Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 12 februari 2026, over Selibon
22 343 Handhaving milieuwetgeving
30 872
Landelijk afvalbeheerplan
Nr. 451
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 20 maart 2026
De vaste commissie voor Koninkrijksrelaties en de vaste commissie voor Infrastructuur
en Waterstaat hebben op 12 februari 2026 overleg gevoerd met de heer Aartsen, Staatssecretaris
Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Van Marum, Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken en Koninkrijksrelaties, over:
– de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d.
20 november 2025 inzake aanpak Selibon Lagun (Kamerstuk 22 343, nr. 434);
– de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d.
15 december 2025 inzake bestuursovereenkomst en uitvoeringsprogramma aanpak Selibon
Lagun (Kamerstuk 22 343, nr. 435);
– de brief van de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d.
10 februari 2026 inzake reactie op verzoek commissie over de situatie rondom Selibon
(Kamerstuk 22 343, nr. 438);
– de brief van de Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu d.d. 12 februari 2026
inzake verzoek Openbaar Lichaam Bonaire voor vrijstelling MER-plicht met betrekking
tot de stortplaats Lagun (Kamerstuk 22 343, nr. 440).
Van dit overleg brengen de commissies bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, Mutluer
De fungerend voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat, Peter de Groot
De griffier van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties, Hessing-Puts
Voorzitter: Mutluer
Griffier: Hessing-Puts
Aanwezig zijn acht leden der Kamer, te weten: Tijs van den Brink, Ceder, Heera Dijk,
Michon-Derkzen, Mutluer, Nanninga, Schilder en Tseggai,
en de heer Aartsen, Staatssecretaris Openbaar Vervoer en Milieu, en de heer Van Marum,
Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Aanvang 14.01 uur.
De voorzitter:
Ik stel voor dat we gaan beginnen. Welkom allemaal. Bon dia. Welkom bij dit commissiedebat
over Selibon. Ik wil uiteraard namens de Kamerleden, die hier vandaag in groten getale
aanwezig zijn, de twee Staatssecretarissen welkom heten. Dat zijn de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, de heer Van Marum, met zijn ondersteuning,
en de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, de heer Aartsen. Ik wil daarbij
vermelden dat dit waarschijnlijk in deze hoedanigheid jullie laatste debat is met
deze commissieleden over Koninkrijksrelaties. Alle waardering voor alle inspanning
en het werk dat jullie hier hebben verricht, maar jullie zijn nog niet klaar. We gaan
zo meteen hopelijk een mooi en goed debat met elkaar voeren over dit onderwerp.
Voor de rest wil ik de leden van de commissie het verzoek doen om toe te staan dat
mevrouw Schilder, die geen lid is van de commissie, toch deel mag nemen aan dit commissiedebat.
Vindt iemand dat bezwaarlijk? Niemand vindt dat bezwaarlijk. Dan mag mevrouw Schilder
ook deelnemen.
Voor de rest heb ik vernomen dat wij vandaag een brief hebben ontvangen van het Ministerie
van Infrastructuur en Waterstaat. Die is eigenlijk best laat binnengekomen. Dat hebben
jullie ook gezien. Het gaat over het verzoek van het Openbaar Lichaam Bonaire om een
vrijstelling van de MER-plicht met betrekking tot de stortplaats. Jullie kunnen die
gewoon meenemen in dit debat; dan weten jullie dat. Daar zal de Staatssecretaris straks
iets over zeggen.
Tot slot, voordat we gaan beginnen met de eerste termijn. We hebben tot een uur of
vier. Ik wil in de eerste termijn twee interrupties onderling toestaan, zodat we straks
iets meer interrupties kunnen plegen richting de Staatssecretarissen.
Dat gezegd hebbende wil ik nu gaan starten met dit debat. Ik geef als eerste het woord
aan de heer Ceder van de ChristenUnie. Uw vier minuten gaan nu in. Nee, drie minuten
zelfs maar.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Bon dia. Good day. Goedendag aan eenieder die kijkt.
