Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 19 januari 2026Wet werkelijk rendement box 3
36 748 Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3)
Nr. 44 VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 5 maart 2026
De vaste commissie voor Financiën heeft op 19 januari 2026 overleg gevoerd met de
heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, over:
– het wetsvoorstel Wijziging van de Wet inkomstenbelasting 2001 om werkelijke inkomsten
uit bezittingen en schulden in box 3 te belasten (Wet werkelijk rendement box 3) (Kamerstuk
36 748).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
De griffier van de commissie, Weeber
Voorzitter: Van der Lee
Griffier: Lips
Aanwezig zijn elf leden der Kamer, te weten: Inge van Dijk, Van Eijk, Grinwis, Hoogeveen,
Van der Lee, Oosterhuis, Stoffer, Struijs, Stultiens, Vermeer en Vlottes,
en de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Aanvang 11.30 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen. Ik open deze vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën.
Het is een wetgevingsoverleg over box 3 en de toekomst daarvan. Van harte welkom aan
de Staatssecretaris en zijn ondersteuning en aan de leden, die ik zo even ga voorstellen.
Voordat ik dat doe, wil ik nog even benadrukken dat er twee wetgevingsrapporteurs
zijn geweest bij dit wetsvoorstel: mevrouw Van Eijk en de heer Stultiens. De aanwezige
leden zijn de heer Grinwis namens de ChristenUnie, mevrouw Van Eijk namens de VVD,
de heer Vlottes namens de PVV, de heer Vermeer namens de BBB – ik zat even te zoeken
naar uw naam, en dat terwijl ik de heer Vermeer heel goed ken – de heer Stoffer namens
de SGP, de heer Stultiens namens GroenLinks-Partij van de Arbeid, de heer Oosterhuis
namens D66, mevrouw Inge van Dijk namens het CDA, de heer Struijs namens 50PLUS en
de heer Hoogeveen namens JA21.
Het is een wetgevingsoverleg. Er is in principe geen limiet op de interrupties, maar
ik ga natuurlijk wel een beetje opletten. Ik hoop dat ze kort en bondig zijn, want
we willen dit wetsvoorstel wel binnen de vastgestelde tijd behandelen. Ik zoek ook
nog even naar een goed lunchmoment. Ik had het al eerder vanochtend met de Staatssecretaris
daarover. We kunnen proberen om de eerste termijn te doen voor de lunch. Maar als
er interrupties bij komen, wordt het toch wel heel krap. Ik denk dat ik op een bepaald
moment, ergens tussen een en twee, even ga schorsen voor de lunch, maar dat zult u
merken. Er zijn twee leden die mogelijk tijdens de vergadering even eruit moeten,
omdat er een update over Groenland wordt gegeven door de Minister. Wij houden daar
rekening mee bij de sprekersvolgorde als dat nodig is. Dat even ter introductie.
Dan gaan we beginnen. Als eerste geef ik het woord aan de heer Grinwis, die zijn inbreng
doet namens de ChristenUnie. Gaat uw gang.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel en goedemorgen allemaal. We hebben er zin in. We hebben er
ook lang op gewacht. Bij de behandeling van de Wet tegenbewijsregeling box 3 begon
ik mijn bijdrage met een citaat van de aloude kerkvader Augustinus uit de vierde eeuw
na Christus: «Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen een staat en een roversbende.»
Ik heb het weleens eerder in de context van box 3 gezegd. Het zal voor niemand als
een verrassing komen als ik zeg dat de ChristenUnie niet is opgericht om de belangen
van de vermogenden, de rijken der aarde te verdedigen. In haar politieke prioriteiten
zal mijn fractie juist eerder opkomen voor wie tekortkomt of wie tekort wordt gedaan,
geïnspireerd door dat prachtige grondmotief dat telkens terugkomt in de Bijbel, bijvoorbeeld
in de Psalmen: «Doe recht aan weerlozen en wezen, kom op voor verdrukten en zwakken,
bevrijd wie weerloos zijn en arm, red hen uit de greep van wie kwaad wil.» Maar toch,
ik herhaal de woorden van Augustinus: «Zonder gerechtigheid is er geen verschil tussen
een staat en een roversbende.» Ook als je vindt dat een bepaalde groep niet zielig
is in vergelijking met andere groepen, heb je als overheid je toch op gerechtigheid
te baseren. Nogal wiedes, zou ik bijna willen zeggen. Of zoals het aan de wijze Koning
Salomo toegeschreven Bijbelboek begint: «Heb de gerechtigheid lief, heersers van de
aarde». Met andere woorden, het begin van alle politiek is je beleid te funderen op
recht en rechtvaardigheid. Ik zeg het nog maar eens: «Zonder gerechtigheid is er geen
verschil tussen een staat en een roversbende.»
Over die uitspraak is nog veel meer te zeggen, maar deze woorden zijn zonder meer
van toepassing op box 3. Als je het mij vraagt, is de gerechtigheid de afgelopen jaren
ver te zoeken geweest in het box 3-dossier. In die zin is het goed dat we nu deze
wet behandelen. Heel veel slechter dan het huidige overbruggingsstelsel kan het niet.
Dan mogen we nog van geluk spreken dat een monsterverbond onder aanvoering van de
ChristenUniefractie, gesteund door gelukkig genoeg partijen, tegen het zere been van
de beoogde minderheidscoalitie de verdere verhoging van het box 3-forfait voor overige
bezittingen, met name verhuurde huizen en aandelen, met bijna 30%, van 6 naar 7,78%,
heeft kunnen voorkomen.
Ik zei het al: heel veel slechter dan nu kan het niet. Toch ligt er nu een stelsel
op tafel dat wat mij betreft nodeloos complex is en door die complexiteit in sommige
gevallen tot zeer ongewenste uitkomsten leidt. Dat maakt het een lastig debat, vol
lastige afwegingen. Slechter dan het sinds vooral 2017 is kan het dus niet. In die
zin is het voorliggende wetsvoorstel een stap vooruit. Tegelijkertijd is het ook geen
aanlokkelijk perspectief om hier nu als politicus verantwoordelijkheid voor te nemen.
Als je wat wilt veranderen met amendementen, dan wordt al heel snel geroepen: neenee,
dat kan niet, want dan komt de invoering per 1 januari 2028 in het gedrang. Of: neenee,
dat kan niet, want het moet wel allemaal budgetneutraal. Dat zit mij wel dwars. Ik
kan me niet aan de indruk onttrekken dat het de Staatssecretaris ook dwarszit, maar
dat hij van de nood een deugd maakt. «Eerst maar eens deze wet doorvoeren per 1 januari
2028 en daarna doorschakelen naar een box 3-stelsel dat meer op vermogenswinst is
gebaseerd dan het voorliggende voorstel, dat uitgaat van vermogensaanwas.»
Voorzitter. Nog los van de heffingsgrondslagen en de heffingsmethoden die onder het
voorliggende voorstel liggen, nog los van fundamentele discussies over wel of geen
rekening houden met inflatie bij de belastingheffing over vermogen – daar is door
veel burgers de afgelopen jaren een punt van gemaakt, wat ik heel goed snap – en nog
los van of er belasting moet worden geheven over vermogensaanwas of vermogenswinst,
is er een ander fundamenteel punt. Is de wet met het nieuwe box 3-stelsel wel uitvoerbaar,
eenvoudig en begrijpelijk? Mijn antwoord op die vraag is nee. Juist daarom heb ik
in het verleden meermaals – een jaar geleden deed ik dat heel expliciet – een pleidooi
gevoerd voor een eenvoudige vermogensbelasting, desgewenst met een samenloop- c.q.
anticumulatieregeling, zoals we die in het verleden ook hebben gekend. Dat doe ik
niet omdat ik de theoretische voordelen van de vermogenswinst- of aanwasbelasting
niet zou zien of snappen, maar omdat de pure eenvoud van de vermogensbelasting ook
wat waard is.
Kijk alleen al naar het enorme beslag dat dit nieuwe box 3-stelsel legt op de uitvoering.
Alleen al bij de Belastingdienst kost het structureel 877 voltijdsbanen en meer dan
112 miljoen euro per jaar om dit nieuwe systeem uit te voeren, zo zegt de Staatssecretaris
in antwoord op mijn vragen. En dan hebben we het nog niet eens over al die lasten
en al die moeite bij al die belastingplichtigen, want voor hen gaat het ook meer moeite
kosten. Die capaciteit had wat mij betreft beter gestoken kunnen worden in een broodnodige
fundamentele hervorming van de inkomstenbelasting en het toeslagenstelsel, een hervorming
die cru genoeg door de invoering van dit ingewikkelde box 3-stelsel nog urgenter wordt.
Ik kom daar later in mijn bijdrage op terug. Dat heeft alles te maken met verzamelinkomens,
heffingskortingen en toeslagen.
Wat ik wil zeggen is: het belang van eenvoudige belastingheffing en eenvoudige stelsels
wordt, als er het erop aankomt, onderschat in de politiek en de ambtenarij. Ik besef
heus wel dat ik mijzelf ook niet kan vrijpleiten van het in stand houden van complexe
regelingen. Maar in het kader van het debat van vandaag moet mij van het hart dat
de optie van een vermogensbelasting die dicht in de buurt ligt van de oude vermogensrendementsheffing
van 1,2%, niet serieus genoeg is overwogen door het kabinet, of desnoods 1% voor vermogens
onder de miljoen en 2% voor die daarboven. Er wordt wat geschermd met de landsadvocaat
en met dat een anticumulatieregeling uitvoeren ook niet alles is, maar u en ik weten
dat een niet te hoge vermogensbelasting niet alleen door iedereen begrepen zou worden,
maar ook door zeer veel belastingplichtigen zou worden geaccepteerd als belasting
op je vermogen. Omdat heel veel politici de afgelopen tig jaar steeds hebben gesmeekt
om een belasting op basis van werkelijk rendement, lijkt de houding een beetje te
zijn geworden: whatever it takes. Dat is een risicovolle houding als het gaat om ons
belastingstelsel.
Ja, ik ken alle tegenwerpingen, inclusief die over dat het rechtvaardig is om belasting
te heffen over de daadwerkelijk genoten vruchten en dus niet over de boom. Echter,
bij dit alles moeten we wel beseffen: eenvoud is ook rechtvaardigheid. Daar is ons
kabinet mijns inziens te gemakkelijk overheen gewalst. Ziet de Staatssecretaris dat
ook zo? Waarom wel of niet? Geldt hiervoor niet ook die aloude wijsheid dat het betere
de vijand van het goede is? Heeft de Staatssecretaris bijvoorbeeld de fraudegevoeligheid
die gepaard gaat met het nieuwe stelsel wel voldoende gewogen? Neem bijvoorbeeld de
kosten die gemaakt moeten worden bij vastgoed? Hoe is nu goed controleerbaar voor
de fiscus dat wat belastingplichtigen opgeven, echt klopt? In welke mate zal dat gecontroleerd
worden door die 877 fte? Graag een reactie. Ook dit zijn van die overwegingen die
zwaar in het voordeel van een lage, brede vermogensbelasting uitvallen, maar dat was
u al duidelijk.
Voorzitter. Dan mijn vragen over het voorstel dat voorligt. Ik begin met de algemene
vragen en kom dan bij de specifieke. Het budgettaire belang is volgens mij leidend
geweest bij de vormgeving van het nieuwe stelsel. Dat leidt in mijn ogen tot fundamenteel
verkeerde uitgangspunten en mogelijk zelfs tot juridische kwetsbaarheid. De opbrengsten
van het oude box 3-stelsel waren natuurlijk buitengewoon stabiel, met name voordat
het gerommel met forfaits begon en de rechter zich roerde. In feite was er sprake
van een simpele vermogensbelasting van 1,2% per jaar. Daarmee weet je ook precies
wat de opbrengst per jaar is en dat geeft rust, reinheid en regelmaat. Maar bij een
stelsel op basis van werkelijk rendement kan dat naar zijn aard eigenlijk niet of
in elk geval veel lastiger. Soms zijn rendementen immers negatief. Als je consequent
bent, dan zou je ook moeten werken met negatieve belastingen. Je krijgt dan geld terug
bij een verlies. Dat is macro-economisch bovendien heel wenselijk, omdat deze belasting
werkt als een automatische stabilisator ten tijde van laagconjunctuur. Maar dit staat
natuurlijk op gespannen voet met het uitgangspunt van een stabiele opbrengst.
Daarom is er kort en goed voor gekozen om niet te werken met een teruggave. Verliezen
kunnen enkel met een toekomstig positief resultaat worden verrekend, maar ik zag wel
een interessant amendement van collega Hoogeveen langskomen om daar wat aan te doen.
Bij de elementen die onder het vermogenswinstregime vallen is dit probleem minder
prominent, maar zeker bij illiquide vermogensbestanddelen onder een vermogensaanwasbelasting
is dit wat mij betreft een kwestieus uitgangspunt. Hoe reflecteert de Staatssecretaris
hierop? Kan hij met name ingaan op de eventuele juridische kwetsbaarheden? Anders
gezegd: hoe groot is de kans dat iemand bij een verlies naar de rechter stapt en zegt
«als we werkelijk rendement belasten, dan geldt dat ook voor negatief werkelijk rendement»
en de rechter daar vervolgens in meegaat?
Dat budgettaire argument heeft volgens mij ook gespeeld bij de keuze voor het uitgangspunt
van een vermogensaanwasbelasting ten koste van een vermogenswinstbelasting. Mijn vraag
aan de Staatssecretaris luidt: klopt het dat de opbrengsten van een vermogensaanwasbelasting
op de korte termijn, in de eerste tien tot vijftien jaar, hoger zijn dan bij een vermogenswinstbelasting,
maar dat de opbrengsten van een vermogenswinstbelasting nadien hoger zijn en dus ook
structureel tot hogere inkomsten zullen leiden, bijvoorbeeld vanwege de rente-op-rente-effecten?
Bij het voldoen aan een belastingclaim bij vermogensaanwas zul je soms iets moeten
verkopen wat niet meer kan renderen. Is dat zo? In de memorie van toelichting en in
de uitingen van de Staatssecretaris wordt steeds gezegd dat het op de lange termijn
om het even is. Mijn vraag is of dat zo is. De logische vervolgvraag is: is een keuze
voor een vermogensaanwasbelasting daarmee op langere termijn niet financieel onverstandig?
Ik hoor graag hoe de Staatssecretaris dit ziet en ik wil hem vragen om dit ook te
relateren aan zijn opmerking in de krant dat het wetsvoorstel dat nu voorligt wat
hem betreft een tussenstation is.
Voorzitter. Mijn vrees is dat nu het nieuwe box 3-stelsel grotendeels gefundeerd is
op het vermogensaanwasprincipe, box 2, dat in feite een vermogenswinstregime is, veel
aantrekkelijker wordt, waardoor boxhoppen ook aantrekkelijker wordt. Ziet de Staatssecretaris
dit als een probleem of zegt hij «in de afgelopen jaren was box 2 nog aantrekkelijker,
dus al dat boxhoppen heeft al plaatsgevonden»? Hoe wordt dit gemonitord en welke opties
ziet de Staatssecretaris om hier nu of in de toekomst iets aan te doen?
De Staatssecretaris heeft gezegd dat deze wet geen eindstation is. Daar ben ik het
zeer mee eens. Het is goed om de vinger aan de pols te houden en om in de komende
jaren datgene wat niet of suboptimaal werkt gaandeweg aan te passen. Hoe gaat hij
dat aanpakken? Welk proces heeft hij voor ogen en hoe wordt de Kamer daarbij betrokken?
Dat vraag ik ook omdat een grondige evaluatie pas voor 2033 op de rol staat. Wat doe
je in de tussentijd? Is daar nog een voorziening voor nodig in de wet of kunnen we
dat afdoen met een toezegging?
Voorzitter. Ik kom op een drietal specifieke punten. Ik besef dat ik veel laat liggen,
maar om hier een uur vol te praten, is ook weer zo wat. Een aantal punten die relevant
zijn, zullen mijn collega's zeker gaan maken. De zaal is niet voor niks zo vol. Ik
wil drie punten maken. Het eerste punt gaat over het verzamelinkomen. Vervolgens ga
ik het hebben over vastgoed en ten slotte over onze prachtige NSW-landgoederen.
Het eerste punt gaat over het verzamelinkomen. Het nieuwe stelsel heeft invloed op
het verzamelinkomen en daarmee op de heffingskorting. In de schriftelijke ronde gaf
ik het voorbeeld van twee huishoudens met hetzelfde box 3-inkomen, maar met een verschil
in de verdeling van de box 1-inkomsten als gevolg van het feit dat het ene een tweeverdienershuishouden
is en het andere een eenverdienershuishouden. Door de doorwerking van het box 3-inkomen
op het verzamelinkomen komt een eenverdiener in de situatie terecht waarin de niet-werkende
partner de algemene heffingskorting kan verzilveren. In het voorbeeld dat ik gaf in
de nota naar aanleiding van het verslag is de belastingdruk op het box 3-inkomen daardoor
effectief 0%. Een tweeverdienersgezin met precies hetzelfde box 3-inkomen moet de
volle mep aan box 3-belasting betalen en zelfs meer door een verdere afbouw van de
algemene heffingskorting als gevolg van een hoger verzamelinkomen. Nu is het natuurlijk
volledig terecht dat het bij wijze van uitzondering eens een keer de eenverdiener
is die fiscaal profiteert, maar deze hele situatie onderstreept toch de complete onuitlegbaarheid
en innerlijke tegenstrijdigheid van ons belastingsysteem. Is de Staatssecretaris dat
met me eens?
Ergo, het voorliggende voorstel voor een vernieuwde belastingheffing in box 3 vergroot
de noodzaak tot hervorming van box 1 en de toeslagen. Daarmee bedoel ik de regelingen
onder de motorkap. Heffingskortingen en toeslagen die inkomensafhankelijk zijn, dienen
grotendeels verdwijnen. De progressiviteit van onze inkomstenbelasting zal weer gewoon
tot uiting moeten komen in de tarieven en wel zo dat het de extremen in marginale
druk uitbant. For the time being kunnen we het ook zo regelen dat we box 3-inkomen
niet meer meetellen in het verzamelinkomen. Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen
dit idee? In de nota naar aanleiding van het verslag staat geen compleet antwoord
op mijn vragen, dus ik overweeg een motie op dit punt. Die motie vraagt niet om het
box 3-inkomen niet meer mee te tellen in het verzamelinkomen – dat zou wel een hele
grote stap zijn – maar om op z'n minst inzicht te krijgen in de consequenties van
zo'n stap voor huishoudens en de overheidsfinanciën. Misschien kan de Staatssecretaris
in zijn termijn hier ook nog op ingaan.
Dan kom ik op vastgoed. Dat is een heikel punt namelijk: box 3 en vastgoed. Dan focus
ik met name op vastgoed in de vorm van huizen, al dan niet verhuurd. Nog niet eens
zo heel veel jaren geleden was het een feestje om verhuurd vastgoed in box 3 te hebben,
maar inmiddels is het een crime. Met de Wet tegenbewijs is dat er niet veel beter
op geworden. Helaas is mijn amendement om kostenaftrek daarin mogelijk te maken verworpen.
Gelukkig is het andere amendement, om de verhoging van 6% naar 7,78% verondersteld
rendement voor onder andere verhuurde huizen, eind november aangenomen. Maar ook nu
deze belastingverhoging van bijna 30% er niet is gekomen, zijn de uitpondcijfers skyhigh.
En ja, dat heeft in de grote steden te maken met de Wet betaalbare huur, maar overall
in Nederland heeft het toch vooral te maken met belastingen, met box 3. Een van de
belangrijkste redenen om toch maar in te stemmen met voorliggende wet is juist de
verlichting die deze gaat bieden aan particuliere verhuurders, maar tegelijk zitten
er in deze wet nog heel wat addertjes onder het gras.
Allereerst het fenomeen van de vastgoedbijtelling van 3,35%. Is die nou wel zo redelijk?
Waarom doen we dit wel als iemand een vakantiehuis voor zichzelf koopt, maar niet
als iemand zijn spaargeld omzet in een goudstaaf? Graag hier een principieel antwoord
op, omdat dit toch best wel een belangrijke kwestie is. In de memorie van toelichting
wordt uitgebreid betoogd dat de vastgoedbijtelling heel terughoudend is berekend en
zo. Maar is het niet raar dat we vakantiehuizen in Nederland die niet worden verhuurd
gaan aanslaan met een bijtelling? Dat doen we voor vakantiehuizen van Nederlanders
net over de grens of verder weg ook niet. Toch? En andersom: geldt die vastgoedbijtelling
dan ook voor vakantiehuizen in Nederland die in buitenlandse handen zijn? Hoe zit
dat nou precies? Maar oké, als je dan toch iets wilt bijtellen op het niet-verhuurde
vastgoed, waarom dan niet een actueel bijtellingspercentage? Waarom is in de wet 3,35%
gehanteerd op basis van data uit 2019, 2020 en 2021? Data uit die jaren zijn namelijk
gebruikt door SEO om in 2022 een berekening te maken. Waarom is de bijtelling in het
wetsvoorstel niet geactualiseerd op basis van de jaren 2022–2025? Vastgoed Belang
rekende voor dat we met dezelfde methode als SEO heeft gehanteerd nu zouden uitkomen
op een bijtelling van 2,80% en dat het raadzaam is deze jaarlijks te actualiseren.
Ik heb hierop een amendement in voorbereiding, maar ik ben ook heel benieuwd naar
de reactie van de Staatssecretaris hierop. Ik kan me niet voorstellen dat hij, zoals
nu eigenlijk in de stukken staat, tot na 2033, dus tot na de eerste evaluatie, wil
wachten met actualisering van een bijtellingspercentage dat gebaseerd is op data uit
2019, 2020 en 2021.
Voorzitter. Dan ga ik over naar het verhuurde vastgoed. Stel dat je een huis verhuurt
in een stad waarin de WOZ-waardes flink zijn opgelopen. Je verhuurt het sociaal, maar
bij een huurdersmutatie besluit je tot een stevige verbouwing. Die verbouwing loopt
iets uit, waardoor je onder de 90%-eis komt c.q. minder dan 328 dagen van het jaar
verhuurt, bijvoorbeeld 300 of 310 of 320, in ieder geval iets minder dan 328. Dat
gaat in deze casus, dus van een huis met een lage huurprijs maar met een hoge WOZ-waarde
dat sociaal wordt verhuurd, ermee gepaard dat je in één keer in het regime komt van
de vastgoedbijtelling van 3,35%. Dat loopt echt in de papieren. Ik heb wat sommetjes
gezien van reële voorbeelden van huizen in de grotere steden die, ondanks alle aanleiding
om uit te ponden, nog steeds sociaal of in ieder geval heel betaalbaar worden verhuurd.
Je hebt dan dus recht op leegwaarderatio's van 73% tot 79%. Ja, en dan kom je zomaar
uit bij minder dan 90% in het vastgoedbijtellingsregime. Mijn vraag is dan ook of
90% niet een te scherpe eis is. Waarom geen 300 dagen ofwel 10 maanden als eis om
in categorie 1 van verhuurd vastgoed – er zijn drie categorieën – te worden aangeslagen?
Ik heb hiervoor een amendement in voorbereiding, maar voordat ik dat indien hoor ik
graag de reactie van de Staatssecretaris, waar ik heel erg benieuwd naar ben. Ik vraag
ook of wij dit in de wet moeten regelen, want het staat sec in de wet niet zo duidelijk.
In artikel 5.15, lid 2, onderdeel a, van de wet staat gewoon «het grootste deel van
het kalenderjaar», maar in de memorie van toelichting staat dat hiermee minder dan
90% is bedoeld. Het kan misschien ook met een motie, maar ik hoor de reactie wel.
Voor de zekerheid is het amendement in ieder geval in voorbereiding.
Het pièce de résistance dat ik bij het vastgoed aan de orde wil stellen, gaat over
de inbrengwaarde van verhuurde woningen. In de memorie van toelichting staat op pagina
27: «Voor de beginwaarde geldt voor verhuurde woningen die in Nederland zijn gelegen
en waarvoor de huurder recht heeft op huurbescherming, de leegwaarderatio. Dit sluit
aan bij de huidige systematiek van de leegwaarderatio.» In de nota naar aanleiding
van het verslag, pagina 42, staat: «Aangezien de WOZ-waarde ervan uitgaat dat de woning,
waarvoor de huurders huurbescherming genieten, niet wordt verhuurd en niet is bezwaard,
zorgt de leegwaarderatio er juist voor om de waarde van een woning in verhuurde staat
zo goed mogelijk te bepalen.» Maar is dat nou wel zo logisch?
Stel je verhuurt een woning in een stad waar de prijzen erg hard zijn gestegen en
de WOZ-waardes hoog zijn. Je verhuurt de woning nog steeds onder het regime van de
huurprijsbescherming; dat is nu dus sociaal en midden. Je hebt dus een leegwaarderatiokorting.
Als je sociaal verhuurt, is het niet denkbeeldig dat dit zomaar de maximale korting
is van 27%, namelijk 100% minus 73%, op het inbrengmoment in 2028. Een jaar later
besluit je huurder om het huurcontract op te zeggen, en je besluit de woning te verkopen.
Bij een WOZ-waarde van, zeg, vier ton ten tijde van het inbrengmoment mag je dan bijna
€ 40.000 aan belasting extra aftikken, om precies te zijn: € 38.880; dit in vergelijking
met een inbrengwaarde conform de WOZ-waarde zonder leegwaarderatiokorting.
De door het kabinet voorgestelde manier van het bepalen van de inbrengwaarde van verhuurd
vastgoed heeft als risico dat juist sociaal verhurende particuliere verhuurders, als
zij de huidige gure box 3-tijd al overleven, gaan uitponden voor 2028 of op z'n minst
proberen om hun huis voor 2028 leeg te krijgen, zodat zij het in 2028 met een reguliere
WOZ-waarde in kunnen brengen in box 3. Dat leidt tot mijn vraag aan de Staatssecretaris:
kunnen we bij de inbrengwaarde van verhuurde woningen op 1 januari 2028 de leegwaarderatiokorting
niet beter gewoon achterwege laten? Hoe kijkt hij daartegen aan? En als we dat zouden
willen, hoe moeten wij dat dan regelen? Gewoon met een motie, of met een wet of ...
Kan de Staatssecretaris hier iets op toezeggen?
Ik kom bij mijn laatste onderwerp.
De voorzitter:
U bent al wel voorbij de opgegeven spreektijd.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Is dat zo? Die was zo'n twintig minuten.
De voorzitter:
Ja. Die heeft u al gebruikt. Ik roep u op om het bondig te houden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Sorry. Ik ga snel door. Ik hoor dat mijn collega Van Eijk een paar minuten minder
heeft. Ik zal snel doorgaan. Ik heb nog één onderwerp, voorzitter, en dan stop ik
ermee, voor nu.
Box 3 en de NSW-landgoederen: dat is mijn laatste punt. Dit laatste punt brengt mij
bij de prachtige Natuurschoonwet van 1928, die al bijna 100 jaar heel veel prachtige
natuur, cultuurlandschappen en nationaal erfgoed beschermt door de instandhouding
ervan mogelijk te maken, en die al dit moois ook toegankelijk maakt voor het publiek.
Deze NSW-landgoederen zijn in particulier bezit. Deze particulieren zorgen voor het
behoud van cultuurhistorisch erfgoed en natuurschoon en maken het mogelijk dat anderen
daarvan kunnen genieten. Dat is geen vetpot, zeker nu niet met het extreem hoge veronderstelde
rendement voor de categorie overige bezittingen in box 3. Met de komst van de Wet
werkelijk rendement zou er weer licht aan de horizon moeten verschijnen, maar het
tegendeel is het geval. Donkere wolken pakken zich samen.
Dat dit geen fictieve bedreiging is, werd mij wel duidelijk uit de gesprekken die
ik hier de afgelopen weken over voerde. Ter voorbereiding van dit debat heb ik de
afgelopen week nog wat van die prachtige landgoederen mogen bezoeken, namelijk Eyckenstein
en Prattenburg, beide gelegen in de provincie Utrecht. Ik heb genoten van de schoonheid
en van de liefde voor dat landgoed bij de beheerders, bij de eigenaren, maar ook van
de Excelsheets, waaruit bleek dat het niet eenvoudig is om al dat moois voor de toekomst
te behouden. Dat willen we wel, toch? Als kind heb ik menig voetstap gezet op de wandelpaden
van bijvoorbeeld landgoed Prattenburg, op de grens van Veenendaal en Rhenen. Dat zijn
mooie herinneringen. Maar ik weet zeker dat heel veel Nederlanders van die mooie herinneringen
hebben of nog steeds met enige regelmaat een mooi landgoed of particulier beheerd
natuurgebied bezoeken. Lang niet iedereen zal weten dat de instandhouding daarvan
afhangt van die aloude Natuurschoonwet. De waarde van de grond en eventuele gebouwen
op die mooie grond is op papier weliswaar hoog, maar er staat weinig financieel rendement
tegenover. Als je vervolgens wel belasting moet betalen over de papieren waardestijging
van de grote grondslag, is het financieel natuurlijk snel klaar. Precies daarom is
er de Natuurschoonwet, met vrijstellingen in het successierecht en andere belastingen.
In het oude box 3-stelsel ging het, voordat er gerommeld werd met verschillende forfaits
en box 3 effectief een vermogensbelasting van 1,2% was, voor de meeste NSW-landgoederen
net goed. Met een rendement – dat blijkt uit onderzoek – dat doorgaans net onder de
1% uitkwam, rekende het bijna rond. Je hield niks over, maar vooruit. Als je eigenaren
spreekt, zeggen ze dat de problemen echt begonnen toen de forfaits omhooggingen. Maar
gelukkig was er dus een lichtpunt, want in de toekomst zou er belasting worden geheven
over werkelijk rendement. Daar zijn we nu. Voor zover het gaat over de te betalen
belastingen over het directe rendement, regelt deze wet het op zich prima. Als er
bijvoorbeeld sprake is van huurinkomsten, worden deze netjes belast.
Het probleem zit echter in de belasting van de waardestijging volgens winstbelastingsystematiek.
Bij overdracht naar de volgende generatie worden vervreemdingsvoordelen – anders gezegd:
de toename van de WOZ-waarde – belast. Dit zal in de bijdragen van collega's vaker
terugkomen bij andere punten, maar ik focus nu even op de NSW-landgoederen. Op korte
termijn is dat niet zo'n probleem. Het gaat immers om de waardestijgingen vanaf de
ingang van de Wet werkelijk rendement. Maar je kunt je voorstellen dat binnen enkele
decennia de papieren waardestijging flink oploopt. Hoe moet je daar bij vererving
of schenking de belasting over voldoen als je het NSW-landgoed in stand zou willen
houden en geen zaken wilt verkopen om de belasting te voldoen? Dat is toch de hele
essentie van die NSW-landgoederen. Wat mij betreft is dat echt een fout in deze wet.
Waar in het successierecht dit probleem goed ondervangen wordt door de Natuurschoonwet,
gaat de Wet werkelijk rendement hier ten onrechte tegen de geest van de Natuurschoonwet
in. Daarom heb ik samen met de collega's Stoffer en Vermeer een amendement ingediend
om dit recht te zetten.
Dat was het laatste punt van mijn bijdrage in eerste termijn, voorzitter. Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. U sprak ongeveer een kwart langer dan uw opgegeven tijd, maar het is ook
een belangrijk onderwerp. Mevrouw Van Eijk van de VVD heeft beloofd dat ze dat gaat
inhalen. Ik geef haar het woord.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel, voorzitter. We gaan het zien. Vandaag spreken we over de Wet werkelijk
rendement box 3. Dat is een wet die niet op zichzelf staat, maar die het resultaat
is van jarenlange discussie, juridische correcties en maatschappelijke onvrede. Het
huidige box 3-stelsel heeft het vertrouwen in ons belastingstelsel ernstig beschadigd.
Burgers zijn geconfronteerd met belastingheffing over rendement dat zij niet hebben
behaald, soms zelfs in jaren waarin hun vermogen nauwelijks iets opleverde. Dat is
niet uit te leggen en niet houdbaar gebleken. De rechter heeft dat vastgesteld, maar
belangrijker nog: de samenleving voelt dat al langer zo. De overstap naar belastingheffing
op basis van werkelijk rendement is geen experiment, maar een noodzakelijke correctie.
De vraag waar wij vandaag voor staan, is niet óf we moeten veranderen, maar hoe we
dat op een verantwoorde manier doen.
Voorzitter. Laat ik beginnen met de kern van het VVD-verhaal. De VVD staat voor een
belastingstelsel dat rechtvaardig is, dat economische groei ondersteunt, dat uitvoerbaar
is voor de overheid en dat begrijpelijk is voor burgers. Deze wet raakt aan al die
uitgangspunten. Met de hervorming van box 3 kiest de VVD nadrukkelijk niet voor een
ideologische verschuiving in de belastingmix. Het gaat hier niet om het zwaarder belasten
van vermogen of het afstraffen van sparen en beleggen, integendeel. Het gaat om het
herstellen van een fundamenteel beginsel: inkomen wordt belast naar wat daadwerkelijk
wordt verdiend. Voor de VVD is dat de enige eerlijke manier om vermogen te belasten.
Voorzitter. De VVD begrijpt dat het kabinet niet heeft gekozen voor een allesomvattende
risicovolle stelselherziening. In plaats daarvan ligt er een gerichte hervorming die
inspeelt op de uitspraken van de rechter en op de uitvoeringsrealiteit. Tegelijkertijd
kijkt de VVD verder vooruit. We hebben altijd gezegd dat als je echt zuiver wilt belasten
naar rendement, de vermogenswinstbelasting, heffing bij realisatie, economisch gezien
het meest voor de hand ligt. Dat biedt ruimte voor vermogensopbouw, voorkomt liquiditeitsproblemen
en sluit aan bij de logica van bijvoorbeeld het pensioenstelsel: eerst laten groeien,
daarna belasten. Dat is ook het meest eerlijk: geen belasting over rendement dat mogelijk
nooit optreedt.
Maar wij zijn ook realistisch. Een volledige vermogenswinstbelasting is op korte termijn
niet uitvoerbaar en niet budgettair inpasbaar. Daarom steunen wij deze wet als een
noodzakelijke tussenstap. Ik vraag de Staatssecretaris expliciet of hij bereid is
om die ook zo te benoemen: als een stap op weg naar een toekomstbestendig stelsel,
waarbij in de komende jaren samen met de Kamer wordt verkend welke verdere stappen
mogelijk zijn zonder de uitvoerbaarheid of stabiliteit van het stelsel in gevaar te
brengen. Een toezegging op dit punt zou voor mijn fractie van groot belang zijn. Kan
de Staatssecretaris toelichten hoe zo'n transitie eruit zou kunnen zien? Je zou bijvoorbeeld
stap voor stap specifieke categorieën beleggingen onder de vermogenswinstbelasting
kunnen brengen.
Voorzitter. Een belangrijk liberaal uitgangspunt is beleggingsneutraliteit. De VVD
wil dat kapitaal zijn weg vindt naar de meest productieve bestemmingen op basis van
economische afwegingen, niet op basis van fiscale prikkels of barrières. Zo kan iedereen
zijn geld beleggen zoals hij dat zelf wil. Dat geldt in het bijzonder voor de keuze
tussen rechtstreeks, direct, beleggen en collectief beleggen, via een fonds. Collectief
beleggen biedt beleggers schaalvoordelen, risicospreiding, professionele expertise
en toegang tot markten die voor individuele beleggers moeilijk bereikbaar zijn. Daarom
is het van groot belang dat het fiscale stelsel deze vorm van beleggen niet benadeelt.
Nederland kent al jarenlang het uitgangspunt dat het fiscaal geen verschil mag maken
of iemand rechtstreeks of via een fonds belegt. Dat principe is verankerd in onder
andere de regimes van fiscale en vrijgestelde beleggingsinstellingen. De VVD hecht
eraan dat dit uitgangspunt ook onder het nieuwe box 3-stelsel zo veel mogelijk overeind
blijft. Vindt de Staatssecretaris dat de Wet werkelijk rendement box 3 deze beleggingsneutraliteit
respecteert? Kan hij verduidelijken hoe wordt voorkomen dat collectieve beleggingen
fiscaal ongunstiger worden behandeld? Dit is belangrijk voor het vertrouwen van beleggers
en voor de consistentie van het stelsel.
Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimte bieden aan startende
ondernemers.
De voorzitter:
Een ogenblik graag. U heeft nog een interruptie van de heer Stultiens over het vorige
gedeelte.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een vraag over het punt van de vermogenswinstbelasting. De VVD geeft aan: we
kiezen daar nu niet voor vanwege onder andere de budgettaire inpasbaarheid; het kost
gewoon veel geld en dat hebben we nu niet. Dat vind ik een goed argument, maar waarvan
denkt de VVD dat in de toekomst dan wel te betalen? Mevrouw Van Eijk zegt dat het
een tussenstap is, maar waar zal het geld hiervoor in de toekomst dan wel gevonden
worden?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Goede vraag. Ik zit hier ook niet om allerlei ramingen ter discussie te stellen, maar
ik weet wel dat er heel veel onzekerheid is rondom de ramingen. Er zijn best wel wat
veronderstellingen gedaan voor hoe de vermogenswinstbelasting in de toekomst gaat
uitpakken en hoe die zich verhoudt tot de vermogensaanwasbelasting. Dat er een periode
nodig is om ervoor te zorgen dat je budgettair gezien uiteindelijk uitkomt op hetzelfde
niveau of, zoals mijn collega, de heer Grinwis, aangaf, zelfs op een hoger niveau
qua structurele opbrengst, ligt ook vast in de ramingen. Ik denk dat we daar met z'n
allen goed naar moeten kijken. Veel belangrijker is dat die beweging, als je die,
al dan niet gefaseerd, gaat maken, juridisch ook houdbaar is. Daar heb ik zelf nog
wel twijfels over, omdat iedere uitzondering die we nu hebben gemaakt, kwetsbaar is.
Als je het in stappen doet en iedere keer een categorie aan de vermogenswinst toevoegt,
is dat ook kwetsbaar. Eigenlijk zou je in één keer om moeten gaan. Ik denk dat we
daar nog even op moeten puzzelen. Het directe antwoord daarop heb ik dus niet, maar
ik denk dat er nog wel heel vragen te stellen en antwoorden te geven zijn.
De voorzitter:
De heer Stultiens, voor een vervolgvraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, nog één vervolgvraag. De VVD is inderdaad niet de partij die de ramingen de schuld
geeft. Het gaat inderdaad geld kosten; de vraag is hoeveel. Hoeveel geld is de VVD
bereid om de komende jaren uit te trekken voor die stap? Mijn partij is daar niet
toe bereid; dat is een duidelijk standpunt. Ik denk dat het de samenleving helpt als
we hierover eerlijk en duidelijk zijn. Als de VVD hier geen geld voor wil uittrekken,
laten we dan geen valse hoop wekken. Of is de VVD wel bereid om cumulatief x-miljard
uit te trekken voor de vermogenswinstbelasting?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Mijn vragen waren in eerste instantie ook gericht aan de Staatssecretaris. Voor een
beweging naar volledige vermogenswinst is een bepaalde transitie nodig. Die zal in
stappen moeten verlopen. Daar horen ook ramingen bij. Ik wacht het antwoord van de
Staatssecretaris even af.
De voorzitter:
Mevrouw Van Eijk vervolgt haar betoog.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Voorzitter. Een economie die wil groeien en vernieuwen moet ruimte bieden aan startende
ondernemingen. Start-ups en scale-ups zijn de motor voor onder andere innovatie en
digitalisering. Zij zorgen voor nieuwe banen, nieuwe producten en nieuwe verdienmodellen.
De VVD is dan ook positief over het feit dat het kabinet in deze wet aandacht heeft
voor investeringen in startende ondernemingen.
Tegelijkertijd maken wij ons zorgen over de uitwerking. Investeren in start-ups is
per definitie risicovol, langdurig en illiquide. Winsten zijn vaak pas na jaren zichtbaar,
als er al een exit plaatsvindt. Belastingheffing over een niet-gerealiseerde waardestijging
kan investeerders in een onmogelijke positie brengen. Zij kunnen worden geconfronteerd
met belastingaanslagen zonder dat zij de middelen hebben om deze te betalen. Dat kan
leiden tot gedwongen verkoop, verlies van toekomstig rendement en uiteindelijk minder
investeringen in jonge bedrijven. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat het kabinet
het stimuleren van investeringen in start-ups als expliciete doelstelling ziet en
dat het nieuwe box 3-stelsel deze investeringen niet mag ontmoedigen?
De definitie van start-ups moet dan ook voldoende aansluiten bij de praktijk. In het
licht van box 3 zouden de criteria iets moeten zeggen over de daadwerkelijke liquiditeit
van aandelen. Veel succesvolle start-ups blijven lang illiquide. Is de Staatssecretaris
bereid te erkennen dat een termijn van tien tot vijftien jaar, gekoppeld aan een daadwerkelijk
realisatiemoment, beter aansluit bij de economische realiteit? Daarnaast roept, zoals
ik net ook al zei, elke beperking maar ook elke verbreding in de definitie van start-ups
nieuwe vragen op. Hoe verhoudt dit zich tot het staatssteunrecht? Het moet immers
uitlegbaar zijn waarom aandelen in een startende onderneming onder het regime van
de vermogenswinst vallen en aandelen in het midden- en kleinbedrijf of een familiebedrijf
onder het regime van de vermogensaanwas vallen. Hoe wordt voorkomen dat buitenlandse
start-ups waarin Nederlandse beleggers investeren, buiten de regeling vallen?
Voorzitter. Vastgoed vormt het meest complexe onderdeel van dit wetsvoorstel. De VVD
steunt het uitgangspunt om vastgoed te belasten op basis van werkelijk rendement – dat
is bijvoorbeeld noodzakelijk om de verhuur van een woning lonend te laten blijven –
maar de uitwerking vraagt om zorgvuldigheid. De vastgoedbijtelling bij leegstand van
een bedrijfspand of een beperkt eigen gebruik van een tweede woning staat op gespannen
voet met het uitgangspunt van werkelijk rendement. Wie geen huur ontvangt, geniet
bijvoorbeeld geen rendement. Het forfait van 3,35% is blijkbaar gebaseerd op cijfers
uit het verleden; mijn collega Grinwis gaf dit in zijn inbreng al aan. Inmiddels zijn
de omstandigheden veranderd. Kan de Staatssecretaris reflecteren op de actualiteit
van dit percentage en wordt overwogen of het mogelijk en/of wenselijk is om jaarlijks
of tweejaarlijks te herijken? Wij overwegen op dit punt een motie, maar ik begrijp
dat de heer Grinwis daarop een amendement in voorbereiding heeft, dus we gaan wachten
op de appreciaties, denk ik.
De voorzitter:
De heer Grinwis heeft daar ook een interruptie over.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Daar wilde ik gelijk op doorvragen. Volgens mij zijn we het eens en zien we hetzelfde
probleem. Stel je, even los van de fundamentele discussie over de vastgoedbijtelling,
voor dat je die bijtelling toch accepteert en dat die in de wet zit; dan kun je twee
dingen doen. De eerste mogelijkheid is dat je inderdaad per motie regelt dat die bijtelling
jaarlijks geactualiseerd gaat worden. Nu is namelijk in de stukken gezegd dat dat
pas na 2033 en na de evaluatie gebeurt. Tegelijkertijd blijft dan die 3,35% in de
wet staan. Hoe zwaar is dit punt dan voor de VVD-fractie? Als het inderdaad de bedoeling
is dat die vastgoedbijtelling alleen maar een actuele bijtellingswaarde reflecteert,
zou dat namelijk in principe ongedekt kunnen. Of vindt collega Van Eijk dat als je
de 3,35% verlaagt naar, zeg, 2,8%, daar een dekking bij hoort? Hoe ziet ze dit?
