Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 15 januari 2026, over Begrotingsonderzoek Infrastructuur en Waterstaat
36 800 XII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (XII) voor het jaar 2026
36 800
A
Vaststelling van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor het jaar 2026
Nr. 31
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 18 februari 2026
De vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat heeft op 15 januari 2026 overleg
gevoerd met de heer Aartsen, Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer
Tieman, Minister van Infrastructuur en Waterstaat, over:
− het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Infrastructuur
en Waterstaat (XII) voor het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 XII);
− het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaat van het Mobiliteitsfonds voor
het jaar 2026 (Kamerstuk 36 800 A).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Peter de Groot
De griffier van de commissie, Schukkink
Voorzitter: Huidekooper
Griffier: Schukkink
Aanwezig zijn zeven leden der Kamer, te weten: Van Asten, Boelsma-Hoekstra, Van Duijvenvoorde,
Heutink, De Hoop, Huidekooper en Schutz,
en de heer Aartsen, Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Tieman,
Minister van Infrastructuur en Waterstaat.
Aanvang 16.47 uur.
De voorzitter:
Goedenavond aan eenieder. Welkom bij dit wetgevingsoverleg Begrotingsonderzoek Infrastructuur
en Waterstaat. Ik zou de zaal willen verzoeken om even het volume te temperen, want
we gaan van start. Dat vraag ik ook voor de mensen thuis. Dit wetgevingsoverleg dient
als technische voorbereiding op de plenaire begrotingsbehandeling, die volgende week
dinsdag en donderdag plaatsvindt. Ik heet de Minister en de Staatssecretaris van IenW
van harte welkom, evenals de leden, de mensen op de publieke tribune en uiteraard
eenieder die dit debat op afstand volgt.
Ten behoeve van de technische voorbereiding op de begrotingsbehandeling heeft de commissie
twee rapporteurs benoemd. Dit zijn de leden Van Asten en De Hoop. Zij zullen namens
de gehele commissie zo meteen als eerste hun rapporteursinbreng leveren, waarna de
Minister en de Staatssecretaris hierop zullen reageren. Daarna starten we met de reguliere
eerste en tweede termijn. In de tweede termijn kunnen ook moties worden ingediend,
maar uiteraard heeft u volgende week, na de politieke behandeling, ook de gelegenheid
om moties in te dienen. Ik stel voor om het aantal interrupties in de eerste termijn
vooralsnog te beperken tot vier per fractie en de indicatieve spreektijd per fractie
vast te stellen op vier minuten. Dan geef ik nu het woord aan de heer De Hoop in zijn
hoedanigheid als rapporteur namens de commissie. Meneer De Hoop, het woord is aan
u.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank voor het woord. Het rapporteurschap is deze keer belegd bij de heer
Van Asten en mij, maar wij hebben deze keer wederom ontzettend goede ondersteuning
gekregen van de griffie. Wederom dank daarvoor. Dat maakt het werk als rapporteur
ontzettend veel makkelijker en dat helpt ons als commissie ook heel erg, dus dank
aan de griffie.
Voorzitter. Dank voor de mogelijkheid om met de heer Van Asten als rapporteur te mogen
optreden bij de behandeling van de begrotingen van Infrastructuur en Waterstaat en
het Mobiliteitsfonds voor 2026. Ik zal ingaan op de onderuitputting van de begrotingen,
de controleerbaarheid van grote mutaties en wijzigingen in de begrotingssystematiek.
Voorzitter. De commissie vraagt bij de behandeling van de begrotingen en de jaarverslagen
al enkele jaren aandacht voor de onderuitputting van het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds.
Ik heb het probleem dat wij hier als commissie mee hebben eerder al samengevat als:
met middelen die wel beschikbaar zijn, maar op de plank blijven liggen, worden geen
problemen opgelost. Dat geldt zeker wanneer wordt bedacht dat onvoldoende budget beschikbaar
is voor belangrijke zaken, zoals de instandhouding van infrastructuur, en voor gepauzeerde
projecten, zoals de Lelylijn. In 2023 is uiteindelijk 800 miljoen op de plank van
het Mobiliteitsfonds blijven liggen. In 2024 is 500 miljoen niet benut. Ook worden
de laatste jaren veel minder verplichtingen aangegaan dan begroot. In 2023 was dat
ruim 3 miljard minder en in 2024 2,4 miljard minder.
Het ministerie werkt met overprogrammering om de onderuitputting tegen te gaan. De
Kamer heeft hier ook moties over aangenomen. Het idee achter die moties is dat meer
projecten in uitvoering worden genomen, zodat beschikbare middelen die niet worden
uitgegeven door bijvoorbeeld vertragingen, toch kunnen worden uitgegeven aan andere
projecten. De bewindspersonen hebben echter de afgelopen jaren de overprogrammering
niet verhoogd door meer projecten te programmeren, maar door keer op keer de begroting
van het Mobiliteitsfonds te verlagen. Dat staat haaks op de insteek van de Kamer.
Hierdoor worden de budgettekorten nog groter. Om overprogrammering voor 2026 te creëren,
is de begroting van het Mobiliteitsfonds in twee keer verlaagd met meer dan een half miljard.
De begroting voor 2025 is zelfs met meer dan een miljard verlaagd. Dergelijke grote,
jaarlijkse budgetverlagingen staan echt op gespannen voet met de productiegroei voor
instandhouding die dit kabinet richting 2030 wil realiseren. De vorige bewindspersonen
gaven bij de afgelopen Voorjaarsnota aan dat de huidige overprogrammering voor IenW
leidend is, zodat de maximale uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat benut kan
worden. De programmering wordt dus niet uitgebreid en de begroting wordt aangepast
aan de uitvoeringscapaciteit, maar de instandhoudingsopgave en de budgetbehoefte daarvoor
zijn een stuk groter dan de huidige uitvoeringscapaciteit en de geplande productiegroei
van Rijkswaterstaat.
Voorzitter. Ik heb hierover de volgende vragen. Waarom creëert de Minister geen overprogrammering
door extra projecten, bijvoorbeeld voor instandhouding, te programmeren waarvan al
duidelijk is dat deze op korte termijn moeten worden opgestart, zodat het beschikbare
budget kan worden uitgegeven in plaats van verlaagd? Welke mogelijkheden zijn er om
de productie van Rijkswaterstaat te vergroten en daarmee overprogrammering te realiseren?
Hoe gaat ProRail hiermee om? Wat zijn de gevolgen van het aangaan van miljarden minder
aan verplichtingen dan begroot? En wat is de invloed hiervan op toekomstige onderuitputting?
Als tweede punt zal ik ingaan op de controleerbaarheid van grote mutaties. We zagen
bij de eerste suppletoire begroting 2025 een enorme kasschuif van 1 miljard van 2026
naar 2027, die in de huidige begroting gelukkig weer wordt teruggedraaid. In beide
gevallen wordt dat gedaan zonder enige inhoudelijke toelichting. Uit navraag door
de commissie blijkt dat het niet ging om een realistischere raming van de uitgaven,
maar om de uitkomst van politieke onderhandelingen. Met andere woorden, niet bottom-up
geredeneerd vanuit de projecten maar top-down. Het komt vaker voor dat dit verschil
tussen bottom-up en top-down voor de Kamer niet duidelijk is. Soms moeten we middelen
naar latere jaren schuiven vanwege de beperkte uitvoeringscapaciteit. Maar er wordt
ook af en toe geknepen in de fondsen om rijksbrede problemen op te lossen. Kan de
Minister voortaan bij grote mutaties aangeven wat de werkelijke argumenten zijn en
wat de concrete gevolgen zijn?
Voorzitter. Ik kom bij de wijziging in de voeding van het Mobiliteitsfonds en het
Deltafonds. Dergelijke wijzigingen in de begrotingssystematiek zijn voor de Kamer
altijd relevant vanuit het budgetrecht en als medewetgever. Met deze wijziging van
de systematiek worden twee investeringsfondsen vanaf 2026 niet meer gevoed via de
IenW-begroting, maar direct vanuit de schatkist. Hiermee worden administratieve lasten
verminderd en wordt de verdeling van de middelen tussen de beleidsbegroting en de
fondsen beter inzichtelijk gemaakt.
In het kader van het begrotingsonderzoek heb ik daarover de volgende vragen. Wat zijn
de nadelen van de wijzigingen van de begrotingssystematiek voor de voeding van het
Mobiliteitsfonds en het Deltafonds? Wat zijn de gevolgen voor het zicht van de Kamer
op de begrotingen? Blijven in de toekomst kasschuiven vanuit het kabinet, zoals de
kasschuif van 1 miljard die zojuist aan de orde kwam, nog goed zichtbaar voor de Kamer?
Leidt de wijziging van de voeding van de fondsen tot een verminderde samenhang tussen
de beleidsbegroting en de fondsenbegrotingen? In hoeverre verschuift de verantwoordelijkheid
voor de fondsenbegrotingen hiermee naar de Minister van Financiën? Blijven de extra
comptabele verwijzingen naar de fondsbegroting in de beleidsbegroting gehandhaafd?
Voorzitter, echt tot slot ga ik in op het schrappen van de verdiepingsbijlage uit
de begrotingen. Dat is in deze ontwerpbegroting al gebeurd voor de departementale
begroting. De fondsen volgen volgend jaar. Ik zal maar meteen met de deur in huis
vallen. De Kamer vindt dat een onwenselijke achteruitgang van de informatiepositie
van de Kamer. De verdiepingsbijlages zijn namelijk op initiatief van de Kamer zelf
verbeterd op advies van de parlementaire onderzoekscommissie Onderhoud en innovatie
spoor. De verdiepingsbijlages bieden namelijk inzicht in de gedetailleerde mutaties
en de meerjarige begrotingsstanden op de artikelen, bij de fondsen zelfs voor de gehele
looptijd. Momenteel is dat tot en met 2039.
Dat is een grote verbetering ten opzichte van de oude situatie toen mutaties en kasschuiven
vaak onnavolgbaar waren. Door meerdere voorgangers van mij werd het omschreven met
de beeldspraak «balletje-balletje». Het argument in de Voorjaarsnota dat de Kamer
geen behoefte zou hebben aan deze overzichten is dan ook niet valide. Bovendien worden
vooral bij de fondsen belangrijke keuzes gemaakt door het vastleggen van meerjarige
reserveringen voorbij de horizon van vijf jaar. De Kamer moet dit soort keuzes kunnen
controleren.
Voorzitter. Ik heb hierover dan ook namens de commissie de volgende verzoeken aan
de Minister. Kan de Minister bij de begrotingen van het ministerie het Mobiliteitsfonds
en het Deltafonds een verdiepingsbijlage weer opnemen dan wel handhaven, zowel bij
de ontwerpbegroting als bij de eerste en tweede suppletoire begrotingen?
Dank u.
De voorzitter:
Hartelijk dank aan de heer De Hoop voor dit verslag. Het was volgens mij helder. Er
komt nu nog een aanvulling van de heer Van Asten en ik zou hem daar graag het woord
voor geven. Ik hecht er echter nog wel aan om eerst te zeggen dat hij vanwege privéomstandigheden
deze vergadering om 17.30 uur dient te verlaten. Hiermee is hij geëxcuseerd.
Het woord is aan u, meneer Van Asten.
De heer Van Asten (D66):
Dank, voorzitter. Ook mijn dank voor de mogelijkheid om samen met de heer De Hoop
namens de commissie als rapporteur te mogen optreden. Verder natuurlijk ook dank aan
de griffie voor de ondersteuning daarbij. In mijn termijn ga ik in op de instandhouding
van de infrastructuur, de informatiewaarde van de begrotingen en de Strategische Evaluatie
Agenda.
De instandhoudingsopgave voor de infrastructuur staat al jaren hoog op de agenda van
deze commissie. De infrastructuur veroudert en kampt met uitgesteld onderhoud. Tegelijkertijd
wordt die infrastructuur intensiever gebruikt en zwaarder belast. Het onderhoud aan
het areaal en de vernieuwing van de golf van naoorlogse bruggen, tunnels, sluizen
en andere kunstwerken op het wegennet, vaarwegennet en watersysteem worden door Rijkswaterstaat
de grootste opgave ooit genoemd.
Binnen het ministerie en Rijkswaterstaat is de afgelopen jaren meer prioriteit gegeven
aan instandhouding en zijn budgetten en mensen verschoven, maar de budgettekorten
zijn nog steeds enorm. Tot en met 2038 bedraagt het budgettekort in totaal 34 miljard
euro. Voor de mensen die de tekst al hebben gekregen: daar zat een kleine verschrijving
in – was het maar 34 miljoen... Miljard dus. Als er niets aan wordt gedaan, lopen
we het risico dat Nederland vastloopt. Er lijkt wel wat te zijn veranderd: waar de
Minister voorheen de maakbaarheid door Rijkswaterstaat en de markt als belangrijkste
knelpunt zag, lijkt dat inmiddels het budget zelf te zijn. Rijkswaterstaat heeft al
capaciteit verschoven naar instandhouding. Met de reorganisatie gaat die nu 750 fte
verschuiven naar uitvoering, waardoor de productie zal kunnen worden verhoogd. In
de Stand van de Uitvoering gaf de Minister vorige week aan dat de maakbaarheid bij
Rijkswaterstaat inmiddels groter is dan het financiële kader in het Mobiliteitsfonds.
De Minister becijferde dat het budget voor instandhouding van de netwerken van Rijkswaterstaat
met jaarlijks 2 miljard zou moeten stijgen om de instandhoudingsopgave te kunnen financieren.
Ik heb daarbij de volgende vragen. Klopt het dat de capaciteit van Rijkswaterstaat
momenteel niet meer de beperkende factor is voor de instandhoudingsopgave, maar dat
dit het gebrek aan budget is? En in hoeverre is de capaciteit van de markt nog een
beperkende factor? Hoeveel meer productie en uitgaven voor de instandhoudingsopgave
zouden voor Rijkswaterstaat jaarlijks maakbaar zijn, en hoeveel meer productie zou
voor de markt jaarlijks maakbaar zijn? En de vraag: gaat de Minister op zoek naar
extra middelen om de neerwaartse spiraal naar de instandhouding van de infrastructuur
te voorkomen?
Ook voor de instandhouding van de spoorwegen is te weinig geld beschikbaar. In de
Mobiliteitsfondsbegroting staat weliswaar dat met het basiskwaliteitsniveau spoor
de budgetbehoefte en de beschikbare middelen langjarig met elkaar in evenwicht zijn
gebracht, maar ook bij spoor stijgen de prijzen en doen zich onvoorziene tegenvallers
voor, niet alleen bij het basiskwaliteitsniveau spoor, maar onder andere ook bij de
hsl, het ERTMS en in de toekomst ook bij de Nedersaksenlijn. Het ministerie en ProRail
schatten het budgettekort tot en met 2038 momenteel op 20 miljard euro, zo bleek uit
de technische briefing in december. Als het Mobiliteitsfonds niet wordt aangevuld,
zal dit volgens het ministerie mogelijk tot keuzes leiden waarbij ProRail en de spoorsector
ook zelf zouden moeten inzetten op doelmatigheid en het voorkomen van kostenstijgingen.
Ik heb hierover de volgende vragen. Welke oplossingen overwegen de bewindspersonen
voor het budgettekort van 20 miljard voor de instandhouding van de spoorwegen? Hoeveel
budget zou er jaarlijks gevonden moeten worden om de instandhouding van de spoorwegen
te financieren? En welke maatregelen kan ProRail nemen om de doelmatigheid te vergroten
en kostenstijgingen te voorkomen?
Voorzitter. Ook de verbetering van de informatiewaarde van de begroting is een aandachtspunt.
De Kamer heeft een motie aangenomen van de leden Heutink en De Hoop, die de regering
verzoekt om bij de beleidsartikelen afrekenbare doelen en meetbare gegevens op te
nemen en deze doelen smart en eenduidig per beleidsartikel te formuleren. Ik constateer,
net als de Algemene Rekenkamer, dat het ministerie hierbij vooruitgang heeft geboekt.
Alle beleidsartikelen bevatten nu doelenbomen, waarin de doelen zijn geconcretiseerd
en zijn voorzien van meetbare indicatoren. Dit is in lijn met de motie en dus mooi.