We spreken opnieuw over Selibon. Ik wil er geen doekjes om winden: wat ons betreft
moet Selibon Lagun zo snel mogelijk sluiten. De afspraak van dit kabinet dat de vuilstortplaats
nog twee jaar wordt gedoogd, is gezien de ontwikkelingen en de uitkomsten die we gehoord
hebben tijdens de technische briefing, voor ons eigenlijk onacceptabel. De Kamer heeft
onder andere door middel van moties al meerdere malen klemmend verzocht om als kabinet,
meer specifiek als Ministerie van IenW, de regie te nemen. Het kabinet blijft weigeren
en zich verschuilen achter de taak van de eilandsraad. Ik vraag de Staatssecretaris:
blijft u op dit moment volharden hierin? Heeft u er vertrouwen in dat het openbaar
lichaam zijn wettelijke taken adequaat kan uitvoeren? Het heeft niet te maken met
een gebrek aan wilskracht, maar heeft het openbaar lichaam de capaciteiten om een
ramp van deze omvang aan te kunnen? Dat is mijn vraag. Zo ja, waar baseert de Staatssecretaris
dit vertrouwen dan nog op?
Voorzitter. In de antwoorden op mijn schriftelijke vragen schrijft de Staatssecretaris
dat er maatregelen genomen zijn die de situatie «op korte termijn zichtbaar en merkbaar
zullen verbeteren». Wat wordt hiermee bedoeld? Wat gaan vooral de omwonenden merken?
Ook worden enkele maatregelen «geherprioriteerd». Ik weet niet wat dat betekent. Kan
de Staatssecretaris dit toelichten, ook voor de omwonenden, die zich nog steeds ernstig
zorgen maken?
Uit de technische briefing bleek dat er weinig zicht is op concrete vooruitgang. Omwonenden
en de Nationale ombudsman hebben met klem opgeroepen om te stoppen met het storten
van afval. Als ik de brief van het kabinet lees, ontbreekt het niet aan goede voornemens.
Die zijn er. Maar het patroon blijft wel hetzelfde: nieuwe plannen, maar eigenlijk
geen uitvoering. Wat is de reactie van het kabinet op de brandbrief van de Ombudsman?
Gaat de regering onverkort uitvoering geven aan de aanbevelingen? Zo nee, waarom niet?
Ik wil van de Staatssecretaris ook weten hoe nu precies toezicht gehouden wordt op
de luchtkwaliteit. Worden er nu continu onafhankelijke luchtkwaliteitsmeningen uitgevoerd?
Zo nee, per wanneer gaat dit wel gebeuren?
Voorzitter, ik rond af. Zeker nu het kabinet besloten heeft om Selibon tot 2028 open
te houden, vraag ik me af wat dat op dit moment betekent voor de direct omwonenden,
ook omdat we niet weten wat de impact op de luchtkwaliteit en de volksgezondheid is.
Moeten zij accepteren dat zij tot die tijd in een vervuilde omgeving wonen? Wat de
ChristenUnie betreft is dat onacceptabel en gaan we over tot een aantal maatregelen.
Ik heb al een aantal moties in gedachten, maar ik wil ook kijken naar wat de Kamer
met elkaar kan afspreken, ook in samenspraak met het kabinet.
Voorzitter, heb ik nog twintig seconden?
De voorzitter:
Zeker.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Kijk, dan ga ik nog even door.
Tot slot, het interbestuurlijk toezicht. De ILT concludeerde al eerder dat het het
bestuurscollege ontbreekt aan uitvoeringskracht en bestuurskracht. Volgens mij is
het al heel lang duidelijk dat het bestuurscollege niet in staat is om de problemen
op te lossen. Begrijp ik goed dat het kabinet weigert in te grijpen, mede omdat de
interventieladder nog niet is uitgelopen? De Staatssecretaris schrijft wel dat we
in fase 3 van de interventieladder, actief toezicht, zitten en dat er wellicht eind
februari wordt overgegaan op een vooraankondiging van juridische interventie. Mijn
vraag is of de Staatssecretaris kan toelichten waarom al niet veel eerder is opgeschaald
naar fase 4 of zelfs 5.
Hier wil ik het bij laten.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Ceder. Dan geef ik direct het woord aan mevrouw Heera Dijk van
D66.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank u wel, voorzitter. Bon tardi. «De situatie bij vuilstort Selibon op Bonaire is
niet alleen zorgwekkend maar ook erg schrijnend. Ik moet eerlijk zeggen dat ik ervan
geschrokken ben dat dit soort situaties nog kunnen voorkomen binnen ons Koninkrijk.»