De voorzitter:
Helder.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Het is een belangrijk punt dat we moeten blijven monitoren. Daarom vraag ik ook of
je jaarlijks of tweejaarlijks moet herijken. Het hangt natuurlijk ook af van de ontwikkelingen
in de markt hoe urgent zoiets is. Ik heb gezien dat de collega van het CDA een amendement
heeft ingediend om de evaluatie in ieder geval naar voren te halen. Ik vind het heel
erg belangrijk om dat tijdig te doen. Ik denk dat als die verschillen groot zijn,
we inderdaad moeten kijken naar een aanpassing ten aanzien van de budgettaire dekking.
Ten aanzien van de budgettaire dekking ben ik heel even overvraagd. Ik wil even de
reactie van de Staatssecretaris afwachten en eventueel de appreciatie van het amendement
van de heer Grinwis. Maar ik vind wel dat op het moment dat je een robuuste wet wil
neerleggen en je noodgedwongen nog steeds afhankelijk bent van bepaalde forfaits,
die forfaits ook in het kader van de eenvoud altijd zo veel mogelijk de werkelijkheid
moeten benaderen. Dan is de vraag hoe je daar het dichtst bij in de buurt komt en
wat daarvoor nodig is.
De voorzitter:
Dat was voldoende voor de heer Grinwis, maar de heer Vermeer heeft een aanvullende
interruptie.
De heer Vermeer (BBB):
Mijn vraag aan mevrouw Van Eijk is dan: maar dan is het toch niet logisch om er een
vast percentage in te zetten? Dan moet er in de wet toch alleen maar een systematiek
c.q. een procedure vastgelegd worden?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik kom hier later in mijn inbreng nog op terug, onder mijn kopje tegenbewijsregeling.
We hebben namelijk gezien hoe kwetsbaar de huidige wet- en regelgeving is. In de parlementaire
behandeling van de vorige wet is er diverse keren over gesproken of je in de wet al
een tegenbewijsregeling zou moeten opnemen. Wat betreft de kwetsbaarheden die in deze
wet zitten, zou je op dit specifieke punt, de vastgoedbijtelling en de startwaarde
op het moment dat je vastgoed inbrengt, als belastingplichtige naar mijn mening de
mogelijkheid moeten hebben om aan te tonen dat die waarde of dat rendement lager is.
Daar ligt een deel van de oplossing, los van het feit dat je het vooralsnog met een
forfait in de wet kan vastleggen.
De heer Vermeer (BBB):
Maar mevrouw Van Eijk zegt nu eigenlijk: u heeft daarin gelijk, maar het probleem
moet neergelegd worden bij de belastingplichtige, want die moet dan maar geconfronteerd
worden met de problemen die veroorzaakt worden door vaste percentages c.q. forfaits.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dit forfait is niet willekeurig en zomaar gekozen, hè? Ik stel net als de heer Grinwis
vragen over de actualiteit, van: kloppen de cijfers nog? Maar kijkend naar het onderzoek
dat gedaan is en het percentage dat nu gekozen is, denk ik dat daar de benodigde zorgvuldigheid
en voorzichtigheid in vastligt, waarbij je met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid
kan zeggen dat een heel groot gedeelte van de vastgoedeigenaren met dit percentage
prima uit de voeten kan en ook niet uitkomt op een lager rendement. Maar je kunt het
actualiseren. In het geval dat je werkelijk rendement lager is of de startwaarde echt
substantieel lager is en de wet daar onvoldoende in voorziet, zie ik wel mogelijkheden
voor een tegenbewijsregeling, zodat dat alsnog aangetoond kan worden. Ik denk dat
dat maar een heel beperkt aantal belastingplichtigen aangaat.
De voorzitter:
Mevrouw Van Eijk vervolgt haar betoog.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Wat ik zojuist zei ten aanzien van mogelijk tegenbewijs geldt ook voor bijvoorbeeld
de startwaarde van vastgoed. Belastingheffing op basis van een waarde die pas achteraf
bekend wordt, raakt de rechtszekerheid. Is de Staatssecretaris bereid om te kijken
naar een alternatief waarbij er vooraf duidelijkheid bestaat voor de belastingplichtige?
Tot slot wil ik iets zeggen over de afbakening tussen onderhoud en verbetering. Met
de verduurzamingsopgave zullen veel grensgevallen ontstaan. Duidelijke praktische
richtlijnen zijn essentieel om uitvoeringsproblemen te voorkomen. Mijn vraag aan de
Staatssecretaris is: gaan die er komen?
Voorzitter. Bij NSW-landgoederen verschuift onder het nieuwe box 3-stelsel het fiscale
knelpunt naar het moment van schenking of vererving, wanneer in één keer vermogensbelasting
verschuldigd wordt zonder dat daar liquiditeit tegenover staat. Dat vergroot het risico
op gedwongen verkoop en verlies van waardevol natuur- en cultuurerfgoed. Vindt de
Staatssecretaris ook dat de systematiek van de Natuurschoonwet 1928 ook in box 3 moet
worden gerespecteerd? Het amendement-Grinwis biedt wellicht een evenwichtige oplossing
en ik ben benieuwd naar de appreciatie van de Staatssecretaris van dit amendement.
Voorzitter. Bij oude kapitaalverzekering in box 1 dreigt door het afschaffen van het
overgangsrecht het heffingsmoment naar voren te worden gehaald. Per 1 november ’29
zou dan in één keer belasting worden geheven over het volledig opgebouwde rendement,
terwijl betrokkenen dit geld niet liquide hebben. Het gaat om een kleine en overzichtelijke
groep, maar de impact voor deze mensen is groot. De VVD vindt het onaanvaardbaar dat
burgers om reden van uitvoeringseenvoud worden geconfronteerd met onverwachte en hoge
aanslagen. Wij pleiten daarom voor een oplossing waarbij de belastingclaim wel wordt
vastgesteld per 1 november 2029, maar pas wordt ingevorderd op het moment dat de verzekering
daadwerkelijk tot uitkering komt. Ik vraag de Staatssecretaris of hij bereid is om
op dit punt een toezegging te doen.
Voorzitter. Een stelsel dat uitgaat van werkelijk rendement moet ook eerlijk omgaan
met verliezen. De VVD begrijpt dat uitvoerbaarheid grenzen stelt. Niet alles kan en
niet alles moet, maar het risico bestaat dat belastingplichtigen met fluctuerende
rendementen uiteindelijk belasting betalen over een positief rendement, dat zij per
saldo nooit hebben gehad. Hoe weegt de Staatssecretaris dit risico? Is hij bereid
de effecten van de gekozen verliesverrekeningssystematiek actief te monitoren? Kan
hij toezeggen dat, als blijkt dat er structureel onrechtvaardige uitkomsten ontstaan,
het kabinet bereid is om bij te sturen?
Voorzitter. Nederland is een land van spaarders. Dat is op zichzelf een kracht, maar
in een tijd van grote investeringsopgaven, van woningbouw tot energietransitie en
strategische autonomie, is het ook wenselijk dat meer particulier vermogen zijn weg
vindt naar productieve investeringen. De VVD ziet in de overgang naar een stelsel
van werkelijk rendement een kans om het gesprek te voeren over hoe particulier beleggen
fiscaal kan worden gestimuleerd zonder het stelsel ingewikkeld te maken. Eenvoud is
hierbij cruciaal. Burgers haken af als regelingen te complex worden. Andere landen
laten zien dat eenvoudige instrumenten, zoals een beleggingsrekening of vrijstelling
voor bepaalde vormen van rendement, effectief kunnen zijn. Ik vraag de Staatssecretaris
of hij bereid is om, parallel aan dit wetstraject, met de Kamer te verkennen welke
opties kansrijk zijn voor Nederland.
Voorzitter. Nederland is een open economie die afhankelijk is van internationaal talent.
Ons vestigingsklimaat staat onder druk en fiscale voorspelbaarheid speelt daarbij
een grote rol. De combinatie van heffing over niet-gerealiseerde vermogenswinst en
het afschaffen van de partiële buitenlandse belastingplicht dreigt Nederland internationaal
uit de pas te laten lopen. Dit vergroot het risico op dubbele belasting en schaadt
het vertrouwen van internationaal talent. Het budgettaire voordeel van het afschaffen
van de regeling is beperkt, terwijl de economische schade groot kan zijn. Is de Staatssecretaris
bereid om de effecten van de keuzeregeling voor de partiële buitenlandse belastingplicht
opnieuw te wegen en de Kamer hierover te informeren?
Voorzitter. Als wij zeggen dat wij belasten naar werkelijk rendement, dan moet er
ook ruimte zijn om aan te tonen dat het werkelijk rendement in specifieke gevallen
lager is. Zonder een effectieve en uitvoerbare tegenbewijsregeling ontstaat het risico
dat er opnieuw belasting wordt geheven over inkomen dat niet is genoten, met alle
juridische kwetsbaarheden van dien. Dat geldt nadrukkelijk voor onderdelen waarin
forfaits worden toegepast, zoals vastgoed, leegstand, eigen gebruik en waarderingskwesties
rondom illiquide vermogensbestanddelen. De VVD begrijpt dat niet elk individueel geval
maatwerk kan krijgen en dat uitvoerbaarheid grenzen kent, maar we vinden wel dat de
wet een duidelijk begrensde en werkbare mogelijkheid moet bieden om tegenbewijs te
leveren in uitzonderlijke situaties. Ik vraag de Staatssecretaris daarom of hij bereid
is om de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling opnieuw te verkennen en te wegen.
De reikwijdte daarvan moet zo worden vormgegeven dat nieuwe procedures bij de rechter
worden voorkomen.
Tot slot, voorzitter.
De voorzitter:
Mevrouw Inge van Dijk heeft eerst nog een interruptie over de tegenbewijsregeling.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Ik snap het punt van de VVD natuurlijk heel goed, maar ik
was een beetje op zoek naar hoe de VVD aankijkt tegen die begrenzing. Hoe zien zij
die en welke voorstellen zouden zij daar zelf voor in het mandje willen leggen?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Zoals ik aangaf in mijn spreektekst is dat vooral daar waar je forfaits gebruikt dan
wel bepaalde veronderstellingen, percentages, inbouwt, bijvoorbeeld de 3,35%-vastgoedbijtelling
en het 90%-criterium waarin de drie verschillende categorieën zijn onderverdeeld als
het om vastgoed gaat. Die vind ik gewoon heel erg kwetsbaar, omdat die zo veel als
mogelijk proberen aan te sluiten bij het werkelijk rendement maar dat nog niet zijn.
Ik denk dat daar de punten zitten waarover heel veel discussie kan ontstaan en dat
je dat zou kunnen voorkomen als je een belastingplichtige de mogelijkheid geeft om
aan te tonen dat het anders is. Als je het hebt over de WOZ-wetgeving of als je kijkt
naar lagere regelgeving, zie je dat daar best al een aantal ankers in zitten, maar
ik vraag me af of we daarin niet verder moeten gaan en het ook in deze wet op een
goede manier moeten vastleggen. Er komt sowieso nog een aanpassingswet, dus de mogelijkheden
om te kijken waar we bij moeten sturen of waar we zoiets zouden moeten toevoegen,
zijn er dus nog volop. Vandaar komt mijn vraag aan de Staatssecretaris op dit moment.
De voorzitter:
Er is een vervolgvraag van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
De uitvoeringstoets bij deze wet is al best zorgwekkend, met vier rode vlaggen en
één gele. We waren samen rapporteur en dat was een van onze grote bezwaren of angsten.
Nu lijkt het er eigenlijk op, hoor ik nu bij een nieuwe suggestie, dat we het nog
moeilijker gaan maken, met een tegenbewijsregeling. Ziet mevrouw Van Eijk ook die
zorg dat we nu in plaats van 900 fte nóg meer mensen nodig hebben om dit voor elkaar
te krijgen?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dat is een dilemma. Enerzijds begrijp ik heel goed dat iedere regeling die wij toevoegen
de complexiteit kan verhogen. We hebben echter in de afgelopen tien jaar ook gezien
hoe kwetsbaar wet- en regelgeving is als je vasthoudt aan bepaalde percentages en
forfaits. Die kwetsbaarheid zou je volgens mij deels kunnen oplossen door in specifieke
gevallen, waarin we denken dat die kwetsbaarheid heel erg groot is, toch te kijken
of je dat er met een tegenbewijsregeling uit kan halen. Ik zei net richting mevrouw
Inge van Dijk ook al dat ik denk dat we op heel veel punten daadwerkelijk rendement
redelijk goed gaan benaderen. Er is ook voor de nodige voorzichtigheid gekozen bij
het invullen van die percentages. We moeten hier niet van wegkijken. Dit niet regelen
in de wet is volgens mij namelijk een van de fouten geweest die wij in de afgelopen
tien jaar hebben gemaakt.
De voorzitter:
Mevrouw Van Eijk gaat haar afrondende opmerking maken. O, toch nog niet. De heer Grinwis
heeft nog een interruptie.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik hoorde collega Van Eijk in een keer zomaar opmerken een einde te maken aan een
belastingconstructie die in het verleden is aangeraden, namelijk de partiële buitenlandse
belastingplicht. Dat is de partiële belastingplicht voor buitenlanders die hier een
job uitvoeren, bijvoorbeeld CEO's. We hebben die belastingconstructie met goede redenen
omvergehaald. Zo hoeven andere mensen namelijk minder krom te liggen om al die belasting
op te brengen. Wat is nou de portee van haar opmerking? Wil zij het voor bijvoorbeeld
Franse CEO's mogelijk maken om hun goederen in Frankrijk allemaal buiten onze belastingplicht
te houden? Wat is de portee?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Het punt is dat we hier naar een stelselwijziging gaan wat betreft de Wet werkelijk
rendement. Zeker de verschuiving van vermogensaanwas naar vermogenswinst, die om goede
redenen is gekozen, maakt dat er op sommige vermogensbestanddelen daadwerkelijk dubbele
heffing optreedt. Ik ben het heel erg met de heer Grinwis eens als het gaat om opmerkelijke
belastingconstructies, belastingontwijking en het niet heffen van belasting over bepaalde
vermogensbestanddelen. We slaan hier door naar de andere kant. Als je een stelselherziening
doet in box 3, dan vind ik dat je in ieder geval opnieuw moet kijken naar de intentie
die wij bij de afschaffing van die partiële buitenlandse belastingplicht hadden. Werkt
die nog zoals bedoeld of slaat het nu door, waardoor er na invoering van deze wet
een onbedoeld effect is opgetreden? Ik denk dat het goed is om daarnaar te blijven
kijken.
De voorzitter:
Dan nu de slotopmerking van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja. De VVD hecht groot belang aan invoering per 1 januari 2028. Dat is noodzakelijk
om het huidige stelsel achter ons te laten en om juridische procedures en nieuwe budgettaire
opgaven te voorkomen. Ik vraag de Staatssecretaris dan ook om volledige transparantie
over de uitvoeringsgereedheid. Hoe staat het met de ICT, de uitfasering van oude systemen
en de beschikbaarheid van taxateurs en business valuators? Welke wijzigingen zonder
risico voor de planning zijn er nog mogelijk? Voor de VVD is het uitgangspunt helder:
uitvoerbaarheid en tijdige invoering gaan voor. Beleidswensen kunnen altijd worden
meegenomen in een latere aanpassingswet, maar het fundament moet eerst stevig staan.
Afsluitend, voorzitter. De VVD steunt de richting van deze wet. We erkennen de noodzaak
en waarderen de inzet van het kabinet. Wij willen deze hervorming laten slagen. Tegelijkertijd
vragen wij op een aantal punten om toezeggingen en verduidelijking. Dat doen we niet
om het proces te blokkeren, maar om het wetsvoorstel beter, eerlijker en toekomstbestendiger
te maken.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Vlottes. Hij spreekt namens
de PVV-fractie.
De heer Vlottes (PVV):
Voorzitter, veel dank. Daar is ie dan eindelijk, de Wet werkelijk rendement box 3.
De afgelopen jaren konden we hier op fiscaal gebied eigenlijk vrijwel niks doen of
box 3 kwam wel om de bocht zeilen. Dat zorgde bij de meesten van ons voor een spreekwoordelijke
wegtrekker. Dat is ook wel heel goed te verklaren, want er is nogal wat gebeurd. Tijdens
het beruchte Kerstarrest van 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de wijze waarop
het inkomen uit sparen en beleggen wordt berekend in strijd is met het eigendomsrecht.
Op basis hiervan heeft het toenmalige kabinet de Wet rechtsherstel box 3 en daarna
de Overbruggingswet box 3 in het leven geroepen. In het arrest van 2024 oordeelt de
Hoge Raad echter dat ook deze wet in strijd zou zijn met het eigendomsrecht. Er volgden
nog enkele arresten en terwijl de oorspronkelijke inwerkingtreding was voorzien voor
1 januari 2025, is die nog eens twee keer uitgesteld. Nu moet dit voor 15 maart zo
specifiek mogelijk zijn behandeld in de Tweede Kamer, anders dreigt er weer vertraging.
En dat niet alleen! Ook iedere wijziging in het voorliggende wetsvoorstel kan leiden
tot vertraging en iedere bijkomende vraag over de heffingsketen of de complexiteit
van deze wet zorgt ervoor dat de inwerkingtreding per 2028 niet meer gehaald kan worden,
aldus de memorie van toelichting.
Kortom, voorzitter, eigenlijk kan niks. Want laten we wel zijn: op deze manier is
het geen doen. Nu zitten we hier, zogezegd opgejaagd en gegijzeld door de Belastingdienst
cum suis, en is het eigenlijk tekenen bij het kruisje. Kan de Staatssecretaris hierop
reageren? Hoe beoordeelt hij dit wetstraject? Kan hij aangeven wat er eigenlijk nog
wel mogelijk is om de door hem zo verlangde inwerkingtreding van 2028 te halen? Wat
zijn bijvoorbeeld de gevolgen voor de planning van het arrest van de Hoge Raad van
afgelopen vrijdag over de té hoge rente in de vpb? Daar was dit kabinet eerder namelijk
erg positief over: het zal allemaal niet zo'n vaart lopen; het valt allemaal wel mee.
Nou, dat is dus niet het geval. Sterker nog, ook deze derving loopt in de miljarden.
Het enkele aannemen van deze wet is immers nog geen garantie dat er geen derving of
verdere vertraging zal ontstaan. Bij de minste of geringste tegenslag kan er zomaar
weer vertraging optreden.
Voorzitter. Zo ongeveer niemand is blij met dit wetsvoorstel: brancheorganisaties
niet, vakverenigingen niet, particulieren niet, beleggers niet, ondernemers niet en
ook de Raad van State niet. De enige die vast blijft houden aan deze wet, is het kabinet.
Hoewel, in het meest recente interview in het FD lezen we dat fiscalist Heijnen de
voorkeur geeft aan een brede vermogensbelasting, terwijl Staatssecretaris Heijnen
liever wil vasthouden aan een variant met vermogensaanwas- en vermogenswinstbelasting,
als een soort tussenstation, alsof we hier bij een AO over spoor zitten. Kennelijk
zou een verdere doorontwikkeling naar zo'n vermogenswinstbelasting wel al mogelijk
zijn in 2030 of 2031. Nu kunnen allemaal dingen niet en is het «computer says no»,
maar over twee jaar ligt de fiscale wereld kennelijk aan onze voeten voor wederom
een nieuw box 3-systeem. Ik neem aan dat hier Staatssecretaris Heijnen zit. Kan hij
deze uitspraken ook namens fiscalist Heijnen nader toelichten? Kan hij daarbij aangeven
welke stappen hij al heeft gezet naar dat eindstation, om in spoortermen te blijven?
En waarom kan dit eindstation in 2030 kennelijk wel gehaald worden, maar in 2028 nog
niet? Graag een reactie.
Voorzitter. Desalniettemin zegt het kabinet het wetsvoorstel vooral in lijn met het
arrest van de Hoge Raad te hebben gelegd. Dit is een bekende cirkelredenering. In
de arresten zelf verwijst de Hoge Raad namelijk naar de doelstellingen die het kabinet
zichzelf heeft opgelegd: uitvoerbaarheid en het op peil houden van de belastingopbrengsten.
Zo schrijft de Hoge Raad in een arrest van 2024 in rechtsoverweging 5.4.8 dat positieve
en negatieve waardeveranderingen ook tot het werkelijk rendement behoren indien de
belastingplichtige ze nog niet heeft gerealiseerd. Nu komt ie: «Dit vloeit voort uit
het rendementsbegrip dat de wetgever voor ogen heeft gestaan bij de vormgeving van
het forfaitaire stelsel.» Kan de Staatssecretaris hierop reageren? In welke mate is
het op peil houden van de belastingopbrengsten leidend geweest bij het vormgeven van
de Wet werkelijk rendement? Hoe verhoudt dit zich tot de proportionaliteitstoets,
de vermogensaanwasbelasting, artikel 1 EVRM en het realisatiebeginsel? En klopt het
dat de Hoge Raad geen uitspraak heeft gedaan over de juridische houdbaarheid van een
variant van een vermogensaanwasbelasting? Ik bedoel een soort papieren rendementsheffing.
Voorzitter. Dan het heffingsvrije resultaat. Volgens het kabinet zou dit beter aansluiten
bij de systematiek van werkelijk rendement. In het huidige stelsel geldt een heffingsvrije
voet van ongeveer € 58.000 per belastingplichtige. Met dit wetsvoorstel vervalt dit
en komt er een heffingsvrij resultaat van € 1.800 in de plaats. Als we dit even heel
simpelweg afzetten tegen een stijging van 12% in de afgelopen vijf jaar van het aantal
mensen dat belegt – het is een maatschappelijke trend – betekent dit dat er nog meer
geld gecasht gaat worden door de overheid. Waar mensen thuis eerder nog nooit gehoord
hadden van een box 3-heffing, gaan meer mensen box 3-belasting betalen op basis van
deze wet. Dan heb ik het niet per se over institutionele beleggers, maar gewoon over
normale mensen, die de veel te lage rente van de bank zat zijn, hun pensioen zien
verdampen of gewoon willen investeren in hun toekomst. Waarom is er voor dit resultaat
gekozen? Waarom worden mensen die al dan niet hobbymatig wat beleggen of dit juist
doen als een spaarpotje voor de toekomst, nu geconfronteerd met een belasting op basis
van papieren rendement?
Voorzitter. Dan de verliesverrekening. In het voorstel is dit ongelimiteerd toegestaan
voor positieve rendementen in toekomstige jaren. Waarom kan dit niet worden toegestaan
voor een achterwaartse verliesverrekening? Volgens de Staatssecretaris is dit omdat
het passend is in een stelsel waarin de mutaties zijn betrokken die nog niet gerealiseerd
zijn. Dan verwijs ik toch weer terug naar de overwegingen van de Hoge Raad. Die heeft
namelijk overwogen dat de wetgever geen belastingheffing beoogt waardoor de belastingplichtige
moet interen om de belasting te betalen. Exact dit dreigt nu dus wel te gebeuren.
Graag een reactie daarop.
Voorzitter. Dan de vastgoedbijtelling. Eigenlijk is het een huurwaardeforfait; wederom
een forfait. In deze wet is er eigenlijk sprake van een soort rupsje-nooit-genoeg
als het gaat om belastingoptimalisatie. Voor vastgoed zijn we weliswaar af van de
papieren werkelijkheid, maar dan komt er toch weer een forfait van 3,35% om de hoek
kijken bij eigen gebruik van een tweede woning – lees: een vakantiewoning – met een
grens van zo'n 90% indien de woning verhuurd is. Waarom is hiervoor gekozen? Ook belastingadviseurs
hebben hier bedenkingen bij. Even heel basaal: waarom moet iemand die een week zelf
gebruikmaakt van een vakantiewoning evenveel betalen als iemand die meerdere maanden
of ieder weekend gebruikmaakt van zijn vakantiewoning? Op deze manier overstijgt de
belastingdruk voor het eigen gebruik het werkelijk rendement. Kan de Staatssecretaris
hierop reageren?
Voorzitter. Uiteindelijk is het eigenlijk allemaal een kwestie van prioriteiten; ik
schetste dat al aan het begin van mijn betoog. Tussen de puinhopen van allerlei herstelwetgeving
door is er nu een soort van gewerkt aan een nieuw box 3-stelsel. Maar ook deze staat
alweer op de helling en moet alweer voor verbetering vatbaar zijn. Desondanks moeten
we onder het argument «tijd» tekenen bij het kruisje, ondanks de vele bezwaren en
rode vlaggen die op dit moment al wapperen. Het is namelijk geen belasting op basis
van werkelijk behaald rendement. De Hoge Raad sprak er in het kerstreces zelf ook
nog over dat het over een werkelijk behaald rendement moet gaan. Geen wonder dat er
nu al massaal rechtsgangen zijn aangekondigd en de dagvaardingen zo ongeveer al worden
getypt. Met deze wet zijn we vooral slechter af. Je zou bijna terugverlangen naar
een soort forfaitair stelsel.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Eigenlijk zit er aan het einde van het betoog nog een cliffhanger als het gaat om
wat de PVV dan wel wil. Ik geef de heer Vlottes graag de kans om te zeggen voor welke
oplossing de PVV precies staat.
De heer Vlottes (PVV):
Deze wet is bizar slecht. Ik vind het dan heel raar ... De PVV heeft altijd gezegd
dat wij voor een belasting op basis van werkelijk gerealiseerd rendement zijn. Dat
hebben we eigenlijk altijd al gezegd, en dat heb ik de afgelopen jaren zelf ook gezegd.
Dat is waar je naartoe zou moeten. Het balletje is constant vooruitgeschoven. Nu ligt
deze wet er, en moeten we er eigenlijk op basis van het argument «tijd» maar voor
zijn, terwijl ik hier links en rechts hoor dat er nog het nodige aan gesleuteld zou
moeten worden.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat is knap ontweken, maar dat is geen antwoord op de vraag. Een jaar geleden zaten
we hier ook. Toen had de PVV hele stoere woorden. Ze kondigde aan: we gaan een motie
indienen voor een vermogenswinstbelasting. Die heb ik nooit gezien. Er kwam een slappe
onderzoeksmotie. Vandaag hoor ik weer grote woorden. Wat wil de PVV?
De heer Vlottes (PVV):
Nogmaals, een vermogenswinstbelasting op basis van daadwerkelijk gerealiseerd rendement.
Dat is niet veranderd. Daar is inderdaad ook een onderzoeksmotie over ingediend.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, maar dan is de vraag – die stelde ik een jaar geleden ook, en toen was er geen
antwoord – wie er bij de PVV gaat betalen voor de vermogenswinstbelasting. Die gaat
de komende jaren miljarden kosten, ten gunste van beleggers en miljonairs. Wie gaat
er bij de PVV betalen voor dit plan?
De heer Vlottes (PVV):
Dit is werkelijk waar onzin. Er wordt nu naar de vermogensaanwasbelasting gegrepen
omdat die zogezegd een «budgettaire neutraliteit» zou bewerkstelligen, maar dat is
helemaal niet duidelijk. Wij zien bijvoorbeeld bij de Wet tegenbewijsregeling dat
de derving mogelijk wel meevalt. Kortom, we weten niet wat nou de feitelijke raming
is. Ik heb er toevallig naar gekeken. Kijk bijvoorbeeld naar de beginstadia van deze
wet. Dat was onder toenmalig Staatssecretaris Van Rij; ik verwijs dan terug naar ongeveer
2022. Toen was er ook de volgende discussie. «Als je nou een vermogenswinstbelasting
doet,» waar wij voor zijn, nogmaals, «of een vermogensaanwasbelasting, hoe verhouden
die twee zich tot elkaar?» Het antwoord daarop was eigenlijk heel duidelijk: hoewel
in de praktijk de derving niet eenvoudig te ramen is, zal het eenmalig enkele miljarden
bedragen. Maar dit is totaal niet duidelijk. Dan zouden we vooral daarnaar moeten
kijken. Dan moet er vooral onderzoek worden gedaan naar hoe die twee zich tot elkaar
verhouden. Maar dat die twee op een gegeven moment dezelfde opbrengst kunnen genereren,
staat vast.
De voorzitter:
De heer Grinwis ...
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Tot slot, voorzitter ...
De voorzitter:
Tot slot dan echt, ja.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
De heer Vlottes heeft het over «enkele miljarden», maar het zijn er minstens 10. We
gaan hopelijk straks horen om hoeveel het precies gaat. De vraag is wel hoe de PVV
die «enkele miljarden» gaat betalen. Ik hoor nu weer hele grote woorden: «We gaan
tegen het voorstel stemmen.» Dat mag. De heer Vlottes wil een alternatief. Hoe gaat
de PVV die miljarden betalen?
De heer Vlottes (PVV):
De miljarden vliegen ons om de oren als het gaat om het rechtsherstel van box 3. De
miljarden vliegen ons om de oren. Er gaat geen jaar voorbij ... Wij hebben vanaf dag
één dat dit speelde – uit mijn hoofd gaan we dan terug naar 2017 – al gezegd dat we
naar een belasting op basis van daadwerkelijk gerealiseerd rendement moeten. Jarenlang
wordt het balletje vooruitgeschoven en wordt er niks mee gedaan. De miljarden stapelen
zich op, zoals de heer Stultiens ook zegt. We moeten naar die belasting op basis van
werkelijk gerealiseerd rendement. Dan hadden we nu niet in deze puinhoop gezeten van
herstelbetalingen en herstelwetgeving.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik zie het dilemma dat collega Vlottes schetst. Dat heb ik zelf ook geschetst. Maar
we moeten zo meteen wel stemmen. Je kunt zeggen: ik stem hiertegen, want dit is superslecht.
Maar wat je dan in stand laat, is een overbruggingsregeling met een tegenbewijsregeling
zonder kostenaftrek, helaas, die vanuit veel perspectieven misschien nog wel slechter
is. Hoe weegt de PVV-fractie dat? Je moet je er wel toe verhouden dat wat we nu hebben
verschrikkelijk is, en dat wat we krijgen misschien wel iets minder verschrikkelijk
is. Het is nog steeds niet goed, niet leuk, om alle genoemde argumenten, maar dit
in stand laten is ook niet je van het.
De heer Vlottes (PVV):
De PVV was ook voor de kostenaftrek, juist ook bij die tegenbewijsregeling die ook
weer tot allemaal ellende leidde bij de Belastingdienst. Maar ook met deze wet weten
we niet waar het eindigt. Ook dit gaat leiden tot procedures. Alles is al aangekondigd.
Er staat nota bene al: nou, daar zal de rechter uitspraak over moeten doen. Dit is
één grote puinhoop. De PVV heeft een rechte lijn. We hebben altijd gezegd dat we belasting
moeten heffen op basis van werkelijk gerealiseerd rendement. Kennelijk zijn er door
wisselende samenstellingen van de Kamer andere keuzes gemaakt. Wij staan voor die
oorspronkelijke keuze. Wij hebben namelijk gezegd: we moeten belasting heffen op basis
van werkelijk gerealiseerd rendement. Dan moet u mij nu niet opzadelen met de puinhopen
die door andere partijen zijn gecreëerd.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De Wet tegenbewijs is ingediend door een kabinet waar de PVV in zat. Amendementen
om kostenaftrek te regelen, die onder andere door mij zijn ingediend, zijn ontraden
door datzelfde kabinet. Maar goed, dat terzijde. Feit is, dat op het moment dat je
hiertegen stemt, je iets in stand houdt wat voor veel mensen nog veel erger is. We
hebben het vandaag bijvoorbeeld veel over vastgoed gehad, specifiek over de vastgoedbijtelling,
maar ook over de ontwikkeling op de huurmarkt en de hoge uitpondcijfers. Wil je die
zaken voor je kap nemen? Dat vind ik oprecht een dilemma. Wat we nu hebben, kunnen
we absoluut niet langer in stand houden. Als we er morgen of vandaag vanaf zouden
kunnen, zou ik dat gelijk doen. Dit is dan niet ideaal, maar is die weging dan echt
zo zwart-wit? Zeg je dan echt: «Wat er nu voorligt, is zo slecht dat we daar gewoon
tegen zijn. Als de kosten van het huidige stelsel dan hoger zijn dan die van het nieuwe
stelsel, dan zij dat maar zo»? Is het een beetje een tactiek van de verschroeide aarde
van de PVV-fractie?
De heer Vlottes (PVV):
Ik heb geen idee of dat «verschroeide aarde» is. Maar nogmaals: deze wet zorgt alleen
maar voor een puinhoop. Ik hoor dat de heer Grinwis de aanname doet dat dit een verbetering
zou zijn ten opzichte van de puinhoop die er de afgelopen jaren is geweest, maar daar
is de PVV-fractie niet van overtuigd. Hetzelfde geldt voor de ramingen en voor de
dervingen die zijn ontstaan. Nogmaals: feitelijk staat vast dat we al 10 à 12 miljard
hebben vrijgemaakt en besteed voor alleen al rechtsherstel in box 3. Dan moeten we
ook nog maar afwachten wat de opbrengsten hiervan zouden kunnen zijn.
De heer Oosterhuis (D66):
Even los van de precieze manier waarop belasting wordt geheven over vermogens, los
van vermogenswinsten, vermogensaanwas en rendementen: hoe kijkt de PVV naar de rol
van vermogen in de belastingmix? We belasten arbeid, consumptie en vermogen. Zegt
de PVV dat het belasten van vermogen op dezelfde manier moet blijven gebeuren, of
zou dat ook wat meer of wat minder kunnen zijn? Hoe kijkt de PVV daarnaar?
De heer Vlottes (PVV):
Ik heb net al gezegd dat vermogen belast moet worden op basis van daadwerkelijk gerealiseerd
rendement. Dat is dan ook mijn antwoord op de vraag van de vertegenwoordiger van D66.
De heer Oosterhuis (D66):
Maar het gaat me vooral om het niveau waarop die rendementen belast worden, de tarieven.
Vindt de heer Vlottes dat die goed zijn zoals die zijn, of vindt hij dat die lager
of progressiever kunnen zijn? Heeft de heer Vlottes daar een visie op?
De heer Vlottes (PVV):
Werkelijk waar ... De heer Oosterhuis houdt zich op dit moment bezig met hogere tarieven.
Het zal werkelijk wel, maar ik kijk naar de voorliggende wet en de voorgeschiedenis
van box 3. Iedereen kiest zijn eigen prioriteiten. Ik zie alle problemen met de wet.
Die heb ik gepoogd inhoudelijk naar voren te brengen. Dan ga ik me nu niet bezighouden
met percentages, tarieven en de vraag wie, wat en hoeveel er belast moet worden.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik ga nog een poging wagen. De heer Vlottes en de VVD vinden elkaar als het gaat om
de vraag waar we uiteindelijk uit willen komen. We zitten nu in een situatie die suboptimaal
is. We zitten op dit moment ook in een situatie waarin het voor beleggers en mensen
met vermogen een spel zonder nieten is. Je profiteert van de wet op het moment dat
je rendement lager is dan je forfaitair rendement – dan kom je met tegenbewijs – maar
als jouw rendement hoger is dan het forfaitair rendement, hoef je daar op dit moment
geen belasting over te betalen. Maar als we met elkaar een beweging willen maken naar
het belasten van werkelijk rendement, dan is deze wet als tussenstap natuurlijk wel
een verbetering ten opzichte van hetgeen we hebben. Ik zou graag de reactie van de
heer Vlottes daarop willen horen.
De heer Vlottes (PVV):
«Tussenstap?» «Tussenstap?» Er is geen enkele garantie op die tussenstap. De tussenstap
of het tussenstation is door de Staatssecretaris naar voren gebracht, waarvan akte,
maar die garantie is er helemaal niet. De enige feitelijke omstandigheid die er nu
is, is deze wet. Die ligt hier voor. We zouden dan met z'n allen maar moeten kijken
waar dit eindigt, terwijl alle seinen nu al op rood staan. Zoals ik al zei, worden
de dagvaardingen zo ongeveer nu al geschreven en wordt de gang naar de rechter nu
al gemaakt. Dan heb ik het ook over Straatsburg; er moet vanuit daar ook nog een oordeel
hierover worden gegeven. Die vraag heb ik ook terecht gesteld: hoe verhoudt dit zich
tot artikel 1? U heeft het over een tussenstap, maar dit is de wet en we moeten maar
aannemen waar die gaat landen.
De voorzitter:
Nogmaals dank voor de inbreng, meneer Vlottes. Dan gaan we nu luisteren naar de heer
Stultiens, die zijn inbreng gaat houden namens GroenLinks-Partij van de Arbeid.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Dit wetsvoorstel zit vol met gemiste kansen. Het is een gemiste
kans dat de enorme vermogensongelijkheid niet wordt aangepakt. Het is een gemiste
kans dat de belastingdruk niet wordt verschoven van werk naar vermogen. Het is ook
een gemiste kans dat er geen einde komt aan de vlaktaks in box 3. En dat terwijl we
al zo vaak gewaarschuwd zijn: al die ambtelijke rapporten van de afgelopen jaren,
de studies van het Centraal Planbureau en vandaag het nieuwe rapport van Oxfam. De
belastingen op werk en vermogen zijn niet met elkaar in balans. Hoe rijker je bent,
hoe lager je effectieve belastingdruk, en de rijken worden steeds rijker. Op die gemiste
kansen kom ik zo meteen terug.
Ik ga beginnen met wat er vandaag wél voorligt: een belasting op basis van daadwerkelijk
rendement in plaats van fictief rendement. Dat is inderdaad een stap vooruit. Een
belangrijk vraagstuk de afgelopen jaren ging over het moment van belasten. Kies je
voor een jaarlijkse vermogensaanwasbelasting of een belasting op basis van gerealiseerde
vermogenswinsten? GroenLinks-PvdA is voorstander van een vermogensaanwasbelasting.
Die is economisch gezien het minst verstorend en beter uitvoerbaar voor de Belastingdienst
en voor mensen zelf. Er is minder kans op uitstelgedrag en ja, het leidt niet tot
miljarden aan budgettaire derving in de komende jaren. We vinden het daarom jammer
dat er is gekozen voor een hybride variant.
Een onderbelicht aspect in deze discussie is de precieze budgettaire derving. Deze
discussie speelt al jaren hier in de Kamer, maar de harde bedragen ontbreken. Af en
toe hoor je: ja, het kost misschien een paar miljard de komende jaren en structureel
maakt het niks uit. Op die ordegrootte snap ik het, maar het gaat om groot geld. Ik
vraag aan de Staatssecretaris heel precies: hoeveel extra geld loopt de overheid nu
mis, omdat er wordt gekozen voor een hybride versie versus aanwas? En hoeveel geld
zou het kosten de komende jaren, of de jaren nadat een nieuwe Kamer dat wijzigt, als
er voor vermogenswinst wordt gekozen? Want het budgettaire probleem is niet opgelost
als we het over een paar jaar alsnog zouden veranderen. Ik vraag namelijk om harde
en complete cijfers, omdat dat uitmaakt voor het debat hier in de Kamer.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik bemerk bij collega Stultiens een enorme focus op de korte termijn, terwijl in de
memorie van toelichting staat dat het op langere termijn niet uitmaakt voor de opbrengsten.
Sterker, er werd ook ingebracht dat een vermogenswinstbelasting structureel weleens
meer zou kunnen opleveren dan vermogensaanwas, omdat je bij vermogensaanwas wordt
gedwongen om bepaalde zaken die renderen te verkopen om belasting te kunnen betalen.
Het rente-op-rente-effect zou dus kunnen leiden tot meer opbrengsten aan vermogenswinstbelasting
voor de Staat dan bij vermogensaanwas. Hoe weegt collega Stultiens deze verschillende
facetten: korte termijn versus lange termijn, maar ook dat vermogenswinst misschien
weleens meer zou kunnen opleveren op langere termijn dan vermogensaanwas?
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze goede vraag. Laat ik beginnen met de korte termijn. Er wordt vaak mee
geschermd dat het even een kwestie van een paar jaar is. Ik heb bijvoorbeeld in het
verslag gevraagd wat deze hybride versie kost, vergeleken met aanwas. Dan krijg ik
als antwoord: voor de komende tien jaar opgeteld 23 miljard. Dan loop je 23 miljard euro
mis vanwege deze variant. Dat zijn ordegrootten van klimaatfondsen, van stikstoffondsen.
De heer Grinwis weet beter dan ik hoeveel huizen je kan bouwen met dat geld. Daar
praten we over.
Ik vind het te makkelijk om hier te roepen om een andere versie te kiezen maar niet
bereid te zijn om te zeggen hoe je het betaalt. Als het op termijn structureel meer
winst oplevert, dan maakt dat het aantrekkelijker. Dat hoor ik dan graag van de experts
van Financiën, maar ik heb die cijfers voorlopig niet gezien. Ik zie alleen de cijfers
van Financiën, die ik moet vertrouwen. Dan wordt er gezegd dat we structureel naar
hetzelfde toe bewegen. Het jaartal wordt niet genoemd, maar we zien wel dat je de
komende tientallen jaren geld misloopt. Als er nieuwe cijfers komen, dan sta ik daarvoor
open. Dan blijven die andere bezwaren trouwens wel staan van uitstelgedrag en uitvoerbaarheid.
Die vind ik ook belangrijk. Maar precies om deze reden vraag ik heel duidelijk aan
de Staatssecretaris om harde complete cijfers, want dan hebben we in elk geval een
gedeelde basis voor dit debat.
De voorzitter:
De heer Stultiens vervolgt zijn betoog.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik vraag dus naar het budgettaire verschil tussen aanwas, hybride en winst, want dan
heb je volgens mij een goed debat. Ik vraag dit ook, omdat heel veel partijen dit
al jarenlang boven de markt laten hangen. Ik vind dat als wij als Kamer, als politiek
het vertrouwen willen vergroten, we ook eerlijk moeten zijn. Als wij met elkaar niet
bereid zijn dat geld uit te trekken – dat geldt voor mijn partij – dan moeten we gewoon
de eerlijke conclusie trekken dat het geen vermogenswinst wordt. Als partijen het
wel willen, mag dat ook, maar zeg dan hoe je het gaat betalen. Maar dat heb ik nog
niet een partij hier horen doen in de afgelopen jaren.
Voorzitter. Behalve over de budgettaire verschillen tussen die varianten heb ik ook
nog een aantal vragen over de budgettaire raming bij dit wetsvoorstel. In het basispad
daalt de opbrengst van het oude stelsel van zo'n 9 miljard naar 7 miljard in 2060.
Hoe komt dat nou precies, vraag ik de Staatssecretaris. Ik lees in de toelichting
dat het komt doordat de hoge waardestijgingen uit het recente verleden niet onbeperkt
kunnen worden volgehouden in de toekomst. Is er een nadere onderbouwing van waarom
dat de afgelopen jaren wel zo was, maar over 30 jaar niet? Ik ben benieuwd hoe dat
zit. Als het inderdaad klopt, zou ik verwachten dat ook bij deze nieuwe wet de opbrengst
moet afnemen in de komende jaren. Als het forfaitaire rendement afneemt, zou je denken
dat er ook iets gaat gebeuren met het werkelijke rendement. Ik ben benieuwd hoe dat
zit. Tot nu toe is dat voor mij een raadsel.
