Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 2 februari 2026, over begrotingsonderdeel Jeugd
36 800 XVI Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026
Nr. 184
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 23 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de vaste commissie voor
Justitie en Veiligheid hebben op 2 februari 2026 overleg gevoerd met de heer Rutte,
Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Tielen, Staatssecretaris Jeugd,
Preventie en Sport, over:
– het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Volksgezondheid,
Welzijn en Sport (XVI) voor het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800-XVI);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 19 september 2025
inzake reactie op de motie van het lid Tielen over onderzoeken of glutenscreening
op een kosteneffectieve wijze onderdeel kan uitmaken van de protocollen voor de jeugdgezondheidszorg
(Kamerstuk 36 600-XVI, nr. 66) (Kamerstuk 32 793, nr. 855);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 26 september
2025 inzake NSOB-rapport «(N)iets te kiezen» en vervolg rondom inrichting coördinatie
van de aanpak huiselijk geweld en kindermishandeling (inclusief femicide) en geweld
tegen vrouwen (Kamerstuk 28 345, nr. 290);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 18 december
2025 inzake voortgang van de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling (Kamerstuk
28 345, nr. 293);
– de brief van de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg d.d. 12 december
2025 inzake reactie op verzoek commissie over het bericht dat gemeenten dreigen om
moeders hun kind af te pakken als ze aankloppen bij de daklozenopvang (Kamerstuk 29 325, nr. 192);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 17 december 2025 inzake
stand van zaken moties en toezeggingen op terrein jeugd en aanbieding van rapporten
(Kamerstuk 31 839, nr. 1145);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 27 januari 2026 inzake
voortgangsbrief jeugd (Kamerstuk 31 839, nr. 1146).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Mohandis
De voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid, Eerdmans
De griffier van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Esmeijer
Voorzitter: Mohandis
Griffier: Meijerink
Aanwezig zijn twaalf leden der Kamer, te weten: Ceder, Coenradie, Dobbe, Hamstra,
Van Houwelingen, Van Meetelen, Mohandis, Moinat, Stoffer, Synhaeve, Wendel en Westerveld,
en de heer Rutte, Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, en mevrouw Tielen,
Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Aanvang 10.04 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Ik heet u allen van harte welkom, alle aanwezigen hier, iedereen
die dit debat op afstand volgt en alle Kamerleden. Ook welkom aan de bewindspersonen.
Wij hebben tot ongeveer 17.00 uur. Er is een goede opkomst van de zijde van de Kamer.
Daarom wil ik voorstellen om in de eerste termijn van de Kamer maximaal zes interrupties
toe te staan. U heeft spreektijden aangegeven. Die zijn natuurlijk indicatief, maar
het is wel belangrijk dat die inclusief de tweede termijn zijn. Hou daar dus voor
uzelf rekening mee. U kent mij als een voorzitter die niet heel streng is. Als het
debat gewoon gericht is en dingen niet steeds herhaald worden, dan ben ik altijd bereid
om u wat meer tijd te geven; u kent mij. Maar ik probeer wel te koersen op 17.00 uur.
Ik zal samen met u mijn best doen om er zo goed mogelijk doorheen te gaan. We hebben
de begrotingsvolgorde op basis van de huidige twee coalitiepartijen. Dat betekent
dat we straks starten met D66, dan VVD et cetera. Dat is de volgorde. Dat zeg ik zodat
u niet denkt: waarom verspringt het? Dat heeft daarmee te maken.
Aangeschoven zijn diverse fracties. Om te beginnen hebben we mevrouw Synhaeve van
D66, de heer Hamstra van de CDA-fractie, mevrouw Westerveld van GroenLinks-Partij
van de Arbeid, de heer Stoffer van de SGP, de heer Van Houwelingen van Forum voor
Democratie, mevrouw Coenradie van JA21, mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie, de
heer Ceder van de ChristenUnie en mevrouw Moinat van de Groep Markuszower. Of is het
Moenat? Sorry, ik ga het vanzelf een keer goed doen. Ook zijn mevrouw Dobbe van de
SP-fractie en mevrouw Wendel van de VVD-fractie er. Ik geef het woord aan mevrouw
Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. De afgelopen weken sprak ik met jongeren van binnen en buiten
de jeugdzorg, met jonge mensen die hun leven in de jeugdzorg achter de rug hebben
en met ouders. Ter voorbereiding op dit debat stelde ik mezelf de vraag: wat was de
constante in al die gesprekken? Het antwoord is: moedige keuzes durven maken. Neem
de moed van de jonge vrouw die me vertelde dat ze na gesloten jeugdzorg dakloos werd,
over slapen op een bankje in het park en de moed om toch hulp te vragen op de plek
waar ze al zo vaak was afgewezen. Moedig was de moeder wier zoon uit huis is geplaatst
en die in alle openheid beschreef welke beslissingen ze nam, soms helpend en soms
niet. Ik noem de moed van de ouder op het schoolplein die in gesprek met een andere
ouder zei: «Ik hoorde dat het thuis niet altijd even makkelijk is. Als het even zwaar
is, bel me dan. Je hoeft het niet alleen te doen.»
Moed is niet de afwezigheid van angst en onzekerheid, maar het overwinnen daarvan.
Die moed hebben wij ook nodig. Ik geloof dat het wél kan, dat we ervoor kunnen zorgen
dat alle kinderen die dat nodig hebben, snel en goede zorg kunnen krijgen. Dat begint
met erkennen dat het huidige jeugdhulpstelsel niet werkt voor onze meest kwetsbare
kinderen. Als de jeugdzorg niet doet wat hij belooft, verdwijnt het vertrouwen van
kinderen en ouders. Zonder dat vertrouwen wordt elk systeem hol. In een systeem dat
ieder voor zich ademt, gaat iedereen er individueel het maximale uit proberen te halen
en vergeten we het collectief. Moed is keuzes durven maken voor een systeem waar we
wél in geloven, en dat stap voor stap voor elkaar krijgen, soms met twee stappen vooruit
en één stap terug. Dat doen we wat mij betreft langs twee lijnen: vanuit principes
en vanuit pragmatisme.
Ik begin met de principes. Principe één raakt aan de meest wezenlijke vraag, namelijk:
voor wie is de jeugdzorg bedoeld? Jeugdzorg is voor de hulpvragen waarbij professionele
hulp onmisbaar is. Dat betekent dat jeugdzorg zich moet richten op de meest kwetsbare
kinderen. Dat zijn kinderen die vaak al veel te veel hebben meegemaakt in hun jonge
leven en ernstig getraumatiseerd zijn. Juist voor hen schiet het stelsel nu tekort.
In tien jaar tijd is het stelsel verdubbeld in omvang en kosten: van 3,6 miljard naar
meer dan 8 miljard euro per jaar en van 1.300 aanbieders naar meer dan 7.000 aanbieders.
Ondertussen krijgen de meest kwetsbare kinderen nog steeds niet de zorg die zij nodig
hebben. Als de jeugdzorg onze meest kwetsbare kinderen niet beschermt, dan falen we
als Kamer, als gemeente, als professionals en als samenleving in onze meest fundamentele
opdracht.
Het tweede principe. Problemen in de jeugdzorg lossen we vooral buiten de jeugdzorg
op. De afgelopen jaren hebben we een systeem opgetuigd waarin steeds meer hulp bij
ongemak, kwetsbaarheid en afwijking is geprofessionaliseerd en georganiseerd. Dat
gebeurde vanuit de beste bedoelingen, maar daarmee hebben we ook wat fundamenteel
menselijks uit handen gegeven, namelijk het vermogen om als samenleving zelf te zorgen.
We moeten leren verschillen te omarmen in plaats van ze te behandelen. Ik ben ervan
overtuigd dat minder jeugdzorg begint bij meer samenleven. We hebben een taak die
we als maatschappij hebben, bij de jeugdzorg neergelegd. Om dat tij te keren, zullen
we veel scherper moeten kijken wie wel en wie geen jeugdzorg krijgt. Ook moeten we
durven investeren buiten de jeugdzorg: in onderwijs, in gezonde keuzes, in fijne buurten
en in de aanpak van armoede.
Het derde principe. Het perspectief van kind en gezin moet leidend zijn. We hebben
het systeem kapotgeïnstitutionaliseerd. Een ouder vertelde mij hoe zij in drie jaar
tijd meer dan 15 verschillende wijkteammedewerkers toegewezen kreeg en meer dan 30
professionals ontmoette aan al die verschillende overlegtafels om te praten over háár
kind. Dan heb ik nog niet de jeugdzorgprofessionals meegerekend die daadwerkelijk
contact hadden met haar kind. Uiteindelijk voelde van al die mensen niemand zich echt
verantwoordelijk. Ik geloof niet dat meer geld in de jeugdzorg de oplossing is, integendeel.
Ik geloof dat meer geld juist een systeem dat onvoldoende functioneert, in stand houdt.
Wat is er dan wel nodig om die stappen voorwaarts te zetten? Pragmatisme. Pragmatisme
omvat voor mij twee elementen.: als eerste niet jarenlang praten over plannen maar
gaan doen, en als tweede daarin focussen op die onderdelen waar onze impact om het
verschil te maken, het grootst is. We moeten veel sneller opschalen wat werkt en stoppen
met datgene waarvan we weten dat het niet werkt. Als we weten dat er misstanden zijn,
moeten we die direct aanpakken. Ik wil daadkracht zien, ook van deze staatssecretarissen.
In dat kader heb ik vragen aan de staatssecretarissen. Maar ik neem eerst even een
slok water.
Ik begin met het voorstel Reikwijdte. Waarom stuurt de Staatssecretaris pas eind 2026
het wetsvoorstel Reikwijdte jeugdhulp naar de Kamer, terwijl dit al afgesproken was
in de Hervormingsagenda Jeugd, die in 2023 is vastgesteld? Waarom duurt het meer dan
drie jaar om dit wetsvoorstel naar de Kamer te krijgen? Daarnaast heeft dit wetsvoorstel
pas toegevoegde waarde als we ook echt durven zeggen wat wel jeugdzorg is en wat niet.
Als ik de voortgangsbrief jeugd lees, bekruipt met het gevoel dat we weer niet gaan
kiezen. Gemeenten, de Jeugdautoriteit en de NZa vragen ons juist om heel scherp af
te bakenen en te kiezen, ook met een wettelijk kader. Daar lijkt de Staatssecretaris
nu niet voor te kiezen. Waarom niet? Haalt de Staatssecretaris daarmee niet het fundament
onder deze wet vandaan, namelijk het beantwoorden van de vraag tot hoever de Jeugdwet
reikt?
Dan over de ervaringscertificaten. Er werken mensen met nepdiploma's met onze meest
kwetsbare kinderen en jongeren. Dat weten we. We weten ook dat het om ongeveer 800
mensen gaat. Een deel van hen is daar kinderen en jongeren aan het ronselen voor de
criminaliteit. Ook dat weten we, en dat weet het kabinet al meer dan een jaar. Wat
heeft de Staatssecretaris het afgelopen jaar gedaan om de veiligheid van die honderden,
misschien wel duizenden kwetsbare kinderen te waarborgen? Wij lezen in de antwoorden
vooral de afwachtende houding van het kabinet en een gebrek aan daadkracht. We zullen
dan ook met een amendement komen om direct mensen met valse diploma's op te sporen
en te zorgen dat zij niet meer met kinderen mogen werken, en om ook het geld vrij
te maken om dat te regelen.
Dan wil ik naar het onderdeel klachten in de jeugdzorg. Uit onderzoek naar klachtbehandeling
bij organisaties in het jeugdzorgdomein blijkt dat er grote verschillen zijn in hoe
met klachten wordt omgegaan en dat voor kinderen en ouders vaak niet duidelijk is
waar ze terechtkunnen met een klacht. In het rapport met de titel «Onderzoek klachtbehandeling
bij organisaties in het jeugdzorgdomein» worden vier wetswijzigingen geadviseerd.
Graag een reflectie van de Staatssecretaris hoe ze tegen deze voorstellen voor wetswijzigingen
aankijkt en welke ze al dan niet in gang heeft gezet.
Dan wil ik het hebben over pleegzorg. Ik zei het twee jaar geleden al in deze Kamer:
we zijn druk in de weer met het werven van nieuwe pleegouders, maar we moeten veel
meer aandacht hebben voor het behoud van pleegouders. Veel pleegouders haken af omdat
de zorg voor een pleegkind toch te zwaar blijkt te zijn. Dat is traumatisch voor een
kind, dat weer naar een volgende plek toe moet. Maar ik geloof dat het ook vaak traumatisch
is voor pleegouders zelf. Zij beginnen namelijk niet met de intentie om er voortijdig
mee te stoppen. Twee jaar geleden nam ik in deze Kamer het initiatief om Mockingbird
breder te verspreiden in Nederland. Dit is een belangrijke manier om ervoor te zorgen
dat minder pleegouders uitvallen, dankzij een stevig, informeel netwerk dat om pleegkinderen
heen wordt gezet. De afgelopen twee jaar is naar aanleiding van deze motie Mockingbird
uitgebreid van één pleegorganisatie naar zeven pleegorganisaties. Eerst was het een
handvol pleeggezinnen, nu zijn het er meer dan 40. En het werkt. Er zijn minder crisisplaatsingen,
pleegouders houden het langer vol en pleegkinderen vinden het fijn.
Ik heb twee vragen aan de Staatssecretaris. Ten eerste: zijn er behalve Mockingbird
andere initiatieven in het land, die net zo effectief leiden tot minder uitval van
pleegouders door in te zetten op informele ondersteuning? Ten tweede: welke stappen
zet VWS momenteel om Mockingbird beschikbaar te maken voor meer pleeggezinnen? En
wanneer verwacht zij dat voor iedere pleegouder die dat wil een informeel steunnetwerk,
in de vorm van Mockingbird of in een andere vorm, beschikbaar is?
Dan wil ik het hebben over de uithuisplaatsingen. Er werd deze ochtend opnieuw aandacht
voor gevraagd vanuit Stichting Het Vergeten Kind en dat is niet meer dan terecht.
Jaarlijks worden in Nederland namelijk duizenden kinderen uit huis geplaatst. Dit
is een van de meest ingrijpende interventies, terwijl we weten dat uithuisplaatsingen
vaak te voorkomen zijn. Dat blijkt ook weer uit het gepubliceerde onderzoek «Van inzicht
naar uitvoering: het verminderen van het aantal uithuisplaatsingen» door het Verwey-Jonker
Instituut, dat in opdracht van Het Vergeten Kind is uitgevoerd. Daaruit blijkt dat
we eigenlijk heel goed weten wat wel en niet werkt om kinderen veilig en zo veel mogelijk
thuis te laten opgroeien. Welke stappen zet de Staatssecretaris nu om het aantal uithuisplaatsingen
te verminderen? En hoe reflecteert de Staatssecretaris op dit rapport dat stelt dat
kennis niet wordt toegepast als gevolg van versnippering van verantwoordelijkheden,
onvoldoende samenwerking en financiële prikkels die de korte termijn boven duurzame
oplossingen stellen?
Dan ga ik naar het toekomstscenario. Wat betreft het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
heb ik op dit moment vooral één prangende vraag.
De voorzitter:
U heeft een interruptie op het vorige punt, meneer Van Houwelingen?
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja.
De voorzitter:
Check; dan laat ik ’m toe. Gaat uw gang.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ja, een korte interruptie. Wij maken ons ook zorgen over het aantal uithuisplaatsingen.
Ik ben heel blij dat D66 een motie van ons heeft gesteund om het wettelijke kader
daarvoor aan te passen. Mijn vraag gaat eigenlijk over het volgende. Hoe kijkt mevrouw
Synhaeve aan tegen uithuisplaatsingen die niet voortkomen uit bijvoorbeeld mishandeling
en geweld maar die voortkomen uit het feit – dat hoor je heel vaak – dat een van de
ouders psychische problemen heeft. In plaats van dat het gezin dan ondersteund wordt,
wordt er echter gekozen voor uithuisplaatsing. Ik vraag me gewoon af hoe D66 daarnaar
kijkt. Is dat wenselijk of niet?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik ben ervan overtuigd dat we hier hetzelfde beeld bij hebben. Natuurlijk is dat niet
wenselijk. We gaan dus kijken hoe het gezin ondersteund moet worden. Dat is wat we
moeten doen. Terwijl we nu heel vaak kijken naar het kind waar van alles mee aan de
hand is, moeten we veelmeer kijken naar wat er in het gezin aan de hand is en hoe
we juist ook het gezin kunnen ondersteunen. Daar vindt u ons dus nog steeds aan uw
zijde.
De voorzitter:
Zet u uw betoog voort.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik kom bij het toekomstscenario. De problemen bij Jeugdbescherming Noord zijn zo groot
en ze duren al zo lang dat ik betwijfel of ze op te lossen zijn. Heeft de Staatssecretaris
het scenario uitgewerkt waarin Jeugdbescherming Noord haar certificering verliest?
Zo nee, waarom is dat scenario niet uitgewerkt? Zo ja, hoe ziet dat scenario eruit?
Dan de gesloten jeugdzorg. Er was een bedrag van 180 miljoen gereserveerd voor de
afbouw van de gesloten jeugdzorg en de opbouw van alternatieven voor de gesloten jeugdzorg.
Ik zie op enkele uitzonderingen na nog weinig kwalitatief goede alternatieven. Ik
heb daarover een aantal vragen aan de Staatssecretaris. Als eerste: hoeveel van die
180 miljoen is er nog over? Als tweede: hoeveel van het geld dat is uitgegeven is
nou echt besteed aan de opbouw van alternatieven en hoeveel is er naar het opvangen
van frictiekosten gegaan?
We weten dat vele jongeren in de gesloten jeugdzorg schade hebben geleden op de plek
waar we hen juist hadden moeten beschermen. Dat vraagt om erkenning van de fouten
die zijn gemaakt en om het bieden van ruimte voor herstel. Herstel is geen knop. Het
is een proces. Dat proces hoort menselijk en betrouwbaar te zijn. Hierover heb ik
de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Hoever is de Staatssecretaris met het
hersteltraject voor kinderen die in gesloten jeugdzorg hebben gezeten? Daarnaast wil
ik graag een reflectie van de Staatssecretaris op het proces tot nu toe. Twee jaar
geleden is Kamerbreed gevraagd om een hersteltraject. Vindt de Staatssecretaris dat
het proces van de afgelopen twee jaar menselijk en betrouwbaar was? Hoe reflecteert
zij daarbij op het feit dat we in die periode verschillende jonge mensen die juist
in gesloten jeugdzorg hebben gezeten, hebben verloren door zelfdoding en euthanasie
door psychisch lijden?
Voorzitter. Vele kinderen in gesloten jeugdzorg – ik zei het net al – raken getraumatiseerd
door wat ze meemaken in gesloten jeugdzorg. In dat kader maak ik me ernstig zorgen
over het wetsvoorstel waar de Staatssecretaris aan werkt om kinderen 's nachts weer
op te sluiten in een kamer en om de inzet van vrijheidsbeperkende maatregelen mogelijk
te maken. Ik weet dat de Staatssecretaris aangeeft dat het om een afgebakend wetsvoorstel
met zeer strenge voorwaarden gaat en dat het maar om een handvol kinderen gaat. Maar
dat zeiden we ook bij de start van gesloten jeugdzorg. Het zou gaan om maximaal 50
kinderen per jaar en nu zijn we meer dan 10.000 kinderen verder. Als we ervoor kiezen
om kinderen die 's nachts zorg nodig hebben op te sluiten als dat nodig is – ik ben
er zelf nog niet van overtuigd dat dat nodig – dan moet dat met de hoogst mogelijke
zorgvuldigheid gebeuren. Kan de Staatssecretaris toezeggen eerst de lopende onderzoeken
naar de impact van nachtopsluitingen af te wachten, net als de dialoog waar ze naar
verwijst in haar brief, en die met de Kamer te delen voordat ze aan de slag gaat met
de uitwerking van het wetsvoorstel gericht op het 's nachts opsluiten van kinderen?
Neemt ze bij de uitwerking ook expliciet mee wat de alternatieven zijn voor het 's
nachts opsluiten van kinderen die zorg nodig hebben?
Voorzitter, ik rond af. We moeten aan de slag, en dat vraagt moedige keuzes. Ik wil
werken aan de wezenlijke oplossingen die ook gevoeld worden. Problemen die lang vooruit
zijn geschoven lossen we op vanuit heldere principes en pragmatisme. Daarbij blijf
ik spreken met de jonge mensen om wie het gaat. Ik wil hun namen kennen, ik wil hun
gezichten zien, ik wil hun verhalen horen. Dat is wat leidend zal zijn om tot een
wezenlijke verandering te komen. Hun verhalen zijn onze toetssteen of wij hier de
goede dingen aan het doen zijn.
Dank u wel.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Dobbe en dan mevrouw Westerveld.
Mevrouw Dobbe (SP):
Mevrouw Synhaeve van D66 zegt dat meer geld niet de oplossing is. Ik snap dat ze dat
zegt namens een partij die ruim 10 miljard wil bezuinigen op de zorg de komende jaren;
de presentatie hebben we allemaal met interesse gevolgd dit weekend. Dit jaar wordt
er bijna een half miljard bezuinigd op de jeugdzorg, zonder dat al die hervormingen
waar mevrouw Synhaeve van D66 over spreekt zijn doorgevoerd. De commissie-Van Ark
noemde dit «het zwaard van Damocles boven de jeugdzorg». Toch heeft D66 er niet voor
gekozen om deze bezuiniging terug te draaien. Waar denkt mevrouw Synhaeve dat deze
bezuiniging terechtkomt? Wij weten het wel: die landt op de werkvloer, die komt terecht
bij de kinderen en de gezinnen die hulp nodig hebben.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank voor deze vraag. Ik begrijp de zorg. Vanuit verschillende rollen pleiten we al
jaren voor betere jeugdzorg. De vraag die we onszelf moeten stellen is: hoe helpen
we nou echt? Het automatisme om direct te kijken naar meer geld: ik geloof niet dat
dat nog gaat werken. Ik geloof dat we daarmee juist een systeem in stand houden dat
onvoldoende functioneert. Maak ik me zorgen over hoe we die ombuigingen gaan realiseren?
Ja, natuurlijk maak ik me daar zorgen over, juist omdat ik niet wil dat het de meest
kwetsbare jongeren raakt. Maar dat betekent wel dat je keuzes moet durven maken. Dat
betekent wat mij betreft de keuze maken om de aanspraken te verminderen zodat we naar
een op de tien jongeren gaan en zo voor de jongeren die het echt nodig hebben de allerbeste
zorg voor elkaar kunnen krijgen. Gaat dat vanzelf? Nee, natuurlijk niet. Daarom ook
de vragen die ik net gesteld heb, want we moeten heel snel meters gaan maken.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit is gewoon willens en wetens bezuinigen op een kapot stelsel. Zonder dat het stelsel
is hersteld daar toch een half miljard euro aan onttrekken. Het antwoord op mijn vraag
is nog niet gekomen. Wij weten waar deze bezuinigingen terechtkomen. Mijn vraag aan
mevrouw Synhaeve van D66 was: waar denkt zij dat de bezuinigingen, die dit jaar al
ingaan, terecht gaan komen? Wij zeggen dat die terechtkomen bij kinderen, bij gezinnen
en bij de mensen die de zorg geven. Ik heb daar nog geen ontkenning van gehoord, omdat
dat ook niet kán. We weten namelijk dat de bezuiniging daar terecht gaat komen. Daarop
krijg ik dus graag nog een antwoord.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik heb in mijn pleidooi aangegeven dat we moeten hervormen. Dat doen we vanuit principes
en pragmatisme. Een van die principes was dat we problemen binnen de jeugdzorg toch
vooral buiten de jeugdzorg gaan oplossen. We hebben morgen het debat over het coalitieakkoord.
Daarin hebt u ook kunnen zien dat we juist heel veel investeren in de cirkel om de
jeugdzorg heen. Er gaat meer dan 1,5 miljard naar onderwijs. We zorgen voor veel meer
versterking van de buurten en voor de aanpak van armoede. Dat is waar we het verschil
gaan maken. Ik geloof dat de impact van het investeren daarin uiteindelijk veel groter
is dan het blijven stoppen van geld in een jeugdzorgsysteem dat op dit moment onvoldoende
functioneert en waarvan we moeten erkennen dat het nu al ten koste gaat van onze meest
kwetsbare kinderen.
De voorzitter:
Tot slot, mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Tot slot, voorzitter. D66 heeft heel veel mooie woorden over de plannen voor de komende
tijd, maar maakt de zorg natuurlijk helemaal kapot. Dat is wat er gebeurt. Mevrouw
Synhaeve zegt: ik begrijp de zorgen. Maar nee, ik heb geen zorgen meer. Ik heb boosheid.
Ik maak me niet bezorgd, omdat ik weet wat er gaat gebeuren. Ik ben vooral boos over
wat er de komende tijd gaat gebeuren in de zorg, over wat D66, CDA en VVD samen hebben
bekokstoofd. Er komt geen erkenning dat de bezuinigingen op de jeugdzorg voor dit
jaar nog steeds staan. Dat gaat kinderen, gezinnen en mensen die in de zorg werken,
keihard raken, ondanks de mooie woorden van mevrouw Synhaeve. Mijn slotvraag gaat
alsnog over de eigen bijdrage. Daarover heb ik niks teruggelezen. Blijft die nu staan
of gaat D66 zich houden aan de eerdere belofte om hem te schrappen?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dat waren heel veel vragen en opmerkingen in één reactie. We maken de zorg niet kapot.
We zetten juist stappen om de zorg voor onze meest kwetsbare jongeren te verbeteren.
Dat vraagt om heel veel moedige keuzes, maar die gaan we wel maken. Ik hoop heel erg
dat we dat samen met verschillende partijen vanuit deze Kamer kunnen doen.
Dan wat de eigen bijdrage betreft: die blijft staan. U zal namelijk ook in het akkoord
gelezen hebben dat we het basispad blijven volgen. Daarin zit ook de eigen bijdrage.
Daar wil ik toch even kort bij stilstaan. Als u me vraagt of ik diep in mijn hart
blij word van de eigen bijdrage: nee, ik word er niet blij van. Ik heb namelijk dezelfde
rapporten gelezen en dezelfde mensen gesproken, die zich zorgen maken of het niet
onze meest kwetsbare kinderen raakt. Maar ik zie ook dat de eigen bijdrage waarschijnlijk
wel nodig zal zijn in de mix van wat er nodig is. Wat mij betreft zetten we vol in
op de aanspraken verminderen – ik denk dat dat een veel betere route is – maar dat
neemt niet weg dat ik, als dat onvoldoende oplevert, wel degelijk naar de eigen bijdrage
zal kijken. Dat doen we wat mij betreft heel zorgvuldig. Dat doen we door heel goed
na te denken over verschillende scenario's en daarin de consequenties uit te denken
en door te kijken wat we ermee zouden kunnen ombuigen, maar vooral door ons de vraag
te stellen hoe we waarborgen dat kinderen in de meest kwetsbare situaties altijd toegang
blijven houden tot de zorg die nodig is.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
De eigen bijdrage heeft jarenlang boven de markt gehangen. Het gaat in tegen het Kinderrechtenverdrag,
er zijn rapporten waaruit blijkt dat het averechts werkt en uitvoeringsorganisaties
zeggen dat het niet kan. Toch komt het telkens weer terug. Ik vind het geen voorbeeld
van een moedige keuze. Daar gaat mijn vraag over. Ik zou graag van mevrouw Synhaeve
willen weten welke moedige keuzes deze coalitie dan wél gaat maken. We weten welke
gezinnen door de bezuinigingen op de sociale zekerheid en op de zorg getroffen gaan
worden. Ik ben bang dat het niet gaat leiden tot minder instroom in de jeugdzorg.
In het coalitieakkoord lees ik ook teksten terug die ik al acht jaar lees en hoor.
Mijn vraag is dus: welke moedige keuzes gaat de coalitie maken?
Mevrouw Synhaeve (D66):
Eerst kort over de eigen bijdrage. Ik gaf het net al aan: die zorgen hoor en zie ik
ook. Wat mij betreft is dat ook precies de bril waarmee we kijken als het kabinet
met scenario's voor de uitvoering komt. Het spreekt voor zich dat wat we hier ook
invoeren – dat geldt voor alle terreinen – niet mag indruisen tegen het Kinderrechtenverdrag.
Dat gebeurt in de praktijk te vaak wél.
Welke moedige keuzes moeten we maken? Ik denk dat dat langs twee lijnen loopt. Ik
denk dat dat deels zit in de beweging naar voren. Dat is een verschrikkelijk holle
term, maar dat is wat ik probeerde te beschrijven met dat tweede principe: de problemen
in de jeugdzorg gaan we vooral buiten de jeugdzorg oplossen. Ik denk dat we daar wel
degelijk een aantal heel moedige keuzes in maken door fors te investeren in wonen,
door 135 miljoen per jaar beschikbaar te stellen voor het programma leefbaarheid en
door 1,5 miljard per jaar erbij te doen voor onderwijs. Al die bezuinigingen op het
vergroten van kansengelijkheid draaien we terug. Dat doen we door middel van een gemeenschapsfonds,
door ten aanzien van de jeugd in te zetten op preventie op school en door de aanpak
van armoede en problematische schulden. Als we die bedragen optellen, dan zitten we
op bedragen die een stuk hoger zijn dan die we nu aan het ombuigen zijn in de jeugdzorg.
Ik geloof dat we daar het verschil gaan maken. Dat was de eerste lijn: de jeugdzorg
verbeteren we vooral buiten de jeugdzorg.
De tweede lijn is: durven we ook keuzes te maken in hoe we de jeugdzorg vervolgens
georganiseerd hebben? Ik denk dat we daar heel scherp moeten inzetten op het verminderen
van aanspraken. De druk moet eraf. Dat betekent dat er gewoon echt minder kinderen
in de jeugdzorg moeten komen, zodat er ruimte komt voor de kinderen die heel complexe
zorg nodig hebben. Dat betekent dat we meer moeten standaardiseren. Dat betekent dat
er af en toe scherpere wet- en regelgeving nodig is. Dat moeten we doen. U hebt ook
de vragen gehoord die ik aan de staatssecretarissen heb gesteld. Dat zijn wat mij
betreft de belangrijke knoppen om aan te draaien, om vanuit pragmatisme het grote
verschil te maken voor de kinderen die het het meest nodig hebben.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Het lastige van dit antwoord is dat ik een heel aantal woorden en zinnen hoor die
ik al acht jaar hoor: de beweging naar voren maken, het vooral zoeken buiten de jeugdzorg,
preventie enzovoorts. Dat is niet nieuw. Dat wil iedereen hier trouwens. Daar is helemaal
geen discussie over. Het probleem is alleen dat het maar niet gebeurt, omdat het te
weinig concreet wordt. Mevrouw Synhaeve heeft het over investeren in onderwijs. Daar
ben ik blij mee, hoor, maar feitelijk is het gewoon het terugdraaien van de bezuiniging
van het vorige kabinet. Nu zijn we weer op hetzelfde punt als anderhalf jaar geleden.
Ik hoor helemaal niet welke moedige keuzes er nou specifiek gemaakt zijn voor gezinnen
waarin het nu al niet goed gaat en die te maken hebben met jeugdzorg. Ik ben op zoek
naar een concreet antwoord daarop.
Mevrouw Synhaeve (D66):
In alle eerlijkheid: ik heb mezelf natuurlijk ook die vraag gesteld. Volgens mij willen
we hier van links tot rechts al tien jaar dat het beter gaat in de jeugdzorg. Volgens
mij verschillen onze beelden niet eens zo heel erg over hoe we daar moeten komen.
Ik heb mezelf ook de vraag gesteld: waarom lukt het dan niet? Die vragen hebt u mij
ook horen stellen aan de Algemene Rekenkamer en de andere gremia die we gesproken
hebben. Ik denk dat het deels te maken heeft met hoe wij vanuit deze Kamer sturen.
Ik denk dat we veel scherpere doelen moeten neerzetten en veel duidelijkere afspraken
met een kabinet moeten maken over wat wanneer geregeld wordt, bijvoorbeeld als het
gaat over zo'n reikwijdtediscussie. We moeten veel scherper afspreken wat we daarin
willen terugzien. We moeten een kabinet niet laten wegkomen met mooie, vage omschrijvingen
die uiteindelijk geen zoden aan de dijk zetten. Ik denk dat het deels daarin zit.
Ik denk dat het ook deels zit in de vraag of wij als politiek ook durven te zeggen:
we gaan het niet allemaal meer oplossen; sommige problemen moeten toch echt elders
worden opgepakt. Dat neemt niet weg dat mensen nog steeds zorgen hebben en dat die
zorgen heel terecht zijn, maar dat hoeft geen zorgvraag te zijn. Hoe we dat precies
voor elkaar krijgen, daar ben ik ook op aan het puzzelen, want dat krijgen we ook
niet een-twee-drie voor elkaar.
De voorzitter:
De antwoorden moeten iets korter, anders halen we 17.00 uur niet, vrees ik. Probeer
echt de vraag te beantwoorden. Ik zie dat de heer Ceder ook een vraag heeft aan D66.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Toen ik de jeugdzorgparagraaf las, was ik wel teleurgesteld. Er zijn een aantal dingen
gebeurd die me enorm zorgen baren. Allereerst wordt het rapport-Van Ark gewoon niet
uitgevoerd. Die bezuiniging blijft staan. Men richt zich nu op jeugdhulp buiten de
jeugdzorg. Daarmee geef je eigenlijk de generatie op die nu al last heeft en een vorm
van jeugdzorg krijgt. Er wordt geïnvesteerd in de volgende generatie, maar er wordt
niets gedaan voor de huidige generatie. Er wordt ook niets gedaan voor de medewerkers,
die nu al elk jaar zeggen dat hun het water tot aan de lippen staat. Helemaal niets.
Dat vind ik wel teleurstellend. Ik ken, denk ik, de partijlijnen. De VVD heeft hier
lange tijd voor gepleit, maar het CDA en D66 niet. Ik ben het ermee eens: we moeten
inderdaad meer steken in het stabiliseren van gezinnen. Daar zult u de ChristenUnie
altijd over horen, maar mevrouw Synhaeve is het toch met mij eens dat dit, nog even
los van de afspraken die nu al vastgelegd zijn, onverantwoord beleid is? Dat staat
nog even los van de vraag of wij dit nog kunnen terugdraaien.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Nee, ik werp verre van me dat dit onverantwoord beleid zou zijn. Ik denk dat we juist
keuzes maken die wijzen op verantwoord beleid. Overigens geldt nog steeds dat de ombuigingen
in 2026 en in 2027 met een half miljard per jaar worden gedempt. Dat is dus onveranderd
gebleven. U vroeg om een kort antwoord, voorzitter, dus bij dezen een kort antwoord.
De voorzitter:
Dank u wel, ook daarvoor. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Oké, het staat genoteerd dat D66 de financiële paragraaf verantwoord vindt. Die vraag
zal ik ook bij het CDA neerleggen. Ik had gehoopt dat u in lijn der verwachting zou
zeggen «het is niet onze keuze», of misschien «de VVD heeft hier wat scherper op ingezet
en wij hebben andere keuzes gemaakt». Maar D66 zegt gewoon: dit vind ik verantwoord.
Het is goed om dat te noteren.
Ik heb een vraag over het eigen risico. Volgens mij hebben we daar zelfs technische
briefings over gehad. Er is continu gezegd dat dit onverstandig is, op welke manier
daar ook invulling aan wordt gegeven. Kunt u uitleggen, los van dat we buiten de jeugdzorg
gaan investeren, waarom D66 in de afgelopen jaren toch van mening is geworden dat
dit wél een verstandige keuze is die leidt tot de verbetering van de jeugdzorg?
De voorzitter:
U noemt het eigen risico in relatie tot de jeugdzorg, maar ik denk dat u de eigen
bijdrage bedoelt.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Sorry. Ik zei «eigen risico», maar ik bedoelde «eigen bijdrage».
De voorzitter:
Dan weten we waar we het over hebben. Mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik vind de keuzes die we maken verantwoord, omdat we dit koppelen aan maatregelen.
Ik geloof dat steeds geld blijven opplussen ’m gewoon niet gaat worden. In combinatie
met de maatregelen die we voorstaan: jazeker vind ik dat we dan verantwoorde keuzes
maken. Wordt dat makkelijk? Zeker niet.
Dan de eigen bijdrage. Die vraag heb ik al beantwoord. Om niet in herhaling te vallen
verwijs ik naar mijn eerdere antwoord.
De voorzitter:
Tot slot, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Goed, tot slot. Kan D66 aangeven welke extra maatregelen en betere maatregelen genomen
worden anders dan de maatregelen die al door het kabinet van PVV, NSC, BBB en VVD
waren ingezet? De reikwijdte aanpassen werd al genoemd. De eigen bijdrage werd al
genoemd. Gezinnen meer stutten werd al genoemd. De beweging naar terugplaatsing of
minder uithuisplaatsingen werd ook genoemd. Ik kan ze niet uit het coalitieakkoord
halen. Op welke extra maatregelen die niet al door het vorige kabinet zijn ingezet,
bent u nou trots?
Mevrouw Synhaeve (D66):
We investeren meer dan ooit in preventie en dat is ook financieel duidelijk, want
daar maken we geld voor vrij.
De voorzitter:
Dan ga ik naar de volgende spreker van de zijde van de Kamer. We hanteren de begrotingsvolgorde.
Daardoor krijgt mevrouw Wendel nu het woord. Zij zit aan de andere kant. Anders denkt
iedereen: waarom is dat? De begrotingsvolgorde is de sprekersvolgorde die wordt gehanteerd
bij de begrotingen. Aan u het woord, mevrouw Wendel.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Van jongs af aan heb ik van mijn ouders meegekregen dat ik zelf
verantwoordelijk ben voor mijn eigen leven en dat je, als je je best doet op school,
respect hebt voor anderen en bereid bent hard te werken, kunt worden wie je wil zijn.
Dat klinkt misschien vanzelfsprekend, maar voor mij is het heel bepalend geweest.
Het heeft ervoor gezorgd dat ik ook als ik geen zin had toch naar school ging en altijd
bijbaantjes had naast school en studie. Dat maakt mij tot wie ik nu ben, de versie
van mezelf die ik wil zijn. Dat gun ik ieder kind.
Voorzitter. Hard je best doen en keihard werken zijn belangrijk, maar dat kan alleen
als de randvoorwaarden op orde zijn. De les van mijn ouders geldt alleen als je als
kind opgroeit in een veilig en liefdevol thuis. Je kunt pas het beste uit jezelf halen
als je veilig bent, als je gezien wordt en als er hulp is wanneer die nodig is. Dat
kan een steuntje in de rug zijn of intensieve hulp. Ieder kind verdient een veilige
en liefdevolle plek om op te groeien, om zichzelf te kunnen ontwikkelen. Als een kind
echt hulp nodig heeft, dan moet die hulp beschikbaar zijn. Dat is nu te vaak niet
het geval. De druk op de jeugdzorg is enorm. Er zijn torenhoge wachtlijsten. Als een
kind dringend hulp nodig heeft en eindeloos moet wachten, richt dat nog meer schade
aan. Dat is niet een probleem van de afgelopen weken of maanden. Dat is een probleem
dat al jaren speelt.
Sinds een paar weken mag ik mij als Kamerlid bezighouden met jeugdzorg en jeugdbescherming.
Ik geef toe dat dat me niet koud laat. De verhalen die ik hoor, de situaties die ik
lees, de incidenten die geen incidenten zijn, raken me enorm. Samen met mijn collega's
in de Kamer wil ik mijn stinkende best doen om ervoor te zorgen dat geen enkel kind
zich onveilig voelt of aan zijn lot wordt overgelaten. Hoewel onze visies over hoe
dit het beste kan ongetwijfeld zullen verschillen, zullen we zij aan zij moeten staan.
Ik geloof dat we dat met elkaar kunnen.
De urgentie maakt ongeduldig. En ja, dat brengt de verleiding met zich mee om steeds
nieuwe ideeën of nieuwe regels te verzinnen. Toch ga ik dat nu niet doen. Kinderen
help je namelijk niet met telkens nieuwe plannen, maar met het doen van wat is afgesproken.
De VVD steunt dan ook de Hervormingsagenda Jeugd en het Toekomstscenario kind- en
gezinsbescherming. Ik wil de staatssecretarissen bedanken voor de voortgang die is
geboekt en voor de routekaarten die naar de Kamer gestuurd zijn. Dit zorgt voor een
beter beeld van de concrete acties die het kabinet onderneemt. Dat geeft vertrouwen.
Ik wil de staatssecretarissen wel vragen of er stappen zijn die sneller gezet kunnen
worden.
Voorzitter. We zijn blij dat de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg op 1 januari
2026 in werking is getreden. De VVD ziet dit als een belangrijke stap in het oplossen
van de problemen in de jeugdzorg. Toch is het slechts het begin. Het grote probleem
in de jeugdzorg is namelijk dat de vraag veel te hoog is. Waar een aantal jaren geleden
1 op de 27 kinderen gebruikmaakte van de jeugdzorg, geldt dat nu voor 1 op de 7. Voor
jongens tussen de 8 jaar en de 12 jaar is dat zelfs 1 op de 4. Dat kan en moet echt
minder. Niet elk probleem is een jeugdzorgprobleem. De VVD vindt dat we niet onnodig
een label op een kind moeten plakken. Niet iedere vorm van afwijkend gedrag is een
probleem dat in de jeugdzorg opgelost moet worden.
Daarom is de reikwijdtewet ook zo cruciaal. Die bepaalt wat wel en geen jeugdzorg
is. Met deze wet zorgen we ervoor dat het aantal kinderen in de jeugdzorg afneemt
en dat er jeugdzorg beschikbaar is voor de kinderen die dat echt nodig hebben. We
hebben een groot tekort aan medewerkers. De medewerkers die er zijn, moeten zich kunnen
richten op de zware en meest complexe gevallen. De bestuurders in het land vragen
hier al jaren om. Deze wet had er eigenlijk allang moeten zijn. Nu staat de behandeling
gepland voor eind «26. Ik wil de Staatssecretaris vragen of dit echt niet sneller
kan. Hoe voorkomt zij in ieder geval verdere vertraging? Ik zal hierover in de tweede
termijn een motie indienen.
De VVD wil dat er vaart gemaakt wordt met de hervormingsagenda en het toekomstscenario.
Tegelijkertijd wil ik er ook toe oproepen om niet enkel in de vergaderstand te blijven
zitten met vergezichten, maar ook te kijken naar wat er nu al kan op de korte termijn.
Hebben de staatssecretarissen concrete ideeën over wat zij nu al kunnen doen om de
druk op de jeugdzorg, specifiek op de jeugdbescherming, te verminderen en ervoor te
zorgen dat we de kwaliteit al op de korte termijn verbeteren?
Dan de kwaliteit zelf. In juni 2024 werd grootschalige fraude met evc-certificaten
blootgelegd. Mensen konden met een gekocht diploma in de jeugdzorg aan de slag zonder
echte opleiding of ervaring. Dat is onacceptabel. Het systeem was bedoeld om mensen
gemakkelijker aan het werk te laten gaan in de jeugdzorg, maar dat wordt misbruikt
door mensen met verkeerde bedoelingen. In plaats van jongeren liefdevolle zorg te
bieden, werd geld witgewassen en werden jongeren geworven voor criminele activiteiten.
Om deze fraude aan te pakken, zal ik de motie van D66-collega Synhaeve dan ook mede
indienen.
Voorzitter. Al jaren horen we dat de regeldruk in de jeugdzorg omlaag moet. Toch besteden
jeugdzorgwerkers nog steeds bijna 40% van hun tijd aan administratie. De administratieve
regeldruk is zelfs nergens zo hoog als in de jeugdzorg. Hoe kan het dat deze regeldruk
nog steeds zo hoog is en wat gaat de Staatssecretaris concreet doen om deze regeldruk
nu wel te verminderen? Welke concrete regels kunnen we schrappen om jeugdzorgwerkers
meer lucht te geven en ervoor te zorgen dat zij hun aandacht kunnen besteden aan de
jeugd in plaats van aan papierwerk? Als de Staatssecretaris hier niet direct een antwoord
op heeft, kan zij dan toezeggen hier onderzoek naar te doen en dit ons voor de zomer
per brief toe te sturen?
Dan de gesloten jeugdzorg. De Staatssecretaris heeft aangegeven dat nachtelijke insluiting
in uitzonderlijke gevallen nodig blijft. De VVD steunt deze lijn, hoe pijnlijk het
ook is. Soms is het noodzakelijk om jongeren, hun omgeving en medewerkers te beschermen.
Ik wil de Staatssecretaris vragen hoe zij dit wil vormgeven en of dit kan worden geregeld
binnen het huidige budget.
Voorzitter. Tot slot: kindermishandeling. Naar schatting worden ieder jaar 119.000
kinderen slachtoffer van mishandeling. Ieder jaar overlijden er tussen de 40 en 50
kinderen door dit geweld; in 96% van de gevallen wordt dit geweld gepleegd door ouders.
De Staatssecretaris heeft een aanpak voor huiselijk geweld en kindermishandeling.
Ik wil de Staatssecretaris vragen hoe effectief die programma's zijn. Besteden we
het geld aan de juiste dingen? Kan zij dit ook onderbouwen?
Voorzitter. Ik sluit positief af. Iedere dag werken vele jeugdzorgwerkers kei- en
keihard om jongeren vooruit te helpen. Ze werken dag in, dag uit onder hoge werkdruk.
Zij verdienen onze waardering. Als het misgaat, haalt dat de kranten, maar het vele
goede werk blijft vaak onzichtbaar. Daarom zeg ik hier: dank jullie wel. Hetzelfde
geldt voor de vele pleegouders in Nederland. Vaak horen we de verhalen waarin het
misgaat, maar in de meeste gevallen gaat het juist heel erg goed. Ik heb meerdere
berichten gekregen van mensen die zeiden: dankzij mijn pleegouders heb ik de kans
gekregen om in veiligheid op te groeien en mezelf te ontwikkelen. Die pleegouders
verdienen onze waardering en steun. Daarom wil ik afsluiten met een oprecht dankwoord
aan hen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U bent aan het einde van uw inbreng gekomen. Eerst heeft u een interruptie
van mevrouw Westerveld en dan van mevrouw Dobbe.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Wendel zegt best veel dingen die we volgens mij allemaal vinden. Niemand vindt
dat kinderen onnodig gelabeld moeten worden, om maar een voorbeeld te noemen. Ze zegt:
ik ga niet voortdurend nieuwe regels bedenken. Volgens mij wil niemand dat hier. Maar
mevrouw Wendel noemde twee punten waarover ze zei: als we afspraken maken, moeten
we dat doen. Ze verwees daarbij naar het rapport van de commissie-Van Ark en naar
het toekomstscenario. De commissie-Van Ark zegt: neem de bezuinigingen op als pm-post
op de begroting. Dat is een van de heel concrete aanbevelingen die zij doet. Het budget
voor het toekomstscenario komt te vervallen vanaf 2027. Dat wordt voortgezet, maar
zonder deze middelen, die ook zijn beloofd. De twee dingen die mevrouw Wendel belooft
en die we volgens haar moeten doen om onze beloftes na te komen en ons aan afspraken
te houden, worden niet nagekomen. Wat vindt mevrouw Wendel daarvan?
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, de interrupties moeten iets korter. Ik ga er wat scherper op letten.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank aan mevrouw Westerveld voor de vraag. Ik denk dat u terecht opmerkt dat ik zeg
dat ik nu geen nieuwe zaken wil bedenken, maar echt wil vasthouden aan de uitgezette
paden. Ik vind het zelf ook erg lastig dat dat al heel lang duurt. Dat hoort u mij
ook zeggen in mijn bijdrage: er moet meer tempo op; het moet sneller, zodat we niet
steeds nieuwe zaken hoeven te bedenken en het daadwerkelijk bijdraagt aan betere kwaliteit
in de jeugdzorg.
Dan uw specifieke vraag over de financiën. Ik heb afgelopen weken vele gesprekken
gevoerd over dit onderwerp en over de financiën. Steeds meer bekruipt mij het idee
dat we impopulaire keuzes moeten maken in plaats van er ieder jaar weer meer geld
aan toe te voegen. We zien dat de uitgaven in de jeugdzorg echt uit de pas lopen en
dat de kwaliteit er niet beter van wordt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dat vind ik ook. Dat vinden we allemaal, maar dat is geen antwoord op mijn vraag.
Mijn punt luidt als volgt. Mevrouw Wendel zegt hier heel duidelijk dat er twee dingen
moeten gebeuren, maar die gebeuren niet. Ik vraag haar dus wat zij daarvan vindt.
Misschien moet ik de vraag anders stellen, net als bij mevrouw Synhaeve. Ik begrijp
ook dat dit technisch gezien een ingewikkelde vraag is. Wat gaat het komende kabinet
doen om ervoor te zorgen dat die moedige keuzes gemaakt worden en dat het straks echt
beter gaat met jongeren in de jeugdzorg? Even heel concreet, want al die algemeenheden
vinden we allemaal; daar schiet niemand wat mee op. Even heel concreet.
Mevrouw Wendel (VVD):
Het nieuwe kabinet gaat ervoor zorgen dat de reikwijdtewet zo snel mogelijk wordt
ingevoerd, waardoor we echte keuzen maken over welke problemen we in de jeugdzorg
moeten oplossen en welke problemen daarbuiten horen. Dat kan zijn door niet onnodig
te labelen, maar met name ook door met de lokale teams kinderen en hun gezinnen vroegtijdig
goed te ondersteunen.