Een tweede aangenomen motie vraagt om inzichtelijk te maken met welke specifieke middelen
de doelen behaald zullen worden. Bij de toelichting op de financiële instrumenten,
onderdeel f bij elk beleidsartikel, zijn verwijzingen toegevoegd naar de doelstellingen.
Daarmee is de informatie over de koppeling tussen de doelen en middelen beschikbaar.
Ook dat is fijn. Het is alleen nog niet zo overzichtelijk; je moet steeds terugbladeren
om te zien welke doelstelling wordt bedoeld, en soms is de tekst over de doelstellingen
erg lang. We willen als rapporteurs nog kijken hoe deze koppeling tussen doelen en
middelen overzichtelijker kan. We vragen ons af of de Minister daar ook ideeën over
heeft of daarover wil meedenken.
Voorzitter. Dan de Strategische Evaluatie Agenda, oftewel de SEA. Deze biedt een goed
overzicht. Er zijn echter lacunes, juist bij grote uitgaven. Hoe groter de uitgave,
hoe minder aandacht er is voor evaluaties. De begrotingsrapporteurs hebben de afgelopen
jaren de Minister gevraagd ervoor te zorgen om de SEA, het Mobiliteitsfonds en het
Deltafonds beter af te dekken, door meer evaluaties van infrastructuurprojecten op
te nemen. De SEA komt hieraan gedeeltelijk tegemoet. Er is een evaluatie gepland van
aanlegprojecten voor wegen in 2027, en de evaluatie van het project Zuidasdok, met
een onbekende timing. Maar bij de thema's scheepvaart en havens, artikel 18, en openbaar
vervoer en spoor, artikel 16, worden geen evaluaties van infrastructuurprojecten genoemd.
Verder komt er, zoals de Rekenkamer opmerkt, geen evaluatie van de brede doeluitkering.
Het gaat hierbij jaarlijks om circa 1 miljard euro. De Rekenkamer suggereert om een
evaluatie uit te voeren in samenwerking met de decentrale overheden.
Een laatste lacune betreft de projecten uit het Nationaal Groeifonds die via de IenW-begroting
lopen. Dit gaat om 1 miljard euro. De effecten op het Nederlandse verdienvermogen
kunnen pas op termijn worden vastgesteld, maar de evaluatie moet je wel al voorbereiden.
Overigens is ook de bijlage met het overzicht van de NGF-projecten vervallen, zodat
de Kamer hier minder zicht op heeft. Daarom kom ik tot de volgende, en laatste, vragen.
Kan de Minister de volgende evaluaties toevoegen aan de SEA: infrastructuurprojecten
voor scheepvaart en spoorvervoer, de brede doeluitkering en de projecten uit het Nationaal
Groeifonds? Wanneer kan de Kamer de evaluatie van het Zuidasdok tegemoetzien? Kan
de Minister de bijlage met het overzicht van de NGF-projecten weer opnemen in de begroting?
Dank.
De voorzitter:
Hartelijk dank aan de heer Van Asten voor zijn bijdrage aan dit uitgebreide en volgens
mij ook doorwrochte onderzoek namens de hele commissie. Dan is het tijd om over te
gaan naar de reactie van de bewindspersonen. Daarvoor zou ik graag allereerst het
woord willen geven aan de Minister. Het woord is aan hem.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter en commissieleden. Ik zal overgaan tot de beantwoording van
de vragen die zojuist gesteld zijn door de rapporteurs en de Staatssecretaris zal
straks ook een aantal zaken die daarover gaan, toelichten.
Ik begin met de eerste vraag van de heer De Hoop, over de onderuitputting. Waarom
creëert de Minister geen overprogrammering? Nou, dat is een duidelijke vraag. Die
is ook eerder al gesteld. Mijn antwoord daarop is het volgende. In het Mobiliteitsfonds
werkt Infrastructuur en Waterstaat met een stevige overprogrammering. Er worden extra
projecten geprogrammeerd. Bij de afgelopen Najaarsnota is gebleken dat er mede door
de overprogrammering in 2025 vorig jaar zelfs meer is uitgegeven dan het beschikbare
budget. Ik zie hier dus een trendbreuk. Er is dus sprake van overuitputting in plaats
van onderuitputting op het Mobiliteitsfonds. Er blijft dus geen geld meer op de plank
liggen.
Ten aanzien van de onderuitputting van het Mobiliteitsfonds was de vraag welke mogelijkheden
er zijn om de productie van Rijkswaterstaat te vergroten en de overprogrammering verder
te realiseren. Ik kom ook weer hier met dat de programmering verder verhoogd is. Om
het productiepeil te verhogen, is een stabiele, oplopende, toerekenende en structurele
reeks nodig. Dat houdt in dat duidelijkheid en stabiliteit met betrekking tot de langjarige
programmering nodig zijn. Voor Rijkswaterstaat specifiek geldt dat wordt doorgegaan
op de ingeslagen weg van slimmer en dus ook efficiënter werken, oftewel, de portfolioaanpak
waar we nu echt goede stappen mee zetten, en het efficiënter inrichten van de RWS-organisatie – lees
ook: efficiënter – zoals omschreven in het meerjarenplan instandhouding dat uw Kamer
heeft ontvangen. Voor ProRail geldt dat die de meerjarige programmeringen jaarlijks
met het masterplan bekendmaakt. Voor het uitvoeren van langjarige programmering is
de beschikbaarheid van voldoende structurele middelen ook een randvoorwaarde. Weet
ook dat we daarvoor behoorlijk op de trom hebben geslagen. Ook de Algemene Rekenkamer
heeft de cijfers die u net heeft genoemd bevestigd. Wij hebben die message ook echt
naar de formerende partijen gebracht: hoe de stand van zaken is.
Ten aanzien van de onderuitputting van het Mobiliteitsfonds en de gevolgen daarvan
voor het aangaan van miljarden minder verplichtingen dan begroot, was de vraag wat
hier de invloed van is op de toekomstige onderuitputting. Als verplichtingen vertragen,
dan kunnen deze in latere jaren alsnog worden aangegaan. Er wordt met een meerjarige
overprogrammering gewerkt om zeker te stellen dat er dan ook geen onderuitputting
ontstaat, ook niet in de latere jaren.
De toelichting ten aanzien van de grote mutaties. Kan de Minister bij grote mutaties
voortaan aangeven wat nu de werkelijke argumenten zijn en ook de concrete gevolgen?
U noemt ook specifiek de kasschuif van 1 miljard van 2026 naar 2027, die later weer
is teruggedraaid. Dat is een uitkomst van een politieke onderhandeling geweest rondom
de Voorjaarsnota. Het verzoek aan IenW was om te kijken of de kasschuif in te passen
was door de infrastructuur te faseren. Uit een toets bij zowel ProRail als Rijkswaterstaat
bleek dat de gevraagde fasering op zo'n korte termijn gewoon niet uitvoerbaar was.
De kasschuif is vervolgens in de ontwerpbegroting 2026 dus ook niet teruggedraaid
en had daarmee geen verder consequenties. Om die reden zijn de toelichtingen vrij
algemeen van aard gebleven.
Dan de voeding. Wat zijn de nadelen van de wijziging van de voedingssystematiek voor
de voeding van het Mobiliteitsfonds alsook het Deltafonds en wat zijn de gevolgen
voor het zicht van de Kamer op deze begrotingen? De oude begrotingswijze van zowel
het Mobiliteitsfonds als het Deltafonds via de zogenaamde voedingartikelen was omslachtig.
Dat leidde tot een onduidelijke presentatie aan uw Kamer. Ook zorgt dit voor onnodige
administratieve handelingen aan onze zijde. Samen met het Ministerie van Financiën
is besloten om de werkwijze te versimpelen en de reguliere administratieve werkwijze
van departementale begrotingen te gaan hanteren. Concreet betekent dit dat zowel het
Mobiliteitsfonds als het Deltafonds in het vervolg direct gevoed gaat worden via de
uitgavenkant in plaats van via een omweg via de ontvangstkant, dus vanuit de reguliere
IenW-begroting. Defensie en Economische Zaken hebben hun voedingartikelen op fondsen
in de ontwerpbegrotingen in 2025 ook afgeschaft.
Ten aanzien van het voedingartikel vroeg de heer De Hoop of in de toekomst kasschuiven
vanuit het kabinet – de 1 miljard die aan de orde kwam – nog goed inzichtelijk blijven
voor de Kamer. Het antwoord daarop is ja. De tabel met de majeure mutaties, vooraan
in de begroting, zal worden gehandhaafd. Alle grote kasschuiven zijn hierin zichtbaar
en zullen ook worden toegelicht.
Ten aanzien van het voedingartikel vraagt de heer De Hoop ook of de wijziging van
de voeding van de fondsen tot een verminderde samenhang tussen de beleidsbegroting
en de fondsbegrotingen leidt. In hoeverre verschuift de verantwoordelijkheid voor
de fondsbegrotingen naar het Ministerie van Financiën? Het antwoord is nee. De wijziging
van de voeding van de fondsen leidt niet tot een verminderde samenhang tussen beleidsbegroting
en de fondsbegroting. De Minister en de Staatssecretaris zijn na de wijziging nog
steeds hoofdverantwoordelijk voor de drie begrotingen van IenW. Er wordt geen verantwoordelijkheid
naar het Ministerie van Financiën verschoven.
Een andere vraag was of de extracomptabele verwijzingen naar de fondsbegrotingen in
de beleidsbegroting gehandhaafd blijven. Het antwoord is: ja, die zullen worden gehandhaafd.
Dan de verdiepingsbijlage. Kan ik bij de begrotingen van het ministerie de verdiepingsbijlagen
bij het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds weer opnemen dan wel handhaven, zowel bij
de ontwerpbegrotingen als bij de eerste en tweede suppletoire begroting? Mijn antwoord
is als volgt. Bij het opstellen van de rijksbegrotingsvoorschriften is er door het
Ministerie van Financiën kritisch gekeken naar de bijlagen in de rijksbegroting in
relatie tot de informatiebehoefte van uw Kamer. In lijn met die analyse is aangekondigd
dat de verdiepingsbijlage bij het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds naar de toekomst
toe uit de ontwerpbegroting en de suppletoire begrotingen wordt geschrapt. U geeft
aan dat dit een achteruitgang zou zijn van de informatiepositie. U schetst daarbij
terecht ook de context van de parlementaire onderzoekscommissie Onderhoud en innovatie
spoor. Mijn conclusie is dat het schrappen van de verdiepingsbijlage het doel dan
ook voorbij lijkt te schieten. Ik zal dan ook met het Ministerie van Financiën in
overleg treden over de wijze waarop wij invulling kunnen geven aan uw verzoek.
Dan de instandhoudingsopgave van Rijkswaterstaat. De heer Van Asten had daarover de
volgende vraag. Klopt het dat de capaciteit van Rijkswaterstaat momenteel niet meer
de beperkende factor is voor de instandhoudingsopgave, maar dat dit meer een gebrek
aan budget is? Dit is ook naar aanleiding van de briefing die u heeft gekregen van
Rijkswaterstaat op 16 december. De afgelopen jaren is de productie van Rijkswaterstaat
verhoogd. De maakbaarheid is inmiddels groter dan het financiële kader van het Mobiliteitsfonds
alsook het Deltafonds. Een aanzienlijk deel van de noodzakelijke vernieuwing kan daardoor
nog niet worden uitgevoerd. Het programmeren van nieuwe vernieuwingsprojecten is inmiddels
alleen nog mogelijk door de uitvoering van andere vernieuwingsprojecten te vertragen
of uit te stellen. Om de productie ofwel de maakbaarheidscapaciteit van Rijkswaterstaat
verder te vergroten is een stabiele, oplopende structurele reeks nodig. «Treintjes
vormen» noemen we dat in het projectmanagement.
Hiervoor zijn een aantal zaken van groot belang: duidelijkheid en stabiliteit met
betrekking tot de langjarige programmering van projecten, doorgaan op de ingeslagen
weg om slimmer en efficiënter te werken – een portfolioaanpak had ik al genoemd – en
verdergaan met het efficiënter inrichten van de Rijkswaterstaatorganisatie, zoals
voor instandhouding is omschreven in het meerjarenplan instandhouding. Maar ook voldoende
structurele middelen zijn hiervoor een randvoorwaarde. Daarbij noem ik ook echt de
fiches en de communicatie die vanuit het ministerie richting het publieke domein en
richting de formerende partijen de laatste maanden is uitgegaan om een zo goed mogelijk
beeld te schetsen.
De instandhouding van Rijkswaterstaat. De heer Van Asten: in hoeverre is de capaciteit
van de markt nog een beperkende factor? Hoewel er sprake is van krapte op de markt,
hoeft de capaciteit van de markt geen beperkende factor te zijn. Dit vraagt dat Rijkswaterstaat
als opdrachtgever meerjarig perspectief biedt op het werk dat eraan komt. Wij geven
in de instandhoudingsbrief, waarin een link staat naar de website, aan dat de markt
via een preconsulatie ook al ziet wat er allemaal aan de hand is. Ook bij grote beurzen,
zoals InfraTech in Ahoy iedere twee jaar, hebben we uitvoerige marktconsultaties met
toekomstige projecten, zodat de markt precies weet wat eraan zit te komen. Op basis
daarvan kunnen marktpartijen tijdig investeren in personeel en materiaal, maar ook
in automatisering, digitalisering en circulariteit. Voorspelbaar werken geeft de markt
de zekerheid die nodig is om de capaciteit in de markt daar waar nodig te vergroten.
De werkwijze van Rijkswaterstaat is om gelijksoortig werk aan onder meer tunnels,
sluizen en bruggen gebundeld te doen: niet één brug, maar meteen ook de vier bruggen
die erachter liggen en die nagenoeg hetzelfde zijn; de «treintjes» van zojuist. Deze
werkwijze en langlopende contracten komen tegemoet aan de wensen van de markt.
De heer Van Asten vroeg over de instandhouding van Rijkswaterstaat: hoeveel meer productie
en uitgave voor de instandhoudingsopgave zou jaarlijks maakbaar zijn? Het door de
Algemene Rekenkamer berekende tekort van 34,5 miljard voor de instandhoudingsopgave
bestaat uit tekorten op exploitatie en onderhoud, maar ook vernieuwing. De tekorten
voor exploitatie en onderhoud en het inlopen van het uitgesteld onderhoud zijn maakbaar.
Voor de vernieuwing geeft Rijkswaterstaat een aanzienlijk deel in voorbereiding van
de projecten die nog niet gefinancierd zijn. De Kamer is hierover geïnformeerd in
het meerjarenplan instandhouding. Het is tot slot de ambitie – daarover wordt steeds
nagedacht – om de efficiëntie verder te vergroten. Het is aan het nieuwe kabinet om
te besluiten over de toekomstige additionele investeringen. Denk dan bijvoorbeeld
ook aan 800 miljoen extra productie die gedraaid zou kunnen worden in 2027, maar daar
kom ik in een uitvoeriger document nog op terug, zodra het plaatje duidelijker wordt
van wat die cijfers precies behelzen.
De heer Van Asten: hoeveel meer productie voor de markt zou jaarlijks maakbaar zijn?
Indien Rijkswaterstaat meerjarig inzicht en zekerheid kan geven over de dealflow,
is de verwachting dat de markt aankan wat Rijkswaterstaat naar de markt brengt. In
de vorige antwoorden heb ik aangeven onder welke voorwaarden dat zou kunnen.
Ga ik op zoek naar extra middelen om in de toekomst een neerwaartse spiraal bij de
instandhouding te voorkomen? Om te voorkomen dat deze neerwaartse spiraal ontstaat,
is verdere productieverhoging van Rijkswaterstaat nodig. Ik zie daartoe mogelijkheden.
Voldoende structurele middelen zijn toch – daar kom ik weer – een randvoorwaarde.
Ik kan, wij kunnen maar zoveel dichtlopen, de organisatie kan maar zoveel dichtlopen
met efficiëntie. Dan gaat het niet over de bedragen waarover we het zojuist hadden.