Een ander pijnpunt bij het voorstel heeft betrekking op de uitvoering. Daarover is
al veel gezegd door mijn collega's. Van deze uitvoeringstoets wordt niemand hier vrolijk,
denk ik. Er zijn vier rode vlaggen en één gele vlag, en er is structureel 900 fte
nodig voor dit wetsvoorstel. De Belastingdienst erkent zelf al: het gaat de komende
jaren niet lukken om al deze mensen te werven. Dit leidt tot verslechterde dienstverlening
en een achterblijvend niveau van toezicht. Volgens mij krijgen alle partijen hier
buikpijn van zo'n uitvoeringstoets. Als zo'n toets voorbijkomt, moet je normaal gesproken
als Kamer zeggen: zo'n wet sturen we terug. Maar het lastige is: wat is het alternatief?
De huidige situatie is namelijk ook een drama qua uitvoering en over de oude situatie
wordt gezegd dat dat juridisch niet meer mag. Eigenlijk lijkt het er dus op dat we
als Kamer heel weinig keuze hebben.
Ik doe nog één laatste poging bij de Staatssecretaris. Is er echt alles aan gedaan
om deze uitvoeringstoets minder slecht te maken? Zijn er nog manieren over waardoor
wij als Kamer de komende – hoelang hebben we nog? – twee maanden kunnen bijsturen
om deze wet beter uitvoerbaar te maken? Ik vind het eerlijk gezegd echt zonde van
onze broodnodige mensen dat hier 900 fte aan gaat werken. Als we niet kunnen bijsturen,
wat gaat er in de komende jaren dan gebeuren als dat aantal mensen niet kan worden
aangenomen? Denk bijvoorbeeld aan het aantal waarderingsexperts, want daarvan zegt
de Staatssecretaris: dat gaat waarschijnlijk niet lukken; ik ga het oplossen met extra
data. Wat betekent dat precies?
Voorzitter. Een ander risico bij dit voorstel, en eigenlijk bij belasting in het algemeen,
is belastingontwijking of zelfs -ontduiking. Daarom vraag ik: heeft de Staatssecretaris
alle potentiële constructies scherp op het netvlies? Hoe gaat de Belastingdienst bijvoorbeeld
onderscheid maken tussen beleggen in kunst, dat wel belast is, en kunst voor eigen
gebruik, die niet belast is? Ik ben zelf geen kunstbelegger of liefhebber, maar dat
klinkt alsof er een heleboel grensgevallen mogelijk zijn. Ik hoor graag hoe de Staatssecretaris
dit uitvoerbaar maakt, ook voor mensen zelf.
Dan de hypotheekrenteaftrek.
De voorzitter:
De heer Grinwis heeft nog een vraag op dit punt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Vastgoed is vanochtend al een paar keer aan de orde gekomen. Daarvoor wordt in de
wet een bijtelling van 3,35% voorgesteld. Ik zag dat mijn collega in zijn inbreng
heeft geopperd om die misschien nog wat hoger te maken. Voor kunst geldt geen bijtelling,
net als voor goud en andere bronnen. Hoe waardeert mijn collega van GroenLinks-PvdA
dat we voor het ene goed een veronderstelde bijtelling hebben, omdat je ervan geniet,
maar voor andere bronnen van vermogen niet? Daar is toch geen touw aan vast te knopen?
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Daar ga ik een paar dingen op zeggen. Eén. Mijn partij blijft – ik kom er straks nog
op terug – voorstander van een vermogensbelasting voor de allerrijksten. De categorie
met veel goud zal daar dus onder vallen. Twee. Zoals ik het lees in het verslag, zijn
de categorieën die ik daaronder zou willen laten vallen – denk aan dure boten et cetera –
categorieën waarvan het kabinet zegt: dat neemt in waarde af, dus het levert niks
op om dat toe te voegen. Dat vind ik daar lastig aan. Wij hebben inderdaad vragen
gesteld over die vastgoedbijtelling. Er is gekozen voor de onderste 10% van de percentielen.
Daarvan kun je zeggen: dat is eigenlijk best mild. Wij komen niet met amendementen
om dat te wijzigen, omdat ik de discussie ook snap, maar ik vind het een goede balans
om te kijken naar een veilige marge, waarbij 90% van de huizen erboven zit. Dan denk
ik: dat durf ik wel aan. Als het punt van de heer Grinwis is hoe het zit met goud,
kunst en boten ... Elk amendement dat zorgt voor een uitvoerbare belasting voor deze
categorieën, zal ik van harte steunen.
De voorzitter:
De heer Stultiens vervolgt zijn betoog.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik ga verder met mijn lijstje potentiële belastingontwijkingroutes. Ik begin met de
hypotheekrenteaftrek. Het is de hoogste tijd dat die verder wordt afgebouwd. Ik hoop
dat mijn buren daar werk van maken aan de formatietafel. Ik wil wel het volgende vragen,
want daarvoor is gewaarschuwd in campagnetijd. Hoe gaat het kabinet voorkomen dat
die renteaftrek wordt verplaatst naar box 3 als die wordt beperkt in box 1, waar ik
voorstander van ben? Kan de Staatssecretaris opties in kaart brengen? Dat hoeft niet
binnen een dag, maar het zou helpen als het op korte termijn kan, want ik weet niet
hoelang ze nog formeren. Dat zou helpen, want als we dit willen afbouwen, is het volgens
mij niet de bedoeling dat we het probleem verplaatsen naar box 3, want dan zijn we
verder van huis. Ik hoor graag of de Staatssecretaris daar wat aan zou kunnen doen.
Dan maak ik nog een klein uitstapje naar box 2. Het kabinet schrijft terecht: «Bij
vermogenswinst krijg je een lock-ineffect. Er is een prikkel om belastingheffing uit
te stellen door winst niet te realiseren.» Het kabinet verwijst daarbij naar allerlei
rapporten, zoals het Bouwstenenrapport uit 2020, het ibo uit 2022 en het CPB-rapport
uit 2024. Het zijn allemaal argumenten waaruit blijkt dat er veel vermogen opgepot
zit in box 2, soms ook als beleggingsvermogen. Mijn vraag aan het kabinet is: als
het kabinet dit ziet en terecht erkent, waarom doet het daar dan niks aan bij box 2?
Waarom laten we dit ongemoeid? Ik vind de argumenten sterk genoeg om hier niet voor
te kiezen bij box 3.
Tot slot op dit punt. Een van de doornen in mijn oog van de afgelopen jaren is het
verhuld vermogen in het buitenland. De wetenschap denkt dat zo'n 18 tot 44 miljard euro
van Nederlandse huishoudens in het buitenland verhuld is. De Staatssecretaris zegt
in antwoord op onze vragen: wij hebben zelf geen betere inschatting, dus we denken
dat het klopt. Bij zulke bedragen moeten alle alarmbellen gaan rinkelen. Doen wij
als land, als overheid, genoeg om dit op te sporen, qua capaciteit en eventuele nieuwe
wetgeving? Want ik vind het niet uit te leggen aan alle mensen die wel netjes belasting
betalen dat er voor tientallen miljarden wordt verhuld in het buitenland. Zou de Staatssecretaris
op basis van gegevens bij de Belastingdienst in kaart kunnen brengen hoeveel vermogen
wél wordt aangegeven per land? Ook dat hoeft niet vandaag, want ik snap dat dat tijd
kost. Maar ik denk wel dat dat ons helpt in onze zoektocht naar verhuld vermogen.
Voorzitter. Dat brengt mij bij de gemiste kansen van het wetsvoorstel. In de afgelopen
jaren zijn er veel rapporten verschenen die zeiden: verschuif de belastingen van werk
naar vermogen, want in het huidige stelsel is het evenwicht zoek. Het kabinet geeft
aan: wij gaan met dit voorstel geen herverdeling maken van de lasten over de verschillende
grondslagen. Ook de VVD zegt net: we willen geen ideologische verschuiving van arbeid
naar kapitaal. Maar vasthouden aan de status quo is ook een ideologische keuze en
in onze ogen een enorme gemiste kans. We wachten al tien jaar op dit wetsvoorstel.
Het ligt er nu eindelijk, dus waarom maken we geen gebruik van de mogelijkheid om
de ongelijkheid in het stelsel te herstellen? Wij komen daarom vandaag als GroenLinks-PvdA
zelf met een wetswijziging, die mede is ingediend door de SP, voor een toptarief in
box 3 in plaats van de huidige vlaktaks. Waarom wordt inkomen uit vermogen niet hetzelfde
behandeld als inkomen uit werk? Waarom betalen hardwerkende mensen wel een toptarief
als ze veel gaan verdienen, maar beleggers, pandjesbazen en miljonairs niet? Waarom
kiest het kabinet toch voor de vlaktaks? Klopt het dat vele andere landen wél een
progressieve belasting hebben voor inkomen uit vermogen? En klopt het ook dat Nederland
vroeger, in de jaren 1964 tot 2001, wel een progressief tarief had voor inkomen uit
vermogen?
Voorzitter. Tot slot wil ik stilstaan bij de enorme vermogensongelijkheid in Nederland
en wereldwijd. Vandaag hebben we het jaarlijkse rapport van Oxfam kunnen zien, dat
altijd verschijnt rondom Davos. Wat lezen we? De elite wordt rijker en machtiger dan
ooit en de belastingregels bevoordelen de groep die toch al rijk is in plaats van
het algemeen belang. Ook in Nederland hebben de rijkste 500 families hun vermogen
zien verdrievoudigen in tien jaar tijd. Het is daarom de hoogste tijd voor een miljonairsbelasting,
een vermogensbelasting voor bijvoorbeeld de rijkste 1%. We hebben eerder vragen gesteld
over het voorstel van Zucman, dat bij de G20-top in Brazilië is ingediend. Dat gaat
over een wereldwijde minimumbelasting van 2% voor vermogens boven de 100 miljoen.
De antwoorden hierop waren helaas niet concreet genoeg.
Daarom stel ik opnieuw drie vragen aan de Staatssecretaris. Ook hiervoor geldt: als
het niet lukt om die vandaag te beantwoorden, dan graag binnen twee weken. Dan komt
Zucman namelijk op bezoek bij de commissie voor Financiën. Vraag één: hoeveel geld
zou deze belasting opleveren in Nederland? Vraag twee: per wanneer is die uitvoerbaar
voor de Belastingdienst? En vraag drie: wat is er nodig qua voorwaarden om het juridisch
houdbaar te maken? Denk bijvoorbeeld aan een anticumulatiebepaling van 85%, zoals
in Frankrijk. We horen graag hoe dit vormgegeven kan worden. Vervolgens kun je een
politiek debat voeren over de vraag of het wenselijk is. Wij vinden van wel, maar
het helpt in elk geval om te weten of het kan en wat het oplevert.
Ik heb daarnaast nog één vraag: wat doet Nederland in deze discussie concreet Europees
en wereldwijd om dit aan te jagen? Er is Kamerbrede steun om dit wereldwijd in te
voeren. Hoe staat het met de oproep van het kabinet in de Gedragscodegroep om het
uit te breiden van bedrijven naar vermogenden? Ik lees in het verslag: Nederland is
hard bezig met de discussie, maar het kan lang gaan duren. Die antwoorden stellen
me niet erg gerust, dus ik hoor graag of wij vaker een update kunnen krijgen over
hoe het staat met die ontwikkelingen wereldwijd, wat Nederland precies gedaan heeft
en welke bondgenoten we hierop hebben.
Voorzitter, tot slot. Dit wetsvoorstel is een stap vooruit. Mijn fractie zal het daarom
steunen. Tegelijkertijd is het een wetsvoorstel vol met gemiste kansen. Wij bieden
de Kamer daarom vandaag in elk geval één amendement aan, waarmee we het wetsvoorstel
een stuk beter kunnen maken. Ik hoop dat alle partijen die in de campagne zeggen op
te komen voor de werkende Nederlander, dit voorstel ook zullen steunen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Oosterhuis, die spreekt namens de D66-fractie.
De heer Oosterhuis (D66):
Dank u, voorzitter. Langverwacht en toch gekomen. Al in 2017 is in het regeerakkoord
afgesproken om werkelijk rendement te gaan belasten. Het heeft even geduurd, maar
uiteindelijk ligt dit voorstel er nu. Ik hoor heel veel kritische vragen. Daar heb
ik er zelf ook een heel aantal van, maar voor mij – misschien is het mijn optimistische
aard – is het glas toch echt halfvol. Misschien is dit wel een van de grootste belastinghervormingen
sinds 2001, en een belangrijke. Het is een wet die raakt aan een kernvraag van onze
rechtsstaat: hoe belasten we vermogen op een manier die rechtvaardig is, uitvoerbaar
en in overeenstemming met onze grondrechten? Dat is hoognodig, want het huidige stelsel
is onhoudbaar. Mensen betaalden belasting over rendementen die zij nooit hebben behaald,
terwijl anderen met hogere rendementen relatief weinig bijdroegen. Door de jaren heen
is box 3 daarom steeds verder opgelapt, met noodverbanden, tijdelijke reparaties en
tegenbewijsregelingen. Wat na de uitspraken van de Hoge Raad resteert, is een stelsel
dat nog net leeft, maar nauwelijks meer functioneert. Het is een soort fiscaal Frankenstein,
samengesteld uit losse onderdelen, juridisch wankel, slecht uitlegbaar en uiterst
complex. Dat fiscale Frankenstein heeft ook een prijs: momenteel worden er miljarden
euro's minder belasting geheven op vermogen dan beoogd. Dat raakt aan een groter vraagstuk.
Nederland kent een hoge en groeiende vermogensongelijkheid. D66 vindt dat er niets
mis is met het hebben van vermogen – mensen werken daar vaak hard voor – maar als
de verdeling te scheef wordt, heeft dat steeds minder te maken met inzet en steeds
meer met toeval, met de plek van je wieg. Kansengelijkheid is voor D66 cruciaal. Een
te scheve vermogensverdeling is slecht voor de economie, slecht voor het functioneren
van onze samenleving en voor onze democratie. Juist daarom is het goed dat deze wet
er nu ligt. Het is geen wondermiddel, maar wel een noodzakelijke stap om afscheid
te nemen van een onhoudbaar stelsel.
Voorzitter. Ik ga het vandaag niet al te spannend maken: D66 staat positief tegenover
deze wet. Ik vind het belangrijk dat deze per 2028 wordt ingevoerd. Dat neemt niet
weg dat ik nog veel vragen heb en er ook nog genoeg discussie valt te voeren over
eventuele wijzigingen en over vrijstellingen, hoogte van tarieven et cetera. Ik kijk
daarbij ook naar mijn buurman. Maar we behandelen deze wet nu midden in de kabinetsformatie.
Ik vind het wel verstandig om die eerst af te ronden. Er komen ook nog genoeg momenten
om te wijzigen, bijvoorbeeld bij een belastingplan.
Voorzitter. De afgelopen jaren is veel gesproken over de vraag of vermogenswinst of
de vermogensaanwas moet worden belast, of het hele vermogen, zoals de heer Grinwis
voorstelt. Beide varianten, vermogenswinst en vermogensaanwas, hebben voor- en nadelen.
Ik vind de keuze in dit wetsvoorstel best wel begrijpelijk en verdedigbaar: een vermogensaanwasbelasting
als hoofdregel en een vermogenswinstbelasting voor minder liquide vermogensbestanddelen,
zoals vastgoed. Een aanwasbelasting verstoort de markt minder, doordat mensen hun
verkoopbeslissing niet uitstellen. Als je weet dat je bij verkoop over tien of twintig
jaar aan rendement belasting moet aftikken, nodigt dat immers niet erg uit om te verkopen.
Een bijkomend voordeel vind ik dus ook dat een aanwasbelasting de belastingdruk over
de jaren spreidt en er niet in één keer een grote belastingaanslag is. Nadeel van
de aanwasbelasting is wel dat je belasting betaalt over rendementen die nog niet altijd
zijn gerealiseerd. Dat is leuk als je aandeel in waarde stijgt, maar het is minder
leuk om daar belasting over te moeten betalen als het volgend jaar weer in waarde
daalt. Ik snap ook wel dat mensen dat een lastig principe vinden, maar met de mogelijkheid
tot onbeperkte voorwaartse verliesverrekening is daar wat mij betreft goed in voorzien.
Voor onroerend goed en aandelen in startende ondernemingen gaat een vermogenswinstbelasting
gelden. Voor andere vermogensbestanddelen moet de belasting betaald worden uit vrij
beschikbaar spaargeld of door het verkopen van een deel van de beleggingen. Zijn er
nu situaties waarin de Staatssecretaris daar problemen voorziet, bijvoorbeeld met
slecht verhandelbare aandelen of werknemersparticipaties? Hoe weegt hij de kritiek
op dat punt?
Een vermogensaanwasbelasting sluit ook beter aan bij de situatie waar we vandaan komen.
Een vermogenswinstbelasting kent een ingroeitijd, waardoor er best wel lange tijd
minder belastinginkomsten zijn. Dat leidt in ieder geval tot een budgettair gat, waar
we het net al even over hebben gehad, maar ik zie ook wel het risico dat in die ingroeiperiode
de vermogensongelijkheid toeneemt. Hoe ziet de Staatssecretaris dat?
Voorzitter. De keerzijde van het belasten van rendement is dat het de prikkel om met
wat meer risico te beleggen kleiner maakt. Als je € 50.000 hebt, waarvan de helft
spaargeld is en de andere helft aandelen zijn, betaal je meestal meer belasting dan
wanneer je € 150.000 op een spaarrekening hebt staan. Ik kan mij indenken dat dit
voor mensen een reden kan zijn om de stap naar beleggen uit te stellen of niet te
zetten. Dat zou ik wel jammer vinden. Heeft de Staatssecretaris hiernaar gekeken?
Heeft hij bijvoorbeeld overwogen om een aparte vrijstelling voor spaargeld en een
aparte vrijstelling voor overige beleggingen in te voeren?
Voorzitter. Een vermogenswinstbelasting heeft als voordeel dat het werkelijk gerealiseerde
rendement wordt belast, maar het nadeel is dat die belasting over een aantal jaren
heel fors kan oplopen. Dat zie ik ook wel als een risico bij de vermogenswinstelementen
in dit wetsvoorstel, bijvoorbeeld bij life events zoals een scheiding of bij overlijden.
Stel dat je ouder komt te overlijden; je erft een vakantiehuis dat al decennia in
de familie is en dat wil je niet graag verkopen. Of je gaat scheiden, terwijl je werknemersparticipaties
hebt in een succesvolle start-up. Dan moet belasting worden betaald over de niet-gerealiseerde
waardemutaties. Dat kan leiden tot forse belastingaanslagen op momenten waarop mensen
emotioneel en soms ook financieel al onder druk staan. De heer Hoogeveen heeft een
amendement dat hieraan raakt. Ik zie uit naar de appreciatie van dat amendement.
Ik heb sowieso een paar vragen. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat er goede en
voorspelbare betalingsregelingen zullen zijn voor belastingplichtigen die in dit soort
situaties met een hoge heffing worden geconfronteerd? Worden die regelingen ook actief
onder de aandacht gebracht? Hoe wordt in deze situaties rekening gehouden met het
doenvermogen van mensen die onverwacht te maken krijgen met complexe fiscale verplichtingen?
Voor D66 is het belangrijk dat een stelsel dat rechtvaardigheid beoogt, ook rechtvaardig
is in moeilijke persoonlijke omstandigheden.
Mijn laatste vraag over dit onderwerp. Er moet ook worden afgerekend bij trouwen.
Misschien begrijp ik de memorie van toelichting op dit punt niet helemaal goed, maar
zoals ik het lees, moet er ook worden afgerekend als er wordt getrouwd in beperkte
gemeenschap van goederen. Stel je trouwt op je 55ste. Je hebt inmiddels een vakantiehuisje
en dat is € 50.000 in waarde gestegen. Wat mij betreft is het scenario dan niet geheel
ondenkbaar dat je dan op je trouwdag € 18.000 aan belasting mag aftikken. Dan wordt
die bruiloft toch een stuk minder feestelijk. Sterker nog, misschien gaan mensen om
die reden wel níet trouwen. Als men in beperkte gemeenschap van goederen trouwt en
het vakantiehuis in dit voorbeeld buiten de gemeenschap van goederen blijft, waarom
moet dan toch belasting worden betaald? Is dat nu noodzakelijk en redelijk?
Voorzitter. Dan heb ik vragen over de vastgoedbijtelling. Dit is eigenlijk de enige
uitzondering op het werkelijke rendement. Hierbij wordt namelijk uitgegaan van een
forfaitaire bijtelling van 3,35%. Ik stel voorop dat ik die bijtelling terecht vind.
Eigen gebruik kan worden gezien als inkomen in natura. Die bijtelling is ook een goede
prikkel om vastgoed te verhuren. Zeker in een tijd van woningtekorten vind ik dat
legitiem. Meneer Grinwis maakte de vergelijking met de goudstaaf, maar in een goudstaaf
kun je niet wonen. Volgens mij is het ook voor de lokale omgeving goed dat woningen
en vakantiehuisjes worden verhuurd in plaats van grotendeels leegstaan. Ik zie dat
er kritiek is op de juridische houdbaarheid van deze vastgoedbijtelling. Ik zou het
risico dat die sneuvelt bij een rechter willen minimaliseren. Daarom nodig ik de Staatssecretaris
uit om de kritiek op dit punt vast bij voorbaat te pareren. Tegelijkertijd vraag ik
hem waarom gekozen is voor het laagste deciel als uitgangspunt, want 90% van het vastgoed
heeft een hogere huurwaarde. Is de Staatssecretaris ervan overtuigd dat een hoger
percentage juridisch onhoudbaar is? Of is hij om een andere reden wat conservatiever?
Onderhoudskosten mogen worden verrekend met de vastgoedbijtelling. Betekent dit ook
dat, als de onderhoudskosten hoger zijn dan de bijtelling, er fiscaal gezien een verlies
is dat verrekend kan worden?
Voorzitter. Dan heb ik een aantal vragen over de tarieven. Het belastingtarief van
36% in box 3 is lager dan het tarief van de tweede schijf in box 1 en het is ook lager
dan het gecombineerde tarief van box 2 en de vennootschapsbelasting. D66 ziet liever
een wat hogere belasting op vermogen en een lagere op arbeid. Verwacht de Staatssecretaris
nu grote gedragseffecten als het tarief in box 3 meer richting de tweede schijf in
box 1 of richting de combinatie van vennootschapsbelasting en box 2 gaat?
Ook ziet D66 principieel veel in een progressief tarief voor inkomen en dus ook voor
inkomen uit vermogen. Vermogen en inkomen uit vermogen zijn in Nederland namelijk
heel ongelijk verdeeld en een vlak tarief doet dus onvoldoende recht aan verschillen
in draagkracht. Ziet de Staatssecretaris ruimte, nu of in de toekomst, om toe te groeien
naar zo'n progressieve tariefstructuur in box 3? Welke uitvoerings- en gedragseffecten
voorziet het kabinet daarbij?
Voorzitter. Ik vraag de Staatssecretaris of dit stelsel door het kabinet wordt gezien
als een eindpunt of juist als een fundament waarop verdere keuzes mogelijk zijn. Welke
knoppen zouden volgens de Staatssecretaris nog toegevoegd kunnen worden? Is er bijvoorbeeld
ruimte voor gerichte correcties voor zeer grote vermogens? Hoe kijkt het kabinet naar
de mogelijkheid van een aanvullende vermogensbelasting, niet als een vervanging, maar
als een aanvulling op dit stelsel? Wat zijn de voorwaarden waaronder zo'n vermogensbelasting
voor de echt grote vermogens, beginnend bij een miljoen, zou ik zeggen, juridisch
houdbaar is? Hoe kijkt de Staatssecretaris aan tegen de wenselijkheid van het belasten
van inkomen uit vermogen, maar ook van de omvang van het vermogen?
Ik vraag dit niet omdat D66 morgen nieuwe belastingen wil invoeren, maar wel omdat
de Raad van State terecht wijst op de noodzaak van een integrale visie op het belasten
van vermogen. Kan de Staatssecretaris schetsen hoe hij die samenhang ziet, ook in
relatie tot box 1 en box 2? Ook internationaal zien we dat extreem rijken allerlei
mogelijkheden hebben om zo min mogelijk belasting te betalen. Bij welke initiatieven
is de Staatssecretaris betrokken om er met andere landen voor te zorgen dat er ook
bij die groep eerlijk belasting wordt geheven?
Voorzitter. Naast het tarief is ook de hoogte van het heffingsvrij resultaat van belang.
Op dat punt is tijdens dit wetstraject nog een opmerkelijke keuze gemaakt, die nergens
is toegelicht. In een eerdere versie van het wetsvoorstel, de consultatieversie, was
de hoogte van het heffingsvrij resultaat € 1.250. In het wetsvoorstel is dat op € 1.800
gezet. Was is de reden hiervoor? Leverde het wetsvoorstel meer op dan verwacht of
zit hier een andere keuze achter? In de huidige box 3 hebben we een heffingsvrij vermogen
van ruim € 57.000. Als je dan uitgaat van de 2%-inflatiedoelstelling van de ECB, zou
zo'n heffingsvrij resultaat van ongeveer € 1.200 meer voor de hand liggen, als je
het neutraal overzet. Waarom is het heffingsvrij resultaat dan toch verhoogd en heeft
het kabinet er niet voor gekozen om met zo'n extra opbrengst, die er blijkbaar was,
de belasting op arbeid te verlagen of om deze meevaller te gebruiken om de – laat
ik mild zijn – budgettaire uitdaging die dit kabinet achterlaat enigszins te verkleinen?
Voorzitter. Ik kom bijna aan het einde. Bij het Belastingplan heb ik aandacht gevraagd
voor het laten herleven van de belastingvoordelen in box 3 voor groen sparen en beleggen.
Die hebben we ook weer bevestigd in de afspraken die we met het CDA hebben gemaakt
voor de kerst. Dat belastingvoordeel zit nu niet in deze wet, omdat die in de huidige
box 3 uitgefaseerd wordt. Ik zie ’m wel graag terugkeren in deze wet. We moeten natuurlijk
wel nette afspraken maken over de dekking daarvan, dus daarvoor komt deze behandeling
net wat vroeg. Ik vraag wel aan de Staatssecretaris of het nog uitvoerbaar is per
2028 als we dat dus niet nu doen, maar als dat wordt opgenomen in het eerstvolgende
Belastingplan.
Voorzitter. Ik sluit af. Het oude box 3-stelsel is echt een fiscaal monster van Frankenstein
geworden. De bedoeling is goed, maar uiteindelijk is het echt een monster dat niemand
meer kan verdedigen. Met deze wet zetten we een noodzakelijke stap om dat monster
achter ons te laten. Ik zie het als een noodzakelijke stap. Het is niet perfect, niet
eenvoudig, maar wel beter. Het is eerlijker voor spaarders, rechtvaardiger voor beleggers
en steviger verankerd in de rechtsstaat. Mijn steun gaat gepaard met kritische vragen,
omdat we willen dat dit stelsel standhoudt, juridisch, in de uitvoering en maatschappelijk.
De komende jaren zullen leren of dit evenwicht in de praktijk werkt. Daarvoor blijven
monitoring, evaluatie en bijsturing onmisbaar.
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens
en daarna van de heer Grinwis.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Met een heel groot deel van het betoog van D66 ben ik het eens. Het is alleen jammer
dat het nu samenvalt met de formatie. Ik snap heel goed dat er wordt onderhandeld;
daar ga ik niet flauw over doen. Maar ik ben wel benieuwd wat die woorden dan waard
zijn. Ik hoor u over progressieve belasting, vermogensbelasting en aanpak. Dat zijn
allemaal dingen die ik steun. Komt er over een paar weken een soort amendementenpakket
of is dit meer voor het Belastingplan van volgend jaar? Wat betekenen deze goede woorden
voor de komende jaren?
De heer Oosterhuis (D66):
Volgens mij zijn alle zaken die ik daarin op dat vlak zou willen wijzigen, los van
de afspraken die we daarover kunnen maken, dingen die prima in het Belastingplan geregeld
kunnen worden. Ik zou het dus eerder in het Belastingplan terugzien dan in amendementen
die na dit WGO nog worden ingediend.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De eerste hobbel is volgens mij op 30 januari of 31 januari, als er dan een conceptcoalitieakkoord
ligt. Volgens mij kunnen we als Kamer afspreken dat we in ieder geval na de bekendmaking
van dat coalitieakkoord stemmen, zodat we een vergelijking kunnen maken en kunnen
zien of alle pijnpunten erin zitten.
Ik heb een vraag over wat collega Oosterhuis zei over inflatie. Hij zei dat het heffingsvrije
inkomen van € 1.800 daaraan gerelateerd moet zijn. Tenminste, dat was volgens mij
de portee van zijn inbreng. Is dat zo? Inflatie is voor veel burgers sowieso een enorm
pijnpunt in box 3, want daar wordt helemaal geen rekening mee gehouden. Je wordt gewoon
volledig aangeslagen over het nominaal inkomen. Is het heffingsvrije inkomen dan inderdaad
een soort compensatie voor inflatie? Hoe bedoelde de heer Oosterhuis dat? Als dat
zo is, moet je het heffingsvrije inkomen dan niet vaststellen op basis van de daadwerkelijke
inflatie van de afgelopen jaren? Dan is € 1.800 misschien wel te laag, met het oog
op de inflatiepercentages van de afgelopen jaren.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik bedoelde het niet zoals meneer Grinwis het nu uitlegt. Ik heb gezien dat het heffingsvrije
resultaat gaandeweg is verhoogd van € 1.200 naar € 1.800. Dat roept vragen bij mij
op, want waarom is dat gebeurd? Toen dacht ik zelf: wat is nu redelijk, uitgaande
van de huidige situatie, waarin we een heffingsvrij vermogen hebben? Ik vind het heel
reëel dat mensen spaargeld kunnen aanhouden voor onverwachte gebeurtenissen, want
je huis moet misschien gerepareerd worden, je auto of de wasmachine gaat een keer
kapot et cetera. Ik vind het heel realistisch dat je daar risicovrij, belastingvrij,
een bedrag voor op je rekening mag hebben. Maar als ik dat dan relateer ... We hebben
nu een heffingsvrij vermogen van € 57.000. Ik denk dat dat een heel redelijk bedrag
is. Mocht je getrouwd zijn en/of een fiscaal partner hebben, dan wordt dat bedrag
nog eens verdubbeld. Als je dat doorrekent naar wat een redelijk heffingsvrij resultaat
zou zijn, zou je bijvoorbeeld ook de rente op spaargeld kunnen gebruiken. In alle
gevallen kom ik dan eerder uit op een bedrag van rond de € 1.200 dan rond de € 1.800.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het heffingsvrije vermogen is nu ruim € 59.000; dat is een gevolg van dat mooie amendement.
Dan is € 1.800 een rendement van ongeveer 3% op die € 59.000, als je het zou bekijken
zoals de heer Oosterhuis in zijn bijdrage deed. Dat is toch niet zo heel onredelijk?
Ik vond de redenering met de inflatie erin wat gezocht. Als het hem ernst is om ook
de inflatie te corrigeren via een soort heffingsvrij resultaat, zou dat bedrag nog
eerder omhoog moeten dan omlaag. Volgens mij is de inflatie sowieso een enorme olifant
in de kamer, die we niet echt serieus bespreken met elkaar. Het is een enorm ding.
Eigenlijk teert het in, maar vervolgens mag je wel belasting betalen over je nominale
inkomen, dat in de praktijk veel minder waard is.
De heer Oosterhuis (D66):
Als de inflatie jarenlang, vele jaren lang, boven die 2% zou zitten, zou dat inderdaad
het geval zijn, maar als het incidenteel of kortdurend het geval is, denk ik dat dat
wat minder het geval is. Daar komt bij dat alle vrijstellingen elk jaar geïndexeerd
worden met de tabelcorrectiefactor. Daarmee wordt de inflatie natuurlijk al wel gecompenseerd.
Ik zie dat dus toch net anders.
De voorzitter:
Ik zag mevrouw Van Eijk een beweging maken.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja. Ik heb inderdaad een hele korte vraag naar aanleiding van de inbreng van de heer
Oosterhuis ten aanzien van het stimuleren van beleggen. Dat vinden we allebei belangrijk,
maar als je uitgaat van een rendement van 2% op een vermogen van ongeveer € 60.000
of € 70.000, kom je niet verder dan sparen. Als je een beetje een serieus rendement
wilt behalen met investeringen in beleggingen et cetera, zou een verruiming van het
heffingsvrije resultaat veel meer voor de hand liggen dan een verlaging daarvan.
De heer Oosterhuis (D66):
Dit is ook de reden dat ik in mijn bijdrage de suggestie heb gedaan voor een vrijstelling
voor sparen en een vrijstelling voor beleggen, maar ik hoor van graag de Staatssecretaris
of dat uitvoerbaar is. Ik kan me ook andere mogelijkheden indenken om dit te stimuleren.
Dit was de reden voor die suggestie.
De voorzitter:
Ik kijk even naar de tijd en ook naar de sluitingstijd van het restaurant. Gelet op
de opgegeven spreektijd van mevrouw Van Dijk lijkt het me verstandig om nu voor een
halfuur te schorsen om te lunchen. Dan gaan we daarna verder. Ik kan dan trouwens
ook beginnen met de heer Vermeer. De heer Vermeer en de heer Stoffer moesten even
de zaal uit, maar die zijn er weer. Dan beginnen we met de heer Vermeer om 13.40 uur.
Ja? We zijn tot dan geschorst.
De vergadering wordt van 13.11 uur tot 13.42 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën, het wetgevingsoverleg
over de Wet werkelijk rendement box 3. We hebben al zes van de elf sprekers gehad.
We gaan nu door met de tweede helft van de eerste termijn van de Kamer. Ik geef het
woord aan de heer Vermeer, die het woord voert namens de BBB-fractie.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. De weg richting rechtvaardige belasting in box 3 gaat niet
over rozen. Na het kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 ... Voorzitter, ik ben wat
buiten adem. Zou de heer Stoffer eerst even mogen?
De voorzitter:
Ja, zeker.
De heer Vermeer (BBB):
In verband met mijn longen lijkt me dat beter.
De voorzitter:
Dan geef ik het woord aan de heer Stoffer namens de SGP-fractie.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter, met alle plezier. We bespreken vandaag een wet met een lange geschiedenis.
Heel veel voorgangers van deze Staatssecretaris zijn al met deze wet bezig geweest.
Het is goed dat er vandaag een concreet voorstel voorligt. Hoewel wij kritisch zijn
op onderdelen van de wet – daar kom ik zo op terug – zijn we blij dat die er vandaag
ligt. Het wetsvoorstel zorgt ervoor dat er veel meer op basis van werkelijk rendement
wordt geheven. Dat is goed. Daar pleit de SGP ook al jaren voor. Ik heb helaas niet
alle sprekers voor mij kunnen horen, maar degenen die ik wel heb gehoord, hebben ook
al aangegeven dat het oude stelsel de houdbaarheidsdatum ruim overschreden heeft.
Dat vinden wij ook. Met kunst- en vliegwerk en middels de reparatiewetgeving hebben
we het stelsel de afgelopen jaren in de lucht gehouden, maar ik denk dat iedereen
het er wel over eens is dat het goed is dat er een nieuw stelsel komt. Vooral de lage
rentestanden op spaargelden zorgden ervoor dat burgers veel zwaarder belast werden
dan rechtvaardig is, terwijl beleggers met hoge rendementen soms juist te laag belast
werden. Dat zullen ze zelf niet gevonden hebben, maar ik denk dat dat objectief gezien
het geval was. Daarom moet er gewoon een stelsel op basis van het werkelijk rendement
komen. Dat is rechtvaardig en doet recht aan de draagkracht van belastingplichtigen.
Ik zei het al: deze wet kent een lange geschiedenis. Er is lang gesproken over de
vormgeving; moest er geheven worden op basis van vermogensaanwas of vermogenswinst?
Laat ik gelijk zeggen: ik kan de huidige opzet in grote lijnen volgen, maar zie ook
wel een aantal bezwaren. Omdat er belasting wordt geheven op basis van niet-gerealiseerde
vermogensaanwas, kunnen er grote problemen ontstaan, zoals bij kleine beleggers, die
ondanks een kleine portefeuille toch al snel belasting moeten gaan afdragen. Vaak
zijn dat middeninkomens, maar ook eigenaren van tweede woningen kunnen al snel in
de problemen komen als ze hun woning niet of nauwelijks verhuren. Dat geldt ook voor
kleine ondernemers die hun pensioen belegd hebben, maar elk jaar al belasting moeten
afdragen over hun pensioenvermogen. Kortom, als SGP zijn we zeker van mening dat het
stelsel aangepakt moet worden, maar zien we ook bezwaren in dit voorstel.
Voorzitter. Voor vrijwel alle vermogensbestanddelen wordt er geheven op basis van
vermogensaanwas, maar er zijn uitzonderingen, bijvoorbeeld voor start- en scale-ups.
Dat is te begrijpen, want een belasting op vermogensaanwas zou daar hele negatieve
gevolgen hebben. Datzelfde geldt overigens voor aandelen in familiebedrijven. Die
worden niet elk jaar opnieuw gewaardeerd, wat wel moet gebeuren in het nieuwe stelsel.
Mijn vraag is of de Staatssecretaris het ermee eens is dat dit een grote extra uitvoeringslast
voor familiebedrijven met zich meebrengt. Die aandelen zijn namelijk niet vrij verhandelbaar
en als er over de vermogensaanwas betaald moet worden, dan gaat het al snel ten koste
van het familiebedrijf zelf.
De SGP is er voorstander van om de aandelen in familiebedrijven te belasten op basis
van vermogenswinstbelasting. In het eerste voorstel van deze wet was dit ook zo geregeld,
maar op basis van een onderzoek is geconcludeerd dat dit mogelijk in strijd is met
Europese regelgeving, met name omdat familiebedrijven lastig te definiëren zijn. Mijn
vraag is dan ook of de oplossing niet veel meer zit in het beter definiëren van familiebedrijven.
Ik hoor graag van de Staatssecretaris hoe hij daartegen aankijkt. De gevolgen voor
familiebedrijven, en daarmee voor de Nederlandse economie, en voor de grote maatschappelijke
waarde die zij hebben, zijn namelijk groot. Ik zou de Staatssecretaris toch willen
uitdagen om te bezien of hier een oplossing voor te realiseren is. Overigens speelt
een vergelijkbaar probleem bij kapitaalverzekeringen. Ook die zijn niet liquide, terwijl
er wel jaarlijks belasting betaald moet worden. Ziet de Staatssecretaris ook dit probleem
en zou daar misschien een oplossing voor te realiseren zijn?
Voorzitter. Bij tweede woningen wordt niet altijd geheven op basis van het werkelijk
rendement, bijvoorbeeld bij vakantiewoningen die weinig verhuurd worden. Dan geldt
de vastgoedbijtelling over het hoogste bedrag van de huuropbrengsten en de vastgoedbijtelling.
Dat is, hoe je het ook wendt of keert, een forfaitair rendement en doet niet altijd
recht aan de situatie in de praktijk. Los daarvan wordt er dan dus belasting geheven
terwijl er soms helemaal geen inkomsten zijn. Door de VVD is ook al iets gezegd over
een tegenbewijsregeling. Maar goed, we zien wel wat de beantwoording daarop is. Hoe
dan ook, er gelden voor verhuur van recreatiewoningen ook beperkingen, zoals een verbod
op verhuur in de winter. Mijn vraag is: houdt de vastgoedbijtelling daar nu rekening
mee?
Bij het vaststellen van de vastgoedbijtelling is aangesloten bij de gemiddelde economische
huurwaarde, maar als een woning of ander vastgoed niet verhuurd wordt, dan is er gewoon
geen huuropbrengst. De eigenaar wordt er niet beter van en er zijn geen inkomsten.
Je weet bij het vaststellen van de gemiddelde huuropbrengst één ding nagenoeg zeker:
bijna niemand haalt precies dat gemiddelde. Er zitten ook altijd burgers bij die een
lagere huuropbrengst hebben, terwijl we in dat geval wel belasting heffen op basis
van een forfaitair rendement dat zeker niet altijd recht doet aan de werkelijkheid.
Ten slotte, voor al het onroerend goed wordt belasting geheven op basis van de huur
van huurwoningen, terwijl er een breed scala aan typen onroerend goed is. Mijn vraag
is: is er een risico op rechtszaken die dit forfaitaire rendement gaan testen? Is
er dan ook een risico dat bijvoorbeeld de Hoge Raad de wetgever opnieuw terugfluit?
Los van de juridische grondslag: er wordt dus niet geheven op basis van werkelijk
rendement. Volgens mij doet dat afbreuk aan het wetsvoorstel.
Voorzitter. Een ander probleem doet zich voor bij landgoederen onder de Natuurschoonwet.
Ten eerste zijn dat landgoederen met vaak grote maatschappelijke waarde. De heer Grinwis
heeft daar al mooi beeldend over verteld. Ik zal alle landgoederen waarover ik in
mijn jeugd heb gewandeld niet noemen, maar ik ben het geheel met hem eens. Kenmerkend
is ook dat deze landgoederen weinig van eigenaar veranderen en dat die ook bij wisseling
van eigenaar geen liquide vermogen opleveren. Op basis van het voorliggende wetsvoorstel
moet er echter wel belasting worden betaald over de vermogensaanwas op papier. Dat
zet het voortbestaan van deze belangrijke landgoederen op het spel. Ik heb daarom
ook van harte meegetekend met het voorstel van de heer Grinwis, die in zijn amendement
een vrijstelling voorstelt. Hierdoor hoeft er onder voorwaarden geen belasting te
worden betaald over de papieren waardestijging. Uiteraard zijn ook wij benieuwd naar
de reactie van de Staatssecretaris.
Datzelfde speelt overigens bij verpachte landbouwgronden. Ook daar is sprake van een
grote maatschappelijke waarde, omdat langdurig verpachte landbouwgronden een duurzaam
verdienmodel stimuleren en zorgen voor verantwoord gebruik van landbouwgronden. Ook
hier dreigt nu te worden belast bij bijvoorbeeld vererving, maar ook hier zijn geen
liquide middelen beschikbaar. Er kán vaak ook niet verkocht worden, omdat er sprake
is van langdurige pachtcontracten. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of hij inziet
dat dit tot grote financiële problemen zou kunnen leiden. Een oplossing kan zijn om
bij langdurig bezit de heffing te matigen of te werken met een afbouw van de heffing
als onroerend goed langere tijd in bezit is. Mijn vraag is: welke oplossing zou de
Staatssecretaris hiervoor kunnen bieden?
Voorzitter. Deze wet wijzigt het stelsel van box 3 grondig en de gevolgen zijn groot.
De invoering moet heel goed gemonitord worden, zeker omdat uit de uitvoeringstoets
blijkt dat de impact ingrijpend is en het risico op procesverstoringen groot is. Ook
de Raad voor de rechtspraak wijst op een substantiële stijging van de werklast. Ik
snap heel goed dat je niet al na een jaar kunt evalueren, maar een regelmatige invoeringstoets
is volgens de SGP wel essentieel en kan al snel na aanname van dit wetsvoorstel gebeuren.
Bij de Wet toekomst pensioenen, ook een grote stelselwijziging, wordt regelmatig een
invoeringstoets gedaan. Dat is belangrijk om problemen en uitdagingen bij de invoering
snel in beeld te krijgen en eventuele aanpassingen op tijd door te voeren. Mijn vraag
is dan ook of de Staatssecretaris bereid is om regelmatig invoeringstoetsen te doen.
Mocht dat niet zo zijn, dan overweeg ik een motie op dit punt.
Dit wetsvoorstel zou budgetneutraal moeten zijn ten opzichte van het huidige stelsel.