Dit zijn niet mijn eigen woorden; dit was de intro van mijn collega, meneer Bamenga,
tijdens het debat hierover van een jaar geleden. We zijn twaalf maanden verder en
de mensen op Bonaire zijn nog geen steek verder gekomen. Nog steeds worden mensen
geconfronteerd met brand, giftige rook en zelfs evacuatie uit hun huis.
Voorzitter. De situatie op Bonaire houdt bewoners al jaren in haar greep. Ondertussen
leven omwonenden van Selibon in onzekerheid over hun gezondheid en leefomgeving. Ondanks
herhaalde waarschuwingen worden grote delen van de landfill onvoldoende afgedekt,
wat opnieuw heeft geleid tot branden in januari 2026. Het lokaal bestuur heeft een
belangrijke rol als bevoegd gezag. Tegelijkertijd heeft IenW een bredere verantwoordelijkheid,
want als overheid hebben wij een zorgplicht, of dat nu in Europees Nederland of in
Caribisch Nederland is. Ik voel me er ongemakkelijk bij dat het ons al zo lang niet
lukt om dit probleem structureel op te lossen, terwijl bewoners daar dagelijks de
gevolgen van ondervinden.
De Ombudsman en de Kinderombudsman zijn duidelijk: het nog twee jaar gedogen van een
illegale vuilstort is onacceptabel. Al acht jaar komen er klachten binnen. De tijd
van wachten is voorbij. We hebben geen nieuw rapport en geen nieuwe waarschuwing meer
nodig, maar duidelijkheid en regie. Daarom heb ik de volgende vragen aan de Staatssecretaris.
Wanneer is voor het kabinet het moment bereikt om op te schalen van niveau 3 naar
niveau 4 van de interventieladder als de huidige aanpak onvoldoende effect heeft?
Wat heeft IenW op dit moment nog nodig om de regie over te kunnen nemen? Hoe wordt
de gezondheid van omwonenden structureel in beeld gebracht?
Voorzitter. Na jaren van rapporten en waarschuwingen is het nu tijd om door te pakken.
Dat mogen de bewoners op Bonaire ook van ons verwachten, zodat zij niet meer in angst
hoeven te leven, maar kunnen vertrouwen op een gezonde en veilige leefomgeving.
De voorzitter:
Dank u wel. Ik geef nu het woord aan mevrouw Schilder van de Groep Markuszower.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dank u wel, voorzitter. Het laatste ILT-rapport is glashelder. De situatie bij Selibon
Lagun is complex, zorgwekkend en urgenter dan ooit. We hebben decennia aan rapporten
en plannen, maar geen resultaat. De afvalberg groeit en de gezondheidsrisico's voor
omwonenden groeien mee. Ik vraag de Staatssecretaris: hoe kan het dat, ondanks alle
waarschuwingen en ingrepen, de situatie niet verbetert maar verslechtert?
Voorzitter. Ik heb jaren op Curaçao gewoond. Ik ken de trots en zelfredzaamheid van
de eilanden: «Wij doen het zelf wel. We hebben Nederland niet nodig.» Die trots is
een kracht, maar wanneer bestuurders hulp en regie weigeren terwijl sprake is van
een ernstige milieuramp, is die trots geen kracht meer maar onverantwoord bestuur.
Dat is wat we nu zien. Het bestuurscollege mist kennis, capaciteit en middelen. Dat
is begrijpelijk voor een klein eiland, maar de ILT is duidelijk. Vergunningverlening,
toezicht en handhaving zijn structureel niet op orde, termijnen worden overschreden
en besluiten blijven uit. Dat is geen overmacht, maar falen. Erkent de Staatssecretaris
dat hier sprake is van structureel falen van het Openbaar Lichaam Bonaire?
We weten namelijk dat het anders kan. Tijdens de periode van de indeplaatsstelling
was er wel vooruitgang. Er werd begonnen aan een omheining, het opruimen van biomedisch
afval en het herstel van containers. Zodra het OLB het weer overnam, viel alles stil:
geen resultaat en dus geen veiligheid voor de omwonenden. Laten we dus stoppen met
doen alsof het lokaal wel gaat lukken.