Informatiewaarde en ideeën daarover. Wij zijn op zoek naar een alternatieve wijze
van bekostiging, maar er zijn inderdaad belangrijke stappen gezet in de doorontwikkeling
van de informatiewaarde. Fijn dat de Algemene Rekenkamer en de rapporteurs dit ook
zien en omarmen; mijn dank daarvoor. U merkt op dat de informatie over de koppeling
en de doelen beschikbaar is, maar dat de presentatie nog niet altijd even overzichtelijk
is. Door de uitwerking van de moties zijn de beleidsartikelen inderdaad omvangrijk
geworden. In de verdere doorontwikkeling kunnen we kijken waar teksten beknopter kunnen
worden vermeld en hoe er meer inzicht gecreëerd kan worden. We gaan daarmee aan de
slag. U zult van mij een voorstel ontvangen middels de ontwerpbegroting voor 2027.
Er is mij gevraagd of ik de evaluaties over de volgende zaken kan toevoegen aan de
SEA: infrastructuurprojecten voor scheepvaart en spoor, de brede doeluitkering en
de projecten uit het Nationaal Groeifonds. U vraagt terecht aandacht voor een dekkende
SEA. Zoals u zelf ook aangeeft, hebben we hierin de afgelopen jaren stappen gezet,
waardoor ook het Mobiliteitsfonds en het Deltafonds beter worden afgedekt. Zoals u
terecht constateert, zijn we er ook nog niet. Ik zeg u dan ook toe dat ik me er hard
voor maak om de door u genoemde evaluaties toe te voegen.
Voor het openbaar vervoer en het spoor geldt dat in Q1 van dit jaar de periodieke
rapportage van openbaar vervoer en IenW wordt aangeboden aan de Tweede Kamer. Voor
infrastructuurprojecten voor de scheepvaart geldt dat ik richting de begroting voor
2027 nader zal bezien welke individuele infrastructuurprojecten of instandhoudingsprojecten
er in de scheepvaart en bij havens zijn en wanneer dat in de Strategische Evaluatie
Agenda, SEA, opgenomen kan worden. Inzake de projecten uit het Groeifonds zijn er
meerdere evaluaties geagendeerd voor projecten die worden gefinancierd uit het Nationaal
Groeifonds. Zo is er een tussenevaluatie van het project Luchtvaart in Transitie opgenomen,
als ook van het zero-emissieproject voor de binnenvaart en van de subsidie aan Zero
Emission Services. Ik zal dit in de SEA beter inzichtelijk maken.
Wanneer kan de Kamer de evaluatie van het Zuidasdok tegemoetzien? Dit is een dossiertje
van heb ik jou daar. Vanwege de complexe en ingrijpende aard van het project Zuidasdok
wordt de Kamer apart over dit project geïnformeerd. Alle hens aan dek. In lijn hiermee
zal er ook een separate evaluatie worden uitgevoerd. De totale evaluatie vindt uiteraard
aan het einde van het project plaats. Zolang de realisatie loopt, kan het exacte moment
van evaluatie nog niet worden vastgesteld. Tijdens de realisatie wordt de Kamer via
de halfjaarlijkse voortgangsrapportages in de eerste helft van dit jaar geïnformeerd.
In 2026 vindt ook een externe toets plaats op de door het Zuidasdok gehanteerde processen
en de methoden en de technieken voor ontwerp en kostenraming, inclusief de daarbij
ingerichte waarborgen. Naar verwachting wordt de Kamer hierover in de tweede helft
van 2026 geïnformeerd. Daarnaast wordt er een onderzoek uitgevoerd naar de economische
meerwaarde van dat Zuidasdok.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Van Asten: kan de Minister de bijlage met een
overzicht van de Nationaal Groeifondsprojecten weer opnemen in de begroting? Het schrappen
van de bijlage is een uitvloeisel van de rijksbegrotingsvoorschriften. Bij het opstellen
van de rijksbegrotingsvoorschriften is er kritisch gekeken naar de bijlagen in de
rijksbegroting in relatie tot de informatiebehoefte van uw Kamer. De projecten van
het Nationaal Groeifonds worden nu in één gecentraliseerd overzicht opgenomen bij
de begroting van Economische Zaken. Dit scheelt in het aantal bijlagen en geeft ook
meer overzicht. Dit lijkt mij een verbetering. Mijn voorstel is dus om deze wijziging
te omarmen.
Tot zover mijn bijdrage, voorzitter.
De voorzitter:
Dank aan de Minister voor de beantwoording. Ik geef graag het woord aan de Staatssecretaris
voor de beantwoording van de vragen die aan hem zijn gesteld.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Dank ook aan de Kamerleden die het rapporteurschap op zich hebben
genomen. Uit mijn recente verleden weet ik nog dat het een belangrijke taak is om
de begroting goed te doorgronden, juist als je net in een nieuwe periode als Kamerlid
start. Ik heb van mijn zijde een aantal vragen om te beantwoorden. Dat doe ik niet
zo uitvoerig als de Minister heeft gedaan; hij heeft natuurlijk de budgetverantwoordelijkheid
op ons ministerie. Ik zal inzoomen op de punten en vragen van het lid Van Asten over
de instandhouding van de «spoorse zaken», om ze zo maar te noemen.
Zijn eerste vraag ging over welke oplossingen er bestaan en overwogen kunnen worden
door bewindspersonen voor het budgettekort van 20 miljard voor de instandhouding van
de Nederlandse spoorwegen. Dan gaat het om een situatie waarin er geen geld wordt
toegevoegd om dit op te lossen. Dan kom je in een situatie waarin je vooral een keuze
moet maken uit moeilijke en vervelende keuzes. Dat zal echt aan een nieuw kabinet
zijn.
Ik heb een aantal weken geleden met u het debat mogen voeren over spoor, waarin we
onder andere de casus in Haarlem zijn tegengekomen. Dat is een casus waarbij je aan
instandhouding moet doen en een aantal jaren later op diezelfde plek ook iets zal
moeten doen om het mogelijk te maken dat daar meer intercity's komen. Iedereen zou
zeggen: op basis van gezond verstand maak je werk met werk en doe je dat tegelijk.
Die luxe is er niet meer. Dat betekent de facto dat je nu een-op-een gaat vervangen,
wetende dat je daar twee jaar later moet terugkomen en alles opnieuw moet opentrekken
om dezelfde typen werkzaamheden uit te voeren. Dat is natuurlijk eeuwig zonde van
het geld, maar we hebben simpelweg de luxe niet om dat nu op een andere manier vorm
te geven. Dat is zo'n moeilijke keuze.
Een andere moeilijke keuze – die staat ook beschreven in de MIRT-brief – is dat er
gewoon geen ruimte meer is voor nieuwe projecten. Met bestaande projecten wordt verdergegaan.
Er wordt gekeken hoe dat kan. Maar er is op dit moment geen ruimte voor het toevoegen
van nieuwe projecten en productstappen binnen de budgetten van het Mobiliteitsfonds,
specifiek ook ten aanzien van het spoor.
De heer Van Asten vroeg mij ook hoeveel budget er jaarlijks gevonden zou moeten worden
om de instandhouding van de spoorwegen goed te financieren. Het nieuwe kabinet staat
dus echt voor belangrijke keuzes om de infrastructuur op basis van de huidige eisen
operationeel te houden. Het gaat dus over de huidige eisen en het operationeel houden
van de huidige zaken. Dan zal er ook jaarlijks een budget gevonden moeten worden.
Op dit moment gaat het inderdaad om een tekort van 20 miljard. Dat kun je natuurlijk
verdelen per jaarschijf, maar als je dat terugrekent op basis van een looptijd van
vijftien jaar, dan heb je het, om aan die 20 miljard te komen, gemiddeld over een
bedrag van 1,3 miljard euro. Het gaat om 1,3 miljard gemiddeld per jaar om na vijftien
jaar aan die 20 miljard te komen.
De heer Van Asten vroeg: welke maatregelen kan ProRail nemen om de doelmatigheid te
vergroten en kostenstijgingen te voorkomen? Juist in het licht van die zorg is in
het basiskwaliteitsniveau spoor een pakket aan maatregelen vastgesteld om dat te voorkomen.
In dat kader zet ProRail onder meer in op het aanscherpen van onderhoudsnormen, standaardisatie
waar dat kan en de inzet van digitalisering, om de kosten op een goede manier te beheersen.
Dat waren mijn vragen, voorzitter.
De voorzitter:
Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording. Dan zou ik graag over willen gaan
naar de reguliere eerste termijn van de ... Excuses. Er wordt mij ingefluisterd dat
de rapporteurs wellicht nog vervolgvragen hebben naar aanleiding van de reactie van
de bewindspersonen. Ik kijk even naar de heer De Hoop en de heer Van Asten om te zien
of dat het geval is. Ik zie geknik. Meneer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Twee korte vragen vanaf mijn zijde. Allereerst dank aan de Minister voor de toezegging
dat hij in gesprek gaat met de Minister van Financiën over de terugkeer van de verdiepingsbijlage.
Graag nog even de termijn waarop dat gesprek plaatsvindt, zodat we er als rapporteur
op toe kunnen zien dat dat gebeurt. Dat helpt ons, denk ik.
Dan heb ik nog een meer inhoudelijke vraag. De Minister sprak over «overuitputting».
Ik zou daar toch wel een verdiepende vraag over willen stellen, omdat wij als rapporteurs
zagen dat de budgetten behoorlijk gekrompen zijn, zeker als je kijkt naar de ontwerpbegroting,
maar ook als je kijkt naar de Voorjaarsnota. Daarmee zijn in onze ogen niet direct
nieuwe projecten gerealiseerd. De Minister redeneert vanuit de Najaarsnota en zegt
dat je dan tekorten krijgt. Dat noemt hij «overuitputting», maar dat is wel anders
dan hoe wij als rapporteurs naar deze begrotingen hebben gekeken. Daarin zien wij
wel onderuitputting, zeker als je redeneert vanuit de ontwerpbegroting, dus ik zou
daar vanuit de Minister een wat verdiepend antwoord op willen krijgen. Als we een
andere interpretatie van «onderuitputting» hebben, dan moeten we het daar met elkaar
over hebben. Dan kan het debat daar verder over gaan. Maar hier zou ik toch nog wel
een wat breder antwoord van de Minister op willen krijgen.
De voorzitter:
Hartelijk dank voor de vragen. Dan kijk ik even naar de heer Van Asten. Het woord
is aan u.
De heer Van Asten (D66):
Dank. Allereerst bedankt voor de uitgebreide toelichting op de vele vragen. Het was
echt goed verhelderend en goed te volgen. Ik heb nog twee vervolgvragen. De eerste
vraag gaat nog over die capaciteit van de markt. De Minister was er vrij positief
over dat de markt wel volgt als Rijkswaterstaat maar langdurig kan aanbesteden, of
in ieder geval de projecten kan aankondigen. Nou hebben we natuurlijk in Nederland
op heel veel vlakken een hele grote opgave die eigenlijk van hetzelfde type marktpartijen
inzet vraagt. Als ik dezelfde vraag zou stellen bij Defensie of bij woningbouw, dan
kom je dezelfde partijen tegen. Ze moeten dus allemaal in de overdrive. Is de Minister
er ook in dat licht bezien nog steeds van overtuigd dat er dan voldoende marktcapaciteit
zou zijn? Dat is de eerste vraag.
De tweede vraag gaat over het Zuidasdok. Ik ga even de rol van het nieuwe Kamerlid
op me nemen, dat de geschiedenis daarvan niet weet. Een onderzoek naar de economische
meerwaarde van het Zuidasdok klinkt toch een beetje alsof je halverwege de oceaan
bent en je twijfelt of je nog door moet gaan naar de andere kant. Is dit een specifiek
verzoek geweest van de Tweede Kamer? Waar komt dit rapport over de economische meerwaarde
van het Zuidasdok in deze fase vandaan?
De voorzitter:
Heldere vervolgvragen. Dank. Ik geef het woord graag aan de Minister.
Minister Tieman:
Dank u wel. Ik begin even met het laatste onderwerp, het halverwege de oceaan zijn,
want daar was wat twijfel bij mij. We hebben echt gekeken of we de scope zouden moeten
gaan afschalen. Weet dat er ook regionale partijen met geld zijn ingestapt. We zijn
inderdaad ook al van de kant af, zoals u weet. We hebben daar niet voor gekozen. Maar
we wilden echt nog even toetsen of we de scope zoals die is afgesproken niet aan moesten
passen. Er komen nog momenten waarop je dat kunt doen, maar we willen ook echt die
meerwaarde daar nog meepakken. We zien namelijk ook dat dit regionale project ten
aanzien van die kosten ook echt een nationale uitstraling heeft. Dat Zuidasdok, dat
is toch echt iets des Amsterdams? Nee, het is echt breder dan dat. Dat hebben we daar
ook mee willen doen. Daarom wordt ook dat extra onderzoek gedaan om gewoon robuuster
te kijken wat de meerwaarde is van de zaken die gaan komen. Dit is echt het onderwerp,
het dossier, waardoor ik 's nachts weleens wat hoofdpijn heb. Dat gaan we managen.
Wij kunnen dit managen. Dat gaan we doen. Ik zeg dat ook een beetje stoer. We zetten
hier al onze kennis in om gezamenlijk met de regio dit project tot een goed einde
te brengen.
Ik kom op de vraag over de onderuitputting. De kasschuiven geven realistisch het projectritme
aan. Ik wil hier aanbieden dat we dit anders ook nog een keer wat verder kunnen toelichten
op een technische wijze ten aanzien van de vragen die over dit technische onderwerp
gesteld worden. Ik kan ook een brief voor u maken waarin we dit echt even goed uitleggen,
zodat er geen misverstand is over die terminologie. Dan gebruik ik nu een andere term.
Het is vrij technisch. Ten aanzien van het eerste onderwerp zet ik dat dan even op
papier of gaan we daar nog een keertje specifiek op in. De tweede vraag ging over
een toezegging over een tijdslijn. Dat doen we dit voorjaar.
De voorzitter:
Dank aan de Minister voor de beantwoording. Ik kijk nog even naar de Staatssecretaris
om te zien of hij hier nog een aanvulling op wenst te geven. Dat is niet het geval.
Ik zie dat de heer Van Asten een vraag heeft.
De heer Van Asten (D66):
Ja. Misschien triggerde mijn vraag over het halverwege de oceaan zijn wat betreft
het Zuidasdok gelijk de nachtmerries of het wakker liggen van de Minister, maar er
zat nog een vraag voor. Die vraag ging over de capaciteit van de marktpartijen, in
de zin van hetzelfde type marktpartijen bij Defensie et cetera.
Minister Tieman:
Helder. Ik ben daarvan overtuigd, maar dat vergt ook management, projectmanagement
en coördinatie met de markt, binnen de kaders van de Autoriteit Consument & Markt
wat je mag afstemmen met elkaar in dat ritme. Wij zijn echt een grote partij. Ik weet
ook dat de waterschappen in diezelfde vijver vissen. U gaf net zelf ook een aantal
voorbeelden. Maar wij werken daar hard aan. Ik heb veel contact met de markt. Ik ben
hiervan overtuigd. Het wordt spannend, maar dit kunnen wij.
De voorzitter:
Dank wederom aan de Minister. Ik kijk even naar de rapporteurs of hun vragen hiermee
zaligmakend zijn beantwoord. Dat is het geval. Dan zou ik nu wel willen overgaan naar
de eerste termijn van de Kamer. Ik zou willen voorstellen om dat even op tafelvolgorde
te doen, waarbij we dus beginnen bij de heer De Hoop. Ik zie een aantal mensen knikken.
Dan zou ik graag het woord aan u willen geven, meneer De Hoop, voor uw inbreng namens
GroenLinks-PvdA.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Dank u wel, voorzitter. De bijdrage vanuit mijn eigen fractie wordt toch iets politieker,
denk ik. Ik wil hiervoor even teruggaan naar het waarom van het Mobiliteits- en het
Deltafonds. We hebben de opdracht om de bereikbaarheid en de waterveiligheid van Nederland
te organiseren. Wegen, spoordijken: het zijn stuk voor stuk projecten die vele jaren
planning vergen en honderden miljoenen en miljarden kosten, en een veelvoud hiervan
aan jaarlijks onderhoud. Dat organiseren we via een groot meerjarenprogramma en een
fonds, dat we jaarlijks aanvullen. Het gaat dus heel anders dan de rest van de begroting,
om zo de langetermijnplanning te beschermen tegen de politieke waan van de dag.