De voorzitter:
Wilt u nog iets vragen over dit onderwerp, mevrouw Westerveld? Nee. Dan ga ik eerst
naar mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Het nieuwe kabinet gaat ook de zorg kapotbezuinigen. Dat moet ook even geconstateerd
worden. Ik hoor de VVD zeggen dat jeugdzorgmedewerkers waardering verdienen. Dat is
goed om te horen voor jeugdzorgmedewerkers, denk ik, want ze gaan morgen in actie
komen, onder andere tegen de gevolgen van het beleid van de VVD. Het is dus fijn om
te horen dat ze in ieder geval de steun van de VVD daarin hebben. In het begin van
het betoog hoorde ik dat de randvoorwaarden op orde moeten zijn. Mijn collega Westerveld
zei het ook al: de commissie-Van Ark noemde de bezuinigingen «een zwaard van Damocles»
boven de jeugdzorg. Een zwaard van Damocles boven de jeugdzorg! De randvoorwaarden
zijn niet op orde en toch wordt er al dit jaar bijna een half miljard euro uit de
jeugdzorg gesloopt. Ook aan de VVD is mijn vraag waar zij denkt dat deze bezuinigingen
terechtkomen. Is er een aanleiding om aan te nemen dat ze niet terechtkomen bij kinderen,
bij gezinnen en bij de medewerkers die elke dag het werk doen in de jeugdzorg?
Mevrouw Wendel (VVD):
In alle eerlijkheid heb ik moeite met de harde uitspraken die gedaan worden. «Het
nieuwe kabinet gaat de zorg kapotbezuinigen.» Het nieuwe kabinet neemt een impopulaire
beslissing en ziet dat we vanwege demografische ontwikkeling geen andere keuze hebben
dan het stelsel hervormen om ervoor te zorgen dat we er op de lange termijn kunnen
zijn voor de mensen die dat het hardste nodig hebben. Dat geldt dus ook voor de jeugdzorg.
We moeten keuzes maken over wat we wel en niet gaan doen om er te kunnen zijn voor
de meest kwetsbare kinderen. Dat noem ik niet «kapotbezuinigen». Dat noem ik: een
moedige keuze en ervoor zorgen dat we er kunnen zijn voor de kinderen die dat nodig
hebben.
De voorzitter:
Probeer niet buiten de microfoon om dingen te zeggen. Doe het via de microfoon. Dat
zeg ik even in het algemeen. Mevrouw Coenradie en dan de heer Van Houwelingen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik heb eigenlijk een beetje een punt van orde. Ik snap waar het vandaan komt, maar
we hebben het wel steeds over «het nieuwe kabinet». Het lastige in dit verhaal is
... De timing is een beetje onhandig; laat ik het maar even zo zeggen. Het debat over
het nieuwe kabinet wordt morgen gevoerd. Ik zou dus graag willen dat we onze kostbare
tijd en de interrupties daar niet aan besteden. Ik kijk u als voorzitter dan even
aan om dat te handhaven. Als dat mogelijk is, heel graag.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Wij stemmen pas in maart over de begroting. Dan is er een kabinet of kunnen we in
ieder geval de impact doorlopen van de keuzes die vorige week gepresenteerd zijn.
Ik heb amendementen gezien, maar niet van die orde dat er fundamentele wijzigingen
plaatsvinden. Hen daarop bevragen heeft dus wel degelijk te maken met de huidige begroting.
Ik snap dat we niet moeten gaan filosoferen over wat het nieuwe kabinet gaat doen.
Dat snap ik, maar ik vind wel dat we elkaar in het debat met de Kamerleden onderling,
niet in dat met de bewindspersonen, zouden moeten bevragen over waarom bepaalde keuzes
gemaakt worden of waarom bepaalde stappen juist niet gezet worden, juist ook omdat
er afspraken zijn gemaakt voor de komende jaren. In die zin zou ik er dus toch nog
wel wat ruimte voor willen laten.
De voorzitter:
Ik begrijp mevrouw Coenradie heel goed. Ik snap die opmerking. We moeten twee dingen
uit elkaar houden. Ik denk dat we nu gewoon het kabinet hebben dat hier zit. Dat punt
klopt. Dit is mijn derde of vierde periode als Kamerlid. Ik weet dat het onontkoombaar
is dat als er een akkoord ligt, het debat met de Kamerleden onderling ook gaat over
wat er ligt. Dat mag ook. Dan is het wel belangrijk dat de Kamerleden in hun toekomstige
coalitierol worden aangesproken en niet als «het kabinet», want dat kabinet is er
feitelijk nog niet; het moet nog op het bordes komen te staan. Daarin heeft u wel
een punt, mevrouw Coenradie.
Laten we het debat onderling dus vooral gericht houden op de keuzes die voorliggen
en als het woord «kabinet» valt even beseffen dat hier het huidige kabinet zit en
dat er nog geen nieuw kabinet is. Ik denk dat dat wel belangrijk is, ook voor de kijker.
Daar zal ik iets scherper op letten, maar ik laat wel toe dat de keuzes besproken
worden die gemaakt worden in het coalitieakkoord en betrekking hebben op dit begrotingsonderdeel.
Dat laatste is wel belangrijk. Laten we inderdaad niet te veel erbij halen, want dat
gaan we morgen uitvoerig bespreken. Dan bedoel ik de verdere maatregelen op het VWS-terrein.
Laten we ons echt richten op dit onderdeel. Volgens mij ging dat vooralsnog best goed.
Als dat af en toe niet helemaal goed gaat, zal ik daar wat van zeggen. We zetten het
debat voort. Mevrouw Coenradie, had u nog een interruptie of was dit een punt van
orde? Check. Dan een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Over keuzes gesproken, ik ben wat verbaasd, want de PVV zei zojuist over de jeugdzorg:
het is niet anders; we moeten erop bezuinigen.
De voorzitter:
De VVD.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Excuus, de VVD inderdaad. Dank. De VVD zegt dat we erop moeten bezuinigen, maar er
zijn natuurlijk wel degelijk keuzes te maken. Ik bedoel, de VVD heeft ervoor gekozen
om miljarden over te maken naar Oekraïne. Dat was bijvoorbeeld eind december nog binnen
48 uur 700 miljoen. Die keuzes kunnen dus gemaakt worden, maar de VVD kiest iets anders.
Die stuurt bijvoorbeeld graag miljarden naar Oekraïne, de massa-immigratie en krankzinnig
klimaatbeleid. Wees daar dan eerlijk over. Ja, dan hou je niet veel over voor de jeugdzorg.
Mevrouw Wendel (VVD):
Allereest heb ik niet gezegd dat we niet onder bezuinigen op de jeugdzorg uit komen.
Ik wil namelijk benadrukken dat we de kosten ombuigen, maar dat er nog steeds ieder
jaar meer geld naar de jeugdzorg gaat dan het jaar daarvoor. Dat ten eerste. Daarnaast
begrijp ik natuurlijk dat iedere partij een andere visie op Nederland heeft. Dat kan.
Ik denk dat we dat morgen in het debat van onze partijleiders zeker gaan horen. Alleen,
de VVD staat inderdaad voor een land waarin we zorgen dat de veiligheid zowel nationaal
als internationaal op orde is, ook voor onze kinderen.
De voorzitter:
Meneer Van Houwelingen, het moet echt wel gericht zijn op de jeugdzorg. Ik snap het
allemaal, maar anders is het ook een beetje onnavolgbaar voor degenen die het op afstand
volgen. Zijn er nog andere interrupties voor mevrouw Wendel voordat ik naar de volgende
spreker ga? Nee. Dan mevrouw Westerveld, namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Het ging er net al even over in het interruptiedebat: het doel van
dit wetgevingsoverleg – dat is natuurlijk het controleren en het bijsturen van het
kabinet – wordt ons gewoon vrij lastig gemaakt vanwege de timing. We bespreken hier
namelijk de begroting van 2026 terwijl het al 2026 is en we bespreken de begroting
van een demissionair kabinet terwijl afgelopen vrijdag het conceptregeerakkoord werd
gepresenteerd. Dat maakt het gewoon best wel onhandig om de demissionaire staatssecretarissen
hier te bevragen. Tegelijkertijd vind ik het ook heel actueel, omdat we ook zien dat
er in de keuzes die de nieuwe coalitie maakt niet zo veel lijkt te veranderen. Volgens
mij is dat dus wel degelijk iets waar we het vandaag goed met elkaar over moeten hebben.
Gezien de grote belangen en alle grote problemen die spelen bij jongeren, gezinnen
en hulpverleners, moeten we die taak namelijk heel serieus nemen. Ik geloof ook helemaal
niet dat we in deze commissie nou zo verschillend kijken naar de jeugdzorg, want niemand
zit hier als woordvoerder omdat die hoopt dat het straks nog slechter gaat met kinderen.
Iedereen wil dat het beter gaat met kinderen, dat het stelsel beter wordt, dat hulpverleners
hun werk gewoon goed kunnen doen en dat er kwalitatief goede en genoeg hulpverleners
zijn. Dat willen we allemaal. Daar zit helemaal geen licht tussen, maar dan moeten
er wel keuzes gemaakt worden. Ik hoor hier de hele tijd dat er keuzes gemaakt moeten
worden, maar volgens mij gaat het er dan om welke keuzes we met elkaar maken. Welke
moedige keuzes maken wij straks met elkaar om ervoor te zorgen dat wat we allemaal
willen, echt gaat gebeuren? Ik denk dat een heel groot probleem waar jeugdzorg, en
misschien wel zorg in het algemeen, tegenaan loopt, is dat wij het misschien wel belangrijk
vinden met elkaar, maar dat gewoon niet alle partijen dat belangrijk vinden. Dat zien
we volgens mij ook aan de keuzes die het nieuwe kabinet maakt, waarbij ik zie dat
maatregelen wel degelijk keihard gezinnen raken waarin nu ook al grote problemen zijn.
Want als je gaat tornen aan bestaanszekerheid, raakt dat natuurlijk de gezinnen waarbij
het thuis gewoon niet goed gaat. Als we de uitkering van mensen die tijdelijk geen
werk hebben nog verder gaan verlagen, zorgt dat natuurlijk voor stress. Al die keuzes
raken ook de jongeren die nu in de jeugdzorg zitten. Daarom verbind ik dat soort vragen
dus aan dit debat vandaag.
Voorzitter. Terwijl de Staatssecretaris ons vorige week woensdag nog in een brief
schreef dat ze – ik citeer – het tij wil keren en alles op alles gaat zetten zodat
niet meer een op de zeven jeugdigen gebruikmaakt van jeugdzorg, maar eind 2028 maximaal
een op de tien jeugdigen in de jeugdzorg zit, lees ik dus in het conceptregeerakkoord
allemaal maatregelen waarvan ik denk: die gaan er alleen maar voor zorgen dat er nog
meer gezinnen en jongeren hulp nodig hebben. Mensen die al in een kwetsbare positie
zitten, mensen met functiebeperkingen, mensen met licht verstandelijke beperkingen,
gezinnen in armoede: dat zijn de mensen die straks het hardst de klappen krijgen als
er weer verder bezuinigd wordt. We weten namelijk allemaal dat stress, psychische
problemen, armoede enzovoorts leiden tot gedoe in gezinnen en uiteindelijk ook tot
een groter beroep op jeugdhulp. Mijn eerste vraag aan de Staatssecretaris en aan de
coalitiepartijen is: hoe gaan ze, zoals in de brief staat, die doelstelling en de
ambitie nou voor elkaar krijgen om in 2028 het aantal van 500.000 jongeren en gezinnen
die jeugdhulp nodig hebben te verlagen naar 350.000? Dit vraag ik ook in de wetenschap
dat alles wat we hier horen, al die beloftes, eigenlijk de afgelopen jaren ook is
gedaan en dat het in de afgelopen jaren onvoldoende is gelukt. Ik lees in het conceptregeerakkoord
niets nieuws ten opzichte van die belofte. Wat betekent dat voor de eigen bijdrage?
We hoorden net al dat die blijft staan. Ik hoor het ook graag van de Staatssecretaris.
Waarom staat er ook niets over dakloosheid in het regeerakkoord en in de plannen?
Deze vraag stel ik in de wetenschap dat het aantal dakloze jongeren flink is gestegen
en veel dakloze jongeren en jongvolwassenen een verleden in de jeugdzorg hebben.
Voorzitter. Ik heb veel vragen. Ik begrijp ook dat de Staatssecretaris waarschijnlijk
niet ingaat op mijn vragen over het conceptregeerakkoord, maar ik wilde die toch benoemen.
Ook in de voortgangsbrief die we vorige week kregen en het interview dat de Staatssecretaris
in De Telegraaf gaf, werd namelijk gezegd dat er een plan zou komen om de instroom
te verlagen. Dat plan is ook niet nieuw. Ik hoor dit al jaren. Iedere bewindspersoon
op Jeugd die ik heb meegemaakt, zegt dit; geen van die bewindspersonen heeft dat plan
uiteindelijk ook geleverd. In 2018 – dat is al een hele tijd geleden – was daling
van de instroom hét stokpaardje van Minister Hugo de Jonge, die een grote beleidswijziging
aankondigde. Na hem wilde Paul Blokhuis precies hetzelfde. Na hem kwam Maarten van
Ooijen, die ons ook echt in ieder debat voorhield dat de instroom echt omlaag zou
moeten, dat er een grote maatschappelijke discussie zou moeten komen en dat er een
wet zou komen. Na hem kwam Vincent Karremans, die dit ook voortdurend verkondigde.
Voorzitter. Dit kan niet acht jaar lang telkens de meest genoemde oplossing zijn voor
alle problemen, terwijl er acht jaar lang geen concreet voorstel komt. Zo zie ik dat
de brief van de Staatssecretaris vol staat van dit soort zinnen die ook acht jaar
geleden in brieven hadden kunnen staan. Een voorbeeld is: de kern van het plan is
dat er een cultuuromslag moet komen, dat hulp dichterbij gezinnen moet komen en dat
specialistische jeugdzorg alleen moet worden ingezet als het echt nodig en effectief
is. Dat willen we al acht jaar allemaal, maar wat betekenen deze zinnen dan? Wat gaat
er dan precies gebeuren? Dit zijn namelijk echt zinnen die ik de afgelopen jaren letterlijk
in alle brieven heb gelezen. Sterker nog, toen ik in de gemeenteraad zat en in 2015
de jeugdzorg werd gedecentraliseerd, was dit ook al het adagium.
Dan vraag ik mij toch af: wat moet ons het vertrouwen geven dat er nu wel echt een
goed plan gaat komen, dat er een doorbraak gaat komen, dat er echt keuzes gemaakt
worden? Welke keuzes zijn dat dan? Kan de Staatssecretaris in haar antwoorden ook
ingaan op de verschillende groepen jongeren die nu onder de Jeugdwet vallen? Ik steun
die beweging natuurlijk in de zin dat de opvoedvragen, vooral de kleinere opvoedvragen,
helemaal niet thuishoren in de jeugdhulp, maar ik zie bijvoorbeeld wel dat de context
voor kinderen met een verstandelijke beperking en hun ouders anders is. Daarbij kan
lichte hulp wel helpen om zwaardere hulp te voorkomen. Dat geldt ook voor kinderen
waarbij een van de ouders psychische problemen heeft of verslaafd is. Bij RTL konden
we afgelopen weekend zien dat het gaat om naar schatting zo'n 900.000 kinderen die
opgroeien in een gezin waarbij een of beide ouders psychische problemen hebben of
verslaafd zijn. Daar kwam ook Jozef aan het woord, die opgroeide bij een moeder, die
er niet voor hem kon zijn. Hij vertelde dat er gewoon niemand was die naar hem omkeek.
Daarom vond ik het zo knap dat hij zijn verhaal deed. Zoals hij zijn er dus heel veel
meer kinderen, die er gewoon behoefte aan hebben dat er iemand naar hen omkijkt en
hun helpt. Dat zijn dus die kleinere opvoedvragen, zou je kunnen zeggen, die wel grotere
problemen voorkomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?
Voorzitter. Dan ga ik naar het blokje geld, want we praten vandaag over de begroting.
Daarna ga ik naar een aantal amendementen die we vandaag hebben ingediend en naar
andere inhoudelijke onderwerpen. Dan dus eerst geld. Het demissionaire kabinet heeft
de afgelopen Voorjaarsnota fors geïnvesteerd in jeugdzorg en heeft dit opnieuw gedaan
bij de begroting. Dat is mooi, maar ik plaats wel even de kanttekening dat het bedrag
er bij deze begroting bij kwam, 728 miljoen, om de korting uit 2023 en 2024 op de
jeugdzorg bij gemeenten te compenseren. Bij het extra geld uit de Voorjaarsnota kwamen
ook drie extra bezuinigingsposten, vanaf 2028. Deze extra bezuinigingsposten tellen
op tot een structurele besparingsopgave van ongeveer 1,8 miljard vanaf 2028.
Voorzitter. Je kan dus feitelijk zeggen dat het demissionaire kabinet het ravijnjaar
heeft opgeschoven van 2026 naar 2028, ook omdat jeugdzorg niet de enige post is waarop
vanaf dat jaar gemeentelijk wordt bezuinigd. Ik wil aan de Staatssecretaris van VWS
vragen of ze dit erkent en ook dat het ravijnjaar nu opnieuw in de boeken staat, maar
nu vanaf 2028. In hoeverre acht zij dit in lijn met het advies van de commissie-Van
Ark, vraag ik ook even teruggrijpend op het interruptiedebatje met mevrouw Wendel.
De commissie-Van Ark stelde namelijk heel duidelijk dat het niet wenselijk en haalbaar
is om de beoogde besparing vanaf 2028, zoals opgenomen in het financieel kader van
de hervormingsagenda, te handhaven. Zij adviseerde het Rijk de besparingen tot 2028
als pm-post in de rijksbegroting op te nemen. Kan de Staatssecretaris uitleggen waarom
dat advies niet is opgevolgd?
De commissie-Van Ark adviseerde ook om in de periode 2025–2028 te komen tot reële
en meetbare besprekingsdoelstellingen. Is dit gebeurd, is dan mijn vraag. En zo ja,
op welke manier acht de Staatssecretaris de drie extra besparingsopgaven, zoals bijvoorbeeld
de eigen bijdrage, een reële en meetbare besparingsdoelstelling? Het is namelijk nog
totaal onduidelijk hoe deze eigen bijdrage zal worden ingevuld en wat deze gaat opbrengen.
Toch staat er al vanaf 2028 260 miljoen euro in de boeken. Is dat niet de omgekeerde
wereld, vraag ik de Staatssecretaris. Waarom is ze nog steeds dit wetsvoorstel aan
het uitwerken, terwijl een Kamermeerderheid zich in een motie hiertegen heeft uitgesproken?
Voorzitter. Dan het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Hier geldt eigenlijk
hetzelfde verhaal als voor de wet over de reikwijdte. Ook dit wordt al jaren door
opvolgende bewindspersonen als dé oplossing gezien voor de grote problemen in de jeugdbescherming.
Ook in het debat over de afschuwelijke mishandeling van het pleegmeisje in Vlaardingen
noemde de toenmalige bewindspersoon dit eigenlijk voortdurend als oplossing, als iets
dat hij ging doen. Daarom was onze verbazing groot toen wij zagen dat er in de laatste
Voorjaarsnota geen geld was vrijgemaakt voor de incidentele transitiekosten. Nog opvallender
is dat dit demissionaire kabinet het budget hiervoor volledig laat vervallen vanaf
2027. We hebben hier al eerder in het plenaire debat een groot punt van gemaakt, want
ik vind dat je als kabinet moet nakomen wat je de Kamer belooft, ook financieel. Toen
wuifde Staatssecretaris Rutte te makkelijk onze zorgen weg, vond ik. Hij zei: we gaan
het binnen de huidige financiële kaders proberen. De inspectie zei dit najaar nog
dat de uitvoering van het toekomstscenario uiterst onzeker wordt door het wegvallen
van het geld. Zij riep op tot stevig leiderschap vanuit het Rijk. Ik wil graag een
reactie daarop van Staatssecretaris Rutte.
Voorzitter. Het gaat hier namelijk ook om jongeren die in een lastige thuissituatie
zitten, soms geen huis hebben, slachtoffer zijn van ernstige verwaarlozing of mishandeling,
of met soortgelijke problemen die groot genoeg zijn om door de Staat onder bescherming
te worden gebracht. Ik vind het ronduit kwalijk en schadelijk dat ze vervolgens een
hele lange tijd in die onzekere situatie blijven zitten. Dit is ook in strijd met
kinderrechten. Juist deze kinderen verdienen urgentie, duidelijkheid en middelen als
er een oplossing wordt aangekondigd. Dat kan niet anders. Is Staatssecretaris Rutte
het met ons eens dat deze kinderen meer verdienen dan een «we zien wel»? Misschien
druk ik het daarmee iets te makkelijk uit, maar dat hoor ik dan graag van hem in zijn
beantwoording. Kan hij uitleggen waarom dat geld in 2027 volledig afloopt?
Hoe worden de goede voorbeelden uit de proeftuinen voortgezet als het geld voor die
proeftuinen eind 2026 stopt? Wat zijn de alternatieven voor deze groep jongeren en
kinderen? Wat gaat er gedaan worden om alle problemen, die echt allang bekend zijn
... Verschillende collega's herhaalden dat al, dus ik ga om tijd te besparen niet
al die vragen herhalen; ik sluit me daar gewoon bij aan. Maar wat gaat er dan nu gebeuren
om echt knopen door te hakken en voor hen tot oplossingen te komen? Hoe zit het met
de beloofde verbetering om de rechtspositie van deze jongeren en ouders te versterken?
Hoe kan het dat het leerlingenvervoer niet altijd wordt geregeld voor jongeren die
uit huis zijn geplaatst en voor wie het van belang is dat ze naar hun eigen school
blijven gaan? Voelt deze Staatssecretaris ook daarvoor een verantwoordelijkheid? Kan
de Staatssecretaris ook ingaan op de eerdere toezeggingen om knelpunten in de bijzondere
kosten voor pleegouders weg te nemen? Dat was trouwens een toezegging van Staatssecretaris
Tielen, dus die vraag stel ik aan haar.
Dan heb ik een vraag over Jeugdbescherming Noord. Daar zijn veel verhalen over. Ik
las de voortgang ervan in de voortgangsbrief, maar die sluit niet helemaal aan bij
de signalen die ik krijg. Mijn vraag is daarom of er ook met de mensen van het meldpunt
is gesproken. Is er ook met ouders gesproken over hoe zij het ervaren?
Voorzitter. Ik heb nog een paar fundamentele punten. Hoe kan het dat er nog steeds
te veel kinderen uit huis worden geplaatst? Ik weet dat we niet te makkelijk over
dit onderwerp moeten denken en praten. Ik weet dat er soms complexe situaties zijn.
Ik ken ook de lastige situatie waar hulpverleners vaak voor staan. Maar als ik het
onderzoek Van inzicht naar uitvoering lees, dat het Verwey-Jonker Instituut in opdracht
van Het Vergeten Kind – ze stonden ook vanochtend hier met hun manifest – heeft gedaan,
dan vraag ik me wel af waarom zo veel dingen die we al weten, die er uitgebreid in
staan beschreven, gewoon niet worden uitgevoerd. Waarom komen ook al die dingen waarover
helemaal geen politieke discussie is, omdat we die we allemaal vinden, nog steeds
niet van de grond? Waarom komt gezinshulp vaak onvoldoende van de grond? Waarom heeft
nog niet iedere jongere iemand zoals een JIM of een informele steunfiguur die die
jongere bijstaat? Waarom lezen we dat scholing, het bijhouden van actuele kennis en
vaardigheden, niet overal goed gebeurt en dat het hoorrecht van kinderen niet overal
goed wordt geborgd, terwijl we inmiddels weten wat er wel en niet werkt en wat je
wel en niet van een kind kan en mag vragen? Waarom wordt er soms nog te weinig tijd
genomen voor een verklarende analyse? Zo kan ik nog wel een tijdje doorgaan. Vanwege
de tijd doe ik dat niet, maar kan de Staatssecretaris daar een eerste reactie op geven,
zodat we de volgende keer niet opnieuw dezelfde vragen moeten stellen?
Wat is de stand van zaken wat betreft de afbouw van de gesloten jeugdzorg? Ik sluit
me aan bij de vragen van mevrouw Synhaeve. Wij hebben er voortdurend op gehamerd dat
de bekostiging moet worden aangepast. We hebben meerdere keren moties daarover ingediend.
Waarom is hier zo weinig op gebeurd? Ik ben heel benieuwd naar de antwoorden van de
Staatssecretaris. Kan ze dan ook reageren op het recente onderzoek voor het Platform
Sociaal Domein? Dat onderzoek heeft als titel Bekostiging jeugdzorg werkt transformatie
tegen. Daarin staat een interessante analyse. Heeft de Staatssecretaris die gelezen
en kan ze daarop reageren?
Voorzitter. Dan ga ik verder met een onderwerp waarover we het hier al heel vaak hebben
gehad, namelijk gesloten jeugdzorg. We hebben hierover vorig jaar een debat gehad.
Dat ging onder meer over het rapport van Jason Bhugwandass over de ZIKOS-instellingen.
Jongeren die jarenlang niet zijn geloofd, kregen door zijn rapport en door zijn verhalen
eindelijk een stem. Daardoor werden zij hier in de Tweede Kamer eindelijk serieus
genomen. Ik maak me enorme zorgen over hoe het gaat met deze jongeren. Ik denk dat
de Staatssecretaris ook het recente interview heeft gelezen in de Volkskrant, waarin
Indra samen met Jason werd geïnterviewd voordat ze overleed. Zij is een van de vele
kinderen die aangeeft: door alles wat ik heb meegemaakt, vóór de jeugdzorg maar ook
in de gesloten jeugdzorg, heb ik zo veel schade opgelopen dat ik niet meer weet hoe
ik verder moet leven. Dat is niet alleen haar lot, dat is ook het lot van heel veel
andere jongeren die zo getraumatiseerd zijn.
Dit is een lastig onderwerp, maar juist daarom horen we het hier te bespreken. Ik
weet dat veel van deze jongeren teleurgesteld zijn. Er is wel een debat geweest in
de Tweede Kamer, maar zij wachten nu op erkenning, op excuses. Dan hoor ik mooie dingen
over het nazorgtraject waarvoor we vorig jaar bij de begroting een amendement aangenomen
hebben gekregen, maar dan kan het vervolgens niet stil blijven. Ik hoor heel graag
van de Staatssecretaris wat zij nu gaat doen en wat de invulling wordt van dat erkenningstraject
en van die excuses. Het rapport van Jason en het bijbehorende debat hadden we al in
maart 2024. Ik zei net «vorig jaar», maar het is dus al twee jaar geleden. In die
twee jaar is het grotendeels stil gebleven. Heeft het kabinet door dat het juist voor
deze groep jongeren, die al zo veel teleurstelling heeft meegemaakt en al zo lang
moest wachten, extra pijnlijk is dat zij nu weer het gevoel krijgen dat ze niet serieus
genomen worden?
Dan nog iets. Ik las in de brief uit december dat een aanbeveling uit het rapport
van Jason, namelijk een onafhankelijk onderzoek naar ZIKOS-afdelingen, ondanks een
toezegging niet uitgevoerd kon worden. Ik werd daar heel boos van. Niet op de Staatssecretaris,
want volgens mij is zij ook ontstemd hierover, maar wel op de instellingen die voorheen
ZIKOS-afdelingen hadden en niet wilden meewerken. Mijn vraag aan de Staatssecretaris
is hoe we kunnen regelen dat dit wel gaat gebeuren, want zij wil dit, de Kamer wil
dit en we zijn het ook aan de jongeren verplicht, vind ik. Instellingen werken niet
mee. Wat kunnen wij dan gezamenlijk doen om ervoor te zorgen dat de instellingen alsnog
gaan meewerken? Bij dezen wil ik ook een oproep doen. Ik hoop dat de instellingen
alsnog gaan meewerken, want ik vind dat zij het aan deze jongeren verplicht zijn.
Deze jongeren zaten namelijk bij voorgangers van deze instellingen, dus vandaar deze
oproep.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel kort. Instellingen werken dus niet mee. Mijn vraag is of dat wellicht ook zou
kunnen zijn omdat ze er financieel belang bij hebben. Moeten we dan niet gewoon de
financieringsstromen afknijpen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Instellingen verschuilen zich achter privacy, las ik in de brief van de Staatssecretaris.
Het zijn natuurlijk de voorlopers van deze instellingen geweest die niet meewerkten.
Dan kan je de vraag stellen of de huidige instellingsbestuurders verantwoordelijk
zijn voor deze groep. Ik zou vinden van wel, dus daarom doe ik mijn oproep. Ik vind
dat ze moeten meewerken. Ik denk niet dat het werkt om te zeggen dat we ze anders
een bestuurlijke boete opleggen, maar daar kan de Staatssecretaris wellicht op ingaan.
Ik ben er namelijk bang voor dat dat weer ten koste gaat van personeel en zorgt voor
dingen die we met elkaar juist niet willen. Ik ben benieuwd naar de reactie van de
Staatssecretaris hierop, maar ik denk dat wat ik vind, wel duidelijk is. Ik vind dat
de instellingen het deze jongeren verschuldigd zijn dat ze openheid krijgen en dat
het onderzoek dat we met elkaar willen, wordt uitgevoerd. Ik hoop dat echt alles op
alles wordt gezet om die gegevens boven water te krijgen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Als mevrouw Westerveld geen bestuurlijke boetes of wat dan ook wil, heb ik de volgende
vraag aan haar. U zult dadelijk ook in mijn tekst merken dat ik juist heel erg kijk
naar: op welke manier kunnen we de verantwoordelijkheid nou oppakken en neerleggen
waar die hoort? U zegt dat u geen boetes of wat dan ook wil, maar wat wilt u dan wel?
Wat vindt u dan billijk? Wat moeten we in uw optiek doen om bijvoorbeeld bepaalde
organisaties ertoe te dwingen om betere resultaten te halen en de veiligheid van kinderen
borgen?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij gaat het hier nu niet zozeer om veiligheid van kinderen, maar om bijvoorbeeld
het openstellen van archieven, zodat onderzoekers daarin kunnen en gegevens kunnen
achterhalen. Er was namelijk een onderzoek toegezegd. Daarom lijkt het mij ingewikkeld
– maar dat weet de Staatssecretaris waarschijnlijk beter – om nu boetes op te leggen
aan instellingsbestuurders. Dan ben ik namelijk bang dat er bijvoorbeeld extra mensen
worden ontslagen die we juist zo hard nodig hebben in de jeugdzorg. Dat lijkt mij
dan een nadeel. Maar ik ben aan het speculeren hier. Ik hoop eigenlijk dat er gewoon
juridische mogelijkheden zijn om deze instellingen alsnog te vragen mee te werken.
Misschien helpt het dat wij het er in de Tweede Kamer over hebben. Ik denk dat dat
een betere weg is.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld, u kunt doorgaan met uw betoog.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik ga verder met het blokje trauma's bij kinderen. Dit is een vrij zwaar onderwerp
in mijn hele betoog, maar dat moeten we hier juist ook bespreken. Ik wil het hebben
over trauma's bij Nederlandse kinderen die in het buitenland zijn geplaatst. In De
Telegraaf en Dagblad van het Noorden lazen we een paar artikelen over afschuwelijke
misstanden en uitbuiting van kinderen die zijn geplaatst bij gastgezinnen in Frankrijk.
Ik heb ook schriftelijke vragen gesteld met wat meer details. Wat we daarover lezen
is namelijk niet mals. Kinderen werden basale rechten ontnomen. Ze werden keihard
uitgebuit en het contact werd hun ontnomen. Ze kregen te maken met straf, dwang, opsluiting,
enzovoorts. Ik wil in dit debat een paar dingen alvast weten. De belangrijkste vraag
is volgens mij: zijn alle kinderen daar nu weggehaald? En zijn er geen andere kinderen
meer in het buitenland die onveilig zijn? Dat wil ik vandaag heel graag weten van
de Staatssecretaris. Zijn er ook eerder signalen binnengekomen bij bijvoorbeeld de
inspectie? Hoe kan het dat onze inspectie geen bevoegdheid heeft om in te grijpen
in het buitenland? Ik heb gelezen hoe dat zit, maar ik blijf het wonderbaarlijk vinden
dat daar zo lang zo weinig toezicht was. Ik vind dat daar ook een verantwoordelijkheid
in ligt voor de Nederlandse overheid. Is er ook nazorg voor deze kinderen en hun families?
Dat is ook een vraag die ik vandaag graag beantwoord wil krijgen. Wat is nu het vervolgtraject?
Hoe gaat de Minister voorkomen dat dit vaker gebeurt? Die laatste vraag is natuurlijk
lastig te beantwoorden. Maar ik ben benieuwd wat er in het vervolgtraject gaat gebeuren
en hoe de Staatssecretaris dit verder ziet.
Voorzitter. Dan kom ik nog een keer terug op het debat over het Vlaardingse pleegmeisje.
Dat hebben we namelijk een tijd geleden gevoerd. De hele Kamer, en ook bewindspersonen,
waren boos en ontstemd. Iedereen vond het ongelofelijk naar en die emotie is echt
oprecht. We vonden allemaal dat kinderen beter gehoord moesten worden. Onze motie
van destijds, waarin we vroegen om ervoor te zorgen dat externe vertrouwenspersonen
bekend zijn bij alle pleegkinderen, kreeg brede steun. Maar tot mijn verbazing hoorde
ik van Jeugdstem, de organisatie die die externe vertrouwenspersonen levert, dat twee
relatief kleine subsidieaanvragen die zij voor 2026 heeft gedaan, niet zijn toegekend
door het ministerie. Met het oog op het genoemde debat vond ik dat wonderlijk, want
het gaat hier om € 186.000 om het toegenomen aantal gezinshuizen te bezoeken. In 2025
kreeg Jeugdstem daarvoor extra geld, maar die subsidieaanvraag is voor 2026 afgewezen.
Ik begrijp dat totaal niet, zeker niet na alle beloftes die in dat debat over het
Vlaardingse pleegmeisje zijn gedaan, maar ook niet gelet op de schrijnende situaties
die de afgelopen weken nog in het nieuws waren. Ik heb alleen de afgelopen week al
drie keer afschuwelijke berichten gehoord over misstanden in een gezinshuis. Laat
mij ook helder zijn: verreweg de meeste pleegouders, gezinshuisouders, doen echt fantastisch
werk. Daar vinden kinderen die tijdelijk of langer niet thuis kunnen wonen, een hele
fijne plek. Maar als het misgaat, dan is er vaak een heel groot probleem, omdat deze
kinderen zich wel loyaal voelen tegenover hun gezinshuisouders of pleegouders. Dan
staat een kind er vaak alleen voor, zeker kinderen die al zo veel hebben meegemaakt.
Daarom hebben wij een amendement ingediend, dat afgelopen vrijdag aan de collega's
is gestuurd. Het gaat hierbij om € 186.000 op de hele VWS-begroting van 114 miljard.
Ik hoop dus dat we dat met elkaar voor deze jongeren over kunnen hebben, want dat
een kind dat uit huis is geplaatst zijn verhaal kan doen bij een externe vertrouwenspersoon,
vind ik ontzettend belangrijk. We hebben ook nog een tweede amendement rondom vertrouwenspersonen.
We begrijpen dat Jeugdstem ook een subsidieaanvraag heeft gedaan om de wachtlijsten
voor ouders en pleegouders terug te dringen. Daarbij gaat het ook om een bedrag dat
niet heel groot is in verhouding tot de hele VWS-begroting, namelijk tweeënhalve ton.
Ook dit is afgewezen door VWS, terwijl snellere hulp escalatie kan voorkomen. We horen
en weten dat ouders en pleegouders nu maanden op de wachtlijst staan, waardoor onveilige
situaties voor kinderen kunnen ontstaan. Daarnaast zorgt late hulp ook vaak voor complexere
en duurdere hulp. Ook hierover heb ik een amendement ingediend. Weer gaat het om een
relatief klein bedrag op die hele grote VWS-begroting van 114 miljard. Bij dezen kijk
ik de collega's ook indringend aan. Ik vraag hen om hier serieus naar te kijken.
Voorzitter. We hebben nog een derde amendement ingediend. Dat gaat over het geven
van meer inspraak aan jongeren. Jongeren hebben immers het recht om mee te praten
over beleid dat hen raakt. Heel veel ministeries hebben dat prima geregeld. Bij het
Ministerie van Onderwijs hebben we de studenten- en scholierenorganisaties die met
de bewindspersonen meepraten als er nieuwe wetgeving aankomt. Ze zijn goed georganiseerd,
hebben voelsprieten in het hele land. Dat gaat hartstikke goed. De meeste politieke
partijen hebben ook een politieke jongerenorganisatie. Die valt ook onder zo'n regeling
bij het Ministerie van OCW. Dat zijn degenen die onze partijen bij de les houden en
soms ook een eigenwijze eigen koers varen; daartoe hebben ze het volste recht. Maar
dat werkt dus. Jongeren laten meepraten werkt hartstikke goed. Daar wordt beleid beter
van, daar wordt inspraak beter van. Soms krijg je een kritische spiegel voorgehouden,
wat op dat moment ook ontzettend nodig is, al is dat niet altijd fijn. Daarom hebben
we jongerenorganisaties.
Maar wat schetst mijn verbazing? Bij VWS hebben we dat helemaal niet geregeld voor
jongeren in de jeugdhulp, voor jongeren die dakloos zijn of voor jongeren met een
beperking. Ik weet natuurlijk dat de jongerenclubs en de initiatieven die er zijn
en die goed werk doen, vaak incidentele subsidie krijgen. Hartstikke mooi dat VWS
dat doet, maar van incidentele subsidies kun je geen organisatie opbouwen. Je bent
immers steeds weer afhankelijk van het volgende jaar. Je kunt geen netwerk opbouwen,
je kunt geen kennis opbouwen om op langere termijn te kunnen meepraten over alle wetten
die er spelen. Je bent immers steeds onzeker: blijft dat bedrag dat we krijgen, volgend
jaar ook nog staan? Ik ben bang dat organisaties daardoor eerder geneigd zijn om dingen
te vertellen die het ministerie graag wil horen. Je subsidie hangt er immers vanaf.
Ik weet dat die voorwaarden niet worden gesteld, maar soms wordt het wel zo gevoeld.
Daarom hebben we hierover ook een amendement ingediend. Afgelopen maart hebben we
in de Jeugdwet een haakje opgenomen. Wat er in onderwijswetten staat, hebben we gekopieerd
naar de Jeugdwet. Gelukkig stemde de Kamer voor dat amendement. Jongeren moeten nu
inspraak leveren en mogen met de Staatssecretaris of de Minister om tafel. Laten we
dan ook met elkaar fiksen dat ze dit kunnen gaan doen. Daar gaat ons derde amendement
over.
Voorzitter. Ik ben bijna klaar. Ik sluit af met een hartenkreet over kinderen die
hiernaartoe zijn gevlucht. Sinds de verkiezingen ben ik woordvoerder Asiel en Migratie.
Ik me al eerder verbaasd over hoe we in Nederland omgaan met kinderen die in de asielopvang
zitten. Vaak volgt verhuizing op verhuizing. Ze lopen vaak weer nieuwe trauma's op,
bijvoorbeeld als ze worden opgevangen op een boot terwijl ze als vluchteling via een
bootreis hiernaartoe zijn gekomen. Dat doet ontzettend veel met deze kinderen. Ik
weet dat het formeel niet de portefeuille van deze Staatssecretaris is, maar ik vind
dat deze portefeuille niet in goede handen is bij haar collega's, dus wil ik de Staatssecretaris
vragen om gedurende de tijd dat ze nog in het kabinet zit, mee te kijken en te staan
voor deze kinderen. Alle kinderen die in Nederland zijn, hebben immers recht op de
allerbeste hulp. Daar ontbreekt het veel te vaak aan, zeker voor deze groep kinderen.
De voorzitter:
Ik begin even bij het begin. Eerst mevrouw Synhaeve en dan loop ik het rijtje af.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Mevrouw Westerveld heeft gelijk: we horen al acht jaar dezelfde teksten. Het zijn
mooie woorden, het zijn weinig daden en het gaat inderdaad ten koste van onze meest
kwetsbare kinderen. Waar dat anderen misschien moedeloos maakt, geeft het mij juist
de energie om te laten zien dat we het wel degelijk anders kunnen doen. Dat gaan we
ook aantonen de komende jaren. Ik geloof dat het ’m niet zit in allerlei grootste
nieuwe plannen maken, maar in doen wat we beloven. Dan heb ik de volgende vraag aan
mevrouw Westerveld: vinden we GroenLinks-PvdA aan onze zijde op het moment dat we
moeilijke keuzes gaan maken, bijvoorbeeld door te zeggen wat wel jeugdzorg is en wat
niet?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Absoluut. Sterker, al sinds Hugo de Jonge Minister was – dat is inmiddels acht jaar
geleden – zeggen we: kom alsjeblieft met betere wetgeving, laten we het beter afbakenen
en laten we ervoor zorgen dat juist de jongeren die hulp nodig hebben van de aller-,
allerbeste professionals omdat ze helemaal klem zitten, die ook krijgen. Niet alles
moet zomaar jeugdhulp worden. Dat zit ’m niet alleen in jeugdzorg. Dat zit deels in
onderwijs. Dat zit ook deels in hoe we met elkaar omgaan. Ik vind dat we met elkaar
kinderen ook kansen moeten geven om af en toe eens domme dingen te doen: te struikelen,
te blijven zitten op school, enzovoort. Het zit in heel veel dingen. Onze steun daarvoor.
Sterker nog, ik zei het net: we dringen er al heel lang op aan.
De voorzitter:
Mevrouw Synhaeve? Nee, zie ik. Dan ga ik naar de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Ik sluit een beetje aan bij wat collega Westerveld zei over dat we hier al zo lang
over praten en dat er eigenlijk te weinig lijkt te veranderen. Dat zie je aan de instroom
en aan de financiën, die alleen maar toenemen. Dat inzicht delen we hier volgens mij
allemaal. Ik zou u graag dezelfde vraag willen stellen die ik u heb horen stellen
aan een aantal collega's, mevrouw Westerveld. Wat zijn vanuit uw visie de concrete
veranderingen die nu wel bij gaan dragen aan het feit dat we het tij gaan keren? Welke
concrete keuzes zou u dan maken?
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij begint dat bij het eindelijk naar ons toesturen van verschillende wetten
en van toezeggingen die ons eerder zijn gedaan. We hadden het net al even over de
Wet reikwijdte, maar er zijn veel meer wetten aangekondigd. Daar vragen we al heel
lang om als Kamer. Die zijn nog niet naar ons toegestuurd. Daarnaast zou ik ook willen
dat er veel grotere stappen worden gezet om de marktwerking uit het stelsel te halen
en om ervoor te zorgen dat de echt specialistische hulp beter wordt bekostigd dan
alle, zeg ik tussen aanhalingstekens, laagdrempelige hulp. Daar zit namelijk een groot
verdienmodel achter. Ik zou willen dat we hulpverleners veel meer mogelijkheden geven
om hun werk te doen zoals zij dat zouden willen. Ik zou ook heel graag willen dat
we – dat voorstel hebben we een aantal jaar geleden al gedaan – in het land bijvoorbeeld
een aantal specialistische centra neerzetten met echt de aller-, allerbeste specialisten,
zoals we dat ook in de medische zorg hebben. Als je kind kanker heeft, dan kan je
echt naar de aller-, allerbeste specialist in Utrecht. Dat is een fijne plek voor
jongeren, waarbij ook onderwijs zit en waar ouders kunnen blijven slapen. Er wordt
daar ook heel erg nagedacht over de ontwikkeling van een kind en over hoe we omgaan
met een kind als het er weer uitkomt. Als ik dat vergelijk met bijvoorbeeld de gesloten
jeugdzorg, dan zie ik daar een wereld van verschil. Dat zijn soms letterlijk oude
gevangenissen. Ik zou willen dat de big five voor jongeren op orde zijn. Dat zijn
belangrijke dingen zoals een woning, een opleiding, werk en een sociaal netwerk. Ook
zit er nog steeds een harde knip van 18 jaar in de jeugdzorg, al wordt die door sommige
gemeenten wat minder hard ingevuld. Dat zijn een paar voorstellen die we de afgelopen
tijd hebben gedaan. Ik wil nog wel even doorgaan, maar ik zie dat de voorzitter wil
dat ik afrond. Maar ik hoop dat daar de komende jaren ook ruimte voor is. Dat vraagt
wel om iets meer dan wat we nu in het coalitieakkoord zien.
De voorzitter:
De heer Hamstra in tweede instantie.
De heer Hamstra (CDA):
Een korte vervolgvraag. Mooi. Ik denk dat dit heel veel punten zijn waarin we elkaar
kunnen vinden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Mooi.
De heer Hamstra (CDA):
Dat is dus heel goed, denk ik. Heeft u vanuit uw visie en ook wel ervaring het idee
dat dit voldoende is om terug te gaan naar een op de tien en misschien wel te komen
tot een hoger aantal, dus dat er minder instroom is?
De voorzitter:
Het antwoord moet specifiek op deze vraag. Het gaat echt om de vraag over «terug naar
een op de tien». Dat is eigenlijk de vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja. Ik heb daar gewoon een hard hoofd in. Het ligt niet aan de wil, want iedereen
wil het. We willen het al jarenlang met elkaar. Maar vanochtend werd bijvoorbeeld
de petitie van Het Vergeten Kind aangeboden. Toen vroeg ik aan de jongere die daar
stond, wat hij zou willen. Toen zei hij: dat niet alleen maar wordt gekeken naar een
kind en psychische problemen, maar ook veel meer naar het gezin. Stress, armoede enzovoort
leiden gewoon tot veel meer jeugdhulp. Ik vond dat een hele goeie opmerking van hem.
Ik denk dus dat een heel aantal plannen die nu worden aangekondigd, alleen maar voor
meer stress en gedoe in gezinnen zorgen.
De voorzitter:
Ik ga even door. Ik kom bij mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Ik heb één korte vraag aan mevrouw Westerveld. Ik heb de amendementen niet ontvangen,
dus ik zou ze als nieuwe woordvoerder Jeugdzorg graag alsnog van u ontvangen.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Die staan in Parlis, als het goed is. Tenminste, ik heb daarvoor een aparte map op
mijn... Voor de mensen die kijken: we krijgen echt megaveel mails. Heel vaak als je
Kamerstukken krijgt, dan verzuipt dat dus een beetje in de hoeveelheid mails die je
krijgt. Maar we krijgen ook mails van Parlis. Daar staan ze, als het goed is, gewoon
tussen.
De voorzitter:
Ik weet dat er ook onmisbare ondersteuning is bij onze griffie. Echt alle vragen die
u als commissie heeft met betrekking tot stukken en dergelijke, kunnen gesteld worden.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Ik denk ook dat we een aantal van de amendementen die mevrouw Westerveld
aankondigde, kunnen steunen. Mevrouw Westerveld trekt zich, net zoals wij, het lot
van de kinderen in pleeggezinnen erg aan. We hebben natuurlijk het debat over het
Vlaardingse pleegmeisje gehad. Ik heb toch even een vraag. Er bleek daaruit namelijk
dat er onvoldoende betekenisvol contact is vanuit de gecertificeerde instellingen.
Vervolgens vindt het toezicht door de inspectie alleen op de gecertificeerde instellingen
plaats. U weet waarschijnlijk al welke vraag ik wil gaan stellen. Zou het niet heel
logisch en een goed idee zijn als de inspectie rechtstreeks toezicht gaat houden op
de pleeggezinnen en gezinshuizen? Dat is mijn vraag.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hebben die discussie al weleens eerder gevoerd. Wat ik hier best wel ingewikkeld
aan vind, is de volgende afweging. Hoe zorg je er nou voor dat het kind zo thuis mogelijk
woont, dus dat ook een gezinshuis of een pleeggezin een thuis is voor zo'n kind, zonder
dat er elke maand of elke twee weken iemand op de stoep staat die je niet kent en
die komt vragen hoe het met je gaat? Aan de andere kant: als het misgaat, kan het
ook goed misgaan. Daar moeten we volgens mij de balans in zoeken. Ook voor gezinshuizen
en pleegouders lijkt het me heel onwenselijk. In een gewoon gezin staat ook niet elke
week iemand op de stoep die vraagt en komt kijken of een kind wordt mishandeld. Er
is ook een reden waarom we dat volgens mij niet willen met elkaar. Dat is de reden
waarom we heel erg hebben ingezet op vertrouwenspersonen. Dat kunnen vaste gezichten
worden voor kinderen. Als ze oud genoeg zijn, kunnen kinderen zelf die stap zetten.
Dan word je niet per se elke keer aan je mouw getrokken met de vraag «gaat het wel
goed thuis?», maar dan weet je wel waar je naartoe kan gaan op het moment dat er iets
aan de hand is. Dat is waarom we daar flink op hebben ingezet. Andere vormen van toezicht
zijn er al, maar misschien niet zo veel als de heer Van Houwelingen zou willen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Ik begrijp ook wat mevrouw Westerveld zegt. Niemand zal er natuurlijk voor pleiten
dat dat elke week of elke maand plaatsvindt. Dat kan niet eens. Maar toch gaat er
heel veel mis. Dat zal mevrouw Westerveld met me eens zijn. We kennen de incidenten.
Ik vraag me trouwens af of het incidenten zijn. Het zou toch georganiseerd moeten
kunnen worden dat je het losweekt van de gecertificeerde instellingen en dat iemand
van buiten – dat is dan de inspectie, lijkt me – gewoon even aanklopt, aangekondigd
of onaangekondigd, om zelf polshoogte te nemen, al is het maar één keer per jaar?
