Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 februari 2026, over vrouwengezondheid
31 765 Kwaliteit van zorg
Nr. 974 VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 19 maart 2026
De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 10 februari 2026
overleg gevoerd met mevrouw Tielen, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport, over:
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 7 april 2025 inzake
reactie op verzoek commissie over concrete actie met betrekking tot het onderzoek
over effecten van behandelingen en medicatie op vrouwen (Kamerstuk 31 765, nr. 912);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 12 mei 2025 inzake
tweede voortgangsrapportage VWS-brede aanpak discriminatie en gelijke kansen in zorg,
welzijn en sport (Kamerstuk 36 600 XVI, nr. 182);
– de brief van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport d.d. 2 juli 2025 inzake
de Nationale Strategie Vrouwengezondheid (Kamerstuk 31 765, nr. 936);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 27 november 2025 inzake
reactie op aangeboden petitie Meer onderzoek naar (onverklaarde) gezondheidsklachten
van vrouwen (Kamerstuk 31 765, nr. 953);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 1 oktober 2025 inzake
uitvoeringstoets MRI voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel (Kamerstuk 31 765, nr. 947);
– de brief van de Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport d.d. 27 november 2025 inzake
toezegging gedaan tijdens het commissiedebat Publieke gezondheidszorg van 10 september
2025, over gesprek met Dokters van de Wereld over abortuszorg voor onverzekerde vrouwen
(Kamerstuk 32 793, nr. 874).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Mohandis
De griffier van de commissie, Esmeijer
Voorzitter: Mohandis
Griffier: Meijerink
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bevers, Van Brenk, Claassen, Dobbe,
Krul, Maeijer, Mohandis, Paulusma en Vliegenthart,
en mevrouw Tielen, Staatssecretaris Jeugd, Preventie en Sport.
Aanvang 18.01 uur.
De voorzitter:
Ik open de vergadering. Welkom allemaal bij het commissiedebat Vrouwengezondheid.
We gaan beginnen. Ik verzoek degenen op de tribune om ... Ik wilde «orde» zeggen,
maar zo streng zal ik niet zijn vandaag. We hebben een goede opkomst aan de zijde
van de Kamer. Staatssecretaris, van harte welkom. Iedereen die dit debat volgt, hier
of live via het scherm: van harte welkom. De volgende fracties geef ik zo het woord.
We beginnen met mevrouw Vliegenthart van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Daarnaast
zitten mevrouw Dobbe van de SP-fractie, de heer Claassen van de Groep Markuszower,
mevrouw Paulusma van D66, de heer Krul van het CDA, mevrouw Van Brenk van 50PLUS,
de heer Bevers van de VVD-fractie en mevrouw Maeijer van de PVV-fractie.
U heeft vier minuten spreektijd en maximaal vier interrupties aan de zijde van de
Kamer. We zitten echt met een eindtijd. Dat is wat het is. U kent mij als voorzitter:
als er wat ruimte is, zal ik niet al te streng zijn. Als u de interrupties binnen
de 30 seconden houdt en gewoon een vraag stelt, dan zal ik coulant omgaan met het
aantal.
Ik begin bij de fractie van GroenLinks-Partij van de Arbeid. Mevrouw Vliegenthart,
aan u het woord.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Een op de vier vrouwen lijdt aan adenomyose, een aandoening die leidt
tot hevige menstruaties, onvruchtbaarheid, miskramen en vroeggeboorte. Gemiddeld duurt
het elf jaar voordat vrouwen een diagnose krijgen. Nog altijd is er geen passende
behandeling in ontwikkeling. Dit is geen uitzondering; het is een patroon. Het is
een van de vele vrouwenproblemen die structureel te weinig prioriteit krijgen, en
dat terwijl vrouwen en de samenleving dagelijks de gevolgen en kosten dragen. Daarom
ben ik blij dat er, dankzij vele vrouwen binnen en buiten deze ruimte, eindelijk een
Nationale Strategie Vrouwengezondheid ligt. Eindelijk is er de zo nodige erkenning
en actie, maar die blijdschap sloeg snel om in teleurstelling. De strategie bestaat
namelijk uit nauwelijks vijf pagina's, er is geen financiering voor en er wordt vooral
geleund op bestaande initiatieven. Een grote groep vrouwen blijft onzichtbaar: vrouwen
van kleur, vrouwen met een laag inkomen en queer personen. Zij zijn juist degenen
die extra hard geraakt worden door gezondheidsongelijkheid.
Aandacht, aandacht, aandacht: dat is het motto van de Staatssecretaris. Gelukkig is
er ook in het coalitieakkoord aandacht voor vrouwengezondheid. Het mag duidelijk zijn:
die aandacht is ontzettend belangrijk. Maar met aandacht alleen lossen we dit probleem
niet op. Ik verwacht dan ook van deze minderheidscoalitie dat ze ervoor zorgen dat
deze strategie geen lege huls blijft, maar daadwerkelijk leidt tot verandering. Dat
vraagt wat mij betreft om een langdurige aanpak met meetbare doelen, voldoende financiering
en een duidelijk kartrekkende rol van het ministerie. Tot nu toe is het onduidelijk
of de Staatssecretaris die verantwoordelijkheid wil nemen. Daarom vraag ik haar: welk
advies geeft zij haar opvolger over de rol en verantwoordelijkheid van het ministerie
bij deze strategie?
Experts zijn duidelijk: als we nu verantwoordelijkheid nemen en nu investeren, kunnen
we binnen tien jaar enorme stappen zetten. Dan voorkomen we dat tienduizenden vrouwen
zich ongehoord en ongezien voelen en noodgedwongen rondlopen met onverklaarde klachten
of zoeken naar alternatieve zorg omdat de reguliere zorg tekortschiet. Juist daarom
is het cruciaal dat vrouwen structureel worden betrokken bij beleid. Vrouwengezondheid
verbetert alleen als vrouwen worden gezien als gelijkwaardige partners. In Engeland
laat een succesvolle strategie zien hoe dat kan: met patiëntenpanels, openbare consultaties
en een verplichte terugkoppeling over wat er met die inbreng is gedaan. Mijn vraag
is dan ook: is de Staatssecretaris bereid om de stem van vrouwen structureel te verankeren
in deze strategie? Hoe wil zij dat gaan doen?
Voorzitter. Laten we ervoor zorgen dat de meisjes die nu opgroeien niet zoals hun
moeders jarenlang ongezond hoeven te leven en dat ze niet hoeven te strijden voor
ze serieus genomen worden. De onderzoeken zijn helder: deze investering betaalt zich
driedubbel en dwars terug in lagere zorgkosten, minder leed, minder uitval en maatschappelijke
winst.
Voorzitter. Ik sprak eerder al over vrouwen die extra hard geraakt worden door gezondheidsongelijkheid.
Nog steeds zijn er jaarlijks honderden vrouwen die in Nederland wonen en werken maar
onvoldoende toegang hebben tot abortuszorg, simpelweg omdat de financiering niet geregeld
is. Dat gebeurt terwijl reproductieve rechten echt een randvoorwaarde zijn voor goede
vrouwengezondheid. Waar financiering voor Oekraïense vrouwen in 2022 gelukkig snel
geregeld werd, wordt abortuszorg voor onverzekerden vooral doorgeschoven en wordt
er geen verantwoordelijkheid genomen, terwijl er al jaren over gesproken wordt. Steeds
meer vrouwen worden daarvan de dupe. Tijdens mijn werk hoorde ik de meest schrijnende
verhalen, bijvoorbeeld van een dakloze vrouw die uit wanhoop een suïcidepoging deed,
omdat zij geen toegang kreeg tot de abortus die zij verdiende en nodig had. Maar ik
hoorde ook verhalen van vrouwen die uit pure nood abortusmedicatie op de zwarte markt
kochten, met alle medische risico's van dien.
Voorzitter. Dit raakt aan een fundamenteel mensenrecht: het recht op gezondheid en
lichamelijke autonomie. Dit probleem ís niet ingewikkeld. Het is oplosbaar door de
financiering van abortuszorg voor onverzekerden onder te brengen bij de CAK-regelingen,
zoals we dat ook doen bij andere noodzakelijke zorg. Mijn vraag aan de Staatssecretaris
is hoe zij hierop reflecteert. Deelt zij deze zorgen en is ze het met me eens dat
abortus opnemen in een CAK-regeling dé oplossing is om te voorkomen dat nog meer vrouwen
noodgedwongen voor een abortus in onveilige omstandigheden moeten kiezen?
De voorzitter:
Dank u wel. Volgens mij bent u aan het einde gekomen van uw inbreng. Ik had een interruptie
genoteerd van mevrouw Van Brenk en van mevrouw Paulusma. Eerst 50PLUS.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik heb een vraag over het mooie betoog van de collega van PvdA-GroenLinks over beschikking
van vrouwen over hun eigen lichaam. We hebben het er recent over gehad dat vrouwenbesnijdenis
nog steeds voorkomt in Nederland. Dat gebeurt bij meisjes die meegenomen worden op
vakantie. Ik zou willen weten hoe PvdA-GroenLinks hierin staat en of dit niet ook
veel prominenter verankerd moet worden in de Nationale Strategie Vrouwengezondheid.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Er zijn wittevlekkenanalyses gedaan door de NVOG samen met WOMEN Inc. Mijn voorstel
zou zijn om daar te starten waar we de grootste winst kunnen behalen. Dat is bij de
vrouwspecifieke zorg. Daar liggen de plannen voor de problemen klaar, dus daar zou
ik allereerst mee beginnen. Maar ik ben het natuurlijk zeker eens met u dat meisjesbesnijdenis
een probleem is waar we prioriteit aan moeten geven. Als verloskundige heb ik zorg
verleend aan Eritrese vrouwen, bij wie ook veel besnijdenissen plaatsvinden. Ik heb
daar gezien dat een gelijkwaardig gesprek aangaan met vrouwen, met toekomstige ouders,
een ontzettend belangrijk instrument is om besnijdenis te voorkomen, dus ik ben het
absoluut met u eens dat daar prioriteit aan moet worden gegeven. Ik vind ook zeker
dat we moeten kijken naar goede, passende maatregelen op verschillende vlakken.
Mevrouw Paulusma (D66):
Het is goed dat mevrouw Vliegenthart zegt dat we focus moeten aanbrengen, maar dan
ben ik benieuwd wat voor haar – laten we er drie noemen – de drie belangrijkste onderdelen
zijn in ofwel deze agenda ofwel de agenda van mevrouw Vliegenthart zelf die aangepakt
zouden moeten worden de komende periode.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Zoals ik zei hebben we een heel duidelijke wittevlekkenanalyse liggen. Het is heel
duidelijk waar de gaten zitten. Ik zou zeggen: laten we de experts volgen, die heel
duidelijk laten zien wat de eerste stappen zijn. Begin met de vrouwspecifieke gezondheid.
Ik laat het aan de Staatssecretaris en het ministerie om dan te kiezen waar we het
snelst op kunnen inzetten. Laten we tegelijkertijd – dat vind ik heel belangrijk –
niet alleen naar vrouwspecifieke aandoeningen kijken, maar ook naar vrouwsensitieve
onderwerpen. Volgens mij kan dat hand in hand met elkaar.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan kom ik bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Dobbe van de SP-fractie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank je wel, voorzitter. Ik begin met het verhaal van Angel. Angel is 38 jaar oud
en had elke maand opnieuw pijn en zware, heftige menstruatiebloedingen. Ze kon dan
niet naar het werk en 's nachts moest ze de wekker zetten om niet door te lekken.
Door de vele ziekmeldingen is ze haar baan kwijtgeraakt. Er is nu niet altijd voldoende
geld om maandverband te kopen. Ze was vaak duizelig en viel soms flauw. Angel had
deze klachten als sinds haar 20ste. De huisarts stuurde haar naar de psycholoog. Ze
kreeg verschillende behandelingen, die niet werkten. Uiteindelijk bleek ze in totaal
twintig myomen in haar baarmoeder te hebben, samen zo groot als een kleine voetbal.
Myomen, zoals bij Angel, komen bij meer dan 40% van alle vrouwen voor. Uit onderzoek
van WOMEN Inc. blijkt ook dat investeren in vrouwengezondheid in Nederland 7,6 miljard euro
kan opleveren. Met het verhaal van Angel kun je je dat goed voorstellen, want hoeveel
leed en hoeveel kosten zouden haar bespaard zijn gebleven als zij gewoon direct een
goede diagnose had gekregen en behandeld zou zijn? Als de diagnose bij Angel eerder
zou zijn gesteld, hadden de myomen ook verwijderd kunnen worden toen ze nog klein
waren en was al dit leed niet nodig geweest. Daarom zijn we nu ook heel blij dat er
gehoor is gegeven aan de vele vragen vanuit de samenleving van vrouwen die zich hiervoor
hebben ingezet, ook vanuit de Kamer, om eindelijk een Nationale Strategie Vrouwengezondheid
te hebben. Maar we missen wel een aantal dingen, en dat is een understatement, want
deze strategie is wel heel kort en vooral een opsomming van dingen die we al doen.
Daarnaast zit er geen geld en geen budget bij. Er is budget nodig voor meer onderzoek
naar oorzaken, behandeling, medicijnen en bijwerkingen, voor aanpassing van curriculum
en onderwijs en voor bijscholing. Er is gewoon geld nodig voor maatschappelijke acceptatie
van vrouwengezondheid. Is de Staatssecretaris het daarmee eens?
Wij dienen ook een amendement in bij de begroting van VWS dat in ieder geval voor
dit jaar extra middelen regelt om deze strategie op te starten. Als partijen daar
overigens aan mee willen doen, zijn zij van harte welkom. Wij pleiten ook voor een
langetermijnstrategie in plaats van een strategie voor slechts vijf jaar, want vrouwengezondheid
blijft ook na die vijf jaar belangrijk. Ook pleiten wij ervoor dat dit in de werkplannen
wordt verwerkt. Is de Staatssecretaris bereid om dat te doen?
Ik wil nog vragen naar de poli voor vrouwspecifieke aandoeningen in het Amsterdam
UMC, waar we zijn geweest. Die levert hele goede resultaten op met zeer snelle diagnoses
en toegankelijke zorg. De kosten voor het spreekuur zijn nu voor de werkgever. Ik
vraag mij af: is de Staatssecretaris bereid om te kijken welke rol de zorgverzekeraars
hierin kunnen spelen? En als het zo succesvol is, welke mogelijkheden zijn er dan
om op meer plekken dit soort spreekuren te realiseren?
Voorzitter. Een op de zeven vrouwen krijgt ooit borstkanker. Bevolkingsonderzoek en
het vroegtijdig opsporen van borstkanker redden vrouwenlevens. Maar op steeds meer
plekken verdwijnt de onderzoeksbus voor borstkanker. In Zutphen verdween de «borstenbus»
in 2024, waardoor vrouwen nu naar Deventer moeten. De opkomst voor het bevolkingsonderzoek
in Zutphen is gedaald van 70% naar 60%. Een petitie om de borstenbus terug te brengen
naar Zutphen, ook gesteund door de SP, is bijna 1.000 keer getekend. Er mogen geen
locaties voor borstkankeronderzoek sluiten en de borstenbus in Zutphen moet terug.
Gaat de Staatssecretaris zich daarvoor inzetten?
Na veel maatschappelijke druk is nu eindelijk het besluit genomen om vrouwen met dicht
borstweefsel toegang te geven tot een MRI bij het bevolkingsonderzoek borstkanker.
Het is onacceptabel dat het vanwege aanbestedingsregels uit Europa tot 2030 duurt
totdat dit deels is geregeld, want vrouwen hebben nu die zorg nodig. Vrouwen moeten
nu een diagnose krijgen. Vrouwen die nu geen diagnose kunnen krijgen door deze vertraging,
komen onnodig in gevaar. Vrouwen die dicht borstklierweefsel hebben, moeten dit ook
gewoon weten in plaats van dat ze dit niet zouden mogen weten. Ze moeten zo snel als
mogelijk een MRI krijgen. Hoe gaat de Staatssecretaris ervoor zorgen dat dit eerder
wordt geregeld en dat dit voor alle vrouwen die dit nodig hebben beschikbaar komt?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dat vraagt om een interruptie van mevrouw Van Brenk richting de SP.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Mevrouw Dobbe maakt een opmerking over zorgverzekeraars. In de nota wordt gezegd dat
er met nog niet aangesloten partijen wordt samengewerkt; ook zorgverzekeraars worden
genoemd. Ik vond het nogal bijzonder dat we praten over vrouwengezondheid en dat zorgverzekeraars
daar zo'n vreemde rol in spelen. Je zou toch denken dat passende zorg ook voor zorgverzekeraars
prioriteit moet zijn. Ik ben benieuwd hoe de SP daartegen aankijkt.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel voor de vraag. Er valt natuurlijk veel te zeggen over de rol van zorgverzekeraars.
Wij vinden daar ook wat van. Ik doel op de manier waarop het zorgverzekeringsstelsel
nu werkt. We hebben in Nederland verzekerde zorg. Zorg die voor vrouwen belangrijk
is om snel een diagnose te kunnen krijgen en om te kunnen overleven, zou wat ons betreft
gewoon verzekerd moeten zijn zonder eigen risico. Daarmee werp je namelijk altijd
een extra belemmering op voor die zorg. Wat interessant is aan die poli van het Amsterdam
UMC is dat zij een manier hebben gevonden om toch, door net wat meer tijd te nemen,
heel veel vrouwen te zien die net als Angel – daar komt dit voorbeeld ook vandaan –
héél lang rondlopen met klachten. Door gespecialiseerde zorg kunnen ze de tijd nemen
om toch de diagnose te stellen waar die vrouwen al zo lang op wachten. Vervolgens
krijgen ze ook een behandeling, voor zover die behandeling nu beschikbaar is. Dat
vond ik daar heel mooi om te zien. Dan denk ik: als dat gebeurt, dan moet het natuurlijk
niet afhankelijk zijn van een goedwillende werkgever. We moeten kijken of we dat op
de een of andere manier kunnen krijgen, zodat meer vrouwen daar gebruik van kunnen
maken. Vandaar ook mijn vraag aan de Staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we aangekomen bij de volgende spreker, de heer Claassen namens
de Groep Markuszower. Aan u het woord.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dank u wel. Zonder goede data is goede zorg toeval. Voor te veel vrouwen is dat helaas
realiteit: 90% loopt langer dan een jaar met onverklaarbare klachten, vrouwen worden
tot 66% vaker misgediagnosticeerd en 80% van de patiënten met onverklaarbare klachten
is vrouw. De Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–2030 verdient erkenning als
kompas dat initiatieven bundelt, maar er zit geen budget bij, er zitten geen meetbare
doelen bij en er zitten geen harde uitvoeringsgaranties bij. Het is te vrijblijvend
voor een probleem van deze omvang. Onze simpele vraag luidt dan ook: gaan de vrouwen
hier dan echt beter van worden?
Voorzitter. Er is een duidelijke seksegebonden zorgkloof. Vrouwen worden later gediagnosticeerd,
zijn ondervertegenwoordigd in onderzoek en krijgen vaker gemiste of vertraagde diagnoses.
Aandoeningen als endometriose, PCOS, vrouwspecifieke hart- en vaatziekten, auto-immuunziekten
en overgangsklachten vragen om structurele aandacht.
Om de zorg voor vrouwen echt te verbeteren zijn wat ons betreft drie dingen nodig.
Ten eerste: een snellere en betere diagnostiek, harde normen voor wachttijden en doorlooptijden,
regionale transparantie, seksespecifieke richtlijnen en snelle inbedding van artificial
intelligence en digitale beslisondersteuning – niet als pilot maar als standaard.
Ten tweede: een gerichte investering in diagnostiek. Diagnostiek bepaalt tot 70% van
de klinische beslissingen maar kost relatief weinig geld. Toch ontbreekt in deze strategie
expliciet budget voor vroege diagnostische innovatie en in-vitrodiagnostiek. Wij pleiten
voor een apart meetbaar budget om de zorgkloof te verkleinen. Ten derde: de juiste
prioriteiten. De aandacht voor gender en lhbtiq+-sensitiviteit, op 5,3 miljoen euro
begroot, en de taakopdracht Gender en Gezondheid, op 4,05 miljoen euro begroot, mag
niet ten koste gaan van concrete, medische verbetering voor biologische vrouwen, die
nu ondergediagnosticeerd blijven. Het biologische geslacht moet leidend zijn in onderzoek
en richtlijnen, waar dat medisch relevant is. Dat is puur wetenschappelijk noodzakelijk
en niet ideologisch bedoeld. Tegen de achtergrond van het coalitieakkoord, dat zorguitgaven
omlaag wil brengen, worden keuzes dus urgent. Bij schaarste moeten we focussen op
de grootste gezondheidswinst voor het grootste aantal vrouwen. Dat vraagt om scherpe
prioriteiten en geen stapeling van ambities. Tot slot: bewustwording en netwerken
zijn waardevol, maar vervangen geen klinisch bewijs. Translationeel en klinisch onderzoek,
vooral diagnostisch, moet een zwaardere plek krijgen.
Daarom heb ik nog de volgende drie vragen aan de Staatssecretaris. Hoe is de 15 miljoen euro
uit het ZonMw-programma Vrouwspecifieke gezondheid verdeeld tussen enerzijds onderzoek
en anderzijds netwerk en bewustwording? Hoe wordt de 4,05 miljoen euro in de taakopdracht
Gender en Gezondheid precies verdeeld tussen de biologische sekse en genderaspecten?
En welk deel van het budget in deze strategie is daadwerkelijk bestemd voor translationeel
en klinisch onderzoek, met als oormerk diagnostisch onderzoek?