Wat we nu zien lijkt wat mij betreft niet te voldoen aan die uitgangspunten. We hebben
in het verleden onuitvoerbare plannen begroot en de planning en financiering van vervanging
en onderhoud te veel verwaarloosd. Dat leidde ertoe dat geld voor onuitvoerbare aanleg
is blijven liggen, terwijl de onderhoudsachterstanden verder opliepen. Het is telkens
met kasschuiven verplaatst. Dat vind ik onwenselijk, want dat leidde tot onderbenutting
en het budget bleef behouden en werd niet groter. In plaats van de onbenutte middelen
intern te verschuiven, zoals de Kamer aan de Minister vroeg, heeft Financiën dit nu
eigenlijk gewoon afgeroomd. We hadden juist een fonds om precies dat te voorkomen.
De beloofde overprogrammering om bij vertraging in de planning toch te kunnen bouwen
is toch vooral omgezet in onderfinanciering. Daarmee verdwijnen ook middelen die aan
infrastructuur besteed kunnen worden.
Ik heb net goed geluisterd naar de beantwoording van de Staatssecretaris, ook van
mijn vragen over overprogrammering. Ik denk toch dat wij het probleem hebben dat wij
als Kamercommissie, en ik ook als rapporteur, een andere definitie hanteren. Wij redeneren
namelijk vanuit het maximaal beschikbare budget, dat bij een ontwerpbegroting ook
geschetst wordt, en wat uiteindelijk daarmee gedaan wordt. Als de Minister tussentijds
redeneert vanuit allemaal kasschuiven, snap ik de slimmigheid, maar is het de facto
niet opeens een overuitputting. Het betekent gewoon dat minder middelen gebruikt worden
voor de projecten die aangelegd moeten worden.
Ik zou toch willen dat de Minister gewoon dezelfde redenering hanteert dat we kijken
naar het maximaal beschikbare budget. Anders moeten we toch een gesprek hebben over
de definitie van onderuitputting en van waaruit je redeneert met elkaar. Dat is gewoon
nodig omdat anders middelen verdwijnen die aan infrastructuur besteed kunnen worden.
Nu wordt de hele financiering van deze fondsen uit de IenW-begroting gehaald, zonder
debat en zonder zelfs maar een briefje met uitleg. Ik vind dat dit echt botst met
het budgetrecht van de Kamer.
Eenieder met hart voor de infrastructuur moet zich op z'n minst zorgen maken over
het feit dat er nu een tekort is van 35 miljard voor noodzakelijk onderhoud en tijdige
vervanging van bruggen of waterwerken. We krijgen straks misschien wel scenario's
dat we voor een miljard een brug moeten vervangen omdat we hem niet voor enkele tientallen
miljoenen op tijd hebben laten schilderen of op een andere manier hebben aangepakt.
Dan blijf ik nog weg van rampscenario's. Daarbij wil ik niet overdrijven, maar die
zouden wel kunnen ontstaan als we niet steviger met het onderhoud aan de slag gaan.
Het kabinet heeft voor alle departementen de loonprijsbijstelling geschrapt. Dat is
overal vervelend, maar nergens meer dan waar er gebouwd moet worden, want juist daar
zijn de prijzen extra hard gestegen. En dan nu extra geld hier weghalen leidt tot
meer uitstel en ik denk wederom tot meer kosten. De Minister rapporteert zelfs dat
er verdringing plaatsvindt in de programmering ten nadele van noodzakelijk onderhoud
en dat dit leidt tot een negatieve spiraal. Het zijn bezuinigingen die tot enorme
extra kosten leiden; penny wise, pound foolish.
Het is ook precies de reden dat infra en waterveiligheid in zo'n fonds zaten, met
oog voor uitvoering op de lange termijn. Van de Minister zou ik graag een overzicht
willen ontvangen van alle grote projecten van meer dan 100 miljoen, zowel op weg-,
water- als spoorinfrastructuur, die recent zijn begonnen of nog moeten beginnen, met
daarbij een reële inschatting van de tekorten. Zou hij dit met ons kunnen delen? Dan
ben ik gewoon benieuwd waar we uitkomen met de A27 in Amelisweerd of de Kaagbrug bij
de A44. Het is echt een optelsom van wat de Rekenkamer stelt en ons rapport, met de
extra kosten door extra uitstel. Ik kan me voorstellen dat dat ons als Kamer zou bewegen
tot nieuwe prioriteiten.
Tot zover.
De voorzitter:
Ik dank de heer De Hoop voor zijn bijdrage. Dan geef ik het woord aan de heer Heutink
voor zijn bijdrage namens de Partij voor de Vrijheid.
De heer Heutink (PVV):
Voorzitter. Allereerst willen wij de rapporteurs bedanken voor hun inbreng. Ik weet
hoe waardevol het is om vanuit het rapporteurschap meer inzage te krijgen in de begroting,
maar ik weet ook hoeveel werk erin wordt gestopt door onder andere de ambtelijke ondersteuning,
dus veel dank daarvoor.
Voorzitter. Ik wil beginnen met de onderuitputting van deze beleidsarme begroting.
Het eerste wat ik dan ga zeggen tegen het kabinet, is dat ik geen behoefte heb aan
een technische briefing. Ik wil gewoon van het kabinet weten welke definitie het hanteert
voor «onderuitputting» en hoe deze daadwerkelijk door het ministerie wordt bepaald.
Dan kunnen we daar zo meteen mee verder.
We hebben blijkbaar de grootste instandhoudingsopgave ooit. We komen tientallen miljarden
tekort om onze infrastructuur weer op peil te brengen, maar desondanks wordt er jaar
in, jaar uit te weinig geld uitgegeven. Normaliter is dat niet zo heel erg, maar dat
is het wel als de infrastructuur in zo'n slechte staat verkeert als nu in Nederland.
We maken ons er dus grote zorgen over dat het kabinet niet meer projecten lijkt te
gaan uitvoeren, maar vooral het budget gaat verlagen om zo onderuitputting tegen te
gaan. Zo'n boekhoudkundig trucje is heel mooi, maar op een trucje kun je geen extra
auto's laten rijden. Als je nu het MIRT Projectenboek opent, kun je de wijzigingen
eigenlijk op twee handen tellen. Gaan we dat geld nu eindelijk gewoon uitgeven? Nog
belangrijker: stopt de Minister nu met het creëren van onderprogrammering door het
beschikbare budget te verlagen? We moeten als IenW, als Tweede Kamer, meters maken.
We moeten projecten uitvoeren. Nederland staat al veel te lang stil. Dat kunnen we
ons niet langer permitteren.
Dat brengt mij direct bij het volgende probleem: de instandhoudingsopgave. Zoals ik
net al zei, komen we tientallen miljarden tekort. Onze infrastructuur staat soms letterlijk
op omvallen. We hebben bruggen op de hsl die verkeerd zijn ontworpen. We moeten een
nieuw treinbeveiligingssysteem implementeren, waarvoor het budgetplafond inmiddels
tot aan Pluto reikt, terwijl we geen idee hebben hoeveel verder dat nog gaat. We hebben
dus totaal niet het gevoel – sorry, beste regering – dat we in controle zijn.
Dat blijkt nog meer uit de oorzaken waardoor er geen projecten worden uitgevoerd.
Voorheen werd ons voorgehouden dat de maakbaarheid het grootste probleem was, maar
nu communiceert de Minister zelf in de Stand van de Uitvoering dat de maakbaarheid
inmiddels groter is dan het financiële kader. Goed nieuws, zou je denken, al is het
iets anders dan ons altijd is verteld. Eerder zou het geld namelijk niet kunnen worden
uitgegeven door de beperkte capaciteit bij Rijkswaterstaat. Wat is het nou? Waar zit
nu de bottleneck? Is dat nu de personele capaciteit, stikstof of het geld? Of is het
alle drie? Zijn ze alle drie even groot? Ik wil graag van het kabinet weten hoe het
nu precies zit.
Voorzitter, tot slot. Ik wil gewoon weten wat de Minister nog meer nodig heeft dan
geld – dat snappen we allemaal – om als de wiedeweerga nieuwe infrastructuur te kunnen
gaan aanleggen, om te zorgen dat we daadwerkelijk de instandhoudingsopgave kunnen
gaan uitvoeren. De schop moet de grond in.
Tot slot. Zoals ik net al gekscherend richting mijn collega Van Asten zei, ligt er
een hele mooie motie van de gewaardeerde collega De Hoop en Heutink, al zeg ik het
zelf. Die ging over de doelstellingen van de begroting. De Kamer heeft die motie aangenomen.
We zien dat deze zaken nu scherper zijn geformuleerd. Daar willen we het kabinet voor
bedanken, want dat tilt de begroting naar een hoger niveau.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank de heer Heutink voor zijn bijdrage. Ik geef graag het woord aan mevrouw Boelsma-Hoekstra
van het CDA.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Voordat ik in ga op de aandachtspunten bij de begroting,
wil ik de rapporteurs en hun ondersteuning heel hartelijk bedanken voor hun werk.
Dat heeft geholpen. Ik moet eerlijk zeggen dat het mij ook sterkte in mijn beeld,
want ik zag heel veel overeenkomsten met wat de rapporteurs hadden gezien.
Ik wil eerst inzoomen op het behandelingsproces van de begroting van IenW. Zoals bekend
wijken we nu af door de tussentijdse verkiezingen, maar we zien ook andere wijzigingen.
Daar is net al aan gerefereerd door de heer De Hoop. We zien dat het Mobiliteitsfonds
en het Deltafonds gevoed worden uit de algemene uitkering. We zien ook dat het Deltafonds
wordt behandeld bij het WGO Water, maar dat het Mobiliteitsfonds bij de begroting
van IenW behandeld wordt. Ik worstel daarmee, want we hebben de inhoudelijke behandeling
van het MIRT nog niet gehad. Ik kom zelf uit het gemeenteland, waar we gewend zijn
om eerst de kaarten en de inhoud te schetsen en dat dan daarna in de begroting te
bekrachtigen. Volgens mij is onze manier van behandelen dus eigenlijk de omgekeerde
wereld, en ik vraag me af of dat ook risico's met zich meebrengt. Ik hoor graag een
reactie van de Minister, en eigenlijk ook van de collega-Kamerleden, in de tweede
termijn.
Ten tweede snap ik niet zo goed waarom de lijst met moties en toezeggingen is komen
te vervallen. Deze lijst was een belangrijke aanbeveling uit het rapport Grip op informatie.
Kan de Minister toezeggen dat de lijst weer onderdeel is van de volgende begroting?
Het volgende punt sluit aan bij de constateringen van de eerdergenoemde rapporteurs.
Een groot aandachtspunt van de IenW-begroting en de fondsen zijn namelijk de kasschuiven,
de overprogrammering en de beschikbare mensen bij Rijkswaterstaat voor de instandhoudingsopgave.
Mijn voorgangers hebben het hier ook over gehad. Hier moet duidelijkheid in komen.
Dat moet niet in een technische briefing, maar hier, zoals mijn voorgangers ook zeiden.
Het is ons namelijk niet duidelijk ... Inmiddels is het mij wel duidelijk dat de reden
voor het verschuiven van die 1 miljard een politieke keuze was. De overprogrammering
is volgens ons gerealiseerd door de eerdergenoemde budgetverlaging van het Mobiliteitsfonds.
Er worden ook wisselende signalen afgegeven over de uitvoeringskracht bij Rijkswaterstaat.
Dit gaf de heer Heutink ook al aan. Kan de Minister duidelijkheid geven over de kasschuiven
en de uitvoeringscapaciteit van Rijkswaterstaat? Ik wil eigenlijk ook een toezegging
vragen van de Minister dat we geen overprogrammering meer plaats laten vinden door
een budgetverlaging.
Dan de brede doeluitkering. Dat is het grootste deel van de wat kleinere IenW-begroting.
We hebben kunnen lezen dat de taakstelling in 2026 is teruggedraaid, maar dat er een
korting aan zit te komen in 2027. Wat is de stand van zaken en de visie voor de lange
termijn?
Als laatste een punt dat voor mij als Kamerlid uit de regio heel belangrijk is, namelijk
de indicator brede welvaart. Of anders gezegd: de ontbrekende indicator brede welvaart,
zoals we hebben kunnen lezen in het rapport van de Rekenkamer. Zoals net ook al is
gezegd, zien we een vooruitgang in de meetbare indicatoren, maar een belangrijke ontbrekende
doelstelling is die van de brede welvaart. Bij het vorige begrotingsonderzoek, dat
ik tijdens mijn wandelingen heb afgeluisterd, heeft de heer Van Dijk van NSC hier
expliciet naar gevraagd. Dat was ook naar aanleiding van zijn eerder ingediende motie.
Die motie had als dictum: «verzoekt de regering het afwegingskader van infrastructuurbeslissingen
voor MIRT-investeringen vanaf 2025 zodanig aan te passen dat aspecten van brede welvaart
worden meegewogen zodat op termijn een betere balans van investeringen tussen dunbevolkte
regio's en stedelijke gebieden ontstaat». In zowel de IenW-begroting als het MIRT
kan ik deze niet vinden. Mijn vraag is: wat is er nodig om brede welvaart mee te nemen
in de weging? Er zijn moties ingediend en toezeggingen gedaan, maar nog steeds wordt
er niet met deze belangrijke indicator gewerkt. Op deze manier kunnen we geen recht
doen aan het rapport Elke regio telt! Ik hoor graag een reactie van de Minister met
een toezegging dat de eerder gedane belofte ook daadwerkelijk wordt waargemaakt.
Voorzitter, afrondend. We weten dat de instandhouding van de infrastructuur op weg,
water en spoor een grote opgave is. Dit heeft economische en maatschappelijke consequenties.
Ik zou in een strategisch commissiedebat graag het gesprek aangaan over hoe wij hier
meer grip op kunnen krijgen. Met andere woorden: is de huidige systematiek nog passend
bij de situatie waar we nu in zitten, en hoe kunnen we dit integraal oppakken? Ik
hoor graag een reactie van de Kamerleden in de tweede termijn.
Tot zover.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Boelsma-Hoekstra. Dan is het woord nu aan de heer Schutz voor zijn inbreng
namens de VVD.
De heer Schutz (VVD):
Dank u wel. Ook ik wil de rapporteurs danken voor hun tijd, inspanning en de toelichting
die ze hebben gegeven. Ook dank voor de ondersteuning van de commissiestaf. Het heeft
mij enerzijds enorm geholpen, maar aan de andere kant blijft het ook troebel, mede
aan de hand van de discussie die we zo-even voerden. Dat ligt niet aan de rapporteurs
en ook zeker niet aan de staf. Het is wat dat betreft gewoon een waardevolle bron
van informatie.
Als ik mijn hele bijdrage zou samenvatten, zou ik zeggen dat het een worsteling is
om het te begrijpen en dat ik een enorme behoefte heb aan eenduidigheid en duidelijkheid.
De rapporteurs hebben zojuist teruggeblikt op de structurele onderuitputting in eerdere
jaren. Ik heb de stukken zelf gelezen en herken het beeld voor 2023 en 2024. Echter,
ik heb in de voorbereiding ook gekeken in de Najaarsnota van Financiën over de IenW-begroting.
Daar lees ik iets anders. Daar staat dat er weliswaar een onderbesteding is van 32 miljoen,
maar tegelijkertijd een overschrijding bij het Deltafonds en het Mobiliteitsfonds
van 100 respectievelijk 189 miljoen.
Er is met andere woorden helemaal geen sprake van onderuitputting. Maar toen ik de
discussie van zo-even volgde, bleek dat de definities echter niet helemaal duidelijk
zijn geworden. Ik ga er nu zelf dus ook geen kwalificaties aan geven, want op het
moment dat ik met u spreek, weet ik eigenlijk niet of wat ik zeg wel klopt. Dat maakt
dat ik, anders dan de heer Heutink, die daar heel expliciet in was ... Ik begrijp
wat hij zegt: hij wil gewoon eenduidige toepassingen. Die wil ik ook, maar ik heb
ook wel behoefte aan een briefing. De Minister deed daarover een toezegging, of dat
nou daadwerkelijk een briefing is of een brief, wat ook mag. Maar ik heb wel behoefte
aan die verduidelijking.