We weten allemaal wat er gebeurd is, bijvoorbeeld bij de zorgboerderij. We kennen
de incidenten. Is dat niet het minste wat we kunnen doen? Als de Staat een kind uit
huis plaatst, dan moet de Staat er toch ook alles aan doen om dat kind vervolgens
te beschermen? Is dat niet het minste wat we zouden kunnen doen?
De voorzitter:
Volgens mij is uw vraag helder.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hier hebben we het vorig jaar ook over gehad. Ik heb dus liever dat zo'n taak bij
een vertrouwenspersoon komt te liggen, om redenen die ik destijds in dat debat heb
genoemd en die ik nu opnieuw noem.
De voorzitter:
Helder. We gaan naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Van Meetelen namens de PVV-fractie.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u, voorzitter. Na het enorm lange en vlammende betoog van mevrouw Westerveld,
zal dat van mij een andere insteek hebben. Ik zit ook wat korter op dit dossier dan
mevrouw Westerveld. Desalniettemin denk ik dat iedereen zich dit eigen wil maken,
want dit voel je allemaal.
Voorzitter. Dit is een wetgevingsoverleg over de VWS-begroting, maar voor duizenden
kinderen in Nederland is deze begroting geen beleidsstuk, geen tabel en geen abstracte
verdeling van middelen. Voor hen gaat het over veiligheid of, beter gezegd, over het
structurele gebrek daaraan. Zij groeien op in onveilige situaties, die vaak allang
bekend zijn bij hulpverleners, instanties, jeugdzorgorganisaties en soms zelfs bij
meerdere partijen tegelijk. Toch wordt er te weinig effectief ingegrepen.
Voorzitter. Huiselijk geweld en kindermishandeling zijn geen incidenten die ons verrassen.
Het zijn processen die zich over maanden en jaren uitstrekken, met signalen, meldingen,
dossiers en betrokken professionals. Juist daarom is het zo ernstig als het faalt,
want als signalen bekend zijn en kinderen toch onveilig blijven, dan hebben we niet
te maken met domme pech, maar met nalatigheid.
Voorzitter. De afgelopen jaren hebben we eindeloos onderzoek gedaan. Er liggen rapporten,
evaluaties, voortgangsbrieven, analyses. Het blijft maar doorgaan. Uiteindelijk is
de analyse glashelder: we weten dat geweld vaak langdurig is, dat signalen zelden
ontbreken, dat vaak – niet altijd, maar toch – meerdere instanties betrokken zijn
en dat het toch misgaat. De vraag is dus niet wat we nog meer moeten weten, maar wie
er eindverantwoordelijk is als het misgaat. Die vraag blijft telkens onbeantwoord.
Voorzitter. Het NSOB-rapport legt dit toch wel pijnlijk bloot, niet omdat professionals
hun werk niet doen – laat ik duidelijk zijn: er werken echt heel goede, hardwerkende
mensen hierin – maar omdat het stelsel gewoon geen heldere verantwoordelijkheidslijn
kent. Verantwoordelijkheden zijn te veel verspreid, taken zijn gedeeld en aansprakelijkheid
is verdund. Het gevolg is dan voorspelbaar. Als iedereen een beetje verantwoordelijk
is, is uiteindelijk niemand verantwoordelijk. Dat is geen detail; dat is gewoon de
kern van het probleem.
Voorzitter. Dit zien we ook terug in de praktijk, in recente zaken van ernstige kindermishandeling,
onder meer binnen de pleegzorg. Kinderen zijn langdurig mishandeld terwijl ze onder
toezicht stonden, terwijl instellingen betrokken waren, terwijl signalen bekend waren.
En wat gebeurt er daarna? Er volgen onderzoeken, er volgen rapporten en er volgen
verbeterplannen, maar wat niet volgt zijn echte consequenties. De instellingen blijven
bestaan, de bestuurders blijven zitten en het systeem draait door alsof het falen
een natuurverschijnsel was. Dat kunnen we gewoon niet meer accepteren.
Voorzitter. In andere sectoren accepteren we dit niet. Als een zorginstelling structureel
faalt, volgen sancties. Als bestuurders ernstig nalatig zijn, worden ze daarop aangesproken
of weggestuurd en als de veiligheid in het geding is, grijpt de overheid in. Maar
in de jeugdzorg, waar het gaat om de bescherming van kinderen – kinderen: echt het
allerbelangrijkste – lijkt falen zelden tot echte gevolgen te leiden. Dat ondermijnt
niet alleen het vertrouwen van ouders en kinderen, maar ook de norm dat kinderbescherming
geen vrijblijvende taak is.
Voorzitter. Ik kijk naar artikel 5, over jeugd, van de VWS-begroting. We zien ambities,
we zien programma's en we zien middelen die via gemeenten lopen. Wat we echter niet
zien, is precies wat essentieel is, namelijk wie eindverantwoordelijk is als een kind
onveilig blijft ondanks dat de signalen bekend zijn, hoe die verantwoordelijkheid
afdwingbaar is en welke gevolgen falen heeft voor instellingen en bestuurders. Zo
blijft deze begroting bestuurlijk leeg op het punt waar het om draait. Kan de Staatssecretaris
van VWS vandaag expliciet aangeven wie zij politiek en bestuurlijk verantwoordelijk
acht als een kind ondanks bekende signalen van onveiligheid niet wordt beschermd?
Waarom is die verantwoordelijk nu niet zichtbaar en toetsbaar vastgelegd in beleid
en begroting?
Voorzitter. Kinderbescherming raakt onlosmakelijk aan Justitie en Veiligheid. Dat
is niet omdat alles strafrecht moet worden, maar omdat bescherming zonder consequenties
hol is. Als instellingen weten dat falen zelden gevolgen heeft en als bestuurders
weten dat ze nooit persoonlijk worden aangesproken, dan verdwijnt de prikkel om structureel
beter te handelen. Dat is wat we nu zien gebeuren. Deelt de Staatssecretaris van Justitie
en Veiligheid onze analyse dat het huidige juridische kader onvoldoende mogelijkheden
biedt om ernstig nalaten door jeugdzorginstellingen en hun bestuurders effectief te
sanctioneren? En zo ja, waarom is dat tot op heden niet hersteld?
Voorzitter. De PVV stelt vandaag twee fundamentele vragen. Ten eerste. Wie is eindverantwoordelijk
als een kind ondanks bekende signalen onveilig blijft, en dan niet procedureel of
in algemene termen, maar concreet toetsbaar en zichtbaar in beleid en in begroting
en, waar nodig, in wetgeving? Ten tweede. Welke mogelijkheden zijn er om falende jeugdzorginstellingen
en hun bestuurders daadwerkelijk aan te pakken? Als die mogelijkheden er onvoldoende
zijn, wanneer worden die dan serieus ontwikkeld?
Zolang falen geen gevolgen heeft, zolang verantwoordelijkheid verdampt in overlegstructuren
en zolang bestuurders buiten schot blijven, blijft elk verbeterplan een herhaling
van zetten. De kinderen betalen daar de prijs voor. De PVV vraagt aan beide staatssecretarissen
hoe zij rechtvaardigen dat jeugdzorginstellingen en hun bestuurders na ernstige en
aantoonbare tekortkomingen in de bescherming van kinderen in de praktijk zelden bestuurlijk,
juridisch of financieel worden aangesproken.
Voorzitter. De Kamer heeft het budgetrecht niet om goede bedoelingen te belonen, maar
om duidelijke keuzes af te dwingen. De keuze die vandaag voorligt, is deze: blijven
we accepteren dat ernstige nalatigheid zonder consequenties blijft, of durven we eindelijk
vast te leggen wie verantwoordelijk is en wie aangesproken wordt als het systeem faalt?
De PVV kiest voor het laatste.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Wendel en dan de heer Van Houwelingen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank aan mevrouw Van Meetelen voor haar verhaal. Het is mij helder geworden dat de
PVV bestuurders wil aanpakken na incidenten. Maar wat ik via de voorzitter aan mevrouw
Van Meetelen wil vragen, is: wat wil de PVV op korte en op lange termijn doen om de
problemen in de jeugdzorg op te lossen? Kan ik mevrouw Van Meetelen aan mijn zijde
vinden als wij, hopelijk zo snel mogelijk, de reikwijdtewet willen invoeren, om ervoor
te zorgen dat jeugdzorg beschikbaar is juist voor de kinderen die deze het allerhardst
nodig hebben?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u voor de vraag. Je hoort constant over ambities en instrumenten, over van alles
en nog wat, maar er zijn gewoon geen expliciete uitkomstdoelen gesteld voor de veiligheid
van het kind. De middelen zijn onvoldoende gekoppeld aan afdwingbare verantwoordelijkheden.
Dat is wat we willen. Dat is waar we naartoe willen. Wat die Wet reikwijdte betreft:
daar moet ik gewoon nog beter naar kijken. Daar ben ik heel eerlijk in. Ik durf nu
geen ja of nee te zeggen. Maar de PVV is in ieder geval wel van zins om het zo goed
mogelijk te verbeteren, vooral voor de veiligheid van de kinderen, want ik denk dat
dat voorop moet staan in deze hele discussie.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil mevrouw Van Meetelen vragen om zich dan zo snel mogelijk goed in te lezen over
die reikwijdtewet, want volgens mij is dit een heel belangrijk onderdeel om de problemen
in de jeugdzorg aan te pakken. Ik heb het idee dat de Staatssecretaris die er nu zit
de afgelopen tijd wel degelijk stappen heeft gezet en ook met een concreet tijdpad
is gekomen voor de invoering van een aantal maatregelen. Dus ik wil mevrouw Van Meetelen
vragen hoe zij daarnaar kijkt. Zal zij dit steunen?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Zoals zojuist gezegd: over die reikwijdtewet zeg ik nog niets. Ik zie ook dat de Staatssecretaris
stappen heeft ondernomen, ook goede, denk ik. Desalniettemin willen wij gewoon dat
er consequenties aan worden verbonden als het systeem faalt, vooral ten aanzien van
de bestuurders. Hoe kan het dat er zulke ernstige misstanden zijn en dat daar niemand
verantwoordelijk voor is? In ieder geval is het niet duidelijk. Die verantwoordelijkheid
willen wij echt verankeren, zodat je erop kunt toetsen en erop terug kunt komen. Dat
is wat wij willen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Tot slot. Het is helder dat de PVV wil kijken naar wie verantwoordelijk is voor misstanden.
Wie is er verantwoordelijk als het fout gaat? Ik begrijp die zoektocht ook heel erg,
maar ik zou de PVV toch echt op het hart willen drukken om samen met ons en andere
partijen hier in de Kamer de komende tijd op te trekken en vooruit te kijken: hoe
zorgen we ervoor dat zaken niet meer gebeuren? Laten we dus niet alleen terugkijken,
veroordelen en kijken waar de schuld ligt, maar laten we echt vooruitkijken: welke
stappen kunnen we zetten om ervoor te zorgen dat de jeugdzorgketen in zijn geheel
wordt verbeterd? De vraag aan de PVV is dus: gaan we dat samen doen de komende tijd?
De voorzitter:
Eigenlijk een herhaling van uw vorige vraag: kan de PVV deze richting steunen? Dat
is de vraag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dan herhaal ik het antwoord, namelijk dat ik daar geen antwoord op geef. Daarbij kan
ik het volgende zeggen. Ik wilde ervan wegblijven, maar we gaan er dan toch naartoe:
gezien het regeerakkoord dat er nu ligt, denk ik niet dat we elkaar heel snel gaan
vinden.
De voorzitter:
Duidelijk. Meneer Van Houwelingen, uw laatste interruptie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Mooi betoog. Ik ben het helemaal eens met mevrouw Van Meetelen. Hoe kan het toch dat
iedereen na al die gruwelijke incidenten op zijn post blijft zitten? Het is echt ongelofelijk.
Ik denk zelf – maar dat horen we straks van de Staatssecretaris – dat de eindverantwoordelijkheid
ligt bij de inspectie, want die moet toezicht houden. Dit is eigenlijk mijn vraag
aan mevrouw Van Meetelen. Ik denk bijvoorbeeld aan het geval van het Vlaardingse meisje,
een gruwelijk incident. Als zoiets plaatsvindt, zou het dan niet zo moeten zijn dat
de directeur van de inspectie standaard ontslagen wordt? Misschien kunnen we dat regelen.
Dat zal ze misschien motiveren om uit zichzelf ... De Staatssecretaris zal straks
wel zeggen dat ze zich niet met de inspectie wil bemoeien, maar dan gaan ze misschien
uit zichzelf zeggen dat ze wat meer toezicht moeten gaan houden. Is dat een idee?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is zeker een idee. De PVV is er sterk voor dat je, als je aantoonbaar fouten maakt
en er verantwoordelijk voor bent, die verantwoordelijkheid moet nemen. Als je die
niet neemt, moet het opgelegd worden. Zo simpel is het.
De voorzitter:
Duidelijk. Dan eerst de heer Hamstra. Nee? Ik dacht dat ik uw hand had gezien. Dan
mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Volgens mij zijn we het er allemaal over eens dat als er misstanden zijn, je die moet
aanpakken en dat daar consequenties aan verbonden moeten worden. Eén hele concrete
vraag: vind ik de PVV ook aan onze zijde als wij het amendement indienen om te achterhalen
welke mensen met nepdiploma's op dit moment in de jeugdzorg aan de slag zijn?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
In principe geef ik eigenlijk nooit aan of wij een amendement wel of niet steunen.
U heeft mijn schriftelijke vragen hierover misschien ook gezien. Laat ik het zo zeggen:
ik heb in ieder geval een hele positieve grondhouding ten opzichte van dit amendement.
De voorzitter:
Anderen nog? Nee? Dan dank ik mevrouw Van Meetelen voor haar inbreng en dan gaan we
naar de volgende spreker. Dat is de heer Hamstra namens het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter. Sinds anderhalf jaar ben ik vader. Geen rol in het leven maakt mij trotser
dan die. Het Kamerlidmaatschap is mooi, maar aan het vaderschap kan echt niets tippen.
Ik weet het nog goed: de blijdschap toen mijn vrouw zwanger bleek te zijn, de eerste
echo met het hartje dat klopt en de twintigwekenecho die liet zien dat gelukkig alles
goed was. En, toen hij er eenmaal was: het eerste lachje, de eerste woordjes en de
eerste stapjes.
Maar om eerlijk te zijn, was het niet alleen maar mooi. Het is niet alleen maar een
roze wolk geweest. Er waren ook zorgen, zeker als je voor de eerste keer ouder wordt.
Die nieuwe rol is wennen, en misschien went het wel nooit. Opvoeden en opgroeien brengt
uitdagingen met zich mee. Niet alleen voor het kind zelf, maar ook voor de opvoeders
en eigenlijk voor de hele omgeving daaromheen. Ik denk dat iedereen hier aan tafel
het inmiddels kan dromen: «It takes a village to raise a child». Hoe fijn is het als
je in je omgeving liefdevolle opa's en oma's, ooms en tantes, andere familieleden,
vrienden en buren hebt die kunnen helpen, bijvoorbeeld met advies of met oppassen?
Alleen al het idee dat je er niet alleen voor staat, kan al helpen. En dát is nou
juist de kracht van de samenleving waar het CDA zo in gelooft, of in dit geval: de
pedagogische civil society.
Voorzitter. Die pedagogische civil society gaat feitelijk over iedereen die betrokken
is bij het opvoeden en opgroeien van onze kinderen. Natuurlijk zijn ouders of opvoeders
primair verantwoordelijk; ik kan het niet vaak genoeg zeggen. Zij zijn verantwoordelijk
voor het opvoeden in een veilige omgeving, voor het bijbrengen van waarden en normen
en voor het overdragen van vaardigheden. Hierin zijn liefde, veiligheid, grenzen stellen
en het stimuleren van emotionele, sociale en persoonlijke groei van belang. Naaste
familie kan een belangrijke rol spelen, net als de buurt waarin het kind opgroeit.
Verder hebben we het over scholen, kinderopvangorganisaties, sportverenigingen, culturele
organisaties en kerken. Het CDA vindt het belangrijk dat deze pedagogische civil society,
dus eigenlijk het gewone leven, wordt versterkt. Daar begint het. Dat is de basis.
In hoe deze omgeving van het kind eruitziet, spelen gemeenten een belangrijke rol.
Ik begrijp dat niet iedereen een netwerk heeft waarop hij of zij kan terugvallen.
Daarbij kunnen gemeenten helpen en ondersteunen. Zij kunnen netwerken bouwen met en
voor ouders. Leer elkaar kennen via sport, in de wijk of help in de schooltuin. Onze
partij vindt dat gemeenten de vrijheid moeten hebben om deze pedagogische civil society
mede vorm te geven. Deelt de Staatssecretaris dit? Kan zij dit proces ondersteunen?
Wij lezen bijvoorbeeld in de voortgangsbrief dat er een vastgesteld minimumniveau
van pedagogische basisvoorzieningen nodig is. Kan de Staatssecretaris vertellen wat
zij hiermee bedoelt? Hoe ziet zo'n minimumniveau er dan precies uit?
Voorzitter. Teleurstellingen horen bij het leven, en dus ook bij opvoeden en opgroeien.
Natuurlijk is dat niet leuk, maar dat betekent niet meteen dat er jeugdhulp, laat
staan jeugdzorg, aan te pas hoeft te komen. Dat brengt mij op de visie van het CDA
dat jeugdzorg niet het eerste maar het laatste redmiddel is. Althans, dat zou zo moeten
zijn. Dat is helaas nog niet zo. De jeugdzorg kent een openeinderegeling. Waar het
begin van deze eeuw nog 1 op de 27 kinderen gebruikmaakte van jeugdzorg, is dat nu
1 op de 7 kinderen, in elke klas 4 kinderen.
Voorzitter. Het CDA is van mening dat niet een op de zeven kinderen in Nederland een
probleem heeft. De bandbreedte van wat wij problematisch vinden, is breder dan de
op dit moment gehanteerde normen. De samenleving is pluriform, veelzijdig en veelkleurig.
Als we dat omarmen, komen we tot het besef dat niet ieder kind dat afwijkt van de
te smal gehanteerde norm een probleem heeft. Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen
het aantal van een op de zeven en het realisme van een op de tien, waar ze eind 2028
naartoe wil? Op dit moment is het nog zo dat kinderen met een lichte zorgvraag kunnen
aankloppen bij de gemeente, bijvoorbeeld bij eenzaamheidsklachten of faalangst; kinderen
die beweeglijk zijn, krijgen al snel de stempel van ADHD. Ik vraag aan de Staatssecretaris
of zij vindt dat dit de bedoeling was van de Jeugdwet die in 2015 van kracht is geworden.
Naast het feit dat gemeenschappen veel zelf kunnen, is ondersteuning veel, of eigenlijk
vooral, gericht op de kinderen of de jongeren zelf. Maar in veel gevallen wordt het
kind geconfronteerd met de gevolgen van problemen van volwassenen en/of problemen
elders, zoals vechtscheidingen, langdurige armoede of schulden. Zoals ik eerder aangaf,
groeit het kind op in zijn omgeving en is het dus belangrijk om het gezin, de ouders
of opvoeders, te ondersteunen of hulp te bieden en niet alleen het kind. Daar is ruimte
en lef voor nodig. Dat brengt mij bij de reikwijdte van de jeugdzorg.
Voorzitter. De reikwijdte is misschien wel het belangrijkste punt van mijn betoog.
Op dit moment heeft de gemeente die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de
Jeugdwet de zorgplicht. We weten dat de Staatssecretaris eind van dit jaar komt met
een nieuwe wet voor de reikwijdte. We lezen in de voortgangsbrief, waarvoor dank,
over de contouren van de nieuwe wet. Het gaat bijvoorbeeld over het versterken en
het verankeren van de lokale teams en over de samenwerking tussen onderwijs, jeugdhulp
en zorg. Onze vragen aan de Staatssecretaris luiden als volgt. Vindt u het voldoende
om eind 2028 naar een op de tien te gaan? Hoe monitoren we dit? Welke scenario's heeft
de Staatssecretaris klaarliggen voor wanneer we achterlopen op schema? Daarnaast is
onze fractie benieuwd of er daadwerkelijk iets gedaan gaat worden aan de reikwijdte
zelf. Kan de Staatssecretaris aangeven of er straks bijvoorbeeld groepen zijn die
niet meer onder de Jeugdwet vallen? We zijn benieuwd naar het inzicht van de Staatssecretaris.
Voorzitter. Een van de conclusies in het rapport van de commissie-Van Ark is dat geld
nu nog als het grootste probleem en het sturend mechanisme wordt gezien, maar dat
de beschikbaarheid aan gekwalificeerde jeugdprofessionals een veel groter vraagstuk
zal zijn. De commissie stelde dat de consequenties van de toenemende krapte op de
arbeidsmarkt nadrukkelijker meegewogen moeten worden in de keuzes die voor een solide
toekomst van de jeugdzorg worden gemaakt. Deelt de Staatssecretaris dit punt? Wordt
de beschikbaarheid van personeel meegenomen bij de verdere uitwerking van de Wet reikwijdte?
Het CDA wil dat juist de kinderen die de jeugdzorg het hardste nodig hebben, de jeugdhulp
krijgen. Daar heb ik meerdere collega's over gehoord. We moeten keuzes durven maken,
juist omdat we meer samenredzaam moeten zijn en omdat problemen die kinderen en jongeren
raken niet altijd binnen de jeugdzorg hoeven of kunnen worden opgelost.
Voorzitter. Ik had het al over de kracht van de samenleving. Een mooi voorbeeld hiervan
is de pleegzorg. Pleegouders stellen hun huis en hart open voor een kind bij wie het
thuis niet lukt, soms voor een korte periode en soms voor wat langer. Dat vraagt soms
veel van het gezin. De ondersteuning van pleeggezinnen is enorm belangrijk om ervoor
te zorgen dat zij hun onmisbare taak vol kunnen houden. De afgelopen maanden is er
veel aandacht geweest voor pleegouders waarmee het niet goed ging en waarbij het toezicht
niet op orde was. Maar het gaat bij veel pleegouders en pleeggezinnen goed; dat mogen
we niet vergeten. Het CDA draagt deze pleeggezinnen een warm hart toe. Toch zien we
dat het aantal pleegouders afneemt, terwijl er nog 900 kinderen op de wachtlijst staan.
Zij wachten op een warm plekje in een gezin. Daar wil het CDA iets aan doen. We weten
dat er een campagne loopt voor het werven van nieuwe pleegouders en dat die aan het
eind van het jaar afloopt. Daarom vraagt het CDA om een aanpak waarmee er meer aandacht
is voor het behoud van de pleeggezinnen die er nu zijn. Denkrichtingen die mijn partij
graag mee wil geven in het kader van het behoud zijn goede ondersteuning aan bijvoorbeeld
netwerkpleeggezinnen en goede aansluiting bij hulp en ondersteuning. Ik zal hier in
de tweede termijn een motie over indienen.
Voorzitter. Daar wil ik het graag bij laten in de eerste termijn. Dank u wel.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Westerveld en dan mevrouw Dobbe.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hoorden een warm pleidooi voor gezinnen. Daar ben ik het mee eens, en ik denk dat
dat voor iedereen hier geldt. Maar er zijn natuurlijk ook jongeren die niet opgroeien
in een stabiel gezin of helemaal niet in een gezin, of van wie een of meerdere ouders
zijn overleden. Als ik de plannen zie waar ook het CDA een handtekening onder heeft
gezet, ben ik wel bang dat dit juist weer de gezinnen gaat treffen die het al moeilijk
hebben. Mijn vraag is: welke concrete maatregelen komen er in de komende tijd om juist
deze gezinnen te ontlasten?
De heer Hamstra (CDA):
Dank aan de collega voor de vraag. Morgen gaat verder gedebatteerd worden over de
plannen. In die plannen ziet u ook dat wij voor de jeugdzorg, verder kijken dan alleen
maar naar het domein jeugdzorg waar we het vandaag over hebben. Het gaat ook om het
ondersteunen van gezinnen, onder andere door de investeringen die we doen in het NPLV,
en om de aanpak van armoede en schulden, dus geld vrijmaken voor een gemeenschapsfonds
voor de pedagogische civil society, die niet alleen in mijn inbreng staat maar ook
in het coalitieakkoord. Zo ziet het CDA dat. Het gaat dus inderdaad niet alleen maar
om selecte gezinnen maar ook om de hele omgeving daaromheen.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook dat vindt iedereen. Ook dat is niet nieuw en wordt al heel lang gezegd. Hugo
de Jonge, die ik in mijn eigen bijdrage al noemde en nota bene CDA-bewindspersoon
was, wilde dit allemaal ook al. Dat zijn dus allemaal geen nieuwe dingen, terwijl
de problemen wel vele malen groter zijn geworden. Misschien kan ik het concretiseren.
Als er bijvoorbeeld een eigen bijdrage wordt ingevoerd voor jeugdhulp, dan zijn het
toch ook weer de gezinnen waar het al moeilijker gaat voor wie dit helemaal geen oplossing
is? Hoe ziet het CDA dat?
De heer Hamstra (CDA):
Twee punten. Het eerste: ik denk dat u daar gelijk in heeft; ik heb die vraag zelf
ook gesteld. Ik ben hiervoor wethouder geweest. Ik ben niet van de school dat nieuw
altijd beter is. Het hoeven ook niet per se nieuwe plannen te zijn. We delen volgens
mij de constatering dat de plannen die nu in de pijplijn zitten en naar deze Kamer
komen, misschien niet verreikend genoeg zijn – daarom heb ik ook die vraag gesteld
in het kader van de reikwijdte – en nog onvoldoende uit de verf komen. Ik geloof dus
wel dat we daar misschien wel Kamerbreed actie op moeten ondernemen. In het kader
van de eigen bijdrage ben ik maar gewoon heel eerlijk: als ik daarnaar kijk, dan doet
die mij als voormalig wethouder Sociaal domein ook pijn. Ik ken ook de gezinnen die
dit gaat raken. Dat is een van de redenen waarom we gezegd hebben: we willen de meest
kwetsbaren ontzien en daarom ook misschien investeren in armoede en schulden. Het
staat nu in het basispad, dus laten we het er ook zo in staan. Daar heeft het CDA
zijn handtekening onder gezet. Daar heeft u gelijk in. Het doet wel pijn. Daar ben
ik ook heel eerlijk in.
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Dobbe. U heeft nog twee interrupties.
Mevrouw Dobbe (SP):
Als ingrijpende maatregelen pijn doen, zoals de eigen bijdrage, waarvan we ook van
alle kanten horen dat die een negatief effect zal hebben op de zorg, op gezinnen,
op kinderen, op jeugdzorgmedewerkers, op iedereen die daadwerkelijk bezig is met jeugdzorg,
dan zou mijn oproep zijn: doe het dan niet. We hebben eerder samen met het CDA een
motie ingediend om de gevolgen in kaart te laten brengen van de bezuinigingen op de
jeugdzorg die nog staan. Dat hebben we gedaan, samen met het CDA, omdat we de adviezen
van bijvoorbeeld de commissie-Van Ark zagen, die zei dat dit een zwaard van Damocles
boven de jeugdzorg is. Dan wil je dus weten wat de gevolgen daarvan zijn. Wij weten
dat dit dit jaar gevolgen gaat hebben omdat de hervormingen niet zijn doorgevoerd
maar de bezuinigingen er wel nog staan. We weten dat het gevolgen gaat hebben voor
mensen die in de jeugdzorg werken, voor de kinderen, voor de gezinnen. Is het CDA
nu van gedachten veranderd of heeft het andere informatie dan wij, waardoor het de
gevolgen hiervan anders beoordeelt? Zo niet, waarom zet het CDA dit dan alsnog door?
De heer Hamstra (CDA):
Ik heb geen andere informatie dan u heeft. In die zin kan ik u daarin hopelijk geruststellen.
Ik sluit me een beetje aan bij wat collega Synhaeve hierover zei. We zien met z'n
allen hervormingen voor ons, die gepaard zijn gegaan met een bepaalde financiële consequentie.
Dat die hervormingen niet voldoende effect gesorteerd hebben, betekent niet dat je
daarom elke keer maar moet zeggen: dan plussen we op. Dat zeg ik ook vanuit mijn voormalige
professie. We zagen dat het Rijk gemeenten gecompenseerd heeft in de afgelopen jaren,
maar gemeenten, die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van de jeugdzorg, moeten
zelf ook bepaalde stappen zetten, bijvoorbeeld in het investeren in die pedagogische
civil society en in het versterken van die lokale teams. Het niveau van onder andere
die sociale basis, of pedagogische civil society, verschilt per gemeente. We zien
ook dat het niveau van de wijk- en buurtteams verschilt en dat je daar echt nog stappen
te zetten hebt. Dan heb ik het nog niet eens over die Wet reikwijdte. Ik ben ervan
overtuigd dat de financiële consequenties dan wél ingeboekt kunnen worden. Alleen,
we zien nu nog dat het te weinig effect sorteert. Dus ja, ik denk dat dat beter zou
kunnen.
De voorzitter:
Tot slot.
Mevrouw Dobbe (SP):
We zijn het er hier allemaal over eens dat er stappen gezet kunnen worden, omdat we
ook allemaal de debatten hebben gevoerd en weten dat dit stelsel, het jeugdzorgstelsel,
kapot is. We moeten dat dus hervormen. Dat klopt helemaal. Daar kunnen we over van
mening verschillen. Wij vinden bijvoorbeeld dat de markt eruit gehaald moet worden
en dat dat een heel belangrijke stap is. Daar kun je over van mening verschillen,
maar we zijn het er allemaal over eens dat er hervormingen moeten komen. Maar volgens
mij is het ook een feit dat die hervormingen er dit jaar nog niet zullen komen. Ook
de commissie-Van Ark heeft gezegd: boek dat nou niet te vroeg in en ga pas het geld
weghalen als je weet dat die besparingen daadwerkelijk worden gehaald. Dat gebeurt
nu niet. Daarom is mijn vraag waarom het CDA denkt dat dit niet terecht gaat komen
bij de kinderen, de gezinnen en de jeugdzorgmedewerkers. We weten namelijk dat dat
wel gebeurt, omdat de half miljard euro die nu uit de zorg wordt getrokken, op geen
andere manier kan worden gehaald.
De heer Hamstra (CDA):
Ik snap de vraag die mevrouw Dobbe stelt. Ik heb die meermaals gehoord. De collega
van de VVD en de collega van D66 kregen dezelfde vraag. Ik moet hetzelfde antwoord
geven als ik net gaf. Dat het nog geen effect gesorteerd heeft, betekent niet dat
dat niet zou moeten. Ik ben bang dat je als je elke keer bij blijft plussen, over
acht jaar nog hetzelfde debat voert, om met de woorden van mevrouw Westerveld te spreken.
Het is best interessant dat deze Kamer deze discussie klaarblijkelijk al acht jaar
lang voert en dat dat al acht jaar lang geen effect sorteert. Maar goed, ik kan daar
allemaal kwalificaties aan geven, maar dat is best wel shocking.
De voorzitter:
Oké. We komen bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Coenradie. Aan u het woord.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Vandaag spreken wij over de staat van onze jeugd, over kinderen, maar
ook over moeders en vaders. We spreken over het beschermen van hen die thuis te kampen
hebben met moeilijke situaties: kindermishandeling, huiselijk geweld en in het ergste
geval moord. Dat wordt vaak voorafgegaan door structurele, voorspelbare patronen van
geweld, met signalen, meldingen en dikke dossiers. De kern van het probleem is niet
een gebrek aan betrokken professionals, maar een gebrek aan regie. In dossiers die
later ontsporen, zien we steeds hetzelfde patroon: meerdere instanties zijn betrokken,
maar niemand is eindverantwoordelijk. Iedereen ziet een deel van het probleem, maar
niemand heeft de doorzettingsmacht om te zeggen: nu grijpen we in. Dit is een systeemfout,
veroorzaakt door versnippering, onduidelijke mandaten en te veel schotten tussen zorg,
veiligheid en justitie. Daarom is mijn eerste vraag aan het kabinet hoe het kabinet
aankijkt tegen het werken met één gezamenlijk systeem of tegen het schrappen van onnodige
privacybelemmeringen, zodat informatie sneller en effectiever kan worden gedeeld wanneer
de veiligheid in het geding is.
Voorzitter. Huiselijk geweld escaleert zelden plotseling. Het volgt herkenbare fases.
De risicofactoren zijn bekend, maar worden onvoldoende gebundeld en opgevolgd. Dat
leidt tot te late interventies. Daarom vraag ik het kabinet: waarom bestaat er nog
steeds geen landelijk verplicht risicotaxatiekader bij herhaalde meldingen van huiselijke
geweld en kindermishandeling? Is het kabinet bereid om bij aantoonbaar hoog risico
sneller en dwingender interventies mogelijk te maken? Hoe wordt hieraan concreet vormgegeven?
Vandaag de dag hangt de kwaliteit van bescherming te veel af van de gemeente waarin
je woont. De ene gemeente heeft expertise, capaciteit en korte lijnen; de andere worstelt
met tekorten en versnippering. Dat betekent dat veiligheid berust op toeval. Op andere
veiligheidsdomeinen accepteren we dat niet, vandaar mijn vragen. Hoe gaat het kabinet
zorgen voor meer regie en uniformiteit bij gemeenten? Welke landelijke minimumvereisten
gelden momenteel voor gemeenten bij de aanpak van huiselijk geweld? Zijn die toereikend?
Voorzitter. We weten niet alleen wat niet werkt, we weten ook wat wel werkt. De Filomena-aanpak
laat zien dat samenwerking, snelle informatie-uitwisseling en het hebben van één regisseur
en doorzettingsmacht daadwerkelijk levens kan redden. Dat is ontzettend waardevol.
De Filomena-aanpak verdient het om landelijk te worden uitgerold. Wat mij betreft
maken wij daar bij deze VWS-begroting of op een ander moment zo snel mogelijk werk
van. Ik heb hierover de volgende vragen. Welke resultaten ziet het kabinet op plekken
die met Filomena werken en welke lessen zijn daaruit getrokken? Waarom is Filomena
nog steeds afhankelijk van lokale initiatieven? Is de Minister bereid Filomena landelijk
uit te rollen, met een structurele financiering en een uniforme werkwijze?
Voorzitter. De grootste systeemfout is misschien wel deze. Bij huiselijk geweld moeten
slachtoffers vaak verdwijnen: verhuizen of onderduiken. Dat is de wereld op zijn kop.
De veiligheid van slachtoffers en kinderen moet altijd vooropstaan. Wat JA21 betreft
verleggen we de focus naar de dader. Daarom vraag ik het kabinet: deelt men de analyse
dat het systeem nu te vaak de last bij het slachtoffer legt? Is men bereid pilots
of een landelijke verkenning naar afkoelhuizen voor daders, gekoppeld aan verplichte
therapie en toezicht, te starten? Welke juridische uitvoerings- of financiële knelpunten
ziet het kabinet en welke oplossingen zijn er denkbaar?
Bescherming achter de voordeur kan niet los worden gezien van de staat van de jeugdzorg.
Daar moeten we eerlijk over zijn: die kraakt in de kern. Wachtlijsten lopen op, professionals
haken af en hulp komt te laat. Dat vergroot problemen en leidt uiteindelijk tot zwaardere
ingrepen. Daarom is mijn vraag: hoe groot is de uitstroom van jeugdzorgprofessionals
en wat doet het kabinet om die trend te keren? Welke concrete maatregelen neemt het
kabinet om administratieve lasten te verlagen en professionals weer ruimte te geven
om hun werk te doen?
Voorzitter. Hiermee zijn we er echter niet. In het debat over jeugdzorg kijken we
vrijwel uitsluitend naar de overheid: wat moet de overheid beter doen? Die vraag is
terecht maar onvolledig. We zien namelijk ook ouders die structureel weigeren verantwoordelijkheid
te nemen voor de opvoeding van hun kinderen. We zien ook jongeren die zich niets aantrekken
van gezag, regels of grenzen, thuis niet, op school niet en op straat niet. Als opvoeding
volledig faalt, kan de overheid niet blijven wegkijken; dan is ingrijpen geen straf
maar noodzaak. Wat JA21 betreft mag daar ook meer stevigheid in komen. Praten is niet
altijd de remedie. Soms is duidelijk gezag nodig. Daarom wil ik van het kabinet weten
of het kabinet de analyse deelt dat opvoedingsverwaarlozing en structureel probleemgedrag
onvoldoende worden benoemd als oorzaak van ontsporing. Is het kabinet bereid te onderzoeken
welke zwaardere, dwingende vormen van heropvoeding mogelijk zijn voor jongeren die
structureel onhandelbaar zijn en elk gezag afwijzen, bijvoorbeeld in de vorm van intensieve
heropvoedingsprogramma's zoals gesloten jeugdzorg of tuchtscholen? Is het kabinet
bereid ouders die structureel falen in hun opvoedende taak, nadrukkelijker aan te
spreken en waar nodig te confronteren met consequenties?
De Staatssecretaris schetst een ambitieus en ingrijpend hervormingsplan dat moet leiden
tot minder instroom in de jeugdzorg en uiteindelijk ook tot minder uithuisplaatsingen.
Over dat realisme kunnen echter wel vragen worden gesteld. In hoeverre beschikt de
Staatssecretaris over een concreet tijdpad en waarop is dat gebaseerd? Wat zeggen
professionals en organisaties in het jeugdzorgveld over de haalbaarheid van deze plannen
gezien de huidige personeelstekorten en wachtlijsten? Hoe wil de Staatssecretaris
dit verandertraject begeleiden? Welke mogelijk pijnlijke keuzes zijn er volgens de
Staatssecretaris nodig bij het schrappen van hulpvormen of het herverdelen van middelen?
Is de Staatssecretaris het met ons eens dat er meer landelijke regie nodig is, in
plaats van de versnippering die wij nu zien op lokaal niveau?
Voorzitter. Tot slot, wie spreekt over de staat van onze jeugd, kan niet wegkijken
van een harde realiteit. Het aantal zelfmoorden en pogingen tot zelfmoord onder jongeren
en jongvolwassenen stijgt. De suïcidepreventiehulplijn 113 luidt hierover nadrukkelijk
de noodklok. Signalering is er vaak vroeg: bij school, huisarts, jeugdzorg en wijkteams.
Maar te vaak blijft opvolging uit. Daarom heb ik de volgende vraag aan het kabinet.
Is het kabinet bereid suïcidepreventie steviger te verankeren in de jeugdzorgketen,
en zo ja, hoe? Herkent het kabinet het model van universele, selectieve en geïndiceerde
preventie, en sluit het huidige beleid hierop aan? Wie is eindverantwoordelijk voor
samenhang en doorzettingssmacht binnen het zorgnetwerk?
Dank. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik dank de fractie van JA21 voor de inbreng. Ik zie een interruptie van
het CDA.
De heer Hamstra (CDA):
Dank, mevrouw Coenradie voor uw betoog. U heeft het nadrukkelijk over de vraag of,
wanneer de opvoeding faalt, meer stevigheid gepast is in het kader van heropvoeding,
en of de overheid daar dan een rol in zou moeten spelen. Heeft u vanuit uw analyse
het idee dat dat voldoende bij gaat dragen om uiteindelijk te komen tot bijvoorbeeld
de een op de tien waar de Staatssecretaris het in het kader van instroom in de jeugdzorg
over heeft? Als het antwoord daarop nee is, heeft u dan zelf ideeën over wat we eraan
kunnen doen om die instroom toch naar beneden te krijgen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik ben an sich wel enthousiast over het plan dat er nu ligt. Ik denk namelijk dat
je maar aan twee knoppen kunt draaien als je het hebt over het op orde krijgen van
alle problemen in het hele stelsel, in ieder geval in de hele jeugdzorg. Ik ben er
dus positief over als we het aantal uithuisplaatsingen weten terug te draaien. Tegelijkertijd
merk ik in heel veel discussies dat we vaak kijken naar de overheid. Maar wat mij
betreft – dat raakt volgens mij wel een beetje het eerste punt dat u benoemt – gaat
het om het gedrag van kinderen, waarbij ook ouders en de opvoeding een belangrijke
rol spelen. Ik vind ook dat we goed moeten bekijken wat we daarmee doen. Los van het
kijken naar de overheid: hoe gaan we om met deze kinderen, die maling hebben aan gezag,
politie en opvoeding, en tegelijkertijd met ouders die steeds meer hun grip verliezen
en geen idee meer hebben van hoe of wat? Is uithuisplaatsing daarvoor een oplossing?
Nee. Ik geloof er heel erg in dat we uithuisplaatsingen kunnen terugdraaien door naast
het gezin te gaan staan. Enkel praten zie ik echter niet als een remedie. Ik denk
dat we veel meer moeten doen. Dat zou kunnen in de vorm van wat ik «tuchtscholen»
noem, maar geef ze misschien een andere naam, vanwege de waarde die daar in het verleden
weleens aan gegeven is. Ik denk dat we meer kunnen doen dan we nu doen.
De heer Hamstra (CDA):
Dat denk ik ook; dat laatste deel ik zeker met u. Ik heb een korte vervolgvraag met
betrekking tot het gedrag van de jongeren en het denken aan heropvoeding. Kunnen we
u ook aan onze zijde vinden wanneer het bijvoorbeeld gaat om het stutten en ondersteunen
van de gezinnen en het versterken van de omgeving, ook in het kader van bestaanszekerheid?
Vindt u dat dat ook een bijdrage kan leveren aan het verbeteren van het gedrag van
de jongeren en dat de gezinnen daardoor beter kunnen opvoeden?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ik weet met mijn achtergrond in Rotterdam-Zuid dat heel veel zaken een kwestie zijn
van multiproblematiek, dat het zo ontiegelijk complex is en dat we aan meerdere knoppen
moeten draaien om uiteindelijk de jeugd van nu weer een goede toekomst te geven. Ik
denk dat je als overheid om onze jeugd moet gaan staan. Daar moeten we vooral naar
kijken. Tegelijkertijd moeten we kijken waar de verantwoordelijkheid ligt bij de jeugd
en opvoeders zelf en hoe we hen nog veel meer kunnen ondersteunen en begeleiden in
die zelfredzaamheid die we als overheid toch ook steeds vragen. Opvoeding ligt namelijk
niet bij de overheid, maar bij ouders zelf. Wij vinden denk ik hetzelfde hiervan.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoorde JA21 net zeggen dat de gesloten jeugdzorg een heropvoedingsprogramma is.
Ik denk zelf dat daar toch echt kinderen zitten met hele complexe problemen. Dat kunnen
gedragsproblemen zijn of het kan gaan om kinderen die ernstig getraumatiseerd zijn
of thuis problemen hebben. Ik vraag dus aan JA21: bent u het met mij eens dat de term
«heropvoedingsprogramma» ongepast is als het gaat om kinderen met intensieve zorgvragen?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Dan zouden we het stenogram van dit debat moeten teruglezen, want ik denk dat ik niet
heb gezegd dat jeugdzorg wat mij betreft hetzelfde is als heropvoeding. Daarmee zou
ik namelijk én te kort door de bocht vliegen én totaal geen recht doen aan jeugdzorg
en waarvoor kinderen in de jeugdzorg zitten. Laat ik dat vooropstellen. Ik heb het
specifiek over de situatie waarin kinderen thuis een stuk opvoeding missen en daardoor
het verkeerde pad op gaan. Ik denk dat het dan raadzaam is om ook te kijken waar er
plek is om deze kinderen te heropvoeden als blijkt dat het niet mogelijk is om naast
het gezin te staan of dit zelfstandig door het gezin te laten oppakken.
De voorzitter:
Duidelijk, dank u wel. Dan kom ik bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer.
Toch? Ik check het even. Ja. Dat is de heer Van Houwelingen namens Forum voor Democratie.
Uw tijd gaat in.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. De afgelopen jaren ben ik regelmatig benaderd door leden, bijvoorbeeld
bij partijbijeenkomsten, maar zelfs op straat door ouders die zich zorgen maken over
de jeugdzorg, en dan specifiek over gedwongen uithuisplaatsing, dus tegen de zin van
de ouders in. Wat ons betreft is gedwongen uithuisplaatsing echt het laatste redmiddel.
Daar is iedereen hier in de Kamer het over eens, omdat een uithuisplaatsing natuurlijk
betekent dat het kind sowieso schade oploopt. Het wordt uit zijn natuurlijke omgeving
gerukt, verliest misschien contact met broertjes en zusjes, en moet naar een andere
school. Daar maken we ons heel veel zorgen over. Toch gebeurt het ook als er geen
sprake is van bijvoorbeeld mishandeling, maar als er sprake is van ouders die niet
de optimale zorg kunnen verlenen. Ik heb een aantal leden gesproken die dat hebben
meegemaakt. Ik wil twee citaten oplezen uit een brief die een van die leden ons gestuurd
heeft. Toen was ze al volwassen. In die brief blikt ze terug op haar ervaringen met
een uithuisplaatsing. Dit verhaal is symptomatisch voor iets wat ik veel vaker gehoord
heb. Ik lees twee korte stukken voor. Dat zijn dus citaten.
«Helaas heb ik zelf meerdere malen in mijn jeugd ondervonden dat de Nederlandse jeugdzorg
haar eigen waarheid hanteert. Zelf heb ik het gevoel dat het doel van de jeugdzorg
was om mij uit huis te plaatsen en dat ze alles in het werk stelden om dat doel te
bereiken.» Dat heb ik heel vaak gehoord. Er wordt dus naar uithuisplaatsing toe geredeneerd
door de jeugdzorg. «Een van de dingen die ik daarbij zelf ervaarde, was dat ze alles
zo negatief mogelijk probeerden op te schrijven in het dossier. Positieve dingen werden
achterwege gelaten. Zo haalde ik vroeger ondanks mijn thuissituatie altijd goede cijfers
op school, maar dat is nooit in het dossier van mij benoemd. In de tijd dat ik uit
huis geplaatst was, had ik regelmatig gesprekken met mijn pleegmoeder en jeugdzorgmedewerkers.
Zelf heb ik dit nooit als fijne gesprekken ervaren, maar eerder als politieverhoren.
Ze bleven net zo lang doorvragen tot ze je aan het huilen kregen en je precies zei
wat ze wilden horen. Als je dan uiteindelijk had gezegd wat ze wilden horen, schreven
ze dat op in het dossier.» En dan nog een kort citaat: «Als ik nu terugkijk op mijn
uithuisplaatsing, vind ik dat deze uithuisplaatsing onterecht was. Mijn moeder, waarbij
ik toen woonde, had op dat moment weliswaar psychische problemen. Naar mijn mening
hadden deze problemen echter opgelost kunnen worden met ambulante hulp van bijvoorbeeld
een gezinsvoogd.» Dit heb ik ook heel vaak gehoord, daar kan ik nog veel meer voorbeelden
van geven. «Daarnaast had ik nog een vader die zowel fysiek als psychisch helemaal
gezond was en had mijn moeder een netwerk van familie en vrienden die haar wilden
ondersteunen bij de opvoeding van mij.» Einde citaat.
Dit heb ik veel vaker gehoord. We zijn natuurlijk bekend met de gevallen van mensen
die uit huis worden geplaatst, niet omdat ze mishandeld worden of wat dan ook, maar
omdat het gezin niet optimaal functioneert. Welk gezin doet dat wel? In plaats van
dat het gezin wordt ondersteund, wordt er door de jeugdzorg toegewerkt naar een uithuisplaatsing,
met alle gevolgen van dien.
Voorzitter. Ik heb hierover zeven vragen. Wat ons betreft zou een uithuisplaatsing
echt het allerlaatste redmiddel moeten zijn. Ik denk dat heel veel partijen dit inmiddels
met ons eens zijn. Mijn eerste vraag aan de Staatssecretaris is hoe zij daartegen
aankijkt. We hebben zowaar een motie aangenomen gekregen waarin wordt gevraagd om
een verscherpt wettelijk kader voor uithuisplaatsingen. Zou dan bijvoorbeeld niet
– ik doe maar even een suggestie – in dat kader moeten worden opgenomen dat gedwongen
uithuisplaatsing alleen kan als er echt sprake is van mishandeling, en niet als bijvoorbeeld
een ouder psychische problemen heeft, maar het gezin met wat hulp nog overeind kan
worden gehouden? Dan moet daar toch altijd voor worden gekozen?
Mijn tweede vraag gaat over oneigenlijke financiële prikkels. Ik heb in mijn gesprekken
met mensen die jeugdzorg hebben ontvangen, vaak gehoord dat zij zich daar zorgen over
maken. Is het zo dat de jeugdzorg betaald krijgt voor een ondertoezichtstelling en
voor een uithuisplaatsing? Volgens mij is dat zo. Hetzelfde geldt natuurlijk voor
gezinshuizen en pleeggezinnen. Dat is enerzijds onvermijdelijk, denk ik, maar geeft
dat niet een ongezonde financiële prikkel? Kan dat er niet toe leiden dat mensen onterecht
uit huis worden geplaatst of dat mensen te lang uit huis blijven, dus dat kinderen
niet snel genoeg worden teruggeplaatst in hun biologische gezin? Dat is dus mijn tweede
vraag.
Dan mijn derde vraag. Die gaat over iets wat ik heb gehoord en wat ik ook niet begrijp.
Hoe kan het nou zo zijn dat er seksueel misbruik plaatsvindt in pleeghuizen en pleeggezinnen?
Dat komt namelijk regelmatig voor, zo blijkt ook uit onderzoek. Je zou toch verwachten
dat in pleeghuizen en pleeggezinnen kinderen geplaatst worden van hetzelfde geslacht,
tenzij het broertjes of zusjes zijn, maar dat gebeurt niet. Mijn vraag aan de Staatssecretaris
is waarom dat niet gebeurt. Dat is voor mij onbegrijpelijk.