Tot slot, voorzitter. Kan de Staatssecretaris aangeven of er inmiddels een update
is van de voortgang van de uitvoering van de Kamerbreed aangenomen motie die oproept
tot maximale ondersteuning van Bevolkingsonderzoek Nederland bij het inzetten van
artificial intelligence in de borstkankerscreening binnen het domein ICT en zorg?
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we gekomen bij de volgende spreker van de zijde van de Kamer,
mevrouw Paulusma. Zij spreekt namens D66.
Mevrouw Paulusma (D66):
Dank u wel, voorzitter. Ik ga een deel van mijn spreektijd gebruiken om de Staatssecretaris
te bedanken. Ik denk dat zij de wind van deze Kamer meehad ten aanzien van het onderwerp
vrouwengezondheid, maar zij heeft het daadwerkelijk ook op de agenda gezet. Dat is
mede gebeurd door haar voorganger, maar ik weet dat u daar veel energie in heeft gestoken.
Daar wil ik u uitzonderlijk voor bedanken. Ik vind het echt jammer dat u naar een
ander departement gaat, maar daar kunt u op het gebied van emancipatie wellicht ook
nog een heleboel betekenen. Maar nogmaals, mijn complimenten en grote dank.
Voorzitter. We zijn het met elkaar eens dat vrouwengezondheid te lang een blinde vlek
is geweest in onze zorg. Te veel vrouwen lopen jarenlang rond met ernstige klachten,
zonder erkenning, zonder diagnose en zonder passende behandeling. Dat geldt, zoals
meerdere collega's al zeiden, in het bijzonder voor vrouwsensitieve en vrouwspecifieke
aandoeningen, zoals cyclusstoornissen en endometriose.
Voorzitter. De cijfers zijn confronterend. De gemiddelde tijd voor een diagnose ligt
tussen de zeven en de acht jaar. Voor vrouwen van kleur komt hier nog eens twee jaar
bij. Vrouwen hebben vaak al vijf tot zes zorgverleners bezocht voordat duidelijk wordt
wat er aan de hand is. Minder dan 1% van het farmacologische onderzoek is gericht
op vrouwengezondheid, terwijl de ruime meerderheid van de vrouwen in hun leven te
maken krijgt met een of meerdere aandoeningen waarvoor medicatie nodig is. Anders
gezegd: we slikken te veel of te weinig qua dosering, met alle gevolgen van dien.
Voorzitter. Dat heeft enorme gevolgen, niet alleen voor gezondheid en welzijn, maar
ook voor school, werk en economische zelfstandigheid. Vrouwspecifieke aandoeningen
leiden aantoonbaar tot beperkt functioneren en een hoog ziekteverzuim, bijvoorbeeld
in de zorg. Daarmee raakt dit niet alleen vrouwen persoonlijk, maar ook onze arbeidsmarkt,
onze zorgcapaciteit, onze economie en dus ook mannen. Wie vrouwengezondheid serieus
aanpakt, pakt dus ook structurele capaciteitsproblemen aan, of het nu in de zorg,
in het onderwijs of in andere sectoren is.
Voorzitter. Ik wil dit concreet maken aan de hand van het persoonlijke verhaal van
Viola. Zij had een goede fulltimebaan, maar door extreem pijnlijke menstruaties en
wekenlang hevig bloedverlies kon zij uiteindelijk nog maar twee dagen per week werken.
Zij bezocht talloze zorgverleners en kreeg pijnstillers maar geen antwoorden. Pas
na geavanceerd onderzoek bleek er sprake van adenomyose. Dat is een aandoening die
bij ongeveer een kwart van de vrouwen voorkomt. Er bestaan nauwelijks behandelingen,
er is weinig kennis en er is zelfs geen duidelijke richtlijn. Uiteindelijk restte
Viola alleen een baarmoederverwijdering. Dit is geen uitzondering. Dit is het gevolg
van jarenlange onderinvestering in kennis, diagnostiek en innovatie.
Tegelijk zien we dat een gerichte aanpak wél werkt; mevrouw Dobbe refereerde daar
ook al aan. Bij de triagepoli van het Amsterdam UMC krijgt 80% van de vrouwen al na
één bezoek een diagnose. Klachten verbeteren sneller. Vrouwen voelen zich gehoord.
Uitval op het werk neemt af. Dit schept het perspectief dat we met de juiste aandacht
een hele grote impact kunnen hebben.
Voorzitter. In het coalitieakkoord staat terecht dat er een inhaalslag moet komen
in de vrouwsensitieve en vrouwspecifieke zorg, met belangrijke aandacht voor inclusieve
zorg en geneesmiddelenonderzoek. D66 vindt dat we met die inhaalslag moeten beginnen
waar de impact het grootste is: bij cyclusstoornissen, adenomyose en myomen. Hier
is de kennisachterstand het grootst. De maatschappelijke schade hiervan is enorm en
de winst is hiermee het allersnelst te behalen. Daarom vraag ik de Staatssecretaris
of zij bereid is om samen met partijen zoals Invest-NL, ZonMw en andere subsidiegevers
in gesprek te gaan over hoe gerichte investeringen in vrouwspecifieke aandoeningen
gestimuleerd kunnen worden, zodat we de juiste prioriteit krijgen binnen de investeringsagenda?
Door vrouwengezondheid eindelijk de aandacht te geven die ze verdient, zorgen we ervoor
dat vrouwen niet onnodig uitvallen en benutten we de enorme kansen voor betere, passende
zorg, meer welzijn en een toekomstbestendige samenleving.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik ga het rijtje af voor de interrupties. Als eerste GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben ontzettend blij om te horen dat mevrouw Paulusma dit zo ontzettend belangrijk
vindt. Dat is natuurlijk geen verrassing, want zij heeft al die jaren heel hard gewerkt
om te zorgen dat die strategie er komt. Ik ben heel erg blij dat het ook in het coalitieakkoord
staat. Eén ding mist er wat mij betreft in het coalitieakkoord, namelijk de financiën.
Ik ben dus wel benieuwd. Er worden ambities neergezet en mevrouw Paulusma wil daaraan
werken, maar ja, nu mist die financiering. Hoe ziet zij dat?
Mevrouw Paulusma (D66):
We hebben gelukkig financiering tot 2030, ook al vinden we dat de strategie wellicht
te weinig pagina's heeft. Ik weet niet wie dat net zei; volgens mij mijn collega.
Ik ben blij dat we het in het coalitieakkoord benoemd hebben, maar dat we ook ruimte
gelaten hebben. Ik weet nog niet welke van de twee Ministers dit in haar pakket krijgt,
maar u zult mij zeer aan uw zijde vinden om ervoor te zorgen dat we met elkaar niet
alleen de strategie voor na 2030 bepalen, maar ook kijken hoe we dat financieel kunnen
organiseren. Daarbij wil ik ook zeggen: niet alles hoeft georganiseerd en gefinancierd
te worden vanuit hier. In Groningen heb ik zelf lang in het ziekenhuis gewerkt. Daar
hebben ze zelf bewust de keuze gemaakt om geld vrij te maken voor meer onderzoek naar
vrouwspecifieke aandoeningen, omdat zij het belangrijk vonden. Wat mij betreft is
dit een gezamenlijke financiële opdracht.
De voorzitter:
Duidelijk. GroenLinks-PvdA, in tweede instantie.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Mevrouw Paulusma heeft het over die financiering tot 2030, maar als ik het goed heb,
is dat een ZonMw-financiering die er al was voordat de Strategie Vrouwengezondheid
werd gelanceerd. Dit gaat om een eerste onderzoek voor vrouwspecifieke zorg, waarover
experts zeggen dat dit eigenlijk niet genoeg is, ook niet om de drie prioriteiten
die u benoemde te doen. Ik wil dus ook graag horen of u bereid bent om ook vanuit
de Kamer eraan te werken om voor 2030 extra financiering hieraan toe te voegen. Ik
ben het er zeker mee eens dat de financiën voor deze strategie niet alleen vanuit
het ministerie moeten komen, maar volgens mij is het heel duidelijk dat we wel een
financiële push nodig hebben om dit echt goed en structureel in te zetten.
Mevrouw Paulusma (D66):
Mevrouw Vliegenthart vindt mij altijd aan haar zijde als het gaat om dit onderwerp.
Ik ben ook zeker bereid om ervoor te zorgen dat er meer tempo komt op resultaten,
want ik denk: je kunt een zak geld klaarzetten voor iets wat nog gaat komen, maar
dan zou ik wel graag willen weten waarvoor. Laten we dus zorgen dat er tempo en druk
op dit onderzoek komt. We hebben volgens mij ook nog een begroting VWS, dus mevrouw
Vliegenthart gaat mij vanavond geen financiële uitspraken ontlokken. En dat geldt
ook voor mevrouw Dobbe!
Mevrouw Dobbe (SP):
Nou, daar komt ie, hoor! Wij hebben een amendement liggen voor de begroting VWS, dus
ik hoop dat mevrouw Paulusma daar serieus naar wil kijken. Er is wel financiering,
maar ook de ambitie die wij hier allemaal met elkaar delen en de inhaalslag waar mevrouw
Paulusma het zelf net over had, verdient wel meer dan de financiën die nu zijn toegekend
aan deze strategie.
Ik wilde eigenlijk iets anders vragen. Dat gaat over wat we maar de «borstenbussen»
noemen: de mobiele centra voor borstonderzoek. Er zijn er heel wat in Nederland, maar
die worden wel afgebroken omdat de financiering daarvoor stopt. Dit betekent dus ook
dat de participatie van vrouwen aan borstonderzoek daarmee afneemt. Kunnen wij mevrouw
Paulusma aan onze zijde vinden als we bijvoorbeeld zeggen dat – ik noem maar wat –
de borstenbus in Zutphen en op andere plekken waar die is verdwenen, terugkomt en
dat we zorgen dat die niet op andere plekken verdwijnt?
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik ga natuurlijk ook even reageren op de inleiding, want mevrouw Dobbe kennende doet
zij het altijd in twee delen. Kijk, ik doe niet voor niks de oproep aan de Staatssecretaris
om breder te kijken, ook met onder andere Invest-NL, hoe we dit probleem kunnen adresseren.
Dit is immers niet alleen een vrouwenprobleem, dit is ook een mannenprobleem. Dit
is een probleem van de samenleving, want als wij uitvallen omdat we niet gezien, gehoord,
geholpen en gediagnosticeerd worden, kost ons dat als samenleving te veel geld. Ik
wil dus dat de Staatssecretaris reflecteert op de vraag hoe we dit probleem groter
kunnen maken dan VWS alleen, omdat het anders alleen het vrouwenprobleem blijft. En
daar zijn we niet mee geholpen. Ik zou ook wel op zoek willen naar een ander woord
dan «de borstenbus», want volgens mij doet dit geen recht aan ... De suggestie van
rechts, die net buiten de microfoon werd gedaan, is er ook niet een die ik overneem!
Volgens mij doet het woord geen recht aan de diagnostiek die hiermee uitgevoerd wordt.
Ik ben wel heel erg zoekende hoe we ervoor zorgen dat we op de juiste plek met de
juiste mensen de juiste zorg verlenen. In het hele zorgveld hebben we, zo weet mevrouw
Dobbe, te maken met schaarste van personeel. Laten we nou kijken naar dit bevolkingsonderzoek.
Ik kan alvast aankondigen dat ik straks in een interruptie een vraag ga stellen over
het bevolkingsonderzoek in het algemeen, de datahack en de afname bij vrouwen om hieraan
deel te nemen. Wat mij betreft is het passende zorg, de juiste zorg op de juiste plek
met de mensen die daarvoor geëquipeerd zijn. Als er dan soms afwegingen gemaakt worden
om ervoor te zorgen dat het op de ene plek wel heel goed gedaan wordt, kan ik me daar
organisatorisch heel goed in vinden.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk. O, wacht. Ik zag uw hand, mevrouw Dobbe, maar het leek erop dat ...
Sorry. Oké. Mevrouw Dobbe in tweede instantie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Over het tweede punt. De reden die wordt gegeven voor het verdwijnen van de borstenbus ...
Ik noem die voor het gemak toch maar even zo, maar je kunt ook de term «lokale diagnostische
centra op wielen» gebruiken, of «mobiele centra». In ieder geval is het de plek dichtbij,
want daar gaat het natuurlijk over: dat je dichtbij kan deelnemen aan bevolkingsonderzoek.
Als oorzaak voor de afname van die deelname worden de personeelstekorten genoemd,
maar op die andere plek heb je natuurlijk ook personeel nodig, dus daar komt meer
druk op te staan. Aan de andere kant kan de oplossing dan ook zijn dat we gewoon volle
bak erop gaan inzetten om te zorgen dat daar personeel wordt opgeleid, zodat we die
plekken niet verliezen. Je ziet namelijk dat dit de deelname aan bevolkingsonderzoek
doet afnemen. Dat hebben we ook gezien in Zutphen. Als we kijken naar een oplossing
voor personeelstekorten, zou het dan niet een betere strategie zijn om geen plekken
weg te nemen, maar die plekken op te vullen met personeel?
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik wacht toch op het knikje van de voorzitter. Deze commissie staat erom bekend op
dit onderwerp heel erg eensgezind te zijn en elkaar ook vrij vriendelijk te bejegenen,
maar dit laatste vind ik echt heel erg naïef van mevrouw Dobbe. We gaan het personeelstekort
namelijk niet oplossen door hier in deze ruimte te zeggen: «We gaan het personeelstekort
oplossen. We knippen met onze vingers en morgen is er weer genoeg personeel.» We hebben
te dealen met de capaciteit die we nu hebben. Ik ben het bijvoorbeeld heel erg eens
met de oproep van de heer Claassen om slim na te denken over diagnostiek en hoe we
daarin een versnelling kunnen aanbrengen. Het lijkt al een eeuwigheid geleden, maar
ik heb er, volgens mij tijdens mijn eerste Kamerperiode – dat is nog geen vijf jaar
geleden – voor gezorgd dat de HPV-zelftest er kwam. Dat was een manier om de drempel
te verlagen voor vrouwen om thuis dit onderzoek te doen. Dat kan natuurlijk niet als
het gaat om de diagnostiek rond je borsten, maar we kunnen wel nadenken over slimmere
manieren van het organiseren van het aanbod. Maar we zijn het station wel een beetje
gepasseerd dat je kunt roepen dat je met het knippen van je vingers meer personeel
kunt krijgen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk heeft een interruptie in de richting van D66.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We hebben recent een debat gehad over long covid, over de PAIS-patiënten. We zien
dat er ook bij die ziekte meer vrouwen worden getroffen. We weten dat er expertisecentra
zijn waar onderzoek gedaan wordt. Over slim nadenken gesproken: zou dit niet ook een
mooie gelegenheid zijn om bij die expertisecentra nog eens de nadruk te leggen op
het idee om specifiek naar vrouwen te kijken bij het onderzoek?
Mevrouw Paulusma (D66):
Dat is een hele interessante suggestie, want ik weet ook dat die ziekte meer vrouwen
treft. Ik ben er alleen wel altijd een beetje huiverig voor om op de stoel van de
onderzoeker te gaan zitten en te bepalen hoe zoiets eruit moet zien. Ik vind dat dat
niet onze rol is, maar het is misschien wel iets om over na te denken, zeker omdat
dit ook veel vrouwen treft die in de zorg werken. Wat alles rondom PAIS heel ingewikkeld
maakt, is dat zoiets ook weer tijd gaat kosten. Dat is altijd een hele pijnlijke boodschap
als het jezelf betreft, maar ik denk dat dat wel de realiteit is. Ik wil hier wel
over nadenken. Ik weet niet of ik het mag vragen, maar ik ben ook wel benieuwd wat
de Staatssecretaris daarvan vindt.
De voorzitter:
De inbreng van mevrouw Van Brenk komt straks ook nog. Wellicht is dat nog een gelegenheid!
Er wordt nu heel slim via mevrouw Paulusma een vraag gesteld. Ik kijk even naar mevrouw
Paulusma. Was u aan het einde gekomen van uw inbreng, of nog niet?
Mevrouw Paulusma (D66):
Ja. Ik had keurig «dank u wel» gezegd, toch?
De voorzitter:
Ja, hoor. Ik dacht: ik check het even. Helemaal goed. Dan zijn we gekomen bij de volgende
spreker van de zijde van de Kamer. Dat is de heer Krul, die spreekt namens de CDA-fractie.
De heer Krul (CDA):
Voorzitter. Allereerst sluit ik mij helemaal aan bij de complimenten van mevrouw Paulusma
aan het adres van deze Staatssecretaris. Het voelt toch een beetje gek, want ik denk
zomaar dat dit ons laatste debat is, terwijl dit ook een beetje ons eerste debat is.
Hoewel we met deze Staatssecretaris al wel over jeugd en sport gedebatteerd hebben
in deze periode, is dit namelijk de eerste keer dat we het gewoon over de «harde zorg»
hebben; zo noem ik het maar. Dit is dan een heel mooi onderwerp om mee af te sluiten,
ook omdat deze Staatssecretaris zich heel hard heeft ingezet voor dit onderwerp.
Het is ook heel belangrijk dat we hier vandaag over spreken, want talloze voorbeelden
laten zien hoe groot de impact is van onvoldoende kennis, onderzoek en bewustzijn
over verschillen tussen mannen en vrouwen. Een hartinfarct wordt bij vrouwen veel
minder snel herkend. Verschillende soorten kanker, zoals blaaskanker, worden bij vrouwen
vaak pas veel later ontdekt. Vrouwen zijn ook ondervertegenwoordigd in klinische trials.
Deze zaken zorgen ervoor dat Nederland in Europa – schrik niet! – op plek 25 van de
27 staat als het gaat om een gezonde levensverwachting van vrouwen; die is 62 jaar.
Er is dus enorm veel werk aan de winkel, want dit is een positie die Nederland onwaardig
is. Als je dan toch nog een economisch argument wil hebben, naast de argumenten die
mevrouw Paulusma al gegeven heeft: 1,5 miljoen vrouwen werken in de sector zorg en
welzijn; dat is 84% van de werknemers daar. Meer inzet op vrouwengezondheid is dus
ook gewoon ontzettend belangrijk voor de zorg zelf. Het is goed dat er een Nationale
Strategie Vrouwengezondheid ligt, die zich richt op meer onderzoek, meer ondersteuning
en meer bewustwording, maar die moet wel wat meer body krijgen. Het voelt toch alsof
we een nietje door de lopende initiatieven hebben geramd en zeggen: dit is onze strategie.
Ik ga toch even citeren. Onder het kopje Werkagenda staat: «De basis voor deze agenda
is gelegd door het consortium dat de urgentieanalyse uitvoerde, met de oplevering
van een wetenschappelijke, maatschappelijke en implementatieagenda eind 2024. Deze
agenda's, met daarin geprioriteerde kennisvragen, worden uitgewerkt en aangescherpt
op basis van de thema's en doelstellingen van deze strategie.» Los van het feit dat
we af moeten van dit soort Haagse vaagtaal in strategieën, snap ik ook gewoon niet
wat er staat. Wanneer komt die werkagenda? Wat komt daarin? Bevat die concrete doelen
of een monitor? Het lijkt mij handig om dat hier met elkaar op te lossen.
Het zou vanzelfsprekend moeten zijn om de stem van vrouwen mee te nemen in de aanpak.
Dat gebeurt in Nederland onvoldoende, maar in Engeland gebeurt dat wel. Daar heeft
een grootschalige consultatie plaatsgevonden onder meer dan 100.000 vrouwen, over
wat zij nodig hebben en belangrijk vinden als het gaat om vrouwengezondheid. Ziet
de Staatssecretaris er iets in om dat ook in Nederland te doen?
Voorzitter. De aanpak moet zich niet alleen richten op vrouwspecifieke aandoeningen,
maar ook op vrouwsensitieve aandoeningen. Dit zijn aandoeningen die zowel bij mannen
als vrouwen voorkomen, maar bijvoorbeeld een heel ander beeld hebben of veel vaker
bij vrouwen voorkomen. Wij vinden het belangrijk dat hier meer aandacht voor is. Dit
soort sensitieve aandoeningen hebben namelijk een enorme maatschappelijke impact.
Hoe krijgt dit uitwerking? Er is nu bijvoorbeeld een ZonMw-programma met budget voor
onderzoek naar vrouwspecifieke aandoeningen, maar wat is er op het gebied van vrouwsensitieve
aandoeningen? Neem bijvoorbeeld migraine. In Nederland lijden ongeveer 2,5 miljoen
mensen hieraan, maar het komt veel en veel vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.
Het zorgt voor een ernstige beperking in het dagelijks functioneren. Denk ook aan
hart- en vaatziekten. Vrouwen ervaren vaak andere, minder duidelijke klachten bij
bijvoorbeeld een hartinfarct. Vrouwen hebben daardoor een hogere kans op een verkeerde
of vertraagde initiële diagnose. Dit kan zelfs dodelijke gevolgen hebben. Ik heb een
aantal vragen hierover. Is de Staatssecretaris bereid om in de werkagenda concrete
acties op te nemen ten aanzien van vrouwsensitieve aandoeningen, zoals migraine en
hart- en vaatziekten? Kan de Staatssecretaris aangeven waarom het niet gelukt is om
tot overeenstemming te komen over een vergoeding voor Emgality voor episodische migraine,
terwijl dit voor Ajovy wel gelukt is?
Dan nog een ander punt. Voor mensen die zijn genezen van kanker bestaat de zogeheten
schone-lei-regeling, die het makkelijker maakt om bijvoorbeeld een overlijdensrisicoverzekering
af te sluiten. Dat is belangrijk, omdat mensen die genezen zijn van kanker weer volwaardig
mee moeten kunnen doen. We zien in de praktijk ook dat de overlevingskansen voor bijvoorbeeld
jonge mensen steeds groter worden. Pas in 2025 – dat is heel erg laat – is borstkanker
aan de schone-lei-regeling toegevoegd. Wij hebben hier twee vragen over. Zijn er signalen
dat de termijn bij borstkanker verkort kan worden? Zo ja, wanneer gaat dit gebeuren?