De heer Heutink (PVV):
Ik hoop dat meneer Schutz dan ook begrijpt dat in de najaarsnota mutaties staan die
specifiek gelden over het najaar, maar dat er in een voorjaarsnota ook wijzigingen
over het lopende jaar worden aangebracht. Ook in hetzelfde jaar vinden regelmatig
mutaties plaats die wel degelijk impact kunnen hebben op het totaal aan maximaal beschikbaar
budget binnen een begroting. Als je dat middels kasschuiven of een andere systematiek
verlaagt, heb je op een gegeven moment minder geld, maar nog wel dezelfde hoeveelheid
projecten. Zo krijg je inderdaad de cijfers die u net opnoemde. Dat wou ik even toelichten.
De voorzitter:
Zo helpen we elkaar. Het woord is weer aan de heer Schutz.
De heer Schutz (VVD):
De reden dat ik dit oppakte, was met name dat het gelden zijn – we hebben het over
een kwart miljard – die in mindering worden gebracht op de begroting waarover we het
gaan hebben. Dat vind ik wel een omstandigheid waar we wat van zouden moeten vinden.
Met andere woorden, ook wat overprogrammering is en hoe zich dat verhoudt tot lagere
budgetten moet gewoon duidelijk en eenduidig zijn, zodat we het allemaal over hetzelfde
hebben. Anders begrijpen we elkaar niet meer. Daar wou ik het voor nu bij laten met
betrekking tot onderuitputting en overprogrammering.
Voorzitter. Dan over de spanning tussen ambities versus beschikbare middelen. Ook
dit begrotingsjaar blijft de kernvraag hoe ervoor gezorgd wordt dat het budget daadwerkelijk
de norm blijft voor de uitvoering en programmering. Hoe draagt dit bij aan het oplossen
van de grote opgaven terwijl capaciteit, beschikbare middelen en de markt duidelijke
grenzen kennen? Uit de technische briefing van Rijkswaterstaat en ProRail over de
staat van de infrastructuur en de recente mediaberichtgeving daarover blijkt dat de
opgave groot is en de oplossing budgettair steeds verder uit beeld raakt. Het aanzienlijk
hogere tekort bij ProRail en Rijkswaterstaat valt daarbij op. De Minister is net echter
wel ingegaan op wat er organisatorisch kan gebeuren in deze fase waarin het kabinet
zich bevindt met de formatie. Ik begrijp de metafoor van de treintjes. De rest is
wat mij betreft voor later. We kunnen het daar lang over hebben, maar de oplossingen
voor budgetten moeten echt daarvandaan komen.
Dan maak ik een doorschakeling naar taakstelling en informatiewaarde. De Kamer krijgt
te maken met drie begrotingen en zeer technische informatie. Juist daarom zijn transparantie
en goed inzicht in de ontwikkelingen essentieel. Daarom onderschrijf ik de oproep
van de rapporteurs. Behoud deze informatie en maak haar juist meer toegankelijk.
Over de SEA heeft de Minister al het nodige gezegd en toegezegd. Ik vraag specifiek
aandacht voor de aanbevelingen over drinkwaterbesparing en overstromingen achter de
dijken, mede in het licht van wat we hierover van de Algemene Rekenkamer en de ILT
hebben gehoord.
Dan een laatste punt, voorzitter, en wel hetgeen de Staatssecretaris zei over Haarlem.
Ik herinner me dat commissiedebat nog goed. We hebben daar nadrukkelijk met de Staatssecretaris
over gesproken. Ik herinner me ook dat hij daar een toezegging deed, omdat hij de
onwenselijkheid benoemde van «kapitaalvernietiging», om het maar zo te noemen. We
doen nu een investering van vele tientallen miljoenen die we er op termijn weer uit
moeten halen. Dat is onwenselijk. Ik hoop wel dat die toezegging nog steeds staat,
ook al heeft de Staatssecretaris er direct de waarschuwing bij gegeven dat er wel
meer van dit soort situaties zullen zijn die op dat moment nog niet geïdentificeerd
waren en die uit de heup mee konden worden gegeven. Maar laten we er in ieder geval
wel voor zorgen dat dat spoorknooppunt in Haarlem op een doelmatige en doeltreffende
wijze kan worden opgepakt, ook als zou blijken dat er straks nog andere projecten
zijn. Laat dat niet de legitimering zijn om te zeggen: nou, dan doen we Haarlem ook
maar niet. Laten we Haarlem alstublieft bij de kop pakken.
Ik zou aan de Staatssecretaris willen vragen of hij die toezegging van toen nog steeds
staande houdt en wil herbevestigen, want kapitaalvernietiging moet echt worden voorkomen.
We hadden het net over geld niet uitgeven. Dat is niet goed als dat uitgeven wel gepland
is. Maar het geld over de balk gooien en uiteindelijk niet doelmatig besteden is natuurlijk
niet de bedoeling.
Dat was mijn bijdrage.
De voorzitter:
Dank aan de heer Schutz. Dan gaan we naar de heer Van Duijvenvoorde voor zijn inbreng
namens Forum voor Democratie. Het woord is aan u.
De heer Van Duijvenvoorde (FVD):
Voorzitter. Ook ik wil beginnen met het danken van de rapporteurs en de ambtelijke
ondersteuning.
Wegen, vaarwegen, luchtvaart, het spoor: ons dagelijkse gebruik ervan doet ons bijna
vergeten hoe bijzonder deze netwerken zijn. Onze aanwezigheid hier vandaag, ook al
stond ik vanochtend in de file, is zonder die infrastructuren eenvoudigweg ondenkbaar.
Het succes van onze universiteiten, onze bedrijven en onze havens hangt direct samen
met de staat van die infrastructuur: hoe beter onze wegen en verbindingen, hoe sterker
Nederland.
En juist dat fundament lijkt buiten beeld geraakt, zeker als ik kijk naar de begroting
voor komend jaar. De rode draad in deze begrotingsstukken is een diepe, fundamentele
discrepantie tussen woord en daad. Het kabinet noemt onze infrastructuur de «ruggengraat»
van onze samenleving en economie, maar als we naar de cijfers kijken, zien we een
heel andere realiteit. Dan zien we een ruggengraat die we laten verkalken, terwijl
we miljarden uitgeven aan beleidsprioriteiten met een sterk ideologisch karakter en
beperkt aantoonbaar rendement.
Voorzitter. Laten we de feiten onder ogen zien. Rijkswaterstaat komt voor de periode
tot 2038 maar liefst 34,5 miljard euro tekort om onze wegen, bruggen en sluizen op
een basisniveau te houden. Dat is een structureel tekort van 2 miljard per jaar. Bij
het spoor is het beeld niet anders. De geraamde onderhoudsopgave varieert, afhankelijk
van de bron, van enkele miljarden tot bedragen ver boven de 10 miljard. Dat verschil
is op zichzelf al zorgwekkend, maar wat doet het kabinet? In plaats van deze brand
te blussen houdt men miljarden aan prijsbijstellingen in om rijksbrede gaten te dichten.
Er wordt tot 2039 circa 3,9 miljard euro aan inflatiecorrectie misgelopen op het Mobiliteitsfonds
en het Deltafonds. Dat is geen beleid, dat is een uitholling van ons nationale infrastructuur.
We laten de fundering van ons huis rotten terwijl we druk bezig zijn de daken vol
te stouwen met zonnepanelen. Kijk naar de Schipholtunnel, een essentieel onderdeel
van onze kritieke infrastructuur. Toch blijkt dat er op dit moment geen budget is
gereserveerd voor de noodzakelijke vernieuwing in 2031. Zonder tijdige aanpak dreigt
afsluiting, met grote maatschappelijke en economische schade tot gevolg.
Precies hier ligt het verschil tussen dit kabinet en FVD. We delen de analyse dat
de infrastructuur moet worden uitgebreid en versterkt, en beter moet worden benut.
Dat vraagt om investeringen en duidelijke keuzes. Een moderne economie kan niet zonder
snelheid, ruimte, bewegingsvrijheid en betrouwbaarheid. Het kabinet erkent dat in
woorden, maar kiest in de praktijk voor pappen en nathouden. Het durft geen duidelijke
prioriteiten te stellen en geen echte keuzes te maken. Forum voor Democratie ziet
de infrastructuur als de basis van een land en handelt daar ook naar.
Voorzitter. Het kabinet kondigt een apparaatsbezuiniging aan van 22%, waarbij het
kerndepartement met bijna 10% wordt gekort. Forum staat in principe positief tegenover
deze maatregel, maar laat zich niet misleiden door deze schijnbeweging. Want wat merkt
de burger nou echt van minder ambtenaren als de verstikkende regeldruk ondertussen
gewoon blijft bestaan en zelfs verder uitdijt? De Minister snijdt in personeel, maar
behoudt de bureaucratische jungle van stikstofnormen en pfas-restricties, en kondigt
zelfs een nieuwe circulaire-economiewet aan die onze bouw- en vervoersector verder
zal verlammen. Pas als we die ideologische ballast overboord gooien, ontstaat er weer
ruimte voor de kerntaak van het ministerie: de burger effectief, comfortabel en betrouwbaar
van A naar B laten reizen.
Voorzitter. Het is tijd voor een fundamentele heroverweging. Stop met het storten
van miljarden in speculatieve groene projecten met beperkt effect. Gebruik dat geld
om het onderhoudsgat van 34,5 miljard euro te dichten. Investeer in de tastbare betrouwbaarheid,
capaciteit en verbetering van onze infrastructuur. Dit zijn de levensaders van onze
staat. Wie de infrastructuur laat verslonzen, laat Nederland verslonzen. Laten we
stoppen met dromen over een emissievrije utopie in 2050 en beginnen met het repareren,
verbreden en versterken van Nederland in 2026.
Tot slot heb ik nog drie vragen. Kan de Minister bevestigen dat er op het moment geen
volledige financiële dekking is voor de Schipholtunnel? Acht de Minister het verantwoord
dat het realiseren van een essentieel onderdeel van onze kritieke infrastructuur zonder
dekking door kan gaan? En tot slot: kan de Minister uitsluiten dat het ontbreken van
tijdige investeringen in de Schipholtunnel kan leiden tot beperkingen of sluiting,
met grote maatschappelijke en economische schade tot gevolg?
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik dank de heer Van Duijvenvoorde voor zijn bijdrage. Dank voor het uitzetten van
uw microfoon.
Ik zou de heer De Hoop willen verzoeken om het voorzitterschap tijdelijk over te nemen,
zodat ik mijn bijdrage namens de D66-fractie kan leveren.
Voorzitter: De Hoop
De voorzitter:
Vanzelfsprekend. Dan geef ik nu het woord aan de heer Huidekooper van de fractie van
D66.
De heer Huidekooper (D66):
Hartelijk dank, voorzitter. Met het risico dat ik in herhaling val: ook van mijn kant
hartelijk dank voor de ondersteuning door de griffier en de rapporteurs. Zeer inzichtelijk!
Voorzitter. Wie vandaag door Nederland reist, ziet de sporen van deze tijd. Bruggen
staan vaker open voor reparatie dan voor schepen en bij spoorwegen moet de snelweg
omlaag omdat het fundament veroudert. Buiten de muren van deze zaal schreeuwt de infrastructuur
om aandacht. Dat is een enorme gemiste kans. Publiek geld is er immers om aan het
werk gezet te worden voor de Nederlander, niet om stof te vangen in een fonds.
Dat brengt mij direct bij een punt dat ik niet uitgelegd krijg aan de Nederlander:
de onderuitputting. In een tijd waarin ...
De voorzitter:
Meneer Huidekooper, u heeft direct al een interruptie van de heer Heutink van de PVV-fractie.
De heer Heutink (PVV):
Ik hoor meneer Huidekooper zeggen: geld is er om te worden uitgegeven en niet om stof
te happen in een fonds. Hoe zit het dan met de Lelylijn?
De heer Huidekooper (D66):
Ik meen mij te herinneren dat door het afgelopen kabinet helaas is besloten om de
middelen daarvoor weg te halen. Ik betreur dat ten zeerste, want dat is ook een vertrouwensbreuk
met de regio waaraan die middelen zijn toegezegd. Dat zou niet iets zijn wat ik of
mijn fractie zou gaan doen als daar sprake van was. Ik vind dat recht moet worden
gedaan aan de beloftes die aan de regio zijn gedaan. Dat betreur ik ten zeerste.
De heer Heutink (PVV):
Meneer Huidekooper zegt net dat hij niet wil dat geld stof ligt te happen op de plank,
maar dat is letterlijk wat het geld voor de Lelylijn nu al jaren doet en waarschijnlijk
nog heel veel jaren zal doen. Maar als het om de Lelylijn gaat, vindt de heer Huidekooper
dat dus in een keer niet meer erg. Klopt dat, wat ik zojuist van hem heb gehoord?
En zo nee, waarom niet?
De heer Huidekooper (D66):
Volgens mij is er een brede wens dat die Lelylijn er komt. Daar zijn in deze Kamer
ook meerdere keren moties over ingediend. Niet door mijn fractie, maar door het kabinet
is geconstateerd dat de middelen niet voldoende waren. Daarom is een deel van de middelen
weggesluisd naar de Nedersaksenlijn. Dat betreur ik enorm. Daardoor zijn er nu niet
voldoende middelen om het MIRT-traject voor de Lelylijn te starten. Naar ik meen,
brengt de heer Knot hierover eind deze maand een rapportage uit. Daar kijk ik verwachtingsvol
naar uit. Als er namelijk middelen zijn, moeten we heel goed kijken of we de belofte
die gedaan is, weer gestand kunnen doen.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, meneer Heutink.
De heer Heutink (PVV):
Het enige dat we dan kunnen constateren, is dat D66 het prima vindt om miljarden stof
te laten happen, zolang het maar in hun ideologische plaatje past.
De heer Huidekooper (D66):
Die laatste suggestie wil ik verre van mij werpen. Ik zou de heer Heutink eraan willen
herinneren dat D66 geen deel uitmaakte van het kabinet dat deze keuze heeft gemaakt.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Huidekooper (D66):
Er blijft dus geld van het Mobiliteitsfonds op de plank liggen. In 2024 ging het om
500 miljoen. Dat is pijnlijk, want het is een bittere paradox dat we geld overhouden,
terwijl Rijkswaterstaat én ProRail ons waarschuwen en zeggen dat juist meer geld moet
worden geïnvesteerd om de betrouwbaarheid en de veiligheid van onze wegen en spoorwegen
op peil te houden. De Kamer heeft eerder gevraagd dit tegen te gaan door meer projecten
in te plannen. Een aantal van mijn collega's begon er ook al over: de zogenaamde overprogrammering.
Maar wat zien we in de praktijk? In plaats van die ruimte te gebruiken om broodnodige
onderhoudsprojecten naar voren te halen, gebruiken wij de overprogrammering vooral
voor het verlagen van budgetten. Ik heb daarom een simpele vraag aan de Minister.
In de begeleidende notitie bij de begroting lezen wij ook dat de effecten van de loonprijsbijstelling
op de projecten momenteel onduidelijk zijn voor ons als Kamer. Ik vraag de Minister
dan ook hoe de Kamer haar controlerende taak moet uitvoeren als niet helder is welke
projecten hierdoor worden geraakt, en wat deze bijstelling betekent voor de voortgang
en kwaliteit van onze projecten. Kan hij in dat licht toezeggen dat de Kamer een overzicht
ontvangt van projecten die hierdoor wel en niet worden geraakt?
Voorzitter, dan over de resultaten. De Algemene Rekenkamer is scherp: in deze begroting
ontbreekt elke verwijzing naar doelstellingen voor brede welvaart. Ik heb in dat kader
ook de Strategische Evaluatie Agenda nog eens erop nageslagen. Ik zie daar veel nuttige
en waardevolle procesevaluaties, maar ik vraag de Minister waar de conclusie blijft
over de maatschappelijke impact van dat geld. Kan hij toezeggen dat de agenda vanaf
nu direct wordt gekoppeld aan onze doelstellingen voor brede welvaart? Alleen dan
weten we namelijk of het geld dat wordt uitgegeven ook echt leidt tot een gezonder
en gelukkiger Nederland.