De vierde vraag. Daar heb ik het in een interruptiedebat met mevrouw Westerveld net
al over gehad en ook eerder met de Staatssecretaris naar aanleiding van de vreselijke
casus van het Vlaardingse pleegmeisje, dat zo mishandeld is. Hoe kan nou zo zijn –
want dat blijft voor mij onbegrijpelijk – dat de toezichthouder ... Alleen die kan
namelijk toezicht houden. De enige die toezicht kan houden, is de IGJ, de inspectie.
Die houdt toezicht op gecertificeerde instellingen, die sowieso vaak niet weten wat
er speelt, omdat er te weinig zinvol contact is met de pleeghuizen en pleeggezinnen.
Die hebben er natuurlijk ook belang bij om de pleeghuizen en pleeggezinnen waarvoor
ze verantwoordelijk zijn, positief voor te stellen aan de inspectie, omdat zij daarvoor
verantwoordelijk zijn. Waarom gaat de inspectie niet op bezoek bij pleeghuizen en
pleeggezinnen, al is het maar één keer per jaar, om daar zelf toezicht te houden en
met eigen ogen te aanschouwen wat daar gebeurt, wat ze als toezichthouder ook zouden
moeten doen? Dat is de vierde vraag die ik heb.
Vraag vijf. Is het wellicht een idee om een enquête te houden onder volwassenen die
in een pleeggezin of gezinshuis hebben gezeten en naar hun ervaringen te vragen? Voor
zover ik kan achterhalen, is dat nog niet gebeurd. Ik zou heel benieuwd zijn, want
er wordt vaak gezegd dat het incidenten zijn. Oké, dat kan, maar ik krijg het zo vaak
te horen dat ik inmiddels denk dat daar misschien wel iets structureel mis is. Je
zou dus willen weten van mensen die volwassen zijn hoe zij daarop terugkijken als
volwassene; ik heb net een voorbeeld gegeven van zo'n getuigenis, om het maar zo te
zeggen. Daar kunnen we denk ik veel van leren. Is dat niet een idee?
Vraag zes betreft de contra-expertise, die zo belangrijk is. Ouders hebben daar in
principe ook recht op als er sprake is van een gedwongen uithuisplaatsing, begreep
ik. Ik hoor echter dat het vaak voorkomt bij de kinderrechter dat die contra-expertise
er niet is. Die is ontzettend belangrijk, want anders krijg je natuurlijk de tunnelvisie,
waar ik het net al over had in het voorbeeld dat ik heb voorgelezen. Die contra-expertise
wordt vaak niet toegewezen door de rechter. Zou het dus niet zo moeten zijn – misschien
moet dat ook in de wet worden opgenomen – dat zo'n kinderrechter zich niet alleen
moet baseren op de jeugdzorg? De rechter gaat dan natuurlijk altijd met de jeugdzorg
mee. Dat krijgen we altijd te horen. Moet die kinderrechter zich ook niet laten adviseren
door een contra-expertise voor de rechtbank? Zo ontstaat er iets van een gelijk speelveld.
Volgens mij is dat heel belangrijk om onterechte uithuisplaatsingen te voorkomen.
Voorzitter, tot slot mijn laatste vraag. We krijgen straks natuurlijk weer de begrotingsverantwoording
van VWS. In de memorie van toelichting staan natuurlijk allemaal mooie tabellen. Mijn
laatste vraag aan de Staatssecretaris is: zou het aantal ondertoezichtstellingen per
jaar en over de afgelopen paar jaar daar niet standaard in kunnen worden opgenomen?
Die cijfers zijn namelijk heel moeilijk te achterhalen. Dat geldt ook voor het aantal
keer dat het gezag wordt beëindigd en het aantal uithuisplaatsingen. Zo krijgen we
als Kamer een beetje een beeld van hoe dat verloopt. We willen volgens mij namelijk
allemaal af van die gedwongen uithuisplaatsingen.
Dat is dus mijn laatste vraag aan de Staatssecretaris en ik kijk uit naar de beantwoording.
Dank.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Mijn interruptie gaat over de ondertoezichtstellingen. Het gaat eigenlijk over de
toetsing van die gecertificeerde instellingen. We hebben daar eerder een interruptiedebat
over gehad tijdens een plenair debat. Toen had ik de indruk dat de heer Van Houwelingen
eigenlijk wilde dat de inspectie bij ieder gezin en ieder gezinshuis ging toetsen.
Als ik de bijdrage van de heer Van Houwelingen hoor, dan is zijn idee nu dat er af
en toe een steekproef moet worden gedaan bij een aantal gezinnen. Dat maakt denk ik
heel veel uit in de hoeveelheid capaciteit die je hiervoor nodig hebt. Zou de heer
Van Houwelingen aan kunnen geven of hij bedoelt dat ieder gezin en ieder gezinshuis
bezocht moet worden? Of moeten er gewoon een aantal steekproeven plaatsvinden om te
kijken of die gecertificeerde instellingen doen wat de bedoeling is en of het klopt
wat ze aanleveren?
De voorzitter:
De vraag lijkt me duidelijk. Het woord is aan de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel veel dank voor de vraag. Het liefst zouden we zien dat alle gezinshuizen en pleeggezinnen
minstens een keer per jaar bezocht worden. Maar als dat niet haalbaar is, is een steekproef
natuurlijk ook al geweldig. U brengt hier dus een heel goed idee te berde, denk ik.
Laten we dan dus een steekproef doen, zoals dat bij bedrijven ook gebeurt als ze iets
moeten controleren. Dat zou dus een heel goed idee zijn. Iets is in ieder geval beter
dan niets. Nu zit het allemaal binnen die gecertificeerde instellingen, die dus vaak
niet functioneren. Dus je moet van buiten een controle hebben. Dat kan alleen de toezichthouder
doen. Dat zou een hele grote verbetering zijn, als ze daar aan het werk gaan bij de
inspectie, in plaats van te doen waar ze nu hun tijd vaak mee kwijt zijn, bijvoorbeeld
artsen achter hun broek aanzitten omdat ze offlabelmedicijnen voorschrijven.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer, de heer
Stoffer namens de SGP-fractie.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Gezinnen vormen de ruggengraat van een goede samenleving. Opgroeien
in een stabiel gezin vergroot aanzienlijk de kans op een evenwichtige persoonlijke
ontwikkeling. Omgekeerd zijn veel individuele maatschappelijke problemen te herleiden
tot het gebrekkig functioneren van gezinnen. Gezonde gezinnen zijn dus van groot belang
voor ons allemaal.
Voorzitter. De SGP juicht het toe dat het kabinet jeugdzorg stapje voor stapje lijkt
te verbreden naar gezinszorg. Ik zie dat ook terug in de routekaart die de Staatssecretaris
vorige week heeft gepresenteerd: meer kijken naar oorzaken van jeugdhulp in de context
van gezinnen en de ontwikkeling van een sociale agenda. Het kabinet zet in op een
sterke, sociaalpedagogische basis, wil stevige lokale teams die zelf hulp bieden,
en wil de aanvullende jeugdhulp terugdringen. Ook wordt er hard gewerkt aan het afbakenen
van de jeugdhulpplicht. Van harte steun hiervoor.
Voorzitter. Een mooi voorbeeld van een effectieve preventieve aanpak is de gemeenten
Kampen. Kampen maakt gebruik van gezinswerkers. Zij voeren de eerste gesprekken met
gezinnen om hun vragen en zorgen te verkennen. Ook kunnen gezinswerkers ouders ondersteunen
om zelf oplossingen te verzinnen. Gezinswerkers hebben een vrije rol en kijken nadrukkelijk
breder dan alleen naar de jeugdhulp. Als een kind zich meldt, is niet de eerste vraag
«wat voor hulp heb je nodig?» maar bijvoorbeeld «doe je eigenlijk aan sport?» of «ben
je lid van een vereniging?» De gezinswerkers blijken ook nog eens financieel een succesvolle
businesscase. Mijn vraag is dan ook of de Staatssecretaris deze aanpak breder onder
de aandacht kan brengen. Gemeenten houden een sleutelpositie, maar welke rol kan de
Staatssecretaris spelen via het faciliteren van leernetwerken of andere vormen van
kennisdeling?
Ook de laagdrempelige inzet van schoolmaatschappelijk werk blijkt een belangrijke
sleutel om vroegtijdig op te kunnen treden. Dit werd in veel gemeenten gefinancierd
vanuit de tijdelijke gelden van het Nationaal Programma Onderwijs. Als het kabinet
wil inzetten op een sterke sociale basis – en dat is tegelijk mijn vraag – is het
dan ook bereid om hier structureel in te investeren?
Voorzitter. Vorig jaar werd mijn motie aangenomen die verzocht om een samenhangende
jeugd- en gezinsaanpak op te stellen vóór de behandeling van deze Jeugdbegroting.
Mijn vraag is hoe het hiermee staat. Ik heb de stukken er nog eens goed op nagekeken,
maar ik zie geen expliciete uitwerking. Pakt de Staatssecretaris dit alsnog op of
wordt het meegenomen in de routekaart?
Voorzitter. Dan de Agenda voor het Hart, een netwerk van experts en organisaties.
Dit netwerk heeft een prachtig rapport geschreven over het versterken van liefdevolle
en veilige partnerrelaties in Nederlands. Duurzame relaties zijn niet alleen een privézaak,
maar ook een publieke waarde waar de samenleving zorg voor draagt. Als relaties sterk
zijn, bloeien mensen op. Als relaties breken, zien we dat overal in de samenleving
terug. Wil de Staatssecretaris reageren op de analyse en daarbij expliciet ingaan
op de afzonderlijke aanbevelingen van de Agenda voor het Hart? Een van die aanbevelingen
is om relaties te erkennen als beleidsdomein, zodat hiervoor ook preventieve maatregelen
getroffen kunnen worden. Feitelijk gebeurt dit lokaal al op veel plaatsen. Veel gemeenten
hebben een lokale aanpak voor relatie- en/of scheidingsproblematiek. Hoe kijkt de
Staatssecretaris hiernaar als stelselverantwoordelijke vanuit het wettelijke kader
van de Jeugdwet en bijvoorbeeld ook de Wet publieke gezondheid?
De Agenda voor het Hart noemt ook de maatschappelijke kosten van verbroken en gebroken
relaties en stelt voor die beter in kaart te brengen. Dat kan bijvoorbeeld door de
kosten op casusniveau in kaart te brengen. Welke rol ziet de Staatssecretaris voor
zichzelf weggelegd bij een dergelijk onderzoek?
Voorzitter. Wij vinden het heel normaal dat mensen periodiek naar de sportschool gaan....
Nou ja, dat zou ik zelf ook meer mogen doen... U weet, een goed voornemen voor dit
jaar. Wij vinden het heel normaal dat mensen periodiek naar de sportschool gaan of
dat mensen gebruikmaken van een leefstijlcoach. Maar de vraag is hoe we het net zo
gewoon maken om aan je relatie te werken als aan je conditie. Waarom voelt relatiehulp
voor veel mensen nog steeds als een laatste redmiddel in plaats van periodiek onderhoud?
Kortom, wat kan de overheid doen om relationele fitness te normaliseren?
Ja, het is stevig in de spiegel kijken... De andere Staatssecretaris begint ook al...
Volgens mij moeten wij samen wat gaan doen.
(Hilariteit)
De voorzitter:
Ik vraag de heer Stoffer om verder te gaan met zijn betoog.
De heer Stoffer (SGP):
Dat ga ik doen.
De Jeugdwet bepaalt dat gemeenten bij het bepalen van de aangewezen vormen van jeugdhulp
redelijkerwijs rekening moeten houden met de godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging
van de jeugdige en zijn ouders. Ook in lokale jeugdverordeningen is dit geborgd. In
de praktijk blijkt echter dat gemeenten nauwelijks zicht hebben op de manier waarop
dit wettelijk recht wordt uitgevoerd. Is de Staatssecretaris bereid om samen met de
VNG een handreiking op te stellen voor gemeenten over hoe ze bij de indicatiestelling
daadwerkelijk rekening kunnen houden met de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging
van gezinnen?
Voorzitter. De SGP vraagt ook aandacht voor ondertoezichtstellingen bij ongeboren
kinderen. Uit recent onderzoek blijkt dat die mogelijkheid internationaal gezien uitzonderlijk
is. Er zijn slechts twee andere landen waar dit kan. Ook het aantal ondertoezichtstellingen
in Nederland is hoog. In andere landen is gedwongen ingrijpen zeldzaam, maar in Nederland
gebeurt het honderden keren per jaar. Eerdere publicaties geven bovendien aan dat
de wetgever meer rechtszekerheid zou moeten bieden door een duidelijke wettelijke
basis, bijvoorbeeld als het gaat om de wekengrens. Juist in Nederland ontbreekt een
duidelijke regeling. Zou een regeling voor jeugdbescherming en ook strafrecht gelet
op onderzoek en adviezen niet wenselijk zijn? Zouden vrijwillige maatregelen niet
vaker actief mogelijk gemaakt moeten worden, zowel voor de moeder als voor het kind?
Voorzitter. Ik wil tot slot de schijnwerpers richten op de uiterst belangrijke positie
van jeugdbeschermers. De overheid draagt een bijzonder zware verantwoordelijkheid
bij het ingrijpen in gezinnen. De jeugdbeschermers zijn dus eigenlijk onze elitetroepen,
maar helaas ervaren ze dat niet zo en staan ze vaak onder grote druk. Hun verantwoordelijkheid
is zwaar en het ziekteverzuim is hoog, net als de uitval. Dat betekent onvermijdelijk
ook iets voor de kinderen en hun ouders. Soms wachten 100 kinderen op een jeugdbeschermer
zonder in beeld te zijn. Als we de jeugdbeschermers echt verder willen helpen, mogen
we ons niet beperken tot de caseload, maar zullen we ook naar hun rechtspositie moeten
kijken. Veel jeugdbeschermers kiezen immers voor een andere baan, simpelweg omdat
ze daar meer kunnen verdienen. In het onderwijs of bij gemeenten krijg je al snel
meer salaris. Mijn slotvraag is dan ook of de Staatssecretaris ook denkt dat een exclusieve,
aantrekkelijke positie van de jeugdbeschermer in de cao een belangrijke rol zou kunnen
vervullen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Stoffer, dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde van
de Kamer: de heer Ceder namens de ChristenUnie.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Kortheidshalve wil ik me aansluiten bij de zorgen rondom de
jeugdzorgmedewerkers. De afgelopen jaren hebben we gezien dat zij de noodklok luiden.
Ze zeggen dat het zwaar werk is en dat de randvoorwaarden gewoon niet op orde zijn.
Ik ondersteun dus de vraag van de heer Stoffer en overigens ook de vele vragen die
door mijn andere voorgangers zijn gesteld.
Voorzitter. Ik heb het manifest van Het Vergeten Kind vanochtend ontvangen, net als
de andere Kamerleden. Het is een beweging die al jaren bezig is om uithuisplaatsingen
te verminderen en om gezinshulp op de eerste plaats te zetten. Ik ondersteun dit al
jaren en nu ook weer. Ik hoop dat we met de nieuwe Kamerleden en een nieuwe coalitie
ook echt die stap met elkaar kunnen gaan zetten en zichtbaar resultaat gaan zien.
Als we in dit land zeggen dat het welzijn van onze jeugd echt vooropstaat, dan vraagt
dat ook iets van onze politieke moed. We moeten durven kijken naar onderwerpen waar
we soms liever omheen lopen. Voor de ChristenUnie is een ervan het gezinsleven, niet
omdat het een interessante bezuinigingspost is, maar omdat de intrinsieke meerwaarde
van het gezin doorwerkt in alle vezels, in alle haarvaten van onze samenleving. Ook
in deze commissie spreken we te vaak over jongeren als het al is misgegaan: als er
al sprake is van jeugdzorg, uitval op school, mentale problemen of contact met justitie.
Maar de vraag die we ons vaker zouden moeten stellen, is: wat doen we aan de voorkant?
Voorzitter. Onderzoek na onderzoek laat zien dat een stabiele thuissituatie een enorme
beschermende factor is in het leven van een kind. Jongeren die opgroeien in een omgeving
met voorspelbaarheid, betrokkenheid en veiligheid hebben simpelweg een grotere kans
om stabiel op te groeien. Dat betekent uiteraard niet dat elk gezin perfect is of
moet zijn – niemand hier gelooft dat – maar wel dat de basis telt. Het is ook juist
een rol voor de overheid om die basis en het goed gaan te versterken.
Voorzitter. Ik wil vandaag ook expliciet stilstaan bij een onderwerp dat, wat mij
betreft, nog steeds te weinig aandacht krijgt, maar dat o zo belangrijk is. Dat is
positief betrokken vaderschap. Voor dit punt begin ik bij mijzelf. Ik ben opgegroeid
bij mijn moeder en zij heeft het in haar eentje geweldig gedaan. Zoals vaak gezegd
wordt over eenoudergezinnen: ze nam de rol van zowel de moeder als de vader op zich.
Zij was niet de enige. Er zijn ongeveer 800.000 kinderen in Nederland die in eenoudergezinnen
opgroeien. Ik ben dan ook trots op mijn moeder, die er niet meer is. Ze heeft gedaan
wat ze kon en dat heeft ze goed gedaan.
Toch kwam er ook een punt in mijn leven dat ik me realiseerde dat de afwezigheid van
een vader thuis wel degelijk impact heeft gehad. Als kind zocht ik, net zoals vele
jongens, naar mannelijke rolmodellen: mensen aan wie je je kan optrekken. Als je die
thuis niet hebt, zoek je die buiten de deur. Ik groeide op in de Amsterdamse Bijlmer,
destijds een zeer kwetsbare wijk. Zo werden mijn rolmodellen snelle jongens met veel
geld. Ze gaven je aandacht, maar je liep ook kans om meegesleurd te worden in de criminaliteit.
Mij bleef dat lot bespaard. Anderen niet.
In gesprek met veel generatiegenoten komt telkens naar voren dat afwezig vaderschap
wel degelijk impact op ons heeft gehad. Het is dus goed en belangrijk om betrokken
vaderschap te versterken waar dat kan. Internationaal onderzoek lijkt dit te bevestigen.
Betrokken vaders dragen aantoonbaar bij aan het emotioneel welzijn, de weerbaarheid
en het zelfbeeld van kinderen. Dat geldt voor jongens én meisjes. Als we vaderschap
blijven negeren bij het jeugdbeleid, laten we kansen liggen. Dat kunnen we ons simpelweg
niet permitteren. Onze jongeren zijn daar te kostbaar voor.
Zeg ik hiermee dat we moeders minder gaan waarderen? Nee, integendeel. Het betekent
wel dat we erkennen dat kinderen gebaat zijn bij gedeelde verantwoordelijkheid, meerdere
veilige hechtingsfiguren en aanwezige, positieve en betrokken vaderfiguren. Ik begrijp
heel goed dat dit niet altijd even makkelijk is of kan. Denk aan samengestelde gezinnen
of aan situaties waarin contact met de vader niet mogelijk is, of zelfs niet veilig
of verstandig. Dat erkennen we. Dat vraagt ook om een andere benadering. Er zijn ook
zeer verdrietige situaties waarin vaders wel een rol willen en kunnen spelen, maar
dit niet mogelijk wordt gemaakt, zoals ouderverstoting.
Voorzitter. Vaderschap is een onderwerp dat te belangrijk is om te negeren. Daarom
presenteer ik vandaag ook een manifest genaamd: «Betrokken vaders. Een bloeiende samenleving».
Ik wil namelijk graag voorstellen doen richting de samenleving en het kabinet, om
te versterken wat goed gaat, maar ook om te ondersteunen wat momenteel kwetsbaar is.
Ik ben niet voor overheidsbemoeienis met het gezinsleven. De overheid moet daar zo
ver mogelijk vandaan blijven. Maar de gevolgen van instabiele en gebroken gezinnen
werken wel door in het onderwijs, de jeugdzorg en het veiligheidsdomein. Om die reden
heeft de overheid een goede reden om samen met maatschappelijke partners op gepaste
wijze te kijken hoe we hier aandacht aan kunnen geven. Ik roep het kabinet en mijn
collega-Kamerleden hier dan ook op om het gezinsbeleid niet te reduceren tot een voetnoot
of een bezuinigingspost, maar om het serieus te nemen als belangrijke bouwsteen van
preventief jeugdbeleid. Als we het welzijn van jongeren echt centraal willen stellen,
dan begint dat niet bij het loket, maar thuis. Laten we de politieke moed tonen om
dit ook bespreekbaar te maken.
Voorzitter. Daarom heb ik een aantal vragen. De betrokkenheid van vaders in de eerste
levensfase vergroot de hechting, het welzijn van de moeder en de stabiliteit van het
gezin. De ChristenUnie wil vaderbetrokkenheid bij kraamzorg en geboortezorg vergroten
waar dat kan. De Staatssecretaris wil dat ook. Zij wil vaderbetrokkenheid in de eerste
1.000 dagen vergroten. Hoe wil ze dat doen? Dat vraagt ook iets in de opleiding en
bijscholing van professionals in de geboortezorg, kraamzorg, het onderwijs en de kinderopvang.
Kan de Staatssecretaris toezeggen dit te bespreken met de Minister van OCW?
Voorzitter. Er is vooral veel buitenlands onderzoek naar het belang van vaderschap
en de impact van vaderafwezigheid, maar minder vanuit de Nederlandse context. Ik zou
graag zien dat de overheid en kennisinstituten systematisch onderzoeken wat het belang
van positief vaderschap is, wat de impact van vaderafwezigheid kan zijn, waar je kan
helpen en welke interventies zouden kunnen helpen. Alleen zo kunnen we een goed beeld
krijgen van wat preventief werkt om te voorkomen dat kinderen kwetsbaarder zijn dan
nodig. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of zij kan toezeggen dit te laten onderzoeken.
Daarnaast zijn er veel losse initiatieven die vaderschap versterken, maar die zijn
versnipperd en vele proberen opnieuw het wiel uit te vinden. In de databank Effectieve
jeugdinterventies van het NJi staan vier interventies waarin vaders worden genoemd,
maar drie ervan gaan voornamelijk over moeders. Dat is goed. De vierde, van Trias
Pedagogica, zit nog in het erkenningstraject. Kan er een been worden bijgetrokken,
vraag ik aan de Staatssecretaris.
Ik dank de Staatssecretaris ook voor haar reactie op het rapport van Agenda voor het
Hart, dat gaat over sterke partnerrelaties. Dat is een belangrijk initiatief. Ook
de eerdere brief over de aanpak van complexe scheidingen waardeer ik. De ChristenUnie
heeft zich daar jaren voor ingezet, samen met de SGP en ook andere partijen, weet
ik. Ik vind het ook hoopvol om te zien welke stappen de afgelopen jaren zijn gezet
om te voorkomen dat scheidingen escaleren, met alleen maar verliezers. Er zijn goed
beschreven methodes en handreikingen voor gemeenten om daarmee aan de slag te gaan.
Steeds meer gemeenten hebben een scheidings- of relatieloket. De Staatssecretaris
schrijft dat ze professionals, organisaties en gemeenten aanmoedigt hiermee aan de
slag te gaan in de eigen lokale aanpak. Betekent dit dat wat de Staatssecretaris betreft
de inzet van de landelijke overheid op dit thema stopt? Ik zou graag zien dat de Staatssecretaris
zich periodiek laat informeren over hoe het nu gaat en dan de Kamer informeert. Kan
ze dit toezeggen?
Complexe scheidingen kunnen wel € 46.000 kosten aan jeugdbescherming, zorg en ondersteuning,
is in 2020 berekend. Naast deze kosten zijn er ook maatschappelijke kosten. Sterke
relaties of op een goede manier uit elkaar gaan, hebben tegelijkertijd maatschappelijke
baten. De ChristenUnie vindt het belangrijk om hier meer zicht op te krijgen, zodat
we goed kunnen wegen welke interventies om relaties te versterken, gerechtvaardigd
zijn. Kan de Staatssecretaris ook toezeggen hiermee aan de slag te gaan?
Tot slot op dit punt vraag ik aandacht voor hoogconflictscheidingen waarbij huiselijk
geweld aan de orde is. Dat heb ik helaas ook als oud-advocaat meegemaakt, zeg ik erbij.
Als er reguliere jeugdhulp over de vloer komt voor de kinderen, terwijl dit huiselijk
geweld niet bekend is, kan gemakkelijk de verkeerde hulp worden geboden. Deze professionals
zijn daar ook niet voor opgeleid en toegerust, terwijl het wel goed is om hen daarop
voor te bereiden. Welke mogelijkheden heeft de ouder om in dit soort situaties passende
ondersteuning te krijgen?
Voorzitter. Ik begon met uithuisplaatsingen. Mijn strijd voor het inperken van het
aantal uithuisplaatsingen waar dat kan, gaat door. We hebben als Kamer via een motie
de staatscommissie jeugdzorg in het leven geroepen. Is deze al ingevuld? Zo nee, wanneer
gaat dit gebeuren? Of legt de Staatssecretaris dit op de plank voor zijn opvolger?
Voor het weekend stond het inspirerende voorbeeld van Flevoland in NRC, waar ze uithuisplaatsingen
voorkomen door het hele gezin hulp te geven. Ik word heel blij van zulke methoden
en vooral ook van de positieve resultaten. Is de ambitie van de bewindspersonen om
deze beweging overal in het land te krijgen? Is dat al duidelijk onderdeel van het
toekomstscenario?
Voorzitter, tot slot. Het is goed dat we met het rapport Gezinshuizen in Nederland
meer inzicht hebben in de aantallen en karakteristieken van gezinshuizen. In het debat
in december hebben we het gehad over meer toezicht en kwaliteitseisen. Die zijn gewoon
nodig. Het lijkt me nog steeds logisch als we een gemeente, voordat ze een contract
afsluiten met een gezinshuis, een bezoek op locatie laten brengen. Wat vindt de Staatssecretaris
daarvan?
Voorzitter. Verder sluit ik me aan bij de vele al gestelde vragen. Ik kijk uit naar
de beantwoording.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel voor uw inbreng, meneer Ceder. Voordat we naar de lunch gaan, hebben we
nog twee sprekers van de zijde van de Kamer. Die wil ik ook nog gewoon het woord geven.
Daarna schorsen we voor de lunchpauze. De volgende spreker is mevrouw Dobbe namens
de SP.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Het is altijd lastig om tussen mensen en hun lunch te zitten,
maar vooruit.
(Hilariteit)
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik zal proberen er toch een bevlogen betoog van te maken. Vorige week sprak ik met
een aantal jeugdzorgmedewerkers en jeugdbeschermers over het debat van vandaag. Stuk
voor stuk zijn zij enorm betrokken bij hun werk, met liefde voor wat zij elke dag
doen voor de kinderen, de jongeren, de gezinnen waarmee zij werken. Toch gaan zij
vanaf morgen actievoeren. Dat doen ze niet zomaar. Zij voeren actie vanwege hun liefde
voor de jeugdzorg. De werkdruk is gigantisch, net als de verantwoordelijkheden die
zij dragen. Zij lopen de gaten dicht die de werkgevers, maar ook de politiek, in de
gemeenten en hier in Den Haag, laten vallen. Een van de jeugdzorgmedewerkers zei:
ze schuiven alle tekorten en problemen op ons af, maar uiteindelijk zijn de gezinnen
en de kinderen om wie het gaat de dupe. De jeugdzorgmedewerkers lopen de gaten dicht
die vallen door slecht beleid en een falend jeugdzorgstelsel. Dat is hoe het nu gaat
in de praktijk.
Het jeugdzorgstelsel wordt vooral overgelaten aan de markt, waardoor winsten, bureaucratie
en concurrentie belangrijker zijn geworden dan de belangen van het kind. Aan het systeem
en de werkdruk wordt al jaren niks gedaan. De jeugdzorgmedewerkers krijgen er nog
niet eens een fatsoenlijke loonsverhoging voor, of een aanpak van de problemen waar
zij in hun werk tegenaan lopen. De SP staat vierkant achter onze jeugdzorgmedewerkers.
We hopen dat deze Kamer dat ook doet en dat zij de voorstellen van de SP hiervoor
zal steunen.
Iedereen zegt het al jaren: het kind moet centraal staan, niet het systeem. Ondanks
die mooie woorden gebeurt al jaren het tegenovergestelde. Een jeugdzorgmedewerker
vertelt het zelf zo: «Ik ben er wettelijk verantwoordelijk voor om te bepalen welke
hulp een kind nodig heeft. Toch gebeurt het te vaak dat de gemeente die de organisatie
of behandeling die ik wil inzetten, moet betalen, dat weigert, terwijl de Jeugdwet
duidelijk zegt dat de gezinsvoogd bepaalt welke hulp nodig is. Dit ondermijnt onze
rol en de veiligheid van het kind.» Een andere jeugdzorgmedewerker zegt: «Als we dan
eindelijk ergens een plek hebben gevonden, moet er weer onderhandeld worden met die
instelling. Dat duurt allemaal weer maanden, en ondertussen moeten het kind en het
gezin wachten, wachten en wachten. Dat komt ook doordat gemeenten inzetten op zo goedkoop
mogelijke hulp. Dat moet als eerste worden geprobeerd, soms via een hele reeks aan
zorgbedrijfjes of zelfs zorgcowboys die zeggen dat de zorg goedkoop geleverd kan worden.
Die zorg past dan niet bij het kind en het gezin. Na tig organisaties en nadat er
veel tijd overheen is gegaan, komt het kind dan eindelijk op een plek die eerst te
duur was bevonden, maar wel past. Maar dan zijn ze weer zoveel hulpverleners verder
en dan zijn het kind en het gezin zo vaak van hulpverlener gewisseld, dat het voor
het kind en het gezin nóg lastiger is om een vertrouwensrelatie op te bouwen. Want
waarom zouden zij een hulpverlener nog vertrouwen? Het is immers al de zoveelste die
voorbijkomt en ook wel weer zal weggaan. Dit brengt het kind en het gezin schade toe
en maakt de zorg zo veel duurder.» Ik noem ook de wanhoop van sommige jeugdzorgmedewerkers
als zij het vertellen: «Wij hebben het alleen nog maar over geld; zíj hebben het alleen
nog maar over geld. We zijn de hele tijd aan het onderhandelen over geld: kan het
niet goedkoper, kan het ergens anders niet goedkoper? Het gaat niet meer over het
kind. Het gaat niet meer over het gezin dat hulp nodig heeft, terwijl we daar zo hard
voor werken.»
Nogmaals, iedereen zegt het al jaren: het kind moet centraal staan in het systeem.
Ook in het nieuwe coalitieakkoord lezen we weer hetzelfde, maar concreet is het niet.
Met vage, mooie woorden komen we er echt niet. Als de coalitiepartijen dit menen,
laten we dan ook écht concrete stappen gaan zetten. De markt moet uit de jeugdzorg
gehaald worden. Daarom willen wij nu een commissie aanstellen die moet gaan onderzoeken
hoe de jeugdzorg kan worden vormgegeven zonder marktwerking, zonder aanbestedingen
en zonder openhouseprocedures; in plaats daarvan moet meer gewerkt worden met langdurige
subsidierelaties en vaste tarieven. Wij zijn niet de enigen die ertoe oproepen de
markt uit de jeugdzorg te halen. Ook Jeugdzorg Nederland doet die oproep, naast de
vele jeugdzorgmedewerkers, die hier gewoon echt heel veel last van hebben.
Als de voorbeelden die ik eerder noemde er nog niet van overtuigen dat dit nodig is,
dan toch dit. Ik sprak een aanbestedingsspecialist van een landelijke jeugdzorgaanbieder
en vroeg hem hoe dit nu allemaal werkt. Zij hebben 85 fte aan mensen in dienst die
alleen maar bezig zijn met het circus van aanbestedingen en inkoop. 85 fte! Eén aanbieder!
Dat zijn mensen die alleen maar bezig zijn met het aflopen van marktconsultaties en
het invullen van eindeloze formulieren. Ze zijn zo een heel jaar druk met één aanbestedingstraject,
voor één gemeente of één instelling, en elke gemeente waarmee zij moeten onderhandelen,
heeft ook weer aanbestedingsspecialisten in dienst. Dat zijn ook weer mensen die marktconsultaties
aflopen. Kom op, zeg! Dit zijn allemaal mensen die worden betaald van zorggeld. Vindt
de Staatssecretaris, en vindt de Kamer, dit echt een goede manier om zorggeld te besteden?
Graag een antwoord. Heeft de Staatssecretaris eigenlijk enig idee hoeveel dit kost,
hoeveel mensen hier elke dag mee bezig zijn? Zij worden betaald van zorggeld, maar
geven geen zorg. Als ze dat niet weet, waarom weet de Staatssecretaris dat dan eigenlijk
niet?
Weet u wie dat aanbestedingscircus vaak wint? Zorgcowboys, want die kunnen het zo
lekker goedkoop. Er is een jungle aan zorgbedrijfjes die het goedkoop kunnen aanbieden.
We weten allemaal waar dat toe leidt. Willen we echt dat het kind centraal staat en
niet het systeem, laten we dan een einde maken aan dat aanbestedingscircus. Ik reken
op steun vanuit de Kamer hiervoor.
Dan heb ik nog wat losse vragen. Hoe staat het met de uitvoering van onze motie om
te zorgen dat gemeenten niet op de stoel van jeugdzorgmedewerkers gaan zitten, en
dus verwijzingen van jeugdzorgmedewerkers niet gaan afwijzen of heroverwegen om de
kosten te drukken?
Als we het kind centraal willen stellen en niet het systeem, waarom is er dan nog
steeds private equity in de jeugdzorg? Dit zijn sprinkhaankapitalisten die alleen
geld willen verdienen en die het helemaal niet om de zorg voor kinderen en gezinnen
gaat. Graag een reactie, want hier zijn al tig moties over aangenomen.
Dan omzetplafonds in de jeugdzorg. Kom op, wat is daar de toegevoegde waarde van?
Zullen we die gewoon uit de jeugdzorg halen?
Voorzitter. Dan de bezuinigingen. Ik heb er ook een aantal interrupties aan gewijd.
De voorzitter:
Voordat u daarnaartoe gaat, is er een interruptie van de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik heb me als gemeenteraadslid in Amsterdam ook enorm gestoord aan het eindeloos moeten
aanbesteden. Mij is toen uitgelegd dat het boven een bepaald bedrag gewoon Europese
wetgeving is. Dan moet je aanbesteden. We zijn dus overgeleverd aan Europa, zeg ik
even heel extreem. Maar volgens mij is dit wel de situatie. Er zijn een paar constructies
mogelijk, zoals open house en dat soort dingen, maar daarbij gaat het om vrij kleine
gunningen. Hoe ziet u dat dan voor zich? Ik ben hier ook benieuwd naar. Tegelijkertijd
ben ik tegen een muur aangelopen.
Mevrouw Dobbe (SP):
We hebben deze vraag eerder gesteld aan de Staatssecretaris of de Minister; ik weet
niet meer wie het was. We hebben bevestigd gekregen, ook op schriftelijke vragen,
dat het niet hoeft. Je hoeft niet aan te besteden. Gemeenten kiezen er wel voor om
het te doen, maar het hoeft niet. Het gebeurt wel en daar willen we vanaf.
De voorzitter:
Duidelijk antwoord. U was bij de bezuinigingen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Wij zijn niets liever dan duidelijk, voorzitter.
Dan de bezuinigingen. Ondanks dat er tijdelijk wat extra geld beschikbaar was gesteld
voor de jeugdzorg, blijven er bezuinigingen ingepland staan, die oplopen tot wel 1,8
miljard euro in 2028. Ook op het gebied van de gehandicaptenzorg voor jongeren staan
er vanaf volgend jaar nog steeds bezuinigingen ingepland. De commissie-Van Ark noemde
de ingeboekte bezuinigingen een «zwaard van Damocles» boven de jeugdzorg. Nu is 2026
al begonnen en hebben we het hier over de begroting. Dit jaar moet er al bijna 0,5
miljard euro bezuinigd worden op de jeugdzorg, terwijl de hervormingen helemaal nog
niet bezig zijn en nauwelijks zijn bereikt. Waar gaat dat geld vandaan komen? Wij
weten dat de rekening komt te liggen bij de kinderen, bij de gezinnen en bij de jeugdzorgmedewerkers.
We weten inmiddels ook dat deze nieuwe coalitie, ondanks de mooie woorden over optimisme,
over het kind centraal en het systeem centraal, gewoon doorgaat met deze draconische
bezuinigingen op de jeugdzorg, net zoals zij 10 miljard euro extra – extra! – op de
hele zorg wil bezuinigen. Dit zijn desastreuze en onmogelijke bezuinigingen, boven
op alle onmogelijke bezuinigingen die al ingepland staan. Voor alle dingen die je
kapot kunt maken, laat je de zorg de rekening betalen. Het is een grove schande, net
zoals het gewoon doorzetten van de eigen bijdrage in de jeugdzorg. De SP stelt nu
voor om deze bezuinigingen op de jeugdzorg van tafel te halen, net zoals we voorstellen
zullen doen om de afbraak van de hele zorg door deze coalitie ongedaan te maken. Want
dit zullen en kunnen we niet accepteren.
Voorzitter. Vlak voor het debat sprak ik, net zoals een aantal mensen hier, met Emilio
en Het Vergeten Kind. Op zijn 11de is Emilio uit huis geplaatst. Hij sprak ook over
het gebrek aan gezinsondersteuning en over wat zijn uithuisplaatsing met hem heeft
gedaan. Zij vragen om meer regie. Zij vragen om regie op uithuisplaatsingen, zodat
we onnodige uithuisplaatsingen kunnen voorkomen. Natuurlijk kunnen wij dat steunen.
Ik sluit me graag aan bij de vragen die zijn gesteld over hoe het gaat in Flevoland
en over hoe we de uithuisplaatsingen kunnen voorkomen.
Voorzitter. Ik wil afsluiten met de woorden van een jeugdbeschermer over dit debat:
«Zonder fundamentele veranderingen kunnen wij als jeugdbeschermers niet doen wat nodig
is. Dit gaat ten koste van de veiligheid en toekomst van de meest kwetsbare kinderen.
We zijn echt veel kinderen met potentie aan het verliezen. Zij zullen opgroeien met
wantrouwen in het systeem en wantrouwen in de overheid. Dat kun je later in het leven
niet zomaar herstellen.» Ik sluit mij ook graag aan bij de vragen die zijn gesteld
over de erkenning en de excuses. Daar heeft de Kamer om gevraagd naar aanleiding van
het rapport van Jason. Zorgvuldigheid is goed en belangrijk, maar als je er te lang
over doet, is dat niet meer zorgvuldig. Dat verdienen deze mensen wel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij de volgende spreker. Het woord is aan mevrouw Moinat
namens Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Sinds vorige week ben ik woordvoerder op deze belangrijke
portefeuille. Zeker als oud-pleegmoeder – ik heb vijf jaar lang voor mijn pleegzoon
gezorgd – vind ik dit een heel belangrijk deel van VWS. Een op de zeven kinderen in
Nederland ontvangt jeugdhulp. Dat is een zeer hoog aantal, wat onze fractie betreft
veel te hoog. Op basis van afspraken tussen gemeente en provincie plaatsen Nederlandse
zorgaanbieders kinderen ook in het buitenland. We verliezen ze vervolgens grotendeels
uit het zicht. Dit is geen incident, maar een systeemfout. Waarom plaatsen we nog
steeds kinderen, bijvoorbeeld om ze uit een risicovolle omgeving te halen, tijdelijk
in het buitenland? Is de Staatssecretaris het met ons eens dat, gezien de ernstige
incidenten van mishandeling, en erger, die al meerdere keren naar voren zijn gekomen,
deze vorm van hulp ook in Nederland kan plaatsvinden? Zo nee, waarom hecht zij er
dan zo veel waarde aan dat deze plaatsing toch in het buitenland kan doorgaan?
De Staatssecretaris stelt dat Nederland eindverantwoordelijk blijft. Hoe ziet dat
toezicht er dan concreet uit? Wie kijkt mee, wie grijpt in en wie is aanspreekbaar
als het misgaat? Kan zij bevestigen dat de IGJ niet standaard geïnformeerd wordt over
buitenlandse plaatsingen, en dat er geen verplichte registratie of meldplicht bestaat
bij incidenten als mishandeling? Zo ja, vindt zij het aanvaardbaar dat kinderen die
onder Nederlandse verantwoordelijkheid vallen daar feitelijk buiten het zicht van
de toezichthouder kunnen verblijven, en zonder ingrijpen mishandeld kunnen worden?
Als we kinderbescherming serieus nemen, vraagt dat om afdwingbare keuzes in plaats
van goede bedoelingen. Is deze zorg op afstand eigenlijk wel nodig? Kunnen kinderen
die een andere omgeving nodig hebben, niet tijdelijk terecht in bijvoorbeeld Friesland
of Limburg? Zo blijven ze in beeld bij de IGJ en verdwijnen ze niet naar een buitenlandse
macht. Kinderen vallen dan onder onze eigen jurisdictie en zitten niet 500 kilometer
of nog meer verderop bij een tijdelijk gezin. Kan de Staatssecretaris vandaag toezeggen
dat bij ieder signaal van mishandeling of ernstige veiligheidsrisico's een buitenlandse
plaatsing per direct wordt opgeschort, tot onafhankelijk is vastgesteld dat het kind
veilig is? Of beter nog, kan worden bekeken of deze kinderen zo snel mogelijk in een
plaats in Nederland terechtkunnen, zodat toezicht voorhanden is? Wie is aanspreekbaar
als dit niet gebeurt? Welke partij wordt verantwoordelijk gehouden als mishandeling
niet wordt gezien, niet wordt gemeld en niet leidt tot ingrijpen?
Wie een kind uit huis plaatst, ook tijdelijk en ook in het buitenland, draagt wat
ons betreft de volledige verantwoordelijkheid voor de veiligheid en gezondheid van
het betreffende kind. Dat vraagt om toezicht en een echte stopknop. Alles minder dan
dat is volgens ons onvoldoende. Onze fractie zal daarom ook een motie indienen die
verzoekt om de plaatsing van kinderen voor jeugdhulp in het buitenland in beginsel
te stoppen.
De berichtgeving over gemeenten die dakloze moeders onder druk zetten met de dreiging
van Veilig Thuis is ronduit schrijnend. Het is goed dat de Staatssecretaris Langdurige
en Maatschappelijke Zorg helder stelt dat dakloosheid nooit een reden mag zijn voor
een melding bij Veilig Thuis en nooit als dreigmiddel mag worden gebruikt. Die norm
onderschrijven wij volledig. Tegelijkertijd constateren wij dat de Staatssecretaris
vooral wijst op bestaande wetten en verantwoordelijkheden van de gemeenten, terwijl
het probleem juist is dat deze kaders in de praktijk onvoldoende bescherming bieden.
Als moeders hulp mijden uit angst om hun kind kwijt te raken, dan faalt het systeem,
ongeacht hoe goed de regels op papier zijn. De Groep Markuszower vindt dat het Rijk
niet kan volstaan met gesprekken en pilots. Gemeenten moeten actief worden aangesproken
als zij gezinnen weren of druk uitoefenen. Wij missen concrete handhaving, duidelijke
landelijke instructies en zicht op consequenties bij overtredingen. Kan de Staatssecretaris
toezeggen dat zij richting gemeenten expliciet vastlegt dat dreigen met Veilig Thuis
onacceptabel is, en hier actief toezicht op houden? Wie om hulp vraagt, moet bescherming
krijgen en geen angst hebben dat een kind wordt afgepakt.
Vandaag wil ik ook nog stilstaan bij de hervorming van de jeugdzorg. We horen steeds
de bekende woorden: «het kind is niet het probleem», «het gezin staat centraal» en
«groepsgerichte hulp eerst». Dat klinkt mooi, maar de kernvraag is: gaat dat werken?
Groepshulp is goedkoper, maar goedkoper is niet automatisch beter. Kan de Staatssecretaris
concreet aangeven bij welke problematiek groepshulp aantoonbaar effectiever is dan
individuele zorg, en hoe wordt voorkomen dat groepshulp vooral een extra wachtrij
wordt?
Het risico is groot dat kwetsbare kinderen te lang in lichte trajecten blijven hangen,
waardoor hun problemen verergeren en de zorg uiteindelijk zwaarder en duurder wordt.
Kinderen met een kleine hulpvraag belanden zo soms in langdurige trajecten, terwijl
ze aan de voorkant, bijvoorbeeld met een luisterend oor van de praktijkondersteuner
ggz bij de huisarts, al voldoende geholpen hadden kunnen zijn. Gemeenten blijven verantwoordelijk,
maar krijgen opnieuw geen echte regie. Dit voelt als een stuurloze visie voor beleidsstukken
in plaats van concrete, direct werkende oplossingen voor kinderen en gezinnen. Ik
kan het weten, aangezien ik als raadslid bijna acht jaar aan de maatschappelijke kant
heb gewerkt. Er wordt niet voorkomen dat kinderen op wachtlijsten belanden, inclusief
de vaak vergeten wachtlijsten na de intake.
De Staatssecretaris spreekt over een cultuuromslag, maar cultuur verandert niet door
nota's. Zonder harde keuzes dreigt dit te eindigen in nieuwe woorden voor hetzelfde
probleem. Onze fractie wil geen volgende ronde met goede bedoelingen, maar een jeugdzorgstelsel
dat écht werkt voor kinderen, gezinnen en professionals, en dat daadwerkelijk luistert
naar kind- en jeugdpsychologen, die pleiten voor vroege consultatie in het voorveld,
zodat het kind direct de juiste hulp kan krijgen: licht waar het kan en zwaar waar
nodig. Er moet meteen concreet gekeken worden en goed worden doorverwezen. Niet elk
kind heeft immers meteen jeugdhulp nodig. Is de Staatssecretaris op de hoogte van
hoelang de wachtlijsten en de wachtlijsten na de intake zijn in de gemeenten? Mocht
de Staatssecretaris hier nu geen actueel beeld van hebben, is zij dan bereid met gemeenten
in overleg te gaan en deze informatie zo snel mogelijk met de Kamer te delen?
Ik dank u voor uw aandacht.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Moinat voor haar inbreng. We zijn gekomen aan het einde van de eerste
termijn van de zijde van de Kamer. Gelet op de vele vragen die zijn gesteld en vanwege
de lunchpauze, schors ik tot 13.55 uur. We schorsen dus voor een uur. We zien elkaar
straks weer en dan gaan de staatssecretarissen hun inbreng doen. Daar kijken we naar
uit. Ik schors de vergadering tot 13.55 uur.
De vergadering wordt van 12.55 uur tot 13.59 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen het wetgevingsoverleg Begrotingsonderdeel Jeugd. We zijn toegekomen aan
de eerste termijn van de zijde van het kabinet. De staatssecretarissen van VWS en
JenV hier zullen dat in blokken doen. Ik geef als eerste het woord aan de Staatssecretaris
van Volksgezondheid, Welzijn en Sport om ons even mee te nemen door de indeling van
de beantwoording, zodat de Kamerleden hun interrupties kunnen richten. Voordat ik
haar het woord geef: ik begin met maximaal zes interrupties en dan kijken we hoe de
tijd loopt tot 17.00 uur. Daar zult u mij aan kunnen houden en ik u. De Staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een zo kort mogelijke inleiding, dan een blokje over
de Hervormingsagenda Jeugd en de versterking daarvan. De Wet reikwijdte is het tweede
blokje. Het derde blokje gaat over de residentiële jeugdhulp, dus gesloten jeugdzorg,
pleegzorg en gezinshuizen. Het vierde blokje noem ik maar even «overig bedrijfsvoering»,
dus regels, contracten en afspraken. En dan heb ik ook nog wat resterende vragen,
wat nog best wel een dik mapje is, heel eerlijk gezegd. Dan is de Staatssecretaris
van JenV aan de beurt.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Tielen. Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter. Het eerste debat dat ik deed als Tweede Kamerlid ging over jeugdzorg.
In dat debat heb ik in mijn maidenspeech gerefereerd aan de film Ciske de Rat, wat
de eerste bioscoopfilm was waar ik ooit naartoe was geweest. Wat dat betreft vind
ik het wel aansprekend dat Stichting Het Vergeten Kind haar manifest Ciske heeft genoemd.
Dat is misschien wel een mooi startpunt van mijn eerste begrotingsdebat als Staatssecretaris
Jeugd.
Voorzitter. Vooruitkomen in het leven begint met gehecht en veilig opgroeien in goede
gezondheid en een veilige omgeving. Opgroeien is per definitie een weg vol pieken
en dalen. Dat is heel normaal. Als er vragen of zorgen zijn over dat opgroeien, dan
helpt het als er een warm en vertrouwd netwerk is rondom het kind en zijn gezin, want
dat werkt nou eenmaal het allerbeste. Dat is natuurlijk allereerst de rol van de ouders
en de opvoeders – verscheidene van uw leden gaven dat ook al aan – maar ook anderen
zijn heel belangrijk. We kunnen ons allemaal wel mensen herinneren die een rol hebben
gespeeld bij ons opgroeien: mensen op school, familie of vrienden, mensen op de sportvereniging
of andere mensen in de buurt.
Als er extra hulp nodig is, moet die ook op tijd en laagdrempelig beschikbaar zijn.
Dat kan in een buurt- of wijkteam of met de huisarts, samen met een docent of een
mentor of met de kinderopvang om samen te kijken wat nodig is om ondersteuning te
bieden aan gezond opgroeien. Als dat niet voldoende is, dan is het belangrijk dat
er aanvullende specialistische hulp wordt ingeschakeld en dat die ook beschikbaar
en van goede kwaliteit is.