De nieuwe bestuursovereenkomst lijkt een signaal uit Den Haag, maar harde garanties
ontbreken opnieuw. Weer overleg en rapportages, maar weinig actie. Ondertussen blijven
heftige branden uitbreken en worden bewoners keer op keer hun huizen uit gejaagd en
na een paar dagen weer teruggestuurd zonder dat er een onderzoek naar giftige uitstoot
heeft plaatsgevonden. Dit is onverantwoord en onmenselijk. Staatssecretaris, waarom
blijft de regie bij het OLB, terwijl het daar aantoonbaar misgaat? Waarom grijpt het
kabinet niet in? Hoe rechtvaardigt het kabinet de betaling van miljoenen uit Nederland
zonder regie of sancties? Het dreigen met het stopzetten van een financiering treft
niet het bestuur, maar de omwonenden. Zij betalen immers met hun veiligheid en gezondheid.
Voor ons is het simpel: of de verantwoordelijkheid blijft bij het eiland, en dan zonder
financiële steun, of de regie gaat naar IenW.
Voorzitter. Genoeg is genoeg. De mensen op Bonaire en zeker de omwonenden van Selibon
verdienen veiligheid. Het lokale bestuur kan dat niet waarmaken, maar ondertussen
blijft Nederland betalen zonder regie te hebben. Dat is onhoudbaar. Daarom moet de
regie over de landfill naar IenW. Het is geen kwestie van trots of politiek, maar
van leven en gezondheid. Wachten is geen optie meer.
Dank u wel.
De voorzitter:
U bedankt voor uw bijdrage. Ik ga nu verder met mevrouw Tseggai van GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter, dank. Stelt u zich voor dat op Texel al jarenlang een vuilstort in brand
staat. Laat dat even op u inwerken. Wat zou dat met uw gevoel van veiligheid doen?
Als op Texel of in een ander deel van Europees Nederland een vuilstort in brand zou
staan, hadden we hoogstwaarschijnlijk al veel eerder ingegrepen. Ik schaam mij ervoor
dat dit in Nederland, maar dan in het Caribisch deel van ons land, toch gebeurt. Het
is duidelijk dat de situatie op Bonaire onhoudbaar is. Recent zijn er weer omwonenden
geëvacueerd. Wat GroenLinks-PvdA betreft moet er direct worden ingegrepen om verdere
gezondheidsschade, zowel fysieke als mentale, voor omwonenden te voorkomen.
Sinds de bestuurlijke afspraken tussen het kabinet en het Openbaar Lichaam Bonaire
over de aanpak van de grote schadelijke gevolgen van de vuilstort is er weinig gebeurd.
De bewoners van Bonaire merken niks van deze bestuurlijke afspraken. Dat blijkt ook
wel uit het feit dat de Staatssecretaris in zijn brief van vanmorgen over de zeer
uitzonderlijke vrijstelling voor de MER-plicht spreekt van een calamiteuze situatie,
omdat de branden op de vuilstort maar blijven terugkeren.
De voorzitter:
De bel gaat. Een aantal collega's gaat naar de stemmingen. Ik kan me voorstellen dat
we daarbij aanwezig moeten zijn als er hoofdelijke stemmingen zijn. Mochten die er
zijn, dan schorsen we deze vergadering en gaan we snel naar de zaal. Mevrouw Tseggai,
u mag wachten tot de bel niet meer gaat en dan mag u fier verder.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Voorzitter. Eerder deze week ontvingen wij een brief van de Nationale ombudsman, die
in niet mis te verstane bewoordingen schrijft dat de bestuurlijke afspraken niet acceptabel
zijn, omdat deze onvoldoende zijn om de burgers daadwerkelijk en op een duurzame manier
te beschermen. De vuilstort moet direct sluiten – dat stelt ook de Ombudsman – omdat
het langer gedogen van de illegale situatie onverenigbaar is met de plicht van de
overheid om de gezondheid en veiligheid van de burgers van Bonaire te beschermen.
Voorzitter. Ik heb een aantal specifieke vragen voor de Staatssecretarissen. Hoe kan
het dat deze kwestie zich nu al zo lang voortsleept? De eerste klachten kwamen al
in 2018 bij de Ombudsman binnen. Waarom is er niet veel eerder adequaat ingegrepen?
Het lijkt voor het openbaar lichaam en de beide ministeries onduidelijk te zijn wie
waarvoor verantwoordelijk is. Hoe kan dat? Kan de Staatssecretaris van IenW aangeven
of de branden op korte termijn zullen stoppen door de spoedige aanleg van een nieuw
stortcompartiment? Zo nee, wat moet hiervoor dan nog meer gebeuren? Welke mogelijkheden
heeft de Staatssecretaris van IenW om de verantwoordelijkheid voor het toezicht naar
zich toe te trekken, bijvoorbeeld door een wijziging van de wet? Mijn collega Schilder
zei dat net ook al.