Voorzitter, tot slot. Ik heb het vandaag veel over budgetten die we simpelweg niet
op krijgen, maar laten we niet vergeten dat achter die ongebruikte miljoenen echte
projecten zitten, projecten die nu stilstaan. Elke euro die ongebruikt op de plank
blijft liggen, is een belofte aan Nederlanders die op dit moment niet nagekomen kan
worden; de belofte van een schone trein, een veilige dijk of een bereikbare woonwijk.
Laten we dus die beloften voor die brede welvaart doorzetten en daadwerkelijk zorgen
dat het geld dat nu op de plank ligt, wordt uitgegeven, zodat we volgend jaar niet
hoeven te debatteren over geld dat op de plank lag, maar kunnen vieren dat Nederland
weer echt in beweging is.
Ik kijk uit naar de reactie van de Minister en Staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Huidekooper, voor uw bijdrage namens D66. Dan geef ik het fra...
Ik wou bijna zeggen «het fractievoorzitterschap», maar dat gaat wel heel hard. Ik
geef het voorzitterschap weer aan u terug.
Voorzitter: Huidekooper
De voorzitter:
Hartelijk dank, meneer De Hoop. U heeft gelijk, dat zou wel heel erg snel zijn. Ik
kijk even naar de Minister en de Staatssecretaris. Hoeveel tijd denken zij nodig te
hebben voor de voorbereiding van de beantwoording? Een kwartier. Dan schors ik de
vergadering nu en gaan we verder om 18.15 uur.
De vergadering wordt van 18.01 uur tot 18.15 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug aan de bewindslieden en de leden en uiteraard aan de mensen hier in de
zaal en de mensen die thuis meekijken. Ik heropen de vergadering voor de beantwoording
door de Minister en Staatssecretaris in eerste termijn. Ik stel voor om het aantal
interrupties per fractie weer op vier vast te stellen. Ik zou graag het woord willen
geven aan de Minister. Het woord is aan u.
Minister Tieman:
Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de commissieleden voor de vragen en het technische
aspect. Ik merk dat we enigszins langs elkaar heen praten als we het hebben over «onderuitputting»
en «overuitputting», de definitie daarvan en de vraag wat je daarmee kunt doen. Hierbij
speelt het unieke karakter van een investeringsfonds een rol. Je moet kijken naar
de gehele looptijd van vijftien jaar en niet naar elk afzonderlijk jaar. Ondanks het
beeld dat bij de heer De Hoop is ontstaan, is door de kasschuiven geen budget uit
het Mobiliteitsfonds weggehaald. Dat budget is verplaatst naar latere jaren en wordt
dan voor dezelfde projecten ingezet. Dat is de kern van een investeringsfonds en daarbij
moet je de gehele looptijd in het oog houden. Ook als je het budget in de oorspronkelijke
jaren zou laten staan, zou dat geen ruimte geven voor extra projecten. Het budget
is immers in latere jaren bestemd voor de oorspronkelijke doelen.
Voor wat betreft het totaal van het fonds komen we onder aan de streep juist budget
tekort voor alle prioriteiten, bijvoorbeeld voor de instandhouding. Zoals u weet,
heeft de Algemene Rekenkamer dit becijferd op 34,5 miljard.
Overigens is het beeld dat er sprake is van onderuitputting van het Mobiliteitsfonds
aan het kantelen. De realisatie loopt op, wat zich uit in een nadelig saldo van 2025,
waarover u in de Najaarsnota bent geïnformeerd. Wel wordt er af en toe budget verplaatst
naar doelen die meer prioriteit hebben gekregen, maar dan geven we in de begroting
expliciet aan dat deze herprioritering heeft plaatsgevonden.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
U heeft het over de kasschuif die de heer De Hoop benoemd heeft, maar er hebben ook
andere kortingen plaatsgevonden. Daardoor is het saldo later in het jaar dus lager
dan in het begin van het jaar. Dat heeft, denk ik, niet zoveel met die kasschuif te
maken. Misschien komt het nog voor in uw antwoord, maar volgens mij heeft het naar
beneden bijstellen van het saldo nóg twee oorzaken.
Minister Tieman:
Dat klopt: prijsbijstellingen en kortingen.
De heer Heutink (PVV):
Ik dank de Minister voor de toelichting, maar als Kamerlid heb ik er toch behoefte
aan om elk jaar te kunnen zien welke projecten we dat jaar gaan doen en hoeveel geld
er beschikbaar is. Ik snap dat het kabinet het uitlegt over de gehele looptijd, maar
ik wil wel kunnen bepalen of er nou werk is blijven liggen of niet. Ik moet dat toch
per jaar kunnen doen. We zitten hier immers elk jaar om dit debat met elkaar te voeren.
Elk jaar hebben we gewoon een begrotingsdebat. Ik zou dus toch van de Minister willen
weten hoe hij de Kamer tegemoet gaat komen, zodat zij daar wel een goed beeld van
kan krijgen.
De voorzitter:
Duidelijk. De Minister.
Minister Tieman:
Dat doen wij op een jaarlijkse basis met een projectoverzicht met daarin budget en
mijlpalen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Heutink.
De heer Heutink (PVV):
Voorzitter. Dat is fijn, maar als we dan de onderuitputting gaan bepalen over de gehele
looptijd van het Mobiliteitsfonds, geeft het projectoverzicht dat we over één jaar
hebben, dus een scheef en vertekend beeld. Ik hoop dat de Minister mij kan begrijpen.
Wat ik hiermee bedoel, is dat ik precies wil zien hoeveel geld er is en welke projecten
daartegenover staan. Zoals het er nu uitziet, zijn beide niet met elkaar in balans.
Minister Tieman:
Dat is inzichtelijk gemaakt in de begroting en in het MIRT-overzicht, meneer Heutink.
De voorzitter:
De heer Heutink voor zijn derde interruptie.
De heer Heutink (PVV):
Dat geloof ik. Daarom benoemt de Tweede Kamer zonet de onderuitputting in de begroting
van de afgelopen jaren en van dit jaar. Dan zegt de Minister: ja, maar dat klopt niet,
want wij berekenen dat over de gehele looptijd. Maar dat gaat dus niet. Ik wil van
de Minister weten hoe hij aan de Tweede Kamer gaat communiceren wat de onderuitputting
van dit jaar nou specifiek is en ook hoe hij daar de definitie op gaat baseren.
Minister Tieman:
Ik stel voor dat ik dat op papier ga zetten, zodat we hier geen misverstand over hebben.
Ik zal het goed toelichten en dan komen we ook terug op die technische briefing. We
kijken nog even en-of. Dan gaan we hier verder stappen mee maken, want hier moet gewoon
geen misverstand over bestaan.
De voorzitter:
Dank. Dit punt roept veel vragen op. De heer Schutz was eerst.
De heer Schutz (VVD):
Ik juich het antwoord van de Minister toe, even los van wie gelijk heeft. Misschien
heeft iedereen wel gelijk of een beetje gelijk. Er zit wel een kloof tussen hoe het
door de leden beleefd wordt, ook in onze diversiteit, die er ook zit – ik heb ook
een heel andere lezing gehad dan ik teruglas in het rapport van de rapporteurs, waar
overigens wel heel veel goede dingen in zaten – en wat ik vandaag hoor. Met andere
woorden: als we teruggrijpen op waar we hier vandaag voor zijn, namelijk het kabinet
controleren op de begroting en of het allemaal klopt, dan zit er te veel licht tussen.
Misschien moeten we dat bij onszelf zoeken, begrijpen we het niet goed genoeg, maar
dan is inderdaad de vraag: breng ons in die positie, zodat we bij een volgende vergadering
over een begrotingsonderzoek direct op dat spoor zitten en niet deze enorme verschillen
hebben.
Minister Tieman:
Dus een briefing en een brief.
De voorzitter:
Mevrouw Boelsma-Hoekstra, u was volgens mij eerst. Het woord is aan u.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Volgens mij is het op zich niet heel erg ingewikkeld, want je begint met een bepaald
bedrag aan het begin van het jaar. U gaf net al aan, even in een snelle bijzin: prijsbijstellingen
en kortingen. Je gaat overprogrammeren, dus je gaat meer projecten doen. Toen gaf
u aan in antwoord op de rapporteurs: wij hebben eigenlijk meer projecten, dus we gaan
over het budget heen. Dat is een nieuwe situatie. Maar dat budget is anders, want
u heeft een prijsbijstelling en een korting gedaan in de loop van het jaar. Als dat
niet was gebeurd, als dat bedrag gelijk was gebleven, was er misschien nog wel overgeprogrammeerd – dat
zou best kunnen – maar minder hoog dan met die prijsbijstellingen en kortingen die
zijn gedaan. Daarom was mijn vraag in de eerste termijn of u kunt toezeggen dat het
bedrag dat we ervoor bedoeld hebben blijft staan en niet op een bepaalde manier gekort
wordt in de loop van het jaar, want dan krijg je ook problemen. Dan komen onze budgetten
niet uit, omdat we tussendoor kortingen gaan zitten doen. Dat is eigenlijk de concrete
vraag en volgens mij de lezing van het verhaal, maar ik kan ernaast zitten.
Minister Tieman:
Wat dat betreft zit u goed, maar we nemen de kortingen er altijd in mee. Dan moeten
we ook minder kunnen doen. Ik ga dit duidelijk voor u maken in die brief en in die
technische briefing. Binnenkort hebben we hier meer inzicht in. Transparantie ten
top!
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
U heeft gezien dat ik in het debat ook worstel op dit punt. Laat ik zeggen dat wij
als rapporteurs uitgegaan zijn van het maximaal beschikbare afgesproken budget aan
het begin van het jaar of in ieder geval in de looptijd van het jaar. Vervolgens kijk
je wat er gebeurt en wat voor projecten er ontstaan. Als je vandaaruit redeneert,
is er dan onderuitputting of overuitputting? De conclusie die wij als rapporteurs
trokken was: als je zo redeneert, heb je onderuitputting. De definitie vanuit het
Mobiliteitsfonds over vijftien jaar: ik kan niet inschatten waar je dan op uitkomt.
Het maakt het werk, ook dat van de rapporteur, best ingewikkeld als we daar een heel
andere definitie voor hebben. Ik waardeer het dus dat er de mogelijkheid krijgen om
een briefing te hebben. Ik zeg als rapporteur ook dat ik graag samen met collega Van
Asten dit verdiepende gesprek nog wat uitgebreider zou willen voeren met het ministerie.
Ik heb nagedacht of we hier nu al een motie over moeten indienen. Ik denk dat dat
niet behulpzaam is voor het gesprek dat we hier hebben. Ik denk dat het wel goed is,
ook voor een volgend rapporteurschap over het volgende jaar, dat we in ieder geval
bij een gezamenlijke definitie uitkomen, want anders gaan we ook volgend jaar dit
gesprek weer met elkaar hebben.
Minister Tieman:
Ik zeg toe dat we die deep dive met elkaar gaan doen, in het bijzonder met de rapporteurs
en het rapporteurschap in de breedste zin. Dan doel ik op een document waar uw opvolgers
mogelijk ook wat aan hebben.
De voorzitter:
Dank aan de Minister. Ik kijk even rond. U vervolgt uw beantwoording, Minister.
Minister Tieman:
Ik ga naar de vraag van de heer Schutz. Daar staat in dat het Mobiliteitsfonds en
het Deltafonds in 2025 te maken hadden met overschrijdingen van 89 miljoen en 100 miljoen
euro. Deze overschrijding komt, zo werd aangekondigd, ten laste van de begroting van
2026. Er is sprake van een nadelige overuitputting op de fondsen van 2025. Op de fondsen
is er sprake van een saldowerking. Een voordelig of nadelig saldo van het vorige jaar
wordt ten laste gelegd aan de begroting van het jaar erna. Dit is een werkwijze die
is vastgelegd in de begrotingsregels die ervoor zorgen dat de uitgaven binnen het
financieel kader beheerst worden.
Dan nog een vraag van de heer Schutz. Voor het jaar 2025 blijkt nu meer kasbudget
nodig te zijn dan geraamd. Dit resultaat wordt betrokken bij de evaluatie van de verhoging
van de overprogrammering. Ook zijn dit punten in samenhang die verschillende richtingen
op lijken te wijzen. De heer Schutz wil graag een nadere toelichting. Op de fondsen
werkt IenW, in afstemming met het Ministerie van Financiën, sinds 2025 met een hogere
overprogrammering. Dit is gedaan om ervoor te zorgen dat er geen onderuitputting meer
optreedt. Mede dankzij deze hogere overprogrammering in 2025 is bij de afgelopen Najaarsnota
gebleken dat er vorig jaar zelfs meer werd uitgegeven dan het beschikbare budget.
Dit resultaat en de toekomstige hoogte van de overprogrammering worden betrokken bij
de voorjaarsbesluitvorming van 2026. Daarbij hebben we als doelstelling dat we alle
middelen die ons beschikbaar worden gesteld, daadwerkelijk uitgeven.
Mevrouw Boelsma van het CDA vroeg naar de kasschuif en de uitvoeringscapaciteit en
of de Minister duidelijkheid kan geven over de verschuiving van 1 miljard en de uitvoeringscapaciteit
van Rijkswaterstaat. De kasschuif van 1 miljard van 2026 naar 2027 was een uitkomst
van de politieke onderhandelingen rondom de Voorjaarsnota 2025. Het verzoek aan IenW
is te kijken of de kasschuif was in te passen door de infrastructuur te faseren naar
2027. Rijkswaterstaat en ProRail hebben in de loop van de ontwerpbegroting 2026 een
uitvoeringstoets gedaan waaruit bleek dat de gevraagde fasering niet op korte termijn
mogelijk was. Die kasschuiffasering is dus, in overeenstemming met het Ministerie
van Financiën, teruggedraaid. Het heeft geen gevolgen gehad voor onze uitvoeringscapaciteit.
Daarnaast wordt er een toezegging gevraagd dat er geen overprogrammering meer plaatsvindt
door budgetverlaging. Overprogrammering is nooit het instrument om budgetverlagingen
mee op te vangen. Overprogrammering is een instrument dat we al jaren op de investeringsfondsen
toepassen om voorziene en onvoorziene vertragingen in projecten en programma's op
te vangen. Op deze manier blijft de productie op stoom en gaan we onderuitputting
tegen. Daarom is het instrument overprogrammering in mijn ogen noodzakelijk. Elk jaar
bekijken we met het Ministerie van Financiën welk niveau van overprogrammering verantwoord
is.
De voorzitter:
Minister, u heeft een interruptie van de heer Heutink. Dit is uw laatste interruptie,
meneer Heutink.
De heer Heutink (PVV):
Ik denk dat we allemaal begrijpen dat je moet overprogrammeren om het geld uitgegeven
te krijgen. Ik denk dat we het daar allemaal over eens zijn. Is de Minister het eens
met de Kamer, of in ieder geval met mijn fractie, dat budgetverlaging nooit een reden
mag zijn om het geld op peil te brengen, dus dat je je budgetmaat gaat verlagen zodat
je geen projecten meer uit hoeft te voeren? Is de Minister dat met ons eens?
Minister Tieman:
Ja, dat ben ik met u eens.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft geen interrupties meer. Het woord is aan mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ja, met het risico dat ik er straks nog maar eentje over heb. Dat is het lot van een
Kamerlid. Desnoods schuif ik ’m door naar mijn buren. Het volgende blijft mij puzzelen;
dat is misschien ook wel een beetje de aard van het beestje. Ik stelde een vraag over
die overprogrammering, maar die wordt precies anders beantwoord dan ik hem gesteld
heb. De heer Heutink helpt mij en daardoor zijn zijn interrupties op. Eigenlijk is
de primaire vraag... Ik zou het heel fijn vinden als die toezegging wordt gedaan.
Het kan niet zo zijn dat we overprogrammeren. Stel, je hebt tien projecten, want die
kan je voor een bepaald bedrag doen, maar je kiest er twaalf, want we gaan overprogrammeren.