Die beweging is niet nieuw. Ook daar refereerden verschillende Kamerleden al aan.
Dat is geen nieuw inzicht of een nieuwe visie. We zijn daar al jaren met elkaar mee
bezig. Maar het is wel belangrijk dat we er meer kracht op zetten en dat we er echt
voor gaan zorgen dat die beweging naar de voorkant – ik vind dat zelf een verschrikkelijke
beleidsterm, maar het zegt wel enigszins wat we bedoelen, namelijk zwaardere problemen
en zwaardere zorg terugbrengen naar ondersteuning en lichte hulp bieden in en om het
gezin – echt steviger wordt ingezet.
In sommige gemeenten gebeurt dat al. Hier en daar werd gesuggereerd dat het nieuw
is en dat we iets gaan creëren wat er nog niet is, maar het gebeurt al. Ik was vorige
week in Sint-Michielsgestel, waar de gemeente Den Bosch samen met Vught en Sint-Michielsgestel
een heel mooi jeugdhulpaanbod heeft. Het heet GROEN. Jongeren en ouders kunnen daar
snel en zonder wachtlijst op weg geholpen worden in collectief verband. Ouders die
ik daarover sprak, waren heel blij om zich niet alleen te voelen in hun vraagstukken.
Kinderen hoefden eigenlijk geen aanvullende specialistische jeugdhulp meer. Er zijn
ook andere voorbeelden. In Veendam, in Utrecht en in Oudewater gebeuren al heel veel
goede dingen. Ik zal daar een aantal keer aan refereren in mijn antwoorden. Het is
zaak dat dit in alle gemeentes in Nederland neergezet wordt. Dat is nodig, zodat we
het aantal van een op de zeven jongeren die nu een vorm van jeugdhulp krijgt – dat
zijn 500.000 jongeren; iemand zei het al: in elke schoolklas vier kinderen – terug
gaan brengen. Ja, dat is een financieel vraagstuk, maar financiën volgen het beleid
en het resultaat. Het is voor mij dus geen financieel doel, maar vooral een doel voor
al die kinderen en hun gezinnen, om te zorgen dat men gewoon in de buurt geholpen
wordt met vraagstukken en dat we terug kunnen gaan naar minder druk op de jeugdzorg.
Dat is ook goed voor de medewerkers in de jeugdzorg.
De hervormingsagenda kende vijf lijnen: het versterken van ouderschap, het creëren
van stevige lokale teams, het terugdringen van aanvullende hulp, het verbeteren van
de kwaliteit en het verminderen van het aantal uithuisplaatsingen en de toepassing
van de gesloten jeugdhulp. Nogmaals, het is niet nieuw, maar we gaan er wel steviger
mee aan de bak. Dat heeft u in mijn brief kunnen lezen. Een van de dingen die daarvoor
nodig is, is het wetsvoorstel Reikwijdte. Over beide dingen zijn vragen gesteld, dus
laat mij naar de vragen gaan.
Allereerst over de Hervormingsagenda Jeugd. Enkelen van u vroegen: hoe realistisch
is nou die doelstelling om van 500.000 terug te gaan naar 350.000 in een paar jaar
tijd? Dan gaat het over kinderen en hun gezinnen die gebruik moeten maken van jeugdhulp
en jeugdzorg. Ja, het is een ambitieuze doelstelling. Ik ben de eerste om dat toe
te geven, maar ik geloof echt dat het haalbaar is. Ik wil het niet overdrijven, maar
denk aan de man op de maan. Dat was in die tijd een bijna onmogelijke doelstelling,
maar het is wel gelukt. Dat gaat niet vanzelf; dat moeten we samen doen. Ik bepaal
als Staatssecretaris de koers, maar ik kan het niet alleen. Ik doe dat samen met gemeentes,
jeugdzorgaanbieders, professionals, cliëntenorganisaties en andere departementen van
de rijksoverheid. Ik denk dat als we gezamenlijk die visie hebben voor waar we naartoe
willen – ik heb net geschetst hoe we dat in de hervormingsagenda hebben opgeschreven
– we dat met vereende krachten echt voor elkaar kunnen krijgen, maar het is wel ambitieus.
Het betekent ook echt een verschil met het maar een beetje aanzien, wat we in de afgelopen
jaren misschien te veel hebben gedaan, of het verschillend kijken naar dingen waardoor
we afgeleid zijn van de richting. Deze vraag was door verschillende mensen gesteld,
dus ik hoop dat dit antwoord voldoende is.
Dan kan ik door naar de vragen die daarop aansloten. Zijn er stappen die nu al sneller
gezet kunnen worden? In de brief heb ik een routekaart opgenomen met daarin de verschillende
elementen die eraan moeten bijdragen om de hervormingsagenda wat meer kracht te geven.
Dat betekent dus dat er ondertussen al van alles aan de gang is. Ik gaf net aan in
welke gemeentes er al veel gebeurt en welke jeugdzorgaanbieders daar actief bij betrokken
zijn. Heel veel gemeentes zijn dus ook al bezig om te kijken wat ze kunnen doen zodat
de stevige lokale teams meer kracht en professionaliteit krijgen. Ze kijken ook hoe
ze met inkoop en contractering betere afspraken kunnen maken over wat je mag verwachten
van aanvullende jeugdhulp. Over het convenant over stevige lokale teams is heel veel
gesproken en op papier gezet. Heel veel gemeentes zijn daarmee aan de bak. Die zijn
ook in overleg met de huisartsen in de gemeentes om te zorgen dat er gezamenlijk wordt
gezorgd voor ondersteuning en hulp aan jeugd en gezinnen. Zoals ik al zei, zijn er
hele mooie voorbeelden. Het is dus niet zo dat er niks gebeurt totdat iemand ergens
op een knopje drukt. Er gebeurt al heel veel, maar ik denk dat we dat veel gelijkgerichter
moeten doen. Daar heb ik de afgelopen maanden afspraken over gemaakt met al de partijen
die ik al noemde.
Er werd gevraagd welke pijnlijke keuzes er nodig zijn. Het klinkt misschien wel makkelijk
dat we stevige keuzes moeten maken en dat die soms pijnlijk kunnen zijn, maar het
gaat natuurlijk om wat je biedt en hoe je dat doet in overleg met gezinnen en kinderen.
Is jeugdzorg altijd nodig? Nee. Soms ziet een professional dat al. Die zegt dan: eigenlijk
is het niet nodig; zou dit of dat kunnen helpen? Maar dat is lang niet altijd het
antwoord dat mensen graag willen horen. Het is dus op zichzelf pijnlijk dat je daarover
met elkaar in gesprek moet. Dat betekent dus ook dat er in de stevige lokale teams
in gemeentes goede professionals moeten zitten, die aan de ene kant de kwaliteit hebben
dat ze inzicht hebben in de daadwerkelijke problematiek. Ligt het bij het kind, bij
de opvoedstijl of toch eigenlijk – ook daar is al eerder aan gerefereerd – bij andere
problemen in het gezin, zoals armoede en schulden, verslaving of psychiatrische problematiek?
Ze moeten weten wat dan de beste oplossing is. Dat is niet iets waarbij ouders erheen
gaan, een gesprek van tien minuten hebben en dan het goede antwoord hebben. Dit zijn
natuurlijk echt gesprekken waar kwaliteit voor nodig is. Is dat meteen pijnlijk? In
ieder geval is dat niet al te makkelijk; laat ik het zo zeggen. We kennen ook allemaal
wel voorbeelden van ouders die om hulp vragen en eigenlijk verwachten dat ze die meteen
krijgen op de manier waarop ze denken dat het het beste is, terwijl professionals
met een bredere blik soms zien dat andere oplossingen meer voor de hand liggen of
in ieder geval effectiever zijn. Dat is misschien het pijnlijke wat we bedoelen: op
basis van goede analyses kan de goede hulp worden geboden.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Een aantal mensen, waaronder ik, vroegen inderdaad naar de doelstelling en of die
haalbaar is. Dan hoor ik de Staatssecretaris zeggen dat er veel gebeurt en dat er
keuzes gemaakt moeten worden, zoals over stevige lokale teams. Dat zijn allemaal woorden
die volgens mij iedereen hier onderschrijft, maar mijn vraag aan de Staatssecretaris
is dan waar zij het op baseert dat die doelstelling nu wel haalbaar is, als dit de
afgelopen jaren, sinds ik in de Kamer zit, en ook daarvoor al voortdurend gezegd is
– ik denk dat de mensen die hier in de zaal zitten dit misschien nog wel veel langer
horen – en we weten dat de problemen groter zijn dan ooit. De hulpverleners, de jeugdzorgmedewerkers,
gaan de komende tijd weer staken, omdat er weer enorme problemen zijn, of ze gaan
actievoeren. Waar baseert zij het dan op dat er nu echt wat anders gedaan gaat worden
dan de afgelopen jaren is beloofd? Dat vraag ik omdat dat overduidelijk voor onvoldoende
resultaten heeft gezorgd.
Staatssecretaris Tielen:
Om heel eerlijk te zijn, denk ik dat we in de betrokken organisaties heel veel tijd
besteden aan het met elkaar afwegen van belangen. Iedereen doet dat vanuit het eigen
belang en dat vind ik ook terecht, maar het is soms misschien goed om het eigen belang
van de organisatie en de aangesloten organisaties niet per se helemaal bovenaan te
zetten, maar om eventjes weer te kijken waar het om gaat. Dan, zoals u ook allemaal
zei, zien we allemaal waar het om gaat, namelijk om kinderen en hun gezinnen voor
wie de problematiek te groot is om zelf op te lossen. Daar moeten we mee aan de slag.
Dat betekent dat we verder moeten gaan dan de eindeloze ... Het woord «eindeloos»
is misschien iets te stevig. Deze tafels worden natuurlijk heel veel gebruikt om met
elkaar over van alles en nog wat te onderhandelen. Onderhandelen betekent per definitie
dat je ervan uitgaat dat je verschillende belangen hebt. Die zijn er, maar dat moet
je niet wegduwen.
Je kan wel met elkaar vooropstellen waar het om gaat. We hebben een hervormingsagenda.
Daar is door allerlei slimme mensen heel veel over opgeschreven. Daar staan allemaal
goede dingen in. De deskundigencommissie heeft daar ook aan gezeten. Laten we dat
nou eens even als basis pakken en dan met elkaar afspraken maken. Dan licht ik vast
een tipje van de sluier op van het blokje twee, over de Wet reikwijdte. Dat is ook
de reden dat die wat meer tijd heeft gekost. Ik kan namelijk van alles uitroepen en
toezeggen, maar ik kan het niet in mijn eentje oplossen. Ik heb gemeentes, jeugdzorgaanbieders,
professionals en cliëntenorganisaties nodig om echt met elkaar diezelfde visie te
omarmen of in ieder geval te onderschrijven en met elkaar te zorgen dat het voor elkaar
komt. Ik kan dat niet met cijfers hard maken, maar ik zie wel vooruitgang in het met
elkaar zoeken naar de manier waarop we dat gezamenlijk doen. Dat is volgens mij uiteindelijk
de enige methodiek om het met elkaar ook voor elkaar te krijgen. Als we dat allemaal
onderschrijven heb ik er dus vertrouwen in dat het ook lukt.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Maar ook dit zijn geen nieuwe woorden. Met alle respect voor deze Staatssecretaris:
ook dit zeggen we al heel lang tegen elkaar, vinden we al heel lang enzovoort. Mijn
zorg is dat er wel een ambitieuze doelstelling op tafel ligt, maar dat de plannen
die nodig zijn om tot die maatregelen te komen, niet worden uitgevoerd. Ik kijk naar
het komende coalitieakkoord. Er staat helemaal niets nieuws in, niets nieuws ten opzichte
van wat er de afgelopen acht jaar is gezegd. Ik kijk naar de commissie-Van Ark. Iedereen
zegt: we onderschrijven wat er in dat rapport – het is een stevig rapport – staat.
Vervolgens wordt het niet uitgevoerd. Een heel aantal aanbevelingen die in het rapport
van de commissie-Van Ark staan – ik heb natuurlijk die routekaart enzovoort allemaal
goed bestudeerd – worden gewoon niet opgevolgd. Daar zit mijn zorg: dat iedereen wel
hetzelfde vindt, maar dat we vervolgens exact hetzelfde blijven doen als de afgelopen
jaren. Ik ben dus bang dat dit met de maatregelen van de komende coalitie nog erger
wordt, maar ik snap dat de Staatssecretaris daar niks over gaat zeggen. Waar baseert
zij het dan op dat die doelstellingen nu wel worden gehaald? Wat gaat er dan nu echt
fundamenteel anders worden?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld verwijst naar dingen die niet gedaan worden. Het punt is dat het
wel gedaan wordt, maar lang nog niet overal. Dat is, denk ik, het grote verschil.
Er zijn echt een aantal gemeentes waar dingen heel goed gaan, waar stevige lokale
teams zijn die breed kijken. Daar is collectief aanbod voorliggend waardoor kinderen
letterlijk zeggen: haal mij maar van die wachtlijst af, want ik ben eigenlijk al geholpen
met wat ik doe. Daar zijn ouders goed betrokken en worden ook andere elementen uit
het sociaal domein aangepakt als dat nodig is. Die gemeentes zijn er. Alleen zijn
er nu nog te weinig gemeentes waar dat heel goed lukt. Volgens mij hebben we nu met
elkaar in «de vijfhoek» afgesproken dat we dat gewoon breder uit gaan rollen. Ik hoef
dus ook niet helemaal origineel te zijn; we hoeven niet allemaal nieuwe dingen te
bedenken, want volgens mij delen we de analyses en delen we de oplossingen. Daar zit
het probleem niet. Het probleem zit in het gewoon daadwerkelijk de daad bij het woord
voegen en overal in Nederland stevige lokale teams hebben en dat soort zaken.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Daar wil ik toch nog even op voortborduren. Er zijn dus blijkbaar ook gemeentes waar
dat dan dus nog niet op orde is of waar het lastig is. Ik zou eigenlijk aan deze Staatssecretaris
willen vragen of het mogelijk is dat wij eens een overzicht krijgen van waar dat dan
blijkbaar toch nog best wel ingewikkeld is. Het kan namelijk niet zo zijn dat dit
in het ene deel van Nederland wel goed geregeld is en in het andere deel niet. De
signalen van waar het niet goed gaat, bereiken ons natuurlijk wat sneller dan de signalen
van waar het wel goed gaat. Ik zou graag in de vorm van een brief in ieder geval willen
zien waar het wel goed gaat, waar het nog niet goed gaat en waarom het daar dan nog
niet goed gaat, inclusief een tijdpad – ik gebruikte dit woord al in mijn eigen bijdrage
– van wanneer we wat kunnen verwachten. Zo meteen gaan we het ook hebben over de wet
over de reikwijdte. Met zo'n tijdpad kunnen we voorkomen dat we op een gegeven moment
die eindeloze discussies – ik ga het woord maar wel gebruiken – krijgen over wanneer
er wat gebeurt en de afrekenbaarheid daarin. Dat gesprek heeft niet zo veel nut als
we niet weten wanneer we nou exact wat kunnen verwachten en waar we waarschijnlijk
het volgende kabinet dan ook op kunnen aanspreken. Ik heb dus eigenlijk een paar vragen,
maar die gaan wel gericht hierover.
Staatssecretaris Tielen:
Voor dat tijdpad verwijs ik toch gewoon naar de routekaart. Volgens mij heb ik die
vorige week gestuurd, dus laten we die gewoon even als basis gebruiken. Ik hoop dat
mevrouw Coenradie mij niet vraagt om van 342 gemeentes een soort rood-geel-groen-overzichtje
te maken met daarbij de uitleg wat er precies wel en niet goed gaat, want dat gaat
me enorm veel administratieve lasten opleveren. Dat geldt niet alleen voor mij – want
dan zou ik nog denken: oké – maar ook voor al die gemeentes, terwijl we volgens mij
juist willen dat we die hele administratieve last niet laten oplopen. We kunnen wel
een aantal voorbeelden geven van waar dingen goed gaan. Ik noemde er al een paar.
De rode draad daarin is vaak dat partijen elkaar weten te vinden en dat gemeentes
samen met professionals en lokale teams met verschillende expertises vanuit andere
sociale domeinen een manier vinden om dicht bij het gezin, laagdrempelig, inzicht
te krijgen in wat er niet zo goed gaat en wat dan de beste oplossing is. Daar kan
ik dus een aantal goede voorbeelden van op papier zetten als mevrouw Coenradie dat
na dit debat nog nodig heeft, maar ik ga geen stoplichtmodel van alle 342 gemeentes
toezeggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Toch zou ik dat wel willen. Een aantal goede voorbeelden wil ik best geloven en het
is ook fijn om te praten over de goede voorbeelden, maar daarvoor zitten we hier vandaag
niet. Althans, er zijn ook tal van niet-goede voorbeelden, als ik alle verhalen van
iedereen zo beluister. Daar liggen ook precies de zorgen. Op het moment dat wij veel
meer inzicht krijgen in waar zaken niet goed gaan, kunnen we veel beter zien waar
het dan misgaat, wat er nodig is en wat er vanuit ons als Tweede Kamer, dus niet vanuit
de lokale overheid, maar vanuit de landelijke overheid, nodig is om dat bij te sturen.
Nu blijven we gewoon geen grip hebben. We weten dat het daar wel een beetje goed gaat,
maar dat het overall eigenlijk niet zo goed gaat. Het blijft voor mij gewoon heel
erg wazig. Misschien ben ik de enige in dit debat, hoor. Maar ik krijg hier gewoon
niet een gevoel van grip op. Ik wil dat gevoel wel hebben.
De voorzitter:
Grip.
Staatssecretaris Tielen:
Ik hou van grip, hoor. Ik hou ook van regie en dat soort zaken. Tegelijkertijd denk
ik dat een van de aspecten rondom opvoeding, jeugd, gezin en het bieden van daadwerkelijk
goede, passende jeugdzorg is dat lang niet alles in vakjes, criteria en cijfertjes
te vangen is. Dat is misschien precies een van de kernproblemen waar we nu als samenleving
naar kijken als we het hebben over jeugdhulp. We proberen alles te normaliseren en
binnen bandbreedtes te krijgen. Met alles wat daarvan afwijkt, moet iets gebeuren.
Ik denk echter dat een deel van de oplossing juist in iets zit waar we überhaupt geen
grip op hebben, maar wat wel heel belangrijk is en waar we met elkaar als samenleving
een dialoog over moeten voeren, namelijk: wat vinden we acceptabel en wat niet?
Iemand zei in de eerste termijn al dat de perfecte opvoeding of het perfecte gezin
niet bestaat. Nee. Ik denk zelf dat dat je ook helemaal niet tot een vrije, zelfstandige
volwassene brengt. Dus ja, ik begrijp de neiging tot grip heel erg, zeker omdat we
het hebben over jongeren, in sommige gevallen in heel kwetsbare situaties. We willen
er als samenleving en zeker als rijksoverheid in ieder geval alles aan doen om daar
een vangnet voor te hebben, zodat dingen niet uit de hand lopen. Maar laten we onszelf
ook niet voor de gek houden en denken dat we met een overzicht met alle cijfers, alle
gemeentes enzovoort alles in handen hebben om de jeugdhulp tot een hoger niveau te
krijgen. Ik denk namelijk niet dat dat de route is. Sorry, dit was een lang antwoord,
voorzitter.
De voorzitter:
Ja. Het was ook hetzelfde antwoord. Ik kijk even naar mevrouw Coenradie. Een derde
interruptie?
Mevrouw Coenradie (JA21):
Ja, voorzitter, dan inderdaad een derde interruptie. De onderliggende vraag is of
we eigenlijk inzichtelijk hebben waar het wel goed gaat en waar het niet goed gaat.
Als het antwoord daarop ja is, dan is het volgens mij niet ingewikkeld om de Kamer
te voorzien van een overzicht. Ik vraag niet om allerlei cijfers. Je kunt met elkaar
kijken wat er nodig is voor een overzicht. Ik wil gewoon weten waar het niet goed
gaat en waar dus aandacht nodig is. Gaat het om heel veel gemeenten of niet? Ik heb
nu geen idee. Gaat het over twee gemeenten in het land, of over 80% van de gemeenten?
Waar hebben we het nou eigenlijk over? Het kan niet ingewikkeld zijn om dat boven
tafel te krijgen. Anders is er inderdaad geen grip en geen regie en zitten we hier
de volgende keer weer hetzelfde gesprek te voeren.
Staatssecretaris Tielen:
Ik zei al: als mevrouw Coenradie die 342 kleurtjes wil, dan krijgt ze die wat mij
betreft niet. Ik snap wel wat mevrouw Coenradie zegt. Ik zal kijken hoe ik dat op
kan schrijven. De goede voorbeelden die ik noem, zijn natuurlijk de voorlopers die
het heel goed doen. We hebben allemaal voorbeelden van achterlopers, om het zo maar
te zeggen. De grote kunst is volgens mij om die hele middengroep mee te krijgen met
de voorhoede. Dat is waar we naar zoeken, denk ik. Dat is waar we met de lijnen in
de hervormingsagenda ook richting aan willen geven. Als mevrouw Coenradie zegt dat
«goed» betekent dat het volgens de lijnen van de hervormingsagenda loopt – ik denk
dat we elkaar daarin vinden – dan denk ik dat ik daar wel een enigszins kwalitatieve
duiding aan kan geven. Dat heeft dan ook het doel om juist de middengroep, die misschien
nog een beetje zoekt naar een voorbeeld of naar hoe het moet, mee te krijgen met de
voorlopers. Ik ben zeker bereid om dat inzichtelijk te krijgen.
De voorzitter:
Kunnen we dat inzicht verwachten – ik noem maar wat – voor het zomerreces? Een brief?
U weet hoe het werkt, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Dat is het ingewikkelde van de dag van vandaag, natuurlijk. Het late voorjaar, is
dat wat? Het late voorjaar, dus zeker vóór de zomer. Ik weet dat termijnen in de Kamer
altijd allerlei mooie eufemistische termen ...
De voorzitter:
Dan hebben we «voor het zomerreces» en niet «voor de zomer»; dat zijn ook altijd van
die... Maar goed, gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
We zijn bezig met een soort monitor om de uitvoering van de hervormingsagenda wat
meer body te geven. De eerstvolgende keer dat we hierover schrijven, zal ik in antwoord
op de aanvraag wat meer woorden hieraan wijden.
De voorzitter:
Excuus. Ik had niet onthouden dat mevrouw Dobbe een interruptie wil doen.
Mevrouw Dobbe (SP):
In het late voorjaar of voor de zomer horen wij dan hoe het loopt met de hervormingsagenda,
maar ondertussen wordt de bezuiniging die erbij hoort, of de besparing die ingeboekt
zou moeten worden op basis van die hervormingen, al wel 100% doorgevoerd. Dat is bijna
een half miljard euro. De commissie-Van Ark, die ik hier net als mevrouw Westerveld
al eerder noemde, zei: «Doe dat nou niet. Ga eerst besparen en als dat lukt, boek
je ’m in. Boek ’m dus in als een pm-post.» Dat heeft dit kabinet niet gedaan. Ik hoorde
de Staatssecretaris zeggen dat er een middengroep is en een achtergroep. Er gebeuren
goede dingen, maar lang niet overal. Het gebeurt op te weinig plekken en het probleem
is dat op te weinig plekken de daad bij het woord wordt gevoegd. Het is dan toch duidelijk
dat de hervormingsagenda niet op alle plekken op het niveau loopt zoals we hadden
gepland, maar die bezuiniging wordt wél ingeboekt. Dat kan toch niet zonder gevolgen
blijven? Ik zou van de Staatssecretaris willen horen welke gevolgen dat volgens haar
heeft, zeker voor de middengroepen en achtergroepen die het nu dus blijkbaar al niet
lukt.
Staatssecretaris Tielen:
Conceptueel-theoretisch zou ik kunnen zeggen dat het interessant is om dat pm te doen,
want ik vind ook dat financiën uiteindelijk beleid moeten volgen. Maar zo werkt het
natuurlijk niet. Bovendien helpt het soms ook om gewoon te beginnen met de hervorming
die als doel heeft om daadwerkelijk minder jeugdhulpgebruik voor elkaar te krijgen.
Een aantal van de echte voorlopers laten ook zien dat het kan. We gaan het wat mij
betreft dus niet veranderen. Ik geloof zelfs dat het echt kan helpen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Theoretisch gezien is het dus een goed idee, maar in praktijk doen we het anders.
Dan mis ik toch wel de erkenning door deze Staatssecretaris dat dit gezinnen, jongeren
en het werk van jeugdzorgmedewerkers ook heel erg kan beschadigen. Je legt namelijk
een bezuiniging op die niet is gebaseerd op een maatregel, want die maatregel is misschien
nog niet doorgevoerd, maar ik mis de erkenning dat dit allemaal zonder schade aan
onze jeugdzorg kan. Dat vind ik heel kwalijk, want die komt er natuurlijk wel.
Staatssecretaris Tielen:
De vraag is wat mevrouw Dobbe mij nu precies vraagt. Uiteindelijk hebben wij in 2015
een aantal afspraken gemaakt. Daar is op een gegeven moment de Hervormingsagenda Jeugd
uit voortgevloeid, met daarin de lijnen die ik zojuist al aangaf. Inmiddels gaat er
telkens heel veel meer geld naar de jeugdzorg. Dat komt deels niet bij jongeren terecht,
omdat het aan administratieve lasten en dat soort dingen wordt uitgegeven. We zijn
er hard mee bezig om dat in te dammen. Het is nog steeds heel veel meer geld dan het
ooit was. Dat zei iemand anders volgens mij ook. Elk jaar komt er meer geld bij.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, maar dat is het punt dat we altijd bereiken, in elk zorgdebat waarbij er wordt
bezuinigd. Op het moment dat er geen concreet antwoord kan worden gegeven, komt het
antwoord dat we elk jaar meer aan zorg besteden. Maar toch bezuinigen we; dat is wel
wat er gebeurt. In de praktijk wordt er nu bezuinigd op de jeugdzorg, bijna een half
miljard euro dit jaar. De Staatssecretaris weigert te erkennen dat dat negatieve gevolgen
heeft voor kinderen, gezinnen en mensen die het werk doen. Dat vind ik heel kwalijk,
want dat is gewoon niet eerlijk. Wees er dan ook eerlijk over en zeg: deze bezuinigingen
hebben gevolgen; dat is heel pijnlijk, maar wij kiezen hiervoor. We kunnen er namelijk
ook voor kiezen om dit niet te doen. Wees er dan eerlijk over.
Staatssecretaris Tielen:
Wij geloven dat heel veel van de oplossingen voor juist die kinderen in kwetsbare
situaties liggen in de route die we met de hervormingsagenda neerzetten. Dat betekent
dat er minder zware jeugdhulp nodig moet zijn en veel meer gedaan moet worden in het
voorportaal. Dat zijn dus de lokale teams, enzovoorts. Dat kan echt. We kunnen het
geld dus veel beter met z'n allen besteden als we allemaal hetzelfde pad belopen,
dezelfde visie hebben daarop en met elkaar optrekken. Ik ben ervan overtuigd dat we
daarmee de jeugdzorg kunnen verbeteren. Dat geldt zeker voor de toegang tot de jeugdzorg,
voor al die kinderen die nu in kwetsbare situaties te lang moeten wachten. Daarmee
zijn een aantal vragen beantwoord.
Dan kom ik bij de vraag, onder anderen gesteld door mevrouw Westerveld, over de eigen
bijdrage als onderdeel van de ambitie. Dit is ook niet de eerste keer dat we hierover
van gedachten wisselen in een debat, maar ik snap de vraag. Uiteindelijk hebben we
in het bredere pakket van maatregelen rondom de Hervormingsagenda Jeugd en de versterking
van de jeugdzorg afgesproken dat er een eigen bijdrage komt. Hoe die er precies uit
zou zien, is destijds niet met elkaar besproken. We zien dat het beroep op de individuele
jeugdhulp best wel hard gegroeid is, terwijl dit vaak niet de enige of de beste oplossing
voor de problemen van die kinderen is, maar wel een grote druk op de beschikbaarheid
legt. Dat is de reden om te werken aan een eigen bijdrage, waarbij met name het doel
is om bewuster te kijken of de vervolghulp die we nu kiezen passend en effectief is.
Er is daarvoor een besparing van 260 miljoen euro opgeschreven. We zijn nu de verschillende
vormen waarin het kan op een rijtje aan het zetten, ook indachtig de oproep die een
aantal keren vanuit de Kamer heeft geklonken: hou nou oog voor juist die kwetsbare
gezinnen en kinderen die op andere vlakken ook al veel problemen voor de kiezen krijgen.
Dat zijn we nu op een rijtje aan het zetten en dat komt later dit jaar naar uw Kamer.
Dat waren de vragen over de eigen bijdrage.
Meneer Stoffer vroeg hoe het staat met de brede jeugd- en gezinsaanpak. Volgens mij
is juist in die hele richting met stevige lokale teams de brede jeugd- en gezinsaanpak
geïncorporeerd, om het maar zo te zeggen. Daarnaast zijn we, zoals ook in de brief
stond, bezig met die sociale agenda voor Nederland, waar ook de andere domeinen bij
betrokken zijn. Daar hoort het prachtige woord «integraliteit» bij. Dat betekent dat
we naast zorg ook oog hebben voor wonen, gezondheid, veiligheid en onderwijs, om op
die manier rondom gezinnen ook laagdrempeliger hulp te kunnen geven. Die sociale agenda
voor Nederland wordt later dit kalenderjaar naar uw Kamer gestuurd; dat wil zeggen,
de voortgang op dat gebied. We hebben een ontwerp voor de Nationale Jeugdstrategie
opgeleverd, waarbij we met name voor jongeren tussen 12 en 29 kijken hoe we op al
die domeinen stappen kunnen zetten. Dat doen we samen met andere departementen van
de rijksoverheid, maar daarover zijn ook gesprekken met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en de Nationale Jeugdraad. Dat loopt dus. Ik zie de heer Stoffer niet, dus
ik kan niet controleren of hij dat herkent.
De financiering van een sterke pedagogische basis. Enkele Kamerleden refereerden al
aan een sterke sociaalpedagogische basis. «It takes a village to raise a child», werd
al genoemd. Bij een sterke sociaalpedagogische basis op meerdere domeinen spelen lokale
teams een rol, net als samenwerking met scholen, welzijnsorganisaties in de gemeenten
enzovoort, enzovoort. Dat is ook onderdeel van de afspraken met de gemeenten.
Mevrouw Moinat vroeg wanneer groepshulp effectief of beter is. We zien dat het helpt.
De voorzitter:
Voordat u verdergaat: er is een interruptie van de heer Hamstra van de CDA-fractie.
De heer Hamstra (CDA):
Mijn vraag zag erop dat in uw voortgangsbrief gesproken wordt van een minimumniveau
voor die sociaalpedagogische basis. Wat ziet u dan als minimum en waarom is dat het
minimum? Kunt u daarvoor een adequate onderbouwing geven?
Staatssecretaris Tielen:
We hadden het net al eventjes over hoe het wel en niet goed gaat in gemeentes. In
elke gemeente is er natuurlijk nagedacht, in 2014–2015 al, over de vraag: hoe past
dit het beste in onze gemeente, wat moeten we inrichten? Nu proberen we, in overleg
met gemeentes, aan te geven wat er nodig is om het lokale team goed in te richten
en wat de sociale basis is. Je moet ervoor zorgen dat er een verbinding is in de afspraken.
Dan gaat het om welzijnsorganisaties, inloop- en ontmoetingsplekken en infrastructuur
voor informele steun. Dat klinkt een beetje raar, maar het gaat erom hoe je ervoor
zorgt dat informele steun ook betrokken wordt bij problematiek. Denk ook aan de betrokkenheid
van bijvoorbeeld de jeugdgezondheidszorg, die bijna 100% van de gezinnen met jonge
kindjes ziet. Die samenwerking moet je in ieder geval hebben afgestemd in de gemeentes.
Daarnaast moeten de lokale teams de mogelijkheid hebben om als team laagdrempelige
hulp te bieden en breder te kijken dan alleen naar problematiek rondom het kind. Denk
aan problematiek rondom armoede en schulden, geestelijke gezondheidszorg en al die
dingen die we eerder noemden. We proberen dit vast te leggen, zodat elke gemeente
zich hierop kan baseren en weet: dit wordt er van ons verwacht.
De heer Hamstra (CDA):
Tot slot. Er komt in het late voorjaar een brief naar de Kamer toe. Misschien is het
goed om daarin de best practices op te nemen van gemeenten die de sociaalpedagogische
basis hebben ingericht. Ik heb zelf ook wel wat voorbeelden. Ik denk dat dat andere
gemeenten kan helpen.
Staatssecretaris Tielen:
Dan hoop ik dat meneer Hamstra het oké vindt dat we niet alle 342 gemeentes op een
rijtje zetten, want dan wordt die brief veel te dik. Maar inderdaad, op die manier
kun je dat doen. Welke gemeentes lopen hierin voorop en hebben dit volgens de normen
en afspraken goed ingeregeld en welke lopen echt achter? Dan kunnen we de gemeentes
in het midden – dat is waarschijnlijk de grootste groep – een handreiking geven om
daarover in gesprek te gaan met hun gemeenteraden, want zo wil ik het wel graag zien.
De laatste vraag in het blokje Hervormingsagenda Jeugd gaat over groepshulp. Mevrouw
Moinat vroeg hiernaar. We zien dat het werkt in gemeentes – een voorbeeld van hoe
die pedagogische basis kan worden ingevuld – waar jongeren in groepen met elkaar spreken
onder begeleiding van professionals over hun eenzaamheidsproblematiek, angsten of
depressies. Soms staan ze op een wachtlijst. In de voorbeelden – dat is geen gekwantificeerd
onderzoek – zegt ongeveer de helft van de jongeren: «Dit helpt mij enorm. Ik weet
dat ik niet alleen ben. Ik ben met peers daarover in gesprek.» We weten dus dat dat
helpt. Er blijven natuurlijk altijd vraagstukken die je niet in groepsverband oplost.
De weg moet altijd openblijven voor jongeren en ouders die alsnog individuele hulp
nodig hebben. Maar we willen eigenlijk stimuleren om te beginnen met collectief aanbod,
omdat het vaak gewoon echt heel veel helpt.
Dan ga ik naar het volgende thema. Dat is de Wet reikwijdte. Ik had er al een paar
tipjes van de sluier over opgelicht. De vraag was: waarom kan het niet sneller? «Ons
was 2023 beloofd en nu krijgen we hem pas aan het eind van het jaar te zien.» Ik heb
al gezegd dat ik het heel belangrijk vind dat we de hervormingsagenda gezamenlijk
opstellen. Het moet dus niet zo zijn dat het Rijk verzint hoe het moet en dat de rest
dan maar geacht wordt hierin mee te gaan. Het moet echt een gezamenlijk proces zijn,
zeker met gemeenten. We verwachten namelijk heel veel van de gemeenten daarbij.
We hebben heel zorgvuldig gekeken, zowel in de diepte als in de breedte, naar wat
we verwachten van het wetsvoorstel Reikwijdte. Het is namelijk eigenlijk een aanscherping
van de Jeugdwet, waarbij we de kwaliteit en de toegang van jeugdzorg proberen te verbeteren.
Daarover zijn we uitgebreid in gesprek geweest met gemeenten, andere departementen,
jeugdzorgaanbieders, cliëntenorganisaties en professionals, om uiteindelijk te kijken
of hij ook daadwerkelijk effectief gaat zijn. Ik houd namelijk niet van wetten waarmee
we uiteindelijk niets kunnen. Hij moet dus echt effectief zijn.
De wet zit nu in de afrondende fase. Wat mij betreft gaat hij zo snel mogelijk in
consultatie, zodat ook de rest van Nederland mee kan lezen en daar zijn ideeën en
opmerkingen bij kan geven. Wat mij betreft doe ík dat nog, om het maar zo te zeggen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
De ervaring leert dat dit soort zaken enigszins vooruit worden gepland. Is vanuit
het ministerie al helder wanneer deze wet in internetconsultatie gaat?
Staatssecretaris Tielen:
We zijn een demissionair kabinet, dus dat betekent dat de wet door de ministerraad
moet. Maar we verwachten dat hij eind van de maand in internetconsultatie is. Dan
verwachten we ongeveer acht weken consultatie. Daarna hebben we een aantal weken nodig
om alle opmerkingen en vragen te verwerken. Dan gaat hij naar de Raad van State. Dat
is dan hopelijk in de zomer, zodat hij na de zomer, het liefst zo snel mogelijk, maar
dus in de laatste helft van het jaar gereed is.
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Coenradie. Nee, toch niet, zie ik. Check. Dan mevrouw
Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik hoor de Staatssecretaris zeggen: het heeft tijd gekost omdat we het zorgvuldig
willen doen, samen met andere partijen. Dat roept bij mij de vraag op of we dan ook
echt keuzes maken. Zorgvuldigheid is goed, maar zeggen we ook wat wel en wat niet?
Dat is namelijk waar om gevraagd wordt.
Staatssecretaris Tielen:
In de brief heeft mevrouw Synhaeve kunnen lezen welke elementen er in de Wet reikwijdte
zitten. Misschien verwacht mevrouw Synhaeve dat er in de wet al komt te staan wat
we niet gaan scharen onder de definitie van jeugdhulp. Ik bedoel dan met name zorgvormen
en trajecten en zo. Dat gaan we niet doen. Wat we gaan doen, is in de wet de mogelijkheid
creëren om die lijst te maken. We nemen hem niet in de wet op. Waarom? Omdat er in
dit stadium nog te veel verschillende vormen, beschrijvingen en uitvoeringsteksten
zijn rond verschillende zorgvormen. Daar nu al in een wet strikte criteria aan geven
gaat waarschijnlijk niet helpen. Tenminste, het opnemen van strikte beschrijvingen
helpt niet, maar het opnemen van criteria wel. Dat is wat we proberen te doen. Zo
zorgen we dat dat soort keuzes uiteindelijk wel gemaakt kunnen worden.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Die lijst met strikte criteria landt dus niet in het wetsvoorstel, maar we hebben
ze alsnog nodig. Kan er vanuit de Staatssecretaris dan een toezegging komen dat we
daar parallel aan werken? Dan hoeven we niet eerst te wachten op het wetsvoorstel
en dan na te gaan denken over hoe we dat specifiek gaan afbakenen.
Staatssecretaris Tielen:
We gaan het als volgt doen. We nemen in de wet de mogelijkheid op om bij algemene
maatregel van bestuur, zoals dat officieel heet, dus per AMvB, zo'n soort lijst te
maken. Ik nodig iedereen graag uit om daarover mee te denken en om te kijken hoe we
dat zo goed mogelijk kunnen doen. Ik kan me dus aansluiten bij mevrouw Synhaeve als
ze zegt dat we er geen serieel maar meer een parallel proces van zouden moeten maken.
Als ik het goed begrepen heb, was de vraag van de heer Hamstra of het de bedoeling
is van de Jeugdwet dat met lichte hulpvragen bij de gemeente wordt aangeklopt. Ja,
dat is het. We willen heel graag dat je met lichte hulp- of ondersteuningsvragen –
dat geldt voor kinderen, maar natuurlijk ook als het gaat om de opvoeding en het gezin
eromheen – makkelijk in de buurt terechtkan. De vraag is of dat moet leiden tot individuele
jeugdhulptrajecten. Daar zou ik liever nee op zeggen. Dat is waarom we dat in de reikwijdtewet
wat steviger opschrijven. Het faciliteren van collectieve voorzieningen voor lichte
vragen wordt onderdeel van het wetsvoorstel Reikwijdte. Daarin komt ook een afwegingskader
voor de situaties waarvoor jeugdhulp bedoeld is, waar we net eigenlijk al een beetje
aan refereerden.
De vraag van zowel het CDA als GroenLinks-PvdA was, als ik ook die goed heb begrepen:
wie vallen er straks niet meer onder de Jeugdwet? De Jeugdwet is bedoeld voor jeugdigen
en ouders met uiteenlopende problematiek. Dat varieert van chronische beperkingen
tot mentale klachten, opvoedproblemen enzovoort, enzovoort. Al die hulpvragen vragen
om passende antwoorden. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Dat is volgens mij precies
waarom we zijn waar we zijn, want dat kan natuurlijk per situatie verschillen. We
proberen vooral ten opzichte van de Jeugdwet scherper te krijgen hoe de afweging wordt
gemaakt of je echt aanvullende zorg nodig hebt of niet. We hebben bijvoorbeeld een
«ernstcriterium» – zo hebben we het maar even genoemd – opgenomen in het wetsvoorstel
Reikwijdte. Dat is het criterium van hoe ernstig iets is.
Over de sterke pedagogische basis heb ik al een aantal vragen beantwoord. Ik denk
dat ik daarmee aan het einde van dit thema gekomen ben.
De voorzitter:
Dat roept een interruptie op bij de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Twee vragen die ik nog gesteld had, waren hoe we het monitoren en of de Staatssecretaris
scenario's klaar heeft liggen voor als we achterlopen op schema. Eind 2028 moet het
gaan om een op de tien jongeren. Ik hoor u net iets zeggen over een AMvB en de lijst
met criteria. Is dat een van de scenario's die u klaar heeft liggen, zodat we kunnen
intensiveren wanneer we het niet gaan redden, of heeft u nog andere scenario's daarvoor?
Staatssecretaris Tielen:
In de routekaart hebben we opgenomen op welk tempo we dingen doen en hoe we dat een
beetje bijhouden, dus hoe we monitoren dat we dat tempo ook halen. Er is ons ook alles
aan gelegen om dat te halen, vooral ook met het oog op het vooruithelpen van al die
kinderen en hun ouders en gezinnen. Als we er onderweg, waarschijnlijk samen met u,
achter komen dat we toch niet op het tempo lopen dat we willen, dan zullen we daar
op de een of andere manier versterking in moeten aanbrengen. Ik heb nu niet een rijtje
met «als dit, dan dat» of «als zus, dan zo». Ik heb daar geen beslisboom achter zitten.
Maar de urgentie voelen we. De wens ligt niet alleen bij mij, maar ook bij de partners
met wie we dit doen en ik hoor hem ook bij uw Kamer. Volgens mij kunnen we daar samen
echt wel alert op zijn en scenario's voor maken als dat nodig is.
Dan kom ik bij het thema residentieel, waar onder andere ook gesloten jeugdzorg in
besloten zit. Daar begin ik dan ook mee. De vraag van onder andere mevrouw Westerveld
was wat de stand van zaken is met betrekking tot de transformatie van de gesloten
jeugdhulp. Die is best wel hard afgebouwd de afgelopen jaren. In 2019 kenden we 1.680
plaatsingen in de gesloten jeugdhulp. Afgelopen jaar, in 2025, waren dat er 656. Daar
is dus echt hard aan gewerkt. Tegelijkertijd zijn we natuurlijk nog niet waar we willen
zijn, dus we zijn nog niet klaar. Voor een heel groot deel van de jongeren die vroeger,
zou ik bijna zeggen, in de gesloten jeugdhulp terechtkwamen, is het gelukt om op een
andere manier jeugdhulp en de benodigde bescherming en veiligheid te bieden. Dat gaat
niet zomaar. Dat vergt echt wel wat. Ik hoorde de shout-outs, om het in goed Nederlands
te zeggen, van een aantal van uw Kamerleden richting de professionals. Laat mij daar
dan bij aansluiten, want het heeft ook echt veel gevraagd van professionals en de
organisaties om echt de-escalerend en op relationeel gebied op te treden en te zorgen
dat jongeren zich veilig genoeg voelen om het ook voor medewerkers goed te houden.
We willen echter door met afbouwen. Om residentiële jeugdhulp te voorkomen moeten
jeugdigen en gezinnen die eerder passende hulp nodig hebben, die dus ook kunnen krijgen
en moeten we door blijven gaan met het ontwikkelen van alternatieve vormen van jeugdhulp.
Een en ander hangt natuurlijk een beetje af van de zorg die in de regio beschikbaar
is en van de problematiek van de jeugdigen zelf. Soms kun je intensieve ambulante
hulp opzetten en soms zijn kleinschalige woonlocaties een goede oplossing. Dat is
dus verschillend, ook per regio. De organisaties en professionals – «het veld», zoals
ze het soms noemen – hebben daar het Consortium Kleinschaligheid in de Jeugdhulp voor
opgezet. Dat samenwerkingsverband is aangegaan om het opzetten van kleinschalige woonlocaties
mogelijk te maken. Zij worden ondersteund door het programma Transformatie Gesloten
Jeugdhulp.
De D66-fractie vroeg naar de middelen die daarvoor beschikbaar zijn gesteld. Om deze
transformatie voor elkaar te krijgen, is door middel van een specifieke uitkering
176 miljoen verstrekt aan de zeven coördinerende gemeentes. Dat bedrag is primair
bedoeld voor de afbouw van gesloten jeugdhulp en voor de ombouw naar kleinschalige
gesloten jeugdhulp. De gemeentes kunnen deze middelen zelf inzetten, bijvoorbeeld
voor frictiekosten – dat zijn kosten die je hebt doordat je iets afbouwt – of inderdaad
voor het realiseren van die ombouw. Ik kan nu niet zeggen waaraan het geld precies
is besteed, want hier wordt achteraf verantwoording over afgelegd. Het Rijk weet nu
dus niet waaraan dat geld wel of niet is besteed; daar heeft het geen inzicht in.
Dat zullen we krijgen als dit is afgerond. Dit over deze middelen.
Mevrouw Westerveld vroeg daarnaast om een reflectie op het onderzoek van het zogenoemde
PPRC, waarin staat dat de bekostiging van de jeugdzorg de transformatie tegenwerkt.
De vraag was volgens mij: heeft de Staatssecretaris dat gelezen? Ja, dat heb ik gelezen.
Ik heb ook de aanbevelingen gezien. PPRC beveelt ook aan om de registratie en de inzet
van jeugdhulp op regionale schaal te coördineren en om een regionale plaatsingscoördinatie
in te richten. We zijn bezig met het standaardiseren van de gespecialiseerde jeugdzorg.
Dat hebben we ook in de Hervormingsagenda Jeugd afgesproken. Wat we daaruit leren,
zullen we betrekken bij of samenvoegen met de aanbevelingen van PPRC. We evalueren
nu ook de plaatsingscoördinatie die al loopt. Ook daarbij zullen we nagaan in hoeverre
de aanbevelingen aansluiten bij onze evaluatiepunten. We zullen daar uiteraard bij
u op terugkomen. Dat wordt later dit kalenderjaar. Mevrouw Westerveld vraagt mij nu
buiten de microfoon wanneer dat zal zijn. Mag ik daar in tweede termijn op terugkomen?
Ik heb meegekregen «dit jaar», maar ja, het is pas februari en dat kan dus variëren
van februari tot en met december. Dus ik begrijp het wel; dat is best wel een wijde
spreiding. Ik kom daarop terug.
De voorzitter:
Dat wordt straks, in de tweede termijn, dus concreter. Dank u wel.
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
Mevrouw Synhaeve had vragen over de nachtelijke kamerinsluiting, en terecht, denk
ik. Als ik het zo zeg, klinkt het alweer alsof we verder zijn dan we zijn, maar er
zijn twee wetstrajecten. Eén gaat over de nachtelijke kamerinsluiting in de gesloten
jeugdzorg en één over de vrijheidsbeperkende maatregelen in de open jeugdzorg. Deze
twee wetstrajecten lopen parallel aan elkaar. Wat we nu doen op het gebied van de
gesloten jeugdzorg, is echt heel veel gesprekken voeren met aanbieders, jongeren,
professionals en experts. We moeten hier immers heel zorgvuldig mee aan de slag zijn;
mevrouw Synhaeve benoemt dat naar mijn mening heel goed. Veiligheid voor iedereen,
dat is zeg maar het uitgangspunt en het doel dat we hierbij willen. Dat geldt dus
voor de jongeren, dat geldt voor de professionals, dat geldt voor andere jongeren
die in gesloten jeugdzorginstellingen verblijven. Daarom hadden we ook al aangegeven
dat het slechts in uitzonderlijke situaties zou gelden, met nog een aantal waarborgen.
Daar hebben we nu dus al die gesprekken over. Ik zou willen toezeggen dat ik voor
de zomer verslag doe van wat we uit die gesprekken ophalen en wat we daarmee willen
rondom dit wetstraject. En met betrekking tot de vrijheidsbeperkende maatregelen in
de open jeugdhulp loopt nu een pilot, onder andere voor maatregelen met toestemming.
Ik heb daar een aantal weken geleden een kijkje genomen en was ook met jongeren in
gesprek daarover. De uitkomsten van die pilot wil ik eerst afwachten. Ook daarover
wordt u uiteraard geïnformeerd. Die uitkomsten zijn uiteraard ook van groot belang
voor het vervolg van dat wetstraject.
Mevrouw Wendel vroeg daarover: hoe wilt u het vormgeven? Nou, op basis van de expertise
van allerlei mensen die daarbij betrokken zijn en met wie we nu uitgebreide gesprekken
aangaan om te kijken hoe we dat zo zorgvuldig mogelijk en goed mogelijk kunnen vormgeven.
Ik wil daar toch ook bij zeggen dat het daarbij echt gaat over een heel beperkt aantal
situaties waarin dit wellicht nodig zou zijn, dus des te zorgvuldiger moeten we dit
ook doen. Maar ik verwacht geen grote financiële consequenties daarvan. Misschien
is het ook wel goed om te zeggen dat we de motie-Dobbe over het verminderen van de
noodzaak van insluiting, daarbij uiteraard voortdurend in de hand houden.