Daarnaast ziet de Ombudsman het steeds terugkerende probleem dat het Openbaar Lichaam
Bonaire een uitzonderlijk breed takenpakket heeft, maar niet beschikt over de noodzakelijke
capaciteit, expertise en uitvoeringskracht. Dit brengt natuurlijk grote risico's met
zich mee. Hoe gaat het kabinet dit samen met Bonaire op korte termijn oplossen? Kunnen
beide Staatssecretarissen toezeggen dat er geen financiële belemmeringen zullen zijn
om zowel de tijdelijke als de structurele oplossingen voor dit probleem met de vuilstort
te financieren?
Voorzitter, ik kom tot een afronding. Ik hoop en ik ga ervan uit dat het kabinet –
of het volgende kabinet, zeg ik er even bij – alles op alles zet om de problemen zo
snel mogelijk op te lossen. Het lijkt mij verstandig als het kabinet ons als Kamer
maandelijks een update gaat geven over hoe de oplossingen vorderen, zodat wij als
Kamer goed op de hoogte blijven. Ook daarop wil ik graag een reactie.
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Ook mijn dank voor uw bijdrage. Dan gaan we naar de eerste termijn van de heer Van
den Brink van het CDA.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Bon dia. Good day. De situatie bij Selibon Lagun
is al jaren ernstig en is ook vandaag nog steeds pijnlijk actueel. Nog recent, begin
dit jaar, is er opnieuw brand uitgebroken op de stortplaats. Dikke rook trok over
omliggende woonwijken en bewoners werden opnieuw geconfronteerd met stank, rook en
zorgen over hun gezondheid. Deze gebeurtenis maakt duidelijk dat de risico's waar
we hier over spreken geen theoretische of historische problemen zijn, maar een dagelijkse
realiteit voor inwoners van Bonaire.
Voorzitter. Het CDA is blij dat dit debat vandaag wél doorgaat, in tegenstelling tot
vele andere debatten die worden verplaatst in verband met de komst van een nieuw kabinet.
Dat geeft de urgentie aan. Het CDA ziet ook dat er nu stappen worden gezet. De bestuursovereenkomst,
het uitvoeringsprogramma, de vrijgemaakte middelen en de brief van vanmorgen over
het vrijstellen van de MER-plicht laten zien dat zowel het bestuurscollege als het
Rijk de ernst van de situatie onderkennen. Tegelijkertijd confronteert juist deze
recente brand ons met de vraag of de huidige aanpak snel, robuust en afdwingbaar genoeg
is om nieuwe incidenten te voorkomen. De kern van dit debat is voor het CDA de verbinding
tussen verantwoordelijkheid en uitvoering. Bonaire is geen gemeente op afstand; het
is Caribisch Nederland. Dat betekent dat het Rijk niet alleen samenwerkingspartner
is, maar ook een bijzondere verantwoordelijkheid draagt voor de veiligheid, gezondheid
en leefomgeving van inwoners.
Mevrouw de voorzitter. De bestuursovereenkomst bevat veel en ambitieuze afspraken:
financiële stabilisatie van Selibon N.V., inzet van Omgevingsdienst NL, opvolging
van ILT-aanbevelingen en de afspraak om Selibon Lagun uiterlijk in 2028 te sluiten.
Dat is belangrijk. Het recente brandincident onderstreept dat de periode tot 2028
kwetsbaar blijft en dat tijdelijke maatregelen er echt voor moeten zorgen dat de risico's
snel afnemen. Concreet heb ik drie vragen aan de Staatssecretaris, zeg ik via u, mevrouw
de voorzitter. Ten eerste over de acute risicobeheersing. Welke aanvullende maatregelen
zijn sinds de recente brand genomen om herhaling te voorkomen? Acht de Staatssecretaris
de huidige kortetermijnmaatregelen voldoende om brandgevaar, rookontwikkeling en gezondheidsrisico's
daadwerkelijk te beheersen? Wat heeft u nog meer nodig om een einde te kunnen maken
aan de onverantwoorde situatie die er nu lijkt te zijn? Ten tweede over gezondheid
en vertrouwen. Is de Staatssecretaris bereid om structureel en onafhankelijk gezondheidseffecten
te laten monitoren en de Kamer en de bewoners daarover actief te informeren, juist
na incidenten zoals de brand? Ten derde over de regie. Als afspraken niet tijdig worden
nagekomen of nieuwe incidenten zich blijven voordoen, welke concrete interventiemogelijkheden
heeft het Rijk dan nog om meer bij te sturen?