Ik zie dat er aan de overkant met het hoofd wordt geschud, dus ik krijg straks een
goed antwoord. In de loop van de tijd is dat budget van een miljoen, 900.000 geworden.
Daar zit dus gewoon eventjes de... Dan zeggen we: we hebben die twaalf projecten en
het zijn er tien geworden, maar we zijn boven ons budget uitgekomen. Ja, logisch,
want het was eerst een miljoen en het is nu 900.000. We wachten wel op die technische
briefing, maar het antwoord is helemaal anders dan hoe ik de vraag heb gesteld. We
wachten die technische briefing dus af. Hierna laat ik het ook los. Maar als ik straks
de zaal uit loop, zit ik nog steeds met de vraag hoe dat nou precies zit. We lezen
dat namelijk wel in die stukken en u heeft het net aangegeven: prijsbijstelling en
kortingen.
De voorzitter:
Wil de Minister daarop reageren?
Minister Tieman:
Hier gaan we duidelijkheid over krijgen, op korte termijn; laat daar geen misverstand
over bestaan. Dan kunt u al uw vragen kwijt. Dan heb ik mijn technische mensen er
ook bij. Ik maak een brief voor u. Hier komt binnenkort duidelijkheid over.
De voorzitter:
De heer Heutink heeft een ordevoorstel.
De heer Heutink (PVV):
Dit gaat niet echt over de orde van de vergadering, maar is het misschien mogelijk
dat we een deel van de brief of de brief zelf al voor de begroting krijgen? Dat gaat
ons namelijk wel helpen bij de plenaire behandeling van de begroting zelf.
Minister Tieman:
Die toezegging kan ik doen aan de heer Heutink.
De voorzitter:
Dat staat genoteerd. Vervolgt u uw betoog.
Minister Tieman:
Mevrouw Boelsma vroeg om de toezegging dat er geen overprogrammering meer plaatsvindt
door budgetverlaging. Overprogrammering is nooit het instrument om budgetverlagingen
mee op te vangen. Op deze manier blijft de productie op stoom en gaan we onderuitputting
tegen.
Dan ga ik naar het kopje begrotingssystematiek. Ik begin met een vraag van mevrouw
Boelsma. Zij vroeg: volgen we niet de omgekeerde route door de begrotingen te behandelen
terwijl de MIRT nog niet in de Kamer besproken is? Normaal stel je eerst de kaders
vast in een begroting en dan behandel je dat daarna. Welke risico's neemt dit met
zich mee? Mijn antwoord is als volgt. We behandelen op dit moment de begroting IenW
voor 2026, die op Prinsjesdag met de Kamer is gedeeld. De begroting geeft weer binnen
welke financiële kaders ik als Minister opereer en welke keuzes de Staatssecretaris
en ik voor 2026 op voorhand hebben gemaakt. Deze financiële kaders geven ook weer
waar nog ruimte zit voor inhoudelijke keuzes. In feite is het dus een kip-eidiscussie
en is er niet direct een ideale inhoudelijke volgorde. Wat wel vaststaat, is dat wij
zonder vastgestelde begroting geen uitgaven kunnen doen in de echte wereld. Dan komt
ons beleid dus stil te staan. Hierin zie ik vooral het risico dat wij, totdat de Tweede
en Eerste Kamer onze begroting hebben vastgesteld, niet geautoriseerd zijn om uitgaven
te doen voor nieuw beleid.
De heer Huidekooper vroeg: hoe kan de Kamer haar controlerende rol uitvoeren als niet
helder is welke projecten worden geraakt en wat deze prijsbijstellingen betekenen
voor de vooruitgang en de kwaliteit? Kan de Minister een overzicht toezeggen van projecten
die hier wel en niet door worden geraakt? Nagenoeg alle projecten, zowel aanleg als
instandhouding, worden geraakt door het inhouden van loon- en prijsbijstellingen.
De kostenstijgingen zitten in loon en materiaal, alsmede materiaalkosten. Enkele uitzonderingen
zijn contracten waar in het verleden langjarige indexatieafspraken over zijn gemaakt,
zoals een aantal DBFM-contracten.
De heer Duijvenvoorde zei: stop met groene projecten en stop met het stoppen van geld
in groene projecten, en gebruik dat geld om het onderhoudsgat te dichten en te investeren
in de verbetering van de infrastructuur. Het kabinet, zelfs als het demissionair is,
neemt zijn verantwoordelijkheid voor het verduurzamen van onze samenleving, inclusief
de infrastructuur.
Informatiewaarde en SEA, daar had de heer Schutz een vraag over. De oproep aan de
rapporteur – tenminste, een onderschrijving daarvan – is: behoud deze informatie en
haar toegankelijk. Mijn reactie daarop is als volgt. Het vergroten van de informatiewaarde
en het toegankelijk maken van de begrotingen is een voortdurend proces. In de begroting
voor 2027 wordt verder ingezet op het verhogen van de toegankelijkheid en het vergroten
van de informatiewaarde. Zoals aangegeven in de beantwoording aan de rapporteurs,
concentreren we ons daarbij eerst op het overzichtelijker maken van de koppeling tussen
doelen en middelen.
Drinkwaterbesparing. De Algemene Rekenkamer wijst op een aantal hiaten in de Strategische
Evaluatie Agenda, SEA, en de risico's rondom drinkwaterbesparing. Op dit moment kijken
wij, zoals ook is aangekondigd, naar een besparing van 20% in 2035 voor de industrie,
voor de grootverbruikers. Maar zoals aangegeven streeft de ILT, de Inspectie Leefomgeving
en Transport, er steeds meer naar om informatiegedreven te werken op alle gebieden,
waarbij in 2026 actief wordt ingezet op databeheer, data-analyse en verantwoordelijk
gebruik van AI. Er wordt continu gewerkt aan het beschikbaar stellen van die data,
zodat we die doelen wel gaan halen. Voor drinkwaterbesparing heeft de Algemene Rekenkamer
vorig jaar een evaluatie uitgevoerd. In reactie daarop heeft mijn voorganger aangegeven
het inzicht in drinkwatergebruik te willen vergroten door met het Centraal Bureau
voor de Statistiek onderzoek te doen naar het gebruik per huishouden en bedrijf. Op
dit moment zijn wij met de vereniging van drinkwaterbedrijven, Vewin, in gesprek om
het beeld van drinkwatergebruik en watergebruik thuis te actualiseren. We gaan kijken
wat we kunnen doen om dat beter te benutten.
De heer Schutz had ook een vraag over de risico's rondom ruimtelijke preventie en
overstromingen achter dijken. Dijken op orde houden is de meest doelmatige en kosteneffectieve
manier om Nederland te beschermen. Dit onderhoud valt onder de verantwoordelijkheid
van het Rijk. We doen dat natuurlijk samen met de waterschappen, via het Hoogwaterbeschermingsprogramma.
Maatregelen in laag 2 – dat is de ruimte – alsmede in laag 3 – dat is de crisisbeheersing – van
de meerlaagse veiligheid vallen onder de verantwoordelijkheid van verschillende overheden.
Ik herken niet dat er een gebrek zou zijn aan informatie. Daar waar maatregelen nodig
zijn, wordt er altijd gebiedsgericht en breed naar oplossingen gekeken.
Nog een vraag van de heer Schutz. De Algemene Rekenkamer staat ook stil bij de evaluatieprogrammering.
De Algemene Rekenkamer wijst ons terecht op de hiaten in de evaluatieprogrammering.
In de afgelopen jaren hebben wij hier stappen in gezet. We zijn echter nog niet bij
het doel. Ik zal mij met de Staatssecretaris hardmaken om de witte vlekken in de evaluatieprogrammering
aan te pakken richting de begroting van 2027, zoals ik ook heb aangegeven in mijn
reactie op de rapporteurs. Duidelijkheid over de planning van enkele onderzoeken zal
geboden worden in de begroting van 2027.
Mevrouw Boelsma had een vraag over de bijlage moties en toezeggingen. Bij het schrappen
van de bijlage in de rijksbegroting heeft het Ministerie van Financiën naast de verdiepingsbijlage
tevens het overzicht van moties en toezeggingen geschrapt. U geeft aan dit als een
achteruitgang te ervaren ten aanzien van uw informatiepositie. U schetst daarbij terecht
de context uit het rapport Grip op informatie. Ik zal dan ook met het ministerie in
overleg treden in Q1.
Brede welvaart. Bij de afweging rondom een nieuwe investering wordt het volgende afwegingskader
gebruikt. Er wordt gekeken naar politieke richting, zoals vastgelegd in een regeerprogramma,
en de mate waarin iets past binnen de Mobiliteitsvisie, waarin brede welvaart verankerd
is, en er wordt ook een maatschappelijke kosten-batenanalyse gebruikt waar brede welvaart
onderdeel van is. De huidige context van het Mobiliteitsfonds zorgt er echter voor
dat de afweging noodzakelijk pragmatisch is. De focus ten aanzien van die projecten
ligt de laatste jaren op wat echt doorgang kan vinden.
Verder over brede welvaart...
De voorzitter:
Minister, u heeft nog een interruptie van mevrouw Boelsma-Hoekstra.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
U mag het wel eerst afmaken.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Minister Tieman:
Dank u. In de voorgaande begrotingen stond een verwijzing naar de Factsheets Brede
Welvaart van het CBS over de IenW-beleidsterreinen. De Minister van Financiën heeft
op 8 oktober 2024 met de brief verbetering verantwoording en begroting de Tweede Kamer
geïnformeerd dat deze factsheets in het vervolg tegelijk verschijnen met de jaarverslagen.
Om deze reden ontbreekt de verwijzing naar de factsheets in de begroting van 2026.
U vraagt naar de koppeling van brede welvaart in de begroting. Brede welvaart is een
methode en een graadmeter voor welzijn, welvaart, duurzaamheid en ongelijkheid in
de samenleving, waarbij de belangen van nu, later en elders gebalanceerd worden afgewogen.
Ik kan u toezeggen om in de volgende beleidsbegroting van IenW per beleidsartikel
een koppeling te maken met de 17 SDG's.
De voorzitter:
Dank, Minister. Ik zie dat mevrouw Boelsma-Hoekstra haar laatste interruptie wil plaatsen.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Ik had die bewaard voor dit onderwerp. Ik denk dat het goed is als we het hier ook
eens met z'n allen over hebben. Zoals ik net al zei, heb ik in mijn kerstreces heel
veel debatten teruggelezen over wat hier besproken is met verschillende Kamerleden
en bewindspersonen. Ook hier zit het ’m volgens mij weer in de definitie, wat we er
met z'n allen mee bedoelen en hoe dat geborgd wordt. Ik link het aan de motie van
de heer Van Dijk van NSC over een betere balans van investeringen tussen regio's en
stedelijke gebieden; anderen linken het ergens anders aan. Dus misschien is het goed
als we hier eens praten over hoe we een methodiek kunnen ontwikkelen die wél al die
moties en al die toezeggingen borgt in een komende begroting.
Minister Tieman:
We gaan u meenemen in die SDG's; laat ik het zo formuleren. We nemen u mee in hoe
wij die Sustainable Development Goals met die koppeling zien en hoe Elke regio telt!,
de koppeling die u maakt, daarin verweven is. Het lijkt mij prima om u daarin mee
te nemen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Minister Tieman:
Dan de vraag van de heer De Hoop over een overzicht van grote projecten met tekorten.
De heer De Hoop wil een overzicht ontvangen van alle grote projecten op weg-, water-
en spoorinfra van boven de 100 miljoen die recent zijn begonnen of nog moeten beginnen,
met een reële inschatting van tekorten. Ik heb uw Kamer – wij hebben uw Kamer – medio
juli vorig jaar op verzoek van de heer Grinwis een bijgewerkte opgave van de financiële
opgaven gestuurd, naar aanleiding van een toezegging. Dat is nog niet heel lang geleden.
We kunnen die lijst nogmaals sturen. Het is een vrij overzichtelijke lijst. Er was
destijds ook om gevraagd als input voor uw verkiezingsprogramma's.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer De Hoop daarop wil reageren.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Als de Minister zegt dat het nog niet heel lang geleden is, denk ik dat het ook niet
een heel ingewikkelde opgave is om die lijst te updaten en dan naar de Kamer te sturen.
Als de Minister aan dat verzoek wil voldoen, dan komt hij aan een toezegging toe.
Minister Tieman:
Ja, dat lijkt me een goed idee.
De voorzitter:
Dank. Minister, gaat u verder met de beantwoording.
Minister Tieman:
Het kopje instandhouding en maakbaarheid. De heer Schutz zei dat ook dit begrotingsjaar
de kernvraag blijft hoe ervoor wordt gezorgd dat het gekozen verhoogde budget daadwerkelijk
de norm blijft. In het jaar 2026 zijn er weer forse budgetten voor infrastructuur:
ruim 10 miljard voor het Mobiliteitsfonds en 2 miljard voor het Deltafonds. Dit zijn
middelen die geïnvesteerd worden in de grote opgaven in Nederland op het terrein van
bereikbaarheid en waterveiligheid. Ondanks de schaarste in capaciteit en in de markt
lukt het ons om deze middelen ook weg te zetten.
Mevrouw Boelsma had het over een grote instandhoudingsopgave. Dat klopt. U wilt in
een strategisch commissiedebat het gesprek aangaan over hoe wij er grip op kunnen
houden en of die systematiek nog past bij de huidige tijd. Uw Kamer heeft al een commissiedebat
gepland over de staat van de infrastructuur en de aanpak van deze grote opgave. Dat
staat gepland op 19 maart. Dan kunnen we op deze systematiek ingaan.
De heer Heutink vroeg naar het tekort van tientallen miljarden. «Maakbaarheid was
een groot probleem, maar ligt het nu aan het financiële kader? Waar zit de bottleneck?
Zit die bij stikstof, geld of capaciteit?» Het is een combinatie van stikstofproblematiek,
de financiële opgave en de uitvoeringscapaciteit. Personele krapte heeft geleid tot
de keuze om met middelen te schuiven binnen dat Mobiliteitsfonds, van aanleg naar
instandhouding en binnen de aanlegportefeuille. Nu de aanlegprojecten gepauzeerd zijn,
is er ook capaciteit naar de instandhouding geschoven. Sec voor de maakbaarheid is
in het meerjarenplan instandhouding uiteengezet hoe we die productie verhogen. Die
is inmiddels op stoom. De budgetten voor E&O en de vernieuwing in 2025 werden volledig
uitgeput. De Tweede Kamer is in juni van vorig jaar geïnformeerd over het meerjarenplan
instandhouding, waarmee we deze productie verhogen.
De voorzitter:
De heer Heutink verzoekt om een extra interruptie. Ik stel voor dat ik dit toesta.
Uw allerlaatste.
De heer Heutink (PVV):
Wat ontzettend attent, voorzitter. Mijn vraag is de volgende. Stel dat er toch geld
beschikbaar komt om te beginnen met die aanlegprojecten. Is de maakbaarheid nu dan
volledig naar instandhouding geschoven? Of is er nog ruimte om, als de Kamer dat wenst,
bij welke begroting dan ook, wel geld vrij te maken voor die gepauzeerde projecten
in het MIRT? Of is die maakbaarheid nu dan volledig verdwenen?
Minister Tieman:
De pauzering is echt volledig toe te schrijven aan stikstof. Per jaar proberen we
er eentje op te starten met ruimte. We hebben bijvoorbeeld LVVN-geld gebruikt voor
natuurzaken in de Rotterdamse haven, om meer stikstofruimte te creëren. We puzzelen
nog steeds. We komen bijvoorbeeld bij het project Hoevelaken 29 mol tekort. Het gaat
om het hele project. Dat is dan even een fact of life. We checken wel iedere keer
wat er kan. Op dit moment is dat het antwoord.
De voorzitter:
Dank aan de Minister voor de beantwoording. Gaat u gerust verder met de rest van de
beantwoording.
Minister Tieman:
Nog een tweetal. De heer Heutink vroeg wat er nodig is voor de aanleg van nieuwe infra.