Op korte termijn is dat zo, als je de uitvoeringskosten meerekent, maar op langere
termijn is er flinke overdekking, van maar liefst 1,9 miljard euro per jaar. Daar
komt nog bij dat de opbrengst vergeleken wordt met het oude stelsel, terwijl de Hoge
Raad heeft gezegd dat het oude stelsel in strijd was met het recht. Er zou dus eigenlijk
vergeleken moeten worden met het huidige, tijdelijke gerepareerde stelsel. Kortom,
dit wetsvoorstel zorgt voor een forse lastenverzwaring voor burgers. Mijn vraag is
waarom er niet is gekozen voor een langere termijn waarin de budgetneutraliteit wordt
getoetst. En waarom is er ook niet besloten om na een bepaalde periode bijvoorbeeld
het heffingsvrije resultaat te verhogen, of het tarief te verlagen? De opbrengst van
de nieuwe heffing is daarnaast zeer conjunctuurgevoelig. In goede jaren is er een
goede opbrengst, en andersom. Dat is vooraf niet duidelijk. Dat zou grote gevolgen
kunnen hebben voor de inkomsten van het Rijk, en daarmee ook voor de begrotingsregels.
Mijn vraag is hoe de Staatssecretaris dit voor zich ziet. Zou er aanvulling van begrotingsregels
nodig zijn?
Voorzitter. Dit wetsvoorstel introduceert ook een administratie- en bewaarplicht voor
particulieren. Op dit moment hebben ze die bewaarplicht niet. Voor veel mensen gaat
dit wetsvoorstel dus extra werk opleveren, zeker omdat de termijn van de bewaarplicht
zeven jaar is. Gelukkig geldt deze bewaarplicht niet voor mensen met alleen spaargeld
bij Nederlandse banken, omdat de Belastingdienst deze gegevens vrij eenvoudig kan
opvragen bij banken. Wat de SGP betreft wordt deze administratie- en bewaarplicht
zo lastenluw mogelijk uitgewerkt. Het wetsvoorstel biedt namelijk een grondslag om
deze plicht nader uit te werken. Het moet voor belastingplichtigen ook zo makkelijk
mogelijk worden gemaakt om aan de administratie- en bewaarplicht te voldoen. Mijn
vraag is of dat ook de inzet is van de Staatssecretaris. Steeds meer financiële gegevens
van belastingplichtigen kunnen door de Belastingdienst worden opgevraagd bij financiële
instellingen. Ik schat in dat dat alleen maar meer zal worden. Mijn vraag is hoe de
Staatssecretaris bij de uitwerking rekening houdt met die toenemende gegevensdeling.
Voorzitter. Sommige mensen hebben weliswaar vermogensbestanddelen waarvan de Belastingdienst
niet automatisch gegevens krijgt, maar soms is dat vermogen zo klein dat op voorhand
al te zien is dat er geen belasting verschuldigd is. Mijn laatste vragen zijn dan
dus ook waarom er niet voor gekozen is om de administratie- en bewaarplicht in die
gevallen te laten vervallen, of om de verantwoordelijkheid daarvan bij belastingplichtigen
te leggen en een generieke plicht te schrappen.
Daar laat ik het bij. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan ga ik even terug naar de heer Vermeer voor zijn inbreng namens
de BBB-fractie.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. De weg richting een rechtvaardige belasting in box 3 gaat
niet over rozen. Na het kerstarrest van de Hoge Raad in 2021 heeft het kabinet gepoogd
orde op zaken te stellen. Een onderdeel hiervan is de invoering van de Wet tegenbewijsregeling.
Mijn fractie was en is daar bepaald niet enthousiast over. Ik noem nogmaals een paar
redenen waarom dat zo is: kosten zijn niet aftrekbaar voor woningbezitters en vermogensaanwas,
oftewel papieren winst, wordt meegerekend als rendement. Het rendementspercentage
van een individueel belegger valt daardoor veel hoger uit dan het daadwerkelijk is.
Dan heb ik het nog niet eens gehad over inflatie. Tegenbewijs leveren heeft in veel
gevallen weinig zin meer. Ik heb destijds, in juni, een amendement ingediend om woningbezitters
in ieder geval de mogelijkheid te geven hun bezit over te hevelen naar een bv, om
zo massale verkoop van huurwoningen te stutten. Dat amendement heeft het niet gehaald.
We zien nu om ons heen hoe de huurmarkt krimpt.
Afgelopen week berichtten diverse media dat starters meer woningen kunnen kopen door
het zogeheten uitponden. Dat lijkt goed nieuws, maar het leidt ook tot meer woningnood
voor mensen die afhankelijk zijn van huur. Wij hebben een werkelijkheid gecreëerd
waarbij verhuren niet loont. De verhuurder wordt als het ware vermorzeld tussen een
hoge box 3-belasting aan de ene kant en de Wet betaalbare huur aan de andere kant.
Het is vast socialistisch te noemen, maar het is niet sociaal. Dat is kwalijk, want
ook het beleid dat zich moet richten op het vlottrekken van de koopsector is gebaat
bij een gezonde, vrije huursector; vaak gebruikt als tussenstation voor mensen die
net niet kunnen kopen, maar te veel verdienen voor sociale huur. Deze dynamiek wordt
kapotgemaakt.
Voorzitter. Dan kom ik bij de Wet werkelijk rendement, die hopelijk wat verbetering
gaat bieden, al is dat wat BBB betreft nog niet voldoende. Zoals vaker aangegeven
pleit BBB voor een belasting over daadwerkelijk gerealiseerd rendement en niet over
papieren winsten. De vermogensaanwasbelasting voor niet-onroerende zaken zien wij
dan ook liever helemaal verdwijnen. Dat dit niet van de ene op de andere dag kan,
snappen we. Ik ben blij dat de Staatssecretaris de Wet werkelijk rendement, zoals
die nu voorligt, ook niet per definitie beschouwt als een eindstation. Waarom starten
we echter met iets waarvan we nu al weten dat het niet rechtvaardig is? We moeten
het patroon van budgetneutraliteit doorbreken oftewel stoppen met de focus op kortetermijnopbrengst
en het negeren van zaken als inflatie. De heer Stultiens van GroenLinks-PvdA zei zojuist
in een interruptie: er moet geld voor uitgetrokken worden. Dit gaat echter over budget
en niet over rechtvaardigheid. Het «geld uittrekken voor» noemen van iets wat eigenlijk
al onrechtvaardig belast wordt, is precies het probleem waarover we hier praten.
Dit roept ook vragen op over het standpunt van voorgaande bewindspersonen. Er is namelijk
veelvuldig gesteld dat een vermogenswinstbelasting onuitvoerbaar zou zijn, omdat belastingplichtigen
dan de historische kostprijs van al hun bezittingen decennialang moeten bijhouden.
Bovendien zou dit voor de Belastingdienst niet te handhaven zijn. Blijkt een vermogenswinstbelasting
anno 2026 ineens wel een begaanbaar pad in de uitvoering? Wat is er dan veranderd?
De Wet werkelijk rendement zal naar verwachting ook gaan leiden tot enkele problemen.
Diverse organisaties uit het veld hebben gewaarschuwd voor problemen met de belastingheffingen
rond belangen in niet-beursgenoteerde bedrijven. Enerzijds speelt daarbij de waarderingsproblematiek,
wat een uitdaging kan zijn als er geen duidelijke kaders worden gegeven. Een juridische
strijd tussen belastingplichtigen en de Belastingdienst is dan het gevolg. Anderzijds
kunnen er bij vermogensaanwasbelasting liquiditeitsproblemen ontstaan als de aandelen
in kwestie moeilijk verhandelbaar zijn en er wel belasting moet worden betaald over
een gegeven jaar. De meeste mensen hier aan tafel hebben dat ook al benoemd.
De Staatssecretaris heeft hier al de nodige aandacht aan besteed door te stellen dat
een te ruime invulling van de uitzonderingsregeling als staatssteun zou kunnen worden
aangemerkt. De uitzondering voor start-ups zou beter uit te leggen zijn vanwege het
belang van innovatie. Ook het brede mkb is van onschatbare waarde voor innovatie en
voor de economie. We hebben het in dit huis vaak over de noodzaak van een kapitaalmarktunie,
Europese crowdfundingregels en securitisatie van bedrijfsobligaties, omdat mkb-financiering
stukloopt. De beperkte kaders van de uitzondering op de vermogensaanwas, zoals nu
vormgegeven, brengen gezonde mkb-financiering niet dichterbij maar juist verder weg.
Kan de Staatssecretaris ook vanuit die invalshoek nog eens reflecteren op zijn voorlopige
beslissing om de uitzonderingsregeling niet uit te breiden?
Dan de uitvoering van de Wet werkelijk rendement. De Staatssecretaris schrijft dat
hij het risico reëel acht dat er met name rond het waarderingsvraagstuk een personeelstekort
en een pensioneringsgolf ontstaat. De Staatssecretaris wil meer personeel betrekken
vanaf de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen, maar heeft hij ook een alternatief
klaarliggen om aan genoeg mensen te komen wanneer de UHT dit onvoldoende kan bieden?
Dan nog een vraag over vastgoedbijtelling. De huurinkomsten voor verhuurders van woningen
in box 3 stijgen met name sinds 2021 veel minder hard dan de WOZ-waarde. Is wat de
Staatssecretaris betreft de vastgoedbijtelling, die gebaseerd is op data, van voor
2021 dan niet te hoog? De heer Grinwis tipte dat ook al aan in zijn betoog. Zou deze
niet veel vlotter geactualiseerd moeten worden? Is het gebruik van een vastgoedbijtelling
sowieso wel gerechtvaardigd wanneer een tweede woning niet is verhuurd? Daar refereerde
de heer Stoffer ook al aan. Het gaat dan immers om consumptief, eigen gebruik.
Over de verliesverrekening wil ik ook nog een paar vragen stellen.
De voorzitter:
Een ogenblik, want de heer Grinwis heeft een interruptie voor u.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben het natuurlijk helemaal eens met de vragen die de heer Vermeer stelde, want
die leken heel erg op die van mij. Hoe zou hij hiermee om willen gaan? Ik heb een
amendement in voorbereiding om het percentage op basis van de data van 2022 tot en
met 2025 vast te stellen – dat is dus veel recenter – en om het jaarlijks te actualiseren.
Eventueel kun je, zoals de heer Vermeer eerder zei in een interruptie, inderdaad volstaan
met het vastleggen van dat systeem in de wet, zonder een percentage. Dat doe je dan
bij een belastingplan. Waar wil hij gaan landen? Of is hij vooral heel benieuwd naar
de reactie van de Staatssecretaris?
De heer Vermeer (BBB):
Dat laatste sowieso, natuurlijk. Daarom stel ik de vraag ook. Zoals ik in die interruptie
ook al liet blijken, vind ik dat in de wet systematieken en kaders vastgesteld moeten
worden en geen absolute getallen. Dat brengt ons namelijk elke keer in de problemen
en leidt tot allerlei rechtszaken en hersteloperaties. Een forfait moet gebaseerd
zijn op rechtvaardigheid, om welk percentage het dan ook gaat. Dan moet je dat continu
bijstellen. Wat mij betreft wordt dat gewoon elk jaar herberekend en komt daar een
getal uit volgens de systematiek die we in de wet vastleggen. Anders schilderen we
onszelf in de hoek.
De voorzitter:
De heer Vermeer vervolgt zijn betoog.
De heer Vermeer (BBB):
Ik was gebleven bij de verliesverrekening. Daar wil ik ook een paar vragen over stellen.
Voor met name oudere belastingplichtigen met meer dan een miljoen vermogen in box 3
wordt het mogelijk veel aantrekkelijker om over te stappen naar box 2, aangezien verlies
alleen verrekend kan worden met toekomstige jaren en niet met verleden jaren. Er is
natuurlijk een periode geweest waarin een miljoen aan vermogen klonk als iets fantastisch
waarmee je in de meest illustere rijtjes en magazines terechtkwam. Maar als bijvoorbeeld
een ondernemer of zzp'er al zijn pensioen zelf heeft moeten sparen, dan zit je, met
je eigen huis erbij, al heel snel op dit soort bedragen.
Als in het laatste levensjaar verlies wordt geleden, krijgen belastingplichtigen geen
inkomstenbelasting terug. Is dit voor nabestaanden van ouderen met relatief veel vermogen
niet zeer onrechtvaardig, vraag ik de Staatssecretaris. Zet dat niet de deur open
voor meer overstappers naar box 2? Hoe kijkt het Ministerie van Financiën hiernaar?
Wat zijn de prognoses? Is het gebrek aan verliesverrekening met verleden jaren niet
per definitie onrechtvaardig? Er kan immers belasting betaald worden over winst die
later verdampt. De belasting is dan al betaald. Graag ook hier een reactie op.
Tot slot. De heer Grinwis heeft een initiatief gelanceerd om landgoederen die vallen
onder de Natuurschoonwet bij schenking of vererving voorwaardelijk vrij te stellen
van box 3-belasting. Wat BBB betreft vormen landgoederen een belangrijk onderdeel
van ons cultureel erfgoed en zijn ze van onschatbare waarde voor recreatie, biodiversiteit
en ons landschap in het algemeen. Daarom hebben wij dit amendement meegetekend. Ook
ben ik erg benieuwd naar de antwoorden op de vragen die collega Stoffer gesteld heeft
over langdurige pacht, om te kijken of we daar ook nog iets moeten repareren.
Hier wou ik het bij laten voor nu. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik werd toch een beetje uitgenodigd door de heer Vermeer, doordat hij mij noemde in
zijn inbreng. Hij maakt een tegenstelling tussen «budgettair» en «rechtvaardig». Maar
ik vind het onrechtvaardig als werkende mensen straks moeten opdraaien voor budgettaire
gaten aan de vermogenskant. Daarom maak ik mij hier zorgen over. Mijn vraag aan de
heer Vermeer is de volgende. Hij geeft aan dat hij voor vermogenswinstbelasting is.
Hoeveel minder inkomsten gaan wij daardoor hebben als overheid de komende, zeg, 20,
30 jaar en hoe gaat BBB om met dat gat?
De heer Vermeer (BBB):
Ik maak ook nu weer, na deze interruptie, bezwaar tegen de terminologie die GroenLinks-PvdA
hanteert. Die praat erover dat burgers moeten opdraaien voor de budgettaire gaten
van vermogenden. Maar het zijn geen budgettaire gaten die veroorzaakt worden door
vermogenden, want het zijn budgettaire gaten die veroorzaakt worden door Ministers
van Financiën en de Tweede Kamer wanneer zij begrotingen goedkeuren waarbij het budget
leidend wordt in plaats van een rechtvaardige belasting. Dat is echt een andere manier
van denken. Daarom blijf ik daar bezwaar tegen maken, want woorden doen ertoe.
Als je naar een vermogenswinstbelasting toe gaat, dan zul je in principe niet minder
belastingopbrengsten krijgen, of wellicht alleen voor de korte termijn. Dat kun je
incidenteel dekken. Als wij incidenteel miljarden kunnen lenen aan allerlei landen
om ons heen en miljarden in Europese regelingen kunnen stoppen dan kunnen wij ook
miljarden reserveren en onze schuld eventueel tijdelijk iets laten oplopen om hetzelfde
te doen voor onze eigen mensen hier in Nederland.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Het ging lang over de toon en over de woordkeuze, maar de vraag is eigenlijk niet
beantwoord. Hoeveel minder inkomsten komen er binnen? Dat is volgens mij heel neutraal
geformuleerd. En hoe wil BBB dat gat gaan betalen?
De heer Vermeer (BBB):
Hoeveel er minder binnenkomt, dat moet uitgerekend worden. Dat is een combinatie met
de tarieven. Het kan gaan om enkele miljarden in de eerste paar jaar. Dat kunnen we
betalen door eventueel de staatsschuld tijdelijk iets op te laten lopen. Zie het dan
maar als een lening voor toekomstige opbrengsten.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat laatste is helder: het moet uit de staatsschuld komen. De heer Vermeer zegt dat
het moet worden uitgerekend, maar hij pleit hier voor vermogenswinstbelasting. Dan
neem ik aan dat hij al weet hoeveel het kost. De voorganger van de Staatssecretaris
gaf aan dat het ging om meer dan 10 miljard. Is de heer Vermeer bereid de staatsschuld
met 10 miljard op te laten lopen voor een vermogenswinstbelasting?
De heer Vermeer (BBB):
Ja.
De voorzitter:
Dat was kort en krachtig. Dank, nogmaals, voor uw inbreng. We gaan naar mevrouw Inge
van Dijk, die gaat spreken namens het CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Ik heb in het kerstreces best wel wat tijd besteed aan dit
onderwerp, omdat het natuurlijk belangrijk is. Toen ik van dit weekend dit stuk er
weer bij pakte, betrapte ik mezelf erop – en dat heb ik nog nooit gedaan – dat ik
het stuk een titel had gegeven: «Hoe belasting op sparen en beleggen een soap werd.»
Dat heeft natuurlijk ook wel een aanleiding.
Even een stapje terug voordat we over de toekomst gaan praten. Box 3 is ooit bedacht
als iets gemakkelijks: de overheid ging ervan uit dat je met spaargeld en beleggen
altijd wel wat verdiende; over dat veronderstelde rendement betaalde je dan belasting.
Dat werkte prima zolang sparen nog rente opleverde. Maar de tijden veranderden: de
rente daalde richting nul en spaarders zagen hun vermogen nauwelijks groeien, maar
toch bleef de belastingaanslag komen. Dat voelde steeds onrechtvaardiger. «Is dat
belasting betalen over geld dat ik niet verdien?» Dat vroegen veel mensen zich af.
In 2021 trok de Hoge Raad aan de noodrem. In het zogeheten kerstarrest werd vastgesteld
dat het systeem niet eerlijk was; de wet moest op de schop. Alleen bleek een goed
alternatief lastig te maken.
De oplossing werd een tijdelijke noodmaatregel. Daarbij wordt er onderscheid gemaakt
tussen spaargeld en beleggingen, maar rekent de Belastingdienst nog steeds met aannames
in plaats van de echte opbrengst. Voor veel mensen voelt dat als half werk, dat niet
aansluit op de werkelijkheid waar zij mee te maken hebben.
Nu ligt er een plan voor een nieuwe wet waarmee er belasting kan worden geheven over
het werkelijke rendement. Dat klinkt logisch, maar roept nieuwe vragen op. Wat als
je beleggingen op papier meer waard worden, maar je geen geld in handen krijgt? Hoe
ingewikkeld wordt de administratie? Waarom kiezen we in Nederland wéér voor een systeem
dat afwijkt van de manier waarop de rest van de wereld het doet? Wat begon als een
simpele belasting, is uitgegroeid tot een fiscale soap zonder duidelijke ontknoping.
Of misschien komt er vandaag toch een begin van een ontknoping. Laten we daar in ieder
geval voor gaan.
Voorzitter. In de afgelopen jaren hebben wij, maar ook vele anderen uit de wetenschap
en de praktijk, gepleit voor een systeem van werkelijk rendement op basis van een
volledige vermogenswinstbelasting in plaats van de hybride variant die nu voorligt.
We blijven moeite houden met een systeem dat niet-liquide waardestijgingen belast
en waarbij er wéér wordt gekozen voor een afwijkende behandeling binnen ons fiscale
stelsel. We wijken ook af van andere landen.
Keer op keer zijn onze vragen hierover met halve of nietszeggende antwoorden afgedaan,
waardoor het idee om een andere route in te slaan wat ons betreft niet echt een serieuze
kans heeft gehad. Dat is jammer, want wij zouden graag een robuuster en helderder
stelsel ingevoerd hebben. Maar de tijd begint te dringen. Nu staat voorop dat er zo
snel mogelijk een nieuw systeem moet worden ingevoerd dat de huidige onhoudbare Overbruggingswet
en tegenbewijsregeling vervangt. Wat ons betreft, gaan we als Kamer nu geen wijziging
van deze wet doorvoeren die implementatie vertraagt, want verder uitstel is gewoonweg
onwenselijk en onverstandig.
Dat betekent voor ons echter niet dat dit de eindstreep is. Wij willen graag dat het
nieuwe systeem wordt doorontwikkeld naar een «box 3 2.0». Daarvoor hebben wij een
aantal wensen. Het toekomstige gesprek hierover begint ermee dat wij onze wensen transparant
op tafel leggen. Zoals gezegd, wil het CDA uiteindelijk naar een situatie van volledige
vermogenswinstbelasting. De nadelen hiervan zijn al meerdere malen toegelicht, maar
het is toch gewoon logisch en eerlijk dat je alleen belasting betaalt over werkelijk
verdiende winst en niet over denkbeeldige groei? Wat ons betreft maakt de vermogensaanwasbelasting
inbreuk op het draagkrachtbeginsel, omdat ervan uit wordt gegaan dat er voldoende
andere middelen zijn om een heffing over niet gerealiseerd vermogen te betalen. Ook
houden wij de fiscaliteit liever coherent door de nieuwe box 3 in lijn te brengen
met de bestaande systematiek in box 1 en box 2 en met die in de rest van de wereld.
Andere landen hebben ook een manier gevonden om met zogenaamde lock-ineffecten om
te gaan, bijvoorbeeld door het hanteren van meerdere tarieven. Die hoeven wat ons
betreft dus geen showstopper te zijn. Dat doen we inmiddels immers ook in box 2.
Voorzitter. Ik zou ook graag nog eens de budgettaire opbrengst van een volledige vermogenswinstbelasting
in kaart gebracht willen zien, zeker omdat de opbrengsten mogelijk hoger zijn doordat
beleggingen kunnen doorgroeien. Dit doet namelijk ook iets met de directe rendementen
die wel jaarlijks in de heffing worden betrokken.
Nog een belangrijk voordeel is dat dit het langetermijnbeleggen stimuleert. Dat stimuleert
dan ook de economische groei weer. Dat is een onderwerp waar we het hier in de Kamer
op dit moment veel over hebben. Hoe krijgen we meer geld van sparen naar beleggen
en dus in onze Nederlandse economie? Samengestelde groei is nu eenmaal sterker.
Voorzitter. Een moeilijk punt was steeds de vooraf ingevulde aangiften. Banken hebben
inmiddels aangegeven dat ze met twee jaar meer voorbereidingstijd een volledige vermogenswinstbelasting
in kunnen voeren. Zou de Staatssecretaris nogmaals in kunnen gaan op de argumenten
over onuitvoerbaarheid ten aanzien van een volledige vermogenswinstbelasting? Gegevens
uit het verleden zouden vanwege de step-up die per inwerkingtreding zou gaan gelden,
namelijk geen probleem moeten zijn. Banken kunnen wel gegevens over buitenlandse klanten
verstrekken op basis van een vermogenswinstbelasting in andere landen. Hoe rijmt hij
dat in dit licht met de bezwaren?
Daarnaast voeren we een win-winregeling in Nederland in om ons investeringsklimaat
verder te versterken. Dat betekent een faciliteit in box 3 om fiscaal gunstig een
lening te verstrekken aan mkb-bedrijven. Ons toekomstig verdienvermogen staat of valt
met investeringen die we hierin met elkaar willen doen, en deze faciliteit kan dat
weer de goede kant op duwen. Maar dit verhaal kent de Staatssecretaris inmiddels wel
van het CDA, want dat heeft hij al heel vaak van ons gehoord. Hiervoor is dus een
aanpassing in box 3 nodig. Is de Staatssecretaris op koers met het door hem toegezegde
onderzoek naar mogelijkheden om beleggen fiscaal te stimuleren in de eerste helft
van 2026? Ziet hij mogelijkheden dat een dergelijke faciliteit snel kan worden ingevoerd
zonder het nieuwe stelsel naar achter te schuiven?
Voorzitter. Ook zouden we graag zien dat sparen voor je eerste huis – wij noemen dat
altijd het oude bouwsparen – weer terugkomt en fiscaal vriendelijker behandeld gaat
worden. Het CDA vindt het verstandig dat jongeren zich kunnen voorbereiden op de aankoop
van een woning door daar gericht voor te sparen, zodat zij zich niet tot hun nek in
de schulden hoeven te steken bij het kopen van hun eerste huis. Wat ons betreft wordt
dat op termijn gecombineerd met een wat lagere zogenaamde loan-to-value, zodat we
de stijgende huizenprijzen richting de toekomst ook wat verder kunnen dempen.
Ten vierde: een goede en snelle implementatie van de winstdelingsregeling voor start-ups
en scale-ups zoals het kabinet heeft toegezegd. Dank voor de brief hierover. Wij zien
ernaar uit om dit voorstel snel in de Kamer te bespreken.
Voorzitter. Dit is onze inzet richting de toekomst. Dat betekent niet dat we ons voor
de komende jaren al helemaal kunnen vinden in het voorliggende voorstel, want op een
aantal onderdelen heb ik nog wel wat vragen en zie ik wat risico's, allereerst wat
de uitvoering betreft. Het kabinet is er, in tegenstelling tot de Raad voor de rechtspraak,
van overtuigd dat inwoners het nieuwe stelsel als rechtvaardig gaan ervaren en dat
we dit gaan terugzien in minder bezwaren. Maar rekent de overheid zich hiermee niet
erg rijk? Het CDA is er niet zo van overtuigd dat het vertrouwen in box 3 weer heel
snel terug gaat komen. Zeker in de eerste jaren na de implementatie gaan we dat, denken
wij, wel degelijk merken. Dat is nou juist de meest spannende periode voor de Belastingdienst,
als het gaat om het aantrekken van de juiste mensen en de juiste aantallen mensen
om het nieuwe stelsel op een goede manier te kunnen implementeren. Want een stelsel
op basis van werkelijk rendement is rechtvaardiger maar ook complexer.
Het kabinet schrijft dat vanwege de toename van complexiteit bij de Belastingdienst
een uitbreiding van de personele capaciteit van circa 900 fte nodig is. De verwachting
is dat de werving in de transitieperiode van drie tot vijf jaar na inwerkingtreding
van de wet niet gerealiseerd kan worden. In de transitieperiode zal hierdoor het niveau
van dienstverlening en toezicht onvoldoende zijn. Wat zijn de gevolgen als deze mensen
niet kunnen worden aangetrokken voor uitvoering en handhaving? Kan de Staatssecretaris
het iets meer concreet maken? Stel dat er een tegenvaller is van 10% in het aantrekken
van mensen. Wat wil dit dan concreet zeggen in de praktijk?
Met name op het gebied van waarderingsdeskundigen zien we een probleem. En laat dit
nou net de grootste categorie onder die 900 fte zijn, namelijk 205 fte. Zouden deze
aantallen waarderingsdeskundigen ook nodig zijn in een situatie van volledige vermogenswinstbelasting,
is onze aanvullende vraag.
De Belastingdienst geeft aan de onhaalbare wervingsopgave te willen oplossen met extra
data. Wat wordt daar precies mee bedoeld?
Met onvoldoende dienstverlening en toezicht wordt het risico gelopen dat de bereidheid
bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscale verplichtingen afneemt.
Hier staat dus een hele grote vlag. Ik wil de Staatssecretaris dan ook vragen hier
nog een keer op te reageren. Zien we in dit kader inmiddels positieve ontwikkelingen
of is de vlag inmiddels verder dieprood aan het kleuren?
Dan even door over uitvoering. Een goed functionerende ICT is randvoorwaardelijk.
De uitfasering van Cool:Gen in relatie tot lopende herstelwerkzaamheden van box 3
vraagt veel en voortgang is bepalend voor de implementatie van het nieuwe stelsel.
Zijn er signalen dat de lopende herstelwerkzaamheden verdere vertraging tot gevolg
hebben of liggen we op koers?
Rechtvaardigheid versus complexiteit merken ook inwoners. Overigens delen wij de stellingname
van het kabinet dat iets meer aanleveren door inwoners om werkelijk rendement aan
te kunnen tonen niet per se problematisch hoeft te zijn. Maar wat eenvoudiger kan
naar de toekomst toe moet ook echt eenvoudiger. We vragen dan ook een toezegging van
de Staatssecretaris om zich hiervoor in te blijven zetten en de Kamer hier jaarlijks
over te informeren.
Voorzitter. Ten tweede heb ik zorgen over liquiditeitsrisico's ten aanzien van de
vermogensaanwasonderdelen. Zo kan er wel degelijk een juridisch risico zijn als de
heffing hoger is dan wat er aan liquide vermogensinkomsten aanwezig is. Het lijkt
ons juridisch lastig te verantwoorden als mensen vermogen van de hand moeten doen
om de belasting te kunnen betalen. Wij denken dat het goed is om hierover de komende
tijd signalen te verzamelen via de Belastingdienst zelf en eventuele rechtszaken die
hierover worden gestart, deze te inventariseren en hierover jaarlijks aan de Kamer
te rapporteren. Er kan ook prima hulp gevraagd worden aan belastingadviseurs. Zij
kunnen signalen en knelpunten met de Belastingdienst delen, bijvoorbeeld na aangiftedatum.
Is de Staatssecretaris bereid om dit op te pakken? Het kan namelijk vooral wrang uitpakken
voor mensen die niet heel veel ander vermogen hebben, bijvoorbeeld omdat zij te maken
krijgen met een incidentele hoge koersstijging en daardoor een hoge heffing, waardoor
zij aandelen moeten verkopen om de heffing te kunnen betalen.
Voor familiebedrijven is niet de uitzondering van vermogensaanwas doorgevoerd, omdat
dat volgens het kabinet zou leiden tot staatssteun. Concreet betekent dit dat over
de waardestijging van aandelen in familiebedrijven jaarlijks vermogensaanwasbelasting
moet worden betaald, ook als deze niet beursgenoteerd zijn en dus jaarlijks moeten
worden gewaardeerd. Ook dit zijn geen liquide inkomsten. Het karakter van een aandeel
in een familiebedrijf is wel echt anders. Daar verkoop je er niet zomaar even eentje
van; die wil je behouden als lid van de familie. Dat noopt familiebedrijven dus tot
hogere dividenduitkeringen, zodat de heffing kan worden betaald. Juist dat doet weer
wat met de reserves die bestemd zijn voor de bedrijfsvoering.
Zouden er voor aandelen in familiebedrijven langere betalingsregelingen kunnen worden
gehanteerd, omdat deze aandelen langer aangehouden worden en minder liquiditeit genereren
dan reguliere beleggingsportefeuilles? Want hoewel het kabinet aangeeft dat het geen
betalingsproblemen verwacht voor het overgrote deel van de belastingplichtigen, moeten
we dit wat ons betreft goed in de gaten blijven houden en moeten we ons hier de komende
tijd actief over laten informeren. Als er geen problemen ontstaan is dat natuurlijk
goed, maar als er wel knelpunten zijn, is het goed om daar eventueel met elkaar iets
aan te kunnen doen. Ik sluit me ook aan bij de vragen van de SGP en BBB.
Het sluitstuk van het risico van mogelijke liquiditeitsproblemen, is de heffing over
het belastbare rentebestanddeel bij kapitaalverzekeringen, waarbij er niet gewacht
wordt tot de kapitaalverzekering daadwerkelijk wordt uitgekeerd. Ook verzekeraars
kaarten dit aan als problematisch, maar vanwege de lange periodes waarover volgens
het kabinet de rente zou moeten worden bijgehouden, is het onuitvoerbaar en moet er
direct worden belast. Het kabinet verwijst ook hierbij naar een betalingsregeling.
Misschien moeten we onszelf de bredere vraag stellen of ruimere betalingsregelingen
überhaupt zouden moeten worden toegestaan in bepaalde situaties, of bijvoorbeeld met
minder bewijslast, zodat je niet pas toegang krijgt tot de betalingsregeling wanneer
je hebt bewezen dat je inkomen echt ontoereikend is, maar die toegang gemakkelijker
direct op aanvraag kan worden toegekend. Denk bijvoorbeeld aan spreiden over twaalf
maanden. Hoe kijkt de Staatssecretaris hiernaar?
Voorzitter. Ten derde wil ik ingaan op vastgoed in box 3. In het wetsvoorstel wordt
een vastgoedbijtelling geïntroduceerd voor de berekening van de economische huurwaarde
voor onroerende zaken die niet worden verhuurd. Dit vindt het kabinet redelijk, omdat
een tweede woning vermogen is en dus potentieel rendement genereert via waardestijging.
Maar daar reken je toch ook al over af bij verkoop? Kan de Staatssecretaris de redelijkheid
nog een keer goed toelichten? 3,35% forfait voor iemand die maar een klein deel van
het jaar gebruikmaakt van zijn vakantiewoning, tikt wel erg hard aan. De vastgoedbijtelling
van 3,35% is gebaseerd op rendementen voor reguliere huurwoningen, terwijl vakantiewoningen
doorgaans een veel lager rendement opleveren. Het onderzoek van SEO waarnaar verwezen
wordt, ziet alleen op het rendement van huurwoningen. Is de Staatssecretaris bereid
het onderzoek te laten aanvullen door ook de rendementen op vakantiewoningen te toetsen?
Die hebben immers echt andere kenmerken, zoals seizoensgebondenheid. Het lijkt ons
terecht dat het forfait herijkt wordt, mochten hier andere resultaten uit volgen.
Wij zien ook hierbij namelijk een juridisch risico dat zo'n hoog forfait voor een
vakantiewoning inbreuk maakt op het recht op ongestoord genot van je bezit. Als er
iets is wat we niet kunnen gebruiken, is het nieuwe juridische risico's.
Voorzitter. We lezen dat de woningen van vermogenden met een aflossingsvrije hypotheek
in de nieuwe box 3 kunnen worden opgebracht, waar aftrek van zo'n hypotheek in mindering
gebracht kan worden. Kies de juiste hoogte van je hypotheek en je creëert een hypotheekrenteaftrek
in box 3 terwijl de hypotheek niet wordt afgelost. Dat werkt natuurlijk alleen voor
mensen die ook ander vermogen in box 3 hebben, waar ze de renteaftrek tegen af kunnen
zetten. Echter, is dat de bedoeling? Dat vragen wij ons af. Graag een visie van de
Staatssecretaris hierop.
Ten vierde, voorzitter, een vermogenswinstbelasting voor de start-ups. Voor aandelen
in startende bedrijven geldt een vermogenswinstbelasting voor de eerste vijf jaar
van het bedrijf. Maar wij vragen ons af: is vijf jaar wel lang genoeg? Waarom sluiten
we niet aan bij de fiscale regeling voor medewerkersparticipatie, waar start-ups en
scale-ups onder vallen, door de beschikking van RVO te volgen voor de heffing? Die
heeft een geldigheidsduur van acht jaar en kan worden verlengd met periodes van vijf
jaar indien aan de voorwaarden wordt voldaan. Voordat een bedrijf een beetje waarde
opbouwt en de aandelen in waarde stijgen, gaan er echt wel een aantal jaren voorbij.
Is zo'n langere periode niet juist ook belangrijk voor de aandelen van medewerkers,
omdat die na vijf jaar ook vaak geen liquide middelen zullen hebben? Is hierover voldoende
overleg geweest met de start-upsector en is gekeken welke termijn op de praktijk aansluit?
Ik wil even doorgaan op de praktijk voor niet-beursgenoteerde aandelen. We hebben
gevraagd of op praktische wijze kan worden omgegaan met het jaarlijks aanleveren van
de waardering van niet-beursgenoteerde aandelen door uit te mogen gaan van de gedeponeerde
jaarrekening van de entiteit waarin de aandelen worden gehouden. Het kabinet staat
daar niet negatief tegenover. Het zegt dat het vormvrij is, net als in het huidige
systeem. Daarom vindt het kabinet het niet nodig om dit in de wet op te nemen, maar
men merkt wel op dat er via een ministeriële regeling invulling gegeven kan worden
aan de verplichting waaraan een belastingplichtige dient te voldoen, waardoor de belastingplichtige
meer rechtszekerheid zal ervaren. Deze regeling moet nog nader worden onderzocht en
uitgewerkt. Rechtszekerheid en rechtsbescherming zijn voor het CDA heel belangrijk.
Het lijkt ons dus goed om belastingplichtigen zo praktisch mogelijke handvatten te
bieden. Een ministeriële regeling hiervoor is een goed idee. Is de Staatssecretaris
bereid om deze regeling verder uit te werken samen met de box 3-adviespraktijk, zodat
die zo goed, duidelijk en praktisch mogelijk aansluit bij het werk van de adviseurs
en de praktijk voor box 3-belastingplichtigen?
Voorzitter. Ten vijfde de evaluatie van de wet. Het kabinet is zich bewust van de
toename van de complexiteit en de bijbehorende risico's, maar toch stelt het kabinet
voor om de wet pas na vijf jaar te evalueren. Is het, gezien de wetsgeschiedenis in
combinatie met de complexiteit en de risico's die we nu al kennen, niet verstandiger
om dit naar voren te halen en de wet na drie jaar te evalueren? We willen tijdig kunnen
bijsturen op deze wet, waarbij nog zo veel onzekerheid is over de tijdige en juiste
uitvoering, en over de gevolgen in de praktijk. Wij hebben hier in ieder geval een
amendement over ingediend.
Voorzitter. Ik heb nog een paar kleinere puntjes. Het kabinet geeft aan dat het toevoegen
van achterwaartse verliesverrekening in de eerste jaren van het nieuwe stelsel leidt
tot honderden miljoenen derving. Geldt dat ook als je bij de achterwaartse verrekening
de step-up hanteert, zodat verliezen pas vanaf 2028 achterwaarts kunnen worden verrekend
met rendementen die na 2028 ontstaan?
Een ander vraagstuk dat bij ons leeft, is de aftrekbaarheid van rente voor consumptieve
schulden. Ik bedoel dan niet de aftrekbaarheid van rente voor schulden die bezit in
box 3 betreffen, maar het aftrekken van rente op persoonlijke leningen of doorlopend
krediet voor bijvoorbeeld een auto, meubelen of een vakantie. Ik weet dat het complex
is om een knip te maken in de uitvoering omdat de gegevens over deze schulden niet
bekend zijn, maar feitelijk stimuleren we het fiscaal om op de pof te leven, waarmee
je een voordeel kunt krijgen in de heffing op je andere vermogen. Hoe kijkt de Staatssecretaris
hiernaar? Ziet hij mogelijkheden om dit anders in te richten? Want dit punt steekt
ons.
Voorzitter. Het nieuwe stelsel voor box 3 heeft een effect op de toeslagen en de heffingskorting.
Ik snap de uitleg van het kabinet hierover. Ik hoop dat het risico in de praktijk
inderdaad zo beperkt is als men schrijft, maar u zult begrijpen dat wij hier toch
wat onzeker over zijn. Dit betreft vaak een kwetsbare groep en daarom moeten we extra
voorzichtig zijn. Kan de Staatssecretaris hier nogmaals een toelichting op geven?
Het CDA hecht specifiek op dit onderdeel aan een goed piepsysteem. Als er signalen
komen waaruit blijkt dat de praktijk weerbarstiger is, dan moet er snel geacteerd
kunnen worden. Is dit er en, zo niet, gaat de Staatssecretaris dit dan op een of andere
manier vormgeven?
Een discussie die helaas ook te vaak voorkomt in de Kamer gaat over het verlenen van
vrijstelling in box 3 voor vermogen dat inwoners krijgen als gevolg van het uitkeren
van schadebedragen en hersteloperaties. Ik hoop dat dit nooit meer gaat gebeuren,
maar het CDA zou het goed vinden als het vermogen in deze gevallen automatisch wordt
vrijgesteld van box 3. Is zoiets eenvoudig in te richten, zo vraag ik de Staatssecretaris.
Het is er inmiddels al voor Groningen.
Met betrekking tot de landgoederen ben ik benieuwd naar de appreciatie van het amendement
van de heer Grinwis. Wij staan daar in principe positief tegenover.
Afrondend: het nieuwe box 3-stelsel is beter dan het failliete forfaitaire stelsel
omdat het beter aansluit bij het werkelijk rendement, maar het blijft in de kern problematisch.
Zolang er belasting wordt geheven op basis van aannames in plaats van feitelijke opbrengsten,
blijft er sprake van rechtsongelijkheid. Zoals Peter Essers stelt, mag fiscale eenvoud
niet ten koste gaan van rechtvaardigheid. Box 3 laat zien dat een systeem dat is gebaseerd
op fictie het draagkrachtprincipe ondermijnt. Daarom is het nieuwe stelsel geen definitieve
oplossing, maar slechts een tussenstap richting een rechtvaardiger en juridisch houdbaar
belastingstelsel.
Dank je wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. U krijgt nog een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag gaat over het gedroomde eindpunt van mevrouw Van Dijk, namelijk box 3 2.0.
Ze geeft aan dat haar voorkeur vermogenswinst is. Dat hebben meer partijen hier gezegd.
Ik stel daarbij de vraag hoeveel geld zij bereid is om daarvoor neer te leggen. Hoeveel
derving is zij bereid te accepteren? De meeste partijen geven helaas geen concrete
bedragen aan of geven niet aan hoe ze het dekken. Ik hoop dat het CDA dat wel doet.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Als de heer Stultiens goed heeft geluisterd, heb ik heel nadrukkelijk gevraagd om
het nou eens gewoon goed in beeld te brengen, ook voor de lange termijn. Wij geloven
dat als we beleggen echt kunnen stimuleren, die opbrengst weleens groter zou kunnen
zijn. Dat hopen we ook. Daarmee is het probleem op de korte termijn niet opgelost.
Dat deel ik helemaal met de heer Stultiens. Wij geven ook aan dat er misschien oplossingen
te bedenken zijn in tarieven of iets dergelijks, maar ik ga nu niet tegen de heer
Stultiens zeggen hoe we het gaan doen. We willen in ieder geval een opening voor een
mogelijke oplossing bieden, maar het begint wel bij de vraag waar we over praten en
waar we op de lange termijn over praten. Ook als we weten wat het op de lange termijn
eventueel extra oplevert, is dat wat mij betreft wel een andere discussie dan wanneer
het alleen op de korte termijn geld kost.
De voorzitter:
De naam wordt niet uitgesproken als «Stultjens», maar als «Stultíéns». Het is niet
erg, maar ik zeg het toch maar even. Dank nogmaals voor uw inbreng. Dan gaan we naar
de heer Struijs, die spreekt namens 50PLUS.
De heer Struijs (50PLUS):
Dank u wel, voorzitter. Tegen de natuur van 50PLUS in hebben wij nog meer vragen dan
standpunten. Dat zal wel uit mijn betoog blijken. We hebben een lange historie in
de Eerste Kamer hierin, maar een kortere in de Tweede Kamer. Ik dank bij voorbaat
sowieso de staf van de Staatssecretaris, maar met name mijn collega's en de diverse
fractiemedewerkers, dat ze ons zeer ter wille zijn de komende week met stoom en kokend
water de hele meute aan vragen die wij hebben en alles wat er verder ligt, te beantwoorden.
Uiteraard hebben wij ons wel erin verdiept, maar wij zijn bezig met een inhaalslag.
Dat zal in mijn betoog ook wel blijken. Maar we hebben er uiteindelijk zeker standpunten
over en ook geven wij nu al een duidelijke richting aan.
Wij hebben ook wat existentiële vragen, maar dat heeft misschien wat met de achterstand
te maken. Ik ben hier niet om de noodrem op de trein te gooien, maar als ik met een
frisse blik kijk naar de laatste tien jaar en de vragen die ontzettend leven in Nederland,
vraag ik mij af waarom box 3 daadwerkelijk op de schop moet. Ik denk dat de kracht
van de herhaling ’m er toch in zit om in duidelijke woorden aan de mensen duidelijk
te maken waarom wij hier zitten en we ons soms in complexe discussies ingraven. Die
discussies zijn terecht – laat ik dat vooropstellen – maar mensen raken soms een beetje
het spoor kwijt waarom we dit allemaal doen. Ik verzoek sowieso de Staatssecretaris
soms ook even de mensen in het land mee te nemen in waarom we deze discussie nu al
meer dan tien jaar voeren.