Wat is er gedaan met de aanbeveling van het Nederlands Kanker Collectief om te kijken
of de regeling kan worden uitgebreid naar andere verzekeringen, zoals de arbeidsongeschiktheidsverzekering?
Voorzitter, tot slot. Ik sluit me aan bij de vraag van mevrouw Dobbe op dit punt.
Het is ongelofelijk belangrijk dat de Staatssecretaris eind 2025 bekend heeft gemaakt
dat het voor vrouwen met zeer dicht borstweefsel mogelijk is om een extra MRI-scan
te krijgen. Dat dit pas in 2030 kan, is wat ons betreft veel te laat. Kan dat versneld
worden? De Kamer is vast bereid daarbij te helpen.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie dat mevrouw Dobbe een interruptie heeft.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik wil het CDA dezelfde vraag stellen over de borstenbus. Die verdwijnt namelijk op
steeds meer plekken. We zien bijvoorbeeld in Zutphen, zoals ik net al zei, dat de
deelname aan het bevolkingsonderzoek daardoor afneemt. Dat is problematisch, want
we willen niet dat het afneemt, maar dat het toeneemt. We moeten niet van 70% naar
60%, maar van 70% naar 80%, 90%, 100%. Hoe kijkt het CDA daarnaar? Zouden we vanuit
de Kamer niet veel meer moeten sturen op de toegankelijkheid van het bevolkingsonderzoek?
Moeten we niet zeggen dat die plekken dichtbij niet moeten verdwijnen, maar juist
in stand moeten blijven, en dat als die zijn verdwenen en dat een negatief effect
heeft gehad, die gewoon terug moeten komen?
De heer Krul (CDA):
Met het eerste deel van de vraag van mevrouw Dobbe ben ik het wel eens. Als je constateert
dat de drempel voor deelname hoger wordt door de toegankelijkheid van het bevolkingsonderzoek,
dus als het aantal mensen dat deelneemt lager is, zoals in Zutphen, dan moet je nadenken
over hoe je er toch voor kan zorgen dat de groep die niet meer deelneemt, deel kan
nemen. Met de oplossing ben ik het echter niet eens. Bevolkingsonderzoek Nederland
heeft heel duidelijk gezegd dat zij niet meer het personeel hebben om overal die mobiele
diagnostische centra te runnen en dat zij dus keuzes moeten maken in schaarste. Dan
zou ik het veel interessanter vinden om te kijken hoe je er via zo'n gemeente voor
kunt zorgen dat die vrouwen, die dus moeilijk die drempel over gaan, toch naar Deventer
kunnen komen. Dat vind ik een veel interessantere richting dan zeggen: als we er maar
geld tegenaan gooien, kunnen al die bussen blijven bestaan. We kunnen namelijk wel
meer mensen opleiden voor bevolkingsonderzoek, maar dan zijn we ze ergens anders in
de zorg kwijt. Op het eerste deel zeg ik dus ja. Over het tweede deel, dus de vraag
hoe we daar precies komen, zijn de SP en het CDA het denk ik wat minder snel met elkaar
eens.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik vind het toch een beetje makkelijk. U kunt nu niet meer reageren, maar ik had dat
net met mevrouw Paulusma ook: alsof het personeelstekort niet het resultaat is van
beleid, alsof het personeelstekort iets is wat wij niet kunnen oplossen, alsof het
personeelstekort iets is waar wij geen invloed op hebben hier in de Kamer. Natuurlijk
hebben wij daar wel invloed op. Je moet daarin keuzes maken. Het is geen natuurwet
dat er nu een tekort is aan mensen die in de zorg werken; dat is ook het gevolg van
beleid. Je kunt ook beleid voeren om te zorgen dat het personeelstekort wordt opgelost
of om personeel te verschuiven naar de plekken waar het het hardst nodig is. Het gaat
om een plek waar je ziet dat het heel effectief is. Het gaat om laagdrempelig borstonderzoek,
dichtbij. We weten dat als het is verdwenen, dat een negatief effect heeft op deelname
aan het bevolkingsonderzoek. Ik zou zeggen: laten we dan kijken hoe we het personeelstekort
daar kunnen oplossen, in plaats van dat we allerlei andere manieren gaan bedenken
om dit op te lossen, die niet aangetoond effectief zijn, terwijl dít aangetoond effectief
was. Daar zou ik toch een reflectie op willen. Het raakt natuurlijk ook aan de bredere
discussie over het personeelstekort. Daar hebben wij natuurlijk wel degelijk invloed
op.
De heer Krul (CDA):
Ten principale vind ik het juist gemakkelijk om te zeggen dat de arbeidsmarktkrapte
een beleidsmatige keuze is. De belangrijkste oorzaak is gewoon de demografie en de
demografie is weliswaar geen natuurverschijnsel, maar het is wel iets waar wij hier
in deze zaal toch wat minder invloed op hebben dat we misschien zouden willen, anders
dan dat we mensen misschien iets langer zouden kunnen laten werken, maar daar zijn
ook niet alle partijen even groot voorstander van. Feit blijft dat ik het veel belangrijker
vind om na te denken over de volgende vraag. Als je weet dat er schaarste is, dat
Bevolkingsonderzoek Nederland met schaarste kampt en dus nadenkt over een manier om
het zodanig te concentreren dat het bevolkingsonderzoek wel blijft bestaan en toegankelijk
blijft, waarbij zo min mogelijk mensen afhaken, hoe kun je er dan voor zorgen dat
je de groep die je kwijtraakt, de groep die de drempel van Zutphen naar Deventer te
groot vindt, toch nog kunt bereiken? Ik denk dat er slimmere manieren zijn dan zeggen
dat alles moet blijven zoals het was maar met nieuwe mensen, meer geld of hoe we het
ook oplossen, want dan houden we het uiteindelijk niet houdbaar met elkaar. Ik denk
veel liever na over slimme oplossingen, want ik denk dat we het personeelsprobleem
niet oplossen met beleidsintensivering. Ik denk dat dat, helaas, gewoon niet kan.
De voorzitter:
Niet buiten de microfoon spreken, graag.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik ben op zoek naar een haakje. We hebben het over ... Ik weet niet welk woord we
nu bedacht hebben. Het was «borstenbus», maar wat is het uiteindelijk geworden? Dat
weet ik niet. Mobiele diagnostische centra, hoor ik, voor mamma-ca-screening, voor
borstscreening.
De voorzitter:
Ik heb het net gegoogeld. Beide termen krijgen dezelfde uitleg. Het is op zich dus
niet verwarrend.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Maar het is een beetje hetzelfde als ... Ik heb gezegd: laten we de Nederlandse Kanker
Agenda de «oncologische agenda» noemen. Het gaat om de connotatie die je bij bepaalde
woorden hebt.
Er zijn een heleboel innovaties aan de gang om mensen te bereiken. Volgens mij hebben
we het daar te weinig over, ook op dit onderwerp. Ik geef maar een voorbeeld: de ctDNA-detectie,
waarmee je tumor-DNA kunt detecteren in bloed of in slijmvliezen. Dat kunnen mensen
thuis zelf opvangen en insturen; dan heb je ook een screening. Dat is heel dicht in
de buurt. Mijn vraag aan de heer Krul is dus: als we moeten kiezen, kunnen we dan
niet beter investeren in dit soort technologieën, zeker voor de langere termijn? Zo
kunnen we niet alleen kosten besparen, maar ook personeel, omdat dat dan elders kan
worden ingezet dan in de borstenbus of in mobiele centra, waar allemaal mensen naartoe
moeten.
De heer Krul (CDA):
Eens. De vorige Minister van VWS maakte een soort totempaal van AI, wat ik heel overdreven
vond, maar hier zit wel ook een kans in. Ik heb vorige week nog gesproken met Parkstad,
een regio die bij de heer Claassen bekend is. In de ziekenhuizen daar hebben ze een
heel hoog percentage no-shows. Philips runt daar een pilot. Middels AI kunnen ze heel
goed voorspellen waar die no-shows vandaan komen. Met één extra herinnering hebben
ze het aantal no-shows met meer dan 10% naar beneden kunnen brengen. Ook dat soort
technologieën zijn hiervoor handig. Als je weet in welke wijken de kans kleiner is
dat mensen participeren in bevolkingsonderzoeken door bijvoorbeeld een reisdrempel,
dan zou je ook kunnen kijken of je door middel van een interventie toch de participatie
omhoog kunt krikken. Ik vind dat soort innovatieve technologieën héél erg interessant.
Ik ben ook benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt. Ik zie daar op de lange
termijn veel meer heil in voor de houdbaarheid van de zorg dan alleen maar meer personeel.
De voorzitter:
Dan komen we bij de volgende spreker. Dat is mevrouw Van Brenk namens 50PLUS. Aan
u het woord.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Dank, voorzitter. It's a man's world. De wereld draait om mannen. De gezondheidszorg
draait om mannen. Zij zijn de maatstaf van de werking van het lichaam. Nog iedere
dag worden vrouwen door de zorg in de steek gelaten. Nog iedere dag worden hun klachten
niet serieus genomen. Er is onvoldoende kennis over de werking van het vrouwenlichaam
bij artsen. Dit krijgt ook onvoldoende aandacht tijdens de opleiding van de artsen.
Zorgverzekeraars geven geen prioriteit aan vrouwengezondheid. Het is bizar dat pas
in 2025 de nota Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–2030 het levenslicht zag.
De cijfers zijn namelijk keihard. Vrouwen leven gemiddeld 25% langer in slechtere
gezondheid dan mannen. Ze krijgen vaker verkeerde of te late diagnoses. Hun medicatie
is dikwijls nog ontwikkeld en onderzocht op de lichamen van jonge, gezonde mannen.
Het gaat al vele decennia zo. Het is een ingesleten patroon bij de totstandkoming
van geneesmiddelen. Bovendien geloven artsen vrouwen minder snel als ze pijn of andere
klachten melden.
Dit alles zorgt niet alleen voor gezondheidsproblemen en de gezondheidsachterstelling
van vrouwen, maar ook – het werd net al gezegd – voor economische schade. De maatschappelijke
kosten zijn jaarlijks zo'n 12,6 miljard euro aan verloren arbeidsproductiviteit. Ik
vind het mooi dat er een virtueel kenniscentrum is gestart, het Netherlands Women's
Health Research & Innovation Center – prachtig! – waar artsen, wetenschappers en beleidsmakers
samenwerken. Maar hoe breed bekend is dit kenniscentrum? Het onderzoek richt zich
specifiek op vrouwenaandoeningen – het werd net al genoemd – als endometriose en de
menopauze, maar ook op ziektes die bij vrouwen net iets anders lopen, zoals hart-
en vaatziekten en botziekten. Ook mentale gezondheid en invloed en gevolgen van huiselijk
geweld krijgen daar aandacht.
Voorzitter. Iedere vrouw krijgt minstens één keer in haar leven te maken met die aandoeningen,
zoals cyclusstoornissen, bekkenbodemklachten en overgangsproblemen. Er zijn dus genoeg
redenen om daar aandacht aan te besteden. De impact op werk is net al door heel veel
mensen genoemd. De overgang en menstruatie hebben heel veel effect op werk. Het is
heel vreemd dat als onze recente Olympisch kampioen Jutta Leerdam zegt dat menstruatie
prestaties kan beïnvloeden, dat groot nieuws is. Dat is eigenlijk heel gek. Snelle
herkenning zou jaarlijks naar schatting 7,6 miljard aan baten opleveren; dat werd
net al gezegd. Vrouwen verdienen tijdige en passende zorg en ondersteuning te ontvangen.
Wat ons betreft is het heel vreemd – ik noemde het net al – dat zorgverzekeraars genoemd
worden als nog niet aangesloten partijen die een rol kunnen spelen. Hoe moet ik dat
nou rijmen met passende zorg? Kan de Staatssecretaris dat toelichten?
Maar liefst een op de drie vrouwen krijgt last van een vorm van dementie, terwijl
dit cijfer bij mannen een op de zeven is. Deels kan dat verklaard worden door het
feit dat vrouwen ouder worden dan mannen, maar er zijn ook aanwijzingen dat er biologische
factoren zijn. Volgens Alzheimer Nederland gaan vrouwen sneller achteruit dan mannen.
Het is niet duidelijk waar dat door komt. Ik wil graag een reflectie van de Staatssecretaris
op wat we hiermee doen. Het gaat namelijk écht om forse aantallen.
Dan misschien wel de meest cruciale vraag: is vrouwengezondheid nu echt een nationale
prioriteit? We hebben namelijk toch gezien hoe er omgegaan is met vrouwen met een
dicht borstweefsel: «We vertellen niet dat het bestaat. We vertellen niet dat u het
heeft. We trekken er jaarlijks nog geen geld voor uit.» Dat betekent dat er jaarlijks
110 vrouwen sterven omdat het niet tijdig is gezien. Hoe staat het met de planning
voor deze vrouwen? Moeten zij echt nog wachten tot 2030 voordat zij een MRI-scan krijgen?
Al met al denk ik dat er een cultuuromslag nodig is om dit alles te bereiken. Ook
daar moet aandacht voor zijn.
Voorzitter. Ik wil de initiatiefnemers van het virtueel kenniscentrum, Jeanine Roeters
van Lennep, Greet Vink en Hanneke Takkenberg, bedanken. Ik sluit af met een uitspraak
die zij deden: een probleem van vrouwen is uiteindelijk een probleem van iedereen.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Er is een interruptie van de heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ook 50PLUS benoemt onderwerpen die vrouwspecifiek, seksespecifiek, zijn. Toch gaat
er ongeveer 10 miljoen euro niet naar die seksespecifieke aandoeningen, waar we tot
nu toe wel allemaal over spreken. Ik noemde dat net in mijn bijdrage. Ik ben nog niet
bekend met het standpunt van 50PLUS daarover. Hoe kijkt 50PLUS naar het feit dat er
10 miljoen euro gaat naar gender- en lhbtq-sensitiviteit en de taakopdracht Gender
en Gezondheid, die niks te maken hebben met alle onderwerpen die we tot nu toe hebben
besproken? Ik was een beetje benieuwd hoe 50PLUS daarin zit.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Laat het duidelijk zijn: als wij in de coalitie hadden gezeten en aan de knoppen hadden
gezeten – dat zitten we niet – dan hadden we vast andere prioriteiten gesteld, kan
ik wel zeggen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan zijn we gekomen bij de volgende spreker. Dat is de heer Bevers van
de VVD.
De heer Bevers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. In 1490, om maar even actueel te zijn, maakte Leonardo da
Vinci zijn wereldberoemde tekening die de ideale lichaamsverhoudingen van de mens
toont, ingeschreven in een cirkel en een vierkant. Deze mens van Vitruvius, genoemd
naar de gelijknamige Romeinse architect, staat echter beter bekend als de Vitruviusman.
Vitruvius, die overigens leefde van 85 tot 20 voor Christus, om het nog actueler te
maken, ging namelijk niet in op de verschillen tussen man en vrouw, maar beschreef
slechts een mannelijk lichaam.
Nu is de medische wetenschap niet begonnen bij of door Leonardo da Vinci, maar de
man en zijn lichaam als uitgangspunt voor verder wetenschappelijk onderzoek is in
de eeuwen daarna de standaard gebleven. Pas eind jaren zestig, begin jaren zeventig
van de vorige eeuw gaf met name de vrouwenbeweging een aanzet tot meer bewustwording
over vrouwen en hun gezondheid. Het is nog niet zo lang geleden dat het besef is ingedaald
dat ziektes zich bij vrouwen anders manifesteren en dat het vrouwenlichaam anders
reageert op behandelingen en medicijnen. Maar dat inzicht beperkte zich zeker in het
begin nog tot met name de reproductieve gezondheid en voortplantingsgeneeskunde, tot
conceptie, zwangerschap en geboorte, en ging veel minder over vrouwspecifieke aandoeningen.
Het is nog geen 25 jaar geleden, in 2003, dat professor Angela Maas startte met een
specifiek spreekuur voor vrouwen met hartklachten.
Laat ik duidelijk zijn: de VVD denkt dat er nog de nodige stappen gezet moeten worden
om dit onacceptabele verschil te verkleinen. Ik weet dat de Staatssecretaris hiervan
doordrongen is – ik heb ook op een andere manier met haar samengewerkt – en met de
werkagenda werk wil gaan maken van betere gezondheid en zorg voor vrouwen. Ik begreep
uit de brief die we gisteren mochten ontvangen naar aanleiding van de recente werkconferentie
dat de Staatssecretaris voornemens is om de Kamer in de zomer in ieder geval een verdere
uitwerking van de werkagenda te presenteren. Ik wil de Staatssecretaris vragen om
toe te zeggen dat daar ook een goede financiële paragraaf bij zit, met name als het
gaat om de periode na 2030, zodat wij daar als Kamer bij de begroting voor 2027 eventueel
nog verder op kunnen sturen.
Voorzitter. Dat brengt me gelijk bij mijn tweede vraag aan de Staatssecretaris, over
de huidige Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–2030, die de basis vormt voor
die werkagenda. Er is nogal wat kritiek, ook van maatschappelijke organisaties, over
het ambitieniveau. Die is er overigens ook bij ons. Is de Staatssecretaris zelf tevreden
over het huidige ambitieniveau? Heeft het ZonMw-kennisprogramma Vrouwspecifieke gezondheid,
dat twee jaar geleden is gestart, nog tot nieuwe aanvullingen of verbeteringen geleid?
Voorzitter. Heel veel vragen zijn al gesteld door de collega's. Die ga ik niet herhalen.
Ik wil één specifieke vraag stellen over het onderwerp PTSS. Wij willen benadrukken
dat de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties en seksueel geweld enorm belangrijk
is, ook in het voorkomen van bepaalde lichamelijke en psychische klachten bij vrouwen,
vrouwsensitieve klachten. Veel slachtoffers ontwikkelen een vorm van PTSS. Kan de
Staatssecretaris aangeven of zij over dit onderwerp ook contact heeft met bijvoorbeeld
haar collega's op JenV, met name wat betreft de keten van slachtofferhulp, en of dat
goed verloopt?
Laten we niet vergeten dat de mentale en fysieke gezondheid ook worden beïnvloed door
de sociale gezondheid. De positie van meisjes en vrouwen in de samenleving blijft
dus een belangrijk aandachtspunt. Ik heb begrepen dat deze Staatssecretaris in haar
toekomstige nieuwe functie ook emancipatie in haar portefeuille krijgt. Dit zal ongetwijfeld
haar blijvende aandacht hebben.
Voorzitter. De VVD staat natuurlijk ook voor gelijkwaardige medische zorg voor vrouwen.
Het is een illusie om te denken dat we een snelle inhaalslag kunnen maken, aangezien
medisch onderzoek eeuwenlang primair op mannen gericht is geweest. Aandacht voor vrouwspecifieke
aandoeningen moet daarom een hoge prioriteit hebben en blijven houden. Gelukkig zijn
verschillende partijen aan het samenwerken om deze kennisachterstand verder terug
te dringen en om onze gezondheidszorg voor vrouwen te verbeteren. We willen dat de
Staatssecretaris en haar eventuele opvolgster zich blijven inzetten om deze samenwerking
waar nodig verder te ondersteunen.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik zie heel veel vingers tegelijkertijd. Ik begin bij de heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Wij hebben natuurlijk naar het coalitieakkoord gekeken. Volgens mij krijgt de ouderenzorg
het moeilijk. We moeten nog zien of dat daadwerkelijk gaat gebeuren. Een op de zeven
mannen ontwikkelt dementie. Bij vrouwen is dat een op de drie. Dat is tweeënhalf keer
zoveel. Het vervelende is dat de kosten voor dementiezorg voor vrouwen ook tweeënhalf
keer zo hoog zijn. Men denkt dat het een hormonale oorsprong heeft dat vrouwen eerder
dementie ontwikkelen en ook sneller achteruitgaan in die dementie. Als we daar iets
aan willen doen, dan moeten we echt investeren in de dementiezorg. Ik ben benieuwd
hoe de VVD daarnaar kijkt, met het coalitieprogramma in het achterhoofd.
De heer Bevers (VVD):
Het kan ook zonder het coalitieprogramma in het achterhoofd. Wij hebben ons altijd
hardgemaakt voor onder andere de Nationale Dementiestrategie, waarin een aantal zaken
die u beschrijft, nader onderzocht worden. Daar is aandacht voor. Dat is en blijft
belangrijk. Dat heeft altijd de aandacht gehad. Ik denk dat dat ook voor de coalitiepartners
geldt, maar die kunnen voor zichzelf spreken. Ik denk dat dat verdergaat. We hebben
die aandacht voor de Nationale Dementiestrategie ook steeds uitgedragen. Ik denk dat
dat doorloopt. Het is zeker een belangrijk onderdeel, maar ik geloof niet dat dat
door het coalitieakkoord in gevaar komt.
De voorzitter:
Meneer Claassen, in tweede instantie. Nee? Dan ga ik naar mevrouw Vliegenthart en
dan naar mevrouw Paulusma.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben natuurlijk heel blij om te horen dat de heer Bevers bij de begroting voor 2027
wil kijken naar de financiële middelen die nodig zijn om van deze strategie een succes
te maken. Ik ben overigens ook blij dat we hier niet alleen maar met vrouwen zitten,
maar ook met drie mannen, die het belang inzien van vrouwengezondheid, want dat is
een probleem en issue van ons allemaal. We zitten hier zelfs met vier mannen! Ik wilde
al zeggen: het ligt eraan wat meneer Mohandis gaat bijdragen.