Voorzitter. Het CDA wil voorkomen dat tijdelijke oplossingen onbedoeld leiden tot
nieuw uitstel. Voor inwoners van Bonaire telt uiteindelijk niet wat er op papier staat,
maar wat zij merken in hun leefomgeving. Dit dossier is daarmee ook een toets van
bestuurlijke betrouwbaarheid. De huidige situatie is, voor zover ik dat hiervandaan
kan beoordelen, echt onverantwoord. Doet u, in overleg met de Rijksvertegenwoordiger
en het OLB, vooral wat nodig is om de veiligheid van de bevolking tot eind 2028 en
daarna te garanderen, alstublieft.
Dank u wel, mevrouw de voorzitter.
De voorzitter:
Precies binnen de tijd. Dank u wel. Mevrouw Nanninga, aan u het woord.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Dank u wel, voorzitter. Een speciale groet aan de mensen die meekijken vanuit Bonaire.
Voorzitter. De Inspectie Leefomgeving en Transport, de ILT, sprak vorige week in een
technische briefing over Selibon van de drieslag complex, zorgwekkend en urgent. Deze
week werd bekend dat naast het bindende, onafhankelijke onderzoek, zoals overeengekomen
in de bestuursafspraken, ook de Nationale ombudsman met zijn eigen onderzoek komt.
Voorzitter. Het is goed dat de Staatssecretaris eind vorig jaar concrete afspraken
heeft kunnen maken met het bestuurscollege van Bonaire. De sluiting van de stortplaats
in 2028, de inzet op een nieuw stortvak en de betrokkenheid van Omgevingsdienst NL
zijn belangrijke stappen, maar afspraken op papier brengen vooralsnog geen enkele
merkbare verbetering mee voor de leefomgeving, vooral nu de ILT duidelijk blijft wijzen
naar het Openbaar Lichaam Bonaire, waar te weinig in beweging lijkt te komen. En dat
terwijl omwonenden hun huizen vorige maand nog hebben moeten evacueren door rook en
branden.
Ik heb een aantal vragen aan de Staatssecretaris. Ten eerste. De ILT constateert dat
eerdere verbeteringen slechts tijdelijk effect hadden en dat voor een doortastende
uitvoering het budget ontbrak. Hoe wordt concreet geborgd dat gemaakte afspraken wel
volledig en tijdig kunnen worden uitgevoerd? Wat doet de Staatssecretaris als dat
niet zo is? Waar komt eventueel aanvullend budget vandaan?
Ten tweede. Als gevolg van een rechterlijke uitspraak ligt de primaire verantwoordelijkheid
nu dus weer bij het lokaal bestuur. Tegelijkertijd is meermaals uit rapportages gebleken
dat de uitvoeringskracht bij het Openbaar Lichaam Bonaire al jaren tekortschiet. In
dat kader wil ik aandacht vragen voor de governancestructuur. Het Openbaar Lichaam
Bonaire is tegelijkertijd aandeelhouder, vergunningverlener, toezichthouder en handhaver
rond Selibon. Vindt de Staatssecretaris deze totale rolvermenging wenselijk voor effectief
bestuur? Er komt natuurlijk een onderzoek naar de bedrijfsvoering aan, dat bindend
is voor het bestuurscollege. Dat zou er in maart van dit jaar moeten zijn. Is er al
het een en ander duidelijk? Verwacht de Staatssecretaris dat deze opleverdatum gehaald
zal worden? Waar ligt de grens van zijn bevoegdheid voor de Staatssecretaris? Wanneer
zou zwaardere rijksregie wel weer aan de orde kunnen komen? Kan er in de interventieladder
nu eens opgeschaald worden naar juridische interventie? Dat zou volgens de stukken
gerechtvaardigd zijn bij taakverwaarlozing. Een jaar na de rechterlijke uitspraak
dat er nog niet genoeg tijd was gegeven, is er sinds het ingrijpen van de Rijksvertegenwoordiger
nog niets veranderd of gedaan door het OLB. Als dat geen taakverwaarlozing is, wat
is het dan wel?