Het lijkt logisch en principieel om dit te veranderen, maar wat voor rechtvaardigheid
zit hier nou echt onder? Het onderbuikgevoel van veel mensen zegt: ja, is dit weer
een wens om meer geld te krijgen en dekking te zoeken en zijn wij dadelijk weer de
klos? Op wie «zij» zijn kom ik zeker terug.
Laten we even terugkijken naar ons systeem en de verandering vanaf 2001. Ik ga dat
hier niet helemaal terughalen, maar je merkt langzaam maar zeker dat mensen denken
«ja, maar men gaat weer geld halen uit box 3, mijn vermogen dat ik heb opgebouwd,
terwijl ik daar al belasting over heb betaald» en dat soort dingen allemaal. Het gaat
natuurlijk wel over meer, maar ik waarschuw ervoor dat het draagvlak elke keer weer
aandacht verdient van ons als controlerend orgaan. De geschiedenis leert ons hier
dat de oorzaak van de huidige verbouwing van box 3 ligt in de uitspraken van onder
andere de Hoge Raad. Spaarders voelden zich benadeeld omdat ze bij rentestanden van
1% steevast werden aangeslagen voor pak ’m beet 4%. Daarin schuilt natuurlijk ook
het wantrouwen van menig burger.
Als 50PLUS voeren wij al jaren een gevecht – daarin zit ook een deel van ons bestaansrecht –
rond de pensioenen en het niet-indexeren. Mensen zien daar een directe relatie in.
Een ander aspect is de beoordeling van de geschiedenis die ik net heb uitgesproken.
Waarom is de rentestand nu plots 1% lager? Dat heeft vele oorzaken, maar één ervan
is bij ons in de gelederen toch wel belangrijk en manifest. Die had toch te maken
met de ingreep van de ECB. In het verleden moesten veel dingen gered worden. Ik noem
Griekenland en de betalingen rond covid. Dat was allemaal te verklaren. «Maar als
die ingrepen niet via dat rendementssysteem waren gegaan,» zo denken mensen, «had
ik een hoger rendement gehad en dan had ik wél die indexatie gekregen.» Zo leggen
mensen constant verbanden die echt om antwoorden of duiding vragen. Ik ga hier niet
in op allerlei investeringen en rendementen op obligaties, maar de rentemanipulatie
door de ECB – zo wordt het aangevoeld – leeft echt bij vele mensen. Mogelijk kan de
Staatssecretaris dit wat meer duiden. Hoe kijkt hij daarnaar?
Wij kijken dus nog steeds met wat verdriet en ook wel een beetje met wat onderbuikgevoelens
naar het indexatieloze tijdperk. Wat brengt ons dat in de toekomst? Want vijftien
jaar lang geen indexatie ... Nou ja. U zult wel denken «dit is geen pensioendebat»,
maar wij zien wel degelijk een relatie met wat nu aan de orde is. Mijn punt is dat
de extreme verruiming van het monetaire beleid in die periode – wat leren we daarvan? –
niet alleen wantrouwen heeft gecreëerd maar ook slachtoffers heeft gemaakt. Dat is
de stresstest van de nieuwe wet. Hoe zit deze stresstest in elkaar? Hebben we de weerbaarheid
van de nieuwe wet wel voldoende bekeken?
Hoe zijn we hier gekomen? Waarom gaat box 3 voor iedereen op de schop? Daar komen
wat existentiële vragen uit voort. Wil de Minister toch nog even de aanleiding en
de redenen voor dit wetsvoorstel in duidelijke taal verwoorden, zeker voor 50PLUS,
maar misschien ook voor mensen hier of mensen die meekijken of -luisteren. Is de gekozen
oplossing ook een logische als de marktrente dadelijk weer genormaliseerd is? Hoe
werkt deze nieuwe wet bij een normaal functionerende marktrente, die door allerlei
invloeden nog steeds sterk fluctueert? Stel dat het op de wereld toch nog een keertje
in orde komt. Hoe verhoudt zich deze wet dan? Dat vind ik toch wel een interessant
gegeven. Vindt de Staatssecretaris ook dat het internationale monetaire beleid, waar
we direct mee te maken hebben, een belangrijke aanleiding is geweest voor de verbouwing
van box 3? Of ziet hij daarmee geen relatie? Het antwoord op die existentiële vragen
wil ik toch wel even weten.
Er komt sowieso een hervorming van box 3, maar hier komt de eerste blauwe olifant:
het aanstaande regeerakkoord. Ik noem het zelfs geen paarse krokodil, maar een blauwe
olifant, gewoon om hiervoor nog eens extra aandacht te vragen, want dit is groot.
Vanmiddag voer ik met enkele andere fractievoorzitters gesprekken over de toekomst.
Ik moet daarom eerder weg. Bij dezen bied ik daarvoor nu al mijn excuses aan. Dat
heb je met een kleine fractie, maar dat neemt niet weg dat deze discussie erg belangrijk
is. Gelukkig heb ik hele goede vragen gehoord van mijn collega's. Hoe verhoudt zich
dit tot een regeerakkoord dat er dadelijk komt? Is er dan nog voldoende ruimte voor
eventuele aanpassingen en voor een beetje valide discussie met de Tweede Kamer of
worden we dan weer in een pressurecooker gestopt? Ik zoek dus ook een beetje ruimte,
niet om te vertragen, maar wel vanwege de urgentie. Ik heb geen voorspellende waarde,
maar ik vermoed zomaar dat een regeerakkoord dat er dadelijk komt, invloed gaat hebben
op dit wetgevend voorstel.
Dan iets anders waar ik even aandacht voor vraag. Op 25 november is in de Eerste Kamer
een motie aangenomen, uiteraard mede gesteund door 50PLUS. Het is toch wel interessant
om die motie nog even te bekijken in het licht van hetgeen wij vandaag bespreken.
Die motie verzoekt de regering een onafhankelijke adviescommissie in te stellen die
voorstellen doet tot herziening en vereenvoudiging van het stelsel van belastingen
en toeslagen, en verzoekt de regering op redelijke termijn overleg te voeren over
de inhoud van de taakopdracht alvorens een dergelijke opdracht te geven. Ik ben hier
in de Tweede Kamer wel benieuwd wat de Staatssecretaris verwacht dat met deze motie
zal gebeuren. Wordt box 3 onderdeel van die opdracht? Ik neem aan van wel, maar is
dat wel zo? Dan wordt het wel belangrijk dat dit integrale adviesrapport van een staatscommissie
in aantocht ook invloed gaat hebben op het plan van box 3. Dat geeft natuurlijk veel
onzekerheid als dat allemaal zo is. Maar goed, mijn vraag is heel duidelijk: hoe kijkt
de Staatssecretaris hiernaar en kan hij mogelijk een toelichting geven?
Het is glashelder, zeg ik toch maar als schot voor de boeg. Wij willen ook een systeem
van belasting van werkelijk gerealiseerd rendement zonder afwijkende regimes. Wij
snappen de complexiteit en dat er allerlei dingen mogelijk zijn.
Wij kijken heel kritisch naar de vermogensaanwasbelasting en elementen daarvan. Het
is namelijk een belasting op papier van niet-gerealiseerde waardestijgingen. Dit past
niet helemaal in het box 3-stelsel. Misschien kan de Staatssecretaris met een nadere
duiding komen en onze zorgen wegnemen. Wij willen zo veel mogelijk de risicobereidheid
ondermijnen in die zin dat we weten dat we hiermee risico's nemen, maar de vraag is
hoe we die beperken. Kunnen we daar niet met z'n allen nog één keer kritisch naar
kijken? Goed, ik ga maar even snel door. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat een
afname van risicobereidheid inderdaad een gedragseffect is of kan zijn van de vermogensaanwasbelasting?
Dat is een vraag die bij ons enorm leeft.
Dan ten aanzien van de vermogensheffing in box 3 die wordt gebaseerd op fictieve rendementen.
Dit vinden wij echt een groot probleem. Dit vinden wij eigenlijk sowieso een gepasseerd
station dat je niet meer moet willen nemen. Ik heb hier gelukkig al meerdere collega's
over gehoord.
Dan kom ik natuurlijk ook op de tweede woning. U kunt zich voorstellen dat veel mensen
van onze achterban een tweede woning hebben. Ik heb het niet over een derde en een
vierde woning. Die mensen zitten gezellig uitkijkend op de moestuin in hun tweede
woninkje, waar ze veel voor gespaard hebben en die onderdeel van hun pensioen hun
is. Om daar nu weer belasting over te betalen ... Daar komen we als 50PLUS natuurlijk
sowieso op. Ik denk dat dit ook voor de collega's heel voorspelbaar was. Kijk, wij
willen er op alle fronten naar streven dat er uitgegaan wordt van belastingen over
werkelijk gerealiseerd rendement. Dus rechtvaardig, consistent, voorspelbaar en betrouwbaar;
laat ik deze waardes toch nog maar even delen.
Ik heb eerder een vraag gehoord in de Eerste Kamer die mij erg intrigeert. Na invoering
van dit box 3-stelsel op 1 januari 2028 kunnen een nieuw kabinet en een nieuwe Kamer,
als ze dat opportuun achten, altijd een volledige vermogenswinstbelasting invoeren.
Dat past uitvoeringstechnisch kennelijk ook, want ik heb van de Belastingdienst en
van banken en verzekeraars begrepen dat die minimaal twee jaar nodig hebben om dit
mogelijk te maken. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar deze algemene vermogenswinstbelasting?
Dat blijft toch nog wel even boven de markt hangen. Wij zijn hier zeer kritisch op,
maar wij laten ons graag overtuigen van de nut en noodzaak hiervan.
Het fictieve rendement van 3,35% op de tweede woning laat ik nu even voor wat het
is. Een heleboel collega's zijn daar al op ingegaan. Kijk, het gaat niet alleen om
het fictieve rendement op huurinkomsten. Het gaat ook om het draagvlak. Als je elke
keer vanuit fictief vermogen gaat redeneren, neem je een enorm risico, zeker in juridische
zin. Je kunt voorspellen dat de Hoge Raad hier wat over gaat zeggen, en terecht. Wees
dus terughoudend met fictief rendement, in wat voor vorm dan ook. Als er een uitzondering
moet worden gemaakt op het principe van werkelijk gerealiseerd rendement, dan moet
je dat wat ons betreft niet doen – ik herhaal: niet doen – op dit fictieve rendement.
Het is al eerder gezegd, maar ik wil het toch nog een keer benoemen. Ik zat afgelopen
weekend namelijk bij iemand die zijn geld heeft geïnvesteerd in kunst en niet in een
tweede huisje. Dan kan het gaan om goud en dat soort dingen allemaal. Ik vroeg ook
hoeveel belasting hij nou betaalt over dat schilderij, dat inderdaad een redelijk
vermogen kost. Nou, niets. Hij zei: ik heb gelukkig geen vakantiehuisje genomen. In
deze anekdote zit natuurlijk ook wel de kern van het draagvlak voor deze wet. Hoe
ver is deze wet nu? Wat belast je wel en wat belast je niet binnen het vermogen? Dat
is soms ook een gewetensvraag. We zullen niet alles dekkend krijgen via wetgeving,
hier, vanuit de Kamer, maar het is toch goed dat we deze constateringen doen. Ik zie
dus een paar grote blauwe olifanten, zoals ik ze noem. «Blauw» staat voor belastingen,
zoals u weet.
Aan de uitvoerbaarheid is al meerdere keren gerefereerd. Hoe uitvoerbaar is deze wet,
met alles erop en eraan? Mijn collega begon, terecht, over ICT en ik hoorde andere
collega's iets zeggen over de druk op de Belastingdienst. Over dat soort dingen wil
ik toch wel iets meer weten. Ik weet als geen ander, uit andere wetgeving, dat het
echt het draagvlak ondermijnt als een wet niet uitgevoerd kan worden. Het helpt enorm
als de uitvoering reëel kan plaatsvinden. Wat gebeurt er als de ECB nu weer ingrijpt?
Hoe is de stresstest en wat is de weerbaarheid van deze wet in een hele onzekere mondiale
wereld, die constant onder druk staat door allerlei monetaire ingrepen? Kan daar een
beetje duiding aan worden gegeven?
Tot slot. Ik herhaal het nog maar eventjes: krijgt de Kamer na het regeerakkoord voldoende
tijd om toch nog eens even kritisch naar deze wet te kijken?
Dit was mijn bijdrage, met veel vragen. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor uw inbreng. Dan gaan we tot slot in de eerste termijn van de Kamer
naar de heer Hoogeveen, die zal spreken namens JA21.
De heer Hoogeveen (JA21):
Voorzitter, dank u zeer. Toen box 3 in 2001 werd ingevoerd, was het forfaitaire stelsel
nog verdedigbaar. Men wilde eenvoud en ging uit van stabiele rendementen. Die werkelijkheid
bestaat inmiddels niet meer. Rentes daalden, rendementen werden volatieler en de techniek
werd sneller, waarmee ook de beweging van kapitaal sneller werd. Gevolg: steeds meer
mensen betaalden belasting over inkomsten die zij nooit hadden genoten. Het Kerstarrest
heeft daarin terecht een duidelijke grens getrokken. De Hoge Raad was helder: belasting
mag alleen worden geheven over rendement dat daadwerkelijk is behaald. Een stelsel
dat structureel losraakt van de werkelijkheid overschrijdt rechtsstatelijke grenzen.
Daarmee was duidelijk dat box 3 in deze vorm niet kon blijven bestaan.
Nu ligt er een nieuw wetsvoorstel, waarin wordt gekozen voor belastingheffing op basis
van het werkelijke rendement. Dat is een noodzakelijke stap, maar wie die stap zet,
moet ook consequent zijn. Anders ontstaat opnieuw een stelsel waarin belasting wordt
geheven op momenten waarop mensen geen draagkracht hebben.
Voorzitter. Box 3 is bedoeld om inkomsten uit vermogen te belasten: niet het bezit
zelf, maar het rendement. Daarom is box 3 geen vermogensbelasting, maar een inkomstenbelasting.
Inkomen heeft één essentieel kenmerk: het komt beschikbaar. Je kunt het uitgeven of
herinvesteren. Dat is precies waarom belastingheffing over gerealiseerde opbrengsten
als rechtvaardig wordt ervaren. Dat uitgangspunt verdwijnt zodra we ongerealiseerde
waardestijgingen gaan belasten. Dan wordt belasting geheven over een waardestijging
die alleen op papier bestaat. Het vermogen is meer waard geworden, maar er is niets
verkocht en er is geen geld beschikbaar gekomen. Toch volgt er een belastingaanslag.
Mensen kunnen dan in theorie worden gedwongen om te verkopen of in te teren, niet
omdat zij winst hebben gemaakt, maar om die belasting te kunnen betalen. Dat is dus
geen belasting op inkomen, maar een directe ingreep in het vermogen zelf. Dat is de
kern van de spanning in dit wetsvoorstel.
Voorzitter. Het kabinet kiest voor een hybride stelsel. Voor de meeste vermogensbestanddelen
geldt een vermogensaanwasbelasting en papierwinsten worden jaarlijks belast. Voor
andere vermogens, zoals onroerende zaken, geldt belastingheffing pas bij verkoop.
Dat betekent dat binnen één box verschillende belastingmomenten gelden. Economisch
vergelijkbare situaties worden fiscaal verschillend behandeld, afhankelijk van de
vorm waarin het vermogen is ondergebracht. In Europees perspectief is dat overigens
een tamelijk uitzonderlijk stelsel. Vermogenswinsten worden vrijwel altijd belast
bij realisatie.
Voorzitter. Wie de memorie van toelichting van het kabinet leest, ziet dus vooral
budgettaire argumenten en uitvoeringsargumenten. Een aanwasbelasting levert eerder
en gelijkmatiger opbrengsten op, maar dat is geen principiële rechtvaardiging binnen
de inkomstenbelasting. Daarom heb ik de volgende vraag aan de Staatssecretaris: erkent
hij dat dit geen onvermijdelijk gevolg is van het Kerstarrest, maar een bewuste, met
name budgettaire beleidskeuze? Ziet hij het risico dat Nederland hiermee internationaal
een uitzonderingspositie inneemt?
De consequentie van deze keuze is helder: belasting kan verschuldigd zijn zonder verkoop
en zonder liquiditeit. In goede jaren wordt belasting geheven op papierwinsten; in
slechte jaren verdampt de waarde. Maar de belasting over eerdere jaren blijft bestaan.
Dat zet het draagkrachtbeginsel onder druk. JA21 is daar uit principe kritisch op.
Tegelijkertijd willen wij ook af van de huidige tegenbewijsregeling. Nog meer vertraging
betekent dat mensen nog langer vastzitten aan een oneerlijk stelsel. Daarom doen wij
dus gerichte voorstellen om een aantal knelpunten binnen het huidige wetsvoorstel
te repareren.
Voorzitter. Ik kom dus met twee amendementen, die één gezamenlijke kern hebben: belastingheffing
op het verkeerde moment. Het eerste amendement gaat over de verliesverrekening. In
het wetsvoorstel kunnen verliezen wel vooruit maar niet achteruit worden verrekend.
Het lijkt misschien een technische keuze, maar het probleem zit ’m bij het eindmoment.
Zodra de belastingplicht eindigt – dat kan bijvoorbeeld zijn door emigratie, overlijden
of het volledig afbouwen van vermogen – kunnen verliezen definitief niet meer worden
verrekend. Dat betekent dat belasting kan zijn betaald over eerdere winsten, terwijl
het totale rendement over de hele periode nul of zelfs negatief is. Dat is geen randgeval,
maar een structureel gevolg van het ontbreken van een carry back. Op dat moment komt
de heffing onomkeerbaar los te staan van het werkelijke totaalrendement.
Stel dat iemand een goed beleggingsjaar heeft en daarover belasting betaalt en er
het jaar daarna een forse waardedaling volgt. Over die twee jaar samen is er dus geen
winst, maar de belasting over het eerste jaar blijft bestaan. Zeker bij emigratie
of overlijden is dat definitief. Ons amendement introduceert daarom een beperkte carry
back van één jaar. Het is geen ruime faciliteit, maar een noodzakelijke correctie
om te voorkomen dat belasting definitief wordt geheven over inkomen dat per saldo
nooit is genoten.
Dan het tweede amendement; dat gaat over de doorschuiffaciliteiten en raakt in feite
hetzelfde probleem, maar op een ander moment. In het wetsvoorstel kan belastingheffing
namelijk optreden bij civielrechtelijke herverdelingen, zoals bij een scheiding, terwijl
er geen verkoop plaatsvindt en er geen liquiditeit ontstaat. Neem een echtpaar dat
bij scheiding een gezamenlijk beleggingsportfolio verdeelt. Er wordt niets verkocht
en er komt geen geld vrij. Toch kan er belasting verschuldigd zijn, uitsluitend doordat
het eigenaarschap wijzigt. Daarbij is geen sprake van realisatie en ook niet van draagkracht.
Ook dit is een eindmoment, niet in economisch maar in juridisch opzicht. Ook hier
wordt de belastingclaim gematerialiseerd op een moment waarop betalen in feite niet
mogelijk is.
Ons amendement zorgt ervoor dat de belastingclaim wordt doorgeschoven. Er wordt niet
afgerekend op één moment zonder draagkracht, maar pas bij daadwerkelijke realisatie.
Met deze amendementen veranderen wij de koers van dit wetsvoorstel niet, maar zorgen
wij er alleen voor dat de belasting niet wordt geheven op momenten waarop dat principieel
en praktisch niet te rechtvaardigen is.
Voorzitter, tot slot. Voor JA21 is dit wetsvoorstel, net als voor veel partijen die
vóór mij spraken, geen eindpunt. Het is een noodzakelijke stap om de tegenbewijsregeling
definitief achter ons te laten, maar wij blijven van mening dat belastingheffing in
box 3 uiteindelijk moet aansluiten bij gerealiseerde winst. Belasting moet volgen
op inkomen, niet op papier, en moet niet komen op momenten waarop mensen geen draagkracht
hebben. Net als veel collega's vraag ik dus aan de Staatssecretaris of hij dit stelsel
ziet als eindstation of als noodzakelijke tussenstap. Is hij bereid om zodra de rust
is teruggekeerd te verkennen hoe box 3 verder kan worden ontwikkeld richting belastingheffing
over gerealiseerde winst?
Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dat was de eerste termijn van de zijde van de Kamer. Ik kijk even
naar de Staatssecretaris. Hoeveel tijd heeft u nodig? Tot 15.45 uur? Ja, dat kan.
Dan gaan we om 15.45 uur verder, met de reactie van de Staatssecretaris. We zijn geschorst
tot dat moment.
De vergadering wordt van 14.48 uur tot 15.45 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering van de vaste Kamercommissie voor Financiën. Dit is het wetgevingsoverleg
dat gaat over de Wet werkelijk rendement box 3. We zijn toe aan de eerste termijn
van de zijde van de regering. Ik geef graag het woord aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u, voorzitter. We spreken vandaag over het wetsvoorstel Wet werkelijk rendement
box 3. Dat is een ingrijpende en noodzakelijke herziening van belastingheffing over
vermogen. Ik heb heel veel vragen van u ontvangen. We hebben geteld en het zijn er
meer dan 130. Ik ga proberen om die allemaal zo goed als mogelijk te beantwoorden.
Ik wil dat doen aan de hand van de volgende thema's. Ik wil in mijn inleiding beginnen
met de uitgangspunten van het stelsel. Dat is een beetje algemeen. Dan kom ik bij
aanvullende wensen en regelingen. Dan ga ik het hebben over de uitvoering, waar ook
veel vragen over waren. Dan is er een onderdeel budgettair. Daarna is er een onderdeel
vastgoed, inclusief landgoederen die vallen onder de Natuurschoonwet. Er is een hoofdstuk
internationaal, plus zeer vermogende personen. Tot slot is er de verzamelbak: het
thema overig.
We kunnen er heel lang bij stilstaan. Diverse Kamerleden hebben dat ook gedaan, maar
ik denk dat we er allemaal wel van overtuigd zijn dat we echt een nieuw stelsel nodig
hebben. Vervolgens kun je van gedachten wisselen over de vraag waar je dan naartoe
wil. Is dat een volledige vermogensaanwasbelasting? Is dat een volledige vermogenswinstbelasting?
Maar het huidige stelsel is dringend aan vervanging toe en ik denk dat dat ook het
uitgangspunt is van alle, in ieder geval de meeste, leden van uw commissie. Als we
het huidige stelsel langer zouden houden, leidt dat tot een budgettaire derving van,
zoals bekend, ieder jaar 2 miljard. Wat ons betreft zou dat dus een extra aansporing
zijn om zo snel als mogelijk naar een nieuw stelsel, de Wet werkelijk rendement, toe
te gaan, los van het feit dat het huidige stelsel voor de belastingplichtige erg complex
en moeilijk doenbaar is. Ik realiseer me terdege dat het nieuwe wetsvoorstel ook een
aantal rode vlaggen en één gele vlag heeft, maar het huidige stelsel zoals dat nu
geldt, de Wet tegenbewijsregeling box 3, is ook zeer complex, zowel voor de Belastingdienst
als voor de burgers.
Sinds 2001 hebben wij gewerkt met forfaits. Ik heb eens even terugkeken: met de contourennota
van 15 april 2022 gaf een van mijn voorgangers, de heer Van Rij, destijds het startschot
voor de Wet werkelijk rendement box 3. Dat is bijna vier jaar geleden en nu spreken
we over het concrete wetsvoorstel. Als je, zoals ik heb gedaan, kijkt naar de invoering
van het boxenstelsel in 2001, met onder andere box 3, dan zie je dat dat een voorstel
van, volgens mij, Leo Stevens was, waarbij aangegeven werd dat het tijdelijk was en
dat we op termijn toe moeten naar een belastingheffing over werkelijk genoten rendement,
ook voor vermogensinkomsten. Ruim 25 jaar later praten we daar nu over. Ik denk dat
we allemaal vinden dat dat weleens tijd werd.
Wat ons betreft zetten we met deze wet een eerste stap naar een volledig robuust stelsel
op basis van werkelijk rendement. Ik ga daar zo nog even op in. De heer Vlottes vroeg
ernaar. Ik zeg het volgende als Staatssecretaris van Financiën. Wat mij en wat dit
dubbeldemissionaire kabinet betreft zou in de toekomst een volledige vermogenswinstbelasting
aangewezen zijn, maar daar gaan wij niet meer over. Uiteindelijk vind ik dat aan het
nieuwe kabinet en aan u als Tweede Kamer. Er werd ook een vergelijking gemaakt met
mij als treinconducteur: zitten we nu op een tussenstation of op een eindstation?
Wat mij betreft zitten we dus nadrukkelijk op een tussenstation en is het eindstation
volledige vermogenswinstbelasting, maar ook daarover zeg ik dat uw Kamer en het nieuwe
kabinet de machinisten zijn. Die bepalen of we na het tussenstation verder rijden
en, zo ja, waar we dan naartoe gaan. Maar nogmaals, ik zeg als Staatssecretaris van
Financiën: wat mij betreft volledige vermogenswinstbelasting. En het klopt, meneer
Vlottes, dat ik daarnaast toevallig ook fiscalist ben.
De heer Vermeer vroeg daarover wat de mogelijkheden naar de toekomst toe zijn. U heeft
er in het verleden vaker over gesproken, ook met mijn voorgangers, waarbij nooit zo
nadrukkelijk is gesproken over een volledige vermogenswinstbelasting. Is er dan iets
gewijzigd ten opzichte van toen, omdat dat nu opeens wel mogelijk lijkt? Volgens mij
was het destijds ook mogelijk, alleen moet je het, denk ik, ook een beetje plaatsen
in de tijdgeest. Ik zeg alleen: nu kan het wel, maar ook niet meteen; dat heb ik nadrukkelijk
aangegeven. Als we naar een nieuw stelsel voor vermogenswinstbelasting willen, kan
dat pas een aantal jaar na 1 januari 2028, omdat het anders voor de uitvoering niet
haalbaar is en ook voor de banken, die hierin een belangrijke rol hebben, uitvoerbaar
moet blijven. Vorige week is er nog overleg geweest met de diverse banken en de brancheorganisatie.
Die gaven ook aan dat, als dat politiek gewenst is, een overstap naar volledige vermogenswinstbelasting
en aanlevering van die gegevens door de banken kan, maar dat de banken minimaal twee
jaar nodig hebben om hun systemen daarop aan te passen. Dat betreft dus de vraag:
hoe nu verder?
De voorzitter:
Er is nog een interruptie daarover van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil de Staatssecretaris bedanken voor zijn antwoord daarop. Ik heb wel begrepen
dat banken dat voor andere landen bijvoorbeeld al wel moeten opgeven, dus dan zit
het toch gewoon in hun systeem? Hoe kan het dan nu opeens zo zijn dat ze daar twee
jaar werk voor nodig achten?
Staatssecretaris Heijnen:
Het klopt wat de heer Vermeer stelt. Dat is bijvoorbeeld zo voor Amerikaanse staatsburgers
die hier hun aangifte moeten doen. Zij zijn ook in Amerika verplicht om hun volledige
wereldinkomen en vermogenswinst op te geven. Dat is een hele, hele beperkte groep.
Als we dat voor alle belastingplichtigen zouden gaan doen, dan hebben we het in totaal
over 3,5 miljoen belastingplichtigen. Dat vergt toch wel wat extra werk.
De heer Vermeer (BBB):
Ik heb zelf jarenlang in de automatisering gewerkt. In de essentie van het systeem
hoeft het niet uit te maken of je iets voor één persoon doet of voor 1 miljoen. Dit
suggereert dat het allemaal handwerk is. Zie ik dat goed?
Staatssecretaris Heijnen:
Daar overvraagt de heer Vermeer mij. Ik heb niet jarenlang in de automatisering gewerkt.
Dat weet ik niet. Ik weet niet hoe de banken het nu doen. Ik weet alleen wat de banken
aangeven wat voor hen mogelijk is.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik gaf al aan dat het ook na 1 januari 2028 mogelijk blijft om het nieuwe stelsel
door te ontwikkelen, als het nieuwe kabinet en uw Kamer dat willen. Deze wijzigingen
zouden dan wat mij betreft het liefst uitgewerkt kunnen worden in volgende belastingplannen
of losse wetsvoorstellen. Daarbij moet uiteraard gekeken worden of en wanneer de voorstellen
haalbaar en uitvoerbaar zijn. Daarnaast moeten de voorstellen uiteraard ook gedekt
zijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De Staatssecretaris heeft steeds gesteld dat de Tweede Kamer voor 15 maart 2026 haar
ei moet leggen over dit wetsvoorstel, omdat anders de invoering op 1 januari in het
gedrang komt. Geldt dat coûte que coûte voor het hele voorstel, inclusief alle parameters,
of kunnen parameters bijvoorbeeld bij het eerstvolgende Belastingplan nog worden aangepast
zonder dat dat invloed heeft op de invoering van het stelsel op 1 januari 2028?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een goede vraag. Op dit moment zou het huidige wetsvoorstel in zijn totaliteit
voor 15 maart door uw Kamer aangenomen moeten worden. Dan beginnen met name de banken,
maar ook andere partijen die gegevens aanleveren, namelijk te bouwen. Zijn er daarna
nog aanpassingen mogelijk? Wellicht wel, maar dat zal per aanpassing bekeken moeten
worden. Ik denk wel dat er op onderdelen aanpassingen mogelijk zijn in het Belastingplan
2027 of eventueel in het Belastingplan 2028, maar de banken hebben aangeven dat het
wetsvoorstel wel op 15 maart 2026 aangenomen moet zijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat laatste snap ik. Er zitten ook allemaal parameters in, zoals 36% belasting en
3,35% vastgoedbijtelling. We komen daar nog over te spreken. Kan de Staatssecretaris
anders toezeggen om nog voor de stemming een brief aan ons te sturen over welke onderdelen
essentieel zijn om nu vast te stellen en welke onderdelen eventueel, onder invloed
van politieke opvattingen met een meerderheid, nog gewijzigd kunnen worden? Ik heb
het dan dus met name over de parameters zoals de tarieven die ik net noemde. Het lijkt
me logisch, inherent aan het systeem, dat dat gewoon altijd aanpasbaar is. Dat is
bij belastingplannen ook altijd zo, zelfs nog anderhalve maand voor het nieuwe jaar.
Het is niet ideaal, maar het kan wel. Ik zou daar graag een beetje meer duidelijkheid
over krijgen, want het is een hele bombastische uitspraak. Waar heeft die wel betrekking
op en waarop niet?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan dat aangeven en die toezegging doen. Ik snap de vraag en ik kan me daar ook
heel goed iets bij voorstellen.
De voorzitter:
De griffier registreert deze toezegging.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb een aanvullende vraag nu die brief er toch gaat komen. Ik zou het dan ook wel
fijn vinden als de financiële consequenties van eventuele aanpassingen meegenomen
worden, zodat de Kamer, als die iets wil, ook aanspreekbaar is en let op de dekking.
Staatssecretaris Heijnen:
We nemen dat mee.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar een aantal concrete vragen. De heer Vlottes vroeg of er geen strijdigheid
is met het EVRM. Nee, we zijn van mening dat dit stelsel de toets van het EVRM doorstaat.
Belastingheffing over ongerealiseerde waardestijging wordt door de Hoge Raad niet
als strijdig met het EVRM gezien, omdat die ook tot het daadwerkelijk rendement behoort.
Door te heffen op basis van werkelijk rendement inclusief ongerealiseerde waardestijging,
wordt aangesloten bij de draagkracht van belastingplichtigen.
Dan vroeg de heer Hoogeveen waarom wij kiezen voor een stelsel dat nergens anders
in Europa in deze vorm wordt toegepast. Hij vroeg of dat niet juist een risico is.
Laat ik beginnen met de opmerking – volgens mij is dat wel helder – dat het ideale
stelsel niet bestaat, althans niet op dit moment. Ik denk dat het kabinet en meerdere
voorgaande kabinetten om goede redenen hebben gekozen voor dit voorstel, omdat dit
een juiste balans biedt voor de overgang naar werkelijk rendement. Een volledige vermogenswinstbelasting
kent een aantal nadelen die mogelijk oplosbaar zijn, maar waar je wel rekening mee
moet houden. Een aantal werden al genoemd: budget, uitvoering, lock-ineffect en dergelijke
en uiteraard ook de budgettaire dekking, maar daar ga ik zo meteen nog in een apart
hoofdstuk verder op in.
Ja, zeg ik tegen de heer Vlottes, de heffingsvrije voet van € 1.800 bestaat nog en
daar is het ook al een aantal keer over gegaan. De parameters zijn inderdaad zodanig
gekozen dat het wetsvoorstel budgettair neutraal is. Daarbij is er rekening mee gehouden
dat de meeste belastingplichtigen met een kleiner vermogen nu onder het heffingsvrije
vermogen blijven. Ze zullen naar verwachting ook onder het heffingsvrije resultaat
blijven. Er is met name budgettair gekeken. Qua uitvoering is er gekeken naar het
aantal belastingplichtigen dat met box 3 te maken krijgt.
Dan een vraag van de heer Grinwis over de vermogensbelasting.
De voorzitter:
Ogenblik. Er is toch nog een vraag van de heer Vlottes over dit antwoord.
De heer Vlottes (PVV):
Is er dan ook gekeken naar meer volatiele beleggingen, zoals crypto? Dan merk je in
een bepaald jaar vooral dat er gigantische rendementen kunnen worden behaald, maar
in een ander jaar heb je mogelijk verliezen. Dan ga je heel snel over die € 1.800
rendement heen. Dan kom je dus sneller in aanmerking voor de box 3-belasting.
Staatssecretaris Heijnen:
In de ramingen zijn alle mogelijke beleggingen meegenomen, uiteraard in een bepaalde
verhouding. Het zijn allemaal geïsoleerde modellen die berekend zijn, dus dat geldt
ook voor crypto. Maar het kan inderdaad zo zijn dat iemand die alleen in crypto belegt,
het ene jaar heel veel rendement heeft en het andere jaar heel veel verlies.
Dan ga ik naar het stokpaardje van de heer Grinwis, de simpele vermogensbelasting.
Het klinkt eenvoudig, maar schijn bedriegt. Mijn ambtsvoorgangers hebben hier ook
al meerdere Kamerbrieven aan gewijd. Er is een anticumulatiebepaling; die is noodzakelijk.
Dan ga ik ook nog wat terug in de tijd. Vroeger was dat de 68%-regeling. Voor ’94
– ik heb het zelf nog meegemaakt – was het zelfs de 80%-regeling, waarbij betaalde
vermogensbelasting en inkomstenbelasting destijds niet meer dan 68% van het belastbaar
inkomen mocht zijn. Dit was om een nieuwe inbreuk op het eigendomsrecht te voorkomen.
Een dergelijke anticumulatiebepaling lijkt in de praktijk veel op de tegenbewijsregeling.
Belastingplichtigen moeten daarvoor namelijk ook het werkelijk rendement berekenen.
Hierdoor verliest wat ons betreft de vermogensbelasting zijn eenvoud. Daarnaast vinden
wij een vermogensbelasting niet geheel rechtvaardig, omdat er over hele hoge rendementen
geen belasting wordt geheven. Dat alles overziend kiest het kabinet voor een heffing
over de inkomsten uit vermogen, dus over de vruchten en niet over de stam.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
We gaan de discussie niet meer helemaal overdoen, hoor. Het punt is helder. Er ligt
nu een wetsvoorstel voor en daar moeten we onze mind over opmaken. Ik heb het gevoel
dat het tweede argument dat de Staatssecretaris noemde, dominanter is geweest dan
het eerste, de anticumulatieregeling. In theorie is dat inderdaad een heel omvangrijk
gebruikte regeling, maar de praktijk is dat niet zo heel veel mensen gebruikmaakten
van die anticumulatieregeling, omdat ze in de praktijk niet zomaar boven die 68% uitkwamen.
Dat nuanceert dus wel het eerste deel van het betoog. Als alle belastingplichtigen
in box 3 gebruik zouden maken van die anticumulatieregeling, heb je niks aan de vermogensbelasting
qua uitvoerbaarheid; dat geef ik gelijk toe. Maar de praktijk is gelukkig altijd anders
geweest, ook in andere landen. Dat geef ik nog maar even mee aan de Staatssecretaris.
Het is in zekere zin water onder de brug, maar ik denk dat we ooit nog zullen terugverlangen
naar de dag waarop we de fout hebben gemaakt om een heel ingewikkeld stelsel aan te
nemen en dat we dan denken: hadden we toch maar een vermogensbelasting gehad.
Staatssecretaris Heijnen:
We zullen zien.
Dan het thema boxhoppen en de vraag daarover van de heer Grinwis. Hij vroeg: wordt
boxhoppen nu mogelijk aantrekkelijker met het nieuwe box 3-stelsel? Wij zijn van mening
dat de prikkel voor boxarbitrage juist afneemt, omdat nu in box 3, net als in box 2,
belasting wordt geheven over daadwerkelijk rendement en niet meer over forfaitair
rendement. Daarmee kunnen fiscale redenen om vermogen dat in box 3 forfaitair hoog
wordt belast over te hevelen naar box 2, wat ons betreft in ieder geval afnemen. Wij
realiseren ons echter terdege dat er verschillen blijven bestaan tussen box 2 en box 3,
bijvoorbeeld wat betreft het genietingstijdstip van de vermogensaanwasbelasting, die
we niet in box 2 kennen. Dat verschil blijft er wel. Ook het tarief is verschillend.
Het tarief in box 3 is nog altijd iets lager dan het gecombineerde tarief in box 2.
De twee laagste schijven, AB en vpb, zijn om en nabij 39%, afgerond. Dat zou er weer
voor pleiten om bij box 3 te blijven zitten. Of arbitrage wel of niet voordelig is,
hangt denk ik vaak af van de individuele situatie.
Tot slot nog twee dingen. Het oprichten van een bv kost ook geld. Die moet onderhouden
worden en brengt administratieve lasten met zich mee. Voor de overdracht van vastgoed
aan een bv vormt de overdrachtsbelasting vaak een belemmerende factor. Die is inmiddels
weliswaar 8%, maar ja, dat rendement moet je eerst nog maar eens zien te maken.
Dan ook een aantal vragen van mevrouw Van Eijk, de heer Hoogeveen en de heer Vlottes.
De eerste is of ik bereid ben om samen met uw Kamer te onderzoeken hoe een overgang
naar een volledige vermogenswinstbelasting kan worden vormgegeven. Als uw Kamer dat
wenst, kan dat uiteraard worden verkend. Ik ben daar even heel voorzichtig mee, want
ik denk dat ik dat niet meer persoonlijk ga doen. Ik denk wel dat het goed is, ook
voor mijn opvolger, om samen met uw Kamer het traject inclusief de tijdlijnen te verkennen,
om te kijken hoe je dat zou moeten doen. Aan de andere kant realiseer ik me dat er
andere partijen zullen zijn die over willen naar een volledige vermogensaanwasbelasting.
Daar zou je dan wellicht ook naar kunnen kijken. Daar kun je ook in meenemen hoeveel
tijd er nodig is voor wetgeving, implementatie door de Belastingdienst en implementatie
door de ketenpartners.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Verkennen kan nooit kwaad. Ik denk dat wat er nu ligt, na jaren van verkennen tot
stand is gekomen. Ik heb dus niet het gevoel dat het nog heel veel gaat veranderen.
Ik zou wel willen vragen of de Staatssecretaris, als dit verkend gaat worden, heel
expliciet kan omschrijven wat de kosten en budgettaire gevolgen zijn. We komen er
straks bij het volgende blokje op. Ik vind nog steeds dat er veel te gemakkelijk voorbijgegaan
wordt aan het feit dat je nog járenlang geld kwijt bent. Ook als er vandaag een motie
komt met het verzoek dit verder te verkennen, laten we dan wel duidelijk maken wat
de kosten daarvan zijn.
Staatssecretaris Heijnen:
Prima.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank voor de reactie van de Staatssecretaris. Ik had ook wel verwacht dat hij zou
denken dat niet meer zelf te kunnen gaan doen, maar je weet het nooit. Ten aanzien
van mijn vraag. Ik had ook specifiek gevraagd: gaat dat dan stap voor stap, of in
één keer? Komt de Staatssecretaris daar nog op? Hoe meer uitzonderingen je toevoegt,
hoe kwetsbaarder het stelsel wordt. Dat weten we allemaal. Dat zou bijna suggereren
dat je eigenlijk in één keer over moet als je die stap wil maken. Misschien kan de
Staatssecretaris daar nog iets over zeggen.
Staatssecretaris Heijnen:
Jazeker, voorzitter. Dat was het tweede deel van mijn antwoord. Ik denk dat het goed
is om alle stappen in beeld te brengen en dan de vraag te beantwoorden. Ga je dat
stap voor stap doen, dus per vermogensbestanddeel, of ga je dat in één keer doen?
Ik denk dat een aantal overwegingen daarbij zouden kunnen zijn of het budgettair en
uitvoeringstechnisch kan en of het juridisch houdbaar is. Ik denk dat het goed is
om alle stappen die je zou kunnen en moeten zetten in beeld te brengen, en vervolgens
aan de hand van die stappen gezamenlijk te beoordelen wat je gaat doen en hoe je het
gaat doen.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een vraag van de heer Oosterhuis over de vermogensaanwasbelasting en mogelijke
betalingsproblemen. Er zijn situaties, bijvoorbeeld van slechte aandelen of werknemersparticipatie,
waarbij dat speelt. Onze verwachting is dat de vermogensaanwasbelasting niet tot dit
soort liquiditeitsproblemen en dus betalingsproblemen leidt. Het is onze ervaring
dat belastingplichtigen doorgaans niet alleen dit soort vermogensbestanddelen hebben,
maar een gevarieerd pakket aan vermogensbestanddelen, ook met liquide vermogen. Uit
onderzoek blijkt dat box 3 op dit moment in ieder geval zelden tot betalingsproblemen
leidt. We hebben niet de indruk dat dat onder het nieuwe stelsel anders zal zijn.
Misschien nog even ter toelichting: op dit moment zijn er al betalingsregelingen van
standaard vier maanden en op verzoek twaalf maanden. In hele schrijnende gevallen
kan er zelfs maatwerk plaatsvinden en kunnen langere betalingsregelingen worden afgesproken.
Er zijn dus al betalingsregelingen. Voor zover dat nodig is, kan er ook voor box 3
gebruik van worden gemaakt. Dan had de heer Oosterhuis een andere vraag, over een
uitspraak van de Raad van State dat het noodzakelijk is om een integrale visie op
het belasten van vermogen te ontwikkelen. Het ging ook over de relatie tot box 1 en
box 2 en over in internationaal perspectief voorkomen dat extreem rijken allerlei
manieren hebben om zo min mogelijk belasting te bepalen. Voor de integrale visie heeft
het kabinet naar verschillende opties gekeken. Dat hebben wij ook in de memorie van
toelichting en de nota naar aanleiding van het verslag uitgewerkt. We hebben het hier
bij het bespreken van het pakket Belastingplan wat uitgebreider over gehad. Ik denk
dat het belangrijk is om zoiets in zijn totaliteit mee te nemen; als je het gaat hebben
over de integrale herziening van ons belastingstelsel, zou je dit volgens mij ook
mee moeten nemen. We hebben op dit moment naar box 3 gekeken. De vraag over die relatie
tot box 1 en box 2 zie ik toch wat meer in het kader van de integrale herziening van
ons belastingstelsel.
Dan de internationale fiscale behandeling van zeer rijke ...
De voorzitter:
Ogenblik, er is toch nog een vraag van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Ja, voordat de Staatssecretaris zo meteen doorgaat naar het internationale perspectief.