Mijn vraag aan de heer Bevers is: welke ambities en prioriteiten ziet hij wat betreft
het gebruiken van de financiële middelen, en waar moet als eerste op worden ingezet?
De heer Bevers (VVD):
Ik heb heel duidelijk gezegd dat ik van de opvolgster van deze Staatssecretaris verwacht
dat er bij de uitwerking van de werkagenda een stevige financiële paragraaf komt.
Waarom? Dat is ook de reden waarom ik heel kritisch ben op het amendement van mevrouw
Dobbe. We weten op dit moment nog niet wat er precies nodig is, waar de prioriteiten
komen te liggen en hoeveel geld daarvoor nodig is. Ik vind dat je dat besluit pas
kunt nemen als je weet waar het kabinet mee komt, welke prioriteiten het kabinet zelf
gaat leggen in de begroting en wat wij daar als Kamer vervolgens van vinden. Ik denk
dat het belangrijk is dat we die agenda gaan uitwerken. Er zijn hier ook een aantal
opmerkingen gemaakt over de stem van vrouwen in de ontwikkeling van de werkagenda.
Ik denk dat die heel essentieel is. Daar moeten we goed naar luisteren bij het bepalen
van de prioriteiten. Ik heb verschillende prioriteiten gehoord. Ik denk dat het zaak
is dat we daar goed naar luisteren en dat de prioriteiten op basis daarvan worden
gesteld. Want heel eerlijk, ik durf niet te zeggen wat het belangrijkst is op de lijst
van zaken die we met elkaar constateren. Ik vind dat dus echt een opdracht aan het
kabinet. Ik vind dat het kabinet dan vervolgens inderdaad moet aangeven wat daaraan
gedaan wordt, ook financieel. We moeten dan als Kamer bij de behandeling van de begroting
voor 2027 kunnen aangeven of we dat voldoende vinden of niet. Dan kunnen we daarop
sturen.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik zou nog wel, via de heer Bevers, aan de volgende Staatssecretaris het volgende
willen vragen. We krijgen de werkagenda voor de zomer, maar het is voorlopig nog onduidelijk
hoe die eruitziet, welke rol het ministerie krijgt en hoe die ingevuld gaat worden.
Ik zou dus wel via de heer Bevers aan de Staatssecretaris willen vragen: krijgen wij
dan wel voldoende overzicht, zodat we in het najaar daadwerkelijk financieel inzicht
hebben en we daar als Kamer op kunnen sturen? Want ik ben bang dat we dan toch weer
niet de goede punten hebben, we eigenlijk hetzelfde antwoord krijgen en we dan toch
die stap in 2027 niet maken.
De heer Bevers (VVD):
Via mij: ik ben het met u eens, dus ik kan die vraag doorzetten.
De voorzitter:
Zuiver dat u dat even doet, meneer Bevers.
Mevrouw Paulusma (D66):
We hebben wel een hele nieuwe variant van debatten voeren. Dat smaakt naar meer, moet
ik zeggen. De heer Bevers maakte een opmerking waar ik heel nieuwsgierig naar ben,
al is het misschien een kleine zijstraat in dit debat. Hij maakte een heel terecht
punt over PTSS die is ontstaan bij huiselijk geweld of seksueel geweld, als ik hem
juist citeer. Dat is afschuwelijk. Dat is een trauma dat vrouwen vaak hun hele leven
bijblijft en waar een heleboel therapie vaak niet afdoende voor is. Er zijn hele interessante
onderzoeksprojecten als het gaat om het gebruik van psychedelica voor PTSS. Ik ben
heel benieuwd hoe de heer Bevers daarnaar kijkt als het gaat om dit onderwerp.
De heer Bevers (VVD):
Dank, mevrouw Paulusma. U weet het antwoord ook. U weet dat wij daar geen voorstander
van zijn. Ik zie heus wel dat er onderzoeken zijn en dat er soms goede resultaten
zijn, maar ik vind dat veel te mager om daar nu in zijn algemeenheid van te zeggen:
dat gaan we toepassen bij PTSS. PTSS is een hele brede verzamelnaam voor een aantal
verwerkingsklachten bij een trauma. Wat ik hier heb willen noemen, is de specifieke
vorm die zich bij vrouwen kan ontwikkelen op het moment dat ze slachtoffer zijn van
huiselijk of seksueel geweld. Daar wil ik met name aandacht voor vragen. Er zijn in
de loop van de tijd heel veel nieuwe therapieën gekomen voor PTSS, maar die moeten
nog wel hun gelijk bewijzen. Zover ben ik echt nog niet op dit moment.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Paulusma? U kijkt ... Wilt u wel of niet interrumperen?
Mevrouw Paulusma (D66):
Nee. Ik kijk zeer vriendelijk naar mijn coalitiegenoot, net zoals ik ook heel vriendelijk
naar de heer Claassen kijk, en naar de voorzitter.
De voorzitter:
Heel goed. Ik wilde u niet de kans ontnemen om nog een keer te reageren, maar ik zag
u niet meteen kijken. Dus ik ga naar de volgende spreker. Dat is mevrouw Maeijer namens
de PVV.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Vrouwen brengen 25% meer van hun leven door in slechte gezondheid
dan mannen; dat is al vaker genoemd vandaag. Dat heeft niet alleen invloed op de gezondheid
en het welzijn van vrouwen, maar ook op de economie en de samenleving als geheel,
aldus de specialisten van het onderzoekscentrum van het Erasmus MC. Ruim 30% van de
vrouwen ervaart zo veel hinder dat het dagelijks functioneren en het werk negatief
worden beïnvloed. Die cijfers zijn u allen bekend; die zijn hier ook al vaak voorbijgekomen
vanavond. Achter die cijfers gaat natuurlijk een wereld van leed en frustratie schuil.
Er is sprake van leed omdat vrouwen langer doorlopen met klachten voordat de juiste
diagnose wordt gesteld of omdat ze gewoonweg de verkeerde diagnose krijgen. Er is
sprake van frustratie omdat je onbegrepen of niet serieus genomen voelen afdoet aan
de ernst van de situatie.
Voorzitter. Ik denk dat het goed is dat er een Nationale Strategie Vrouwengezondheid
ligt over een onderwerp dat de Staatssecretaris zeer aan het hart gaat. Dat is te
zien aan haar inzet. Het is natuurlijk goed dat de Staatssecretaris inzet op het vergroten
van kennis, op passende zorg en ondersteuning, op bewustwording en op samenwerking.
Maar wat nu dan, vraag ik me af. We hebben nu een strategie en een convenant. We moeten
komen tot een werkagenda. Ik denk dat dat nog best een taai proces wordt, hoe goedbedoeld
het ook allemaal is. Ik zou dan ook heel graag van de Staatssecretaris willen weten:
hoe ziet zij dat? Wat adviseert zij aan haar opvolger zodat er straks een werkagenda
komt waar we echt allemaal wat mee opschieten en waarin de acties en de doelen zo
concreet mogelijk zijn? Kan zij dus aangeven hoe ze de uitwerking van die nationale
strategie precies voor zich ziet? Zijn er dan bepaalde tussendoelen voor de doelen
die tot 2030 worden gesteld? Welke concrete stappen worden er gezet, waar bijvoorbeeld
vrouwen en meisjes al op korte termijn iets van zullen merken? Zitten die er ook in?
Wordt er gemonitord? Die vraag is volgens mij ook al vaker gesteld. Als wij voor de
zomer een werkagenda krijgen, wordt er dan ook per doel aangegeven wat daar dan eventueel
nog voor nodig zou moeten zijn? Gewoon even in alle breedte en alle openheid: hoe
ziet de Staatssecretaris het proces voor zich voor de komende tijd? Wat is haar verwachting
van wat er dan in die werkagenda zou moeten staan? Is zij het met mij eens dat dat
dan eigenlijk zo concreet mogelijk zou moeten zijn om te voorkomen dat je dadelijk
een soort kerstboom optuigt waar alles in benoemd wordt, maar wat dan zo veel is dat
het gewoon ondersneeuwt in het geweld van het geheel? Dat zou volgens mij namelijk
heel zonde zijn.
Voorzitter. Dan even een klein zijstapje. Er gebeurt natuurlijk ook al een hoop. Er
zijn best wel wat voorbeelden genoemd waarbij vrouwen en meisjes misschien wel op
een goede manier geholpen worden. Maar is dat ook voldoende bekend? Vindt de Staatssecretaris
dat dat voldoende bekend is voor de vrouwen en meisjes die niet kunnen wachten op
die werkagenda met doelen voor de langere termijn? Zouden daar op korte termijn nog
mogelijkheden zijn voor verbetering? Wie schuift er eigenlijk aan bij het uitwerken
van die agenda?
Voorzitter. Dat zijn een hele hoop vragen. Ik ben gewoon erg benieuwd hoe de Staatssecretaris
met het startpunt dat we nu hebben, het voor zich ziet om te komen tot een agenda
waar al die vrouwen en meisjes, die hier al zo vaak benoemd zijn, uiteindelijk iets
mee opschieten. Zijn de cijfers over werkverzuim bij vrouwen, die hoger zijn, bijvoorbeeld
door psychische klachten – ik vraag me af of die al vaker genoemd zijn hier – ook
een onderwerp dat meegenomen wordt in die werkagenda? Betekent dat dan ook dat er
een ander departement zal aanhaken? Zo ja, hoe ziet de Staatssecretaris dat dan voor
zich? Ik heb er enigszins ervaring mee opgedaan. Dat wordt er niet altijd eenvoudiger
op; laat ik dat even zo zeggen. Ik ben dus erg benieuwd hoe de Staatssecretaris het
voor zich ziet.
Helemaal tot slot, voorzitter. Ik weet niet of ik nog tijd heb. Hier is ook al een
aantal keer de MRI-scan voor vrouwen met dicht borstweefsel voorbijgekomen. Dat is
ook iets waar de Staatssecretaris zich, ook in een andere hoedanigheid, al langer
voor inzet. Het budget is er. Er is ook een uitvoeringstoets. Dat het niet meteen
morgen geregeld is, begrijpt ook iedereen. Maar we lezen nu – ik deel die frustratie
wel – dat het vanaf 2030 is. Dat is natuurlijk goed nieuws, maar het is ook nog heel
erg ver weg. Kan de Staatssecretaris toch nog eens uitleggen wat de achterliggende
reden is waarom het nog enige jaren zal duren? Waarom is er dan gekozen voor die organisatievorm
3 en niet voor 1, zoals ik in de brief daarover nog las? De Borstkankervereniging
was ook voorstander van vorm 1, geloof ik. Kan de Staatssecretaris een update geven
over de ontwikkelingen die gaande zijn sinds de brief die wij volgens mij in november
hebben ontvangen?
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van de zijde van de
Kamer. Ik wil ongeveer 40 à 45 minuten schorsen, dus om 19.50 uur zien we elkaar weer.
Dat is inclusief dinerpauze. O, een halfuur, Minister? 19.40 uur.
De vergadering wordt van 19.08 uur tot 19.40 uur geschorst.
De voorzitter:
Het is tijd. Het is precies tijd. Ik heropen de vergadering. We zijn gekomen bij de
eerste termijn van de zijde van het kabinet. Ik geef zo het woord aan Staatssecretaris
Tielen. Voor ik dat doe, heb ik even de vraag hoe u ons meeneemt in de beantwoording,
of er blokken zijn en dergelijke. Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter, ik zal beginnen met een korte doch vlammende inleiding. Dan volgen de
strategie en de werkagenda. Daarna komen de bevolkingsonderzoeken en dan de abortuszorg.
En dan heb ik nog een mapje met de vlammende titel overig, waarin nog een aantal van
de andere gestelde vragen van een antwoord zullen worden voorzien.
De voorzitter:
Yes. Gaat uw gang. Aan u het woord.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel, voorzitter. Wat is waar? Wat is echt? Het verschijnsel mannengriep? Of
de symptomen van de zogenoemde nerveuze vrouw, zoals die in de jaren vijftig en zestig
werden genoemd, zoals hoofdpijn en rugpijn? Dat zijn nog steeds vaak onbegrepen klachten.
Daar werd vaak lacherig over gedaan. Volgens een aantal van de verhalen die Kamerleden
ook al uit ervaring vertelden, is vrouwengezondheid heel vaak niet serieus genomen.
Maar inmiddels is er momentum ontstaan, lijkt het wel. Tenminste, zo heb ik dat de
afgelopen maanden ervaren. Overal waar je het hebt over het verschijnsel dat vrouwen
weliswaar langer leven, maar veel korter in goede gezondheid, ontstaat energie om
met elkaar de gezondheidsverschillen te verkleinen. In de zomer heeft het Ministerie
van VWS de Nationale Strategie Vrouwengezondheid 2025–2030 gepubliceerd en daarmee
een start gemaakt met de inzet op structurele verbeteringen in gezondheid en het verkleinen
van de gezondheidsverschillen tussen mannen en vrouwen. Ik ben heel blij dat het de
afgelopen maanden ook gelukt is om met al die wetenschappers, zorgverleners, bedrijven,
werkgevers en ervaringsdeskundigen een impuls te geven aan de uitwerking van die strategie,
op weg naar een werkagenda. Die gaat over de gezondheid van vrouwen en meiden, lichamelijk,
mentaal en sociaal.
Vorige week, op 4 februari, heb ik samen met twaalf partijen een handtekening gezet
onder een convenant. Dan denkt u: wat hebben we nou aan een convenant? Dat denk ik
ook altijd, maar het is wel een belangrijke stap. Het heet Samen in actie voor betere
vrouwengezondheid. Het zorgt ervoor dat we niet met z'n allen naar de overheid wijzen
om hier een verschil in te maken, maar dat dat echt een opdracht is aan heel veel
partijen. Ik noemde net al onderzoekscentra, maar het gaat ook om investeerders, zorgverleners,
zorgverzekeraars en andere partijen. Dat moet gaan leiden tot betere technologie,
betere diagnostiek, betere zorg en betere innovatie, en is gericht op snellere diagnostiek
en beter passende zorg voor vrouwen en meiden. Dat kan alleen maar doordat we daar
allemaal aandacht, aandacht en aandacht aan geven. Vrouwen zijn namelijk niet een
klein groepje waar we te weinig naar gekeken hebben. Nee, de halve samenleving bestaat
uit vrouwen. Het is dus ook niet iets wat boven op het werk van wetenschappers, zorgverleners
en werkgevers moet komen. Het moet onderdeel zijn van hun dagelijkse aandacht voor
gezondheid.
Ik heb in de praktijk prachtige voorbeelden gezien. Ook daar hebben een aantal van
uw sprekers al bij stilgestaan, bijvoorbeeld bij de pilot van het vrouwenspreekuur
in het Amsterdam UMC, waar ook veel ziekenhuizen mee bezig zijn. Bedrijfsartsen hebben
een richtlijn Overgang en Werk gemaakt en die is vorige week aan het Ministerie van
SZW aangeboden tijdens de conferentie. Er zijn ook een aantal echt innovatieve innovaties
– dat is dubbelop. Er zijn een aantal innovaties. We moeten dus op al die vlakken
investeren, met aandacht en andere middelen, om het hele spectrum van zorg en ondersteuning
een stap verder te brengen. Zoals ook door een aantal van uw leden al is gezegd: dat
doen we niet alleen voor vrouwen; dat doen we ook voor de mannen, voor onze hele samenleving
en daarmee ook voor onze economie. Ik kijk ernaar uit om samen verder te werken aan
die Nationale Werkagenda Vrouwengezondheid, waarin we – ik kom daar zo in een aantal
antwoorden nog op terug – zo concreet mogelijk stappen gaan zetten richting de toekomst.
Dat was mijn inleiding. Dan begin ik nu met de antwoorden op de vragen die voor mij
vallen onder het kopje nationale strategie. Een van de eerste vragen ging over de
15 miljoen euro die een paar jaar geleden voor de periode tot 2030 is vrijgesteld
voor ZonMw, voor het kennisprogramma Vrouwspecifieke gezondheid. De vraag was hoe
die middelen zijn ingericht. De helft daarvan, dus 7,5 miljoen, is gericht op kennisontwikkeling
over gynaecologische aandoeningen, 2,25 miljoen op de kennisontwikkeling over vrouwspecifieke
problematiek van niet-gynaecologische somatische aandoeningen, ruim 2 miljoen op het
netwerk, de infrastructuur, de implementatie en de zogenoemde «bewustwording» – dat
gaat dus over zorgen dat al die partijen aan de slag gaan – en dan hebben we nog wat
restant voor de ondersteuning van al die programma's. Inmiddels zijn de eerste zes
projecten die gefinancierd worden, van start gegaan. Langs die lijnen wordt gewerkt
aan netwerkvorming en het bekendmaken van de mogelijkheden die er zijn.
Een vraag van onder andere het CDA en de VVD was wanneer die werkagenda nou beschikbaar
komt. Dat zei ik net al. Die komt voor de zomer van 2026 naar uw Kamer. Daarin wordt
dus zowel voor lichamelijke en mentale als sociale gezondheid bekeken hoe we door
alle levensfasen heen de vrouw-manverschillen kunnen verkleinen en daarmee vrouwengezondheid
kunnen verbeteren. Uiteraard zal daar een financiële paragraaf in zitten. Ik herken
de vraag van meneer Bevers, want ik ben daar zelf ook altijd voor. Er zitten ook een
aantal andere vragen bij waar ik nog op kom, maar het is echt niet alleen iets wat
de overheid moet doen. Ik zei al: vrouwen zijn de helft van onze samenleving, dus
al het werk dat overal gedaan wordt, zou je eigenlijk voor de helft aan vrouwen moeten
besteden. En er komt een monitor. Volgens mij vroeg iemand daar ook nog naar. Ik denk
dat het mevrouw Van Brenk was. We moeten niet alleen zeggen dat we dit allemaal willen
en een keer gaan doen, maar daarbij ook de vinger aan de pols houden, om het maar
in de terminologie te houden.
De vraag was ook of het ambitieniveau voldoende is. De vraag is dan natuurlijk altijd
wat «ambitie» is. Het liefst zou ik willen dat je kan zeggen: in het jaar 20xx zijn
de verschillen tussen mannen en vrouwen nul geworden. Dat zou natuurlijk mooi zijn,
maar op basis van wat we nu weten en zien, kunnen we dat nog niet zo specifiek maken.
Ik denk wel dat alle stappen die gezet worden, moeten leiden tot kleinere gezondheidsverschillen
tussen vrouwen en mannen, én daarmee ook tot het langer leven in goede gezondheid
van vrouwen en meiden. Ik zei al dat het gaat om alle levensfasen. Als je het op een
rijtje zet, zie je bij mannen een leven in goede gezondheid die tot de middelbare
leeftijd redelijk stabiel is en daarna langzaam minder wordt. Dat is gemiddeld; het
is allemaal gemiddeld, hè? Bij vrouwen beginnen er al rond de puberteit een soort
pieken en dalen komen. Een aantal van de voorbeelden van de ervaringsdeskundigen zijn
heel duidelijk, denk ik. Bij vrouwen begint dat al eerder. Dat betekent dus ook dat
vrouwen zes tot zeven jaar langer met chronische aandoeningen leven.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
De Staatssecretaris zei net iets over die vrouwspecifieke aandoeningen. Ik heb net
ook in mijn interruptie aangegeven dat dementie niet een vrouwspecifieke aandoening
is, maar we zien ook de incidentie en de mobiliteit. Vrouwen zijn zieker van die dementie
dan mannen. Ziet de Staatssecretaris ook ruimte voor dat onderdeel als het gaat om
vrouwengezondheid? Het is namelijk toch te relateren aan dat het vrouwen zijn en dat
er dus waarschijnlijk ook onderliggende redenen zijn, zoals hormoonhuishouding, waardoor
zij dementie sneller ontwikkelen en daar zieker van zijn. Is het in die gedachte dan
misschien logisch – we kunnen het geld maar één keer uitgeven – om een soort ranking
te maken van welke vrouwspecifieke aandoeningen de meeste impact hebben op de vrouw
zelf en op de maatschappij als het gaat om de kosten die dat ziek zijn heeft?
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Ik denk dat dementie een heel mooi voorbeeld is. Als je kijkt naar het totaal
aantal dementiepatiënten, zie je dat dat gewoon twee keer zoveel vrouwen als mannen
zijn. Enkelen van u, waaronder mevrouw Van Brenk volgens mij, refereerden er al aan
dat dit deels komt doordat vrouwen in het algemeen ouder worden en deels door andere
onderliggende oorzaken. Bij vrouwen verloopt het sneller en wordt het later gediagnosticeerd.
Het is dan ook heftiger. Maar bijvoorbeeld ook een aantal mentale aandoeningen, zoals
angststoornissen, ADHD en stoornissen in het autismespectrum, uiten zich echt heel
anders bij vrouwen en worden dus ook veel later gediagnosticeerd. De vraag van meneer
Claassen is in hoeverre nader onderzoek helpt om daadwerkelijk het moment van diagnose
en behandeling te vervroegen, net als meer aandacht van de zorgprofessionals en wellicht
aangepaste richtlijnen rondom diagnostiek en behandeling. En welke impact heeft dat
op die vrouwen zelf maar inderdaad ook breder, zoals op het gebied van ziekteverzuim,
maatschappelijke kosten en zorgkosten? Hij vraagt dat heel terecht. We zullen moeten
kijken hoe we dit een plek geven in de werkagenda. Het is goed om dat te doen. Ik
denk dat het wel een heel ingewikkelde som is, en ik zou het jammer vinden als we
eerst een jaar gaan lopen rekenen, om het maar eventjes flauw te zeggen, voordat we
zo'n ranking kunnen maken. Ik zou dus willen voorstellen om de elementen waar meneer
Claassen om vraagt, wel te verwerken in de werkagenda maar nog niet doorgerekend tot
in de decimalen. Ik denk namelijk dat dat heel ingewikkeld is. Wel kunnen we een soort
richting kiezen met een aantal nadrukken, en bij wijze van spreken ook aangegeven:
als na een jaar uit de monitor blijkt dat dit toch ingewikkelder is of juist sneller
gaat ... Dan maak je er echt een soort werkagenda van.