Mevrouw Synhaeve vroeg of er ook alternatieven zijn voor waar nu al wordt gewerkt
met deurverklikkers of cameratoezicht. Die maken onderdeel uit van alle gesprekken
over hoe we aan de ene kant de veiligheid en aan de andere kant de zorgvuldigheid
van eventuele wetgeving goed neerzetten.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik zat nog even bij de vorige toezegging. Als ik die goed begrepen heb, gaat ze over
de nachtelijke kamerinsluiting in de gesloten jeugdzorg. Ik hoorde daarover de toezegging:
«Voor de zomer kom ik met een verslag over de uitkomst van die gesprekken.» Daar ben
ik ook wel blij mee, maar dat was niet de toezegging waar ik om gevraagd had. Wat
ik gevraagd heb: eerst de lopende onderzoeken naar de impact van deze nachtopsluitingen
en de uitkomsten van de gesprekken afwachten, en die met de Kamer delen alvorens er
onomkeerbare stappen gezet worden in dit nieuwe wetsvoorstel.
De voorzitter:
Dat is gekoppeld aan die onomkeerbare stappen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik denk dat we dezelfde taal spreken hier, dus volgens mij begrijpen we hetzelfde.
De voorzitter:
Ja? Zeker?
Staatssecretaris Tielen:
Ja.
De voorzitter:
Akkoord, helemaal goed.
Staatssecretaris Tielen:
Dus die toezegging gaat zowel over de uitkomsten van die gesprekken als over wat er
verder uit het onderzoek is opgehaald, en niet onomkeerbare stappen nemen. Dat vind
ik eigenlijk heel logisch, dus ja.
Een aantal vragen van zowel GroenLinks-PvdA als SP als D66 over het hersteltraject
en het vervolg op het rapport van Jason Bhugwandass, en Erkenning en Herstel. De vraag
is: waarom duurt dat lang? Allereerst nog even dit. Ik denk dat het mevrouw Westerveld
was die refereerde aan het interview met Indra en Jason. Ik denk dat het gewoon altijd
wel goed is om even stil te staan bij hoe ontzettend vreselijk dat is voor betrokkenen
en de mensen die van Indra hielden, maar bij wijze van spreken ook voor ons allemaal.
Laat me dus hierbij nog zeggen dat dat verschrikkelijk is en dat mijn gedachten uitgaan
naar alle mensen die van haar hielden. Tegelijkertijd snap ik ook heel goed dat we
met Erkenning en Herstel voort moeten, maar dit is ook weer typisch iets wat niet
vanuit een ministerie of zo geregeld moet worden, maar juist in gesprekken met mensen
die het betreft. Wat we gedaan hebben, is gesprekken voeren met de mensen die het
betreft, dus ervaringsdeskundigen. We hebben ook gesprekken gevoerd met de Vereniging
van Nederlandse Gemeenten en Jeugdzorg Nederland om te kijken of we hetzelfde verwachten
en hoe we dat kunnen vormgeven op een manier die recht doet aan de vraag. We hebben
een zestal pilots gestart, die volgens mij voortkomen uit het amendement van mevrouw
Westerveld. Denk aan menselijk lotgenotencontact, erkenningsdagen en dat soort activiteiten,
om ervan te leren wat daadwerkelijk recht doet aan dat wat we met elkaar verwachten.
Vanuit die pilots voeren we de gesprekken. Op basis daarvan willen we het erkennings-
en hersteltraject tot een conclusie brengen. We verwachten dat dit in mei ter beschikking
komt. Dan kunnen we u ook informeren erover.
Wat ik hier lastig aan vind, is dat je aan de ene kant wil dat er vaart in zit, dat
je ziet dat het gebeurt, maar aan de andere kant moet het recht doen aan alle verschillende
tempi die de verschillende betrokkenen verwachten. Tegen iedereen die zegt dat het
sneller kan, zeg ik: u heeft gelijk. Tegen iedereen die zegt dat het zorgvuldig moet,
met oog voor de betrokkenen, zeg ik: u heeft ook gelijk. Dat is het tempo dat we nu
proberen te volgen.
Dan kom ik bij Mockingbird en pleegzorg. Mevrouw Synhaeve vroeg naar Mockingbird.
Ik ben daar ook heel enthousiast over, moet ik heel eerlijk zeggen. Het ziet er gewoon
echt heel effectief uit. Het werkt echt goed voor pleeggezinnen en daarmee ook voor
de jongeren en de ouders die het betreft. Dus dat is heel mooi. Vorig jaar juni hebben
we een soort maatschappelijke businesscase gepubliceerd over de Mockingbirdmethode.
In dat rapport zitten een aantal handvatten voor de sector om Mockingbird verder in
te richten, te ontwikkelen en ook toekomstbestendig te maken. Maar het is wel aan
de gemeenten om dat te doen, in samenwerking met de pleegzorgaanbieders. Dat kan ik
ze niet opleggen, maar ik wil ze graag enthousiasmeren om ermee aan de slag te gaan.
Laat ik het zo zeggen.
Er was een vraag over de bijzondere kosten bij pleegzorg. In 2025 hebben we 2,5 miljoen
euro vrijgemaakt om te zorgen dat pleegouders in het vrijwillige kader ook recht hebben
op vergoeding van bijzondere kosten. Dat is per dit jaar ook als recht opgenomen in
de Regeling Jeugdwet. Gemeenten en aanbieders hebben dan afspraken te maken over de
uitkering ervan. Als ik spreek met de Vereniging van Nederlandse Gemeenten of Jeugdzorg
Nederland, benoem ik dat ook, zodat ze er ook mee aan de slag gaan.
De heer Van Houwelingen vroeg naar pleeghuizen en pleeggezinnen, en seksueel misbruik
daarin. Hij vroeg hoe dat kan. Daar heb ik natuurlijk geen eensluidend antwoord op.
De heer Van Houweling doet de suggestie om alleen kinderen van hetzelfde geslacht
bij elkaar te plaatsen. Daarmee suggereert hij dat die ellende daarmee uit te sluiten
is. Ik denk dat dat niet zo is. We proberen uiteraard wel om seksueel grensoverschrijdend
gedrag te voorkomen en om het zo vroeg mogelijk in beeld te krijgen als het voorkomt.
We kunnen het nooit helemaal uitsluiten, helaas. Bij de matching tussen pleeggezinnen
en kinderen kijken we wel naar het risico daarop. Het is onderdeel van de kwaliteitscriteria
voor gezinshuizen en de matchingsmodellen in de pleegzorg. Op basis daarvan proberen
we dit zo veel mogelijk te voorkomen.
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Van Houwelingen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel veel dank voor het antwoord. De Staatssecretaris heeft natuurlijk gelijk: het
is nooit uit te sluiten, maar om voor de hand liggende redenen wordt het risico wel
veel kleiner, lijkt me. Dat is het dan toch waard om het risico veel kleiner te maken?
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of ik de aanname van de heer Van Houwelingen helemaal onderschrijf. Dan
zouden we er meer over moeten weten, of dat echt zo is. De kwaliteitscriteria voor
gezinshuizen en de matchingsmodellen in de pleegzorg zijn gebaseerd op professionele
kennis en onderzoek. Ik denk dat we daar voldoende aan hebben.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Het spijt me. Dit kost me ook weer twee interrupties. De aanname is dat dit in het
algemeen gebeurt door mannen naar vrouwen en door vrouwen naar mannen. Dat is de aanname.
Dat is vanzelfsprekend, dus daarom is dat mijn aanname. Ik weet niet of dat een discutabele
aanname is. Bij kinderen van hetzelfde geslacht is de kans dus ... Goed, dat spreekt
toch voor zich? Dat ik dat nog moet gaan uitleggen hier!
De voorzitter:
U heeft uw punt gemaakt. Het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Tielen:
Het is niet zo dat seksueel grensoverschrijdend gedrag in 100% van de gevallen alleen
van man op vrouw en van vrouw op man gaat.
Meneer Van Houwelingen vroeg ook waarom de inspectie niet één keer per jaar langsgaat
bij de pleeggezinnen. Daar was ook een interruptiedebat met een aantal andere Kamerleden
over. Ervoor zorgen dat pleegkinderen veilig zijn in hun pleeggezin begint natuurlijk
bij goede pleegouders. Er wordt alles aan gedaan om pleegouders vaardig te maken om
die veiligheid en warmte te bieden. Laat me dan ook dit moment gebruiken om te zeggen
dat honderden pleegouders dat echt met volle overgave en warmte doen. Dat doen zij
om te zorgen dat kinderen een heel veilig opgroeien, bijna net als thuis, ervaren.
Dat is heel erg fijn. Daarnaast is er een pleegzorgbegeleider, die het pleegkind begeleidt,
en zijn er onafhankelijke vertrouwenspersonen. Op die manier is er dus echt een veiligheidsnet
rondom het pleeggezin. De IGJ houdt ook landelijk toezicht op de pleegzorgaanbieder
door informatie op te vragen, door met betrokkenen te spreken en door bij de aanbieders
langs te gaan. Het is niet de rol van de inspectie om ook bij de pleeggezinnen achter
de voordeur te komen. In het thematisch toezicht op pleegzorg van de Inspectie Gezondheidszorg
en Jeugd staan aanbevelingen over hoe het contact met pleegkinderen betekenisvol wordt
vormgegeven, en hoe hun stem mee kan worden genomen. Ik voorzie dus niet dat het beter
wordt als de IGJ bij alle pleeggezinnen langsgaat.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank voor deze beantwoording. Ik begrijp dat er natuurlijk een veiligheidsnet en maatregelen
zijn om te voorkomen dat kinderen mishandeld worden in pleeggezinnen, maar die hebben
niet gewerkt. De incidenten zijn ook bij de Staatssecretaris bekend. Ik begrijp oprecht
niet dat, als ik hier een suggestie doe die die kans in ieder geval verder vermindert,
de Staatssecretaris zegt dat de inspectie die rol niet heeft. Mijn vraag was daarom:
zou het een goed idee zijn om aanvullend de inspectie ook die rol te geven? Dat is
mijn vraag.
De voorzitter:
Daar kan een antwoord op komen.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, dat kan. Mijn antwoord is dat mijn overtuiging is dat dit niet per se zo is.
De voorzitter:
Oké. De Staatssecretaris gaat verder.
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Van Houwelingen suggereerde ook om een enquête te houden onder volwassenen
die in een pleeggezin hebben gezeten. Daar is al heel veel kennis over. Er is een
best dik rapport verschenen in 2019 van de commissie-De Winter, waarin heel veel aandacht
wordt besteed aan slachtofferervaringen en andere ervaringen. Ik denk, heel eerlijk,
niet dat we met een nieuwe enquête veel nieuwe dingen ophalen. Dat laat onverlet dat
we, zoals meneer Van Houwelingen zegt, ook op de langere termijn moeten blijven kijken
naar wat er in de jeugdzorg gebeurt. Wat voor effect dat heeft op het latere leven,
hoort een belangrijk thema te blijven in hoe we naar de jeugdzorg kijken en hoe we
die inrichten met elkaar.
Meneer Ceder vroeg naar de kwaliteit van gezinshuizen: hoe verbeteren we die? De kwaliteitscriteria
voor gezinshuizen worden op dit moment geactualiseerd, om ze beter te laten aansluiten
op de praktijk. Dan gaat het bijvoorbeeld om screenen op vaardigheden en deskundigheid,
en zorgen dat gezinsouders goed geschoold zijn en ook extra deskundigheid kunnen inzetten.
Het Platform Gezinshuizen, het Nederlands Jeugdinstituut, gemeenten, aanbieders en
professionals zijn betrokken bij het updaten van die kwaliteitscriteria. Het kenniscentrum
Kwaliteit en Blijvend Leren ondersteunt dat. Verder ga ik graag in overleg met de
sector om te bekijken hoe we de gezinshuiszorg nog verder kunnen versterken. Gemeentes
kunnen daar een belangrijke rol in spelen, dus die neem ik daar graag in mee.
Voorzitter. Tot slot op dit thema de vraag van mevrouw Westerveld over het onderzoek
naar aanleiding van het ZIKOS-onderzoek. De oplettende kijker zag aan mijn non-verbale
communicatie al dat mevrouw Westerveld en ik hierbij, denk ik, dezelfde emoties hebben.
Ik ben juridisch, maar kennelijk dus ook niet persoonlijk, niet in staat geweest om
medewerking aan het onafhankelijke onderzoek af te dwingen zonder de onderzoekscriteria
tekort te doen, om het maar zo te zeggen. Heel eerlijk gezegd is een bestuurlijke
boete niet iets wat ik in kan zetten. Ik weet ook niet of het helpt. Maar ik ben eigenlijk
ook nog niet heel erg bereid om er een punt achter te zetten, dus laat mij kijken
hoe we met de bracheorganisaties samen kunnen kijken welke oplossingen er nog liggen
om toch onafhankelijk vervolgonderzoek te kunnen doen. Uiteindelijk willen we namelijk
allemaal gewoon graag inzicht hebben in wat er fout heeft kunnen gaan in welke gevallen
en wat voorkomen zou kunnen worden.
Dan ga ik naar de vragen over de overige bedrijfsvoering, te beginnen met de administratieve
lasten. Er was een vraag van mevrouw Wendel en van mevrouw Coenradie over het verminderen
van de regeldruk. Dat is een belangrijk onderwerp. We hebben afspraken gemaakt over
standaardiseren in de jeugdzorg. Dat zijn we aan het doen, want we zijn nog niet klaar.
Het nadeel nu is dat elke gemeente en elke gemeenteraad zijn eigen recept van eisen
kan opstellen als het gaat over jeugdzorg. «Nadeel» is misschien niet het goede woord,
want het is niet gek dat dat kan, maar we willen het eigenlijk wel verminderen. We
gaan producten en registratie-eisen landelijk standaardiseren. Dat moet die administratieve
lasten voor een groot deel verminderen. Ik zou ook graag het aantal onderling verschillende
uitvragen van gemeentes verminderen, bijvoorbeeld door het uniformeren van uitvragen
als het gaat om kostprijzen, wachttijden en dat soort dingen. Daar hebben we ook afspraken
over gemaakt. We proberen dus gewoon meer standaardisatie aan te brengen rondom alle
criteria in het jeugdzorgaanbod.
Mevrouw Coenradie vroeg ook naar de uitstroom van professionals en wat we doen om
de arbeidsmarkt vitaal te houden, om het zo maar te zeggen. Neem 2024. Tussen het
eerste kwartaal van 2024 en het eerste kwartaal van 2025 zijn er 5.190 medewerkers
begonnen in de jeugdzorg. In diezelfde periode zijn er 4.130 jeugdzorgmedewerkers
uit de branche gegaan. Gelukkig was er dus een nettogroei, maar ook daar geldt dat
we niet tevreden achterover kunnen leunen, want het blijft gewoon een groot vraagstuk.
Morgen gaan we dat waarschijnlijk ook horen van de medewerkers zelf. Het blijft gewoon
van groot belang dat personeel naar tevredenheid kan werken in de sector, want ze
doen belangrijk werk. Dat doen we deels door de administratietijd te proberen te halveren,
door betere inzet van personeel en technologie, door meer, sneller en beter op te
leiden en vooral door werkplezier in te zetten om medewerkers te behouden. Vorige
week zagen we dat in de hele zorg ook zeggenschap een belangrijk element is om grip
op je werk te hebben en daarmee ook plezier in het werk. Dat zijn allemaal elementen
die passen bij het totale plan voor de arbeidsmarkt zorg en welzijn, maar speciale
aandacht voor jeugd is een goede.
Meneer Hamstra vroeg of we het personeel wel hebben meegenomen in de uitwerking van
de reikwijdtewet. Ons doel van die hele wet is natuurlijk om het gebruik te verminderen
en daarmee ook de druk op de jeugdhulp en jeugdzorg te verminderen. Daarmee hopen
we de zorg te kunnen verbeteren en voor de medewerkers ook het werk te kunnen verbeteren.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik ga natuurlijk rechtop zitten als de Staatssecretaris het heeft over het vitaal
houden van de arbeidsmarkt. Ze refereert inderdaad ook aan de jeugdzorgmedewerkers
die morgen in actie komen. Het lukt dus nog niet zo heel erg goed om de arbeidsmarkt
vitaal te houden, want mensen moeten in actie komen voor de meest basale dingen die
hun werk aantrekkelijk maken. Dat is niet alleen maar een fatsoenlijk loon, maar inderdaad
ook zeggenschap en minder werkdruk; het zijn een heleboel factoren. Die cao-onderhandelingen
liggen vast. Die mensen zijn wel cruciaal als het gaat om het behoud van de jeugdzorg
en alle plannen die we hier hebben om de jeugdzorg beter te maken. Eerder, bijvoorbeeld
toen de cao van de apotheekmedewerkers vastliep, ook zo'n belangrijke cao, hebben
we de Minister opgeroepen om een bemiddelende rol te spelen. Ik wil eigenlijk aan
de Staatssecretaris vragen of zij bereid is om hetzelfde te doen. Voordat zij antwoordt
dat zij niet over de cao's gaat: dat snap ik, helemaal mee eens; moeten we ook vooral
niet doen. Maar we hebben ook eerder gezien dat een bemiddelende rol niet intreedt
op de verantwoordelijkheden van een cao en de onderhandelende partijen, maar wel heel
erg kan helpen. En het is ook eerder gedaan. Mijn vraag is dus of de Staatssecretaris
bereid is om dat te doen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik ben blij dat mevrouw Dobbe zegt dat we ook niet zouden moeten willen dat de politiek
zich gaat bemoeien met de cao-onderhandelingen. Dat lijkt me echt iets tussen werkgevers
en werknemers. Ondertussen kunnen wij als kabinet samen met onder andere de Kamer
wel oog blijven houden voor wat er nodig is op de arbeidsmarkt, zoals zeggenschap
en dat soort zaken. Maar ik ga me echt niet bemoeien met de cao.
De voorzitter:
Toch nog wel?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ja, dat is jammer. Dit kost mij een interruptie omdat de Staatssecretaris gewoon niet
antwoordt op mijn vraag. Mijn vraag was heel concreet of de Staatssecretaris bereid
is om een bemiddelende rol te spelen. Dat kan zonder inbreuk te doen op de onderhandelende
partijen, want dat is ook eerder gedaan. De Minister van VWS heeft dat eerder gedaan,
bij de apotheekmedewerkers. Dat kan heel erg helpen om de cao-onderhandelingen los
te trekken. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is heel concreet om zich niet te bemoeien
met de cao, maar wel een bemiddelende rol te spelen. Die kan deze Staatssecretaris
prima op zich nemen.
Staatssecretaris Tielen:
In mijn verwachting, maar misschien moet mevrouw Dobbe dat dan een andere keer beter
uitleggen, is bemiddelen natuurlijk bemoeien. Dat is natuurlijk precies wat het is.
Heel eerlijk gezegd kan ik daar dus geen ja op zeggen.
Ik ga door naar de vragen over de evc-fraude. Dat is ook iets waarover ik wat zou
willen zeggen met emotie, maar ik ga proberen er heel zakelijk over te zijn. Fraude
is überhaupt onacceptabel, maar zeker als het hierom gaat. Het is ook echt onuitstaanbaar.
De vraag van mevrouw Synhaeve was: wat heeft de Staatssecretaris gedaan tegen die
nepdiploma's? Vorig jaar hebben we 1 miljoen euro aan SKJ verstrekt om onderzoek te
doen naar registraties van evc-houders. Ik heb u geïnformeerd over wat daar ongeveer
uit kwam. Daar werden we niet heel vrolijk van, kan ik u zeggen. De Minister van VWS
heeft collega's opgeroepen om terughoudend te zijn met werk op basis van evc-certificaten.
Inmiddels is dat ook even on hold gezet. Ik kan niet zeggen hoeveel kinderen hierdoor
wel of niet risico hebben gelopen. Dat is ook lastig inzichtelijk te krijgen, denk
ik. Wat mij betreft is het ook belangrijker om te zorgen dat dit gewoon niet meer
kan en dat als er evc's zijn, die ook gewoon geldig zijn. Mochten mensen signalen
of zorgen hebben over de kwaliteit van zorg, dan kunnen die uiteraard altijd gemeld
worden bij het Landelijk Meldpunt Zorg.
Mevrouw Coen...
De voorzitter:
Eerst heeft mevrouw Synhaeve een interruptie.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Ik maak me nu vooral zorgen over al die mensen die nu met een nepdiploma in de zorg
werken. Daarop mis ik de actie vanuit het kabinet, van deze Staatssecretaris. Wat
gaan we nou doen om hen op te sporen en te zorgen dat ze niet meer met deze kinderen
kunnen werken? Daar is het amendement dat ik nu heb ingediend ook op gericht. Ik heb
namelijk het idee dat die stappen nu niet gezet worden en dat daar ook geen budget
voor vrij is gemaakt.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, wij hadden inderdaad gehoopt dat we het met 1 miljoen euro allemaal inzichtelijk
zouden hebben, maar noch qua tijd noch qua geld is het helemaal afgerond. We hebben
wel heel veel inzichten gekregen die ook om vervolgstappen vragen; ik denk dat mevrouw
Synhaeve daar terecht opmerkingen over heeft gemaakt. Daarover zijn we samen met gemeenten
en jeugdzorg in gesprek om te kijken hoe we dat gezamenlijk op kunnen lossen. Ik denk
dat het ook een gezamenlijk probleem is en een gezamenlijke oplossing is in ieder
geval het beste. Ik moet in tweede termijn even terugkomen op hoe en wat, op wat we
daar precies aan doen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Heel even hierop doorgaand. Ik had hierover natuurlijk ook schriftelijke vragen gesteld.
Die zijn overigens keurig netjes beantwoord, maar ik had daarbij natuurlijk ook de
volgende vraag. Het is op dit moment niet bekend om hoeveel mensen, wie en waar het
gaat. Ik heb ook gevraagd waarom niet direct iedereen met zo'n certificaat op non-actief
wordt gezet, aangezien we nu uiteindelijk niet weten of er nog kinderen zijn die zorg
krijgen van iemand met zo'n verkeerd certificaat. Dat was dus even de vraag. Ik haal
dus niet uit de beantwoording wat nu de bedoeling is en hoe we hier nou mee verdergaan.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap de vraag van mevrouw Van Meetelen, want soms denk ik ook meteen: laten we
dat doen. Tegelijkertijd zijn ook heel veel mensen die met een evc-certificaat werken
wel gewoon op valide wijze en met zorg van goede kwaliteit aan de slag. Je kan die
niet zomaar in de wacht zetten, ook juridisch niet. Dat zou ook niet eerlijk zijn,
denk ik. We proberen dit wel echt op een goede manier te doen, die juridisch klopt
en ook recht doet aan al die mensen die wel van goede wil zijn en die goede kwaliteit
leveren. Dat vergt gewoon net iets meer stappen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat snap ik volkomen en daar heeft u natuurlijk helemaal gelijk in. Het is ook oneerlijk,
maar het is natuurlijk veel oneerlijker als er eventueel kinderen verkeerde zorg krijgen
of als er nog meer worden geronseld of wat dan ook op wat voor manier dan ook. Dat
lijkt mij vele malen schadelijker dan dat we iemand even een tijdje op non-actief
zetten. Het lijkt mij dat de zorg voor die kinderen voorop moet staan. Ik vraag dus
nog een keer: waarom doen we dit niet?
Staatssecretaris Tielen:
Deels verwijs ik naar mijn eerste antwoord. Daarnaast heeft Jeugdzorg Nederland, de
brancheorganisatie, gezegd: we houden even op met evc-certificaten. De branche zelf
heeft daar dus ook een rol in en de branche pakt die rol ook, onder andere op basis
van het onderzoek. Ik verwijs ook weer naar wat ik zei: dit is ook iets waar we echt
met gemeenten, jeugdzorg en Rijk samen gewoon goede stappen in moeten zetten, denk
ik, zodat we ook weer met z'n allen op de goede koers zijn.
Een vraag van mevrouw Coenradie over de landelijke regie en lokale versnippering;
zo noemde zij dat: «versnippering». Dat vraagt om een balans. In elke gemeente zijn
dingen gewoon anders, ook omdat het anders is om op te groeien in Appelscha dan in
Rotterdam-Zuid; dat weet mevrouw Coenradie misschien zelf nog wel het beste. We proberen
dus landelijke kaders neer te zetten en waar nodig op regionaal niveau bindende afspraken
te maken. Daar hebben we de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg voor aangenomen;
eigenlijk heeft u hem aangenomen en de Eerste Kamer ook. Die wet is per dit jaar van
kracht. We willen met die wet – hoe noem je dat? – versnipperingsproblemen enigszins
tegengaan. Met het wetsvoorstel Reikwijdte gaan we ook proberen om wat meer kaders
te geven, maar uiteindelijk blijft het natuurlijk ook wel van belang om lokale verschillen
aan te pakken als het kan, als het nodig is. Nogmaals, er zijn gewoon heel veel verschillende
gemeentes, met andere vraagstukken, andere problemen.
Mevrouw Dobbe vroeg naar de aanbestedingen. Gemeentes zijn niet verplicht om aan te
besteden; volgens mij kwam dat in de interruptiedebatjes ook al even terug. De manier
van inkopen moet passen bij de visie van de gemeente en bij het type jeugdzorg dat
nodig is. We hebben een ketenbureau – dat heet i-Sociaal Domein – dat gemeenteregio's
kan helpen bij het kiezen van een bepaalde inkoopstrategie. Ondertussen zijn we bezig
met bijvoorbeeld het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
om aan de ene kant ervoor te zorgen dat gemeenten handvatten krijgen om bij goede
aanbieders in te kopen, en daarnaast zijn we bezig met standaardisatie om administratieve
lasten te verminderen.
Mevrouw Dobbe zou ook graag een staatscommissie willen instellen om te zoeken naar
jeugdzorgoplossingen die anders georganiseerd zijn. Elk stelsel kent voor- en nadelen,
of dat nou helemaal overheidgestuurd is of marktgeoriënteerd of wat dan ook. Je kunt
overal voor- en nadelen aan hangen. Mevrouw Dobbe heeft dan waarschijnlijk een net
iets ander rijtje dan ik zou hebben. Het gaat er echter om dat wat ons betreft een
volledige stelselwijziging nu niet aan de orde is. Het is volgens mij belangrijk om
negatieve effecten te voorkomen. We zijn dus bezig met een wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering
zorg- en jeugdhulpaanbieders. Daar heb ik net al iets over gezegd. Dat is om meer
te kunnen borgen dat de kwaliteit van aanbieders goed is. We zijn bezig met standaardisatie
van specialistische jeugdzorg en we kijken of een vergunningplicht van toepassing
is en ook daadwerkelijk effectief kan zijn. Nogmaals, je hoeft als gemeente niet aan
te besteden als je dat zou willen; er zijn andere vormen voor en daar kan ook bij
geholpen worden.
Een andere vraag van mevrouw Dobbe was naar aanleiding van haar motie dat gemeenten
niet op de stoel van jeugdzorgmedewerkers zouden moeten gaan zitten. Ik ben het heel
erg met mevrouw Dobbe eens dat we moeten zorgen dat gemeenten goed samenwerken met
lokale teams, met gecertificeerde instellingen en met andere professionals en verwijzers.
Ze moeten goed van elkaar weten wat hun rol is, maar moeten ook gezamenlijk kijken
naar het gezin waar het om gaat. Omdat gemeentes een breder beeld hebben, zeker met
goede lokale teams, hebben ze een goed beeld van wat er in gezinnen eventueel aan
oplossingen mogelijk is. Het is dus ook aan die lokale teams om op dit punt goed samen
werken. De motie vraagt om gemeentes hierop aan te spreken. Dat doen we natuurlijk,
in alle overleggen die we als Rijk hebben met gemeentes, gecertificeerde instellingen
en aanbieders. Er komt een aanpak, maar daar zal de Staatssecretaris van JenV nader
op ingaan als het over het toekomstscenario gaat. Ik zie mevrouw Dobbe knikken, maar
ze heeft toch nog een vraag.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik denk dat het heel goed is om, zoals de motie ook vraagt, gemeenten erop aan te
spreken om niet op de stoel van de jeugdzorgverlener of de gecertificeerde instelling
te gaan zitten. Ik vraag me wel af of de Staatssecretaris kan zeggen hoe effectief
dat aanspreken is. Over de markt in de zorg hebben we het natuurlijk al tijden. Denk
aan de voorbeelden die ik noemde. Ik sprak echt één instelling die zei: ik heb 85
fte aan aanbestedingsmensen in dienst. Dat zijn mensen die alleen maar bezig zijn
met inkopen of met het voorbereiden en aflopen van marktconsultaties. Het gaat om
één jaar per aanbestedingstraject en ze hebben er dan tientallen per jaar.
De voorzitter:
Uw vraag?
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind het dan iets te makkelijk om te zeggen: wij kijken er misschien wat anders
naar. Is er wel erkenning bij deze Staatssecretaris dat dit gewoon niet de ideale
situatie en niet de ideale besteding van zorggeld is? We weten dat het niet verplicht
is, maar moeten we er dan ook gewoon voor zorgen dat gemeentes het niet meer gaan
doen?
Staatssecretaris Tielen:
Het waren twee vragen. De eerste vraag was: is het effectief om gemeentes aan te spreken?
Uiteindelijk moeten we het samen doen. De gemeentes en het Rijk staan samen aan de
lat om te zorgen dat de jeugdzorg goed is ingeregeld. Ik vind dat het best effectief
is, maar ik wil best aan hen vragen of zij dat ook vinden. Nee, dat is flauw gezegd,
maar ik denk daadwerkelijk dat we daar samen in op moeten trekken. We hebben bijna
maandelijks, geloof ik, formeel overleg met gemeenten om het hierover te hebben. Ik
zal daar dus op terugkomen.
Ik denk dat wij inderdaad voor sommige dingen een ander lijstje hebben, zoals mevrouw
Dobbe zegt, maar niet wat betreft zorggeld dat naar administratie en dat soort dingen
gaat. Volgens mij hebben we daar best wel dezelfde verwachting bij. In 2019 hebben
we het op een rijtje gezet. Toen bleek dat ongeveer 30% van het jeugdzorgbudget wordt
besteed aan coördinatiekosten. Dat is natuurlijk waar mevrouw Dobbe aan refereert.
Op dit moment zijn we nog wat verfijnder aan het kijken naar de administratieve lasten
binnen de specialistische jeugdzorg. Dan kan ik dat ook weer actualiseren, want 2019
is natuurlijk alweer een tijdje geleden. We verwachten de uitkomsten van dat onderzoek
eind september. We hoeven daar niet op te wachten om te blijven werken aan het verminderen
van de administratieve last, dus dat doen we ook niet. In het najaar kunnen we wellicht
nog wat doorgaan op de uitkomsten van dit onderzoek.
Mevrouw Dobbe vroeg ook naar private equity. Het punt is dat er niet zo heel veel
private equity in de jeugdzorg is, maar dat is volgens mij niet per se waar mevrouw
Dobbe aan refereert. Volgens mij refereert ze aan cowboys, organisaties die het eigenlijk
niet om het kind te doen is maar om heel veel andere dingen, en dat soort zaken. De
Minister van VWS is bezig met de Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders.
In december heeft hij daar een brief over geschreven. Daarin staan een aantal antwoorden
op de vraag van mevrouw Dobbe. We zijn naar aanleiding van de discussies en debatten
daarover nu wel aan het kijken wat we precies in de Wet integere bedrijfsvoering zorg-
en jeugdhulpaanbieders kunnen en moeten opnemen om ervoor te zorgen dat wat we qua
jeugdhulp aan te bieden hebben, daadwerkelijk gericht is op oplossingen voor kinderen
en hun gezinnen. Daar zult u voor de zomer over worden geïnformeerd.
Mevrouw Dobbe vroeg ook naar omzetplafonds. Daar gaan wij natuurlijk niet over. Het
is aan gemeenten om met jeugdhulpaanbieders afspraken te maken. Ik kan dus niet zo
veel zeggen over budget- of omzetplafonds, anders dan dat het uiteindelijk draait
om waar we het allemaal voor doen, namelijk zorgen dat kinderen en gezinnen die jeugdhulp
nodig hebben, die kunnen krijgen. Dat zou het doel van ons allemaal moeten zijn.
Daarover gesproken: mevrouw Moinat vroeg naar de wachttijden. Ik heb geen landelijk
inzicht in alle wachttijden. Dat zit vooral bij de gemeenten en de regio's. Zeker
als het gaat om de Wet verbetering beschikbaarheid jeugdzorg is dat echt daar geregeld.
We zijn echter ook bezig met de standaardisatie waar ik eerder naar verwees. Dat zal
meer inzicht geven in de wachttijden op landelijk niveau. Dat past ook bij de afspraken
die we in de hervormingsagenda hebben gemaakt.
De voorzitter:
Ik zat even niet op te letten. Mevrouw Moinat.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u, voorzitter. Even weer wakker worden met z'n allen.
Ik wil de Staatssecretaris toch wat vragen. Met de wachtlijsten bedoel ik de wachtlijst
na de intake. In mijn tijd als gemeenteraadslid hebben wij meermaals geld moeten uittrekken
om die wachtlijst weg te krijgen, en dan heb ik het echt over een miljoen. Dan kom
je er later achter dat de wachtlijst na de wachtlijst ook weer overvol is. Dan roept
een wethouder bijvoorbeeld: de wachtlijst is verkort. Vraag je dan naar de wachtlijst
na de wachtlijst, dan is die ook mega. Ik zou aan de Staatssecretaris willen vragen
of ze die ook wil meenemen, want ik denk dat veel gemeenten ook met dat soort wachtlijsten
werken.
Staatssecretaris Tielen:
Ik herken dat probleem heel erg. Dat speelt namelijk ook in de geestelijke gezondheidszorg.
Iedereen werkt met andere definities en criteria. Ik herken het dus heel erg en ik
los het ook niet zomaar op, moet ik zeggen. Soms is bewustzijn al de helft van de
oplossing; ik herken het heel erg. We proberen in afspraken met de gemeenten door
die standaardisatie ook daar wat gelijkluidender definities van te krijgen, maar ik
kan niet beloven dat het binnen nu en een paar maanden opgelost is. Mevrouw Moinat
wijst wel op een terecht punt en dat zullen we meenemen in de manier waarop we verder
uitvoering geven aan de afspraken.
Het kopje overig. Zoals ik al aankondigde, voorzitter, is dat nog best veel.
De voorzitter:
Maar ik hoorde ook heel af en toe overlap ...
Staatssecretaris Tielen:
Toch wel dubbel? Dan probeer ik het nog zo, hè.
De voorzitter:
Ik hoorde wat veel over dezelfde beleidsterreinen. Ik hoorde weer een paar keer «reikwijdte».
Ik ben niet heel streng, maar als oud-woordvoerder weet ik ook waar deze materie over
gaat, dus dan hoor ik ook ... Met een strikt filter van Mohandis had ik er 20% uit
kunnen filteren, maar dat heb ik niet gedaan. Dat doe ik misschien bij «overig» wel.
Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Spannend. Dan moet ik de neiging onderdrukken om sneller te gaan praten. Het moet
vooral effectiever.
De vraag van meneer Stoffer over de leernetwerken en kennisdeling. Die zijn superbelangrijk.
Een van de lijnen van de hervormingsagenda is om de kwaliteit te verbeteren, en daar
hebben we ook echt veel meer kennis voor nodig. Er is structurele financiering voor
de werkorganisatie met de naam Kwaliteit en Blijvend Leren. Dat loopt op tot 13 miljoen
structureel per jaar. Bij ZonMw en het Nederlands Jeugdinstituut, als kennisinstituut,
is ook geld om kennisdeling en kwaliteitsbevordering te ondersteunen.
Mevrouw Coenradie vroeg naar de Filomena-aanpak. Dat is een hele mooie aanpak, waar
de Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg in december een kijkje is
gaan nemen. Zij heeft aangegeven samen met Filomena te bekijken hoe de ondersteuning
van slachtoffers beter kan worden ingericht vanuit de Filomenavisie. Zij betrekt ook
de inzichten van het houdbaarheidsonderzoek Wmo daarbij en bekijkt hoe we symmetrie
kunnen vinden met de Hervormingsagenda Jeugd. Uiteindelijk is het aan gemeenten zelf
om een Filomena-aanpak of een soortgelijke aanpak in te richten.
Mevrouw Coenradie vroeg ook naar suïcidepreventie. Dat is een heel belangrijk onderwerp
en het is fijn dat het ook hier aan de orde komt, want elke suïcide is verdrietig
en er één te veel. De vraag was wat we vanuit hier kunnen doen. Er is onder andere
de Landelijke Agenda Suïcidepreventie, die 113 uitvoert. We hebben een aantal specifieke
aandachtspunten voor jongeren en ook voor jongeren in de jeugdzorg. De landelijke
agenda loopt nu voor de vierde keer. Daar is ook geld voor beschikbaar gesteld. De
Wet integrale suïcidepreventie, waarin ook gemeenten een rol hebben, zal daarop voortbouwen
om preventiemaatregelen in te zetten.
Wie is eindverantwoordelijk, vroeg mevrouw Coenradie. De doorzettingsmacht ligt vooral
bij de gemeenten als het gaat over regie, verantwoordelijkheid en een toereikend aanbod
van jeugdhulp. Met de Wet integrale suïcidepreventie krijgen alle partijen, ook gemeenten,
handvatten voor een suïcidepreventieaanpak dicht bij de leefomgeving van mensen die
risico lopen. Daar is ook geld voor beschikbaar gesteld. Er is een regionaal expertteam
in elke jeugdregio dat daarbij kan meehelpen en handvatten kan helpen geven.
Over verantwoordelijkheid gesproken: mevrouw Van Meetelen vroeg wie er politiek en
bestuurlijk verantwoordelijk is bij onveilige situaties thuis, oftewel bij kindermishandeling.
In de Jeugdwet staat dat het college van burgemeester en wethouders in een gemeente
de plicht heeft om te zorgen dat kinderen hulp krijgen. Daar willen we via de Wet
reikwijdte meer handvatten voor kunnen geven. De verplichte meldcode bestaat voor
professionals en Veilig Thuis, als centraal advies- en meldpunt. Ook de gecertificeerde
instellingen hebben natuurlijk een rol. Als we het hebben over gewelds- en afhankelijkheidssituaties
– dan praat ik over huiselijk geweld, kindermishandeling en het actieplan geweld tegen
vrouwen, waar de Staatssecretaris van JenV misschien meer over kan vertellen – komt
er een nationaal coördinator die daar ook een rol in heeft. Veilig Thuis heeft overigens
bij elke melding de verantwoordelijkheid om een nieuwe beoordeling te maken van situaties
van huiselijk geweld of kindermishandeling. Veilig Thuis is ook degene die moet verbinden
met informatie van eventueel eerdere meldingen. Ook moet zij samen met politie, jeugdbescherming
en de opvang zoeken naar instrumenten om dat risico goed in te kunnen schatten. Met
betrokken organisaties als Veilig Thuis, de politie, de Raad voor de Kinderbescherming,
de reclassering en de vrouwenopvang wordt gekeken hoe we die taxaties goed uitwerken
en hoe we daar beter in kunnen samenwerken.
Welke minimumvereisten hebben gemeenten nu? Sorry.
De voorzitter:
Nee, dat maakt niet uit. Ik hou van tempo. Blijf dat dus doen. Het woord is aan mevrouw
Van Meetelen.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Om het tempo erin te houden, wil ik best wachten tot er nog een vervolg komt. Anders
heb ik nu een interruptie.
Staatssecretaris Tielen:
Stelt u de vraag.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Zoals we dus net al hoorden, zijn er allerlei betrokken instanties. Waar het om gaat,
is niet kindermishandeling zelf, maar als er echt duidelijk iets misgaat door het
plaatsen van instanties. We hebben hier een aantal hele slechte voorbeelden van gezien.
We willen geen herhaling van zetten, maar niemand weet hoe het verder gaat. Dat is
waar we om vragen. Wie is op dat moment verantwoordelijk? En wat kunnen we doen om
ervoor te zorgen dat mensen verantwoordelijkheid nemen, of opgelegd krijgen? Dat is
de vraag.
De voorzitter:
Eindverantwoordelijkheid in de keten.
Staatssecretaris Tielen:
Het ingewikkelde is natuurlijk dat ik niet een heel eenvoudig antwoord heb op die
vraag. Een jeugdzorgorganisatie waarnaar een kind is doorverwezen, is namelijk verantwoordelijk,
eigenlijk ook eindverantwoordelijk. Daar zit het ’m.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen nog?
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dat is volgens mij dus de kern van het probleem. Uiteindelijk is dan dus niemand echt
verantwoordelijk, wordt het een afschuifsysteem en houden we bepaalde dingen dus in
stand. Dat is dus precies waar wij als PVV iets aan willen doen. Ik dien dadelijk
twee moties in. Ik hoop ook dat ze niet ontraden worden en gesteund worden, want we
moeten hier echt wat aan gaan doen.
De voorzitter:
We kijken uit naar de moties.
Staatssecretaris Tielen:
De jeugdzorgorganisatie is gewoon verantwoordelijk. Punt. Daar zit het ’m in.
De minimumvereisten voor gemeentes met betrekking tot de aanpak huiselijk geweld zijn:
elke gemeente heeft een Veilig Thuisorganisatie ingericht, er is passende hulp op
basis van het wetsvoorstel Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg, er is een integrale
lokale aanpak, waarvoor we dat convenant Stevige lokale teams hebben gesloten, en
er is uniformiteit en samenwerking op landelijk niveau, waarbij Veilig Thuis verkent
of een landelijk dekkende functie ook van toepassing kan zijn. Ook blijven we voortdurend
verbeteren.
«Opvoedverwaarlozing» is een ingewikkeld begrip, omdat we daar allebei misschien niet
precies hetzelfde beeld bij hebben. Ouders verwaarlozen hun kinderen vrijwel nooit
bewust of expres. Vaak is het een optelsom van omstandigheden waardoor dingen niet
gaan zoals we dat idealiter zouden willen. Dat betekent dus ook dat er breder gekeken
moet worden naar de gezinsproblematiek. Daarvoor worden die stevige lokale teams opgezet,
die in sommige gemeentes ook al heel goed werken. Die spelen ook een rol in het toekomstscenario,
maar dan verwijs ik naar de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Dan jeugdhulp in het buitenland. Ik las dat artikel ook en dacht: «Huh, hoe kan dit?
Wat heftig voor Nederlandse jongeren die, in deze gevallen, in Frankrijk jeugdhulp
tussen aanhalingstekens kregen.» Hulp in het buitenland kan weleens passend zijn,
maar het is natuurlijk nooit de meest logische oplossing. Soms is het goed om kinderen
ver uit hun omgeving te halen, zo laat ik mij vertellen door experts, bijvoorbeeld
bij drugsproblematiek, maar het klinkt niet als heel logisch en voor de hand liggend.
Bovendien moeten we zeker weten dat de kwaliteit goed is. Uiteindelijk gaat dit ook
weer over inkoopafspraken tussen gemeente en jeugdzorgaanbieders.
Daarnaast gaat het om toezicht. U zult het ook niet helemaal met mij oneens zijn dat
het best logisch is dat de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd, een Nederlandse instantie,
bevoegdheden heeft in Nederland en dus niet zomaar in het buitenland toezicht kan
houden. Als een gemeente ervoor kiest om een jeugdhulpaanbieder in het buitenland
in te zetten, moet ze, net zoals ten aanzien van andere Nederlandse instanties, weten
dat de hulp voldoet en dat die ook kwalitatief goed is. Het Platform Jeugdhulp Buitenland,
IGJ en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten hebben hierover ook afspraken gemaakt
in het Afsprakenkader buitenlands zorgaanbod Jeugd. Van gemeentes wordt verwacht dat
ze die afspraken ook volgen bij de inkoop van deze zorg. In dat afsprakenkader hebben
we ook afgesproken dat de jeugdhulpaanbieder verplicht is om aan de IGJ door te geven
wie de lokale toezichthouder is – in dit geval de Franse – en hoe het toezicht op
de kwaliteit is vormgegeven. Voordat er jeugdhulp kan worden verleend, is men ook
verplicht tot afstemming met de Centrale autoriteit Internationale Kinderaangelegenheden
om in te stemmen met of goedkeuring te geven aan een lokale centrale autoriteit.
We hebben het dus eigenlijk best wel goed geregeld, maar toch blijkt er sprake te
zijn van dit soort ernstige misstanden. Ik kijk nu samen met de Vereniging van Nederlandse
Gemeenten en de inspectie wat er is gebeurd, wat er met het afsprakenkader is gebeurd
en wat we nodig hebben om dit in de toekomst te voorkomen. De Vereniging van Nederlandse
Gemeenten heeft het afsprakenkader opgesteld. Met hen zal ik bekijken in hoeverre
zij daar nog wat over kunnen zeggen ten aanzien van de gemeentes.
De voorzitter:
Mevrouw Westerveld. Of nee, ik ga toch vragen om de interrupties even op te sparen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb er nog een paar.
De voorzitter:
Nog een paar vragen en dan doen we de interrupties. Dan doe ik nog een slotronde.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Westerveld wilde weten hoe het vervolgtraject eruitziet. Ik zei net al dat
we in gesprek zijn met de inspectie en de VNG. We bekijken of het afsprakenkader moet
worden verbeterd. Ik wil ook dat die verplichte procedures bij de Centrale autoriteit
Internationale Kinderaangelegenheden beter worden gevolgd. Daar ga ik mee aan de slag.
Is er nazorg voor de jongeren? Dat weet ik niet. Daarover ga ik ook in gesprek met
de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, want ik vind het belangrijk genoeg.
Mevrouw Westerveld vroeg ook naar de trauma's bij kinderen die in het buitenland zijn
geplaatst. Zijn er nog meer kinderen in het buitenland in een onveilige situatie?
We hebben dus die centrale autoriteit en verplichte procedures. In deze gevallen lijken
de procedures niet gevolgd te zijn. Daardoor heb je er geen zicht op. Ik was er dus
ook verbaasd over. Dat maakt dat ik niet kan garanderen dat dit niet aan de hand is.
Maar nogmaals, ik ga met de inspectie en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten in
gesprek om opvolging te geven aan wat er nu is gebeurd en ook om na te gaan of er
eventueel nog meer gevallen zijn. Ik neem het wel hoog op, om het zo te zeggen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Heel fijn hoor, ook dat de Minister dit serieus neemt. Wat daar is gebeurd, is afschuwelijk
genoeg, dat vinden we allemaal. Ik begrijp, gelet op hoe het stelsel in elkaar zit,
dat de Staatssecretaris niet kan zeggen: ik garandeer dat alle jongeren veilig zijn.
Tegelijkertijd hoop ik wel dat er nu echt ... Misschien kan ze een brief uit doen
gaan naar alle gemeenten met de vraag: «Hebben jullie jongeren in het buitenland zitten?
Zo ja, dan wil ik meteen een terugkoppeling of zij in dit soort situaties terecht
kunnen komen.» Want volgens mij is het daar echt serieus genoeg voor.
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of het een brief moet zijn of iets anders. Maar is mevrouw Westerveld
het met me eens dat ik dit met de VNG samen probeer een dergelijke opvolging te geven?
Ja, zie ik. Het is ook een van de dingen die in het gesprek met de VNG op de agenda
staan, wat mij betreft.
Mevrouw Moinat vroeg naar de dakloosheid. Het ging haar met name, als ik het goed
heb begrepen, over moeders met kinderen bij wie gedreigd wordt met Veilig Thuis. Ik
begrijp heel goed wat mevrouw Moinat zegt en vraagt, want ik voel dat hetzelfde. De
Staatssecretaris Langdurige en Maatschappelijke Zorg, mevrouw Nicki Pouw-Verweij,
heeft daarover in december een brief gestuurd, om nog eens te bevestigen dat we dat
ook vinden. Dat is ook besproken met de VNG. Er zijn ook afspraken over gemaakt. In
die gesprekken heeft de VNG toegezegd om het gesprek met de gemeenten te organiseren
en om het niet bij een bestuurlijke tafel te houden, maar om het ook in de praktijk
te brengen. De Staatssecretaris heeft aangegeven dat ze het opnieuw onder de aandacht
brengt, als ze nieuwe signalen heeft.
Mevrouw Westerveld vroeg naar gezinshulp en een informele steunfiguur. Het is ontzettend
belangrijk dat je iemand in je omgeving hebt aan wie je steun kan ontlenen, of dat
nou een vriend, familielid of wie dan ook is. We zijn bezig met het versterken van
het samenwerken met informele steun, onder andere via de ondersteuning van het landelijke
JIMpact, waarbij er zelf een mentor wordt gekozen. Er zijn veertien jeugdhulporganisaties
bij aangesloten. Meer dan 3.000 professionals zijn opgeleid om samen te werken met
informele steunfiguren. De leeragenda Kwaliteit en Blijvend Leren in de jeugdhulp,
waarover ik het eerder had, is ook een expliciete leerlijn die daarover opgezet is.
Er zijn ook al veel gemeenten die inzetten op informele steun voor gezinnen. Home-Start,
Buurtgezinnen en SteunouderNL zijn goede voorbeelden daarvan.
Mevrouw Westerveld vroeg waarom er niets over jongerendakloosheid in het regeerakkoord
staat. Dat vind ik natuurlijk een ingewikkelde vraag, want daar ga ik niet zo heel
erg over. Wel kan ik zeggen dat op dit moment het Nationaal Actieplan Dakloosheid
met de titel Eerst een Thuis loopt. Daarin zijn jongeren als bijzondere doelgroep
benoemd. Dat loopt. Het blijft dus onze aandacht houden.