Mijn vraag over de relatie met box 1 en box 2 ging natuurlijk ook over het evenwicht
tussen die boxen en de tariefstelling. Het tarief in box 3 is nu wat lager dan het
gecombineerde tarief in box 2 – ik heb het over vennootschapsbelasting – en het tarief
in box 1. Stel dat het tarief van box 3 wat meer die richting op gaat, wat zijn dan
de effecten die de Staatssecretaris daarvan verwacht?
Staatssecretaris Heijnen:
Poeh, dat vind ik lastig. Daar hebben wij in het kader van dit wetsvoorstel niet naar
gekeken. In het verleden heeft uw Kamer wel vaker met mijn voorgangers van gedachten
gewisseld over het globale evenwicht, zoals dat dan genoemd wordt. Als je ervoor kiest
om het tarief in box 3 wat meer te laten bewegen richting, met name, box 1, dan zal
dat zeker gevolgen hebben. Maar u overvraagt mij als u mij vraagt welke gevolgen dat
zijn.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Tot slot in dit blokje een vraag van de heer Struijs; ik zie dat hij helaas niet aanwezig
is. Hij vroeg waarom het stelsel eigenlijk op de schop moet. Dat hebben we volgens
mij al besproken: het huidige stelsel is onhoudbaar en te complex voor burgers en
Belastingdienst, zorgt voor een jaarlijkse budgettaire derving en – dat vinden wij
ook heel belangrijk – leidt niet tot een rechtvaardige belastingheffing. Dat zijn
de redenen waarom we deze stap willen zetten. Ik denk dat dit de meeste leden die
al wat langer in deze commissie zitten, wel bekend is.
Dan ga ik naar het blokje aanvullend ...
De voorzitter:
U begon net aan iets internationaals. Toen beantwoordde u die interruptie, maar u
heeft vervolgens uw antwoord niet gegeven. Ik denk dat daar anders weer een interruptie
over gaat komen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kom er niet mee weg, hè? Even kijken.
Ik ga hier trouwens bij het blokje internationaal en belastingheffing bij zeer vermogende
particulieren nog uitgebreid op in, realiseer ik me nu. Mag ik er dan op terugkomen?
De voorzitter:
Ja. Dan geloof ik dat we nu doorgaan met de aanvullende wensen.
Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter. Dan begin ik met de vraag van de heer Vermeer. Meerdere leden stelden
deze vraag, volgens mij. «Waarom is er eigenlijk voor gekozen om alleen voor start-ups
voor een afwijkende regeling te kiezen en niet voor het brede mkb? Daar vindt namelijk
ook heel veel innovatie plaats.» Ik begrijp deze vraag heel goed. Niet alleen start-ups,
maar ook bestaande mkb-bedrijven dragen bij aan innovatie en aan de economie. Uit
de uitgevoerde staatssteunanalyse blijkt echter dat de ruimte om uitzonderingen op
de hoofdregel te maken, beperkt is. Zoals u zich ongetwijfeld herinnert, is naar aanleiding
van deze analyse de eerder voorgestelde uitzondering voor familiebedrijven geschrapt.
De groep mkb-bedrijven is net zoals die van familiebedrijven heel breed en divers,
misschien nog wel diverser en breder dan alleen familiebedrijven. Om die reden zien
we dan ook geen ruimte om voor mkb-bedrijven een uitzondering te maken op de hoofdregel.
Ik wil daar ook nog het volgende bij opmerken. Dan hebben we het met name over aandelen
in familiebedrijven; ik denk dat de heer Vermeer dat bedoelt. Het grootste deel van
die belangen valt natuurlijk in box 2. Je hebt het met name over die belangen in die
familiebedrijven waarvoor box 2 niet geldt, maar waarop box 3 van toepassing is.
Dan gaan we naar verliesverrekening en al dan niet achterwaartse verliesverrekening.
Daar zijn ook heel veel vragen over gesteld door onder anderen mevrouw Van Dijk en
de heer Hoogeveen, die ook een amendement in voorbereiding heeft. De heer Vermeer
en mevrouw Van Eijk hadden ook diverse vragen over verliesverrekening en al dan niet
achterwaartse verliesverrekening. Laat ik beginnen met de vraag van mevrouw Van Dijk
over de budgettaire derving. Bij het bepalen van de budgettaire derving is er rekening
mee gehouden dat verliezen alleen worden verrekend met inkomen uit 2028 of later.
Andere landen die geen achterwaartse verliesverrekening hebben, zijn bijvoorbeeld
twee Scandinavische landen, te weten Noorwegen en Zweden. Ook in Engeland kunnen verliezen
alleen worden verrekend met winst in eerdere jaren in geval van enkele uitzonderlijke
situaties. Het gebeurt dus niet veel, maar het gebeurt wel in Europa.
Dan het amendement van de heer Hoogeveen met een beperkte carry back van één jaar.
Ik begrijp die wens heel goed. De Belastingdienst geeft echter aan dat het zeer complexiteitsverhogend
is. Ik zeg dat niet om de discussie gelijk af te kappen. Ik geef aan wat het voor
de systemen betekent. Het is namelijk een ingrijpende structuurwijziging. De staffel
en de structuur van de aanslag moeten worden aangepast. Daarom geeft de Belastingdienst
aan dat inwerkingtreding per 1 januari 2029 niet uitvoerbaar is. Daarnaast heeft het
amendement ook budgettaire gevolgen, die niet worden gedekt. Volgens de budgettaire
tabel levert dat in bijvoorbeeld 2028 een derving op van 1,2 miljard en in 2029 van
1 miljard, en zo neemt die jaarlijks af. Het betekent toch een budgettaire derving
ten opzichte van het basispad waarvoor dan dekking zou moeten worden gevonden.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dat begrijp ik. Het is ook een reden dat er nog geen dekking in het amendement zat,
omdat wij in afwachting waren van die budgettaire gevolgen. Ik keek naar het budgettaire
effect, maar ik moet zeggen dat ik die cijfers niet helemaal begreep. Misschien kan
de Staatssecretaris het wat verduidelijken. Er staat: in 2028 1,2 miljard, in 2029
ruim 1 miljard, daarna 0,5 miljard en in 2031 367 miljoen. Maar dan staat er: structurele
kosten 12 miljoen. Nou weet ik niet zo goed hoe daarop is gekomen. Of het is een hele
steile afbreuk of we rekenen ergens door tot in de 23ste of 24ste eeuw. Kan de Staatssecretaris
dat budgettaire effect misschien wat verduidelijken?
Staatssecretaris Heijnen:
Mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen, voorzitter?
De voorzitter:
Ja. Geeft u uw oordeel over het amendement in de eerste termijn of in de tweede termijn?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ging ervan uit dat amendementen en moties in de tweede termijn worden ingediend,
waarna ik die zal appreciëren.
De voorzitter:
De amendementen zijn al bekend, dus het helpt soms wel voor de tweede termijn als
men het oordeel al weet. Maar ja, dat is aan u.
Staatssecretaris Heijnen:
Oké. Dat hadden wij niet voorbereid, maar ik kan het amendement van de heer Hoogeveen
wel appreciëren. Ik heb het eigenlijk min of meer al in mijn toelichting aangegeven.
Het is uitvoeringstechnisch en budgettair een probleem. Ik kom nog terug op de cijfers.
Het is niet gedekt; vandaar dat ik dit amendement moet ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 9 is daarmee ontraden. De Staatssecretaris vervolgt zijn
betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan gaan we naar het andere amendement van de heer Hoogeveen. Dat betreft de doorschuiffaciliteit
bij het beëindigen van een huwelijk door een scheiding, door een life event. Ook dat
– helaas, ik val in herhaling – is een structuurwijziging in de keten Inkomensheffing.
Dat is een ingrijpende verandering en kan niet uitgevoerd worden per 1 januari 2028.
Er zijn budgettaire gevolgen berekend. Wellicht dat de heer Hoogeveen ook daar een
nadere toelichting op wil. Die zullen we ook meenemen in mijn tweede termijn. Om dezelfde
redenen als bij het eerste amendement, kan ik dit amendement helaas alleen maar ontraden.
De voorzitter:
Het amendement op stuk nr. 8 is ontraden, meneer Hoogeveen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik vond dat inderdaad ... Maar goed, fijn als de Staatssecretaris er in de tweede
termijn op terugkomt. Bij die doorschuiffaciliteit kregen wij zelfs door dat het geen
budgettair effect zou hebben. Dat leek vrijdag opeens weer anders te zijn. Daar hebben
wij nog nadere informatie over gevraagd. Daar hebben wij nooit meer iets van vernomen.
Wellicht dat de Staatssecretaris daar in de tweede termijn op terug kan komen.
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker, daar kom ik op terug. Het is goed – dat werd al eerder in dit debat aangegeven –
dat er geen discussie is over de feiten en uitgangspunten.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Vermeer had ook een vraag over verliesverrekening in het laatste levensjaar.
Is dat geen reden om nog snel, vlak voor het overlijden of in het jaar van overlijden,
naar een bv te gaan? Hij vroeg zich ook af hoeveel belastingplichtigen er zijn met
een vermogen van meer dan 1 miljoen in box 3. Ik ga met die laatste vraag beginnen.
Dat zijn er in 2028 volgens de raming 104.000. Er zijn dan dus 104.000 belastingplichtigen
met een box 3-vermogen van meer dan een miljoen.
Het klopt, zoals de heer Vermeer aangaf, dat bij overlijden niet het volledig geleden
verlies kan worden verrekend met positieve inkomsten in dat jaar. Als er geen positieve
inkomsten zijn, blijft dat verlies permanent onverrekend. Dat klopt. Maar daarbij
moet wel worden bedacht dat in het laatste jaar, of in het jaar van overlijden, de
nog niet belaste waardeaangroei van onroerend goed alsnog in de heffing wordt betrokken.
Dat zou wellicht wel voldoende basis bieden om die verliezen te verrekenen. Ik vraag
me af of dit soort situaties heel veel gaan voorkomen en of dit inderdaad een weg
gaat worden die veel belastingplichtigen kiezen. Het oprichten en onderhouden van
een bv kost geld en hoeft fiscaal zeker niet altijd voordelig te zijn.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik weet niet of deze vraag hier past of dat de Staatssecretaris er nog op terugkomt.
Bij overlijden moet men belasting betalen over gereduceerde winst, omdat het wordt
geïnterpreteerd als een moment van verkoop, waarop dus vermogenswinst wordt gemaakt.
Dat kan tot grote liquiditeitsproblemen leiden bij de nabestaanden, of het nou gaat
over bijvoorbeeld verhuurd vastgoed – we mogen huurders in dit land gelukkig niet
in één keer op straat zetten – of om beleggingen die niet zomaar liquide te maken
zijn. In dergelijke gevallen is het een enorme aanslag. Hoe ziet de Staatssecretaris
dat? Zijn er dan ruimhartige betalingsregelingen voorhanden? Er wordt namelijk niet
zo veel over gezegd in de stukken. Bij sommige zaken hebben we doorschuiffaciliteiten,
maar hierbij niet.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt. Gelukkig is bij het pakket Belastingplan 2026 die termijn aanzienlijk verruimd,
van acht naar twintig maanden. Dat geeft, denk ik, al heel veel lucht om actie te
ondernemen. Daarnaast kunnen we met de bestaande betalingsregelingen van vier maanden,
twaalf maanden, of zelfs nog langer in individuele en echt heel moeilijke situaties,
goed uit de voeten, denk ik. Dus ja, mogelijk zal een beperkt aantal situaties zich
voordoen. En ja, dan kan er gebruikgemaakt worden van de bestaande betalingsregelingen.
De voorzitter:
De heer Grinwis heeft nog een vervolgvraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Heel kort hierover. De Staatssecretaris classificeert die betalingsregelingen als
ruim. Stel dat je verhuurd vastgoed hebt, waarin huurders zitten met vaste contracten
voor onbepaalde tijd, en er een enorme waardestijging is geweest. Dan moet je misschien
in één keer tonnen aftikken bij de Belastingdienst. Vier of twaalf maanden klinkt
mij dan helemaal niet ruim in de oren. Is dat niet een reden om toch nog een keer
naar die betalingsregelingen te kijken in relatie tot het nieuwe box 3-stelsel, dat
hier voorligt?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik vraag mij dat af. Bij de aangifte van de erfbelasting is de termijn nu sowieso
al twintig maanden. Daar komt twaalf maanden bij, bij de betalingsregelingen die geen
maatwerk betreffen. Dan heb je bijna drie jaar de tijd om het te verkopen of om iets
anders te regelen. Als er dan nog betalingsproblemen overblijven, dan is het mogelijk
om de betalingsregeling via maatwerk nog verder te verlengen. Ik denk dus niet dat
de huidige betalingsregelingen nog ruimer hoeven te worden.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik blijf even bij de verliezen. Mevrouw Van Eijk vroeg of de effecten van de gekozen
verrekeningssystematiek kunnen worden gemonitord. Ja, dat zullen we doen. De gevolgen
van de gekozen verliesverrekening is een van de elementen die we zullen meenemen in
de evaluatie van het wetsvoorstel. Dat kan ik bij dezen toezeggen.
De heer Grinwis en de heer Vlottes vroegen hoe het werkt met negatieve rendementen.
Daarvoor geldt een onbeperkte voorwaartse verliesverrekening. We hebben het daar al
over gehad, dus ik weet niet of daar nog verdere vragen over zijn. Ik denk dat we
het daar al uitgebreid over hebben gehad.
Mevrouw Van Eijk vroeg naar andere landen met eenvoudige instrumenten, bijvoorbeeld
beleggingsrekeningen of vrijstellingen voor bepaalde vormen van rendement. Zij vraagt
mij of ik bereid ben om parallel aan dit wetstraject samen met de Kamer te verkennen
welke opties kansrijk zijn voor Nederland. In het commissiedebat Ecofin van 3 december
jongstleden heb ik toegezegd een onderzoek op te starten. Ik geloof dat mevrouw Van
Dijk daar ook naar vroeg. Dat onderzoek wordt in de eerste helft van 2026 uitgevoerd.
Dat ligt nog op plan. Het zal in de eerste helft van 2026 met uw Kamer gedeeld worden.
De voorzitter:
Mevrouw Van Eijk op dit punt.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik denk dat de antwoorden die de Staatssecretaris en de Minister geven niet altijd
helemaal gelijk lopen als het gaat over beleggingen, al dan niet in EU-verband. Er
is ook nog een fiche over EU-beleggingsrekeningen geweest. Daarin stond heel nadrukkelijk:
«We vinden een EU-beleggingsrekening heel interessant. Dat is allemaal hartstikke
logisch. We gaan serieus kijken naar een nationale optie na inwerkingtreding van de
Wet werkelijk rendement box 3.» Het zal dan volgtijdelijk plaatsvinden. Ik zou dat
een gemiste kans vinden, dus ik vraag de Staatssecretaris nogmaals of het parallel
kan gebeuren.
Staatssecretaris Heijnen:
Nu moet ik voorzichtig worden. Die opmerking is terecht. Wat mij betreft loopt het
parallel. Ik ben het volledig met mevrouw Van Eijk eens. Waarom zou je wachten als
je het ook parallel kunt doen? Je neemt nog geen beslissing of je het wel of niet
gaat doen; je gaat er alleen maar onderzoek naar doen. Ik zal dat met de Minister
afstemmen.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Oosterhuis vroeg of ik in de toekomst wil toegroeien naar een progressieve
tariefstructuur in box 3 en welke uitvoerings- en gedragseffecten ik zie. De heer
Stultiens had het daar ook over. Ik heb al aangegeven dat dit niet het eindstation
is wat betreft het demissionaire kabinet. Wij zien de Wet werkelijk rendement als
een tussenstation, maar de vraag wat het eindstation wordt, bijvoorbeeld een progressieve
tariefstructuur zoals we die inmiddels ook kennen voor box 2, wil ik heel graag aan
het volgende kabinet en aan uw Kamer laten. Op dit moment zou het – u voelt ’m al
aankomen – een ingrijpende structuurwijziging zijn, die mogelijk en waarschijnlijk
tot een latere invoeringsdatum zal leiden dan 1 januari 2028.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik heb hier wel een vraag over. We moeten deze wet aannemen in maart. Er zijn nog
22 maanden over om hem te implementeren. Er wordt een heel nieuw systeem opgetuigd
van fictief rendement naar daadwerkelijk rendement. Er komt nog een aanvullend wetsvoorstel.
Er komt nog een definitie van start-ups. En toch zegt de Staatssecretaris: ja, maar
een toptarief toevoegen wordt moeilijk. Vraag één is: is dat echt zo? Vraag twee is:
per wanneer is dat dan wel mogelijk?
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, het is echt zo. Het is echt een ingrijpende structuurwijziging. Per wanneer is
het wel mogelijk? Een aantal jaren na 1 januari 2028. Dat geldt eigenlijk voor veel
van de ingrijpende structuurwijzigingen. Eerst moet Cool:Gen zijn uitgefaseerd, zoals
u allemaal heeft gelezen. Dat is voor eind 2027 voorzien. Dan moet het nieuwe box 3-stelsel
worden geïmplementeerd. Vervolgens kunnen dit soort wijzigingen meegenomen worden,
als men dat wil. Ik denk dat je dan wel over een aantal jaren na 1 januari 2028 spreekt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik geloof de Staatssecretaris op zijn woord, maar laat ik het zo zeggen: het is moeilijk
voor te stellen dat je met 900 fte in 22 maanden niet één tarief kan toevoegen. Maar
laat ik ervan uitgaan dat het klopt. Dan zou ik graag in de tweede termijn horen welke
datum precies mogelijk is. We hebben een amendement liggen en ik wil geen dingen indienen
die niet kunnen, dus vandaar dat ik het vraag. Het helpt wel om het exact te weten
en ik hoor dan graag wat de eerst mogelijke datum is waarop het wel uit te voeren
is.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kom daar in de tweede termijn op terug.
We hebben het al een aantal keer gehad over tussenstation of eindstation. De heer
Grinwis vroeg mij hoe ik het nu ga aanpassen om te beoordelen of dingen wel goed werken
of beter zouden kunnen werken. Welk proces is aan de orde en hoe wordt de Kamer daarbij
betrokken? Ik kan u toezeggen dat ik u na de invoering van de wet zal informeren over
de uitvoering, bijvoorbeeld via de bekende stand-van-zakenbrieven, die doorgaans halfjaarlijks
vanuit de Belastingdienst worden gestuurd. Aan de hand van de evaluatie, al dan niet
na vijf jaar, kan worden gekeken wat de ontwikkelingen zijn met betrekking tot de
uitvoerbaarheid, doenbaarheid voor de burger en de belastingopbrengsten. Ook kan een
invoeringstoets worden gedaan, die we tegenwoordig vaker doen. Die zal ik met uw Kamer
delen.
Dan een vraag van mevrouw Van Dijk: is de termijn van vijf jaar voor startende ondernemingen
niet te kort en waarom sluiten we niet aan bij de fiscale regelingen voor medewerkersparticipaties?
Bij de nieuwe definitie zal inderdaad de termijn worden verlengd. RVO zal een beschikking
afgeven. Die geldt in eerste instantie voor acht jaar en kan worden verlengd met termijnen
van vijf jaar, als nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan. Ik werk ook aan een
apart wetsvoorstel met deze verbeterde definitie, samen met de regeling voor medewerkersparticipaties.
Wij koersen hierbij op een inwerkingtreding per 1 januari 2027. Deze definitie kan
en zal vervolgens uiteraard ook worden gebruikt in box 3 vanaf 1 januari 2028. Mevrouw
Van Eijk noemde een termijn van tien tot vijftien jaar, geloof ik. Daar zou je met
deze nieuwe regeling, acht plus vijf, aan kunnen voldoen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik weet niet zeker of daarmee het kopje startende ondernemingen klaar is, want ik
had daar meer vragen over. Anders heb ik een aantal aanvullende vragen.
Staatssecretaris Heijnen:
De startende ondernemingen komen verderop in de stukken nog terug.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Oké. Dan specifiek op dit punt. Ik snap dat we naar eenvoud streven. Ik zou het liefst
ook eenzelfde definitie hebben in zowel de wet op de loonheffingen voor de medewerkersparticipatie
als in de Wet werkelijk rendement box 3 wat betreft de aandelen in startende ondernemingen.
De vraag is echter of dat juridisch houdbaar is, omdat het doel van de uitzondering
in de Wet werkelijk rendement een andere is dan de stimuleringsmaatregel rond de medewerkersparticipatie
in de wet op de loonheffing. Ik vraag mij af of we niet in allerlei andere discussies
terechtkomen als we zo aan die definitie gaan sleutelen dat die niet meer helemaal
aansluit bij het doel van de uitzondering in de Wet werkelijk rendement. Volgens mij
werd het maken van die uitzondering vooral gedreven door het feit dat het een illiquide
karakter heeft. Ik vraag mij af of die dan niet kwetsbaarder wordt. Met andere woorden:
ik volg de lijn van eenduidigheid, eenvoud en dezelfde definitie, maar ik denk wel
dat we scherp moeten blijven op het eventueel verder inkaderen als het gaat om de
Wet werkelijk rendement box 3 om die daar ook juridisch houdbaar te houden en geen
discussies te krijgen over aandelen in familiebedrijven, aandelen in mkb's en aandelen
in andere bedrijven. Ik maak mij daar zorgen over. Misschien kan de Staatssecretaris
daar nog iets over zeggen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, ik snap dat. Ik denk ook dat we daar goed rekening mee moeten houden. Aan de andere
kant: wat betreft de medewerkersparticipatie zijn er ook regelingen voor andere dan
start-ups. Daarvoor geldt ook geen specifieke regeling. Daar moet je dus ook al rekening
mee houden als het gaat om de juridische kwetsbaarheid. Dus ja, ik denk dat het belangrijk
is om daar rekening mee te houden, maar dat geldt voor beide regelingen. Zou dat ertoe
leiden dat de definitie voor de ene regeling wellicht anders zou moeten zijn dan voor
de andere regeling, dan is dat maar zo, maar op dit moment gaan wij ervan uit dat
dit niet het geval is.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Stoffer stelde een vraag over de waardering van aandelen in familiebedrijven
en de jaarlijkse waardering in het nieuwe stelsel. «Brengt dat niet een grote uitvoeringslast
voor de Belastingdienst, maar ook voor die bedrijven met zich mee?» Sinds de invoering
van het box 3-stelsel moeten bezittingen jaarlijks worden gewaardeerd, namelijk op
de waarde in het economisch verkeer. Dat geldt ook voor dit soort aandelen, voor aandelen
in familiebedrijven. Op dit punt brengt het nieuwe box 3-stelsel dus geen wijziging
met zich mee.
Dan een tweede vraag van de heer Stoffer. Misschien hadden wij die net moeten behandelen.
De uitzondering voor familiebedrijven is geschrapt. Hij vroeg zich af of we «familiebedrijven»
dan niet beter zouden moeten definiëren, zodat dit bij een staatssteuntoets wél juridisch
houdbaar is. Wij hebben hier uitgebreid onderzoek naar gedaan en we hebben dit extern
laten toetsen. Na dat onderzoek en die externe toetsing zien wij niet echt ruimte
voor het maken van een uitzondering voor familiebedrijven. Dat komt doordat het concept
«familiebedrijf» geen homogene groep is. Dit laat zich daarom niet makkelijk lenen
voor een uniforme bruikbare definitie. Een nauwere afbakening voor bijvoorbeeld alleen
kleine of middelgrote familiebedrijven zou geen oplossing bieden. Wat ons betreft
is het in die situatie nog steeds zeer lastig om te onderbouwen waarom een uitzondering
gerechtvaardigd is ten opzichte van bedrijven die onder de hoofdregel vallen. Dus
ja, naar de definitie is goed gekeken, maar wij zien geen mogelijkheden om die vrijstelling
of die familiebedrijven via een aanpassing van de definitie alsnog onder de vermogenswinstbelasting
te laten vallen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Even over die definitiediscussie. Dat is een Europese discussie. In Europa bestaan
ook maatregelen om familiebedrijven te steunen. Daar hebben ze, neem ik aan, ook definities.
In hoeverre wijken die af van hetgeen wij doen? Zou daar dan nog wat meer evenwicht
in te vinden zijn?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of dat met mevrouw Van Dijk was, maar ik herinner me dat wij het tijdens
de behandeling van het pakket Belastingplan ook over familiebedrijven hebben gehad
en wel in relatie tot de BOR. Misschien was dat niet bij het pakket Belastingplan
maar eerder; ik weet het niet. Volgens mij hebben we toen ook gekeken naar de definitie
van «familiebedrijven» en hoe ze dit in andere landen doen. Ik denk dus dat dat heel
goed is. Niet vergeten mag worden dat het misschien wat eng is om specifiek alleen
naar familiebedrijven en de definitie van familiebedrijven in diverse landen te kijken,
omdat je dan ook het hele belastingstelsel zou moeten meenemen waarin dat een rol
speelt. Ik vind het in ieder geval een goede suggestie van mevrouw Van Dijk om daar
eens wat breder, in Europees verband, naar te kijken. Volgens mij vinden er ook regelmatig
onderzoeken op dit vlak plaats, met name naar hoe familiebedrijven in diverse Europese
landen fiscaal worden behandeld.
De heer Stoffer (SGP):
Het antwoord van de Staatssecretaris klinkt op zich logisch, maar is hij het met mij
eens dat het erop neerkomt dat het ten koste gaat van familiebedrijven als je belasting
over vermogensaanwas moet betalen? Dan ga je het aandeel in de familiebedrijven toch
verwateren? Als je niet uitkijkt, wordt het allemaal private equity. Als het in twee
families komt, dan is het nog niet zo'n punt. Maar stel dat het allemaal private equity
wordt. Stel dat mensen denken: weet je, laat het dan maar gaan. Dan krijgen we een
heel ander soort bedrijfscultuur in Nederland. Ziet de Staatssecretaris dat? Wij zitten
nu een wet te maken en dan denk je in systemen, procedures enzovoorts. Maar het kan
zomaar een heel groot maatschappelijk effect hebben waarvan we op een gegeven moment,
over een aantal jaar, denken: wat hebben we er met elkaar van gemaakt?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de zorg van de heer Stoffer en ik denk dat het goed is om daar rekening mee
te houden als dat inderdaad een probleem zou zijn. We hebben het echter over belangen
in familiebedrijven van minder dan 5%, want alle andere belangen vallen in box 2.
Ik denk dat 95% van de aandelen in familiebedrijven in box 2 valt en niet in box 3,
dus daarbij hebben we dat probleem niet. Daarnaast is het zo, als je het hebt over
de juiste verwatering, dat je zelfs bij een belang tot en met 0,5% onder box 3 kunt
blijven vallen via een fictief aanmerkelijk belang. Ik denk dus dat de maatschappelijke
impact waar de heer Stoffer voor vreest uiteindelijk wel zal meevallen door de familiebedrijven
niet onder de vermogenswinstbelasting te brengen.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar het kopje uitvoering. Daar zijn ook heel veel vragen over gesteld en
veel voorstellen voor gedaan. Om te beginnen wil ik nog een keer heel helder aangeven
wat nu die ingrijpende veranderingen zijn die leiden tot een vertraging van de tijdige
inwerkingtreding van het wetsvoorstel. In feite maak ik dan een drieslag. Op de eerste
plaats zijn dat grote aanvullende ICT-aanpassingen bij de Belastingdienst die niet
meer in het portfolio van de keten IH kunnen worden ingepast. Voorbeelden hiervan
zijn het invoeren van een tweede tariefschijf – ik zal op verzoek van de heer Stultiens
aangeven wanneer dan wel – een differentiatie in het heffingsvrije resultaat tussen
sparen enerzijds en beleggen anderzijds, waar ook naar werd gevraagd, en een herinvoering
van groen beleggen. Dat zijn allemaal voorbeelden van grote aanvullende ICT-aanpassingen
die ingrijpende wijzigingen zijn. Ook het invoeren van een doorschuiffaciliteit voor
de NSW-landgoederen zou een ingrijpende verandering zijn, maar daar ga ik zo meteen
nog uitgebreider op in. Dat zijn dus de ICT-aanpassingen. Ten tweede is er sprake
van een ingrijpende verandering als een aanpassing leidt tot een grotere personele
behoefte dan waar we nu al mee zitten, dus als er meer dan 900 mensen extra aangenomen
moeten worden. Die aanvullende wervingsopgave is ook een grote wijziging. Het risico
bestaat dat de Belastingdienst die niet tijdig kan invullen. Dan een derde, zoals
u wellicht ook in de nota naar aanleiding van het verslag hebt gelezen. We werken
heel veel samen met ketenpartners. Als er een wijziging wordt voorgesteld die heel
veel extra werk betekent voor de ketenpartners, voor andere organisaties, dan is dat
ook een ingrijpende wijziging. Dat zijn dus de ingrijpende wijzigingen. Zo moet u
die zien.
Dan een vraag van de heer Vermeer op het gebied van de uitvoering. Die gaat met name
over het personeelstekort. Hij vroeg of ik een alternatief heb om genoeg mensen te
werven, met name op het vlak van extra personeel. De Belastingdienst is ervan overtuigd
dat door het ingroeimodel de tijdige werving van medewerkers mogelijk is. Daarnaast
zullen we uiteraard zo veel als mogelijk gebruikmaken van medewerkers die al bij de
aanvullende hersteloperatie voor box 3 worden ingezet. Deze medewerkers hebben inmiddels
al de relevante ervaring opgedaan. Hopelijk zijn ze over een aantal jaren klaar met
hun werkzaamheden voor het herstel en kunnen ze overstappen naar werkzaamheden voor
de Wet werkelijk rendement. Daarnaast – de heer Vermeer wees daar al op – zullen wij
ook gericht medewerkers gaan benaderen van afdelingen die binnen de Rijksoverheid
gaan afschalen, zoals de Dienst UHT. Die werd al genoemd. Wij verwachten dus dat we
die medewerkers kunnen vinden.
Wij zien wel een uitdaging om voldoende medewerkers met specifieke expertise, zoals
waarderingsdeskundigen, te werven. We zijn bezig om ook daarvoor in een oplossing
te voorzien. Dat willen wij doen middels slim gebruik van data en informatie om de
medewerkers die zich hiermee bezighouden te ondersteunen. Dan moet u denken aan een
dashboard met onroerende zaken om het toezicht minder arbeidsintensief te maken. Ja,
ook dit soort medewerkers moeten wij werven. Wij verwachten dat dat niet leidt tot
problemen waardoor de invoering per 1 januari 2028 in gevaar komt. Wij denken na over
slimme ondersteuning, zodat dat op een goede manier kan plaatsvinden.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, en als dat niet lukt, moeten we dus versneld naar echte winstbelasting.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of dat de conclusie is, voorzitter.
De vraag van de heer Stultiens ligt op hetzelfde terrein. Hij vroeg of echt alles
is gedaan om de uitvoeringstoets minder slecht te maken, of echt alles uit de kast
is getrokken. Ja, wij zijn van mening van wel. Wij zien op dit moment geen verbeterpunten
voor het voorliggende wetsvoorstel die de uitkomsten van de uitvoeringstoets zouden
kunnen verbeteren. Dat is natuurlijk jammer, maar wij vonden het wel belangrijk om
transparant en eerlijk te rapporteren over de uitdagingen waar de Belastingdienst
mee te maken heeft.
Mevrouw Van Eijk had ook een vraag over de uitvoering, over ICT en de uitfasering
van oude systemen. Binnen de ICT van de Belastingdienst heeft uitfasering van de verouderde
software Cool:Gen prioriteit; dat heeft u gelezen. Die uitfasering was eigenlijk voorzien
voor eind dit jaar, maar dat wordt nu eind volgend jaar. Dan moet die voltooid zijn.
Vervolgens heeft de Wet werkelijk rendement prioriteit. De Belastingdienst koerst
dus op invoering per 1 januari 2028, zoals al gezegd. Dat geldt ook voor taxateurs
en business valuators. Dat zijn schaarse en specifieke groepen die doorlopend, ook
nu al, door de Belastingdienst worden geworven. Wij verwachten niet dat dit leidt
tot problemen waardoor de invoering per 1 januari 2028 in het geding komt.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Welke risico's ziet de Staatssecretaris nog als het gaat om de uitfasering van Cool:Gen?
Of is er met dat jaar uitstel een dusdanige marge ingebouwd dat dat nog steeds een
haalbare datum is, als de Kamer wegblijft van allerlei nieuwe beleidswensen, structuurwijzigingen
et cetera?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat laatste, zeg ik in antwoord op de vraag van mevrouw Van Eijk. Dat heeft u ook
in de uitvoeringstoets kunnen lezen. Als er geen ingrijpende wijzigingen van dit wetsvoorstel
komen en als er geen ingrijpende andere wetsvoorstellen worden ingediend die een groot
beslag leggen op de ICT van de keten IH, zijn wij ervan overtuigd dat invoering per
1 januari 2028 nog steeds mogelijk is.
Dan nog een vraag van mevrouw Van Eijk; de heer Grinwis vroeg er ook naar. Ik heb
toegezegd daarop terug te komen. Zij vroegen: welke wijzigingen zijn nog mogelijk
zonder risico voor de planning? Dat gaat over de parameterwijzigingen, over het tarief
voor het heffingsvrije resultaat. Ik kom daar, zoals gezegd en toegezegd, schriftelijk
op terug.
Over betalingsregelingen heb ik het gehad en de specifieke vraag van de heer Oosterhuis
heb ik volgens mij ook al min of meer beantwoord: is het mogelijk een heffingskorting
voor groen beleggen te introduceren? Dat is een structuurwijziging in de keten inkomstenheffingen.
Zijn vraag was: wanneer zou dat dan kunnen? Ik zal de Belastingdienst ook verzoeken
om te onderzoeken binnen welke termijn deze maatregel eventueel kan worden ingevoerd.
Ik moet heel eerlijk zeggen dat ik dat niet komende week al kan aanleveren. Ik hoop
dat dat geen probleem is. Zou de Kamer daartoe besluiten, dan kan dat natuurlijk gewoon
in het Belastingplan worden opgenomen.
De voorzitter:
De heer Oosterhuis en dan mevrouw Van Eijk.
De heer Oosterhuis (D66):
Dit zou wat mij betreft een van de wijzigingen zijn voor in de brief die is toegezegd
aan de heer Grinwis. Misschien kan daarin worden meegenomen of deze wijziging uitvoerbaar
is per 2028.
Staatssecretaris Heijnen:
Misschien heb ik het niet duidelijk genoeg gezegd. Invoering per 1 januari 2028 is
uitvoeringstechnisch niet mogelijk. Ik zal terugkomen op de vraag per wanneer het
dan wel kan. Het is niet mogelijk, omdat het een ingrijpende structuurwijziging is.
Het is anders dan een parameterwijziging, bijvoorbeeld de 3,35% waar de heer Grinwis
naar vroeg, of een tarief. Dit is echt wel een grote ICT-structuurwijziging, die per
1 januari 2028 helaas niet ingevoerd kan worden.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik probeer even mee te denken. Ik bedoel, wij behoorden tot degenen die de regelingen
gesloopt hebben, dus dat erken ik hier ook volmondig, maar daarbij waren er natuurlijk
twee onderdelen: een extra heffingsvrij vermogen en een heffingskorting. Die zijn
allebei technisch gezien in de wet blijven staan, omdat in één keer afschaffen ook
niet kan. Met andere woorden, er is nog wel iets. Misschien kan de Staatssecretaris
dus ook nog ingaan op die varianten, want er waren er twee.
Staatssecretaris Heijnen:
Staat u mij toe dat in de tweede termijn te doen, voorzitter. Dan kom ik daar graag
op terug.
De voorzitter:
Ik ben heel flexibel, maar ik kijk even naar de leden. Die vinden dat ook wel goed,
denk ik. Ja. Dan kunt u verder.
Staatssecretaris Heijnen:
Over de invoeringstoets hebben we het al gehad.
Dan een vraag over de administratie- en bewaarplicht. Onder anderen de heer Stoffer
vroeg daarnaar. Voor een kleine groep belastingplichtigen wordt een administratie-
en bewaarplicht ingevoerd, namelijk voor diegenen met bezittingen waarover de Belastingdienst
geen contra-informatie van banken, verzekeraars of andere partijen ontvangt. Het is
dus geen generieke plicht, maar het gaat om maatwerk. Het is vervolgens eenieders
verantwoordelijkheid als belastingplichtige om hieraan te voldoen. Ik ben er, zeg
ik heel eerlijk tegen de heer Stoffer, geen voorstander van om die administratie-
en bewaarplicht te koppelen aan de omvang van iemands vermogen of het inkomen daaruit;
dat kan immers per jaar verschillen. Zoals volgens mij ook in de nota naar aanleiding
van het verslag is aangegeven, geldt die informatie- en bewaarplicht nu eenmaal voor
een aantal extra belastingplichtigen. We streven er in ieder geval naar de belastingplichtigen
op het aangifteformulier duidelijk te maken welke gegevens ze hoelang zouden moeten
bewaren om daaraan te voldoen.
Dan een vraag van mevrouw Van Dijk. Die was heel concreet: stel nu dat we 10% minder
mensen kunnen werven dan we voorzien hadden; wat betekent dat dan? Ja, dat zal gevolgen
hebben. Dat zal mogelijk gevolgen hebben voor het toezicht en de handhaving. Dan zullen
er keuzes gemaakt moeten worden wat betreft de mate en de omvang van het toezicht.
Dat is dus concreet mijn antwoord.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank voor het antwoord. Ik was ook op zoek naar het volgende. Jullie weten dat dit
risico er is. Daar denken jullie over na. Dan bepaal je misschien ook een ondergrens
met elkaar, van: als we dit niet meer kunnen werven, wordt het echt onverantwoord.
Kunt u ons daar een stukje in meenemen?
Staatssecretaris Heijnen:
Mij is eigenlijk niet bekend dat wij een harde ondergrens hebben bepaald, zoals «als
het meer dan 10% is, moeten we niet verdergaan», ook omdat we ervan uitgaan dat we
de benodigde mensen kunnen werven. Op dit moment lukt dat ook. Het antwoord op die
vraag moet ik dus schuldig blijven.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een andere vraag van mevrouw Van Dijk, over de hele grote rode vlag bij onvoldoende
dienstverlening en toezicht, en het risico dat daarmee gelopen wordt dat de bereidheid
bij belastingplichtigen om vrijwillig te voldoen aan fiscale verplichtingen, afneemt.
Zij vroeg hoe ik dat zie en of ik daar nog een keer op in wilde gaan. Op dit moment
zijn er geen aanwijzingen dat hierdoor, met onvoldoende dienstverlening en toezicht,
het risico wordt gelopen dat de bereidheid bij belastingplichtigen om vrijwillig te
voldoen aan de fiscale verplichtingen afneemt. Wij zullen dit soort zaken uiteraard
wel monitoren en in de evaluatie meenemen, wellicht gekoppeld aan hoe het op dit moment
met de wervingsopgave staat.
Dan ga ik naar het favoriete thema van ons allemaal, namelijk budgettair. Er zijn
een aantal vragen gesteld over de verschillen tussen de structurele opbrengst op lange
termijn van een vermogenswinstbelasting en de structurele opbrengst op lange termijn
van een vermogensaanwasbelasting. De heer Grinwis en mevrouw Van Dijk vroegen of deze
in kaart kunnen worden gebracht en of de keuze voor een vermogensaanwasbelasting budgettair
gezien op langere termijn niet juist slechter is. De heer Stultiens keek wat meer
naar de korte termijn, alhoewel tien jaar ook vrij langdurig is. Een vermogenswinstbelasting
in plaats van een vermogensaanwasbelasting levert in de eerste vijf jaar cumulatief
circa 5 miljard minder op dan het huidige hybride stelsel.
De heer Grinwis vroeg daarnaast of een volledige vermogenswinstbelasting op de langere
termijn tot hogere belastinginkomsten leidt. In de raming zoals die is gecertifieerd
door het CPB leveren een vermogenswinstbelasting en een vermogensaanwasbelasting over
de lange termijn structureel evenveel op. Nadat de vermogenswinstbelasting en eventueel
de verliesverrekening zijn ingegroeid, is de grondslag immers gelijk. Je zou kunnen
zeggen dat een vermogenswinstbelasting meer oplevert omdat er niet verplicht verkocht
hoeft te worden en dat vermogen dan extra rendeert. Een geïnvesteerd bedrag groeit
bij een vermogenswinstbelasting harder dan bij een vermogensaanwasbelasting. Dat is
mechanisch natuurlijk gewoon juist. Het is echter de vraag, en denk ik niet juist,
of dit tot meer welvaart of economische groei leidt. De welvaart van een tussentijdse
belastingopbrengst in een vermogensaanwasbelasting is namelijk niet nul. Je betaalt
belasting. Geld verplaatst zich dan van de burger naar de overheid en die kan deze
middelen vervolgens inzetten om zo op een andere wijze welvaart te creëren.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het ging eigenlijk met name om het volgende feit. Doordat je vermogenswinstbelasting
hebt, durf je misschien risicovoller te beleggen, omdat je weet dat je pas aan het
einde af hoeft rekenen en je portefeuille bij elkaar kan houden. Dat was eigenlijk
de relatie met de economische groei. Volgens mij benoemden meerdere collega's die
relatie. Het ging niet zozeer om het afrekenen voor de portemonnee van het Rijk en
dat we met dat geld zouden kunnen investeren.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of het systeem van belastingheffing, althans vermogensaanwasbelasting
versus vermogenswinstbelasting, bijdraagt aan de bereidheid om risico te nemen. Zo
begrijp ik de vraag namelijk nu. Op het moment dat je vermogen voor een langere termijn
tot je beschikking hebt, heb je natuurlijk meer jaren de tijd om eventuele verliezen
goed te maken. Dat is een beetje hoe ik de vraag nu begrijp. Maar goed, dan ga je
ervan uit dat in de vermogensaanwasbelasting juist die vermogensbestanddelen moeten
worden verkocht om aan de belastingclaim te voldoen, terwijl die vermogensbestanddelen
slecht renderen. Ik vraag me af of dat verband zo een-op-een gemaakt kan worden, heel
eerlijk gezegd.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan is er ook een budgettaire vraag van de heer Stultiens: hoeveel belastinggeld lopen
we de komende 30 jaar opgeteld en cumulatief mis door te kiezen voor dit hybride wetsvoorstel
in plaats van een volledige vermogensaanwasbelasting? De heer Stultiens verwees al
naar mijn eerdere beantwoording, waarin ik zei dat de opbrengst bij eventueel volledige
vermogensaanwas in de eerste tien jaar gelijk is aan cumulatief 23 miljard. De totale
omvang van dit budgettaire effect bedraagt de komende 30 jaar cumulatief circa 42 miljard.
Dat zou je dan dus moeten afzetten tegen de cumulatieve opbrengst van een vermogenswinstbelasting.
Als het goed is, zou het totaal aan elkaar gelijk moeten zijn; alleen de verdeling
over de jaren is anders.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat laatste snap ik niet helemaal, want dat eenmalige bedrag gaan we toch nooit meer
inlopen? De Staatssecretaris zegt dat het structureel hetzelfde oplevert. Dat snap
ik, maar dat temporele effect gaan we toch nooit inlopen? Als je die stap dus maakt,
als je voor een ander systeem kiest, moet je toch gewoon bereid zijn tientallen miljarden
budgettaire derving te accepteren?
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, ik zei het verkeerd, sorry. Ik bedoelde te zeggen dat een vermogenswinstbelasting
en een vermogensaanwasbelasting over de hele looptijd uiteindelijk evenveel opleveren,
maar dat de verdeling over de jaren verschillend is. Ik ben het met de heer Stultiens
eens dat je op het moment dat je de switch maakt een stuk zult moeten investeren.