De voorzitter:
Eerst mevrouw Paulusma en dan mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Paulusma (D66):
Wellicht komt de Staatssecretaris er nog op, maar we hebben het nu over die werkagenda.
Ze noemt ook heel bewust hoelang het duurt voordat vrouwen een diagnose hebben. Nou
duurt dat voor vrouwen van kleur nog langer. Vindt de Staatssecretaris dat er nu voldoende
specifieke aandacht is voor vrouwen van kleur?
Staatssecretaris Tielen:
We hebben daar in ieder geval vorige week tijdens de werkconferentie best wat aandacht
aan besteed. Ik denk dat we moeten kijken hoe dat een plek kan krijgen in het totaal.
Ik ga even een omweg maken, voorzitter, als u dat toelaat. Er zijn biologische verschillen
tussen genders en seksen, maar we weten ook dat vrouwen in de spreekkamer minder vaak
worden doorverwezen en minder vaak aanvullend onderzoek krijgen. We weten ook dat
dat inderdaad nog steviger geldt voor vrouwen met een bepaalde etnische afkomst. Ik
denk dus dat dit onderdeel moet zijn van de werkagenda.
De voorzitter:
Ik had nog niet gezegd dat we in totaal vier interrupties hebben in deze ronde.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Ik wil even doorgaan op het punt dat wij inbrachten over alzheimer bij vrouwen, en
op de reactie van de Staatssecretaris op de vraag van de collega. Is dit niet iets
wat heel specifiek gevraagd zou kunnen worden aan Alzheimer Nederland? Is het mogelijk
een onderdeel van hun onderzoek? Ik was even benieuwd hoe die samenwerking is, en
of dit überhaupt mogelijk is.
Staatssecretaris Tielen:
Ik vind het een hele mooie vraag van mevrouw Van Brenk, want die maakt zo duidelijk
wat ik ook graag wil, namelijk dat het geen kwestie is van wijzen naar het Ministerie
van VWS en dan kijken wat er gebeurt. Het is echt een gezamenlijke opdracht, waarin
inderdaad kennisinstellingen maar ook patiëntenverenigingen een rol hebben. Het is
goed om dat expliciet te benoemen en om contact te hebben met de betrokken kennis-
en onderzoeksinstellingen op een aantal ziektegebieden zoals alzheimer, maar ook ziekten
op het gebied van mentale gezondheid en hart- en vaatziekten. Wat doen zij nu al en
wat is er aanvullend nodig? Dat is ook onderdeel van het convenant waarmee we aan
de slag zijn gegaan: wat kun je zelf doen? Ook de Patiëntenfederatie heeft daar namens
alle patiëntenverenigingen een rol in genomen. Dus ja. Dat was een lang antwoord,
sorry.
Overigens heb ik hier internationaal ook aandacht voor gevraagd, want alzheimer is
natuurlijk geen typisch Nederlandse aandoening. De problematiek waar we het over hebben
is ook niet typisch Nederlands, al schrik ik ook altijd weer van de ranking van Nederland
op de EU-lijstjes. Ik weet niet meer wie van u die noemde. Ook internationaal is er
echt wel energie om vrouwen daarin aandacht te geven.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
Ja, sorry, voorzitter. Ik heb er zo'n lol in, want ik verheug me hier al heel lang
op!
Groep Markuszower maar ook de SP en D66 vroegen naar het budget, eigenlijk vanuit
de stelling dat het gek is dat er bij de strategie geen extra budget wordt genoemd.
Dat snap ik heel goed. Tegelijkertijd loopt er budget waar we ook heel veel van leren.
Nogmaals, ik vind ook niet dat we met z'n allen naar het ministerie moeten kijken
en zeggen: lossen jullie het maar op. Daarom was vorige week ook die werkconferentie.
Ik heb al genoemd wie daar ongeveer allemaal waren. Daar is het convenant getekend
en daarmee ook het commitment, inclusief aandacht, aandacht, aandacht en middelen
die daarbij horen, van ondertekenaars als Health~Holland, TNO, FemTechNL, een investeringsfonds
met de klinkende naam Borski Fund en Salland Zorgverzekeraar, die zeggen dat ze ook
gaan bijdragen aan het geheel. Bij het tot stand laten komen van de werkagenda moeten
we kijken hoe het financieel uitpakt met alle verschillende ondertekenaars, zodat
ik de door meneer Bevers gewenste financiële paragraaf ook enige vorm kan geven.
Gevraagd was wat ik aan mijn opvolger vraag. De oplettende lezer heeft gezien dat
in het coalitieakkoord twee keer de term «vrouwengezondheid» staat, in twee verschillende
paragrafen. Ik vind dat mijn opvolger haar eigen weg daarin moet kiezen. Ik denk dat
er een aantal heel stevige en inspirerende bouwstenen liggen om mee voort te gaan,
maar ik denk dat daar in ieder geval ook door de Staatssecretaris van Emancipatie
met kracht en energie aan doorgewerkt zal worden.
De vraag van zowel GroenLinks-PvdA als het CDA is ...
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Tenminste, dit ging over het budget, en de vragen over het budget en de financiële
paragraaf waren afgelopen, toch? Ja. Wij zien nu de Nationale Strategie Vrouwengezondheid,
waar we heel lang op hebben gewacht. Wij hebben al gezegd dat er vooral dingen in
staan die al worden gedaan. Daar zitten inderdaad financiën aan gekoppeld, want die
waren er al. Dat zijn dingen die al worden gedaan. Tegelijkertijd hoor je hier Kamerbreed
dat er meer moet gebeuren. Er is een achterstand en we moeten hier echt in gaan investeren.
Er is zo veel wat we nog moeten doen aan onderzoek en behandeling. Iedereen hier vindt
het belangrijk dat er veel extra moet gebeuren om de achterstand in te halen. Dan
hoor ik dat er een aantal partijen zijn die misschien ook kunnen bijdragen, maar wat
wij nu extra gaan doen en wat extra nodig is, kan toch niet beperkt worden tot wat
die partijen eventueel gaan bijdragen? Daar moet VWS toch ook een bijdrage aan leveren?
Het gaat over gezondheid. Daar is toch gewoon extra budget voor nodig? Wij kunnen
de Staatssecretaris daar namelijk ook bij helpen door te zorgen dat we dat hier in
de Kamer ook vinden.
Staatssecretaris Tielen:
Voorlopig loopt er dus nog een budget, waar heel veel uit geleerd moet worden. Mijn
boodschap is juist dat het allemaal niet extra is. Al die organisaties hebben als
doelgroep Nederland. Daarvan is de helft vrouw. Heel veel dingen die al gebeuren,
kunnen gewoon veel meer aandacht krijgen als het gaat om vrouwen. We weten uit onderzoek
dat investeringen in nieuwe technologieën minder vaak naar vrouwelijke ontwikkelaars
gaan en ook minder vaak naar producten en ontwikkelingen gericht op vrouwen. Ja, je
hoeft de bril maar op te zetten en naar de andere kant te kijken en dan helpt het
al. Ik vind oprecht niet dat we nu vanuit VWS per se heel veel extra geld moeten investeren.
Het gaat om bewustzijn en de aandacht goed verdelen. Wellicht zijn er wat regels nodig
voor de manier waarop gerapporteerd wordt over bijvoorbeeld onderzoeken naar geneesmiddelen.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik weet zeker dat daar op die manier nog heel veel winst te behalen valt. Dat had
natuurlijk ook wel gekund zonder deze nationale strategie, maar goed. Het is goed
dat er binnen bestaand onderzoek meer aandacht komt voor vrouwen en dat je bijvoorbeeld
bij de werking van medicijnen ook naar vrouwen kijkt. Dat is natuurlijk winst, maar
waar het hier ook om gaat, is dat er heel veel extra onderzoek nodig is om diagnoses
te kunnen stellen en behandelingen te kunnen doen. Je hebt bijvoorbeeld ook geld nodig
voor bijscholing. Er is zo ontzettend veel meer nodig dan alleen hetgeen de Staatssecretaris
nu beschrijft en dan we al doen. Daarom zitten we hier en hadden we ook zo'n behoefte
aan de Nationale Strategie Vrouwengezondheid. Is de erkenning er dan wel dat we dat
ook extra moeten doen? Anders twijfel ik toch een beetje aan het ambitieniveau dat
wij hier nu met z'n allen hebben.
Staatssecretaris Tielen:
Ik hoor bijna een soort cynisch toontje in de vraag van mevrouw Dobbe. Ik denk dat
dat niet terecht is. Nogmaals, heel veel dingen gebeuren al, maar worden met de verkeerde
focus uitgevoerd. Het is dus niet allemaal extra. Er is ook niet allemaal extra geld
voor nodig. Daarnaast loopt er vanuit VWS en ZonMw dus al extra onderzoek. Ik heb
net uitgelegd welke elementen daarin zitten. Met name bedrijven kunnen al heel veel
zelf doen. Wat dat betreft vond ik de vraag van mevrouw Dobbe over Amsterdam UMC en
het initiatief daar, ook wel bijzonder. Zij zei namelijk: waarom moeten werkgevers
dat doen? Dat moeten werkgevers doen omdat die er op relatief korte termijn direct
profijt van hebben als ze ervoor zorgen dat het ziekteverzuim bij vrouwen minder groot
is. Daar hebben ze bijna direct profijt van, ook financieel. Het is dus echt een opdracht
aan de hele samenleving. Ik denk dat VWS hierin een aanjagende of een coördinerende
rol kan spelen en partijen bij elkaar kan brengen. Maar ik denk niet per se dat dit
alleen maar vanuit de schatkist gefinancierd hoeft te worden, nog afgezien van het
feit dat er tot 2030 geld is. Ik denk dat we de komende jaren moeten gebruiken om
te kijken waar we eventueel wel of niet extra geld in zouden willen of moeten steken.
De voorzitter:
Eerst de heer Claassen en dan mevrouw Vliegenthart.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Er werd net gezegd dat alle partijen vinden dat hier meer geld naartoe moet. Dat klopt
niet. Ik vind niet per definitie dat er meer geld naartoe moet. Mijn bijdrage ging
vooral over het feit dat het geld dat er naartoe gaat, op de juiste manier moet worden
besteed.
Dan kom ik op de financiële paragraaf. Ik had begrepen dat de Staatssecretaris daarmee
klaar was. Ik had daar nog wel vragen over gesteld. Hoe wordt bijvoorbeeld die 4 miljoen
voor de taakopdracht Gender en Gezondheid verdeeld tussen aspecten die te maken hebben
met biologische sekse en genderaspecten? Het zou namelijk heel raar zijn als dat een
evenredige verdeling is. Wat doe je dan precies aan vrouwengezondheid? Daar zit een
beetje een pijnpunt. Er moet in de toekomst, als er wel meer geld naartoe gaat, meer
oog zijn voor een goede verdeling, zodat je echt iets kunt betekenen.
Mijn derde vraag was welk deel van het budget en de strategie daadwerkelijk bestemd
is voor translationeel en klinisch onderzoek, met als oormerk diagnostisch onderzoek.
Volgens mij zit daar namelijk de crux wat betreft vrouwengezondheid. Ik denk dat daar
een heleboel winst te behalen is.
Staatssecretaris Tielen:
O, ik had mijn microfoon aan laten staan. Ik zat ook een beetje te zoeken, maar ik
luisterde wel goed naar meneer Claassen.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Ik weet namelijk dat hij die vraag stelde. Dat translationeel en klinisch onderzoek
is onderdeel van die 15 miljoen. De onderzoeksgelden die er zijn voor kennisontwikkeling
rondom aandoeningen, zowel gynaecologische als niet-gynaecologische somatische aandoeningen,
zijn ook gericht op translationeel en klinisch onderzoek, met uiteindelijk inderdaad
als doel om daar ook praktische richtlijninput voor te krijgen. Als de heer Claassen
mij dan vraagt hoeveel procent dat is, dan zeg ik dat ik die vraag lastig vind om
te beantwoorden. Daar kan ik geen antwoord op geven. Maar dit is daar echt wel onderdeel
van.
Gender en sekse. Ik heb de vraag van meneer Claassen zo begrepen dat hij ervan uitging
dat die 5 miljoen rond gender en gezondheid niet op sekse zou zijn gericht, maar die
zaken horen in dit geval bij elkaar. Het volgende is namelijk het gekke. Dit gaat
over biologische verschillen. Alle cellen van biologische vrouwen hebben inderdaad
twee X-chromosomen. Dat heeft invloed op hormonale ontwikkelingen enzovoorts enzovoorts.
Dat speelt een rol. Maar dan kom ik nu op wat ik net zei over bijvoorbeeld doorverwijzingen
en aanvullend onderzoek: het is nog steeds zo dat artsen, ongeacht of die zelf van
het vrouwelijk of mannelijk geslacht zijn, andere denklijnen volgen op het moment
dat zij een vrouw met klachten tegenover zich hebben vergeleken met wanneer er een
man tegenover hen zit. Dat noemen we gender. Dat is een niet-biologisch, maar wel
effectief verschil. Dat is heel bijzonder. Het is echt heel interessant om daar dieper
op in te gaan, maar ik ga het maar even niet doen.
Ik was namelijk gebleven bij de vraag van zowel CDA als GroenLinks-PvdA over het betrekken
van ...
De voorzitter:
Er is nog een interruptie. U heeft de vraag van de heer Claassen beantwoord. Het woord
is nu aan mevrouw Vliegenthart.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik wil toch nog een keer terugkomen op die financiering. Ik hoor de Staatssecretaris
zeggen dat al die organisaties dat convenant hebben getekend en ook hun verantwoordelijkheid
gaan nemen. Maar ik heb ook een groot deel van die organisaties gesproken. Diezelfde
organisaties zeggen: «We lopen zo achter wat betreft vrouwengezondheid. Daar is zo
veel te halen. Er is zo veel winst te behalen.» We hebben het net al gehad over de
miljardenwinst die we behalen als we investeren in de gezondheid van vrouwen. Het
gaat dus niet alleen maar om gezondheid; er is ook een economisch aspect. We hebben
het daar al genoeg over gehad. Ik vind het dus toch wel een beetje makkelijk om alleen
maar naar die organisaties te wijzen. We zeggen hier allemaal volgens mij niet dat
alleen het ministerie zou moeten investeren, maar dit heeft zo veel verschillende
facetten – mevrouw Dobbe zei dat ook – dat ik het eigenlijk wel een beetje makkelijk
vind om alleen maar organisaties te noemen, want volgens mij is er echt wel een gedeelde
verantwoordelijkheid als er zo veel winst te behalen is. Die is er dan dus ook voor
het ministerie.
Staatssecretaris Tielen:
Nou, ik vind het juist makkelijk om te zeggen: ik trek ergens een laatje open en dan
komt het allemaal goed. Dat is namelijk echt niet wat ik wil meegeven aan deze organisaties,
die commitment hebben om er zelf ook iets aan te doen. Plus, er loopt al 15 miljoen euro
vanuit het Ministerie van VWS. Er lopen al programma's. ZonMw is echt goed bezig om
dat te coördineren en om te netwerken. Ik denk ook dat we nu nog niet heel scherp
hebben wat er precies nodig is. Nogmaals, ik kom even terug op die werkgevers. Als
je als werkgever hier oog voor hebt, als onderdeel van je normale, goede werkgeverschap,
en als je bijvoorbeeld met goede initiatieven komt, zoals bij het Amsterdam UMC, maar
er zijn er nog meer, om aandacht te geven aan het vergroten van vrouwengezondheid,
dan heb je daar direct effect van. Dus volgens mij moeten we bij het opstellen van
de werkagenda en bij het uitvoeren van de werkagenda dat soort aspecten meenemen om
te laten zien dat het een gezamenlijke verantwoordelijkheid in de samenleving is.
Ik kan me voorstellen dat we, als we onderweg heel bijzondere dingen tegenkomen, zeker
opnieuw de financieringsvraag stellen. Ik reken erop dat uw Kamer dat ook steeds zal
doen, maar ik wil er niet bij voorbaat al dat antwoord op geven, ook omdat dat geld
nog loopt tot 2030.
De voorzitter:
Gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
Dan toch de vraag van GroenLinks-PvdA en het CDA over het betrekken van de stem van
vrouwen, onder andere zoals ze dat in het Verenigd Koninkrijk hebben gedaan. Ik heb
onder andere bij het Verenigd Koninkrijk mijn oor te luisteren gelegd om te horen
hoe ze dat hebben gedaan. Ik heb dat weer hiermee naartoe genomen, om te kijken of
we dat op die manier moeten doen of op een andere manier. We doen het eigenlijk vooral
op een andere manier. De stem van vrouwen wordt structureel meegenomen in de strategie
maar straks ook bij het opstellen van de werkagenda. Dat gebeurt onder andere met
bijeenkomsten, zoals een rondetafel op 11 december bij ZonMw, waar veel vrouwen, vrouwenorganisaties
en patiëntenverenigingen bij betrokken waren. Vorige week waren er werkconferenties.
Al die partijen die zich eraan committeren via het convenant, zoals WOMEN Inc., Voices
for Women en de Nederlandse vereniging van gynaecologen, zijn onderdeel van het proces
dat we samen doorlopen om de werkagenda vast te stellen. Daarnaast hebben we voortdurend
ervaringsdeskundigen. In dit Kamerdebat, in de eerste termijn van de Kamer, hadden
we het al over Angel en Viola, maar bijvoorbeeld ook over Bo en Alja. We hebben een
hele hoop ervaringsdeskundigen aan het woord gehoord, ook vorige week, om ons te blijven
herinneren aan voor wie we dit eigenlijk allemaal doen.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Het is natuurlijk heel mooi dat vrouwen op deze manier geconsulteerd worden, maar
volgens mij hebben we ook al met z'n allen gezegd: dé vrouw bestaat niet. Die enkele
vrouw in zo'n rondetafelgesprek, die patiëntenorganisaties of die drie casussen die
we hier hebben gehoord: de Engelse strategie heeft succes omdat ze 100.000 vrouwen
geconsulteerd hebben. Elke vrouw heeft een andere achtergrond en andere behoeften.
Dat is echt een structureel andere manier om vrouwen erbij te betrekken dan door alleen
rondetafels te doen of alleen met patiëntenorganisaties te praten, die ook maar een
deel van de mensen zien. Ik wil nogmaals benadrukken dat die gezondheidsachterstand
juist nog meer geldt voor mensen die in een kwetsbare positie zitten. Hoe consulteren
we ook die vrouwen? Dat wil ik heel graag horen. Daarbij gaat het wat mij betreft
in twee stukken. Het eerste stuk is het opzetten van de vrouwengezondheid en de werkagenda,
en vervolgens dat wat erna gebeurt. Ik zou dus ook graag over die tweescheiding willen
horen.
Staatssecretaris Tielen:
Die tweescheiding heb ik niet helemaal scherp, volgens mij, maar ik zal proberen antwoord
te geven. De manier van het Verenigd Koninkrijk was inderdaad om een heel grote uitvraag
te doen. Het was eigenlijk opnieuw een heel groot onderzoek. De vraag is wat het doel
ervan is: betrokkenheid, kennis of nieuwe inzichten? Volgens mij moet je dat alleen
doen als je het doel ook echt moet bereiken. Mijn opvatting, gebaseerd op wat men
in het Verenigd Koninkrijk heeft gedaan en op wat de partijen zeggen waarmee we nu
al het proces doorlopen, is dat we al heel veel weten. Heel veel nieuwe inzichten
verwachten we dus niet op te halen uit een heel grootschalig onderzoek. De betrokkenheid
is dus via heel veel organisaties geborgd. Ik heb er al een aantal genoemd. Ik denk
dat het nu vooral zaak is om in actie te komen en een groot onderzoek uit te voeren
in plaats van weer een stap terug te doen.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, op dit punt.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De Staatssecretaris noemt een aantal partijen. We hebben ook een brief gehad van Ava
– ik neem aan dat de Staatssecretaris daar ook kennis van heeft genomen – waarin wordt
gezegd: richt een patiëntenraad op voor vrouwengezondheid. Is dat nou ook een partij
die hierbij betrokken is? Kan je zo'n gezamenlijke werkagenda zien als een soort patiëntenraad?
De voorzitter:
Dat was de vraag van 50PLUS.
Staatssecretaris Tielen:
Ik kan natuurlijk een heel lijstje maken van iedereen die we een keer of vaker gesproken
hebben, maar ik weet niet of we daar heel erg mee geholpen zijn. Mag ik daar in de
tweede termijn op terugkomen?
De voorzitter:
Ja, dat noteren we.
Staatssecretaris Tielen:
Ik wil een goed antwoord geven; laat ik het zo zeggen.
De voorzitter:
Waar was u gebleven?
Staatssecretaris Tielen:
Ik was bij een volgend blokje gekomen.
De voorzitter:
Ja, precies. Dat is ... O, mevrouw Maeijer heeft nog een vraag.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik was even aan het puzzelen. Waren dit de antwoorden op de nationale strategie?
De voorzitter:
Ja.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Oké.
De voorzitter:
Dan ... Ja? Toch nog een vraag van de PVV-fractie?
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ja, een beetje vooruitlopend daarop. De Staatssecretaris geeft net meerdere malen
aan dat er de afgelopen tijd al veel gesprekken zijn gevoerd. Er is een werkconferentie
geweest. Ook op andere momenten heeft zij belangenbehartigers en patiënten ontvangen.
