSS systeem wordt aangegeven door Nederlandse
ondernemers met een grensoverschrijdende omzet van minder dan € 10.000, bedraagt minder
dan € 300.000. Naar verwachting zal slechts een klein deel van deze ondernemers ervoor
kiezen om toch de btw te blijven voldoen in het land van de consument. Het budgettaire
gevolg hiervan is nihil. Dat geldt ook voor buitenlandse ondernemers die ervoor kunnen
kiezen om in Nederland btw te blijven voldoen.
De leden van de fractie van de SGP vragen naar de reden van de bepaling in de wet
dat de tegenwaarde in de nationale munteenheid van de drempelwaarde van € 10.000 wordt
berekend volgens de wisselkoers van 5 december 2017. Om te kunnen vaststellen of een
ondernemer bijvoorbeeld onder de € 10.000 grens blijft, is er voor zowel de ondernemer
als de nationale belastingdiensten zekerheid nodig over de omzet uitgedrukt in verschillende
nationale valuta omgerekend in euro’s. Teneinde die zekerheid te bereiken is de koers
van die nationale valuta in de richtlijn elektronische handel vastgepind op de koers
van 5 december 2017, de datum van publicatie van die richtlijn. Schommelingen van
de wisselkoers kunnen zo het systeem niet beïnvloeden.
3. Gevolgen voor bedrijfsleven en burger
De leden van de fractie van de VVD vragen naar de wijze waarop de € 0,25 miljoen regeldrukreductie
voor het wetsvoorstel implementatie artikel 1 richtlijn elektronische handel is vastgesteld.
Er wordt verondersteld dat ondernemers op twee manieren gaan profiteren van de maatregelen
uit het wetsvoorstel. Ten eerste zijn er circa 1.000 ondernemers die profiteren van
het feit dat zij voortaan in de eigen lidstaat in plaats van de lidstaat van de consument
aangifte kunnen doen over de grensoverschrijdende omzet van digitale diensten, waarbij
voor de gemiddelde kostenbesparing € 225 per aangifte is gerekend. Verder zijn er
circa 1.400 ondernemers die voortaan voor de vaststelling van de plaats van de afnemer
nog maar één in plaats van twee bewijsstuk(ken) aan hoeven te leveren. Voor deze ondernemers
wordt een besparing van € 25 per bewijsstuk verondersteld. In totaal hebben de maatregelen
uit het wetsvoorstel een administratieve lastenreductie voor het bedrijfsleven tot
gevolg van circa € 0,25 miljoen.
Ook wordt gevraagd op welke wijze de regeldrukreductie wordt gemonitord en hoe wordt
geborgd dat het voorstel daadwerkelijk tot regeldrukreductie zal leiden. Het kabinet
maakt voorafgaand aan het moment van implementatie van nieuwe wet- en regelgeving
een ex-ante inschatting van de administratieve lasten, waarbij zowel de kwalitatieve
als kwantitatieve regeldrukgevolgen in kaart worden gebracht. De geïnventariseerde
regeldrukgevolgen worden vervolgens door het kabinet ter toetsing voorgelegd aan het
Adviescollege toetsing regeldruk (ATR), waarna de ATR het kabinet adviseert over de
regeldrukgevolgen van de voorgenomen wet- en regelgeving. Het ATR advies kan aanleiding
vormen voor het kabinet om voorafgaand aan het moment van implementatie nog wijzigingen
in het voorstel aan te brengen.
Met betrekking tot de vraag van de leden van de fractie van de VVD merkt het kabinet
op dat dit wetsvoorstel een aantal verplicht te implementeren bepalingen van de richtlijn
elektronische handel betreft. Die bepalingen geven de lidstaten niet de ruimte om
eventueel nog aanvullende regeldrukreductie toe te passen.
4. Uitvoeringskosten Belastingdienst
De leden van de fractie van de SGP vragen zich af of er geen verwachte kosten zijn
voor de Belastingdienst na het jaar 2018. Het effect voor de uitvoering is klein omdat
de doelgroep en het fiscaal belang relatief beperkt van omvang zijn. Mede hierdoor
en gezien de wijzigingen verwacht de Belastingdienst dat er nauwelijks impact is op
de uitvoeringskosten na het jaar 2018.
5. Advies en consultatie
In reactie op de opmerking van de leden van de fractie van de SGP dat zij benieuwd
zijn naar de negatieve punten die het bedrijfsleven heeft ingebracht, merkt het kabinet
op dat die er niet zijn met betrekking tot de omzetting van artikel 1 van de richtlijn
elektronische handel.
De Staatssecretaris van Financiën, M. Snel
Indieners
M. Snel, staatssecretaris van Financiën