De vraag is of je dat inloopt; dat zou kunnen, maar dat denk ik niet. Dat was de vraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Volgens mij blijft dan het punt staan. Er komt een keer een moment in de toekomst
dat de structurele opbrengst hetzelfde is, maar de derving van al die jaren daarvoor
ga je nooit meer goedmaken. Dat betekent dus dat als wij vandaag de keuze maken voor
een hybride stelsel, we de komende 30 jaar minstens 42 miljard euro mislopen, omdat
we niet kiezen voor vermogensaanwas. Het is volgens mij goed om dat hier met elkaar
te beseffen. Dezelfde vraag geldt als je vervolgens naar vermogenswinst gaat, waar
sommige partijen voor zijn. Hoe groot is dat gat de komende 30 jaar dan? Er is nu
gezegd: 5 miljard in vijf jaar tijd. Ik ben benieuwd wat nu het totaalbedrag is dat
je niet meer gaat inlopen in de toekomst als je ooit overstapt op vermogenswinst.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de verwarring. Volgens mij heb ik aangegeven – ik kijk ook even vragend naar
mijn ondersteuning aan mijn rechterkant – dat de totale omvang van de vermogensaanwasbelasting
over de eerste 30 jaar 42 miljoen is. Daar zou je de totale opbrengst van de vermogenswinstbelasting
over dezelfde periode tegen af moeten zetten. Dat verschil zou je dan mislopen op
het moment dat je besluit om over te gaan. Ik snap de verwarring, want die is inmiddels
ook bij mij ontstaan. Ik kom daar in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Toch willen mensen daarop door, zie ik.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Als de Staatssecretaris onderscheid maakt tussen directe en indirecte opbrengsten,
dan komt hij er volgens mij prima uit. Dan kom je namelijk tot de conclusie dat het
aan elkaar gelijk is.
De voorzitter:
De heer Vermeer? Oh nee, sorry. Ik moet eerst de Staatssecretaris een antwoord laten
geven op de vraag van mevrouw Van Eijk.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik sluit me aan bij de analyse van mevrouw Van Eijk.
De heer Vermeer (BBB):
Ik wilde dan toch ook zeggen dat het per saldo onder de streep tot hetzelfde resultaat
zou moeten leiden. Het is alleen een andere uitsmering over de jaren. De heer Stultiens
zegt dat we daar tekortkomen, omdat hij het beperkt tot een bepaalde periode. Je krijgt
het later weer terug. Het is dus gewoon een investering in toekomstige belastingopbrengsten.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja. Dat was ook mijn redenatie en analyse. Ik zal daar eventueel in de tweede termijn
nog op terugkomen.
De voorzitter:
Dan komen we daar in de tweede termijn nog even op terug. Dan gaan we nu door.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Stoffer vroeg mij waarom er niet is gekozen voor een langere termijn waarin
de budgetneutraliteit getoetst wordt, bijvoorbeeld om na een bepaalde periode het
heffingsvrije resultaat te verhogen of het tarief te verlagen. Op basis van eerder
gemaakte afspraken is het uitgangspunt dat het nieuwe box 3-stelsel budgettair neutraal
moet zijn ten opzichte van het basispad. Er is dan ook geen extra geld beschikbaar
om hiervan af te wijken. Door het ingroeien van de verliesverrekening en de vermogenswinstsystematiek
op vastgoed levert het nieuwe stelsel op de korte termijn minder op dan het huidige
stelsel. Daar hadden we het net ook over. Het is aan een nieuw kabinet om de tarieven
in de toekomst, zou men dat willen, in overleg met uw Kamer eventueel aan te passen.
De heer Vermeer (BBB):
Volgens mij was het mevrouw Van Eijk, die in haar bijdrage begon over de vraag of
je dan niet ook alles wat je niet meer hoeft uit te geven aan herstelacties et cetera
mee moet nemen. Er moet volgens mij een duidelijk overzicht gemaakt worden van wat
er de afgelopen jaren netto nou eigenlijk is binnengehaald bij box 3. Budgetneutraliteit
kun je namelijk betrachten ten opzichte van wat wij vijf jaar geleden dachten binnen
te kunnen halen of ten opzichte van wat wij de afgelopen jaren daadwerkelijk gerealiseerd
hebben. Het kan niet zo zijn dat volgens Financiën al de reserveringen voor herstel
overeind moeten blijven, maar die vervolgens niet meegerekend worden bij de budgetneutraliteit.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan me daarin vinden.
De voorzitter:
Dan vervolgt de Staatssecretaris zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Stoffer had een tweede vraag op dit vlak. Hij stelt dat de inkomsten van de
nieuwe heffing erg conjunctuurgevoelig worden en vraagt zich daarom af of er aanvullingen
op begrotingsregels nodig zijn. Dat klopt. De inkomsten zullen veel conjunctuurgevoeliger
zijn dan in het huidige forfaitaire stelsel. Conform het trendmatig begrotingsbeleid
lopen eventuele mee- en tegenvallers in het saldo. Dit zorgt voor stabiel fiscaal
beleid en stabiliseert de economie. Tegenvallers hoeven niet gedekt te worden. Eveneens
biedt een meevaller geen extra budgettaire ruimte, maar goed, dat is zo volgens de
huidige begrotingsregels. Hij vraagt of de begrotingsregels aangepast moeten worden.
Ik heb daar zelf ook weleens over nagedacht. Mogelijk is dat het geval, maar die keuze
zou ik heel graag bij een volgend kabinet willen leggen.
De heer Oosterhuis vraagt mij waarom het heffingsvrij resultaat is verhoogd van € 1.250
naar € 1.800. Daar hebben we het eigenlijk al over gehad. Dat heeft enerzijds te maken
met een stukje budgettaire neutraliteit. Anderzijds is het doel om het aantal nieuwe
belastingplichtigen in box 3 zo beperkt mogelijk te houden. Dat is een politieke keuze
geweest.
Dan is er nog een vraag van de heer Stultiens over internationaal verhuld vermogen
in het buitenland van tussen de 18 miljard en 24 miljard. Hij stelt vaker de vraag
of er in dit verband niet heel veel alarmbellen zouden moeten afgaan op mijn ministerie.
Rapporten en cijfers hierover hebben uiteraard alle aandacht van het kabinet. Sinds
2016 ontvangen wij via de Common Reporting Standard van 107 landen gegevens. Uit een
analyse van die CRS-data door het Ministerie van Financiën blijkt dat in 2024 zich
naar schatting 52 miljard vanuit Nederlandse huishoudens in het buitenland bevindt.
Maar goed, dan zijn we er nog niet als het gaat om de vraag of dat daadwerkelijk verhoogd
vermogen is. Er is pas sprake van verhoogd vermogen op het moment dat het vermogen
niet aangegeven wordt. Die gegevens, die CRS-data, zijn weliswaar bijzonder waardevol,
maar er is niet direct uit af te leiden of dat vermogen wel of niet belast is geweest
in Nederland.
Het gaat dus om complexe situaties; dat zult u begrijpen. Dat vergt nadere analyse.
Op dit moment zijn de Belastingdienst en mijn ambtenaren op het ministerie daar druk
mee bezig. Uit die analyse, die hopelijk op niet al te lange termijn gedeeld kan worden,
volgt dan ook het antwoord op de vraag hoeveel vermogen uit het buitenland onterecht
niet is opgegeven. Dat was de vraag van de heer Stultiens. We weten in ieder geval
wel uit aangiftes en gegevens over box 3, specifiek als het gaat over onroerend goed,
dat in 2022 12% van het opgegeven vastgoed buitenlands vastgoed betrof, maar we hebben
geen uitsplitsing van landen beschikbaar. Dat vergt ook een nadere analyse. Met andere
woorden: op dit moment zijn we bezig met een analyse op basis van de CRS-data en op
het moment dat we daar nadere gegevens van hebben, zullen we die uiteraard delen met
de Kamer.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Een hele korte vervolgvraag. Het is goed om te horen dat er hard wordt geanalyseerd
op het ministerie. Is er enige indicatie te geven van wanneer die analyse naar de
Kamer komt?
Staatssecretaris Heijnen:
Daar kom ik in de tweede termijn op terug.
De voorzitter:
Dan vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Stultiens vroeg ook iets onder budgettair. In het basispad daalt de opbrengst
van het oude stelsel van jaarlijks 9 miljard in 2028 naar circa 7 miljard in 2060.
Hoe kan dat en waarom geldt deze afname dan niet in het nieuwe stelsel op basis van
het werkelijk rendement? Dat zou je wellicht verwachten. Het is onze inschatting dat
de recente waardestijgingen in box 3 hoger zijn dan de structurele waardestijgingen.
Zo bezien is de verwachting dat deze rendementen de komende jaren zullen stabiliseren.
Dat is het uitgangspunt bij de ramingen. Dat resulteert uiteindelijk in lagere opbrengsten.
Deze waardestijgingen op de lange termijn zijn gebaseerd op CBS-prognoses en werken
uiteraard ook door in het nieuwe stelsel, maar in de budgettaire reeks van het nieuwe
stelsel wordt dit beeld vertroebeld en is dit niet meer een-op-een te vergelijken.
Dat komt onder andere door de ingroei van de vermogenswinstbelasting. Dat is waarom
u dat ziet.
Dan tot slot onder budgettair een vraag van de heer Struijs namens 50PLUS. Hij vraagt
mij of ik vind dat het internationale monetaire beleid ook aanleiding is geweest voor
de hervorming van box 3. Nou ja, het klopt dat de hoogte van de ECB-beleidsrente van
invloed is op het indexatiebeleid van pensioenen. De ECB voert monetair beleid uit
met als doelstelling het waarborgen van prijsstabiliteit in de eurozone als geheel.
U zult begrijpen dat ik me als Staatssecretaris van Financiën en als fiscalist echt
niet uitlaat over hoe de ECB het monetaire beleid zou moeten uitvoeren. De hervorming
van box 3 vloeit primair voort uit jurisprudentie van de Hoge Raad. Die zijn we nu
aan het implementeren via een codificatie van deze wetgeving.
Dat waren volgens mij de meeste vragen onder het kopje «budgettair». Ik heb nog twee
vragen die ik geparkeerd had naar de tweede termijn – ik heb ze zelf niet gelezen –
naar aanleiding van de vragen van de heer Hoogeveen.
Vraag één is hoe de cijfers met betrekking tot de achterwaartse verliesverrekening
en de budgettaire reeks tot stand zijn gekomen. Hij vroeg of ik dat kan verduidelijken.
De omvang van de derving door het invoeren van een carry back van een jaar neemt langzaam
af door de eeuwigdurende carry forward. In feite wordt de carry back op een gegeven
moment dus ingehaald door de carry forward; zo zou je het kunnen zeggen. Dat betekent
dat op de zeer lange termijn die carry back van een jaar geen derving meer veroorzaakt.
Dat is de reden waarom die budgettaire reeks zo afneemt. Consistent met de andere
ramingen binnen box 3 is 2060 als jaar genomen waarin de structurele opbrengst wordt
gerapporteerd, maar de afname van de derving door de carry back groeit zeer langzaam.
Die gaat dus nog wel even door na 2060. Vandaar dat de maatregelen in 2060 nog een
kleine derving overhouden van 12 miljoen, die dan als structureel wordt aangemerkt.
Ik zie de heer Hoogeveen nog enigszins vragend kijken.
De heer Hoogeveen (JA21):
Ik neem dit mee naar de tweede termijn.
Staatssecretaris Heijnen:
De tweede vraag van de heer Hoogeveen betreft de doorschuiffaciliteit bij beëindiging
van een huwelijk door scheiding. Ik heb aangegeven dat dat een structuurwijziging
is die niet uitvoerbaar is per 2028. De heer Hoogeveen vroeg ook om een nadere toelichting
op de budgettaire effecten: eerst waren er geen budgettaire effecten en nu ineens
wel; hoe zit dat? De doorschuiffaciliteit zou op twee manieren effect hebben op de
realisatiemomenten van vermogenswinst op vastgoed, namelijk bij het aangaan van een
huwelijk onder volledige gemeenschap van goederen en aan het einde bij echtscheiding.
De maatregel zorgt ervoor dat de vermogenswinstbelasting pas bij volledige verkoop
van het vermogensobject moet worden voldaan. De verschuiving van het realisatiemoment
van de vermogenswinstbelasting heeft op de langere termijn dus geen budgettaire gevolgen.
De verwachting is wel dat de maatregel ervoor zorgt dat het heffingsmoment wordt uitgesteld,
wat budgettaire gevolgen heeft in de eerste jaren. Ik lees dit nu voor, maar ik moet
hier zelf ook nog enigszins op kauwen. Het lijkt mij dus goed dat ik daar in de tweede
termijn nog even op terugkom.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank aan de Staatssecretaris voor de snelle reactie nog in deze termijn. Ik hoorde
hem misschien niet goed. Heb ik goed begrepen dat de doorschuiffaciliteit per 1 januari
2028 niet uitvoerbaar is?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt. Dat heeft u goed gehoord.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dat vind ik dan wel apart, want wij hebben een quickscan ontvangen waarin stond dat
het wél uitvoerbaar is per 1 januari 2028. Dat wringt dus. Dus óf die quickscan is
onjuist of de appreciatie van vandaag is onjuist. In die zin ben ik dus een beetje
in verwarring.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de verwarring. Ik hoor net in mijn rechteroor de verklaring hiervan. Ik snap
de verwarring helemaal en ik was ook enigszins verward toen ik dit hoorde, want dit
was mij niet bekend. Ik heb begrepen dat de Belastingdienst op vrijdag per abuis een
onjuiste quickscan heeft gestuurd, die de Belastingdienst later ook heeft ingetrokken,
en dat de verwarring daardoor wordt veroorzaakt. Uit die quickscan, die onjuist was,
zou gebleken zijn dat dit wél uitvoerbaar was, terwijl dat niet zo is. Excuus voor
de verwarring.
De heer Hoogeveen (JA21):
Oké. Daar moet ik even naar kijken en dan kom ik ook daarop terug in de tweede termijn.
De voorzitter:
Ik wijs erop dat we geacht worden om te eindigen om 18.30 uur, want er wordt heel
veel doorgeschoven naar de tweede termijn en u moet allemaal nog een tweede termijn
houden. We hebben nog drie blokjes: vastgoed, zeer vermogenden en overig.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt, voorzitter. Ik zal proberen om het sneller te doen, maar ik gaf al aan
dat er meer dan 130 vragen zijn gesteld en ik wil proberen om die zo volledig mogelijk
te beantwoorden. Ik ga mijn best doen.
In het blokje vastgoed zijn veel vragen gesteld over de vastgoedbijtelling. Levert
die niet een extra risico op rechtszaken op? Wij denken van niet. De brutohuurwaarde
is die van het tiende percentiel, 3,35%. Volgens ons is dat daarmee proportioneel
en ook juridisch houdbaar. Wij zien op dit moment dan ook niet echt een reden om dat
percentage nog lager vast te stellen. Tegen de heer Vlottes zeg ik dat we met name
ten behoeve van de uitvoerbaarheid en doenlijkheid voor een forfait hebben gekozen.
Het bepalen van een economische huurwaarde van een individuele niet verhuurde onroerende
zaak is namelijk zowel voor de Belastingdienst als voor de belastingplichtigen ontzettend
moeilijk. Vandaar dat wij hebben gekozen voor een forfait, waar wij geen juridische
risico's aan zien.
Er zijn veel vragen gesteld over het percentage, de 3,35%, ook door de heer Grinwis
en de heer Oosterhuis. Ik heb begrepen dat SEO met name over een langere periode heeft
gekeken en dat over die langere periode die 3,35% een goede basis geeft voor de bijtelling
die gekozen zou moeten worden. Als je actuelere cijfers neemt, zoals ook Vastgoed
Belang heeft gedaan, kom je op een lager percentage uit – de heer Grinwis noemde 2,8% –
maar dat heeft SEO niet gedaan. SEO heeft met name een hele lange periode gedaan.
In die periode zie je dat 3,35% in meerdere of mindere mate het percentage is.
De voorzitter:
De heer Vlottes heeft nog een vraag, volgens mij over het vorige antwoord.
De heer Vlottes (PVV):
Ja, over het vorige antwoord. De Staatssecretaris zegt geen juridische risico's te
zien bij die 3,35%. Misschien kan de Staatssecretaris daar uitvoeriger op ingaan,
want als een vakantiewoning uitsluitend voor eigen gebruik wordt gebruikt, is het
realisatie-uitgangspunt als iemand ieder weekend zelf gebruikmaakt van die vakantiewoning
natuurlijk anders dan als hij dat twee weekenden per jaar doet. Dat is natuurlijk
wel een verschil, maar in beide gevallen geldt hetzelfde forfait. Dat is natuurlijk
ook een juridisch risico.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, maar wij denken dat de Hoge Raad uiteindelijk zal kijken naar het feit dat de
tweede woning ter beschikking staat, ongeacht het gebruik dat daarvan wordt gemaakt.
Dat ter beschikking staan als zodanig zien wij als voldoende reden om deze heffing
te rechtvaardigen. Nogmaals, we hebben bewust gekozen voor het laagste, tiende percentiel.
Dat is één. Twee: onderhouds- en financieringskosten blijven gewoon aftrekbaar, zodat
het rendement waarover je belasting betaalt uiteindelijk nog aanzienlijk lager is.
De heer Vlottes (PVV):
Nog één keer. Het ter beschikking staan zegt natuurlijk niets over het feitelijk gebruik
ervan, waar je belasting natuurlijk op gebaseerd is. De belasting is gebaseerd op
het rendement dat je haalt uit je eigen vakantiewoning. Dat iets ter beschikking staat,
zegt natuurlijk niks over het genot dat je ervan hebt gehad en dus wat je fiscaal
gezien gerealiseerd hebt. Ik hoop dat de Staatssecretaris begrijpt wat ik bedoel.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, dat klopt, maar fiscaal gezien word je, op het moment dat het ter beschikking
staat, geacht daarvan gebruik te kúnnen hebben gemaakt en word je geacht iets te hebben
genoten. Dat hebben we bepaald op die 3,35% bruto. In die zin is dit fiscaal niet
ongebruikelijk.
De voorzitter:
De heer Grinwis nog op dit punt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De Staatssecretaris stelt dat de vastgoedbijtelling van 3,35% is gebaseerd op een
langere reeks in het SEO-rapport, maar bij mijn weten, het rapport scannend, heeft
SEO alleen de data uit de jaren 2019, 2020 en 2021 echt gebruikt om daar uiteindelijk
die 3,35% uit af te leiden.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt, maar ze hebben wel naar een langere periode gekeken en kwamen tot de conclusie
dat daar waar nu misschien tot een lagere waarde wordt gekomen, in het verleden die
3,35% wel een redelijk gemiddelde was. In die zin hebben ze die langere periode niet
gebruikt voor die 3,35%, maar hebben ze wel gebenchmarkt ten opzichte van een langere
periode en hebben ze gekeken of dat redelijk en reëel is.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Helder; dat is een belangrijke nuance, maar dan komen we bij vers twee van de forfaits.
Als je een forfait gebruikt, moet dat zo dicht mogelijk aansluiten bij de werkelijkheid.
Is het dan niet reëel om dat forfait regelmatig te actualiseren en om, als het zelfs
al in 2028 ingaat, een zo actueel mogelijk forfait te gebruiken en het daarna ook
regelmatig te herzien?
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, dat zou kunnen. Wellicht is dat ook zo. Ik zal in mijn schriftelijke reactie ook
ingaan op de vraag of deze wijziging zonder risico kan worden ingevoerd met 1 januari
2028 als invoeringsdatum. Wij hebben er onderbouwd voor gekozen om dat forfait in
het tiende percentiel te pakken. De onderhouds- en rentekosten zijn aftrekbaar. Wij
denken dat er op die manier in ieder geval niet te hoog wordt belast. Vandaar dat
wij geen juridische kwetsbaarheid zien, maar als de Kamer wil dat het forfait jaarlijks
of tweejaarlijks geactualiseerd wordt, is dat uiteindelijk uiteraard aan de Kamer.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kom bij de landbouwgronden. Bij de vererving van verpachte landbouwgronden die
vaak tegen lage pacht worden verpacht, zijn er geen liquide middelen beschikbaar.
Zie ik dat probleem ook niet en kan ik daar iets aan doen? Voor landbouwgronden en
welke onroerende zaken dan ook geldt dat de heffing over de waardeaangroei wordt uitgesteld
tot het moment van vervreemding. Op enig moment moet daar belasting over worden betaald.
Ik zeg tegelijkertijd dat voor landbouwgronden die tegen een lage pachtprijs worden
verpacht, die lage pacht verdisconteerd zal zijn in de waarde. De waarde voor de te
betalen erfbelasting zal ook lager zijn. Datzelfde geldt voor commercieel vastgoed
met een langlopend huurcontract: ook bij de waardebepaling daarvan hou je rekening
met de huur die je ontvangt. Puur en alleen voor verpachte landbouwgronden zien wij
als kabinet op dit moment dus geen aanleiding om de vermogenswinst vrij te stellen.
Wij denken dat het belangrijk is om zo veel mogelijk vast te houden aan de hoofdregel:
voor onroerend goed zijn de resultaten belast bij realisatie. Dat is bij vervreemding,
maar het kan ook bij vererving of schenking zijn.
Er zijn heel veel vragen gesteld over de vrijstelling voor landgoederen. Toch even
vooraf: ik heb de petitie van de eigenaren van landgoederen met heel veel belangstelling
in ontvangst genomen en gelezen en ik heb die ook met hen besproken. Het probleem
dat de opbrengsten onvoldoende zijn om de belasting te betalen, wordt niet veroorzaakt
door het nieuwe box 3-stelsel. Althans, dat is op dit moment ook al het geval. Het
was misschien anders in het oude stelsel, zoals de heer Grinwis aangaf. Hij maakte
heel slim de vergelijking met het oude stelsel, waarin het net wel kon. Laat ik het
dan zo formuleren: dit wordt dus niet veroorzaakt door het nieuwe stelsel ten opzichte
van het huidige stelsel. Ik snap heel goed dat je hier iets aan zou willen kunnen
doen, want ook ik vind de landgoederen en de instandhouding daarvan heel belangrijk.
U bent bij een aantal landgoederen op bezoek geweest. Ik ga volgende week vrijdag
ook bij een landgoed op bezoek om daar nog een keer over van gedachten te wisselen.
Ik heb dat bewust na deze behandeling gepland. Ik snap de vraag heel goed.
In antwoord op een vraag van mevrouw Van Eijk wil ik ook aangeven dat ik inmiddels,
ook uit de rapportage, heb begrepen dat je bij landgoederen een vrijstelling hebt
voor groen en een belastingheffing voor rood. Voor gebouwde eigendommen moet je wél
belasting betalen in box 3. Daar biedt het nieuwe stelsel voordelen ten opzichte van
het oude stelsel zoals dat nu geldt. Onderhoudskosten en andere kosten zijn aftrekbaar
en een eventuele waardestijging wordt pas belast bij realisatie, terwijl die nu jaar
op jaar wordt belast. Dat levert in principe dus liquiditeitsvoordeel op. Dit betekent
ook dat als er verliezen worden gemaakt, die verliezen kunnen worden verrekend, wat
ons betreft niet carry back, maar wel naar de toekomst toe. Maar goed, het probleem
zal zijn dat er elk jaar verliezen worden geleden. In die zin snap ik het verzoek.
Wij zijn van mening dat, als wij deze wijziging zouden doen, dat wel een ingrijpende
wijziging is, waarvan invoering per 1 januari 2028 niet goed mogelijk is.
De voorzitter:
Kunt u ook al aangeven wat het oordeel over het amendement is? Dan geef ik daarna
de heer Grinwis het woord. O, de heer Grinwis wil nog een suggestie doen voordat hij
een oordeel krijgt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, want ik kan natuurlijk ook rekenen. Voordat er «ontraden» wordt uitgesproken,
heb ik een suggestie. Tegen sommige punten is wat in te brengen. Er zijn bijvoorbeeld
ook nu huurinkomsten en die zullen straks dan ook belast worden. Die noemde de Staatssecretaris
niet, maar dat zijn ook directe inkomsten die onder het nieuwe stelsel waar landgoederen
mee te maken krijgen, keurig belast zullen worden. Het gaat dus niet alleen om de
kostenverrekening die erbij komt; er zijn ook inkomsten die er nu ook al zijn en die
dan ook belast worden. Dat valt dus tegen elkaar weg. En ja, ik vind het niet zo gek
om dit te vergelijken met het stelsel dat we tot en met 2016 hebben gekend, met een
rendementsheffing van 1,2%. Ze hebben meer de pech gehad dat ze door een definitiewijziging
in de categorie overige bezittingen terecht zijn gekomen. Er is dus echt wel wat af
te dingen op de aanvliegroute die de Staatssecretaris net koos. Maar dan het amendement,
want de Staatssecretaris voelt sympathie. Hij zegt: als u dat wilt, loopt de invoering
van het stelsel gevaar. Ik snap dat nog niet helemaal, want het is slechts een doorschuiffaciliteit.
Hoezo zou de invoering van het hele stelsel daarmee gevaar lopen? Maar oké, ik weet
het goed gemaakt met de Staatssecretaris: ik wil daar best naar luisteren en dan voeg
ik aan het amendement toe dat het met een koninklijk besluit op een later tijdstip
in te voeren is. Dan is het tegenargument van de Staatssecretaris volgens mij opgelost
en dan is het aan hem en zijn opvolger om het geëigende moment te kiezen, zodat de
invoering per 1-1-2028 van dit stelsel, zoals dat vandaag in den brede voorligt, geen
gevaar loopt. Wat vindt de Staatssecretaris van die oplossing? Ik heb dit klaarliggen
en kan het sturen.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan zou ik dat graag nog even in de tweede termijn willen appreciëren, want het amendement
zoals dat er nu ligt, zou ik inderdaad de appreciatie «ontraden» moeten geven. Ik
zal dan kijken naar de aanpassing die de heer Grinwis nu voorstelt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan ga ik bij dezen samen met de collega's Stoffer en Vermeer het gewijzigde exemplaar
indienen.
De voorzitter:
Oké, dan krijgen we daar in de tweede termijn een oordeel over. Dan vervolgt de Staatssecretaris
zijn betoog. Nee, toch nog niet, want de heer Oosterhuis heeft nog een vraag.
De heer Oosterhuis (D66):
Ja, een inhoudelijke vraag, ook nog op dit punt; misschien kan de Staatssecretaris
ook daar in de tweede termijn op ingaan. Ik moet mijn definitieve oordeel over dit
amendement ook nog vormen, maar los van de uitvoerbaarheid wordt de WOZ-waarde van
een NSW-landgoed bij mijn weten vastgesteld op basis van de bestemmingswaarde. Die
zouden naar alle waarden in het economisch verkeer altijd gecorrigeerd zijn voor de
bestemming en ook voor de instandhouding. Als dus zowel voor de beginwaarde als voor
de vervreemdingswaarde bij vererving wordt gerekend met de bestemmingswaarde, wat
is dan ook inhoudelijk het oordeel van de Staatssecretaris over de meerwaarde van
het amendement? Daar ben ik wel benieuwd naar.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik denk dat ten gevolge van de inbrengwaarde, waarbij je moet gaan waarderen per 1 januari
2028, het probleem de eerste jaren wellicht – en ik bedoel dat niet vervelend – wat
minder gevoeld zal worden bij vererving of schenking dan nadat er een lange periode
is verstreken, ervan uitgaande dat die waardestijging dan wat minder hoog is. Want
daar praten we over en dat is, denk ik, ook wat u bedoelt. Vanuit die optiek geef
ik ook aan, en de heer Grinwis heeft daar met zijn amendement en de invoeringsdatum
per koninklijk besluit een oplossing voor verzonnen, dat je dat altijd ook nog later
– bij een belastingplan of dergelijke – zou kunnen invoeren. Vandaar dat ik me ook
een motie daartoe zou kunnen voorstellen, waarbij je een belastingplan lostrekt van
dit wetsvoorstel om geen enkel risico te lopen. Maar goed, de heer Grinwis heeft er
een andere oplossing voor verzonnen en daar gaan we naar kijken.
De voorzitter:
Dan vervolgt de Staatssecretaris zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter. Ik ga nog in op een aantal vragen over buitenlandse woningen. Ik vraag
me af of we daar al te lang bij stil moeten staan, want het klopt inderdaad dat er
voor buitenlandse woningen geen WOZ-beschikkingen worden afgegeven. Over het algemeen
zijn buitenlandse woningen namelijk ook niet belastbaar in Nederland, op grond van
de vele verdragen die wij hebben afgesloten.
Een punt dat ik wel belangrijk vind, is de hypotheekrenteaftrek. De heer Stultiens
vroeg daarnaar en ook mevrouw Van Dijk. In feite is het zo dat de hypotheekrente,
als die niet meer aftrekbaar is in box 1, op grond van de huidige wetsvoorstellen
in principe gewoon aftrekbaar zou zijn in box 3. Ik vind het echt aan een volgend
kabinet om daar iets aan te doen als men dat ongewenst vindt.
Wel vroeg mevrouw Van Dijk nog of er wellicht onderscheid zou moeten worden gemaakt
voor wat betreft aftrekbare rente tussen enerzijds consumptieve leningen en anderzijds
andere leningen. Ook dat vind ik aan een volgend kabinet, maar ik zeg wel: ik denk
dat daar een heel lastige kwalificatiediscussie aan ten grondslag ligt. Als je dat
gaat doen, denk ik dat je heel veel discussie en extra werk op je af gaat krijgen.
Maar het kan.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Een korte vraag. Ik snap op zich dat deze Staatssecretaris geen beslissing meer gaat
nemen hierover, maar de vraag was eigenlijk gewoon informatief of hij opties in kaart
kan brengen voor hoe je dit effect tegen kan gaan als daar politieke wil voor is.
Dat lijkt mij een verzoek dat hij wel zou moeten kunnen uitvoeren.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik wil dat best doen, maar ik zou mij zomaar kunnen voorstellen dat daar op 30 januari
al een aantal opties uitgewerkt aangeleverd worden. Ik weet het niet, maar de formerende
partijen zullen daar ongetwijfeld ook al naar gekeken hebben. Maar ik kan dat doen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik hoop dat de formerende partijen dat gevraagd hebben, maar ik weet het natuurlijk
niet. Het lijkt me fijn als de rest van de Kamer het ook krijgt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet het ook niet, voorzitter.
De voorzitter:
Hij is bereid dat te doen.
Dan gaan we naar het laatste blokje, overig?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb ook nog een aantal ... Voorzitter. Ik heb eigenlijk ook nog internationaal,
maar als u mij dat vraagt, wil ik best naar overig gaan, met als risico dat ik een
aantal andere vragen niet beantwoord.
De voorzitter:
Nou nee, doe dan maar internationaal, want meestal gaat dat sneller dan als iedereen
weer gaat interrumperen.
Staatssecretaris Heijnen:
Een vraag van de heer Stultiens over vermogensongelijkheid, ook naar aanleiding van
het vandaag verschenen rapport van Oxfam Novib, waar ook ik in de kranten over heb
gelezen. Zou ik dat omwille van de tijd mogen doorschuiven? Ik denk namelijk dat het
enigszins offtopic is van box 3. Het lijkt me wel heel goed om daar in de toekomst
uitgebreid over te debatteren, maar gezien de tijd doen we dat op dit moment wellicht
beter niet.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik denk niet dat het offtopic is, want we hebben het over het belasten van vermogen.
Ik snap wel dat het meer tijd kost om het rapport te lezen. Ik heb toevallig een debatverzoek
staan morgen en hoop op steun van de Kamer. Maar mag ik dan het kabinet vragen om
een reactie op het rapport op korte termijn, zodat we daarover door kunnen praten?
Staatssecretaris Heijnen:
Tja, ik weet niet ... Een reactie «op korte termijn». Waar denkt de heer Stultiens
dan aan?
De voorzitter:
Er zijn al schriftelijke vragen ingediend, zo hoor ik de griffier fluisteren, dus
dan moet er sowieso een reactie komen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik snap dat we hier lang zitten vandaag, maar ik heb vragen gesteld over het rapport.
We hebben het over het belasten van vermogen vandaag. Ik vind het best om het niet
vandaag te doen, maar dan helpt het om binnen – weet ik veel – drie weken een reactie
te hebben van het kabinet op dit rapport, dus met wat het daarvan vindt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik begreep inmiddels ook van mijn secondant dat er schriftelijke vragen zijn gesteld.
Daar zullen wij op ingaan en dan zullen wij ook op dit punt terugkomen.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een andere vraag van de heer Stultiens, over onze activiteiten in internationaal
verband om mensen met heel veel vermogen te belasten. Ik weet dat dit de aandacht
heeft van de heer Stultiens en ook van Nederland. We hebben samen met enkele andere
lidstaten een initiatief genomen om fiscaal voordelige regimes voor zeer vermogenden
binnen de EU te agenderen. Zoals bekend heeft Nederland samen met Frankrijk daar een
non-paper voor opgesteld. In het afgelopen najaar heeft er ook een discussie plaatsgevonden
met andere EU-lidstaten, op nadrukkelijk verzoek van Nederland. Op basis van deze
discussie is wel duidelijk geworden dat de opvattingen tussen de Europese lidstaten
erg verdeeld zijn. Een belangrijk deel van die lidstaten is er niet van overtuigd
dat verdere besprekingen over dit onderwerp toegevoegde waarde zullen hebben. Wij
zullen ons als Nederland uiteraard blijven inzetten voor het voortzetten van deze
discussies, bijvoorbeeld door een actieve rol in het onderwerp tax, inequality and
growth bij de OESO. Maar goed, we zijn ook afhankelijk van andere lidstaten om daarover
van gedachten te kunnen blijven wisselen.
Dan tot slot op dit punt, voorzitter, en dan ga ik echt naar overig. De vraag van
de heer Stultiens over wat een wereldwijde minimumbelasting van 2% op vermogen, de
Zucmanbelasting, zou opleveren in Nederland, per wanneer dat uitvoeringstechnisch
haalbaar zou zijn, en de voorwaarden om dat ook juridisch haalbaar te maken, bijvoorbeeld
met een anticumulatiebepaling van 85% zoals Frankrijk kent. Ik moet de heer Stultiens
teleurstellen. Ik kan daar op dit moment geen schatting van geven. Dat is geheel afhankelijk
van hoeveel landen eraan meedoen en welke landen dat zijn. Daarnaast moet er een heldere
vermogensgrens zijn, en moet ook helder zijn welke vermogens wel en niet worden meegenomen.
Geldt dat bijvoorbeeld ook voor de eigen woning? Geldt het ook voor ondernemersvermogen?
Dat soort vragen zullen moeten worden beantwoord. Ik zeg daarbij even dat elke schatting
die ik nu zou geven, een slag in de lucht is. Ik zou dat dan ook niet willen doen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ook hiervoor geldt: ik snap dat er vandaag niet heel veel nieuwe varianten komen,
maar we hebben de vraag niet voor niks schriftelijk al gesteld bij de inbreng van
de wet. En ja, dit raakt zeker aan het onderwerp, dus dan blijft de vraag staan: is
de Staatssecretaris bereid om de komende weken varianten uit te werken? En dan heel
simpel: 2%; 100 miljoen; ál het vermogen. Volgens mij zijn dat de basisingrediënten.
Wat levert dat op? Wanneer kan het? Is het juridisch haalbaar? Die vragen proberen
we al een jaar te stellen. En de heer Zucman komt hier over twee weken op bezoek,
dus het zou ons helpen om te weten wat het voor Nederland betekent.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik begrijp die vraag heel goed, hoor, zeker omdat de heer Stultiens die vraag al vaker
heeft gesteld. Alleen, hij vraagt me nogal wat. Wat betekent dit budgettair? Waar
moeten we rekening mee houden? Hoe zou een dergelijke wetgeving er ongeveer uit moeten
zien? Tja, ik moet heel eerlijk zeggen dat ik niet denk dat we dat binnen twee à drie
weken kunnen aanleveren. Ik zou dat misschien kunnen zeggen, maar dan zou ik niet
eerlijk zijn.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan is de logische vervolgvraag: hoelang duurt het dan voordat deze informatie wel
wordt geleverd? Ik ga gewoon door met vragen tot we het hebben, hoor. Het wordt in
die zin dan misschien vervelend, maar ik vind het als Kamerlid gewoon nuttig om te
weten. Het zijn vrij informatieve vragen.
Staatssecretaris Heijnen:
Over een aantal weken is er een commissiedebat Internationale fiscaliteit. Zou ik
mogen voorstellen dat ik of mijn opvolger voorafgaand aan dat debat in een brief daarop
zal ingaan?
De voorzitter:
Dat debat is op 25 februari. Ja, dank.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb begrepen dat mijn opvolger dan benoemd is.
De voorzitter:
Daar weten wij helemaal niets van.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ook niet.
De voorzitter:
Nee. Gaat u door.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga naar het mapje overig, voorzitter, en ik hoop dat ik een beetje tijd heb ingehaald.
Een vraag van mevrouw Van Eijk over de tegenbewijsregeling en de forfaits die zijn
opgenomen. Ik heb daar echt heel goed naar gekeken en ik kwam maar één forfait tegen,
namelijk de vastgoedbijtelling. Daar hebben we het denk ik uitgebreid over gehad.
Dan collectieve beleggingen versus individuele beleggingen. Die worden in het wetsvoorstel
krek op dezelfde manier behandeld. In dit wetsvoorstel maakt het dus geen verschil.
Wat ons betreft is beleggingsneutraliteit daarmee gehandhaafd.
Dan een vraag van de heer Grinwis over ...
De voorzitter:
Ogenblik, mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Mag ik daaruit afleiden dat dit straks ook geldt voor aandelen in startende ondernemingen
en dat het dus niet uitmaakt of het een directe investering is dan wel in een fonds
of, zoals het tegenwoordig heet, fonds-in-fonds?
Staatssecretaris Heijnen:
Goede vraag, waarop ik op dit moment het antwoord schuldig moet blijven. Ik snap de
vraag, een terechte vraag ook. Je zou ervan uitgaan dat dat wel zo is, maar ik wil
dat even bevestigd zien.
De voorzitter:
De Staatssecretaris gaat verder met zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Concreet was de vraag van de heer Grinwis of het box 3-inkomen niet uitgezonderd zou
moeten worden van het verzamelinkomen. Daar ben ik in principe geen fan van, zeg ik
tegen de heer Grinwis. Het is denk ik ook moeilijk uit te leggen als iemand met een
hoog inkomen uit box 3 daardoor recht blijft houden op allerlei heffingskortingen
en inkomensafhankelijke regelingen. Maar ik ben het wel met hem eens – daar hebben
we het al eerder over gehad – dat het belangrijk is om het belastingen- en toeslagenstelsel
te vereenvoudigen. Zo begrijp ik zijn vraag eigenlijk ook.
Dan een vraag over kapitaalverzekeringen, met name het heffingsmoment. Kapitaalverzekeringen
zijn, zo geeft de heer Stoffer aan, niet liquide, terwijl er wel jaarlijks belasting
moet worden betaald. Zie ik hier een probleem? Dan verwijs ik even naar zijn eerdere
vraag over landbouwgronden. Zou dit ook niet opgelost moeten worden? Hetzelfde antwoord:
over het rendement wordt geheven en dat rendement wordt net zoals bij andere vermogensbestanddelen
berekend door middel van vermogensvergelijking. Voor zover de vraag ziet op kapitaalverzekeringen
van voor 2001 vinden de meeste afrekeningen over de tot en met 31 december 2027 opgebouwde
rente plaats op het moment dat de verzekering expireert. Dat is echt in het merendeel
van de gevallen. Dan is de liquiditeit beschikbaar. Ik denk, zoals ik al eerder heb
aangegeven, dat we voorzichtig moeten zijn met het extra uitsluiten van allerlei vermogensbestanddelen
van de vermogensaanwasbelasting, juist vanwege het risico dat en de analyse die we
nog gaan doen of het niet juridisch kwetsbaar is.
Dan een soortgelijke vraag van mevrouw Van Eijk: zouden we de belastingclaim al kunnen
vaststellen en doorschuiven op het moment dat de kapitaalverzekering expireert, in
plaats van – wat was het? – november 2029, zoals nu in het wetsvoorstel staat? Deze
oplossing is onderzocht, maar bleek niet uitvoerbaar. Anders dan verondersteld, is
de samenstelling van de groep belastingplichtigen met een dergelijke box 1-polis niet
bekend. Noch bij de verzekeraars, noch bij de Belastingdienst is bekend dat het om
een beperkte of overzichtelijke groep gaat, evenmin dat de belasting vaak niet voldaan
kan worden. Ook de verzekeringsmaatschappijen weten niet, zo hebben wij begrepen,
om hoeveel mensen het gaat. Omdat de box 1-polissen niet uit de aangifte blijken,
weet ook de Belastingdienst niet om wie het gaat. De insteek van het wetsvoorstel
zoals dat nu voorligt, is afschaffing van het huidige overgangsrecht. Dat is van belang,
denken wij, voor de uitvoering. Dat is mijn reactie hierop.
Ja, zeg ik tegen mevrouw Van Eijk, wij zijn het met elkaar eens dat het nieuwe stelsel
investeringen in start-ups niet mag ontmoedigen. Daarom geldt voor start-ups ook die
vermogenswinstbelasting, waar we het al over hebben gehad.
We hebben het gehad over de termijn van tien of vijftien jaar voor een start-up. Dat
wordt automatisch geregeld via de beschikking van RVO van acht jaar die een aantal
keer verlengd kan worden, elke keer met vijf jaar.
We hebben het gehad over de definitie en dat we goed moeten kijken of de definitie
gelijk kan zijn en of dat zowel voor de regeling voor start-ups als voor box 3 niet
tot additionele juridische kwetsbaarheid leidt.
De heer Stultiens vraagt of ik alle potentiële ontwijkingsconstructies scherp op het
netvlies heeft staan. Hoe gaan we bijvoorbeeld een onderscheid maken tussen beleggen
in kunst en kunst voor eigen gebruik? De heer Struijs had daar ook een vraag over.
Bij het opstellen van het wetsvoorstel is rekening gehouden met alle bekende ontwijkingsconstructies.
Wij denken dat het, omdat het in de basis een box 3-belasting op basis van vermogensaanwasbelasting
is, constructiebestendig is, want de mogelijkheden om belastingen uit te stellen zijn
beperkt. Daarnaast is het zakelijkheidsbeginsel in het wetsvoorstel opgenomen om allerlei
constructies te voorkomen. Het onderscheid tussen beleggen in kunst en kunst voor
eigen gebruik bestaat op dit moment ook al. Ik kan me voorstellen dat dat wel tot
de nodige inhoudelijke discussie leidt, maar dat is onder de huidige wet niet anders.
Dan vraagt mevrouw Van Eijk of ik bereid ben om de effecten van de afschaffing van
de regeling voor de partiële buitenlandse belastingplichtigen opnieuw te wegen en
de Kamer hierover te informeren. Misschien een heel flauw antwoord, maar dat laat
ik graag aan een volgend kabinet. Volgens mij is destijds in meerderheid door de Kamer
besloten om dit te doen; de heer Grinwis wees daar ook al op. Het gaat om een onderzoek
naar de effecten en dat zou ik graag aan mijn opvolger overlaten.