De werkagenda verwacht ze ergens voor de zomer. Dat duurt nog even. Zijn er uit de
gesprekken die de afgelopen periode zijn gevoerd al zaken, knelpunten of laaghangend
fruit, iets wat in de weg zit of wat dan ook, omhooggekomen waarvan zij zegt: dat
zou mijn opvolger nu al kunnen opvangen? Zijn dat soort punten die niet hoeven te
wachten op die werkagenda, boven komen drijven?
Staatssecretaris Tielen:
Heel veel dingen lopen inderdaad al. Nogmaals, het initiatief van Amsterdam UMC wordt
nu ook al door andere ziekenhuizen opgepakt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het Haaglanden
Medisch Centrum. Dat vind ik het mooie van de tijd waar we in zitten: er gebeurt al
heel veel, zonder dat ik hoef te zeggen «ga eens met die praten». Er is al heel veel
kruisbestuiving, zou ik bijna zeggen. Ja, er zijn nog allerlei kennisvragen. Een aantal
lopen mee in het ZonMw-onderzoek. Eind deze maand worden er ook weer een aantal onderzoeksvoorstellen
gehonoreerd. Ik zie nu geen hele grote belemmeringen. Op het moment dat ik dit zeg,
weet ik dat ze er ook wel zijn, maar het opstellen van die werkagenda is hét proces
om dit allemaal bij elkaar te brengen. Vorige week woensdag hebben we geprobeerd om
dat al zo goed mogelijk overzichtelijk te krijgen.
De voorzitter:
Mevrouw Maeijer nog.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Een korte vraag dan over wat men dan straks kan verwachten, dus een beetje verwachtingsmanagement.
VWS heeft een faciliterende rol, begrijp ik. Er wordt nadrukkelijk naar de andere
partijen aan tafel gekeken, zodat zij hun rol oppakken. Hier komen al een hoop onderwerpen
naar voren die bijvoorbeeld niet in de nationale strategie staan, zoals dementie.
Zo worden er steeds, terecht, onderwerpen bij gevoegd. Maar hoe wordt nou voorkomen
dat het een soort kerstboom wordt, waar heel veel in staat, maar die niet concreet
genoeg is?
Staatssecretaris Tielen:
Die vraag sluit volgens mij een beetje aan bij de vraag die meneer Claassen ook stelde,
namelijk: kunnen we een soort van prioriteitenlijstje krijgen? Ik zei daarop: we gaan
niet zeggen «dit allemaal wel» en «dat allemaal niet». Dat hangt van een aantal zaken
af. Dat is ook het proces. We gaan de komende maanden gebruiken om de werkagenda concreet
te krijgen. Ik snap namelijk heel goed wat mevrouw Maeijer bedoelt. Het zou zonde
zijn als we er een soort van «we laten duizend bloemen bloeien en iedereen doet een
beetje» van maken, maar dat we vervolgens niet verder komen. Tegelijkertijd kan een
beetje doen al een groot verschil maken. Het lijkt me goed om alles op een rijtje
te zetten, waarbij niet een gelimiteerde lijst van aandoeningen, ziekten of klachten
langskomt. Het lijkt me goed om te kijken waar we ons op richten en vanuit welke rollen
we dat gaan doen. Wat mij betreft wordt het wel wat concreter inderdaad. Daarom heet
het ook een «werkagenda», op basis van een strategie die zegt welke kant we opgaan.
In de werkagenda staat op welke manier we dingen gaan doen, welke partij iets doet
en wat we kunnen verwachten. Het wordt dus een echte agenda.
De heer Krul (CDA):
Ik moest toch even nadenken over de antwoorden van de Staatssecretaris op het vorige
punt, over de consultatie. Want ik begrijp heel goed dat de Staatssecretaris zegt:
we weten al heel veel en ik wil gewoon aan de slag. Wat ik heel interessant vond aan
die consultatie in het Verenigd Koninkrijk is enerzijds de schaal. Daarnaast bleek
dat heel veel vrouwen wel klachten hadden, maar die zelf niet herkenden als een zorgvraag
of zorgprobleem. Dat leverde heel veel nieuwe inzichten op. Ik kan me haast niet voorstellen
dat dat soort resultaten hier niet van waarde kunnen zijn. Daarmee wil ik natuurlijk
niks afdoen aan het hele belangrijke en goede werk van heel veel organisaties die
zich hiermee bezighouden, maar zo'n schaal is toch juist iets nieuws?
Staatssecretaris Tielen:
Meneer Krul doelt concreet op vrouwen die klachten hebben waarmee ze soms niet naar
een dokter gaan, maar zich wel ziekmelden. Dat is een typisch voorbeeld van iets wat
in Amsterdam tot actie heeft geleid bij gynaecoloog Judith Huirne en tot een vrouwenpoli
waar inderdaad heel veel vrouwen terechtkwamen die dachten: laat ik het hier maar
eens proberen. Vervolgens werden zij wél geholpen. De vraag is dus of dat met actie
en initiatieven moet, of met een onderzoek. Mijn voorkeur is echt het tweede.
De voorzitter:
Dan gaan we door met het volgende blok.
Staatssecretaris Tielen:
Het volgende mapje heeft de titel bevolkingsonderzoek.
De voorzitter:
Gaat uw gang.
Staatssecretaris Tielen:
Dat ging onder andere over de mobiele mammografiebussen. De SP vroeg naar het verdwijnen
van bevolkingsonderzoeksbussen. Die verdwijnen niet. Mevrouw Dobbe zei tussen de regels
door iets over financiering. De financiering is ook niet verminderd. Het gaat om de
routes die die bussen rijden en waar ze stil staan. Dat heeft inderdaad, zoals een
aantal van uw leden al zei, te maken met het tekort aan personeelscapaciteit. Uiteindelijk
geeft het RIVM opdracht aan Bevolkingsonderzoek Nederland om te zorgen dat de uitvoering
van het bevolkingsonderzoek borstkanker kwalitatief goed is en goed bereikbaar is
en dat er goede toegang is. De routes van de bussen zijn gewijzigd vanwege capaciteitstekorten.
Dan kan het dus gebeuren dat door andere routes, andere plekken worden aangedaan.
Dat is het geval in Zutphen. Aan de andere kant is het zo dat als je een andere route
rijdt, andere vrouwen weer dichterbij zijn. Dat is de puzzel waar Bevolkingsonderzoek
Nederland mee worstelt. Uiteindelijk gebeurt dat altijd volgens de lijnen kwaliteit,
bereikbaarheid en zo groot mogelijke toegang.
Over capaciteit gesproken, meneer Claassen stelde de vraag: hoe staat het nou met
de inzet van artificial intelligence, oftewel kunstmatige intelligentie? Ik zie meneer
Claassen moeilijk kijken, dus ik weet niet of dat zijn vraag was.
De voorzitter:
Ik zit even te kijken. Mevrouw Dobbe heeft nog een interruptie. Gaat uw gang.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dit is wel een heel «semantische discussie»-antwoord, om het maar even zo te zeggen.
Die vrouwen in Zutphen, die nu minder deelnemen aan het bevolkingsonderzoek omdat
de bus daar niet meer komt, zien die bus verdwijnen. Zij gaan dus minder vaak deelnemen
aan het bevolkingsonderzoek, terwijl Zutphen nou juist zo'n plek is waar de behoefte
daaraan blijkbaar heel erg groot is. Dat is toch wel de praktijk. Dan kan de Staatssecretaris
wel zeggen «ze verdwijnen niet; ze rijden een andere route vanwege personeelsinzet»,
maar er zijn gewoon plekken waar die bus dus verdwijnt. Laten we dat wel even met
z'n allen constateren. Laten we ook tegen elkaar zeggen dat dat dus niét goed is,
dat deelname aan bevolkingsonderzoek daardoor afneemt, dat vrouwen daarvan de dupe
zijn en dat we dat niet moeten willen. Die borstenbus moet daar dus gewoon blijven.
Staatssecretaris Tielen:
Ik snap wat mevrouw Dobbe bedoelt, maar ze suggereerde iets anders. Dat wil ik even
uit de weg hebben. Nogmaals, de opdracht aan Bevolkingsonderzoek Nederland is: een
zo hoog mogelijke kwaliteit, een zo goed mogelijke bereikbaarheid en een zo hoog mogelijke
toegang. Ik hoor de cijfers die mevrouw Dobbe aanhaalt over de deelname, maar die
ken ik niet, dus die kan ik ook niet verifiëren. Als inderdaad blijkt dat nieuwe routes
leiden tot over het algemeen een lagere deelname, zal Bevolkingsonderzoek Nederland
opnieuw aan de slag gaan om te zorgen dat die deelname zo hoog mogelijk is. Dat is
namelijk onze gezamenlijke opdracht, wens en ambitie. Daar zijn we het volgens mij
met elkaar over eens. Alleen, ik ga Bevolkingsonderzoek Nederland niet via het RIVM
vertellen hoe ze wel of niet met die bussen moeten rijden. Dat is niet mijn taak;
daar heb ik ook geen kennis van.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie.
Mevrouw Dobbe (SP):
Maar het is denk ik wel aan ons om ervoor te zorgen dat bevolkingsonderzoek goed wordt
uitgevoerd en dat alle vrouwen in Nederland daarin goed worden bediend. Er wordt nu
gesproken over bepaalde keuzes die gemaakt worden door een personeelstekort. In plaats
van het personeelstekort te willen oplossen, gaan we bepaalde locaties overslaan,
waardoor vrouwen de dupe worden en deelname aan het bevolkingsonderzoek vermindert.
Dat kan natuurlijk niet de oplossing zijn. Mijn oproep is om hierin gezamenlijk verantwoordelijkheid
te nemen en te zeggen: wij zorgen dat die bussen niet verdwijnen en dat de borstenbus
gewoon beschikbaar blijft, ook in Zutphen en op die andere plekken. Er zijn namelijk
nog andere plekken waar die bus eerst wel kwam, maar nu ook niet meer komt, waar vrouwen
dus ook de dupe worden.
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Dobbe en ik trekken volgens mij aan dezelfde kant van het touw, als je het
over touwtjetrekken zou willen hebben. We willen allemaal dat de deelname aan het
bevolkingsonderzoek zo hoog mogelijk is, want we weten allemaal dat we door vroege
opsporing heel veel ellende kunnen voorkomen en levens kunnen beschermen. Maar het
hoe, waar en wat precies vind ik echt aan Bevolkingsonderzoek Nederland. Daar zitten
hele slimme, goede mensen met kennis van zaken, die het logistiek goed kunnen inregelen
om zo veel mogelijk capaciteit ter beschikking te hebben om een zo hoog mogelijke
toegang tot in dit geval mammografieën te hebben. Daar ga ik dus niet in treden.
De voorzitter:
Gaat u door met uw betoog.
Staatssecretaris Tielen:
De heer Claassen vroeg naar de overcapaciteit en zijn motie daarover, in het kader
van de inzet van kunstmatige intelligentie. Daar zijn we heel druk mee bezig. Ik heb
daar ook iets over geschreven in een brief van eind november. Het gaat met name over
de mogelijkheid om minder personeel nodig te hebben bij het beoordelen van de mammogrammen.
Het maken van de mammogrammen moet nog steeds wel gebeuren. Het is overigens een vervelend
type onderzoek. Ik weet dat er ondertussen mensen druk bezig zijn om te kijken of
daar een betrouwbaar alternatief voor te vinden is.
De fracties van SP, CDA en 50PLUS vroegen naar de vervolgstappen op MRI's voor vrouwen
met zeer dicht borstweefsel. Dit is iets waar ik hard op heb lopen duwen, om het zo
maar te zeggen, want ik vind echt – dat weet u van mij, toen ik nog aan de andere
kant van de tafel zat – dat we hier een oplossing voor moeten hebben. We hebben een
oplossing. Om die goed uit te voeren, hebben we tot 2030 nodig. Ik heb er hard op
geduwd om ervoor te zorgen dat dat een jaar eerder is dan oorspronkelijk het plan
was, onder andere door een aanvullend Gezondheidsraadadvies over te slaan. Dat doen
we door zo dicht mogelijk bij de manier te blijven waarop het al eerder door de Gezondheidsraad
was bekeken. Er zit onder andere een aanbestedingsplicht in; daar werd aan gerefereerd.
Dat kost tijd. Het kost ook tijd om vergunningen te geven om de hoge kwaliteit te
kunnen waarborgen en verdringing te voorkomen. Er zit gewoon organisatorische voorbereidingstijd
in. Dan denk je: moet dat echt vier jaar duren? We hebben allerlei dingen geprobeerd
om het korter te laten duren, onder andere geen aanvullend Gezondheidsraadadvies.
Ik denk echter niet dat het heel veel sneller dan 2030 kan. Tegelijkertijd heb ik
aan het RIVM meegegeven dat ik bij alle stappen die het RIVM zet, continu wil weten
of het toch nog sneller kan; welke mogelijkheden hebben we nog om het parallel te
laten lopen? Ik begrijp namelijk heel goed dat mensen dit gewoon lang vinden duren.
Mevrouw Paulusma (D66):
Toen ik nog met de Staatssecretaris aan deze kant van de tafel zat, hebben wij hier
vrij heftige debatten over gevoerd met haar voorganger. Ik baal enorm van 2030, maar
ik baal nog meer ... Nee, ik ga het niet kwalificeren. Ik heb een grote aanvaring
met de voorganger van deze Staatssecretaris gehad, omdat hij zei: we gaan het vrouwen
niet vertellen, omdat ze niet met deze informatie om kunnen gaan. Ik wil ergens nog
wel meegaan in iets organisatorisch en heb ook wel vertrouwen in de druk die deze
Staatssecretaris legt op het vervroegen van de uitvoering, maar ik blijf het heel
ongemakkelijk vinden dat vrouwen dit niet mogen weten. Ik ben heel benieuwd hoe de
Staatssecretaris daarnaar kijkt in de rol die ze nu heeft.
Staatssecretaris Tielen:
Daarbij refereer ik aan iets wat ik in mijn inleiding al zei, omdat het ook bij mij
heel gevoelig ligt, namelijk het serieus nemen van vrouwen. Ik kan me dat debat nog
goed herinneren en ook het gevoel dat het niet serieus genomen werd kwam heel snel
boven. Ik zei intern en tegen een aantal adviesorganen: grote mond. Ik ben in gesprek
gegaan met de betrokken organisaties, zoals de patiëntenorganisaties, de radiologen
en de oncologen. Ik heb aan een volle tafel met allerlei betrokken instanties een
gesprek daarover gehad. Ook het RIVM en Bevolkingsonderzoek Nederland waren daarbij.
Er waren er in ieder geval heel veel. De vraag was: wat kunnen we doen, wat willen
we doen en wat is verstandig? Dat was de vraag, wetende dat er in het huidige bevolkingsonderzoek
geen uitslag is die aangeeft welk borstweefsel iemand heeft. Daarvoor moet een extra
handeling worden gedaan. En dan? Je bent op zich niet ziek als je dicht borstweefsel
hebt. Het is geen diagnose of wat dan ook. Als je dat deelt, dan moet je dus wel een
vervolgstap kunnen aanbieden. Dat kan als er een MRI is. Dan kom ik op de vraag. Nogmaals,
we hebben daar uitgebreid over van gedachten gewisseld. Ik heb heel goed geluisterd
naar iedereen die daarover heeft nagedacht, en heb uiteindelijk toch besloten dat
het verstandig is om het mee te geven op het moment dat we die MRI aan kunnen bieden.
Mevrouw Paulusma (D66):
De Staatssecretaris zal kunnen verwachten dat ik het daar niet mee eens ben. Ik wilde
een vraag stellen over de afname van de deelname aan bevolkingsonderzoeken naar aanleiding
van de datahack, maar dit is ook een reden waarom vrouwen minder vertrouwen krijgen
in het bevolkingsonderzoek. Want als je ernaartoe gaat, je eigenlijk niet zeker weet
in welke categorie je valt, je er geen mededelingen over krijgt, je er niet over wordt
geïnformeerd en je eigenlijk niet serieus genomen wordt, waarom zou je dan nog gaan?
Ik vind dat wij als volwassenen bejegend kunnen worden en dus prima de mededeling
kunnen krijgen dat we in de categorie dicht borstweefsel vallen of dat het daarop
lijkt. Vrouwen stellen zichzelf nu allemaal deze vraag als ze geweest zijn. Word dan
geïnformeerd! Wij zijn volwassen genoeg om met een mededeling om te kunnen gaan. De
Staatssecretaris werkt heel hard om die MRI naar voren te halen, maar die is er nu
nog niet. Ik vind eigenlijk dat de Staatssecretaris niet voor vrouwen in Nederland
het besluit kan nemen om het niet te weten.
Staatssecretaris Tielen:
Nogmaals, ik begrijp die stelling van mevrouw Paulusma; het is eigenlijk geen vraag.
Ik heb me daar echt in verdiept. Ik heb er met heel veel personen, vrouwen, mannen,
dokters, patiënten enzovoort enzovoort over gesproken. Uiteindelijk heb ik de weging
gemaakt om het moment waarop je een MRI kunt krijgen als vervolg, toch ook als moment
te nemen om het te delen met de vrouwen.
De heer Krul (CDA):
Ik ben het hier echt hartstochtelijk mee oneens. Vrouwen met zeer dicht borstweefsel
hebben twee tot vier keer meer kans op borstkanker. Je kunt meer doen dan alleen een
MRI. Contrastmammografie of zelfs een echo kan kanker beter detecteren bij vrouwen
met zeer dicht borstweefsel. Er is dus wel iets wat je kan doen. Ik hoor de Staatssecretaris
eigenlijk – ik ga het maar gewoon zeggen zoals ik het hoor – op een veel nettere manier
bewoorden wat haar voorganger ook zei: we willen vrouwen niet vertellen dat ze dat
risico lopen, want we vinden dat we ze dan ook een vervolgstap moeten kunnen aanbieden.
Ik vind dat je dat niet kunt bepalen. Ik ben wel even benieuwd naar het volgende.
De Staatssecretaris heeft een afweging gemaakt. Als de Kamer een andere afweging maakt,
hoop ik wel dat we dat dan ook gewoon gaan doen. Ik heb namelijk wel principieel moeite
met deze uitleg.
Staatssecretaris Tielen:
U zegt: we willen het ze niet vertellen. Nee, we kúnnen het ze nu niet vertellen.
In het huidige mammografieprotocol zit niet iets van: u valt in die klasse. Dat zit
er gewoon niet in. Dan moeten we iets toevoegen aan het bevolkingsonderzoekprotocol
op zichzelf. Nogmaals, ik snap heel goed wat de heer Krul zegt. Het is ook echt een
duivels dilemma, om het maar zo te zeggen. Alles afwegende wil ik toch heel graag
dat we het vertellen zodra we die MRI's kunnen aanbieden.
De voorzitter:
Ik geef u zo het woord, mevrouw Van Brenk. Meneer Krul, had u nog een vervolgvraag?
Mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
We zullen vast een tweeminutendebat gaan doen. Ik kan me zomaar voorstellen dat de
Kamer hier inderdaad anders over denkt. Ik ben benieuwd wat er dan gaat gebeuren.
Ik zou graag van de Staatssecretaris willen horen wat de gevolgen zouden zijn als
wij met z'n allen toch vinden dat het wél zou moeten.
Staatssecretaris Tielen:
Het betekent dat wij een beslissing nemen voor iedereen. Dat is natuurlijk gewoon
het dilemma van dit soort beslissingen. Als medewetgevers en mederegelgevers beslissen
wij met elkaar altijd voor heel veel mensen. Dat betekent dat dat invloed heeft op
het bevolkingsonderzoekprotocol, dus hoe we het überhaupt inregelen en hoe de communicatie
verloopt. Ik vermoed dat dat ook heel veel gevolgen zal hebben voor de vervolgonderzoeken,
die nu dus nog niet helemaal geregeld zijn. Daar zouden vrouwen dan uiteraard wel
gebruik van willen maken.
De heer Krul (CDA):
Ik wil toch nog even inzoomen op al die redenen waarom het tot 2030 moet duren. Ik
begrijp wat de Staatssecretaris zei over Europees aanbesteden, maar zij noemde ook
twee andere redenen, namelijk verdringing en het kunnen leveren van een goede kwaliteit
van zorg. Zou de Staatssecretaris daar iets meer over kunnen vertellen? Wat voor verdringingseffecten
treden precies op op het moment dat we vrouwen met zeer dicht borstweefsel die extra
MRI aanbieden en wat voor dilemma is er nou nog op het gebied van goede kwaliteit
van zorg?
Staatssecretaris Tielen:
Dat moet ik even uit mijn hoofd halen. De heer Krul verwijst deels naar de brief.
Die moet ik eventjes scherp hebben. In het RIVM-advies zijn een aantal verschillende
vormen gepresenteerd waarin het kan. Die hebben daar deels mee te maken. Ik probeer
dat nu even op te ... In theorie is het sneller als we het via de zorg zouden regelen
en zouden zeggen: je kunt gewoon van alle MRI's gebruikmaken als je een mammogram
hebt laten maken. Maar het detecteren van kleine tumoren verloopt anders als je een
knobbeltje hebt of op een andere manier al een indicatie hebt dat er vervolgonderzoek
nodig is dan als je meedoet aan het bevolkingsonderzoek, waarbij in principe gezonde
vrouwen de routes ingaan, om het maar zo te zeggen. Dat vergt een andere kwaliteit
van de mensen. Ik wil zeker weten dat de kwaliteit van zorg daarbij goed is. Als je
het hebt over verdringing, gaat het ook over vrouwen met bijvoorbeeld erfelijke aanleg,
die ook eens in de zoveel tijd aanvullend onderzoek nodig hebben om zeker te weten
dat ze nog gezond zijn. Die zitten bij wijze van spreken weer in andere routes dan
vrouwen die meedoen aan het bevolkingsonderzoek. Het is voor zowel de kwaliteit als
de toegang het handigst om het via de bevolkingsonderzoekroute goed te regelen.