Hij zei: de schop moet de grond in en de schouders moeten eronder. Het Mobiliteitsfonds
staat op dit moment zwaar onder druk, zoals we allemaal al weten. Er is allereerst
voldoende budget nodig voor de toenemende instandhoudingsopgave en het afdekken van
de tegenvallers in het lopende programma. Wat betreft het starten van nieuwe MIRT-projecten:
ik kom dan terug bij wat ik net heb gezegd. Dat stond erachter, inderdaad.
De heer Van Duijvenvoorde van FVD vroeg een bevestiging betreffende de Schipholtunnel.
Op 1 juli van vorig jaar heb ik uw Kamer het meerjarenplan instandhouding van Rijkswaterstaat
toegestuurd. De Schipholtunnel staat op het lijstje met zaken die in voorbereiding
zijn maar waarvoor nog geen financiële dekking is. Besluitvorming hierover zal aan
een volgend kabinet zijn. Indien er niet tijdig middelen worden gevonden, kunnen we
daar verder geen commitment op aangaan. Dit zal ook negatieve economische effecten
hebben. U vraagt: wat zijn de effecten? Nou, die zijn met name economisch. Zonder
financiële dekking kunnen er geen nieuwe opdrachten aan de markt worden verstrekt
voor dit essentiële object.
Tot zover mijn beantwoording, voorzitter.
De voorzitter:
Ik dank de Minister voor de beantwoording in de eerste termijn en dan geef ik graag
het woord aan de Staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen die aan hem
zijn gesteld.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank aan de leden voor de aandacht voor de beantwoording van een heel drietal vragen
aan mij als Staatssecretaris.
De eerste gaat over de instandhouding bij ProRail. Die is gesteld door de heer Schutz,
en over zijn vraag hebben we het al eerder gehad. We hebben een aanzienlijk tekort
dat ook bij ProRail landt. Wat zouden nou oplossingsrichtingen zijn die je kunt overwegen
om dat tekort op te lossen, als het gaat om de instandhouding? Ik heb net ook al tegen
de heer Van Asten gezegd dat de echte oplossing bij een nieuw kabinet ligt. Dan heb
je het over dat bedrag van 20 miljard over een looptijd van 15 jaar dat moet worden
gevonden voor de instandhouding van alleen al het basisniveau van de huidige spoorwegen.
Als je dat niet voldoende hebt, kom je in de tussentijd bij de moeilijke maatregelen
terecht. De Minister zei dat net al terecht. Dat betekent dat je geen nieuwe projecten
kunt starten in Nederland. We hebben nog wat bestaande projecten in het MIRT zitten,
maar daar houdt het dan mee op. Dan komt daar geen nieuw project bij. Dat overwegen
we niet eens, want we doen nu al geen nieuwe projecten.
Wat we ook doen, is de moeilijke keuzes maken. Dat is gelijk het bruggetje naar de
tweede vraag van de heer Schutz, namelijk over Haarlem. Dat is namelijk zo'n moeilijke
keuze. De afgelopen jaren is het ProRail ondanks de financiële tekorten gelukt om
wel steeds «werk met werk» te maken, zodat je niet die kapitaalvernietiging hebt.
De heer Schutz gebruikte geloof ik de term «geld over de balk». Die vind ik echt niet
passend. Het is heel logisch dat je, als je een lekkage in je dak hebt en het loopt
langs je kozijnen naar buiten, niet alleen het dak repareert maar ook nieuwe kozijnen
overweegt. Maar ja, dan moet je wel het geld hebben voor nieuwe kozijnen. Op dit moment
is de situatie zodanig dat we geen geld hebben voor nieuwe kozijnen en dus alleen
maar het dak repareren. Dat betekent dat ik heb gekeken wat er mogelijk is in het
MIRT, maar dat ik helaas tot de conclusie ben gekomen dat het in Haarlem gaat om een
nieuw project, een nieuwe productstap. Ik kan met de huidige budgetten geen nieuwe
verplichtingen aangaan, ook niet als het financieel voordelig is in het hier en nu.
Zo ernstig is op dit moment de financiële situatie binnen het Mobiliteitsfonds.
Wij hadden de toezegging gedaan om te kijken of dit op meer plekken voorkomt. Het
antwoord daarop is ja. We zijn op dit moment grondig bezig om dat goed in kaart te
brengen, dat stuk komt nog voor de zomer. Onze eerste inschatting is dat deze discussie
op korte termijn nog in Sittard, in Maastricht en in Breda zal gaan spelen. We zijn
op dit moment nog bezig om een grondige analyse te maken. Dit gaat nog op heel veel
meer plekken voorkomen en ik denk dat we er eerlijk in kunnen zijn dat dit misschien
nog wel de minste problemen zijn die zich gaan voordoen, gezien de tekorten die er
op dit moment zijn binnen het Mobiliteitsfonds.
De voorzitter:
Ik zag de heer Schutz naar de microfoon grijpen. Het woord is aan u.
De heer Schutz (VVD):
De hoofdvraag was of dit een ander antwoord is dan we in het commissiedebat Spoor
kregen. In dit antwoord beluister ik duidelijk de constatering «ja, want ik ben een
stapje verder». Wat de Staatssecretaris in het commissiedebat Spoor aangaf, was dat
hij er nog naar ging kijken en ik dacht dat dat nog de status was. Daarin hoorde ik
licht tussen zijn woorden en wat er voor de kerst werd gezegd, dus dat is inhoudelijk
een verdere stap.
Over de balk gooien, ja, dat doen we niet. Ik bedoelde met over de balk gooien natuurlijk
dat de investering die we nu doen, er een is die straks weer wordt weggenomen om hem
dan, als er ooit extra geld is, opnieuw te doen. Dat noemde ik kapitaalvernietiging
en dat voel ik ook zo. Dat vind ik wel een juiste duiding. Dan is over de balk gooien
niet ver weg. Daar zat het hem in, maar ik heb daar geen negatieve connotatie aan
bedoeld te geven. Dit knelt wel omdat Haarlem zelf bereid is om deel van de oplossing
te zijn. Dat was voor ons in het commissiedebat de trigger om u te vragen: is dit
nou niet zo'n afgezonderde situatie dat je er nog eens naar zou moeten kijken? Maar
ik begrijp nu uit de bevestiging dat het antwoord is: dat heb ik gedaan en het is
er niet. Voor het overige moeten we het bij de begrotingsbehandeling behandelen. Heb
ik dat zo goed begrepen, meneer de Staatssecretaris, vraag ik via de voorzitter.
Staatssecretaris Aartsen:
Ja. Dat raakt ook de discussie die we eerder hadden over de status en de hele uitputtingsdiscussie
over het Mobiliteitsfonds. Ik kan op dit moment geen nieuwe verplichtingen aangaan
binnen het Mobiliteitsfonds. Het Mobiliteitsfonds kent een balans, namelijk: hoeveel
heeft u al toegezegd te gaan betalen in projecten en hoeveel euro's zitten erin? Dat
moet in balans zijn.
De Algemene Rekenkamer heeft terecht gezegd: als u dit wat er nu al in zit allemaal
wilt gaan doen, dan komt u al zo'n 34,5 miljard tekort. Dat is de situatie waarin
we nu zitten. Dan vind ik het onverantwoord om te zeggen: dit zijn projecten die ervoor
zorgen dat het in stand wordt gehouden – daar hebben we al tekorten – en laten we
daar bovenop nog eens een nieuw project gaan zetten. Dat staat los van het feit dat
Haarlem bereid is om het voor te financieren. Het is een nieuwe verplichting die ik
uiteindelijk moet gaan betalen op een andere plek. Als er geen nieuw geld bij komt,
dan betekent dat dat je bij die andere projecten, instandhoudingsprojecten, onderhoudsprojecten
of al lopende projecten, geld moet weghalen. Uiteindelijk moet je wel aan je verplichtingen
kunnen voldoen. Dat maakt deze situatie zo verschrikkelijk pijnlijk. De heer Schutz
heeft gelijk, het is kapitaalvernietiging. Maar het is niet kapitaalvernietiging in
de zin van geld over de balk gooien – zo bedoelde de heer Schutz het waarschijnlijk
ook niet – maar in de zin dat we gewoon geen geld hebben om een nieuwe verplichting
aan te gaan. Daardoor is dit eeuwig zonde. Maar ja, dat is op dit moment wel de situatie.
De voorzitter:
Ik kijk even of de heer Schutz naar zijn mening een duidelijk antwoord heeft gekregen.
Dat is het geval. Gaat u verder met de rest van de beantwoording.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. De derde vraag was van mevrouw Boelsma van het CDA. Die ging over
de BDU-korting. In het hoofdlijnenakkoord van het missionaire kabinet is besloten
om de SPUK's te decentraliseren en met die decentralisatie ook 10% korting toe te
passen. Daar heeft zich, zoals ik dat heb genoemd, een ongelukkigheid, een bestuurlijk
foutje voorgedaan. De BDU is technisch gezien namelijk ook een SPUK. Maar ja, de BDU-gelden
gaan naar trams, bussen en metro's in de vervoersregio's Amsterdam en Rotterdam en
dat is juist bewust bij de rijksoverheid gehouden, dus dat kun je niet decentraliseren.
Destijds is echter wel besloten om die korting van 10% te laten staan. Ook in de afgelopen
Voorjaarsnotabehandeling is bewust besloten om die kortingen te laten staan. Dat heeft
voor een pijnlijke situatie deze zomer gezorgd waarin beide vervoersregio's aangaven
dat ze moesten snijden vanwege de kortingen van 2026 en 2027 en zo verder. Ik heb
toen in de Kamer gezegd dat ik zou kijken wat er binnen mijn mandaat mogelijk was
om die kortingen op te vangen en geen onomkeerbare stappen te zetten als dubbeldemissionair
kabinet.
Een van de voordelen van het feit dat twee verschillende partijen uit dit kabinet
zijn gestapt, eerst de PVV en daarna NSC, is dat daardoor nog een aantal politieke
enveloppen zijn vrijgevallen. Dat heeft als voordeel gehad dat we die pijnlijke bezuiniging
op het regionaal openbaar vervoer niet hoefden door te voeren. Althans, dat het mij
is gelukt om het geld in te zetten voor jaarschijf ’26 en een derde in 2027, zodat – dat
heb ik ook heel goed afgesproken met de vervoersregio's – ze in ieder geval niet nu
al hoeven te starten met het snijden in de budgetten, want 10% weghalen is fors snijden.
We hebben daarbij afgesproken dat we een nieuw kabinet de mogelijkheid bieden om die
keuze opnieuw te maken, dus: zetten we die bezuiniging door of vinden we elders budget
om dat structureel op te vangen? Het moet immers wel structureel geregeld worden.
Daarom staat het er nu in voor één jaar en een derde jaar. Daarmee hebben de vervoersregio
een dusdanig... «Comfort» is misschien niet het juiste woord. In ieder geval hoeven
ze financieel niet acuut in actie te komen. Dat bood de vervoersregio's in ieder geval
de mogelijkheid om politiek verder te praten, onder andere met de formerende partijen,
om te kijken of de BDU-korting op een andere manier kan worden ingevuld.
Tot zover, voorzitter.
De voorzitter:
Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording, en uiteraard ook aan de Minister.
We zijn aan het einde gekomen van de eerste termijn van dit wetgevingsoverleg. Ik
kijk naar de leden om te zien of er behoefte is aan een tweede termijn. Ik zie mevrouw
Boelsma-Hoekstra en de heer Heutink knikken. Oké, dat is helder. We gaan over naar
de tweede termijn, te beginnen met de heer Heutink namens de PVV. Het woord is aan
u.
De heer Heutink (PVV):
Dank, voorzitter. Ik wil de bewindspersonen bedanken voor de antwoorden. Ik kan niet
wachten tot we volgende een echt politiek debat hebben.
De voorzitter:
Dat was een zeer korte tweede termijn. Mevrouw Boelsma-Hoekstra, u krijgt misschien
wat eerder dan gedacht het woord.
Mevrouw Boelsma-Hoekstra (CDA):
Dank u wel, voorzitter. Ook dank voor de toezegging dat er gekeken gaat worden naar
het terugbrengen in de begroting van de moties en de toezeggingen. Ik wacht met heel
veel belangstelling de technische briefing af, want ik ga toch naar huis met het gevoel
dat we elkaar niet helemaal snappen. Dat is geen fijn gevoel, maar ik hoorde dat dat
allemaal opgelost wordt. Er komen zo veel debatten aan, bijvoorbeeld met betrekking
tot brede welvaart en Elke regio telt! U zult van mij horen en ik ga erop door. Dat
gaat komen. Er zijn velen voor mij geweest. Ik hoop dat we daar iets voor kunnen inregelen.
Ik heb de Kamerleden er niet naar gevraagd, maar ik denk dat we in een strategische
commissievergadering gewoon eens even door moeten praten over hoe we verdergaan met
al deze materie. Ik breng ’m ieder geval in en ik hoor wel of de rest dat ook een
goed idee vindt.
Tot zover, en dank voor de duidelijke beantwoording.
De voorzitter:
Dank, mevrouw Boelsma-Hoekstra. Ik meen dat ik in uw tweede termijn geen vraag heb
gehoord aan de Minister of Staatssecretaris. U had wel een oproep aan de rest van
de Kamerleden. Ik zou iedereen willen oproepen om daar in ieder geval voor zichzelf
naar te kijken.
Er is er geen tweede termijn van de kant van het kabinet nodig. Dan rest mij nog om
de toezeggingen die vandaag zijn gedaan even op te sommen.
− De Minister zegt toe aan de rapporteurs om dit voorjaar met de Minister van Financiën
in overleg te treden over de terugkeer van de verdiepingsbijlage en hierover schriftelijk
terug te koppelen aan de Kamer.
− De Minister zegt toe aan de rapporteurs in de ontwerpbegroting van 2027 een voorstel
te doen voor verbetering van het inzicht in de koppeling tussen doelen en middelen.
− De Minister zegt toe de Kamer voorafgaand aan de plenaire begrotingsbehandeling schriftelijk,
en later desgewenst in een technische briefing, te informeren over de terminologie
inzake onder- en overuitputting, in relatie tot de stand van de ontwerpbegroting en
tussentijdse mutaties.
Ook die toezegging wordt herkend.
− De Minister zegt toe aan het lid Boelsma-Hoekstra met de Minister van Financiën in
overleg te treden over de mogelijkheid om de bijlage met moties en toezeggingen te
laten terugkeren.
− De Minister zegt toe aan het lid Boelsma-Hoekstra in de volgende beleidsbegroting
een koppeling te leggen tussen de begrotingsartikelen en de zeventien duurzameontwikkelingsdoelstellingen,
oftewel de SDG's, en daarin ook het uitgangspunt van Elke regio telt! mee te nemen.
Tot slot is er de volgende toezegging.
− De Minister zegt toe aan het lid De Hoop een geactualiseerd overzicht te sturen van
weg-, water- en spoorinfraprojecten van meer dan 100 miljoen die recent zijn begonnen
of nog moeten beginnen, met daarbij een reële inschatting van de tekorten.
− Het was nog niet afgesproken op welke termijn dat gestuurd moet worden. Op welke termijn
kan de Kamer die brief tegemoetzien? Er is een voorstel van de heer De Hoop.
De heer De Hoop (GroenLinks-PvdA):
Als het een update van de lijst van Grinwis is, dan denk ik dat het wel mogelijk zou
moeten zijn om die brief voor het MIRT-debat te sturen. Dat zou prettig zijn. Dat
is het verzoek.
De voorzitter:
Ik zie de Minister knikken, dus hij zegt toe dat die brief nog voor het MIRT-debat
naar de Kamer toe komt.
Dan rest mij tot slot nog te zeggen dat we volgende week dinsdag gaan stemmen over
de ingediende moties. O, er zijn inderdaad geen moties. Over de amendementen en de
begrotingen zelf wordt pas gestemd na afloop van de plenaire behandeling van alle
begrotingshoofdstukken. Deze afronding is vooralsnog voorzien voor halverwege maart
2026.
Ik dank de Minister, de Staatssecretaris, de leden en de mensen op de publieke tribune.
Hierbij sluit ik de vergadering.
Sluiting 19.12 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
M. Schukkink, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| PVV | 19 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Tegen |
| Groep Markuszower | 7 | Voor |
| BBB | 3 | Tegen |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Voor |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Keijzer | 1 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.