Mevrouw Van Dijk vraagt naar het effect van box 3 op de toeslagen en de inkomensafhankelijke
regeling. Daar hebben we het natuurlijk over gehad, maar mevrouw Van Dijk bedoelt
denk ik dat door belastingheffing over werkelijk rendement het inkomen veel sterker
kan fluctueren dan op dit moment het geval is. Je kunt je afvragen in hoeverre mensen
die voor box 3-heffing in aanmerking komen, gebruikmaken van de toeslagen. Maar goed,
er zullen mensen zijn. Dat betekent dat zij beter in de gaten moeten houden in hoeverre
hun inkomen fluctueert aan de hand van het box 3-inkomen.
Mevrouw Van Dijk heeft ook nog een vraag over de inrichting van de administratie,
namelijk of ik bereid ben om samen op trekken met de adviespraktijk, zodat de regeling
goed aansluit bij de dagelijkse praktijk. Mijn antwoord is kort: ja. Momenteel doen
we onderzoek naar de regeling. Bij de uitwerking zullen we vertegenwoordigers van
de adviespraktijk meenemen.
Mevrouw Van Dijk vraagt mij om de toezegging om te blijven inzetten op een verdere
vereenvoudiging van het belastingstelsel. Ik wil haar die toezegging heel graag doen,
maar ik denk dat het reëler is om die toezegging ook aan mijn opvolger te vragen bij
het eerste debat dat u met hem heeft.
Dan over de signalen over betalingsproblemen. Dat vind ik belangrijk. Wij hebben hierover
ook regulier overleg met de ketenpartners en de Belastingdienst. Deze onderwerpen
zullen dan ook besproken worden. Eerder gaf ik al aan dat wij van mening zijn dat
de bestaande betalingsregelingen voldoen. Er wordt dus ook geen grote toename van
de problemen verwacht. We voeren hier dus regulier overleg over en zullen dat uiteraard
blijven doen. Mocht blijken dat die problemen in tegenstelling tot wat we verwachten
toch gaan optreden, dan zal dat bij de evaluatie, bij de monitoring tot een aanpassing
moeten leiden.
Dan een hele sympathieke, over een automatische vrijstelling voor box 3-inkomen over
vermogen ten gevolge van het uitkeren van schadebedragen en hersteloperaties. Laten
we hopen dat dat na Groningen en de toeslagenouders nooit meer noodzakelijk is. Voor
Groningen is het geregeld. Het is moeilijk om daarvoor een automatische vrijstelling
in te regelen. De schadevergoedingen zijn in geld en gaan op in het andere vermogen
van een burger. Een bankrekening geeft niet aan waar het geld vandaan komt. Ik hoop
dat het niet noodzakelijk is, maar op het moment dat er nieuwe schaderegelingen zoals
voor Groningen komen, is het beter om daar op dat moment aandacht voor te hebben en
ervoor te zorgen dat ze, indien gewenst, worden vrijgesteld dan nu al een automatisch
vrijstelling in de wet op te nemen.
Ik heb heel snel een aantal vragen samengevoegd en beantwoord. Ik weet niet of ik
daarmee alle vragen naar genoegen van de Kamerleden heb beantwoord.
De voorzitter:
Dat gaan we merken in de tweede termijn. Voordat we daarmee beginnen wil ik even een
ordevoorstel doen. We hebben minder dan drie kwartier. We hebben meer dan drie uur
gedaan over de eerste termijn. Ik denk dat de tweede termijn van de Kamer nog wel
mogelijk is, maar gelet op het feit dat er veel is doorgeschoven, is het de vraag
of het niet beter is om de beantwoording in tweede termijn op een ander moment in
te plannen. Misschien kan er dan ook nog schriftelijk informatie komen, net als een
schriftelijke appreciatie van de amendementen. Anders overschrijden we het tijdstip
van 18.30 uur en ik weet niet hoelang het dan nog gaat duren. Ik stel voor dat we
dat knipje maken. De agenda van de commissie is niet supervol, dus er is vast nog
een ander moment te vinden om die tweede termijn even in te plannen. Kunnen de leden
zich daarin vinden? Ja? Dan doen we nu gewoon de tweede termijn. Meneer Stultiens,
over het ordevoorstel?
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik kan me er op zich in vinden, maar betekent dat dat het vanavond niet uit kan lopen?
Zegt u dat eigenlijk?
De voorzitter:
Nou ja, in principe is dat nooit zomaar mogelijk. Er zijn vanavond nog andere wetgevingsoverleggen.
We hebben vandaag vier wetgevingsoverleggen. Het gaat niet alleen om uw tijd, maar
ook om de tijd van het personeel. Ik kan op dit moment niet inschatten of uitloop
mogelijk is en hoeveel. Daarom doe ik dit ordevoorstel. Mevrouw Van Dijk?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik vind het een prima ordevoorstel, maar er komen nog best wat vragen aan de orde
en ik kan me voorstellen dat de collega's in tweede termijn daarop willen reageren.
Dat wordt dan ingewikkeld. Kun je dan niet beter zeggen dat er zo veel mogelijk schriftelijk
moet worden beantwoord en dat we de tweede termijn Kamer en kabinet in één keer doen?
De voorzitter:
Dat is ook een optie. Als u daar de voorkeur voor heeft?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik zou, als ik de Kamerleden zo hoor, kunnen aanbieden dat wij alle moties en amendementen
in ieder geval schriftelijk appreciëren deze week en eventuele openstaande vragen
meenemen in de brief die we gaan sturen. Dan hebben we het allemaal netjes afgerond.
Als dat voor uw Kamer werkt, zou dat kunnen.
De voorzitter:
Maar de moties moeten eerst zijn ingediend voordat ze beoordeeld kunnen worden. Dan
is het even de vraag of we nu de moties indienen of dat we de tweede termijn van de
Kamer en die van het kabinet beide op een apart moment doen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan heb ik een voorkeur voor de route van mevrouw Van Dijk. Er waren een paar openstaande
vragen. De antwoorden daarop kunnen we dan schriftelijk krijgen in de komende dagen.
Vervolgens plannen we dan ergens voor 15 maart de tweede termijn in voor Kamer en
kabinet.
De voorzitter:
Ja? De heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Op zich zitten we er nu klaar voor om de moties in te dienen, maar prima om dat later
te doen. Tegelijkertijd, nu zitten we hier en het kan wel zijn dat de Financiënagenda
niet zo vol is, maar de hoeveelheid begrotingen is immens, dus zitten mijn weken in
januari en februari behoorlijk vol. Dat is ook wel een overweging en nu zitten we
er toch.
De voorzitter:
U heeft dus eigenlijk een voorkeur ...
De heer Grinwis (ChristenUnie):
We zitten klaar voor de tweede termijn. Laten we die gewoon doen, want we weten nooit
of iedereen er weer is en dan hebben we die in ieder geval in de pocket.
De voorzitter:
Ja? Ik zie instemmend geknik. Dan doen we dat, dan doen we gewoon de tweede termijn
waarin de moties worden ingediend. Het aanbod is dat zowel de amendementen als de
moties worden geapprecieerd en de openstaande vragen worden beantwoord. Dan doen we
alleen de tweede termijn van de regering op een ander moment. Ja? Meneer Grinwis,
aan u het woord namens de ChristenUnie. O, de Staatssecretaris nog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat ik het goed begrijp: de leden doen nu hun tweede termijn en stellen dan ook nog
eventuele vragen die openstaan. De leden dienen hun moties in. De amendementen zijn
al bekend. Wij zullen beide, zowel de vragen als de moties en amendementen, schriftelijk
beantwoorden. Maar dan is er toch geen tweede termijn meer van onze kant? Is dat dan
geen tweede termijn?
De voorzitter:
Nee, dan is er wel nog een moment waarop u weer bevraagd kunt worden op wat u schriftelijk
heeft geantwoord. Dat wordt een aparte tweede termijn. Dus zoals u net uw eerste termijn
heeft gehouden, krijgt u dan een tweede termijn. Maar dan zijn er allerlei stukken
en kan het vrij kort. De leden kunnen dan nog vragen stellen over uw appreciatie.
Staatssecretaris Heijnen:
Maar dan zou ik, als dat mag, er de voorkeur voor hebben dat wij, als de Kamer een
tweede termijn doet, ook een tweede termijn doen. Dan kan ik gelijk alle moties en
amendementen appreciëren en dan zijn we klaar.
De voorzitter:
Maar dat redden we niet binnen nu en 18.30 uur. Dat is mijn probleem. Ik snap uw voorkeur,
maar ik vrees dat dat niet gaat lukken. Dat moet dus op een ander moment een vervolg
krijgen. Mogelijk kan dat deze week nog. Ja? Dan ga ik de heer Grinwis alsnog het
woord geven.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Tenzij de brief zo briljant is dat wij zeggen dat het allemaal niet meer nodig is;
dat kan altijd.
Voorzitter. Allereerst heel veel dank aan de Staatssecretaris. Het was een gigantisch
pièce de résistance dat al heel lang lag te wachten. Tegelijkertijd moest het wel
een keer behandeld worden. Mij moet wel van het hart – dat hebben denk ik veel collega's,
ook mensen op de publieke tribune en mensen van de schrijvende pers – dat ik me afvroeg:
zo veel complexiteit, gaan we dat ons land en ons volk echt aandoen? Daar zit ik wel
mee. De alternatieven zijn gepasseerd. Op een gegeven moment moeten we gewoon een
besluit durven nemen. Ik denk dat ik dat ook wel durf, maar ik doe het wel terwijl
ik mijn hart vasthoud, want ik vind dat we nogal een stelselwijziging gaan optuigen.
Daarmee gaan we heel veel complexiteit toevoegen aan ons belastingstelsel, terwijl
we ieder jaar zeggen dat we het eenvoudiger moeten maken. Nou, het tegendeel is in
de praktijk het geval. Daar vind ik wat van. Dat als eerste.
Ten tweede dien ik een paar moties in en vervolgens heb ik nog een paar openstaande
vragen. Eerst de moties maar, dan hebben we die gehad. De eerste gaat over vermogenswinst.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de voorliggende Wet werkelijk rendement box 3 zeer waarschijnlijk
geen eindstation is, en dat in de toekomst een verdere beweging richting een vermogenswinstbelasting
(vwb) denkbaar is;
overwegende dat het vanwege het rente-op-rente-effect voor de hand ligt dat de vermogensopbouw
bij een box 3-systeem dat gebaseerd is op een vermogenswinstbelasting, en mitsdien
de structurele belastingopbrengst in box 3, groter is dan in het voorliggende voorstel;
overwegende dat toekomstige besluitvorming vraagt om inzicht in de structurele budgettaire
effecten;
verzoekt de regering in kaart te brengen wat de structurele budgettaire meeropbrengsten
van een vermogenswinstbelasting in box 3 zijn, de Kamer hierover voor de zomer te
informeren, en de uitkomsten mee te wegen in toekomstige besluitvorming over het box 3-stelsel,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Van Eijk, Inge van Dijk, Vermeer
en Stoffer.
Zij krijgt nr. 13 (36 748).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dan de tweede motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het box 3-inkomen wordt opgeteld bij het verzamelinkomen en daarmee
invloed heeft op de hoogte van de inkomensafhankelijke heffingskortingen en toeslagen;
overwegende dat het voorliggende wetsvoorstel leidt tot een volatieler stelsel, waarmee
ook de huidige inkomensafhankelijke heffingskortingen en toeslagen meer kunnen gaan
fluctueren, en de effectieve belastingdruk dus hoger of lager kan uitvallen dan het
belastingtarief in box 3;
overwegende dat Kamer en kabinet zich meermaals hebben uitgesproken voor een fundamentele
herziening van het belasting- en toeslagenstelsel;
verzoekt het kabinet in kaart te brengen wat de consequenties voor huishoudens (effecten
op heffingskortingen en toeslagen) en de overheidsfinanciën zijn van de doorwerking
van het volatieler wordende box 3-inkomen op het verzamelinkomen, deze inzichten te
betrekken bij de uitwerking van de hervorming van de inkomstenbelasting en het toeslagenstelsel,
en de Kamer hierover bij het eerstvolgende Belastingplan te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer en Stoffer.
Zij krijgt nr. 14 (36 748).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat is dus in vervolg op een van de laatste antwoorden van de Staatssecretaris, want
hier is meer inzicht gewenst. Die volatiliteit met nog meer fluctuaties in een stelsel
met veel inkomensafhankelijkheid gaat wel wat betekenen en wat inzicht daarin kan
helpen om de urgentie van een belastingherziening te vergroten. Nu mijn motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in artikel 5.19 staat dat de vastgoedbijtelling op 3,35% wordt gesteld;
overwegende dat dit percentage is gebaseerd op onderzoek van SEO uit 2022 en daarin
geanalyseerde data uit 2019, 2020 en 2021, en dat het derhalve verouderde data betreft;
overwegende dat als forfaits worden gebruikt, deze zo goed mogelijk dienen aan te
sluiten op de werkelijkheid;
verzoekt de regering om zodra mogelijk, bij voorkeur voorafgaand aan de inwerkingtreding
van de Wet werkelijk rendement box 3 per 1 januari 2028, het vastgoedbijtellingspercentage
te actualiseren op basis van de meest recente en representatieve data, en dit vervolgens
periodiek te blijven actualiseren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Grinwis, Vermeer en Stoffer.
Zij krijgt nr. 15 (36 748).
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Bij vastgoed miste ik nog een aantal antwoorden van de Staatssecretaris op gestelde
vragen, zoals of het wel zo redelijk is om de leegwaarderatio te verdisconteren bij
de inbrengwaarde van bijvoorbeeld sociaal verhuurd vastgoed, dus sociaal verhuurde
huizen. Dan maak je het eigenlijk aantrekkelijk om óf uit te ponden voor 2028 óf in
ieder geval ervoor te zorgen dat je het zonder huurders op die inbrengdatum inbrengt
in box 3 als de Wet werkelijk rendement gaat gelden. Dat zijn toch wat perverse effecten,
terwijl je juist verhuurders die betaalbaar verhuren, zou willen koesteren. Dat was
het ene punt. Op het andere punt heb ik een amendement in voorbereiding, maar het
lukt me niet meer om dat voor 18.30 uur in te dienen. Dat was: als je onder die 90%
komt van het kalenderjaar die geldt voor als je je huis verhuurd moet hebben, dus
op 89% vanwege bijvoorbeeld een verbouwing die een paar dagen uitloopt, dan word je
in één keer deels aangeslagen tegen de vastgoedbijtelling. Is dat nou wel zo redelijk?
Mijn voorstel was dus om dat op tien maanden te stellen, op 300 dagen. Dat is een
afwijking van de reguliere interpretatie in de fiscale praktijk van die 90%. Daarop
heb ik dus een amendement in voorbereiding, maar ik heb daar ook een vraag over gesteld.
Misschien kan de Staatssecretaris daar nog op ingaan in zijn brief, alvorens ik dat
amendement indien.
Ten slotte, voorzitter, en dan laat ik het daar ook bij. Ik heb het amendement zoals
aangekondigd, dat gaat over NSW-landgoederen, zojuist ingediend. Het is rondgedeeld,
dus iedereen kan het bestuderen. Warm aanbevolen!
Tot zover.
De voorzitter:
Dat amendement heeft nr. 12.
We gaan luisteren naar mevrouw Van Eijk, namens de VVD-fractie, in haar tweede termijn.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel, voorzitter, en dank ook aan de Staatssecretaris voor het beantwoorden
van de vragen. Ik ben blij dat we deze wet vandaag behandelen. Ik denk dat het ook
goed is dat we gaan doorpakken. Het is een beweging naar het belasten van inkomen
uit rendement. Wat ons betreft zouden we daar op termijn nog een stap verder in kunnen
gaan. Ik weet dat dat op dit moment niet realistisch is en ook budgettair niet haalbaar
is, dus wij zullen deze wet steunen. Ik was er heel even tussenuit, maar in de beantwoording
heb ik de antwoorden gemist op de vragen over de partiële buitenlandse belastingplicht
en het opnieuw wegen ervan in relatie tot deze nieuwe wet, de Wet werkelijk rendement
box 3, inderdaad ook in relatie tot de vermogenswinstbelasting en hoe dat uitpakt
in internationaal perspectief. Misschien kan de Staatssecretaris daar nog op reageren
in zijn schriftelijke beantwoording. En in het algemeen heb ik een oproep gedaan om
ook het invoeren van een tegenbewijsregeling, of de mogelijkheid van een tegenbewijsregeling,
opnieuw te bekijken, om ervoor te zorgen dat deze wet ook op de langere termijn juridisch
houdbaar is in die gevallen dat het aantoonbaar is dat het werkelijk rendement lager
is dan een forfait of een bepaalde veronderstelling.
Ik heb een viertal moties.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat in het voorgestelde box 3-stelsel het eigen gebruik van onroerende
zaken forfaitair wordt belast tegen 3,35% van de WOZ-waarde, uitgaande van een volledig
jaar;
overwegende dat dit kan leiden tot belastingheffing over een voordeel dat niet of
slechts gedeeltelijk is genoten, met name bij vakantiewoningen met een deels consumptief
karakter;
overwegende dat de WOZ-waarde een onvolmaakte grondslag vormt en de voorgestelde systematiek
juridisch kwetsbaar is;
verzoekt de regering uit te werken of het mogelijk is een uitvoerbare tegenbewijsregeling
op te nemen voor het werkelijke voordeel van eigen gebruik van onroerende zaken;
verzoekt de regering tevens een tegenbewijsregeling voor de openingsbalanswaarde van
vastgoed in box 3 uit te werken,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Stoffer en Grinwis.
Zij krijgt nr. 16 (36 748).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat het afschaffen van het overgangsrecht voor oude kapitaalverzekeringen
in box 1 ertoe leidt dat per 1 november 2029 in één keer belasting wordt geheven over
het volledige opgebouwde rendement;
overwegende dat betrokkenen deze belasting vaak niet kunnen voldoen omdat het vermogen
niet liquide is;
overwegende dat het gaat om een beperkte en overzichtelijke groep, terwijl de financiële
gevolgen groot en onverwacht zijn;
overwegende dat burgers om redenen van uitvoeringseenvoud niet opeens kunnen worden
geconfronteerd met hoge belastingaanslagen zonder dat zij over het geld kunnen beschikken;
verzoekt de regering uit te werken of het mogelijk is om de verschuldigde belasting
wel per 1 november 2029 vast te stellen, maar pas invorderbaar te maken op het moment
dat de kapitaalverzekering daadwerkelijk tot uitkering komt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Stoffer en Grinwis.
Zij krijgt nr. 17 (36 748).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Hierbij de opmerking dat het Verbond van Verzekeraars heeft aangedragen, ik neem aan
ook op basis van inbreng en input vanuit de verzekeraars, dat het gaat om die overzichtelijke
en relatief kleine groep. Misschien dat er dus nog een keer goed gekeken kan worden
dan wel navraag gedaan kan worden bij het verbond waarom zij denken dat het wel zou
moeten kunnen. Dat zijn tegenstrijdige geluiden.
Dan mijn derde motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de gerichte fiscale uitzondering in box 3 voor aandelen in startende
ondernemingen kan bijdragen aan innovatie, economische groei en het toekomstig verdienvermogen
van Nederland;
overwegende dat investeringen in start-ups en scale-ups gepaard gaan met hoge risico's
en beperkte liquiditeit, wat vraagt om een passend en investeringsvriendelijk fiscaal
kader;
overwegende dat indirecte investeringen via start-upfondsen en fund-of-funds particuliere
beleggers toegang geven tot risicospreiding en kapitaalmobilisatie;
overwegende dat het onwenselijk is dat belasting wordt geheven over vermogenswinsten
die nog niet liquide zijn;
verzoekt de regering:
– bij de verdere uitwerking van de fiscale regeling voor aandelen in startende ondernemingen
te zorgen voor een ruimhartige en investeringsvriendelijke toepassing;
– te bezien of directe en indirecte investeringen fiscaal behandeld kunnen worden;
– te bezien of belastingheffing kan aansluiten bij daadwerkelijke liquiditeit, met ruimte
voor tegenbewijs bij aantoonbare niet verhandelbaarheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk en Martens-America.
Zij krijgt nr. 18 (36 748).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
En de laatste, voorzitter.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat de overgang naar een stelsel van werkelijk rendement in box 3 kansen
biedt om particulier beleggen te stimuleren en privaat kapitaal te mobiliseren voor
Nederlandse en Europese bedrijven;
overwegende dat eenvoud essentieel is voor draagvlak, en complexe voorwaarden of sectorale
afbakeningen particulier beleggen onnodig ontmoedigen;
overwegende dat andere landen laten zien dat eenvoudige fiscale regelingen, zoals
vrijstellingen voor rente en dividend of laagdrempelige beleggingsrekeningen, effectief
kunnen zijn;
overwegende dat het van groot belang is dat Nederland werkt aan economische groei
en strategische autonomie in Europees verband;
verzoekt de regering parallel aan de invoering van het nieuwe box 3-stelsel te verkennen
hoe een brede, eenvoudige fiscale regeling kan worden vormgegeven die langetermijnbeleggen
in Nederlandse en Europese ondernemingen aantrekkelijker maakt,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Van Eijk, Oosterhuis, Inge van Dijk en Grinwis.
Zij krijgt nr. 19 (36 748).
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dat was het.
De voorzitter:
Dat was uw tweede termijn. Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar de heer Vlottes
namens de PVV.
De heer Vlottes (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Dank ook voor de beantwoording. Ik kan het antwoord gemist
hebben, maar ik meen mij te herinneren dat ik een vraag had gesteld over de mogelijke
impact op de planning van de inwerkingtreding van deze wet naar aanleiding van het
arrest van de Hoge Raad van afgelopen vrijdag over de rekenrente in de vpb. Ik hoor
graag wat daarvan de mogelijke gevolgen kunnen zijn.
We hebben het al kort gehad over die software uit het jaar kruik, Cool:Gen. De Staatssecretaris
heeft aangegeven dat die in ieder geval niet meer voor vertraging zou zorgen. Maar
ik heb nog geen antwoord gehoord op het recente arrest van de Hoge Raad over de vpb-rekenrente.
Dan nog één motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat de Wet werkelijk rendement een stelsel bevat van vermogensaanwasbelasting;
van mening dat belasting op rendement dient te gebeuren op daadwerkelijk behaald rendement
en niet op papieren rendement;
verzoekt de regering op zo kort mogelijke termijn te zorgen voor een box 3-stelsel
waarbij enkel gerealiseerde winsten worden belast op basis van een vermogenswinstbelasting,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Vlottes.
Zij krijgt nr. 20 (36 748).
De heer Vlottes (PVV):
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dat was kort maar krachtig. Dan de heer Stoffer namens de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Ook dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording van de vele vragen
die gesteld zijn. Ik heb nog drie moties en die zal ik nu indienen. De eerste luidt
als volgt:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat uit de uitvoeringstoets van de Wet werkelijk rendement box 3 onder
andere blijkt dat de impact «ingrijpend» is, en dat het risico op procesverstoringen
groot is;
overwegende dat het wetsvoorstel grote gevolgen heeft voor miljoenen belastingplichtigen,
en dat de invoering voortdurend gemonitord moet worden, om problemen en uitdagingen
in de invoering snel in beeld te krijgen, zodat daarop geanticipeerd kan worden;
verzoekt de regering na inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 regelmatig,
bijvoorbeeld elk halfjaar, invoeringstoetsen uit te voeren waarin ingegaan wordt op
de invoering, uitwerking en uitvoerbaarheid,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Vermeer en Grinwis.
Zij krijgt nr. 21 (36 748).
De heer Stoffer (SGP):
De volgende motie luidt als volgt:
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in een eerdere versie van de Wet werkelijk rendement box 3 een vermogenswinstbelasting
gold voor aandelen in familiebedrijven;
overwegende dat deze vorm van belastingheffing daarbij ook beter past, omdat deze
aandelen bijvoorbeeld niet vrij verhandelbaar zijn en niet jaarlijks gewaardeerd worden;
overwegende dat met name het definiëren van «familiebedrijven» de uitvoering van een
vermogenswinstbelasting voor deze groep uitdagend maakt;
constaterende dat de definitie van «start-ups en scale-ups» nog nader uitgewerkt moet
worden;
verzoekt de regering hierbij ook een passende en afgebakende definitie van familiebedrijven
mee te nemen, en alsnog te bezien hoe aandelen in familiebedrijven op basis van een
vermogenswinstbelasting belast kunnen worden,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Grinwis en Vermeer.
Zij krijgt nr. 22 (36 748).
De heer Stoffer (SGP):
En dan de laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat er bijvoorbeeld bij vererving of schenking van verpachte landbouwgronden
belasting betaald moet worden over de waardestijging;
overwegende dat langdurige verpachting van groot belang is voor de toekomstbestendigheid
van de landbouw, terwijl dat met dit wetsvoorstel onder druk komt te staan, omdat
er bijvoorbeeld bij vererving en schenking geen liquide middelen beschikbaar zijn,
en langdurige pachtcontracten daardoor onaantrekkelijker worden;
verzoekt de regering oplossingen in kaart te brengen, en daarbij in ieder geval een
gehele of gedeeltelijke vrijstelling bij vererving en schenking en een belastingverlaging
in combinatie met een minimale bezitsperiode mee te nemen, en de Kamer daarover zo
snel mogelijk te informeren,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Stoffer, Vermeer en Grinwis.
Zij krijgt nr. 23 (36 748).
De heer Stoffer (SGP):
Dat was het, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we nu luisteren naar de heer Stultiens, namens GroenLinks-Partij
van de Arbeid.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Ik begin met een woord van dank aan de Staatssecretaris. Dank voor
de uitgebreide antwoorden. Ook met een aantal toezeggingen ben ik blij. Hij gaat opties
in kaart brengen voor hoe de route van box 1 naar box 3 met de hypotheekrenteaftrek
kan worden voorkomen. Daar ben ik blij mee. We krijgen vóór het commissiedebat van
de volgende maand een appreciatie of een analyse van de Zucman tax, van wat die oplevert,
wanneer die kan en van wat die juridisch mogelijk maakt. En ik hoor nog van de Staatssecretaris
per wanneer ons amendement wel uitvoerbaar is. Ik moet daarbij zeggen dat je met 900
fte en 22 maanden toch hoopt dat een toptarief wel kan worden toegevoegd. Maar goed,
blijkbaar werkt de wereld zo niet bij de Belastingdienst. Daar moet ik dan maar op
vertrouwen. Dat doe ik ook, maar dan hoor ik graag per wanneer het wel kan.
Ik zei aan het begin van het debat dat we het wetsvoorstel gaan steunen. Ik zie wel
een paar gemiste kansen. Daarom één motie. Hopelijk inspireer ik de formatietafel
om een wijze keuze te maken. Die gaat over het toewerken naar een progressief belastingstelsel.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat het huidige belastingstelsel op sommige onderdelen niet progressief
is, waardoor de rijkste Nederlanders een lager effectief tarief betalen dan de middenklasse;
constaterende dat inkomen in box 1 en box 2 wél progressief wordt belast maar inkomen
in box 3 niet;
van mening dat inkomen uit werk niet zwaarder belast zou moeten worden dan inkomen
uit vermogen;
verzoekt de regering bij het komende Belastingplan toe te werken naar een progressief
belastingstelsel, onder andere door inkomsten in box 3 ook progressief te gaan belasten,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door het lid Stultiens.
Zij krijgt nr. 24 (36 748).
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan is er eigenlijk nog één grote vraag blijven liggen. En het is eigenlijk ook wel
raar dat die is nog steeds blijven liggen. Hij gaat over de budgettaire verschillen
tussen varianten. Inmiddels weten we dat de vermogenswinstoptie een derving is van
5 miljard in vijf jaar. Maar ik vroeg expres naar de komende 30 jaar. Ik heb nu verschillende
brokjes informatie en ik vind dat wij als Kamer het hele plaatje moeten hebben. Ik
weet nu dat het bij vermogensaanwas 42 miljard meer oplevert dan wat er nu voorligt,
dus de hybride variant. Ik zou graag wel de vraag de andere kant op beantwoord willen
hebben, over vermogenswinst. De openstaande vraag – want daarover zijn volgens mij
de meningen verdeeld hier in de Kamer – is: gaat dat budgettaire gat ooit worden ingelopen?
Ik geloof zelf van niet, maar de idee ontstaat hier dat dat wel zo is. Ik hoor graag,
op papier, hoe dat zit. Ik hoor graag waar ik een denkfout maak, maar volgens mij
schuif je met een vermogenswinstbelasting opbrengst uit de toekomst naar voren en
als je eenmaal dat punt bereikt hebt, heb je vervolgens die belastinginkomsten binnen
en zijn er weer nieuwe toekomstige vermogenswinsten opgespaard; dan blijf je altijd
vooruit hollen. Dus tenzij er ooit een dag komt waarop de wereld vergaat en we een
eindafrekening maken, ga je zo gewoon tientallen miljarden vooruitschuiven. Als partijen
hier dat willen, dan mag dat, maar dan verwacht ik wel een budgettaire dekking en
onderbouwing. Die heb ik van niemand gehoord vandaag. Als wij bij een begrotingsdebat
een paar potloden willen toevoegen bij onderwijs, krijgt iedereen de vraag hoeveel
dat gaat kosten en hoe je dat gaat betalen. En hier hoor ik de hele dag al, eigenlijk
jarenlang, wensen, wensen, wensen voor vermogenswinst, maar niemand die zegt hoe je
dat gaat betalen. Nou, vraag één is dus: hoeveel gaat dat kosten? En klopt mijn analyse
dat dit echt geld kost of is het slechts een temporeel effect? Ik denk het laatste.
Vervolgens kunnen wij dan de komende jaren het debat live vervolgen. Ik vermoed dat
dat nog jaren gaat duren. Ik denk dat het goed is dat we niet geld gaan uittrekken
hiervoor, maar ik hoor graag op papier van de Staatssecretaris of mijn analyse klopt.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we naar de heer Oosterhuis, namens de D66-fractie.
De heer Oosterhuis (D66):
Dank u, voorzitter. En ook mijn dank aan de Staatssecretaris voor de antwoorden op
de vele kritische vragen die de Kamer heeft gesteld. Ik denk wel dat het goed is om
voor ogen te blijven houden dat het, of het nu gaat om mensen met een miljoen of met
een tweede woning, in het algemeen gaat over de wat meer draagkrachtigen in de samenleving
en dat het grootste deel van de samenleving er toch alleen maar van kan dromen om
ooit in deze box terecht te komen.
Vroeg in de beantwoording zei de Staatssecretaris: het ideale stelsel bestaat niet.
Ik denk dat hij daar gelijk in heeft; elke vorm heeft zijn voor- en nadelen. We hebben
het veel gehad over vermogenswinst versus vermogensaanwas. Volgens mij is ook vermogenswinst
niet zaligmakend en zit daar in ieder geval een budgettaire hobbel. Ik denk dat het
verstandig is om in beeld te brengen hoe groot die hobbel is, zodat wij daar goed
geïnformeerd het debat over kunnen voeren. Een van die problemen bij vermogenswinst
zit ’m bij die life events: scheiden, overlijden. Ik vind het jammer dat het amendement
van de heer Hoogeveen als niet-uitvoerbaar, of in ieder geval niet tijdig uitvoerbaar
wordt geschetst. Er zijn betalingsregelingen, zo heeft de Staatssecretaris toegelicht.
Tegelijkertijd kan het echt om serieuze bedragen gaan, en betwijfel ik of die betalingsregelingen
in alle gevallen afdoende zullen zijn. Daarom de volgende motie.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
constaterende dat in de Wet werkelijk rendement box 3 een vermogenswinstbelasting
geldt voor onroerend goed en aandelen in start-ups;
constaterende dat er sprake kan zijn van een forse vermogenswinstheffing over de waardestijging
van onroerend goed en aandelen in start-ups bij ingrijpende persoonlijke gebeurtenissen
zoals een echtscheiding of overlijden, terwijl het ongewenst of onmogelijk is om op
dat moment het betreffende vermogensbestanddeel te verkopen;
overwegende dat er betalingsregelingen zijn die niet in alle gevallen voldoende zijn
en er individuele betalingsregelingen mogelijk zijn;
verzoekt de regering om bij grote vermogenswinstheffingen bij ingrijpende persoonlijke
gebeurtenissen de mogelijkheid tot een betalingsregeling actief onder de aandacht
te brengen, en te bezien of verruiming van deze regelingen noodzakelijk is,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Oosterhuis, Grinwis en Hoogeveen.
Zij krijgt nr. 25 (36 748).
De heer Oosterhuis (D66):
Dan had ik specifiek over de ingrijpende persoonlijke gebeurtenis van het huwelijk
een vraag gesteld die volgens mij nog niet beantwoord is. Wellicht kan de Staatssecretaris
daar in zijn brief op terugkomen en verduidelijken hoe dat precies zit.
Tot slot nog een vraag over groen beleggen. Ik was wat verrast door het antwoord van
de Staatssecretaris in eerste termijn. In de voorbereiding op dit debat had ik informeel
contact met zijn ondersteuning. Toen kreeg ik het signaal dat een heffingskorting
uitvoerbaar zou zijn per 2028, ook als dat nog bij het Belastingplan zou worden geregeld.
Ik ging er dan ook van uit dat het zou kunnen, ook omdat ik naar aanleiding van het
afgelopen Belastingplan hierover vrij veel heb gevraagd achter de schermen toen ik
bezig was de amendementen. Toen kreeg ik nergens het signaal dat dat problematisch
zou zijn in de uitvoering bij de knip tussen de huidige wet en de volgende wet. We
hebben in de huidige box 3 nog een regeling voor groen beleggen. Ik wil de Staatssecretaris
vragen om iedereen op de kop te houden en te kijken of die heffingskorting uitvoerbaar
is. Dit maakt wel dat ik nu een amendement begin te overwegen over een heffingskorting,
al dan niet voorlopig op nul gezet en wellicht ook met een invoeringsdatum bij KB,
zoals Grinwis hier creatief aan het doen is, om te bewerkstelligen dat dit zo spoedig
mogelijk uitvoerbaar is. Daar blijf ik me mee bezighouden.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan gaan we luisteren naar mevrouw Inge van Dijk namens het CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording. Je zult het maar even op je bordje
krijgen, dit dossier! Fijn dat we in ieder geval een stap verder zijn gekomen. Ik
dank de collega's voor het debat.
Zoals het vaak gaat: democratie vraagt om eenvoud en bestuur creëert complexiteit.
Dat doen we nu ook weer, daarvan zijn we ons zeer bewust. Het voelt ook wel ongemakkelijk,
maar tegelijkertijd weten we dat als we dit nu niet doen, het de situatie er de komende
tijd niet per definitie beter op maakt.
We hebben onze wensen voor de 2.0 op tafel gelegd, maar vandaag zullen we tot op zekere
hoogte op onze handen blijven zitten, want we willen absoluut niet verder vertragen.
Ik heb wel twee moties om alvast een en ander te onderzoeken.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat voordelen uit eigen gebruik van onroerende zaken worden belast met
een vastgoedbijtelling;
overwegende dat de vastgoedbijtelling is gebaseerd op onderzoek naar de huurwaarde
van niet-verhuurde box 3-woningen;
overwegende dat vakantiewoningen verschillen van andere woningen omdat specifieke
kenmerken zoals seizoensgebondenheid een rol kunnen spelen;
overwegende dat het van belang is de vastgoedbijtelling juridisch houdbaar vorm te
geven, met het oog op het recht op ongestoord genot van eigendom;
verzoekt de regering een aanvullend onderzoek te laten doen naar rendementen op specifiek
vakantiewoningen, en een juridische analyse te doen ten aanzien van een houdbare vastgoedbijtelling
voor vakantiewoningen in eigen bezit,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Van Eijk en Grinwis.
Zij krijgt nr. 26 (36 748).
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
De laatste.
Motie
De Kamer,
gehoord de beraadslaging,
overwegende dat met de Wet werkelijk rendement box 3 een hybride stelsel van vermogensaanwas
en vermogenswinstbelasting wordt ingevoerd om het huidige failliete forfaitaire stelsel
te vervangen en grote budgettaire derving van verder uitstel te voorkomen;
overwegende dat een volledige vermogenswinstbelasting beter aansluit binnen het Nederlandse
fiscale systeem, internationaal de standaard is en bovendien het draagvlak kan verhogen
omdat belastingplichtigen het als rechtvaardig ervaren dat alleen liquide vermogens
belast worden;
overwegende dat een dergelijke systematiek door partijen die gegevens moeten aanleveren
met een langere voorbereidingstijd uitvoerbaar wordt geacht;
verzoekt de regering in overleg met ketenpartners in kaart te brengen hoe het hybride
stelsel kan worden doorontwikkeld naar een volledige vermogenswinstbelasting en hiervoor
een stappenplan te ontwikkelen,
en gaat over tot de orde van de dag.
De voorzitter:
Deze motie is voorgesteld door de leden Inge van Dijk, Van Eijk, Hoogeveen en Grinwis.
Zij krijgt nr. 27 (36 748).
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter.
De voorzitter:
Hartelijk dank. Dan gaan we luisteren naar de heer Hoogeveen namens de JA21-fractie.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank u, voorzitter, en dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording en de «on
the spot»-beoordeling van mijn amendementen. De antwoorden waren wel wat onbevredigend
en verwarrend, als ik zo vrij mag zijn, met name omdat ik vind dat de onderbouwing
op een aantal punten onvoldoende is en deels ook haaks staat op de stukken die wij
hebben ontvangen.
Laat ik beginnen met de uitvoerbaarheid. De Staatssecretaris stelt dat de door mij
voorgestelde amendementen niet uitvoerbaar zouden zijn. Dat verbaast mij, omdat in
de quickscan die wij hebben gekregen, staat dat het niet te automatiseren is, maar
wel uitvoerbaar per 1 januari 2028 via een aanpassing in de toelichting. Zojuist,
twee minuten geleden, heb ik de juiste quickscan gekregen en die heb ik daardoor nog
niet kunnen lezen. Daarom stel ik de vraag alsnog: kan de Staatssecretaris aangeven
waarom het amendement nu niet uitvoerbaar is en wanneer hij het wel uitvoerbaar acht?
Of is het dat überhaupt niet?
Voorzitter. Het budgettaire argument en dan met name bij het amendement over de verliesrekening.
De Staatssecretaris ontraadt het amendement vanwege een hoge incidentele budgettaire
derving. Wat daar dan bij opvalt, is dat het structurele effect volgens dezelfde raming
beperkt blijft, namelijk dat het eindigt met slechts 12 miljoen. Overigens zijn de
kosten sowieso opmerkelijk, omdat het wetsvoorstel zelf al voorziet in onbeperkte
voorwaartse verliesverrekening, terwijl mijn amendement vraagt om slechts een zeer
beperkte carry back van één jaar.
Met het amendement wordt slechts een heel beperkte achterwaartse verliesverrekening
toegevoegd. Het totale verlies kan dus worden verrekend en daardoor neemt het mijns
inziens niet of nauwelijks toe. Alleen het moment van verrekening verandert immers.
De raming lijkt echter uitsluitend de derving van de carry back mee te nemen, dus
zonder rekening te houden met het feit dat dezelfde verliezen daardoor niet of in
mindere mate nog voorwaarts hoeven te worden verrekend. Daarmee wordt wel de budgettaire
last van de carry back ingeboekt, maar niet de daarbij horende vermindering van toekomstige
derving van de carry forward.
Dat leidt dus tot een overschatting van het incidentele effect en wekt de indruk dat
hier vooral sprake is van een kasverschuiving en niet van een structurele lastenverzwaring.
Daarom vraag ik de Staatssecretaris uit te leggen waarom in de raming wel de derving
van de carry back is meegenomen, maar niet de verminderde derving die ontstaat doordat
dezelfde verliezen niet meer voorwaarts kunnen worden verrekend. Kunnen deze twee
dervingen worden weggestreept ten opzichte van elkaar? Zo nee, waarom niet? Graag
een uitgebreid antwoord. Kan hij verder toelichten waarom deze twee effecten volgens
hem niet tegen elkaar kunnen worden weggestreept?
Voorzitter, tot slot het proces. De onderbouwing die wij vandaag krijgen bij de ontrading
van mijn amendementen, en dan met name op het punt van het budgettaire effect en de
uitvoerbaarheid, is dus niet eerder met ons gedeeld. Sterker nog, sommige staan daar
zelfs haaks op. Daarom heb ik daar niet op kunnen anticiperen. Dat geldt ook voor
de uitvoering en het vinden van een geschikte dekking.
Ik verzoek de Staatssecretaris daarom het volgende: een schriftelijke reactie waarin
staat opgenomen op welke punten het oordeel van de Staatssecretaris afwijkt van de
geleverde documenten, en dan met name van de quickscan, die ik dus wel heb ontvangen.
Ik krijg verder graag een schriftelijke reactie op mijn vraag wanneer de doorschuiffaciliteiten
en de achterwaartse verrekening mogelijk zijn. Ten slotte wil ik een nieuwe schriftelijke
reactie waarin staat hoe de kosten en de budgettaire derving van zowel de doorschuiffaciliteit
als de achterwaartse verrekening zijn opgenomen. Dat mag dus allemaal in die schriftelijke
reactie. Graag ontvang ik daarbij de toezegging dat de Kamer de tijd krijgt om de
budgettaire effecten zorgvuldig te beoordelen en indien nodig de amendementen nader
te wegen. Daarvoor is gezien de deadline vooralsnog voldoende tijd.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat was de tweede termijn van de zijde van de Kamer. We hebben nog acht
minuten in de geplande tijd. Het gaat dus echt niet lukken om de tweede termijn van
de regering te realiseren. Er zijn bovendien ook nog eens vijftien moties ingediend
en die moeten ook nog allemaal geapprecieerd worden, net als overigens een aantal
amendementen die nog geen appreciatie hebben gehad. Dat gaan we allemaal nog schriftelijk
krijgen. Ik denk dat de griffier met de staf van de Staatssecretaris zal zoeken naar
een geëigend tijdstip om op korte termijn die tweede termijn van de zijde van de regering
te laten plaatsvinden.
Ik zie dat de Staatssecretaris de behoefte heeft om nog een opmerking te maken.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank, voorzitter, en dank voor die mogelijkheid. Dank ook aan de Kamerleden voor hun
vragen in het debat. Ik hoop dat ik die tweede termijn nog zelf mag voeren, want dat
zou ik wel heel fijn vinden. Ik heb het even met mijn mensen afgestemd en we gaan
uiterlijk woensdag alle openstaande vragen beantwoorden en de moties en amendementen
appreciëren. Dan zal ik mijn staf vragen om contact te zoeken met de griffie om een
datum af te spreken, wellicht ergens na volgende week en de week daarna, als dat past.
De voorzitter:
Ja hoor. Ik denk ook dat ... Nou, daar ga ik eigenlijk niet over, maar als er een
akkoord ligt, duurt het nog wel even voordat de formatie is afgerond en de bewindslieden
zijn gevonden. Tenminste, dat is de ervaring uit het verleden. Ik denk dus dat er
echt nog wel een moment te vinden is waarop dit debat met deze Staatssecretaris kan
worden afgerond.
Ik dank iedereen, ook de mensen die dit hebben gevolgd, hier op de publieke tribune
of digitaal. Ik wens u een goed avondmaal.
Ik schors de vergadering, want we zien elkaar nog terug op een ander moment.
Sluiting 18.23 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
A.H.M. Weeber, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Tegen |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Tegen |
| FVD | 7 | Tegen |
| Groep Markuszower | 7 | Tegen |
| BBB | 4 | Tegen |
| ChristenUnie | 3 | Tegen |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Voor |
| SGP | 3 | Tegen |
| SP | 3 | Voor |
| 50PLUS | 2 | Tegen |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.