Voorzitter. Ten derde, de toekomst. Hoe gaat de langdurige, duurzame afvalverwerking
voor Bonaire eruitzien? Het lijkt me superomslachtig om afval helemaal naar Europees
Nederland te verschepen. Zijn er geen effectievere opties, bijvoorbeeld in samenwerking
met de landen Curaçao of Aruba? Hoever is men in de planning voor een moderne eigen
afvalverbrandingscentrale die zelfs energie kan opleveren? Ik denk aan een centrale
zoals in Amsterdam, maar dan wel succesvol. Op termijn – maar dit is toekomstmuziek
– zou het ook kunnen in samenwerking met Venezuela, als het politiek stabiel kan worden
georkestreerd.
Afrondend, voorzitter. Omwonenden willen geen nieuwe rapporten. Ze willen schone lucht,
veiligheid en duidelijkheid over hun gezondheid. Ze willen weten wanneer hun situatie
verbetert, niet op papier, niet in gesprekken, maar in hun dagelijks leven.
Voorzitter, dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, mevrouw Nanninga. Dan geef ik als laatste in de eerste termijn het woord
aan mevrouw Michon-Derkzen van de VVD.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank, voorzitter. Het is goed dat we het hierover hebben. Helaas móéten we het hierover
hebben. Een aantal collega's refereerde er al aan: vorig jaar, in maart 2025, hadden
we het hier over exact hetzelfde probleem. Ik denk dat we elkaar er ook niet van hoeven
te overtuigen dat wat er aan de hand is op Bonaire met de vuilstortplaats, gewoon
opgelost moet worden.
Ik zou graag aan de Staatssecretaris van BZK willen vragen hoe het interbestuurlijk
toezicht eruitziet en wat de Rijksvertegenwoordiger nu doet. Vorig jaar heeft de Rijksvertegenwoordiger
namelijk – ik meen dat dit inderdaad de «ladder» wordt genoemd – de stap gezet voor
de indeplaatsstelling. Laten we wel zijn: dit is een eilandelijke taak. Ik lees in
de stukken dat er nu weer wordt gedacht aan een volgende stap, terwijl er tegelijkertijd
ook een akkoord is met het bestuurscollege. Hoe verhouden die twee zaken zich tot
elkaar? Kan het zo zijn dat de Rijksvertegenwoordiger al een volgende stap maakt,
terwijl er tegelijkertijd een akkoord is met het bestuurscollege om het in 2028 te
sluiten?
Aan de Staatssecretaris van IenW zou ik het volgende willen vragen. Klopt het dat
met de brief die we vandaag hebben gekregen, over de vrijstelling van de MER-plicht
inclusief de middelen die zijn vrijgemaakt voor dat nieuwe stortvak, het proces kan
worden versneld? Ik ben het namelijk ook met veel collega's eens die zeggen: we weten
allemaal dat dit moet worden opgelost en graag zo snel mogelijk. De structurele oplossing
is dat nieuwe stortvak. Dat is dus pas per 2028. Kan het met bijvoorbeeld de vrijstelling
van de MER-plicht sneller? Wie doet daarin wat? Dit laatste zou ik dan weer aan de
Staatssecretaris van BZK willen vragen.
Voorzitter. Naar aanleiding van het commissiedebat van vorig jaar is er een motie
aangenomen om te komen tot een stevig, integraal en toekomstbestendig plan, zowel
voor de korte als voor de lange termijn. De heer Ceder heeft daarvoor het initiatief
genomen. Mijn partij heeft deze motie medeondertekend. Ik zou aan beide Staatssecretarissen
willen vragen: wat behelst dat plan dan? Hoe is het uitgevoerd? Beschouwen we de bestuursovereenkomst
als het toekomstbestendige plan of zijn er nog andere dingen? Tijdens de afgelopen
begrotingsbehandelingen is daar nog een motie overheen gekomen, ook van de heer Ceder
en mijn collega de heer Van der Burg. Daarin gaat het over de samenwerking weer opzoeken
met het bestuurscollege van Bonaire voor een structurele oplossing. Eigenlijk is dit
gewoon hetzelfde verhaal als het jaar ervoor. Graag dus een update over de uitvoering
van die beide moties.