De voorzitter:
Dat was duidelijk. U kunt door met uw beantwoording.
Staatssecretaris Tielen:
Wat ik net zei, was volgens mij ook het antwoord op de vraag die mevrouw Maeijer daarover
heeft gesteld. Ik denk dat dat de antwoorden op de vragen over bevolkingsonderzoeken
waren, maar ik weet dat mevrouw Paulusma nog een interruptie gaat doen.
De voorzitter:
U weet dat mevrouw Paulusma nog een interruptie gaat doen. Dat zou dan haar laatste
interruptie zijn. Ik zeg het maar even.
Mevrouw Paulusma (D66):
Daarom ga ik wat tegen de voorzitter zeggen, als dat mag.
De voorzitter:
En dat is?
Mevrouw Paulusma (D66):
Ik weet dat dit mijn laatste interruptie is. Daarom had ik net een inleidende vraag
gesteld toen ik begon over de screening bij dicht borstweefsel, namelijk over de deelname
aan bevolkingsonderzoeken in het algemeen. Ik hoop niet dat dat mijn laatste vraag
was, want ik had ’m net heel slim in een andere vraag gemanoeuvreerd.
De voorzitter:
Is uw vraag nu of uw vraag is beantwoord?
Staatssecretaris Tielen:
Mevrouw Paulusma zei volgens mij ergens in een interruptiedebat met een van de andere
leden ook dat ze nog een interruptie zou doen over de deelname aan bevolkingsonderzoeken,
dus vandaar dat ik ’m aan voelde komen. Mevrouw Paulusma verwees daarbij ook naar
de datahack bij Bevolkingsonderzoek Nederland van afgelopen zomer. Daar kunnen we
nog geen heel eensluidende conclusies over trekken. We hebben eerst gezien dat de
deelname wat lager werd. Vervolgens trok die weer een beetje bij, maar nog niet helemaal
tot op het niveau van een jaar geleden. Dat kunnen we echter ook niet helemaal zeggen,
omdat er gek genoeg door het jaar heen – ik ga nu echt in technische details zakken –
golfbewegingen zijn in deelname, terwijl het uitnodigingsbeleid redelijk rechtlijnig
is. Dat betekent dus dat we daar nu nog geen harde conclusies over kunnen trekken.
Dat kunnen we pas doen als de cijfers over heel 2025 bekend zijn. Weet wel dat we
er scherp op zijn, want zoals ik al zei toen het ging over het bevolkingsonderzoek
borstkanker, is ons allemaal er natuurlijk alles aan gelegen om de deelname zo hoog
mogelijk te krijgen of ieder geval niet af te laten buigen. Daar doen we dus ook ons
uiterste best voor, samen met Bevolkingsonderzoek Nederland.
De voorzitter:
Dan heeft mevrouw Maeijer nog een vraag.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Ik heb nog een andere vraag. Ik las in de brief namelijk ook dat het RIVM adviseert
om te komen tot een gefaseerde invoering van de MRI. Dat betekent dus dat niet alle
vrouwen gelijk een uitnodiging krijgen wanneer het aanbod start. De Staatssecretaris
geeft eigenlijk ook een aantal winstwaarschuwingen, in de zin van dat de kans, als
ik het zelf even parafraseer, vrij groot is dat er in beginsel een kleinere groep
zal zijn. Dan zitten we dus eigenlijk al met een termijn waar we nog even op moeten
wachten. De terugkoppeling, waar de collega's het net over hadden, laat ook nog op
zich wachten. Ook is er een gefaseerde instroom, waardoor dus eigenlijk een kleinere
groep dan je zou willen een uitnodiging krijgt. Kan de Staatssecretaris daar nog op
ingaan? In hoeverre kan ze de tijd die ze nodig heeft om dit allemaal te regelen,
gebruiken om dit gewoon goed regelen, zodat ook de hele groep meegepakt kan worden?
Staatssecretaris Tielen:
Het gaat natuurlijk over duizenden vrouwen. Alles wat ik in een paar regels op papier
zet, heeft vervolgens enorme consequenties voor heel veel locaties, professionals
en vrouwen. Dat betekent dus dat als we op dat moment de belofte doen dat iemand een
vervolgonderzoek krijgt, we die ook waar moeten kunnen maken. Dat betekent dat we
dat gewoon op moeten bouwen. Dat is dus niet voor iedereen van de eerste op de tweede
dag beschikbaar, want dan lopen we het risico dat we die hele belangrijke belofte
niet waar kunnen maken. Het tweede deel van de vraag van mevrouw Maeijer gaat over
het organiseren en voorbereiden. Dat is dus afhankelijk van de MRI-capaciteit die
we hebben en de protocollen die ervoor gemaakt worden, zodat, nogmaals, op het moment
dat het van start gaat en we tegen mensen zeggen dat ze een vervolg-MRI krijgen, die
er ook komt en er niet alsnog allerlei wachtlijsten zijn.
De voorzitter:
Dit is uw laatste interruptie, mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Heeft de Staatssecretaris nu enig beeld van welke groep vrouwen dan in beginsel zal
worden uitgenodigd op het moment dat die scan beschikbaar is?
Staatssecretaris Tielen:
Daar heb ik nu geen beeld van, maar die vraag heb ik uiteraard ook gesteld. Het RIVM
gaat dat ook op een rijtje zetten in de uitvoeringsvoorbereiding die het nu aan het
maken is.
Dan ben ik gekomen bij het volgende mapje. Daar zit één vraag in, over abortus voor
onverzekerden. Dat was een vraag van mevrouw Vliegenthart. Zij vroeg of het handig
is om de financiering voor abortuszorg voor onverzekerden op te lossen door die onder
te brengen bij CAK. Volgens mij zei mevrouw Vliegenthart dat er mensen zijn die al
heel lang in Nederland wonen of werken, niet verzekerd zijn en dan dus geen abortus
vergoed krijgen. Dat klopt niet helemaal. Als iemand in Nederland woont of werkt,
is die persoon namelijk meestal verzekerd volgens de Wlz, de Wet langdurige zorg.
Voor die mensen is abortus kosteloos. Daarnaast hebben we een aantal aparte zorgregelingen
waar abortuszorg ook onder valt. Die zijn met name voor asielzoekers en Oekraïense
ontheemden. Mevrouw Vliegenthart verwees daar volgens mij ook al naar. Voor ongedocumenteerden
is er inderdaad geen financiële regeling. Specifiek de CAK-regelingen zijn daar geen
oplossing voor. Die zijn namelijk gekoppeld aan het basispakket van de Zorgverzekeringswet.
Abortus is daar geen onderdeel van, dus die bieden geen oplossing. Dan zou je een
heel grote stelselwijziging moeten doen, en dat was ik niet voornemens.
De voorzitter:
Mevrouw Vliegenthart, uw laatste interruptie.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik ben eigenlijk blij dat de Staatssecretaris begint over wonen en werken in Nederland.
Ik heb inderdaad eerder gehoord dat vrouwen die wonen en werken in Nederland allemaal
toegang hebben tot abortus. Maar ik heb in al die jaren dat ik bij Dokters van de
Wereld als verloskundige heb gewerkt, en in al die jaren dat ik me keihard aan het
inzetten ben voor die toegang in Nederland, gezien dat het vrouwen betreft die wel
wonen en werken in Nederland. Het zijn internationale studenten die hier studeren,
onvoldoende werken en daardoor niet volledig in aanmerking komen voor die Wlz-regeling.
Het zijn ook ongedocumenteerde vrouwen die heel veel werken in Nederland. Zij doen
dat weliswaar niet volgens de officiële richtlijnen, maar zij draaien wel mee in onze
economie. Dat zijn mensen die oppassen, schoonmaken en een heel groot deel aan onze
maatschappij toevoegen. Het zijn ook arbeidsmigranten die in Nederland zijn en zich
niet helemaal goed hebben ingeschreven, en daardoor niet in aanmerking komen. U zei
over de CAK-regeling dat die alleen voor het basispakket is, maar die is er ook voor
de Wlz. Die zorg kan ook voor ongedocumenteerden uit de Wlz gehaald worden. Wat ik
zie, is dat we eigenlijk al jaren heen en weer aan het gaan zijn met vragen als: wie
gaat dit betalen, wie gaat dit doen? Voor Oekraïense vrouwen is het ook in de CAK-regeling
geregeld.
De voorzitter:
Wat is uw vraag?
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Ik zou dus toch nogmaals willen vragen wat de Staatssecretaris hieraan zou willen
doen. We hebben nu namelijk gewoon allerlei onveilige abortussen in Nederland. Die
moeten we toch willen voorkomen?
Staatssecretaris Tielen:
We hebben het hier echt best wel vaak over gehad. Ik zeg het nogmaals: de oplossing
zoals mevrouw Vliegenthart die voorstelt, is wat mij betreft gewoon geen oplossing.
Ik snap de oproep van mevrouw Vliegenthart wel, al helemaal omdat ze er zelf natuurlijk
mee te maken heeft. Dan voel je het toch altijd wat meer. Wat nu in de praktijk wel
gebeurt, is dat sommige klinieken lagere tarieven vragen. Ze kunnen soms ook geld
besteden uit hun eigen financiële buffers. Daar hebben we het ook eerder over gehad.
Het voert nu echt te ver om daar een aparte regeling voor op te zetten, juist omdat
we al zo veel regelingen rondom abortus hebben.
De voorzitter:
De laatste interruptie van mevrouw Paulusma.
Mevrouw Paulusma (D66):
Ja, voorzitter, ik weet dat dit mijn laatste interruptie is. In dit blokje abortuszorg
is het wat mijn fractie betreft ook belangrijk dat vrouwen de abortuspil bij de huisarts
kunnen krijgen. Daar hebben we ook samen met de partij van deze Staatssecretaris om
gestreden in de vorige periode of die daarvoor. Maar nu las ik een aantal weken geleden
dat nog maar 3,5% van de Nederlandse huisartsen de verplichte onlinetraining heeft
gevolgd om de abortuspil ook te kunnen verstrekken. Vrouwengezondheid gaat wat mij
betreft ook over toegang tot dit soort zorg. Ik ben heel benieuwd hoe de Staatssecretaris
hiernaar kijkt, maar vooral wat ze hieraan gaat doen.
Staatssecretaris Tielen:
Hoe ik daarnaar kijk, is een goede vraag. Ik vind het lastig om een conclusie te verbinden
aan de cijfers die ik heb gezien, omdat we pas relatief kort bezig zijn, om het zo
maar te zeggen. Huisartsen hebben met heel veel onderwerpen te maken. De vraag of
er iets achter zit waar we iets mee willen, kan ik nu nog niet beantwoorden, maar
ik ben daar wel nieuwsgierig naar. Ik denk dat we daar later dit jaar wat duiding
over moeten kunnen geven, maar nu vind ik het lastig om daar een oordeel over te vellen.
Ik zie dat mevrouw Paulusma iets naar mij gebaart, maar ik weet niet wat ze bedoelt.
Mevrouw Paulusma (D66):
Nou, «later dit jaar» is een beetje een breed concept.
Staatssecretaris Tielen:
Ergens rond de zomer van dit kalenderjaar. Is dat wat?
De voorzitter:
Dat komt dan in een brief?
Staatssecretaris Tielen:
Ja. Over de vraag of ik, of mijn opvolger, dit ergens bijvoeg of dit apart stuur,
wil ik nu niets zeggen, maar er komt op schrift een invulling van de nieuwsgierigheid
die mevrouw Paulusma en ik hebben over wat deze cijfers betekenen.
De voorzitter:
Oké, duidelijk. Gaat u door.
Staatssecretaris Tielen:
Dan heb ik een rondje met overige vragen.
Ik heb onder andere een vraag van mevrouw Van Brenk. Zij vroeg in hoeverre zorgverzekeraars
passende zorg leveren, terwijl in de strategie staat dat ze nog niet helemaal zijn
aangesloten. Ik vond dat een hele scherpe vraag. Overigens zag ik dat passende zorg
en vrouwengezondheid in het regeerakkoord aan elkaar gekoppeld worden, dus volgens
mij is de intentie er. Zoals ik al zei zijn VGZ, Salland en een aantal andere verzekeraars
nadrukkelijk betrokken bij het proces dat we nu doorlopen. Zij hebben zich ook gecommitteerd
aan de volgende stappen. Ik denk dat we daarmee zien dat zorgverzekeraars dit zelf
ook inzien en daar actie op ondernemen.
Dan een vraag van de SP over de poli voor vrouwspecifieke aandoeningen van Amsterdam
UMC. Daar hebben we het eigenlijk al over gehad. Ik zie dat ook andere werkgevers,
met name zorgwerkgevers, hier zelf mee aan de slag gaan om op een redelijk makkelijke,
actiegerichte manier invulling te geven aan goed werkgeverschap ten aanzien van vrouwengezondheid.
Mevrouw Van Brenk vroeg ook naar het Netherlands Women's Health Research & Innovation
Center. Ik moet even lachen, want ik heb een heel leuk T-shirt gekregen van mevrouw
Roeters van Lennep met de tekst «girls just wanna have funding». Daar moest ik even
aan denken. Dat is een heel goed initiatief waarbij kennis bij elkaar wordt gebracht
om aandacht, aandacht en aandacht te geven aan ontwikkeling van kennis en bewustwording
van die verschillen. Ook binnen het ZonMw-programma wordt ingezet op landelijke multidisciplinaire
samenwerkingsverbanden zoals deze, waarbij partijen bij elkaar komen. Ik zag dat mevrouw
Roeters van Lennep al heel actief het land doorging om medestanders hiervoor te vinden.
De vraag van meneer Claassen over de sekse- en genderaspecten heb ik eigenlijk al
beantwoord. Daar wou ik het bij laten.
Het CDA vroeg naar migraine. We hebben het gehad over alzheimer en een aantal mentale
gezondheidsproblematieken. Ik denk hierbij ook aan migraine en postacute infectiesyndromen,
PAIS-achtige klachten. De vraag waar we mee moeten beginnen of wie waarmee wil beginnen,
moet, denk ik, onderdeel zijn van de werkagenda. Misschien zijn er een aantal convenantpartners
die zich daar heel specifiek op willen richten. Migraine is zeker een klacht die ik
herken. Vorige week heeft de Hoofdpijn Alliantie daar ook specifiek aandacht voor
gevraagd.
Het CDA vroeg ook naar de vergoeding voor Emgality.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk, dit is uw laatste interruptie.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Over PAIS heb ik gevraagd of er nog iets specifieks kan worden meegenomen bij de expertisecentra
ten aanzien van vrouwen en PAIS. Daar heb ik nog geen antwoord op gekregen.
Staatssecretaris Tielen:
Nee, maar dat is een goede vraag. De Minister heeft natuurlijk vorige week het debat
over PAIS gedaan. Ik ben zeker bereid om met de Minister te kijken of we het met aandacht
met hen kunnen hebben over wat ze daar nu al aan doen en of ze daar vanuit de Werkagenda
Vrouwengezondheid een rol in kunnen en willen spelen. Daar durf ik niks over te zeggen,
maar dat neem ik met de Minister op als mevrouw Van Brenk dat oké vindt. Ook als ze
het niet oké vindt, neem ik het gewoon met de Minister op.
Meneer Krul vroeg naar Emgality. Ik snap die vraag heel goed. Het is tegelijkertijd
heel ingewikkeld. De Minister van VWS onderhandelt met de farmaceuten over de prijs
van geneesmiddelen die impact hebben op het totale zorgbudget. De constatering is
dat de leverancier van Emgality en de Minister van VWS geen akkoord hebben kunnen
bereiken over de financiële voorwaarden. Dat betekent dat de vergoedingsvoorwaarden
voor Emgality niet worden uitgebreid en Emgality vooralsnog niet wordt vergoed voor
preventie van episodische migraine. Het wordt wel vergoed voor chronische migraine,
maar volgens mij benoemde meneer Krul dat zelf ook. De vergoedingsvoorwaarden voor
die andere CGRP-remmer – ik weet niet hoe je dat uitspreekt – worden wél uitgebreid.
Dat is onderdeel van de onderhandelingen zoals we die gewoon zijn tussen de Minister
en de farmaceuten.
De vraag van mevrouw Van Brenk over dementie heb ik volgens mij al meegenomen. Het
interessante bij dementie, even los van het fysieke, is dat vrouwen vaak ook nog degenen
zijn die voor andere dementiepatiënten zorgen. Dat is eigenlijk een ander vraagstuk, maar dat zouden we eventueel
mee kunnen nemen in dat deel van de werkagenda.
Dan een vraag van meneer Bevers over PTSS en de aanpak van geweld in afhankelijkheidsrelaties.
Daar is veel aandacht en prioriteit voor vanuit het kabinet. Daarvoor werken we samen
met andere ministeries, onder andere met Justitie en Veiligheid, Onderwijs en Sociale
Zaken. Meneer Bevers weet waarschijnlijk ook wel dat we bezig zijn met de werving
van een nationaal coördinator voor de aanpak van geweld tegen vrouwen en huiselijk
geweld, om te zorgen dat de samenhang tussen die verschillende beleidsterreinen daadwerkelijk
actief kan worden ingezet. PTSS zelf is typisch zoiets waarbij er waarschijnlijk best
grote verschillen zijn tussen mannen en vrouwen. Daar was een paar weken geleden een
documentaire over. Heel veel fundamenteel onderzoek wordt alleen nog gedaan op bijvoorbeeld
mannetjesratten. Ook daarvoor geldt: moeten we dan heel veel extra dingen gaan doen
of moeten we vooral en-en gaan regelen? Nou, dat lijkt me hiervoor typisch een actiepunt.
Meneer Krul had een vraag over de schone-lei-regeling. Dat is een regeling om mensen
die genezen zijn van kanker, minder effecten te laten ervaren van de invloed van hun
ziekte op bijvoorbeeld verzekeringen. Zoals meneer Krul al zei, is borstkanker per
1 januari vorig jaar, dus 2025, opgenomen in de regeling met verkorte termijnen. Die
termijnen worden eens in de zoveel tijd geëvalueerd op basis van medische inzichten.
Ik kan nu niet zeggen of dat wel of niet kan gaan gebeuren op basis van die inzichten.
In ieder geval wordt het over een tijd weer geëvalueerd. De aanbevelingen die het
Nederlands Kanker Collectief heeft gedaan, zijn betrokken bij de doorontwikkeling
van de regeling en zijn onderdeel van de uitbreiding per 2025.
De laatste vraag die ik hier in mijn mapje heb – ik hoop dat ik dan compleet ben –
is die van mevrouw Maeijer over de cijfers omtrent werkverzuim. Daar heb ik eigenlijk
ook al iets over gezegd. Het Ministerie van Sociale Zaken is betrokken bij de uitwerking
van de Werkagenda Vrouwengezondheid, onder andere wat betreft de richtlijn die bedrijfsartsen
hebben gemaakt rondom werk en de overgang. We kwamen er eerder al op dat er gemiddeld
gezien inderdaad een groot verschil in ziekteverzuim is tussen mannen en vrouwen.
Daar hebben dus ook werkgevers echt een rol in. Sociale Zaken kan daaraan bijdragen
en doet dat ook al.
Voorzitter. Ik denk dat ik daarmee bijna alle vragen heb beantwoord.
De voorzitter:
Bijna? Ja, u heeft nog iets voor de tweede termijn. Kan dat nu al of zullen we dat
echt in de tweede termijn doen? Wat vindt u fijn?
Staatssecretaris Tielen:
Het is wel handig om het in de tweede termijn te doen. Dan kan ik eventueel ook nog
andere aanvullende vragen meenemen.
De voorzitter:
Akkoord. Dan zijn we aan het einde gekomen van de beantwoording van het kabinet.
We gaan gelijk door. U krijgt ongeveer een derde van de spreektijd, 1 minuut en 20
seconden. Mevrouw Vliegenthart, uw tweede termijn.
Mevrouw Vliegenthart (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Het is fijn om te merken dat iedereen hier in ieder geval het belang
van vrouwengezondheid inziet. Laat ik nogmaals benadrukken hoe belangrijk het is dat
deze strategie en de werkagenda er straks zijn voor alle vrouwen, ook voor vrouwen
van kleur, queer vrouwen en vrouwen met een laag inkomen. Hoewel we het vanavond over
veel eens zijn, is er ook nog heel veel onduidelijk en gaven de antwoorden van de
Staatssecretaris helaas niet heel veel meer vertrouwen dan waar ik de avond mee startte.
Dat neemt niet weg dat ik blij ben met de aandacht en inzet van de Staatssecretaris.
Ik wil nog wel één ding toevoegen. Het is er al meerdere keren over gegaan vanavond:
de best practice van het Amsterdam UMC-spreekuur. Dat spreekuur is gestart omdat het
huidige zorgsysteem faalt. Juist die best practice laat dus zien dat er een structurele
verandering nodig is, een verandering waar niet alleen het zorgveld, zorgverzekeraars
en organisaties voor verantwoordelijk zijn, maar waar ook VWS een verantwoordelijkheid
voor heeft. Daarom wil ik heel graag een tweeminutendebat Vrouwengezondheid aanvragen,
om ervoor te zorgen dat we vrouwengezondheid echt gaan verbeteren.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een tweeminutendebat aangevraagd; dat noteren we. De volgende
spreker is mevrouw Dobbe.