Mevrouw Wendel vroeg naar de programma's tegen kindermishandeling. Besteden we ons
geld goed, vroeg ze. Regelmatig onderzoeken we of aanpakken daadwerkelijk helpen,
of ze effect hebben en hoe ze verbeterd kunnen worden. We zien in dat soort onderzoeken
dat het bij twee derde van de gezinnen waar eerder sprake was van huiselijk geweld,
een jaar na een melding bij Veilig Thuis en inzet van hulp nog niet weg is, om het
maar zo te zeggen. Het is dus best wel hardnekkig. We zien wel dat ernstig en veelvuldig
geweld afneemt. Het effect is dus nog niet zoals we willen, maar er is wel een beweging.
We onderzoeken dat verder, om te kijken hoe we het nog verder kunnen verbeteren. Met
de Hervormingsagenda Jeugd en het toekomstscenario zetten we er ook op in om dat samen
te pakken en het effect te vergroten met de kennis die we hebben opgedaan.
D66 had een vraag over het klachtrecht. De Staatssecretaris van JenV en ik hebben
onderzoek laten doen naar de klachtbehandeling. Daarover is half december een rapport
naar de Kamer gestuurd. Daar zit een aantal aanknopingspunten in voor het verbeteren
van het klachtrecht. We kijken hoe we dat later dit kwartaal samen met VNG en de brancheorganisaties
in gang kunnen zetten. Uiteraard gaan we ook in gesprek met jongeren, als onderdeel
van de Kinderrechtentoets. Voor de zomer krijgt u daarover een brief.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik wil de Staatssecretaris graag vragen of het onderzoek naar of er nog effectievere
programma's tegen kindermishandeling kunnen komen, ook meegenomen kan worden in de
brief die we aan het einde van het voorjaar of voor de zomer kunnen verwachten.
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet niet of het in die brief moet. Ik doe het graag, hoor. Ik wil het graag ook
als extra aandachtspunt meegeven aan de nationaal coördinator. Dan gaat het om het
brede geweldsvraagstuk rondom afhankelijkheidsrelaties. Als mevrouw Wendel dat ook
oké vindt, kan ze het tegen die tijd onder dat kopje terugvinden.
Dan de vader. O, sorry.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Nog even terug naar de klachten in de jeugdzorg. Ik hoor de Staatssecretaris namelijk
zeggen: we gaan later dit kwartaal in gesprek met VNG en jongeren. Dat lijkt me uitstekend,
maar ik zie in dat rapport echt hele concrete voorstellen voor wetswijzigingen, dus
mijn vraag aan de Staatssecretaris is de volgende. Volgens mij kunnen we die alvast
in gang gaan zetten. Natuurlijk moeten we dat zeker in overleg doen met jongeren,
maar laten we niet steeds wachten tot we al die verkennende gesprekken gevoerd hebben.
Staatssecretaris Tielen:
Maar laat er ook geen misverstand over bestaan: dit soort dingen doen we ook wel parallel.
Er zijn wat mij betreft twee dingen heel belangrijk. Hier zijn meerdere instanties
bij betrokken. Ik vind het belangrijk dat we allemaal op dezelfde koers zitten. Tegelijkertijd
kan ik niet als Staatssecretaris bepalen hoe het allemaal gaat. Daar heb ik echt de
anderen bij nodig. Daarom is het ook wel onderdeel van de gesprekken. Maar ondertussen
zijn we natuurlijk al aan de slag met aanbevelingen, om te kijken hoe dat er dan uit
zou moeten zien. Ik denk dat mevrouw Synhaeve en ik elkaar goed begrijpen.
De vader; ik zei het al. De heer Ceder deed een heldere oproep tot vaderbetrokkenheid,
met een mooie persoonlijke toon in dat verhaal. Dat waardeer ik heel erg. Ik denk
dat dat heel krachtig is. Hij had een aantal vragen aan mij, onder andere over Kansrijke
Start, dat gericht is op de eerste 1.000 dagen. Hij vroeg: hoe kunnen we zorgen dat
ook vaders daar nadrukkelijk in worden gezien als sleutelpersoon? Dat doen we onder
andere door zowel de gemeentes als de medische en sociale professionals goed toe te
rusten om ouders te informeren over het belang van de eerste 1.000 dagen. Daarbij
is er ook echt nadrukkelijk en expliciet aandacht voor vaders en vaderschap. Op het
kennisplatform van Kansrijke Start kunt u daar wat meer over teruglezen.
Het vraagt iets in de opleiding, zei de heer Ceder al. Voor een deel hebben wij geen
invloed op de inhoud van de programma's die op hogescholen en universiteiten worden
gedraaid, maar, nogmaals, vanuit Kansrijke Start hebben we daar wel expliciet aandacht
voor en daar is ook aandacht voor in de e-learningprogramma's die rondom Kansrijke
Start als na- of bijscholing voor professionals worden gegeven.
De heer Ceder refereerde aan ervaringen en onderzoeken. We weten inderdaad uit onderzoek
dat de vaderrol heel belangrijk kan zijn. Ik weet niet of er extra onderzoek nodig
is, omdat er al heel veel wetenschappelijk onderzoek beschikbaar is. Volgens mij is
het met name belangrijk om al die inzichten te verwerken in onder andere Kansrijke
Start, maar ook breder in de jeugdzorg en het stevige lokale team, om het maar zo
te zeggen.
Ik zie meneer ...
De voorzitter:
Heeft u nog meer vragen van de heer Ceder?
Staatssecretaris Tielen:
Van de heer Ceder? Niet over de vaders.
De voorzitter:
Als u het goedvindt, wacht ik nog even af of de andere vragen van de heer Ceder worden
meegenomen.
Staatssecretaris Tielen:
Ik heb wel vragen over relaties en scheidingen. Daar gingen vragen van de heer Ceder
en de heer Stoffer over. Het ging over de Agenda voor het Hart en partnerrelaties.
We weten uit onderzoek dat een scheiding ingrijpende gevolgen kan hebben voor kinderen
en de stabiliteit in een gezin. We weten wat de gevolgen daarvan kunnen zijn. Uiteraard
is het primair aan ouders om daar verantwoordelijkheid in te nemen. Soms is ondersteuning
nodig. Steeds meer gemeentes bieden die ondersteuning met een lokale aanpak scheidingen.
Het is meer aan gemeentes om te kijken hoe dat binnen hun gemeente het beste aansluit
bij onder andere de lokale teams. Wij proberen goede voorbeelden te delen, zodat gemeentes
daar inspiratie uit kunnen putten. Afgelopen najaar hebben de Staatssecretaris en
ik een landelijk congres over scheidingen georganiseerd. Vanaf dit voorjaar ontstaan
er ... «Ontstaan er», zeg ik alsof het een natuurwet is. Vanaf dit voorjaar worden
er regiobijeenkomsten georganiseerd over scheidingen.
«Is er zicht op de kosten en baten van complexe scheidingen?» In 2020 heeft Significant
een onderzoek gedaan. Je ziet dat er aanzienlijke kosten bij komen kijken. In dat
rapport is ook gesteld dat het best lastig is om te bepalen welke kosten door de scheiding
komen en welke door andere, aanpalende problemen. Een totale kostenberekening is dan
ook indicatief en een optelsom van verschillende bronnen. Dat het wat kost, is zeker,
en dan vooral in de persoonlijke sfeer, uiteraard.
De Staatssecretaris van JenV, de heer Rutte, en ik hebben veel voorbeelden voor het
programma als het gaat over de landelijke aandacht voor scheidingen. Ook in lokale
teams is daar al brede aandacht voor. Uiteraard moet het toegankelijk zijn. Daar heb
ik net al wat over gezegd. Het is onderdeel van het jeugdbeleid.
Meneer Stoffer sprak ook over de «relatiefitnesstest» of zoiets; ik weet het niet
precies. Uiteraard is het aan de mensen zelf om te bepalen met wie, hoelang en op
welke manier zij een relatie willen hebben. Daar moeten wij ons als overheid niet
tegenaan bemoeien, tenzij mensen hulp nodig hebben, zeker voor hun gezin en kinderen,
en hulp voor de duurzaamheid van de relatie toepasselijk vinden. Dat is aan ouders.
Zoals ik al zei, hebben sommige gemeentes daar een aanbod voor.
De laatste vraag, denk ik.
De voorzitter:
Ik had de heer Ceder nog een interruptie beloofd.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, voorzitter. Het gaat over het onderzoek naar de positieve elementen van het vaderschap
of juist naar de afwezigheid van vaderschap en de kenmerken daarvan. Het klopt dat
hier internationaal best veel onderzoek naar wordt gedaan, maar toen ik dit uitzocht,
viel mij ook op dat hier juist heel weinig Nederlands onderzoek naar wordt gedaan.
Dat is wel belangrijk, want de Nederlandse context is een andere dan bijvoorbeeld
de Amerikaanse. Ik wil mij best beroepen op Amerikaanse onderzoeken, maar volgens
mij willen wij een effectief preventiebeleid. Het zou daarom handig en goed zijn om
daar ook vanuit de Nederlandse context onderzoek naar te doen. Daar komt mijn vraag
dus uit voort. Ik denk dat we dan een beter en gerichter preventiebeleid kunnen voeren,
want meten is weten. Ik hoop dat de Staatssecretaris door deze context de noodzaak
daartoe nog urgenter voelt en zelfs een onderzoek wil toezeggen.
Staatssecretaris Tielen:
Onderzoek moet je doen als je al een idee hebt wat je met de uitkomsten zou willen
doen, ervan uitgaande dat die uitkomsten iets anders laten zien dan we nu weten. Meneer
Ceder verwijst al naar mogelijke interventies, maar het belangrijkste rondom gezinnen
en stevige lokale teams is volgens mij dat wij ervoor zorgen dat gezinnen zelf in
staat zijn om warme en veilige opgroeimogelijkheden te bieden. In welke vorm dat precies
wel of niet zou moeten, is aan de gezinnen zelf in overleg met de professionals uit
het lokale team. Ik heb nu nog niet zo heel erg goed in beeld wat extra onderzoek
zou moeten opleveren aan andere of extra interventies, andere dan die wij nu al doen.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter, even een punt van orde, gelet op de tijd. Dit gaan we natuurlijk never
ever redden. Er worden immers nog moties ingediend en er wordt nog geschorst. Er is
ook nog een Staatssecretaris die moet reageren, en er zullen ongetwijfeld ook vragen
komen. Hoe gaan we hiermee om? Ik heb er behoefte aan dat te weten. 17.00 uur is 17.00
uur, maar dat gaan we dus niet redden.
De voorzitter:
We kunnen een halfuurtje langer doorgaan. Ik kan niet in uw agenda's kijken, maar
dat zou het makkelijkst zijn. Anders moet u allemaal terugkomen. Gemiddeld genomen
zijn bij WGO's iets minder Kamerleden aanwezig. Nu zijn het er iets meer. Dat is hartstikke
goed, maar er zijn ook heel veel vragen gesteld over heel veel verschillende onderwerpen.
Er is best rap door de antwoorden gegaan. We krijgen ook nog twintig minuten of een
kwartier Staatssecretaris. Dan kunnen we naar de tweede termijn. Het is aan u, hè?
Dat probleem lossen we altijd samen op. Als we schorsen, komt u terug en dan zitten
we hier over twee weken weer. Als het al lukt. We weten niet wie er dan zit, om het
maar even zo te zeggen. Dat is het risico. Daar hebben we geen invloed op. Laten we
in ieder geval voorlopig doorgaan. De heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik vind het goed om door te gaan. Laten we kijken waar we om 17.00 uur staan. De tweede
termijn redden we denk ik wel. De appreciaties zouden eventueel ook schriftelijk gegeven
kunnen worden. Als er aanleiding is voor vragen, kunnen we het overleg wellicht nog
heropenen, maar misschien hebben we daar ook genoeg duiding aan.
De voorzitter:
U doelt op een schriftelijke appreciatie van de moties, toch? Ja, dat zou kunnen.
Zeker. Ik stel toch voor om nog even ... Mevrouw Coenradie heeft een terecht punt,
maar met zo veel Kamerleden is het is een ambitieus tijdpad. De Staatssecretaris voor
het laatste punt.
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het trouwens ook heel mooi dat hier zo veel fracties bij zijn betrokken. Dat
had ik aan het begin moeten zeggen, natuurlijk. Het is echt belangrijk genoeg.
De voorzitter:
Zeker.
Staatssecretaris Tielen:
Mijn laatste antwoord is op de laatste vraag van de heer Ceder, over interventies
met betrekking tot vaderschap. Die hoort eigenlijk bij de vaders, natuurlijk, in de
databank Effectieve jeugdinterventies. Het kost gewoon tijd om goed te toetsen op
effectiviteit. Dat gebeurt nu en ze doen hun uiterste best. Binnen Kansrijke Start
zijn er ook wat effectieve interventies, gericht op beide ouders. Ik zou dus iets
positiever willen zijn over het aantal richtingen, meneer Ceder, ook in de ondersteuning
voor zijn pleidooi.
De voorzitter:
Ik dank de Staatssecretaris van VWS. We gaan snel door naar de Staatssecretaris van
JenV. Er is al heel veel gezegd. Er is ook een mooie overlap tussen deze twee portefeuilles,
interdepartementaal. Aan u het woord, meneer Rutte.
Staatssecretaris Rutte:
Dank u wel, voorzitter. Ik zal proberen niet in herhaling te vallen. Als dat gebeurt,
grijpt u dan vooral in. Mijn collega Tielen van VWS heeft uitgebreid stilgestaan bij
het vrijwillige kader. Daarmee kun je vaak veel oplossen. Soms, heel soms, lukt dat
niet en is ingrijpen door de overheid noodzakelijk om de veiligheid van het kind te
borgen, omdat ouders soms echt niet in staat zijn om voor een veilige opgroeisituatie
te zorgen. Ook internationale verdragen zijn daar duidelijk over. Daarbij spreken
we inderdaad over het gedwongen kader, met een duidelijke uitspraak van een rechter
die een machtiging afgeeft voor gedwongen hulp. Die hulp is dan verplicht; ouders
kunnen die niet weigeren. En als er wordt ingegrepen door de overheid, dan is het
belangrijk dat ouders en kinderen zich gehoord voelen, dat het traject met alle rechtswaarborgen
is omgeven en dat passende hulp en bescherming beschikbaar zijn. Velen hebben daar
wat over gezegd. Maar om de problematiek in de jeugdbescherming echt op te lossen,
moet het fundamenteel anders. Bij het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming
werken we samen met de sector aan structurele verbeteringen van de jeugd- en gezinsbescherming.
In een groot interdepartementaal programma is de afgelopen periode hard gewerkt aan
een echt andere manier van werken: gezinsgericht, eenvoudig, transparant, rechtsbeschermend,
en vooral ook lerend. In proeftuinen door heel Nederland zijn nieuwe gezinsgerichte
en eenvoudige werkwijzen ontwikkeld en uitgeprobeerd. In de proeftuinen leidt de gezinsgerichte
integrale benadering aantoonbaar tot een betere ondersteuning van gezinnen.
Ik moet ook zeggen dat ik bij mijn aantreden stevige verschillen van inzicht met onze
partners aantrof over de gekozen richting. In de afgelopen periode hebben we de ruimte
genomen om intensieve gesprekken te voeren met alle betrokken partners. Dat heeft
geresulteerd in een veranderstrategie met concrete veranderstappen voor de korte en
lange termijn en de manieren waarop we daarbij willen samenwerken. Dat betreft een
veranderstrategie binnen de huidige financiële kaders. Bij die strategie maken we
niet alleen verbinding met de Hervormingsagenda Jeugd, maar ook met de aanpak van
geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling en het samenwerkingsverband
tussen Veilig Thuis, politie en justitieorganisaties. Ik verwacht dat de strategie
nog dit voorjaar naar uw Kamer wordt gestuurd.
Voorzitter, dat was mijn korte inleiding. Dit brengt me bij een aantal blokjes. Dat
klinkt heftiger dan het is, want ik houd ze allemaal kort. We gaan het eerst hebben
over de rechtsbescherming bij uithuisplaatsingen. Dan apart over JB Noord. Ik wil
het hebben over huiselijk geweld en kindermishandeling. Dan over het toekomstscenario.
En tot slot – u vermoedde het al – over overige zaken.
Laat ik beginnen met de rechtsbescherming. Mevrouw Westerveld vroeg: hoe zit het nou
met die beloofde verbetering van de rechtspositie van jongeren en ouders? Daarvoor
is een wetsvoorstel in de maak. We hopen dat begin dit jaar ter advisering te kunnen
voorleggen aan de Raad van State. Daarin zijn we dus vergevorderd. Dat is ongeveer
nu, ja. Mevrouw Westerveld weet dat je dan weleens door wat hoepeltjes moet springen
en zo, maar dan... In ieder geval geen vertraging op die lijn.
Mevrouw Synhaeve verwijst naar het rapport Van inzicht naar uitvoering, van het Verwey-Jonker
Instituut. Zij wil ook weten welke stappen wij zetten om uithuisplaatsingen te verminderen
en hoe ik reflecteer op de aanbevelingen in het rapport. De aanbevelingen van het
Verwey-Jonker Instituut zijn herkenbaar: systeemdrukte; eerder en gezinsgericht handelen;
kinderen en ouders beter horen. Eigenlijk is dat ondersteuning van het beleid; het
ligt precies op de koers die wij met elkaar willen gaan varen. Ook het voorkomen van
uithuisplaatsing is een belangrijk streven in de jeugdzorg. Dat sluit aan bij wat
we doen rondom het Toekomstscenario kind- en gezinsbescherming. Daar zit die hele
strategie achter van het versterken van de lokale wijkteams. Vervolgens wordt daarmee
zo veel mogelijk afgevangen. Er wordt alleen opgeschaald als het nodig is. Ook dat
gebeurt doelgericht en efficiënt.
We hebben dus in beeld wat er moet gebeuren. Het is nu echt tijd voor actie. Daarom
werken we nu met partners uit wat we op korte termijn kunnen doen en bekijken we wat
pas op lange termijn kan. Dit komt in de veranderstrategie die dit voorjaar naar de
Kamer komt. Dat is het verhaal dat ik net vertelde. We gaan echt proberen om op korte
termijn vooruit te komen en datgene te doen wat op korte termijn kan. We stappen een
beetje af van het maken van grootse toekomstgezichtspunten. Het wetsvoorstel Rechtsbescherming
is zeer ver onderweg, zoals ik net al aangaf.
De heer Van Houwelingen geeft aan dat uithuisplaatsingen het laatste redmiddel zouden
moeten zijn. Hoe kijk ik daartegen aan? In het wetsvoorstel Versterking rechtsbescherming
in de jeugdbescherming wordt de rechtsgrond voor uithuisplaatsingen aangescherpt,
met als doel te borgen dat deze maatregel uitsluitend wordt ingezet wanneer dit noodzakelijk
is. Daarmee bevestigt het kabinet dat een uithuisplaatsing een ultimum remedium blijft.
Daar heb ik nog iets meer over te zeggen. Misschien kan ik dat erbij pakken?
De voorzitter:
Dan laat ik u nog even dit blokje afmaken. We doen interrupties na het blokje. Dan
gaat u nog even door.
Staatssecretaris Rutte:
Ik heb namelijk een paar vragen van de heer Van Houwelingen achter elkaar. Hij vroeg
ook naar de financiële prikkels. De jeugdzorg wordt betaald voor uithuisplaatsingen.
Hetzelfde geldt voor gezinshuizen en pleeggezinnen. Is dat niet ongezond, vroeg hij.
Ik ben het echt eens met de heer Van Houwelingen dat we uithuisplaatsingen zo veel
mogelijk moeten voorkomen. Het goede nieuws is dat er echt sprake is van een dalende
trend. Tussen 2022 en 2024 is het aantal uithuisplaatsingen met 10% gedaald. Sinds
2009 is het aantal ondertoezichtstellingen al gehalveerd. Dus we moeten niet doen
alsof het een steeds groter wordend probleem is. Het is vervelend, maar het neemt
echt af. In ons stelsel ligt de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van ondertoezichtstellingen
en uithuisplaatsingen bij de GI's. De GI's krijgen per cliënt betaald. Of er alleen
een ots is, of een ots met een uithuisplaatsing, is dus niet relevant. Dat leidt niet
tot extra uitbetaling. Voor de rest wordt de uithuisplaatsing onafhankelijk getoetst
door de rechter. Daar wil ik het even bij laten.
In datzelfde kader kom ik op de vraag of er altijd sprake zou moeten van contra-expertise.
Toegang tot onafhankelijke deskundigheid in kinderbeschermingsprocedures is wettelijk
geborgd. Betrokkenen kunnen de kinderrechter verzoeken om een onafhankelijk deskundigenonderzoek.
Dat kan, maar de uitvoeringspraktijk kampt wel met beperkte capaciteit voor dat deskundigenonderzoek.
Dus daar knelt wel de schoen. Daarom werken we aan een businesscase voor een landelijke
voorziening voor beslisdiagnostiek in de jeugdbescherming, om de kwaliteit, de beschikbaarheid
en de doorlooptijd te verbeteren. Tot zover het blokje de heer Van Houwelingen, als
ik het zo zou kunnen stellen.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Heel veel dank voor de beantwoording over de contra-expertise. We hebben heel vaak
gehoord dat het voor ouders ontzettend belangrijk is om zo'n contra-expertise te hebben
wanneer er sprake is van een tunnelredenering. Wat mij betreft is het net zo noodzakelijk
als het hebben van een advocaat, als u mij kunt volgen. Dan mijn vraag aan de Staatssecretaris:
is het niet zo dat er vanwege de zorgvuldigheid echt contra-expertise moet zijn? Vanuit
het principe van rechtszekerheid zouden we er toch geen genoegen mee kunnen nemen
dat het er niet is?
Staatssecretaris Rutte:
Daarover verschillen wij een beetje van mening. Belanghebbenden kúnnen erom vragen.
Dan wordt dat deskundigenonderzoek ook gedaan. Maar om het standaard te doen gaat
me net wat te ver.
De voorzitter:
Tot slot.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot. Voor ons is dat teleurstellend. De Staatssecretaris zei zojuist dat mensen
alleen – maar dat is natuurlijk de vraag – uit huis worden geplaatst als het noodzakelijk
is. Daar is iedereen het hier natuurlijk over eens. Maar ik gaf net een voorbeeld.
Ik las een brief voor van iemand die dus tegen haar zin uit huis is geplaatst. De
ouders wilden het ook niet. Je hoort het vaak: de moeder of de vader is mentaal ziek,
maar er kan nog goede zorg geleverd worden met wat hulp. Kan dat straks onder de nieuwe
wet gebeuren? Is dat dan voldoende rechtsgrond of niet?
Staatssecretaris Rutte:
De casuïstiek is buitengewoon ingewikkeld om hier te bespreken. In de periode dat
ik Staatssecretaris ben, heb ik menig werkbezoek afgelegd in het speelveld van de
jeugdbescherming. Wat daarbij opvalt, is dat het negen van de tien keer bepaald niet
zwart-wit is. Er zijn ook gevallen waarbij gemeenten en andere hulpverleners denken
«dit moet echt een uithuisplaatsing worden», terwijl de Raad voor de Kinderbescherming
uiteindelijk een andere weging maakt en de zaak terugverwijst, op basis van het feit
dat er meer mogelijk is. Andersom zal het ongetwijfeld ook weleens gebeuren dat iedereen
eerst denkt dat het toch opgelost moet kunnen worden, maar de weging uiteindelijk
de andere kant uit valt. Ik wil die weging graag bij professionals houden, in de wetenschap
dat het aantal uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen wel degelijk afneemt.
De voorzitter:
Staatssecretaris, gaat u verder.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Westerveld vroeg waarom het hoorrecht niet overal goed geborgd wordt. Vanaf
1 juli 2025 wordt iedereen vanaf 8 jaar door de rechtspraak uitgenodigd voor een gesprek
met de rechter. Deze verlaging van 12 jaar naar 8 jaar wordt ook in het wetsvoorstel
Versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming geborgd, maar de praktijk loopt
daar nu al op vooruit. Ik denk dat dat ook goed is. Maar we gaan het ook wettelijk
borgen.
Mevrouw Van Meetelen wil dat onderzocht wordt op welke wijze ernstig falen kan worden
gekwalificeerd en bestraft. Zij wil ook weten welke aanpassingen in wet- en regelgeving
daarvoor nodig zijn. De aanpak van ernstig falen loopt via de IGJ en de IJV. Die kunnen
besluiten om toezicht in te stellen naar aanleiding van een melding of op eigen initiatief,
bijvoorbeeld na een inspectiebezoek of eigenstandig onderzoek. Dat kan vervolgens
resulteren in het opleggen van een aanwijzing, een cliëntenstop of een boete. Als
een SKJ- of BIG-geregistreerde zorgverlener erbij is betrokken, is een tuchtzaak ook
mogelijk. Als de inspectie in het toezicht strafbare feiten vaststelt, deelt zij dit
met het Openbaar Ministerie voor mogelijke strafrechtelijke vervolging.
Ik ga door naar de vragen van de heer Ceder over de staatscommissie jeugdzorg: is
deze al ingevuld, gaat dat nog gebeuren of ligt dit op de plank voor een volgende
bewindspersoon? Officieel ligt dat op de plank voor een volgende bewindspersoon, maar
die hoeft het er alleen maar af te halen en af te stoffen. Afstoffen hoeft niet eens,
want er zit geen stof op. Het staat klaar om in beweging te gaan. Mijn opvolger zal
het door de ministerraad begeleiden. Het streven is dat de commissie op 1 april kan
beginnen. Alle voorbereidingen daarvoor zijn getroffen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Meetelen, kort.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Ik hoor net de beantwoording, maar ik heb toch nog een ander soort vraag. De voortgangsbrief
erkent het strafrechtelijke ingrijpen. Beschermingsmaatregelen en kernsamenwerkingen
zouden cruciaal zijn. In de VWS-begroting ontbreekt eigenlijk een expliciete, gezamenlijke
sturing en financieringslogica samen met JenV. De vraag is nu: hoe kunt u, de Staatssecretaris
op JenV, verantwoordelijkheid nemen voor de veiligheid van die kinderen, als die verantwoordelijkheid
niet herkenbaar, en dus ook niet toetsbaar, is in die begrotingscyclus? Wij willen
echt terugzien in de begroting wat we eraan gaan doen als het misgaat.
Staatssecretaris Rutte:
Het toezicht en het optreden op het moment dat dingen misgaan liggen echt bij de twee
inspecties, de IGJ en de IJV. Zij doen dat ook. Ze geven ook niet aan er te weinig
middelen voor te hebben. Ik herken dus niet helemaal de zorg van mevrouw Van Meetelen.
In zijn algemeenheid treden we goed op als er dingen misgaan. De inspecties zeilen
behoorlijk scherp aan de wind. Ik denk dat het daarmee voldoende geborgd is.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik niet bij de rechtsbescherming, want dat mapje is leeg, maar bij JB Noord.
Dat gaat mij aan het hart, want ik ben zelf inwoner van Groningen. Dit is dus een
jeugdbeschermingspartij in mijn eigen provincie. Er is van alles over gezegd, geschreven
en te lezen. Ik ga gewoon snel door de antwoorden heen, niet omdat ik het wil afraffelen,
maar omdat we krap in de tijd zitten.
Mevrouw Westerveld vraagt of er met mensen van het meldpunt en met ouders is gesproken.
JB Noord heeft zeker gesproken met mensen van het meldpunt en met ouders. Ze voeren
ook gesprekken met de mensen die zich hebben gemeld, om te bekijken wat er in hun
geval is gebeurd en wat er beter kan. Daarnaast worden ouders betrokken bij de uitvoering
van de maatregelen uit het verbeterplan van JB Noord naar aanleiding van het inspectierapport.
Dat vind ik ook heel belangrijk. Er is veel gebeurd. Via die contacten moeten dingen
ook echt beter gaan. Als stelselverantwoordelijke volgen we de situatie nauwgezet
en hebben we regelmatig contact met gemeenten en JB Noord.
Mevrouw Synhaeve gaat uitgebreid in op de problemen bij JB Noord, en vooral op de
zorg over de vraag wat er gebeurt als JB Noord het certificaat verliest. Het is duidelijk
dat er in de afgelopen periode bij JB Noord veel zaken niet goed zijn gegaan. Niet
voor niks heeft het Keurmerkinstituut eind 2024 het certificaat ingetrokken en staat
Jeugdbescherming Noord nog steeds onder verscherpt toezicht van de IGJ. Inmiddels
heeft JB Noord het certificaat weer terug en is de weg omhoog op zich wel gevonden.
Hoe goed dat is, moet uiteindelijk ook uit het inspectierapport blijken, dat we deze
maand verwachten. JB Noord werkt hard aan een herstel- en verbetertraject, dat ertoe
moet leiden dat jeugdigen en gezinnen in alle gevallen de ondersteuning krijgen waar
ze recht op hebben. De betrokken gemeenten steunen JB Noord hier op dit moment in
en zitten er ook bovenop. Ook financieren de gemeenten aanvullende uitvoeringscapaciteiten.
Indien JB Noord het certificaat zou verliezen – gelukkig is dat niet gebeurd – dan
voltrekt zich een wel heel beroerd scenario, want dan moeten alle kinderen naar een
andere GI, wat telkens via de rechter moet. Dat is eigenlijk een rampscenario, want
ook de andere GI's zitten overvol. Alles moet via de rechter. Alles is er dus op gericht
om dat te voorkomen. Er liggen ook scenario's klaar om te voorkomen dat we hierin
vervallen. Daar is dus wel allemaal naar gekeken. Ik wil daarover niet te veel in
detail treden. Het mag duidelijk zijn dat we alles op alles moeten zetten om dat te
voorkomen. Tot zover Jeugdbescherming Noord.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel nog. Nee, mevrouw Westerveld en dan mevrouw Wendel. U was eerder.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een interruptie over dit punt. De Staatssecretaris geeft aan dat JB Noord wél
met de mensen van het meldpunt heeft gesproken. Ik krijg in ieder geval signalen dat
zij zich niet voldoende betrokken voelen of dat ouders onvoldoende betrokken worden.
Mijn concrete vraag aan de Staatssecretaris is of hij ervoor kan zorgen dat ook nog
eens expliciet de mensen van het meldpunt aangehaakt blijven. Misschien kunnen mensen
op zijn ministerie dat doen. Die mensen hebben ontzettend veel verhalen verzameld;
ze zijn ongelofelijk betrokken. Ze willen ook graag meedenken om ervoor te zorgen
dat het straks beter wordt. Kan de Staatssecretaris ervoor zorgen dat die connectie
ergens wordt gelegd? Ik denk dat die verhalen te waardevol zijn om niet mee te nemen.
Staatssecretaris Rutte:
Dat ben ik volstrekt met mevrouw Westerveld eens. Dat gaan we doen.
Mevrouw Wendel (VVD):
Net als de Staatssecretaris woon ik in Groningen. Dat betekent ook dat veel mensen
hierover bij mij op de lijn komen. Ik zie dat gemeenteraden en wethouders echt massaal
worstelen met wat er nu plaatsvindt bij JB Noord, met de centrale vraag: «Wanneer
is het genoeg? Wanneer moeten wij als gemeenteraden en wethouders wellicht de verantwoordelijkheid
nemen en de stekker eruit trekken omdat we het niet langer accepteren dat hier veel
incidenten plaatsvinden?» Ik wil uitdrukkelijk niet hiervoor pleiten vandaag, maar
ik wil de Staatssecretaris wel vragen om dit niet alleen op de voet te volgen maar
ook proactief op de lijn te gaan zitten bij zowel JB Noord als de betrokken wethouders
om te kijken hoe jullie hier samen uit kunnen komen, want ik voorzie wel heel veel
problemen als de stekker hier echt uit getrokken wordt.
Staatssecretaris Rutte:
Mevrouw Wendel en ik delen dat volgens mij. Ik heb net gezegd dat we een bijna niet
te overzien probleem hebben als je hier de stekker uit trekt. Ik heb wel veel begrip
voor de grote zorgen die er spelen in de regio waar JB Noord werkzaam is en voor de
gemeenten en de gemeenteraadsleden die dat ook zien. Je moet je voorstellen dat als
problemen langdurig heel groot zijn geweest, je ook een hele lange nasleep hebt van
diezelfde problematiek. Ook dat zien we hier. Het is dus helaas niet zomaar opgelost.
Je keurmerk terugkrijgen betekent niet dat de problemen zijn opgelost. Er is niet
voor niks verscherpt toezicht. We gaan deze maand horen of het beter gaat. Ik zie
wel dat er bestuurlijk al forse interventies zijn geweest. Er staan andere mensen
aan het roer, die dingen anders doen. Dat schept wel wat vertrouwen, maar we moeten
de vinger aan de pols blijven houden. Dat gebeurt vanuit mijn ministerie bijna op
dagelijkse basis. Richting de wethouders is dat iets meer op afstand, maar als de
behoefte bestaat, dan zijn we absoluut bereid om dat te doen.
De voorzitter:
Mevrouw Wendel, tot slot.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank in ieder geval voor de inzet die de Staatssecretaris hierop wil plegen. Ik zit
hier zo hard in omdat ik in verschillende gemeenteraden al moties ingediend zie worden
om de stekker uit JB Noord te trekken. Die consequenties zijn niet te overzien. Daarom
zou ik graag die toezegging van de Staatssecretaris willen.
De voorzitter:
Een toezegging?
Staatssecretaris Rutte:
Volgens mij heb ik die gedaan. Wij blijven dit contact houden. Ik kan me voorstellen
dat we ook nog wat extra contact met gemeenten gaan leggen om te kijken hoe we de
boel dicht tegen elkaar aan kunnen trekken.
De voorzitter:
Krijgen we daar dan per brief een uitkomst van, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Rutte:
Dat is een ongewisse uitkomst. Ik kan toezeggen dat wij die contacten nog intenser
maken dan ze nu al zijn. Als iemand de uitkomsten daarvan helemaal concreet kan maken,
vind ik dat prima. Maar dat is ...
De voorzitter:
Oké. Als u het in een soort van rapportage mee kunt nemen in de terugkoppeling ...
Staatssecretaris Rutte:
Dat doen we dan in een volgende brief.
De voorzitter:
Ja, oké.
Staatssecretaris Rutte:
Ik ga ervan uit dat de status van JB Noord daar überhaupt een plek in zal krijgen.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Rutte:
Dan kom ik bij huiselijk geweld en kindermishandeling. We gaan van de ene gezelligheid
naar de volgende. Het is niet anders. Dit onderwerp is vorige week ook al uitgebreid
aan de orde geweest bij de begroting Justitie en Veiligheid. Vandaag komt het opnieuw
aan bod. Dat kan ik me goed voorstellen, want het is nogal wat als je niet veilig
bent in je eigen huis en daar geconfronteerd wordt met mishandeling of nog ergere
dingen.
Mevrouw Coenradie vroeg daar uitgebreid naar. Daar heb ik alle begrip voor. Zij vraagt
hoe het kabinet aankijkt tegen het werken met één gemeenschappelijk systeem of het
eventueel zelfs schrappen van onnodige privacybescherming, zodat informatie sneller
en effectiever kan worden gedeeld. Onder de regie van het Ministerie van Justitie
en Veiligheid werken de betrokken organisaties, waaronder Veilig Thuis, de politie
en de justitieorganisatie, sinds 2023 stap voor stap aan verbetering van de onderlinge
informatie-uitwisseling onder de noemer «Samen onder Handbereik». Daarmee gaan we
niet alle informatie in één systeem stoppen, maar wordt wel gezorgd dat de noodzakelijke
informatie onderling ter inzage toegankelijk is. De eerste resultaten zijn inmiddels
behaald. Vanaf 2026 kan elke Veilig Thuisorganisatie digitaal checken of een of meerdere
netwerkpartners bekend zijn met iemand over wie Veilig Thuis een melding heeft ontvangen.
Dan de vraag of we dwingender interventies moeten toepassen bij een hoog risico op
huiselijke geweld en kindermishandeling, en hoe we dat dan concreet doen. Momenteel
loopt het traject ter verbetering van de inzet van het tijdelijke huisverbod. Deze
maand zijn de pilots gestart in Den Haag, Rotterdam, Groningen en Utrecht. Het uitgangspunt
is dat het tijdelijke huisverbod niet alleen in acute crisissituaties wordt opgelegd,
maar ook bij onderbouwde signalen met betrekking tot de structurele veiligheid. Ook
zijn we aan het kijken hoe aanvullende bestuursrechtelijke beschermingsmaatregelen
kunnen worden ingezet om slachtoffers beter te beschermen. Daar worden bijeenkomsten
over georganiseerd. Er wordt vooral ontzettend veel kennis uitgewisseld. Mevrouw Coenradie
weet volgens mij wel dat het echt lastig is om het strafrecht goed met het bestuursrecht
te verknopen, maar daar zijn goede voorbeelden van. We willen kijken of en hoe we
dit goed kunnen borgen en opschalen.
In hetzelfde kader was de vraag of het kabinet de analyse deelt dat het systeem nu
te vaak de last bij het slachtoffer legt in plaats van bij de dader; bij een uithuisplaatsing
van de dader laat je het de dader bijvoorbeeld wel voelen. Het eerlijke antwoord is
dat dat niet altijd kan worden voorkomen, omdat bij hoge veiligheidsrisico's niet
altijd voldoende veiligheidsgaranties kunnen worden geboden. Er moeten soms ook veiligheidsmaatregelen
worden ingezet voor het slachtoffer, maar ik werk hard aan de interventies richting
plegers, zoals de elektronische monitoring in combinatie met een contact- of locatieverbod
en een slachtofferdevice, en dus uitbreiding van het tijdelijke huisverbod.
Mevrouw Coenradie kwam met een voor mij wat nieuwe term: het afkoelhuis. Ik vermoed
dat dat niet een soort grote diepvries is, maar vooral een plek waarheen de dader
kan worden uitgeplaatst. Welke oplossingen zijn denkbaar en wat zijn de juridische
en financiële knelpunten, werd gevraagd. Eerlijk gezegd is dat nog niet in kaart gebracht.
Ik kan die vragen dus nog niet tot in detail beantwoorden. In januari starten pilots.
Die moeten daar echt inzicht in gaan geven. Een mogelijk knelpunt zal zijn dat het
wettelijk kader moet worden uitgebreid om gedwongen opvang mogelijk te maken. Dan
zullen we daar ook financiële middelen voor moeten vinden, maar we staan nog een beetje
aan het begin van het onderzoek en het denken. Mevrouw Coenradie vraagt ook naar landelijke
pilots met die afkoelhuizen; dat is wel onderdeel van deze pilots.
Tot zover dit blokje. Er zijn geen extra vragen. Dan ga ik door met het toekomstscenario.
Mevrouw Westerveld had daarover meerdere vragen. De financiering van het toekomstscenario
vervalt per 2027. Zij zei: dat maakt de uitvoering onzeker; wat gaan we dan doen met
die proeftuinen? In 2026 worden die proeftuinen in ieder geval nog wel gefinancierd.
Die zijn ook enorm nuttig. Van nieuwe werkwijzen leren we ontzettend veel. Ik hoorde
dat mensen bijvoorbeeld heel enthousiast zijn over de werkwijze in Flevoland. Dat
is ook een van de proeftuinen. Welke belemmeringen er zijn en hoe we die met elkaar
kunnen oplossen, is precies wat we in die proeftuinen ophalen. Of en hoe de proeftuinen
doorgaan en hoe we proeftuinen in de regio's kunnen ondersteunen in 2027 en verder,
komt in de veranderstrategie te staan die mijn opvolger naar de Kamer zal sturen.
Dat gaat niet heel lang duren. Ik verwacht dat in de eerste helft van dit jaar. Ook
is duidelijk dat de veranderstrategie vooralsnog binnen het huidige financiële kader
uitgevoerd zal moeten worden. Het is dus wel een spannende strategie, maar je kunt
ook niet eeuwig doorgaan met proeftuinen. Op een bepaald moment moet je durven zeggen
wat de beste werkwijze is. Het is ook niet zo dat iedere verandering altijd moet leiden
tot extra geld. Je kunt je ook voorstellen dat veranderen soms bij een normale bedrijfsvoering
hoort. Of dat nou helemaal lukt of niet, zal in de veranderstrategie naar voren moeten
komen.
Dan kom ik bij Flevoland, waar de heer Ceder aan refereerde. Dat is inderdaad een
van die proeftuinen. In Flevoland worden uithuisplaatsingen voorkomen door het hele
gezin hulp te geven. Wat vind ik daarvan? Is het mijn ambitie? Ik kan zeggen dat het
een veelbelovende aanpak is. Ik word er inderdaad echt heel enthousiast van als het
op die manier kan. Het hele idee daarvan past ook helemaal bij hoe we bij het toekomstscenario
denken: integrale hulp aan het gezin en daarmee zo veel mogelijk voorkomen dat je
diep in dat gedwongen kader en bij uithuisplaatsingen terecht gaat komen. Ik zie dat
dus echt als een van de voorbeelden die je ook over andere regio's zou willen verspreiden
en die je als norm zou willen stellen. Je zou belemmeringen weg willen nemen die daarmee
te maken hebben.
Dan ga ik in dit razende tempo door naar het blokje overig. De heer Van Houwelingen
zou graag in de VWS-begroting een overzicht willen hebben van het aantal ondertoezichtstellingen
en het aantal uithuisplaatsingen et cetera. Ze staan misschien niet in de begroting,
maar ze zijn wel eenvoudig te vinden. Het CBS houdt ze bij. U kunt daar dus gewoon
naar zoeken en er worden keurige overzichtjes van gemaakt. De rapportages worden vervolgens
ook door de Ministeries van VWS en JenV aangeboden aan de Tweede Kamer. Ze worden
dus op zich, al staan ze niet in de begroting, wel gedeeld en zijn eenvoudig vindbaar.
Mevrouw Wendel vraagt of het niet allemaal wat sneller en concreter kan; ik heb het
meer mensen horen zeggen. Dat vind ik wel een goede hartenkreet; daar voel ik wel
in mee. In ieder geval komt in het voorjaar de veranderstrategie naar de Kamer, met
daarin de prioriteiten waar we ons op korte termijn – dan hebben we het over de komende
drie jaar – en op de lange termijn op gaan richten. We werken met alle organisaties
toe naar concrete acties die ook zien op het verminderen van de druk op de jeugdbescherming.
In de kern gaat het erom dat als de problemen van kinderen en gezinnen tijdig en effectief
worden aangepakt, kinderbeschermingsmaatregelen minder vaak nodig zijn en daardoor
de druk op de jeugdbescherming afneemt. We zitten nu veel meer in een werkwijze waarin
we ons iedere keer, werkenderwijs, afvragen wat de kern is. De kern is dat wij een
goed team rondom een gezin willen hebben en dat we daarmee proberen zo veel mogelijk
van de problemen op te lossen. Lopen we dan vervolgens ergens tegen aan en moeten
we daardoor echt verandering in gang zetten, dan doen we de eerstvolgende verandering
op dat moment.
Dat is een klein tipje van de sluier van die veranderstrategie. Het zal dus steeds
vaker een kwestie van kleine stappen vooruit zijn, maar we gaan dan wel iedere keer
vooruit in plaats van te werken met hele groteske plannen, visies en meer van dat
al. Los daarvan, in de categorie «korte termijn en hopelijk toch al wat resultaat»,
gaan we in ieder geval de subsidieregeling voor zijinstromers in de jeugdbescherming
verlengen, zodat de GI's aan goede jeugdbeschermers kunnen blijven komen. Voor de
rest wordt het echt een andere manier van werken: minder grootse plannen en meer een
kwestie van moedig voorwaarts, stap voor stap, maar elke keer wel een stukkie beter.
Mevrouw Van Meetelen vraagt of het juridisch kader om nalatigheid van bestuurders
te sanctioneren niet te beperkt is. Waarom is dat niet hersteld? Bij onregelmatigheden
of incidenten staat de aansprakelijkheid van de betrokken organisatie voorop. Mijn
collega gaf net al aan: die betrokken organisatie is dan de jeugdzorgorganisatie waaraan
iemand is toevertrouwd. In het geval van ernstige en bewuste nalatigheid biedt het
huidige juridische kader al mogelijkheden om bestuurders aansprakelijk te houden.
Bestuurdersaansprakelijkheid is toch wel een stevig middel. Het oordeel over de vraag
of het gaat om ernstige en bewuste nalatigheid, is uiteraard aan de rechter.
Dan kom ik bij een vraag van mevrouw Westerveld: er is weinig tijd genomen voor de
verklarende analyse; kan ik daar een reactie op geven? De verklarende analyse is een
methodiek om samen met de gezinnen en de sociale omgeving beter in beeld te krijgen
welke problemen er in het gezin spelen. Die methodiek is in opkomst en organisaties
en professionals zijn daar nog lerend in. Het kan wel een belangrijke bijdrage leveren
aan het organiseren van de juiste hulp en het voorkomen van beschermingsmaatregelen.
Dus wat dat betreft past het wel heel erg in de visie die we voor ogen hebben. Het
doen van een verklarende analyse vraagt een zorgvuldig proces van samenwerking, afstemming
en de juiste deskundigheid. Daar zetten we op in in het kader van de leeragenda's,
van de hervormingsagenda en het toekomstscenario. Ik kan me dus heel goed voorstellen
dat die daarin een heel nadrukkelijke plek krijgt. Ik zie af en toe bij werkbezoeken
wel regio's waar men zegt: dit is de manier waarop wij werken. Ik geloof daar wel
heel erg in. We blijven daar dus vooral om vragen en op drukken.
Dan een heel ander onderwerp. Dat is het onder toezicht stellen van een ongeboren
kind. De heer Stoffer vroeg daarnaar. Hij gaf aan dat wij dat in Nederland misschien
wel erg veel doen, vergeleken met andere landen. Zouden we in dit kader wellicht ook
niet wat meer aandacht moeten hebben voor eventuele vrijwillige maatregelen? Zou dat
niet beter zijn? Ik zie in ieder geval geen noodzaak voor een nadere wettelijke regeling
voor ondertoezichtstelling bij ongeboren kinderen. De huidige wetgeving biedt de rechter
voldoende ruimte om maatwerk te leveren met inachtneming van de belangen van zowel
moeder als kind. Tegelijkertijd hecht ik groot belang aan vroegtijdige vrijwillige
en preventieve ondersteuning; dat deel ik wel met de heer Stoffer. Dat sluit aan bij
het toekomstscenario waarin wordt ingezet op eerder signaleren, beter samenwerken
en het versterken van lokale wijkteams, zodat gedwongen maatregelen zo veel mogelijk
kunnen worden voorkomen.
Dan eindig ik met misschien wel een van de belangrijkste onderwerpen: de mensen die
dit werk moeten doen. Binnen mijn portefeuille zijn dat de jeugdbeschermers. Kan ik
nog een rol vervullen voor een aantrekkelijke cao? Dat is altijd reuzelastig, want
ik onderhandel inderdaad niet over cao's; ik ga dat ook niet doen. Ik blijf me wel
inzetten voor het verlagen van de werkdruk, net als in de afgelopen jaren. Dat hebben
we ook echt gericht gedaan. We hebben de werklast verlaagd en er waren landelijke
campagnes ter verbetering van het imago van jeugdbeschermers.
Tot slot wil ik mijn grote dank uitspreken aan iedereen die dit ontzettend ingewikkelde,
maar ook mooie werk doet. Uiteindelijk zijn de jeugdbeschermers degenen die in een
hele ingewikkelde situatie, waarin je soms maatregelen moet nemen die eigenlijk niemand
wil, toch in het belang van het kind optreden, handelen en dingen doen. Daar ben ik
ze uitermate dankbaar voor.
Tot zover.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Mevrouw Westerveld heeft nog een vraag, en de heer Stoffer ook.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Die gaat over het toekomstscenario en de proeftuinen. Op geen enkele manier zou ik
willen dat we voortdurend tijdelijk nieuwe projecten opzetten. Volgens mij is het
doel juist om datgene wat werkt in te zetten. De inspectie schreef in het najaar dat
ze zich grote zorgen maakt over het toekomstscenario, omdat het budget is weggevallen.
De vraag aan de Staatssecretaris is dus: waarom denkt hij wel dat je die verbeteringen
allemaal kan inzetten, terwijl de budgetten weg zijn? Volgens mij is er hier weer
hetzelfde doel. Alleen, ik snap gewoon niet hoe hij daar zo makkelijk overheen kan
stappen en over wat de inspectie en de gemeentes zeggen, wat de GI's aangeven, enzovoort.
Staatssecretaris Rutte:
Laat ik duidelijk zijn: het is een ingewikkelde puzzel. De middelen zijn er niet,
maar dat is niet een reden om te stoppen met stappen vooruitzetten. Ik kan me best
voorstellen dat als je meer middelen zou hebben, je dat sneller en gerichter kunt
doen. Daar zit het ’m een beetje in. Het is niet zo dat we niet kunnen veranderen
en niet vooruit kunnen. Ik denk ook echt dat het nu tijd is om misschien nog één keer
het netje op te halen in de proeftuinen, maar dan op een bepaald moment ook de moedige
keuze te maken: dit is een betere werkwijze; deze is doelmatig, beter voor het kind
en het gezin en misschien in sommige gevallen ook wel voordeliger.
De voorzitter:
Ja, duidelijk.
Staatssecretaris Rutte:
Dat is waar we doorheen moeten, maar mevrouw Westerveld heeft natuurlijk gelijk: met
meer middelen kun je daar meer projectmatige kracht achter zetten.