Mevrouw Dobbe (SP):
Dank u wel. Dank voor dit debat, allen. Vrouwen die meedoen aan bevolkingsonderzoek
en niet weten of zij dicht borstklierweefsel hebben, moeten we dat gewoon vertellen.
Daar ben ik een hartgrondig voorstander van. Elke motie die hierover wordt ingediend
– ik vermoed dat die gaan komen – zullen wij zeker steunen, want ik vind het echt
op geen enkele wijze tonen dat je vrouwen serieus neemt door iets wel te weten en
het ze niet te zeggen, terwijl ze het wel willen weten. Dat moeten we gewoon vertellen.
Dit kan wat ons betreft echt niet zo doorgaan.
Dan over de borstenbus. Die verdwijnt op sommige plekken. Daar hebben we het over
gehad. Die bus verdwijnt uit Zutphen, Rijswijk en andere plekken in Nederland. Er
wordt gezegd: misschien moeten we kijken naar creatieve oplossingen. Maar die creatieve
oplossingen zijn er niet. Er wordt gezegd: misschien moeten we kijken naar AI. Maar
een AI-oplossing is er nog niet. Er wordt gezegd: we moeten kijken naar een oplossing
voor het personeelstekort. Maar die is er niet. Vervolgens verdwijnt de borstenbus
echter wel uit Zutphen en andere plekken. Daar zijn vrouwen de dupe van. Wij willen
echt van deze Staatssecretaris horen dat ze ervoor zorgt dat die borstenbus nog steeds
zal komen op alle plekken waar die kwam, en dat er niet nog meer plekken verdwijnen.
Die vrouwen hebben de bus gewoon nodig.
Tot slot, want ik ben natuurlijk over mijn tijd heen. Excuses daarvoor. Er is gewoon
budget nodig. Als je een Nationale Strategie Vrouwengezondheid wil, als je dat echt
serieus wil doen, als je extra dingen wil doen – je moet extra doen, want je kan niet
alles binnen de bestaande maatregelen doen – is daar gewoon budget voor nodig.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Claassen.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Dank, voorzitter. Ik heb afgelopen tweeënhalf jaar geleerd dat het goed is om met
een puntenplan te komen. Ik had een driepuntenplan. Het eerste punt was snellere en
betere diagnostiek, met harde normen voor wachttijden, doorlooptijden, regionale transparantie,
seksespecifieke richtlijnen, de snelle inbedding van AI en digitale beslisondersteuning,
niet als pilot maar als standaard. Ik heb het standpunt van de Staatssecretaris daarover
nog niet gehoord. Misschien kan dat nog in de tweede termijn.
We hebben wel gesproken over het tweede punt: gerichte investeringen in de diagnostiek.
Dat was goed.
Het derde punt ging over de juiste prioriteiten. Over een onderdeel daarvan wil ik
nog iets vragen aan de Minister. Die prioriteiten en dat plan van aanpak ... Eigenlijk
is het een toezegging dat daarnaar gekeken wordt. De vraag is of daar ook niet specifiek
bij zou moeten dat het biologisch geslacht leidend moet zijn voor onderzoeken en richtlijnen
als dat medisch relevant is. Daar wil ik graag een zienswijze op van de Staatssecretaris.
Ik waardeer de Staatssecretaris omdat ik heb gezien dat zij zich hier heel erg hard
voor heeft gemaakt toen ze aan deze kant zat en ze het niet heeft nagelaten om dat
als Staatssecretaris aan de andere kant van de tafel door te zetten. Dank daarvoor.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Paulusma.
Mevrouw Paulusma (D66):
Dank, voorzitter. Ik begin positief. Ik ben blij met de toezeggingen als het gaat
om inclusieve zorg en de toegang tot de abortuspil. Ik kijk ook uit naar de toegezegde
vervolgaanpak met de financiële paragraaf die daarbij hoort. Ik kijk ook uit naar
de samenwerking met deze commissie als het gaat om vrouwengezondheid. Er is één ding
waar ik last van heb. De Staatssecretaris zal daar niet verrast over zijn. Een van
de grootste problemen als het gaat om vrouwengezondheid, is dat wij niet serieus worden
genomen. Als de Staatssecretaris blijft volharden dat vrouwen niet geïnformeerd hoeven
te worden, kijk ik niet alleen uit naar de samenwerking met deze commissie, maar ook
naar de motie die we daarover gaan indienen. Het begint bij het serieus nemen van
vrouwen. Daar kan de Staatssecretaris met deze Kamer een hele grote stap in zetten.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. De volgende spreker is de heer Krul.
De heer Krul (CDA):
Voorzitter. Ik dank ook de Staatssecretaris voor de beantwoording. Heel veel van onze
vragen zijn naar tevredenheid beantwoord, maar dit is wel het punt waarop ik de beantwoording
wat zwak vond. Daar ben ik gewoon heel eerlijk in. De Staatssecretaris zegt: wij vinden
dat je, als je het vertelt, ook een vervolgstap moet kunnen aanbieden. Ik wil oprecht
op zoek gaan naar waarom dat zo is, want je «ontneemt» – dat is een woord dat een
CDA'er misschien niet snel in de mond neemt – toch een vorm van zelfbeschikking. Ik
kan voor € 300 – ik vind overigens dat dit zo snel mogelijk vergoed moet worden –
volgende maand een particuliere MRI laten doen. Als ik weet dat ik vier keer meer
kans heb op borstkanker, zou ik dat ervoor over hebben. Je ontneemt mensen die kans
op het moment dat je het niet vertelt. Ik begrijp dat daarvoor een protocol aangepast
moet worden. Ik begrijp dat daar nu niks over wordt vermeld bij de uitslag van een
mammografie, maar ik vind dat we dat wel moeten doen. Dat we dan pas in 2030 daadwerkelijk
de zorg kunnen leveren, vind ik vervelend, maar als het niet anders is, is het niet
anders. Je geeft vrouwen dan tenminste wel de kans om te zeggen ... Ook in Nederland
kan je zonder verwijzing naar een particuliere MRI-kliniek, maar dat is een stukje
duurder. In België is het alweer een stuk goedkoper. Dat het moet, vind ik erg, maar
dan geef je ze in ieder geval de kans. Ik wil de Staatssecretaris dus nog één keer
vragen om dit te heroverwegen en hierin toch een stukje mee te bewegen met de Kamer.
De voorzitter:
Mevrouw Van Brenk.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
Voorzitter. Ik ga natuurlijk door op hetzelfde punt. Borstkankervereniging Nederland
zegt: laten we ons hiervoor hardmaken. Als onnodige MRI's, zoals veel onderzoeken
van de lage rug, worden afgebouwd, komt er ruimte vrij bij vrouwen voor wie de nood
hoog is. Ze zeggen ook dat alle apparaten binnen het bevolkingsonderzoek dicht borstweefsel
kunnen meten. Zij roepen ook op: laat vrouwen niet in het ongewisse. Die vraag stel
ik ook aan de Staatssecretaris. Ik vind echt dat vrouwen dat moeten weten. Ik wil
de Staatssecretaris bedanken voor haar betrokkenheid en haar heel veel succes wensen
op de andere portefeuille. Ik hoop van harte dat haar motie over ouderenconsultatiebureaus
wordt aangenomen en uitgevoerd.
De voorzitter:
Dank u wel. De heer Bevers.
De heer Bevers (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Dank voor de beantwoording van de vragen, ook de vragen die
ik specifiek heb gesteld. Ik wacht nog even op het antwoord over de MRI's, maar ook
ik blijf daar een onprettig gevoel over houden. Ik hoor graag de reactie van de Staatssecretaris.
Ten slotte. Dit is het laatste debat op het VWS-domein van deze Staatssecretaris.
We hebben – dat weten de meesten van u – in de fractie lang samen het woord gevoerd
op dat domein. Ik vind het dus heel vreemd dat ze naar iets anders toe gaat dan ons
VWS. Ik wens haar daar wel heel veel succes. Heel veel dank voor alles wat we hier
samen hebben gedaan, zowel aan deze kant als aan die kant van de tafel.
Dank.
De voorzitter:
Mevrouw Maeijer.
Mevrouw Maeijer (PVV):
Voorzitter, dank u wel. Ook mijn dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording
vandaag en haar inzet in de afgelopen maanden. Ik wens haar heel veel succes in haar
nieuwe functie.
Ik denk dat het goed is dat vrouwengezondheid hoog op de agenda staat. Ik kijk ook
uit naar de uitwerking van de agenda, die we voor de zomer zullen zien. Ik hoop oprecht
op zo concreet mogelijke acties die resultaat gaan opleveren, met duidelijke doelen
en desnoods tussendoelen, zodat echt helder is waar dit toe moet leiden en wanneer.
Een van mijn vragen is blijven liggen in de eerste termijn, namelijk de volgende.
Zorgbreed hoor je wel dat mensen, in dit geval vrouwen en meisjes, niet weten waar
ze terecht moeten als ze een zorgvraag of een andere vraag hebben. Ze weten niet wat
de mogelijkheden nu al zijn. Ik vroeg mij af of de Staatssecretaris daar op dit moment
al kansen voor ziet, of dat ze het eventueel mee kan nemen als onderdeel van de werkagenda.
Ik wacht ook de antwoorden ten aanzien van de MRI-scan af. Ik zou daar het volgende
aan toe willen voegen. Wat is er exact voor nodig om dat protocol nu zo te wijzigen
dat dat gewoon kan? Ik hoor veel bezwaren, maar waar zit dat ’m in?
De voorzitter:
Dank u wel. We zijn aan het einde gekomen van de tweede termijn van de zijde van de
Kamer. In overleg met de Staatssecretaris is besloten om kort te schorsen. Na een
korte schorsing van vijf minuten gaan we door naar de beantwoording in tweede termijn.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We zijn aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van
het kabinet. Ik geef het woord aan de Staatssecretaris voor haar tweede termijn.
Staatssecretaris Tielen:
Voorzitter. Ik begin maar gelijk met de zure appel, want dan kan ik misschien een
beetje vrolijk eindigen. Die zure appel – ik kwam er straks al op – is mij namelijk
even zuur. Het gaat namelijk over het terugkoppelen van de borstdensiteit. Ik wil
even heel duidelijk zeggen dat het niet gaat over het wel of niet serieus nemen van
vrouwen. Ik snap waar het vandaan komt, maar ik wil daar echt afstand van nemen. Het
serieus nemen van vrouwen is juist de hele portee van de strategie, de aandacht enzovoort
enzovoort. Sterker nog, het serieus nemen van vrouwen speelt ook een rol in de andere
beslissing dan enkele van uw Kamerleden liever zouden willen. Ik maak even een uitstapje
naar een andere vorm van bevolkingsonderzoek om dan nog een keer een aantal mogelijke
consequenties te benoemen van het toch anders doen. Denk bijvoorbeeld aan darmkankeronderzoek.
Vergeleken met borstkankeronderzoek is dat een relatief makkelijk onderzoek, waarbij
wordt gekeken of er een aanwijzing is dat er een risico is op kanker en, als dat zo
is, aanvullend onderzoek wordt aangeboden, namelijk endoscopisch onderzoek. Dat is
ook geen pretje. Dat is ja of nee. Is er een signaal, ja of nee? Er wordt aan mensen
die deelnemen aan het onderzoek niet teruggekoppeld: we hebben die en die waarden
gevonden en dat is net onder of net boven de afkapwaarde op basis waarvan we wetenschappelijk
gezien die risico-inschatting maken. Het is ja of nee. Dat is wat we nu met borstkanker
ook doen: ja of nee; we zien het wel of niet.
De stelling dat alle «mammografen» ... Is dat een woord? Over de stelling dat alle
mammografieapparatuur dat kan, zeg ik: in theorie. Er wordt nog niet gemeten. Het
is dus niet zo dat we het nu wel weten, maar niet delen. We meten het niet. We weten
het niet. Op het moment dat er vervolgonderzoek mogelijk is, kunnen we dat wel gaan
regelen. Ik hecht gewoon heel veel waarde aan de vraag: wat betekent het? Dus wat
betekent het als we de informatie zouden geven: u heeft wel of niet zeer dicht borstweefsel?
Meneer Krul zei het, denk ik, heel goed: als ik dat was, zou ik een extra MRI gaan
aanvragen. Dat snap ik heel goed, want op zichzelf ben je niet ineens ziek verklaard,
maar zeker gezien alle discussies die we hier en in de media daarover zien, zou je
dat gevoel wel kunnen hebben en dan ga je dus aanvullend onderzoek betalen, als je
daar tenminste geld voor hebt. Ik vind oprecht dat als wij als overheid een dergelijke
beslissing nemen, het dan ook voor iedereen – het woord «toegang» is vandaag al vaak
genoemd – toegankelijk zou moeten zijn en niet alleen voor de mondige vrouwen, niet
alleen voor de vrouwen die daar geld voor hebben of daar «geld voor over hebben».
Ik hoorde meneer Krul dat heel duidelijk ook zo zeggen. Ik vind het gewoon niet verantwoord
die beslissing anders te nemen; ik vind dat ook niet het serieus nemen van vrouwen.
Nogmaals, ik vind dit echt een duivels dilemma. U hoort dat ook aan mij. Maar ik vind
het wel belangrijk om er op die manier naar te kijken. Ik wil dus ook dat we zo snel
mogelijk MRI-onderzoek kunnen aanbieden, als we het ook meten, aan iedereen die dat
kan hebben en kan krijgen om de kwaliteit van het bevolkingsonderzoek borstkanker
ook naar een zo hoog mogelijk niveau te krijgen.
Ik kan er nog veel meer over zeggen, maar dit is mijn antwoord daarop.
De voorzitter:
Is er nog een prangende vraag? Ik ga namelijk niet weer een hele discussie heropenen.
Heel kort dan.
De heer Claassen (Groep Markuszower):
Ik wil toch een motie indienen. Ik was even aan het denken vanuit informed consent.
Als een vrouw na een mammografie vraagt of zij een hoge densiteit heeft, wat wordt
dan het antwoord van degene die dat onderzoek gedaan heeft?
Staatssecretaris Tielen:
Dan is het antwoord: dat hebben we niet gemeten. Meneer Claassen heeft vast weleens ...
Ik heb weleens een middag meegelopen. Overigens wordt er veel geïnvesteerd in opleiding
van zorgprofessionals om het ze te kunnen laten doen. Ik heb ook weleens meegekeken.
Je ziet wel wat op een scherm, maar je kunt het niet meten puur op basis van naar
een scherm kijken. Daar is echt software voor nodig en die is nu niet geïnstalleerd
voor het bevolkingsonderzoek borstkanker.
De voorzitter:
Gaat u door. O, de heer Krul.
De heer Krul (CDA):
Ik ga geen vraag formuleren, maar meer een soort verzoek. Ik denk namelijk dat we
hier vaker over gaan praten, in elk geval in het tweeminutendebat. Ik wil echt vragen
of de Staatssecretaris of haar opvolger dan ook alvast kan kijken naar de Verenigde
Staten en dan niet naar de huidige administratie, maar naar die daarvoor. De regering-Biden
heeft in 2023 een dense breast notification act ingevoerd. Dat is federale wetgeving
die zegt: vrouwen hebben het recht om dit te weten. In Amerika wordt een MRI ook niet
vergoed. Via een federale wet is daar vanuit ethische overwegingen besloten om federaal
te bepalen dat staten niet langer vrouwen deze informatie mogen onthouden en daar
is een reden voor. Ik zou de Staatssecretaris willen vragen of ze dat in elk geval
mee wil nemen richting het tweeminutendebat.
Staatssecretaris Tielen:
Het is fijn dat de heer Krul dit niet als een vraag verwoordde, want dit had ik niet
zo voor bril en dan had ik daar nu geen antwoord op kunnen geven. Maar natuurlijk.
Laat me dit dan toch aangrijpen om ook nog eens te zeggen dat dit echt iets is wat
we met heel veel verschillende insteken opnieuw hebben bekeken en gewogen en daar
oplossingen voor hebben gezocht. Ik neem graag de oude Amerikaanse, zeg ik subtiel,
kennis daarover mee.
Dan een aantal, denk ik, iets lichtere onderwerpen. Er was een vraag van mevrouw Van
Brenk over de betrokkenheid van Ava bij de strategie en de werkagenda. Zij zijn nog
niet betrokken geweest, de Patiëntenfederatie wel, die alle betrokken organisatie
uiteraard vertegenwoordigt, en een aantal organisaties die zich zelf hebben gemeld.
Dus als zij mee willen doen, zijn ze van harte welkom. Graag.
De heer Claassen vroeg nog specifiek naar zijn puntenplan. Ik neem zijn ideeën rond
dat puntenplan uiteraard mee in het compact en concreet maken van een werkagenda.
Dat zijn altijd goede tips. Specifiek vroeg de heer Claassen volgens mij wat ik vind
van snellere en betere diagnostiek met harde normen. Ik denk dat diagnostiek en verbetering
daarvan een belangrijk element is in de hele strategie en de werkagenda, juist omdat
daar – uw Kamer heeft een aantal voorbeelden gegeven – gewoon echt nog veel aan schort
en vrouwen heel lang met onbegrepen klachten weer naar huis worden gestuurd en niet
serieus worden genomen.
Mevrouw Dobbe had een vraag over de bus. Ik heb daar eigenlijk al heel veel over gezegd.
Dan hebben we het over de bus van het bevolkingsonderzoek borstkanker. Ik vind gewoon
echt niet dat ik mij moet mengen in de routes die door Bevolkingsonderzoek Nederland
worden samengesteld op basis van – ik zeg het toch nog maar een keertje – hoge kwaliteit,
hoge bereikbaarheid en zo maximaal mogelijke toegang en effectieve inzet, dus zo optimaal
mogelijk gebruik van alle capaciteit. Dat doen zij heel erg goed. Volgens mij is er
een set schriftelijke vragen over gesteld. Zijn die van mevrouw Dobbe? Ongetwijfeld,
zegt ze. Als mevrouw Dobbe de antwoorden op die vragen niet voldoende vindt, vind
ik het prima om überhaupt als het gaat om bevolkingsonderzoek rond de zomer nog eens
wat nader in te gaan op wat de achtergrond daarvan is. Want nogmaals, volgens mij
willen wij allemaal hetzelfde: maximale toegang tot bevolkingsonderzoek en ook zorgen
dat iedereen daar zo veel mogelijk aan deelneemt. Dus die cijfers horen omhoog te
gaan.
De voorzitter:
Is dat laatste een toezegging of een wens?
Staatssecretaris Tielen:
Als u dat als een toezegging wil formuleren, dan mag dat.
De voorzitter:
Even voor de duidelijkheid.
Mevrouw Dobbe (SP):
Ik ben meer tevreden met een toezegging dat deze Staatssecretaris zich gaat inzetten
voor het behoud van de borstenbus waar die was.
De voorzitter:
Oké. Ik denk dat we daar in het tweeminutendebat nog op doorgaan, dus ik laat het
even zo.
Ik dank de Staatssecretaris voor de beantwoording in tweede termijn. Daarmee zijn
we aan het einde gekomen van dit commissiedebat Vrouwengezondheid. Ik dank alle Kamerleden,
de ondersteuning, de bewindspersoon, alle aanwezigen en iedereen die via het scherm
heeft meegekeken.
Ik heb enkele toezeggingen genoteerd.
– De Staatssecretaris zegt de commissie toe om de door de heer Claassen genoemde elementen
op te nemen in de werkagenda die wij voor de zomer krijgen.
Klopt dat, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Tielen:
Voor de zomer heb ik inderdaad gezegd. De zomer hier in dit huis kan inderdaad het
zomerreces zijn.
De voorzitter:
Voor het zomerreces, dat is iets duidelijker. Dat is een. Twee.
– De Staatssecretaris zegt toe rond de zomer een brief aan de Kamer te doen toekomen
waarin zij probeert duiding te geven aan de cijfers rondom de deelname aan de verplichte
cursussen voor het voorschrijven van de abortuspil.
Dat zijn de twee punten die ik genoteerd heb als toezegging. Mevrouw Van Brenk nog.
Mevrouw Van Brenk (50PLUS):
De Staatssecretaris zou ook nog met de Minister kortsluiten over de PAIS en het onderzoek
bij de expertisecentra.
De voorzitter:
Ja, dat kan. Dat is een toezegging.
Staatssecretaris Tielen:
Daar ga ik geen acht kantjes over schrijven, maar ik snap best dat u even wil horen
wat we daarvan vinden.
De voorzitter:
Komt daar een brief over voor het zomerreces?
Staatssecretaris Tielen:
Is het goed als we dat meenemen in de werkagenda, dus dat we er daarin expliciet een
paar regels aan wijden?
De voorzitter:
Ik zie dat mevrouw Van Brenk daarmee instemt. Dan voegen we dat toe aan de eerste
toezegging. Dank.
Er is een tweeminutendebat aangevraagd door mevrouw Vliegenthart, met haar als eerste
spreker. Dat verzoek geleiden we door. Het is vrijwel zeker dat dat met een nieuwe
bewindspersoon gaat zijn. Dan weet u dat ook gelijk.
Ik wil ook nog, ik denk namens de commissie, deze Staatssecretaris enorm bedanken
voor haar inzet. Ik mocht dat ook al doen als woordvoerder Sport afgelopen maandag.
Afgelopen maandag klinkt heel lang geleden, maar dat was gisteren. Nogmaals dank en
ook succes in uw nieuwe rol. Dat is ook een mooie portefeuille, dus dat gaat helemaal
goed komen.
Heel veel dank. Ik ga de vergadering sluiten voor nu.
Staatssecretaris Tielen:
Dank u wel allemaal voor de plezierige samenwerking. En wordt vervolgd, zou ik zeggen.
Sluiting 21.20 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
M. Mohandis, voorzitter van de vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport -
Mede ondertekenaar
M.E. Esmeijer, griffier