De heer Stoffer (SGP):
Dank aan de Staatssecretaris dat hij zulke waarderende woorden uitspreekt over de
jeugdbeschermers. Ik snap natuurlijk dat hij zelf geen cao-onderhandelingen gaat doen.
Dat gaf de collega-staatssecretaris naast hem zonet ook al aan in een andere casus,
ten aanzien van andere vragen. Mijn vraag was eigenlijk of hij denkt dat zo'n exclusieve,
aantrekkelijke positie van de jeugdbeschermer in de cao wellicht een belangrijke rol
zou kunnen spelen. Dat zou toch een mooie uitspraak zijn als een van zijn laatste
daden als Staatssecretaris in dit kabinet? Als een Staatssecretaris dat zegt, dan
doet dat heel wat. Hij hoeft het dus niet te doen, maar ik denk dat het al zou kunnen
helpen als hij zou uitspreken dat dat zo zou zijn.
De voorzitter:
Wilt u het uitspreken, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Rutte:
Nee, ik hou het bij de warme woorden die ik eerder gesproken heb. Daar meen ik ook
alles van, maar ik blijf even weg van alles wat aan de cao raakt.
De voorzitter:
Duidelijk.
Mevrouw Wendel (VVD):
Ik had de Staatssecretaris gevraagd wat hij op korte termijn al gaat doen naast het
toekomstscenario en de vergezichten die er zijn. Het antwoord was eigenlijk: binnen
drie jaar ga ik dit en dat doen. In alle eerlijkheid verslikte ik me in mijn koffie,
omdat ik dacht: «Dit meen je toch niet! Dit is precies mijn punt: het moet sneller.»
Als het in het antwoord over de korte termijn gaat over «binnen drie jaar», dan denk
ik: is dát de korte termijn? Ik zou de Staatssecretaris toch nog willen vragen hoe
we kunnen zorgen dat we niet alleen drie jaar lang vergaderen en plannen maken, maar
stukje bij beetje ook al stappen zetten.
Staatssecretaris Rutte:
Als dat het beeld is dat beklijft, dan heb ik me niet goed uitgedrukt. Het papier
is geduldig. We zullen zowel de dingen die binnen drie jaar moeten worden gerealiseerd
als die voor de langere termijn absoluut allemaal keurig aan het papier toevertrouwen.
Ik gaf mevrouw Wendel net aan – ik hoop dat ze het ook gelooft als ik dat zeg – dat
we toegaan naar een andere manier van werken, waarin werkelijk waar iedere maand,
iedere dag wordt gekeken wat er anders en beter kan. Hebben we een verbetering gevonden,
dan gaat die gewoon in zonder dat we daar een nieuw plan of een nieuw besluit voor
nodig hebben. Die incrementele werkwijze zal de veranderstrategie zijn. Die is al
begonnen en heeft al partijen aan tafel gekregen die vorig jaar waren weggelopen.
Dat werkt nu dus al. Dat houden we vol. Alle begrip: we mogen niet nog langer praten
en nog meer papier produceren. Er schijnt ook iets over in het regeerakkoord te staan.
De voorzitter:
Duidelijk.
Staatssecretaris Rutte:
Aan de slag!
De voorzitter:
Met het oog op de klok: we zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de
zijde van het kabinet. We gaan snel door naar de tweede termijn. Ik zeg erbij: er
zijn al veel vragen gesteld. Richt u echt op de moties of op het afconcluderen. Ellenlange
betogen mogen, maar dan gaan we het helemaal niet redden. Ik stel dus voor om het
echt te beperken tot de moties. Ik hou ook de mogelijkheid open dat het kabinet schriftelijk
antwoordt op de moties en de amendementen, of deze in ieder geval schriftelijk apprecieert.
Ik wijs de Kamerleden er ook op dat er nog een begrotingsbehandeling VWS is, waar
indien gewenst nog vragen kunnen worden gesteld.
Ik ga gelijk door, en ik zeg nu alvast: een uitloop tot 17.30 uur is waar ik nu naar
streef. Dat gebeurt heel vaak bij een opkomst als deze. We hebben in dit huis niet
de spelregel dat u moet aangeven of u aanwezig bent bij een WGO of niet. Het is altijd
afwachten wie er komt en wie niet. Dat zeg ik er ook maar even bij. Mevrouw Synhaeve.
Mevrouw Synhaeve (D66):
Dank u wel, voorzitter. We gaan de komende jaren laten zien dat we de zorg voor de
meest kwetsbare kinderen wél goed kunnen regelen. Dat doen we door te focussen op
de kinderen die de zorg het meest nodig hebben, door problemen in de jeugdzorg vooral
buiten de jeugdzorg op te lossen en door het perspectief van kinderen en gezinnen
weer leidend te maken. Dat betekent inzetten op preventie om te komen tot de gezondste
generatie ooit. Dat doen we door te investeren in onderwijs, sport, bewegen en het
vergroten van kansengelijkheid. Dat betekent ook dat wij – het is al vaker gezegd
vandaag – niet allemaal nieuwe plannen gaan maken, maar gaan doen. Daarbij zetten
we in op die maatregelen waarvan we weten dat ze een grote impact hebben in het leven
van jonge mensen. In dat kader ben ik blij met de toezeggingen van het kabinet rond
nachtelijke kamerinsluiting; zij gaan pas stappen zetten in het wetsvoorstel als we
ook de uitkomsten van de onderzoeken en de gesprekken mee kunnen nemen.
Ten aanzien van het wetsvoorstel Reikwijdte is het heel fijn dat we parallel aan het
wetsvoorstel ook gaan kijken wat we in de AMvB willen gaan regelen en of we dat nu
al kunnen voorbereiden met elkaar.
Ik ben blij met de toezegging dat gemeenten gewezen worden op het belang van een informeel
steunnetwerk voor pleegouders, bijvoorbeeld in de vorm van Mockingbird. Ik ben ook
blij met de toezegging die het kabinet eerder deed tijdens de mondelinge vragen over
suïcidepreventie bij jongeren, namelijk dat er een apart onderzoek komt gericht op
het stijgende aantal suïcides bij jongeren, met name jonge vrouwen.
Daarnaast zullen we samen met de VVD en hopelijk ook met andere partijen bij de begroting
een amendement indienen om mensen met nepdiploma's op te sporen. Eerder stelden we
namens D66 vragen over de evc-certificaten in de jeugdzorg; dat hebben ook een aantal
andere partijen gedaan. Naar schatting werken daardoor zo'n 800 mensen met een nepdiploma
met kwetsbare jongeren. Dat is onacceptabel. Daarom dienen we een amendement in om
deze mensen op te sporen, diploma's in te trekken, de database op te schonen en jongeren
te beschermen tegen misbruik en criminaliteit.
Voorzitter, ik rond af. Achter deze cijfers en misstanden gaat het over jongeren die
ons nodig hebben. We maken deze keuzes juist voor hen. Ik hoop en ik ben ervan overtuigd
dat we dat de komende jaren vanuit deze Kamer breed kunnen doen.
De voorzitter:
Ik dank u wel. Ik wijs erop dat het amendement-Synhaeve/Wendel reeds is ingediend
en dus onderdeel is van de beraadslaging. Het woord is aan de heer Hamstra.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Wat wel weer duidelijk is geworden, is dat ...
De voorzitter:
Excuus. We gaan wel de begrotingsvolgorde hanteren.
De heer Hamstra (CDA):
Ja, helemaal prima.
De voorzitter:
Anders wordt het helemaal onduidelijk. Excuus, ik ging te snel. Het woord is aan mevrouw
Wendel van de VVD.
Mevrouw Wendel (VVD):
Dank, voorzitter. Ik zat er al helemaal klaar voor. Ik zal het kort houden. De Staatssecretaris
vertelde in haar eerste termijn dat de reikwijdtewet in de afrondende fase is en hopelijk
aan het eind van de maand in consultatie zal gaan. Nu is er natuurlijk een nieuw kabinet
in wording. Het zou zo kunnen zijn dat dat voor het eind van deze maand op het bordes
staat. De reikwijdtewet is al jaren vertraagd, zoals vandaag ook uitgebreid is besproken.
Ik wil voorkomen dat door een kabinetswissel, met mogelijk een nieuwe bewindspersoon
die zich weer moet inlezen, de wet nog weer een aantal maanden vertraging oploopt.
Daarom dien ik ook vandaag, samen met collega's Hamstra en Stoffer, de volgende motie
in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de wachtlijsten in de jeugdzorg enorm zijn;
constaterende dat kinderen te vaak niet op tijd de hulp krijgen die ze zo hard nodig
hebben;
constaterende dat een op de zeven kinderen gebruikmaakt van jeugdzorg;
overwegende dat een op de zeven kinderen in de jeugdzorg veel te veel is, waardoor
jeugdzorg niet beschikbaar is voor de kinderen die dit het hardste nodig hebben;
overwegende dat de reikwijdtewet bepaalt wat wel en geen jeugdzorg is en ervoor zorgt
dat jeugdzorg beschikbaar is voor kinderen die dit het hardst nodig hebben;
overwegende dat deze wet al in 2024 ingevoerd zou worden en de situatie al te lang
zorgwekkend is en er geen tijd te verliezen is;
verzoekt de regering vaart te maken met de reikwijdtewet en uiterlijk voor het aftreden
van het huidige kabinet in consultatie te laten gaan,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Wendel, Hamstra en Stoffer.
Zij krijgt nr. 35 (36 800-XVI).
Mevrouw Wendel (VVD):
Uiteraard sta ik open voor nog meer mede-indieners.
De voorzitter:
Dus mede ingediend door?
Mevrouw Wendel (VVD):
De heer Hamstra en de heer Stoffer.
De voorzitter:
Check. Dan is hij compleet. Dank u wel. We gaan naar de volgende spreker. Dat is mevrouw
Westerveld, namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Ik kan heel veel zeggen, maar laten we dat maar niet doen gezien de tijd.
Ik heb nog drie korte vragen. De eerste gaat over de eigen bijdrage. Er ligt een aangenomen
motie; waarom is er nou doorgegaan met het wetsvoorstel? Twee. Ik vroeg de Staatssecretaris
van VWS naar het PPRC-onderzoek. Als antwoord gaf ze dat de plaatsingscoördinatie
wordt geëvalueerd, maar onze vraag ging eigenlijk over beschikbaarheidsfinanciering.
Zou ze dus nog kunnen ingaan op de vraag waarom daar niets op gedaan wordt? De derde
vraag: wanneer krijgen we als Kamer echt inzicht in die wachttijden? Want dit is een
vraag die nu wordt gesteld, maar die we ook de afgelopen acht jaar al hadden.
Voorzitter. Ik heb twee moties, waar ik ook rap doorheen ga. De eerste gaat over de
onafhankelijke deskundigencommissie. Ik lees ’m eerst voor en daarna licht ik ’m kort
toe.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat per 1 januari 2026 de externe en onafhankelijke deskundigencommissie
voor de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028 opnieuw is geïnstalleerd en het tweede advies
van deze commissie begin 2027 wordt verwacht;
constaterende dat ondanks brede steun voor deze deskundigencommissie de aanbevelingen
uit het eerste advies onvoldoende zijn opgevolgd;
verzoekt de regering te voorkomen dat er budgettaire belemmeringen zijn om de aanbevelingen
van het tweede advies van de deskundigencommissie adequaat uit te voeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 36 (36 800-XVI).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Hier komen wellicht nog meer ondertekenaars onder. De reden is dat ik niet wil dat
geld de belemmerende factor is. Anders heeft het geen zin om advies te vragen. Dan
een tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Kamer is toegezegd de aanbeveling uit het rapport Eenzaam gesloten
van Jason Bhugwandass over te nemen om onafhankelijk onderzoek te doen naar de ZIKOS-afdelingen;
constaterende dat deze belofte niet waargemaakt kan worden omdat instellingen geen
toegang tot inzage in dossiers willen geven aan onderzoekers;
overwegende dat het gaat om jongeren die veel hebben meegemaakt, hun rechten zijn
ingeperkt en lang niet serieus zijn genomen, en zij in alle opzichten erkenning verdienen;
verzoekt de regering te onderzoeken welke juridische instrumenten er zijn om de benodigde
informatie boven water te krijgen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Westerveld.
Zij krijgt nr. 37 (36 800-XVI).
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
We hebben drie amendementen ingediend. Ik hoop dat iedereen daar even heel goed naar
kijkt, want het zijn hele goede amendementen.
De voorzitter:
Die zijn ook onderdeel van dit debat. Dank u wel. Dan kom ik bij de volgende spreker:
mevrouw Van Meetelen van de PVV-fractie.
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank u; go, go, go! Ik dank beide staatssecretarissen voor de beantwoording. Wat de
PVV betreft ontbreekt er nog steeds iets in dit debat, namelijk de verantwoordelijkheid
en consequenties. Daar denken we gewoon verschillend over. Er is gesproken over samenwerking
en verbeteringen, maar nog steeds is iedereen een beetje verantwoordelijk, waardoor
uiteindelijk niemand echt verantwoordelijk is. Ook zijn er nog steeds nauwelijks gevolgen
voor falende instellingen en bestuurders.
Daarom dien ik de volgende twee moties in.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ernstige onveiligheid van kinderen signalen bekend kunnen zijn,
maar dat bij falen van jeugdzorginstellingen en hun bestuurders zelden juridische
verantwoording volgt;
overwegende dat effectieve kinderbescherming vereist dat ernstig nalaten niet zonder
consequenties blijft;
verzoekt de regering te onderzoeken op welke wijze ernstig falen van jeugdzorginstellingen
en hun bestuurders juridisch kan worden gekwalificeerd en bestraft, en welke aanpassingen
in wet- en regelgeving daarvoor nodig zijn, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 38 (36 800-XVI).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen ondanks bekende signalen van onveiligheid onbeschermd kunnen
blijven doordat verantwoordelijkheden tussen betrokken instanties niet helder zijn
vastgelegd;
overwegende dat effectieve bescherming vereist dat eenduidig vaststaat wie eindverantwoordelijk
is wanneer het systeem faalt;
verzoekt de regering om ondubbelzinnig vast te leggen wie eindverantwoordelijk is
wanneer een kind ondanks bekende signalen onveilig blijft, en deze verantwoordelijkheid
zichtbaar en toetsbaar te verankeren in beleid, begroting en – indien nodig – wetgeving,
en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Meetelen.
Zij krijgt nr. 39 (36 800-XVI).
Mevrouw Van Meetelen (PVV):
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Van Meetelen. We komen bij de volgende spreker. Dat is de heer
Hamstra. Aan u het woord.
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank. Nu ben ik er helemaal klaar voor. Uit de eerste termijn kunnen we
concluderen dat jeugdzorg geen exacte wetenschap is. Geen jeugdige is hetzelfde, geen
gemeente is hetzelfde en dat geldt ook voor de pedagogische civil society. Een en
ander is afhankelijk van heel veel verschillende factoren: demografisch, sociaaleconomisch,
de mate van sociale cohesie, de financiële positie van de gemeente. Ik ben blij dat
de Staatssecretaris heeft toegezegd dat er een schrijven onze kant op komt in het
late voorjaar en dat dit ook op hoofdlijnen is, precies om de redenen die ik net heb
aangegeven.
Ten tweede ben ik blij dat er tijdens dit WGO, ook door de Staatssecretaris, zo veel
warme woorden zijn gesproken over pleegzorg, pleegouders en pleeggezinnen. Dat doet
mij goed.
Dat brengt mij meteen bij de motie die ik wil indienen.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de uitstroom van pleegouders sinds 2021 groter is dan de instroom
van nieuwe pleegouders;
constaterende dat problemen met het pleegzorgsysteem en te weinig ondersteuning redenen
zijn voor pleegouders om te stoppen als pleegouders;
constaterende dat er sinds eind 2024 meer dan 900 kinderen op een wachtlijst staan
voor pleegzorg;
constaterende dat de wervingscampagne voor pleegouders eind 2026 afloopt;
overwegende dat het behoud van pleegouders even belangrijk is als het werven van nieuwe
pleegouders;
verzoekt de regering voor 2027 met een plan te komen voor de werving van nieuwe pleegouders
en het behoud van bestaande pleegouders, en de Tweede Kamer hierover te informeren
voor het wetgevingsoverleg van 2026,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Hamstra en Wendel.
Zij krijgt nr. 40 (36 800-XVI).
De heer Hamstra (CDA):
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Dan kom ik bij de volgende spreker van de zijde van de Tweede Kamer:
mevrouw Coenradie, JA21.
Mevrouw Coenradie (JA21):
Voorzitter. Ik heb vijf moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat Filomena een belangrijke rol speelt bij ernstige en herhaaldelijke
vormen van huiselijk geweld, stalking en dreigende femicide;
overwegende dat effectieve bescherming vraagt om tijdige, volledige en wederkerige
informatie-uitwisseling tussen zorg, veiligheid en justitie;
verzoekt de regering te verkennen of een eigenstandige grondslag voor gegevensdeling
van Filomena of soortgelijke organisaties met Openbaar Ministerie en rechtspraak mogelijk
en/of nodig is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 41 (36 800-XVI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de huidige praktijk slachtoffers regelmatig moeten verhuizen
of onderduiken terwijl daders in de woonomgeving blijven;
overwegende dat de veiligheid en stabiliteit van slachtoffers en kinderen leidend
moeten zijn, en dat dadergerichte maatregelen de dreiging kunnen verminderen;
verzoekt de regering te onderzoeken wat nodig is om juridisch, financieel en praktisch
werk te maken van afkoelhuizen voor daders, gekoppeld aan verplichte behandeling en
passend toezicht,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 42 (36 800-XVI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in onze samenleving groepen minderjarigen onhandelbaar zijn en zich
herhaaldelijk onttrekken aan gezag, met ernstige gevolgen voor henzelf en hun omgeving;
overwegende dat bestaande, vrijwillige vormen van hulpverlening in deze gevallen onvoldoende
effectief blijken;
overwegende dat het in het belang van de jongere én de samenleving kan zijn om zwaardere
en meer dwingende vormen van heropvoeding te verkennen;
verzoekt de regering te onderzoeken welke zwaardere, dwingende vormen van heropvoeding
juridisch en praktisch mogelijk zijn, waaronder intensieve heropvoedingsprogramma's
zoals gesloten jeugdzorg en tuchtscholen, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 43 (36 800-XVI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij ernstige gevallen van huiselijk geweld en kindermishandeling
cruciale informatie vaak versnipperd is over meerdere instanties;
overwegende dat onduidelijkheid en terughoudendheid rond privacyregels effectieve
en tijdige bescherming in de weg kunnen staan;
overwegende dat de veiligheid van slachtoffers en kinderen altijd zwaarder moet wegen
dan procedurele belemmeringen;
verzoekt de regering om concreet in kaart te brengen welke privacyregels en -interpretaties
effectieve informatie-uitwisseling belemmeren, en uiterlijk binnen zes maanden met
voorstellen te komen om deze belemmeringen weg te nemen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 44 (36 800-XVI).
Mevrouw Coenradie (JA21):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de jeugdzorg onder extreme druk staat, mede door hoge caseloads
en administratieve lasten, met uitstroom van professionals tot gevolg;
overwegende dat professionaliteit en continuïteit essentieel zijn voor effectieve
zorg en bescherming;
verzoekt de regering concrete maatregelen te nemen om administratieve lasten substantieel
te verminderen en professionele ruimte te vergroten, en hierover binnen zes maanden
aan de Kamer te rapporteren hoe men dit gaat aanpakken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Coenradie.
Zij krijgt nr. 45 (36 800-XVI).
Dank u wel, mevrouw Coenradie, ook voor het tempo. Heel goed. Ik dank u zeer. Ik ga
naar de volgende spreker. Dat is de heer Van Houwelingen, Forum voor Democratie.
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank u, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb drie moties. Ik begin maar.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat bij een gedwongen uithuisplaatsing niet altijd sprake is van een
contra-expertise;
verzoekt de regering in de Wet versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming
er zorg voor te dragen dat bij de behandeling door de kinderrechter van een gedwongen
uithuisplaatsing er altijd sprake moet zijn van een contra-expertise,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 46 (36 800-XVI).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Wat ons betreft is er geen sprake van een zorgvuldig proces als dat er niet is. De
tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat seksueel misbruik in pleeggezinnen en gezinshuizen een risico is;
overwegende dat alles gedaan moet worden om dit risico te minimaliseren;
verzoekt de regering er zorg voor te dragen dat kinderen, tenzij er sprake is van
een natuurlijke broer-zusrelatie, in een pleeggezin of gezinshuis hetzelfde geslacht
hebben,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 47 (36 800-XVI).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Tot slot, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat gecertificeerde instellingen vaak onvoldoende «betekenisvol contact»
kunnen onderhouden met pleeggezinnen en gezinshuizen waar ze verantwoordelijk voor
zijn;
constaterende dat gecertificeerde instellingen er zelf belang bij hebben dat de pleeggezinnen
en gezinshuizen waarvoor ze verantwoordelijk zijn door de inspectie goed beoordeeld
worden;
constaterende dat de IGJ slechts toezicht houdt op de gecertificeerde instellingen
en niet rechtstreeks op pleeggezinnen en gezinshuizen;
constaterende dat er de afgelopen jaren ernstige misstanden zijn geweest bij diverse
pleeggezinnen en gezinshuizen;
overwegende dat de Staat een speciale verantwoording heeft om kinderen te beschermen
die door de Staat (gedwongen) aan het natuurlijke gezin zijn onttrokken;
verzoekt de regering de IGJ te verzoeken rechtstreeks toezicht te gaan houden op pleeggezinnen
en gezinshuizen, bijvoorbeeld door pleeggezinnen en gezinshuizen steekproefsgewijs
te bezoeken, en de IGJ daarvoor de benodigde ondersteuning te geven,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Houwelingen en Stoffer.
Zij krijgt nr. 48 (36 800-XVI).
De heer Van Houwelingen (FVD):
Dank.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Van Houwelingen. Ik kom bij de volgende spreker: de heer Stoffer
namens de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Ik heb twee moties. De eerste luidt als volgt.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de regering inzet op het versterken van de sociaalpedagogische basis;
overwegende dat in verschillende gemeenten, waaronder de gemeente Kampen, goede ervaringen
zijn met het laagdrempelig beschikbaar stellen van gezinswerkers en schoolmaatschappelijk
werk;
overwegende dat hiervoor een sluitende businesscase kan worden opgesteld, maar dat
gemeenten deze investeringen vanuit eigen middelen moeten financieren en financiering
hiervan vanuit het Rijk vaak incidenteel is;
verzoekt de regering in overleg te treden met gemeenten om te bezien hoe structurele
financiering van een sterke sociaalpedagogische basis gewaarborgd kan worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Moinat en Ceder.
Zij krijgt nr. 49 (36 800-XVI).
De heer Stoffer (SGP):
De tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat artikel 2.3, lid 4 van de Jeugdwet bepaalt dat gemeenten bij het
bepalen van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening houden met de
godsdienstige gezindheid en de levensovertuiging van de jeugdige en zijn ouders;
constaterende dat deze verplichting veelal ook is verankerd in de lokale jeugdverordeningen;
overwegende dat gemeenten in de praktijk onvoldoende kunnen bieden ten aanzien van
de wijze waarop dit wettelijke recht daadwerkelijk wordt betrokken bij de indicatiestelling
voor jeugdhulp;
overwegende dat het ontbreken van duidelijke handvatten kan leiden tot ongelijke toepassing
en onvoldoende rechtszekerheid voor gezinnen;
verzoekt de regering om samen de VNG te bezien wat in de uitvoering nodig is voor
gemeenten om bij de toeleiding naar jeugdhulp daadwerkelijk en zorgvuldig rekening
te houden met de godsdienstige gezindheid en levensovertuiging van jeugdigen en hun
ouders, en de Kamer hierover te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer en Ceder.
Zij krijgt nr. 50 (36 800-XVI).
De heer Stoffer (SGP):
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank u zeer, meneer Stoffer. Dan komen we bij de volgende spreker van de zijde
van de Kamer. Dat is de heer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Ik heb drie moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat zelfstandige gezinshuisaanbieders door de gemeenten worden gecontracteerd;
overwegende dat een SKJ- of BIG-registratie voldoende is om een gezinshuis te starten
en gecontracteerd te worden en dat een beoordeling op locatie van de kwaliteitscriteria
slechts plaatsvindt als een gezinshuis in bedrijf is;
verzoekt de regering samen met stakeholders in de gezinshuiszorg en gemeenten dan
wel VNG in gesprek te gaan over de aanvullende kwaliteitseisen die gemeenten kunnen
stellen bij contractering (waaronder onder andere fysiek bezoek op locatie van het
gezinshuis), en de Kamer hierover voor de zomer van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Ceder.
Zij krijgt nr. 51 (36 800-XVI).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat ouders in veel gevallen zelf in staat zijn om hun kinderen goed op
te voeden, maar dat in kwetsbare situaties ondersteuning van anderen gepast is;
overwegende dat de regering volgens de aangenomen motie-Ceder/Bruyning (31 839, nr. 1085) bewezen effectieve interventies om gezinnen te ondersteunen bij het opgroeien en
opvoeden betrekt en verwerkt in de continuering van de hervormingsagenda;
overwegende dat het rapport van Agenda voor het Hart aanbevelingen doet voor maatschappelijke
partners, zorg en overheid om relaties en gezinnen te versterken;
verzoekt de regering om in gesprek te gaan met de opstellers van het rapport van Agenda
voor het Hart om te bespreken welke aanbevelingen passend zijn bij de rol en inzet
vanuit het Rijk, en de Kamer hierover na de zomer van 2026 te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.
Zij krijgt nr. 52 (36 800-XVI).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat vaders volwaardige opvoeders zijn, net als moeders, maar dat dit in
de zorg en ondersteuning in de eerste 1.000 dagen van een kind nog niet altijd een
plek heeft;
overwegende dat betrokkenheid van vaders in de eerste levensfase de hechting, het
welzijn van de moeder en de stabiliteit van het gezin vergroot;
verzoekt de regering om samen met partijen uit het veld, onder andere via de ouderschapscoalitie,
waar ook het Expertisecentrum Vaders onderdeel van uitmaakt, te werken aan actieve
vaderbetrokkenheid in het leven van een kind,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Ceder en Stoffer.
Zij krijgt nr. 53 (36 800-XVI).
De heer Ceder (ChristenUnie):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u zeer, meneer Ceder. Dan komen we bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Dobbe
van de SP-fractie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb een tweetal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de personeelstekorten in de jeugdzorg verder dreigen op te lopen
naar 5.900 in 2034;
overwegende dat jeugdzorgverleners vanaf deze week actievoeren voor een cao met een
fatsoenlijke loonstijging, betere en veiligere arbeidsomstandigheden en minder werkdruk;
overwegende dat een goede cao voor jeugdzorgverleners essentieel is om te voorkomen
dat er 80.000 jongeren zonder hulp komen te zitten;
verzoekt de regering om met werkgevers en werknemers in de jeugdzorg in gesprek te
gaan om te kijken wat er nodig is om te komen tot een goede cao waarmee enorme personeelstekorten
kunnen worden afgewend en wat de overheid daar zelf aan kan bijdragen;
verzoekt de regering om een bemiddelaar aan te stellen om de onderhandelingen over
de cao jeugdzorg vooruit te helpen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 54 (36 800-XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voordat de staatssecretarissen gaan zeggen dat dit tegen het mandaat van de cao-tafel
ingaat: dit is vorig jaar, in 2025, ook gedaan bij de cao voor apotheekmedewerkers.
Toen heeft Martin van Rijn dit heel succesvol gedaan. Hij was ook aangesteld door
het kabinet. Daar was iedereen heel erg blij mee. Doe dat nu toch weer. Het kan gewoon.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er steeds meer kritiek komt vanuit de samenleving op de marktwerking
in de jeugdzorg;
overwegende dat de invoering van marktwerking vooral heeft geleid tot stijgende kosten
en winsten, zonder gezinnen de zorg te geven die ze nodig hebben;
verzoekt de regering om een commissie aan te stellen die moet onderzoeken hoe de gehele
jeugdzorg kan worden vormgegeven zonder marktwerking, aanbestedingen en openhouseprocedures
en wat voor aanpassingen aan het stelsel daarvoor nodig zijn,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Dobbe.
Zij krijgt nr. 55 (36 800-XVI).
Mevrouw Dobbe (SP):
Voorzitter. Ik wil hier ook nog gezegd hebben dat ik volgens mij wel acht keer aan
niet alleen de Staatssecretaris, maar ook de partijen die het regeerakkoord gisteren
hebben gepresenteerd, heb gevraagd wat zij denken dat de gevolgen voor de kinderen,
de gezinnen en de mensen die de zorg verlenen, zullen zijn op het moment dat die bezuinigingen
van een half miljard, die dit jaar al ingaan, zullen ingaan. Daar krijg ik gewoon
geen antwoord op. Hetzelfde geldt voor de bezuinigingen van 10 miljard euro extra
op de zorg. Dat is onacceptabel. Wat de SP betreft moeten die van tafel.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we bij mevrouw Moinat namens Groep Markuszower.
Mevrouw Moinat (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Ik wil beide staatssecretarissen bedanken voor hun beantwoording.
Ik heb wel wat open vraagjes, maar die zal ik netjes schriftelijk aan u doen toekomen.
Ik heb één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat kinderen voor jeugdhulp in het buitenland worden geplaatst, terwijl
de IGJ geen toezicht kan uitoefenen in het buitenland;
overwegende dat recente ernstige misstanden bij buitenlandse jeugdhulpaanbieders aantonen
dat toezicht tekort kan schieten;
overwegende dat jeugdhulp in beginsel dient plaats te vinden onder volledige Nederlandse
jurisdictie en toezicht;
verzoekt de regering in beginsel jeugdigen in Nederland te plaatsen, tenzij plaatsing
in het buitenland in het belang is van het kind, er geen passend alternatief in Nederland
beschikbaar is en de plaatsingsprocedure verloopt via de regels van de Centrale autoriteit
Internationale Kinderaangelegenheden en het Afsprakenkader Buitenlands Zorgaanbod
Jeugd,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Moinat, Stoffer, Coenradie en Van Houwelingen.
Zij krijgt nr. 56 (36 800-XVI).
Dank u wel. Ik dank u allen, ook voor uw medewerking. Ik schors nu voor vijf minuten.
Daarna gaan we luisteren naar het kabinet voor de appreciaties. Ik doe ze niet schriftelijk;
ik denk dat het gewoon prima kan. Ik heb ook gevraagd om het gewoon bondig te doen.
Dan kunt u allemaal gaan stemmen op 10 februari. Vijf minuten schorsing.
De vergadering wordt van 16.53 uur tot 17.00 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. Mevrouw Tielen begint, toch? O, stop. Ik hoor net van onze
onmisbare bode dat nog niet alle moties binnen zijn en zijn rondgedeeld. Ik wilde
sneller beginnen dan de printer wilde meedoen. Ik heb zelf inmiddels wel een stapel
moties, maar nog niet alle Kamerleden. Ik schors nog voor enkele ogenblikken.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
O, wacht. Ik stel toch dit voor. Er waren nog wat vragen. Ik stel voor om even met
de openliggende vragen te beginnen. Staatssecretarissen, we beginnen alvast en komen
zo bij de moties. Dank voor het meedenken.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Zoals ik al in de eerste termijn zei: de combinatie van principes
en pragmatiek, daar houd ik ook van. Het principe is dat we aangekomen zijn bij de
tweede termijn van de zijde van het kabinet, de pragmatiek is dat we gewoon gaan beginnen.
Ik had nog een paar openstaande vragen, onder andere van GroenLinks-PvdA, over de
financieringsbeschikbaarheid, ook in relatie tot dat rapport van het PPRC. Ik zie
mevrouw Westerveld knikken, dus we hebben het over hetzelfde. Die aanbevelingen lopen
mee in het programma van de standaardisatie. Daarbij betrekken we ook een aantal van
die evaluatiepunten, dus dat hoort echt bij elkaar. In de volgende voortgangsbrief
zullen we daar een update van beschrijven.
Dan was er nog een vraag over inzicht in de wachttijden. Daar hebben we het al zo
lang over; dat herken ik. Wat we nodig hebben om een goed beeld te krijgen, is standaardisatie;
ik probeerde dat al een beetje in mijn antwoorden mee te geven. Het programma Standaardisatie
gaat daar dus hulp bij bieden. Hiermee kun je vergelijkingen maken tussen verschillende
vormen en verschillende wachtlijsten. We hebben lokaal en regionaal best wel in beeld,
maar die kunnen we nog niet zomaar bij elkaar op een stapel leggen. Daar zal de standaardisatie
bij helpen. In de volgende brief kunnen we daar concreter antwoord op geven, volgens
mij. De wens is dezelfde, maar we moeten het ook voor elkaar krijgen. Daar doen we
dus hard ons best voor.
Mevrouw Westerveld had ook nog een vraag over de eigen bijdrage. Waarom is de Staatssecretaris
doorgegaan met voorbereidingen als er een motie ligt om ermee te stoppen? Kijk, überhaupt
stoppen met de eigen bijdrage betekent een beslag van 260 miljoen euro per jaar. In
de motie stond daar geen oplossing voor. «Geen dekking», noemen we dat dan in Kamertermen.
Dat betekent dat ik dat deel van de motie niet kan doen. Maar u heeft ondertussen
nog geen voorstellen gezien. Wat we bedacht hebben, is om wel door te gaan met bekijken
welke verschillende vormen er zijn, juist ook omdat er ook andere oproepen uit de
Kamer zijn, namelijk om oog te houden voor kwetsbare gezinnen, of in ieder geval voor
gezinnen in kwetsbare situaties. Daarmee zijn we aan het zoeken gegaan. Dat is het
antwoord op die vraag.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
Dan stond er nog een vraag open van mevrouw Synhaeve over de evc-fraude: wat hebben
we gedaan om deze aan te pakken? We richten ons erop ervoor te zorgen dat er überhaupt
geen professionals met een frauduleus evc-certificaat meer werkzaam zijn in de jeugdhulp.
De huidige standaard voor de evc is ingetrokken, dus er kunnen geen nieuwe evc-trajecten
gestart worden. Zowel aanbieders als werkgevers zijn opgeroepen om geen nieuwe werknemers
meer aan te nemen puur op basis van evc's. De brancheorganisatie Jeugdzorg Nederland
heeft samen met andere betrokkenen een taskforce opgericht. Hierin werken ze samen
om een betrouwbaar alternatief te ontwikkelen om mensen met ervaring toch veilig in
te kunnen laten stromen. We hebben er in ieder geval op ingezet dat SKJ-professionals
met een vastgesteld frauduleus evc-certificaat worden uitgeschreven. Er zijn nu 55
registraties uitgeschreven. Iedereen kan dat ook terugvinden in het register. We zijn
bezig met het vervolg van het onderzoek. Dat doen we dus samen met gemeenten en Jeugdzorg
Nederland.
Wellicht kan ik hierbij alvast het amendement van mevrouw Synhaeve appreciëren. Ik
begrijp heel goed waartoe zij oproept. Ik zie ook dat zij hierin opneemt dat dit niet
puur aan het Rijk is, maar gebeurt in samenwerking met gemeenten en jeugdzorgaanbieders.
Volgens mij is de dekking ook oké. Dat betekent dat ik het amendement oordeel Kamer
kan geven.
De voorzitter:
Oké, het amendement-Synhaeve/Wendel op stuk nr. 34 krijgt oordeel Kamer.
Staatssecretaris Tielen:
Dan de moties, voorzitter?
De voorzitter:
Er liggen nog drie amendementen. Doen we die eerst, en daarna de moties.
Staatssecretaris Tielen:
Het amendement op stuk nr. 19 is van de Socialistische Partij. Ik kijk even naar mevrouw
Dobbe of zij dat nummer herkent. Dat moet ik ontraden. De voorgestelde dekking past
niet binnen de begrotingsregels zoals we die hebben afgestemd, want de uitgaven worden
gedekt met inkomen. We hebben uitgebreid gedebatteerd over wat geld wel en niet kan
doen, maar ik denk dat mevrouw Dobbe en ik daar gewoon een andere visie op hebben.
Dus ontraden.
Het amendement op stuk nr. 29 van mevrouw Westerveld van GroenLinks-PvdA gaat over
Jeugdstem en over het bezoeken van gezinshuizen. Ik zal heel eerlijk zeggen dat in
het debat dat daarover gevoerd werd misschien niet het hele plaatje is neergezet.
In totaal krijgt Jeugdstem ruim 12,5 miljoen euro subsidie per jaar. Wat ons betreft
is die subsidie best wel ruim om op een passende manier invulling te geven aan het
belangrijke vertrouwenswerk dat zij bij verschillende typen aanbieders doen. Tegelijkertijd
zijn we bezig met digitalisering van de dienstverlening, die vanuit VWS wordt gefinancierd,
zodat ook de wachttijd voor ouders teruggedrongen kan worden. Dat helpt bij het doelgerichter
en efficiënter maken van het werk van Jeugdstem. We denken dus dat het niet nodig
is. Ik ontraad het daarom ook. De financiële dekking is er namelijk ook niet.
Het amendement op stuk nr. 30 van GroenLinks-PvdA gaat over € 250.000 voor personeel
voor Jeugdstem. Wat dit amendement betreft sluit ik aan bij de vorige appreciatie.
Dit amendement ontraad ik ook.
Het amendement op stuk nr. 33 gaat over het vrijmaken van geld voor inspraak en zeggenschap
van jongeren. Mevrouw Westerveld legde in haar inbreng al uit dat dat bij OCW ook
al op een soortgelijke manier wordt ingeregeld en vroeg waarom dat dan bij VWS niet
zo is. Het is deels wel zo bij VWS. Er is structureel overleg met jongeren en ervaringsdeskundigen,
zoals we dat in artikel 1a.4 van de Jeugdwet hebben afgesproken. De jongerenparticipatie
wordt gefinancierd via de Nationale Jeugdraad. Dit jaar staan zij op de rol voor ruim
2,6 miljoen. Ervaringsdeskundigen betrekken bij de om- en afbouw van gesloten jeugdhulp
is ook gefinancierd. Het amendement vraagt nu om een structurele financiële dekking,
maar de dekking die mevrouw Westerveld voorstelt, is geen structurele dekking. Dat
is ingewikkeld. Dan kan ik het dus ook niet beoordelen, hoewel ik de richting heel
goed snap.
De voorzitter:
Heel kort, mevrouw Westerveld.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ik heb sowieso een vraag over de dekking. Ons amendement over Jeugdstem wordt ook
ontraden omdat de dekking niet zou kloppen, terwijl de dekking van het amendement
van D66 en de VVD hetzelfde is. Dat argument klopt volgens mij dus niet. Zoals ik
in mijn bijdrage aangaf, weet ik wat er gebeurt, ook richting de NJR. Maar dat zijn
niet de jongeren, de ervaringsdeskundigen, in de jeugdzorg. Het gaat er mij specifiek
om ook die groep een stem te geven.
De voorzitter:
Helder. De Staatssecretaris, kort.
Staatssecretaris Tielen:
Volgens mij is het verschil tussen beide amendementen waarnaar mevrouw Westerveld
verwijst dat het ene incidenteel is, ook met een incidentele dekking, en het andere
structureel is met een... Nee, structureel met een incidentele... Nou ja, zoiets.
Over het amendement op stuk nr. 33: we hebben € 60.000 per jaar om ervaringsdeskundigen
te betrekken bij de om- en afbouw van jeugdzorg. Dat is deels structureel, in ieder
geval voor een aantal jaar. Mevrouw Westerveld wil het op de langere termijn. Daar
zit de mismatch met de dekking.
De voorzitter:
Oké, het blijft ontraden.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, het blijft ontraden. Tegelijkertijd snap ik de richting heel goed. Wellicht kunnen
we er nog over nadenken hoe we dat van een dekking...
De voorzitter:
Ik weet niet of u er nu helemaal uit komt. Mevrouw Westerveld, heel kort tot slot,
want we moeten echt tempo maken.
Mevrouw Westerveld (GroenLinks-PvdA):
Ja, ik begrijp het, maar dit gaat over amendementen op de begroting. Volgens mij is
dat het relevantste onderdeel. De twee amendementen over Jeugdstem zijn incidenteel,
net als het amendement van D66 en VVD. Als het gaat over de jongeren – dat is mijn
tweede opmerking – vragen we het inderdaad structureel, want we willen dat er een
organisatie wordt opgebouwd.
De voorzitter:
Oké, helder. Tot slot nog heel kort.
Staatssecretaris Tielen:
En Jeugdstem krijgt 12 miljoen structureel. Daarom ontraad ik het dus. Misschien moeten
we het amendement op stuk nr. 33 gewoon nog even...
De voorzitter:
Ja, er is nog tijd.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, want de amendementen worden in maart in stemming gebracht.
De voorzitter:
Oké. De moties.
Staatssecretaris Tielen:
Ik begin met de motie op stuk nr. 35 van mevrouw Wendel, meneer Hamstra en meneer
Stoffer. Ik kan de overwegingen, de constateringen en ook het verzoek heel goed begrijpen.
Het oordeel zou «overbodig» moeten zijn, maar als mevrouw Wendel het wil, wil ik ook
wel «oordeel Kamer» geven.
De voorzitter:
Oordeel Kamer, niet overbodig?
Staatssecretaris Tielen:
Nee, nee, niet overbodig. Soms moet ik niet zeggen wat er in mijn hoofd zit.
De motie op stuk nr. 36 is van mevrouw Westerveld. Het rapport is nog niet gereed.
Ik zou het te voorbarig vinden om daar nu op vooruit te lopen, dus wat dat betreft
ontraad ik deze motie.
De motie op stuk nr. 37 van mevrouw Westerveld gaat over de juridische ... Ja, graag,
zou ik zeggen. Oordeel Kamer. Daar zijn we natuurlijk deels al mee bezig, maar het
kan nooit kwaad om daar nog wat stevigere aansporing op te krijgen.
De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Van Meetelen.
De voorzitter:
Ik neem aan dat u de motie op stuk nr. 38 overslaat omdat de andere Staatssecretaris
daarop ingaat.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, sorry. De moties op de stukken nrs. 38, 42, 44 en 46 worden door Staatssecretaris
Rutte geapprecieerd.
De voorzitter:
Helder, dank u wel.
Staatssecretaris Tielen:
De motie op stuk nr. 39 van mevrouw Van Meetelen gaat over de eindverantwoordelijkheid.
Die motie ontraad ik. Alle risico bij één organisatie leggen gaat alle checks-and-balances
te buiten die we volgens mij juist heel goed geïnstitutionaliseerd en geregeld hebben.
Dit is te eenvoudig. Ontraden.
De motie op stuk nr. 40 van meneer Hamstra gaat over pleegzorg. Ik vind het heel mooi
dat meneer Hamstra zowel werving als behoud benoemt. Ik ben ook wel bereid om daar
nader op door te gaan. Oordeel Kamer.
Over de motie op stuk nr. 41 van mevrouw Coenradie heb ik uiteraard even overlegd
met de andere Staatssecretaris van VWS, want zij is vooral met deze problematiek bezig.
Zij erkent het belang hiervan. Dat gaf ik eigenlijk in mijn inbreng al aan. Samen
zeggen wij: oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 43 over dwingende vormen van heropvoeding ga ik echt ontraden.
Ik begrijp het probleem dat mevrouw Coenradie hiermee wil benoemen, maar de genoemde
oplossing is volgens mij niet de oplossing, nog even los van welke kant we dan helemaal
heen gaan. Volgens mij moeten we ervoor zorgen dat stevige lokale teams dicht bij
gezinnen al in een vroeg stadium opvoedondersteuning kunnen bieden en daarmee hopelijk
een hoop ellende voorkomen, bijvoorbeeld op straat.
De motie op stuk nr. 45 van mevrouw Coenradie gaat over de administratieve lasten.
We vinden allemaal dat we daarmee aan de slag moeten. Vanuit die drive zijn we daar
ook hard mee bezig. Maar soms is het gewoon fijn om vanuit de Kamer ook een aansporing
te krijgen; dat helpt. Dus hier ook oordeel Kamer.
De motie op stuk nr. 47 van de heer Van Houwelingen gaat over kinderen met hetzelfde
geslacht in een pleeggezin of gezinshuis. Met verwijzing naar het debat ontraad ik
die motie.
De motie op stuk nr. 48 van meneer Van Houwelingen gaat over hoe het inspectietoezicht
ingevuld zou moeten worden. Nog even los van het feit dat wij gelukkig een onafhankelijk
inspectiestelsel hebben, ontraad ik deze motie met verwijzing naar het debat.
De motie op stuk nr. 49 van meneer Stoffer gaat over de sterke pedagogische basis.
Dat is onderdeel van de Hervormingsagenda Jeugd. Daar staat ook heel veel over in
de brief en in de afspraken daarover. Dat is al geïncorporeerd in alle afspraken die
we daarin hebben gemaakt, ook de financiële. Dus ontraden.
De motie op stuk nr. 50 van meneer Stoffer gaat over de gezindheid. Daarover hebben
we dus ook al afspraken. Dat erkent meneer Stoffer ook, maar hij vraagt met deze motie
eigenlijk om daar nog eens extra aandacht aan te besteden in de overleggen. Daar ben
ik uiteraard toe bereid, al vind ik het altijd jammer dat we moties nodig hebben voor
dingen die ook wel toegezegd kunnen worden, maar dat terzijde. Oordeel Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 51, van de ChristenUnie, over gezinshuizen en de extra kwaliteitscriteria.
Ik refereerde er in mijn inbreng al even aan dat we bezig zijn met het updaten van
die kwaliteitscriteria, dus ik snap heel goed wat de heer Ceder daarin mee wil laten
lopen. Dat kunnen we ook gewoon doen, dus oordeel Kamer.
Dan de motie op stuk nr. 52, van de ChristenUnie, over de Agenda voor het Hart. Ook
daarvoor geldt dat een beetje. Ik wil best toezeggen om in gesprek te gaan. Het is
jammer als er een motie voor nodig is, maar soms kan het helpen. Oordeel Kamer voor
de motie op stuk nr. 52.
Dan de motie op stuk nr. 53, over vaders. Ook wat dat betreft heb ik al gezegd waar
we mee bezig zijn. Werken aan actieve vaderbetrokkenheid doen we binnen de mogelijkheden
die er zijn heel graag, dus laten we die oordeel Kamer geven en kijken wat uw Kamer
daarvan vindt.
Dan de motie op stuk nr. 54, over de cao. Die ga ik ontraden.
Dat geldt ook voor de motie op stuk nr. 55 van mevrouw Dobbe, over een nieuwe commissie.
Dat lijkt me ook niet nodig. Ontraden.
De laatste motie bij mijn appreciaties is de motie op stuk nr. 56, van mevrouw Moinat,
over jeugdzorg in het buitenland. Daar hebben we natuurlijk al enige dingen over gezegd
in het debat. Het is primair aan de gemeenten om daar afspraken over te maken, maar
we hebben daar allerlei kaders voor. Maar net als uw Kamer ben ik echt wel geschrokken
van wat er ligt, dus het lijkt me prima om dit als leidraad te pakken. Ik zou deze
motie dus graag oordeel Kamer willen geven.
De voorzitter:
Dank u zeer. Dan vraag ik de Staatssecretaris van JenV om de andere moties langs te
lopen.
Staatssecretaris Rutte:
Voorzitter, ik zal er met het oog op de tijd snel doorheen gaan.
Ten eerste de motie op stuk nr. 38, van mevrouw Van Meetelen, om te onderzoeken op
welke wijze ernstig falen van jeugdzorginstellingen en hun bestuurders juridisch kan
worden gekwalificeerd en bestraft. Die wil ik ontraden. Ik heb daar net in het debat
ook aandacht aan gegeven. Het kan al op vele manieren, dus ik zie daarin geen toegevoegde
waarde.
Dan de motie op stuk nr. 42, van mevrouw Coenradie, om te onderzoeken wat nodig is
om juridisch, financieel en praktisch werk te maken van de zogeheten afkoelhuizen.
Ik kan deze motie oordeel Kamer geven als ik die zo mag opvatten dat we dit als verkenning
meenemen in het traject ter verbetering van de inzet van het tijdelijke huisverbod
in het kader van de bestuursrechtelijke aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling.
Volgens mij is dat in lijn met wat we in het debat hebben gedeeld met elkaar.
Dan de motie op stuk nr. 44, van mevrouw Coenradie, over in kaart brengen welke privacyregels
effectieve informatie-uitwisseling belemmeren. Die geef ik graag oordeel Kamer.
Dan tot slot de motie op stuk nr. 46, van de heer Van Houwelingen, waarin staat dat
er bij gedwongen uithuisplaatsing altijd sprake moet zijn van een contra-expertise.
Die wil ik ontraden met verwijzing naar het debat.
Daarmee heb ik alle moties gehad.
De voorzitter:
Ik dank u zeer. Ik dank u beiden voor de beantwoording. Daarmee zijn we aan het einde
gekomen van de tweede termijn.
Er zijn toezeggingen genoteerd, maar die ga ik nu niet voorlezen. Er is een toezeggingenregistratieapplicatie.
Daarin gaan we het allemaal netjes laten landen. Dan kunt u dat ook terugzoeken.
Ik dank alle Kamerleden en alle aanwezigen voor hun geduld en interesse. Ook heel
veel dank aan iedereen die dit debat heeft gevolgd. Dit is het einde van het begrotingsonderdeel
Jeugd. Ik sluit de vergadering. Dank u wel.
Sluiting 17.19 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier -
Mede ondertekenaar
B.J. Eerdmans, voorzitter van de vaste commissie voor Justitie en Veiligheid
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Tegen |
| Groep Markuszower | 7 | Voor |
| BBB | 3 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.