Tot slot zou ik de Staatssecretaris van BZK willen vragen hoe het debat binnen de
eilandsraad en het bestuurscollege verloopt op dit punt. We zijn het er natuurlijk
allemaal over eens dat het opgelost moet worden. Ik hoop dat het bestuurscollege daar
binnen hun eigen eilandsraad stevig over debatteert.
Dank u wel.
De voorzitter:
Ik hoor veel vragen en veel eensgezindheid. We gaan zo even een pauzetje inlassen,
zodat de beide Staatssecretarissen zich kunnen voorbereiden op de antwoorden. Hoeveel
tijd hebben jullie nodig? Minimaal een halfuur? Dan gaan we om 14.55 uur weer door.
Tot zo meteen.
De vergadering wordt van 14.26 uur tot 14.55 uur geschorst.
De voorzitter:
Geachte leden van de commissie... O, we missen nog één Staatssecretaris. Als die ook
binnen is, gaan we beginnen aan de tweede termijn. Nog even geduld dus.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Het is 14.55 uur geweest. We gaan van start. De beide Staatssecretarissen zijn inmiddels
ook binnen. Voor degenen die net kijken: bon dia. We gaan zo meteen starten met de
tweede termijn van het commissiedebat over Selibon. De Staatssecretarissen hebben,
naar aanleiding van de vele vragen die zijn gesteld, de tijd gehad om zich op de tweede
termijn voor te bereiden.
Ik stel voor om te beginnen met de vragen die zijn gericht aan de heer Aartsen, de
Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat. Daarna komt Staatssecretaris Van
Marum aan de beurt voor de overige vragen. Aan u het woord, meneer Aartsen.
O ja, voordat we daarmee beginnen, wil ik zeggen dat ik vier interrupties toelaat.
Dat is best fors. Ga daar goed mee om. We kijken of we om 16.00 uur klaar kunnen zijn.
Ik stel dus voor dat we met dien verstande gaan starten.
Staatssecretaris Aartsen:
Dank, voorzitter. Vanuit mijn hoedanigheid als Staatssecretaris zal ik beginnen met
iets te zeggen over de situatie daar. De vragen vanuit de commissie over waarom dit
nog niet is opgelost en waarom er nog niet is ingegrepen, zijn terecht, denk ik.
Ik zal iets zeggen over de ingewikkeldheid van wat we daar hebben gedaan. Ik zal ook
een aantal vragen beantwoorden ten aanzien van de leefomgeving en het stelsel rondom
vergunning, toezicht en handhaving. De Staatssecretaris van BZK zal ingaan op het
interbestuurlijk toezicht en de gesloten bestuursovereenkomst. Ik zal ook nog wat
zeggen over de brief die ik u vandaag heb toegestuurd. De heer Ceder begon daar het
debat volgens mij ook mee. Ik heb zelf acht jaar Kamerlid mogen zijn, dus ik weet
hoe vervelend het is om 's ochtends nog een brief te mogen ontvangen. Excuses daarvoor.
Ik zal zo uitleggen waarom ik het toch verstandig vond om u hierover te informeren.
We kunnen daardoor namelijk volgens mij het debat beter voeren met elkaar. Die informatie
wilde ik daarom niet volledig achterhouden, want er lopen nog wat technicalities.
Maar ik vond het wel gepast om dat nu te doen. Ik zal er straks inhoudelijk wat meer
over zeggen.
Volgens mij worden de ernst en urgentie van de situatie breed gedeeld. Dat merk je
hier in de Kamer. Het maakt wat dat betreft ook niet uit hoe je de informatie tot
je neemt, of dat nu met foto's, rapporten of de verhalen van mensen daar is. Ik denk
dat voor iedereen die de beelden van het eiland ziet, de verhalen hoort of de rapporten
leest de conclusie is dat dit moet worden opgelost, dat de situatie zeer ernstig is
en dat er iets moet worden ondernomen. Die conclusie delen we. Die eensgezindheid
over het feit dat het probleem linksom of rechtsom moet worden opgelost, delen de
Staatssecretaris en ik ook.
De vraag waarom dit niet wordt opgelost en er niet wordt ingegrepen is, denk ik, ook
terecht. Dat wordt ook breed gedeeld. Dat zijn hele belangrijke vragen. Tegelijkertijd
is het antwoord daarop ook heel erg lastig te geven. Ik zal zo meteen iets zeggen
over waarom het zo complex is om in te grijpen en wat de belemmeringen daarbij zijn.
Ik zal daarna iets zeggen over wat we wel doen en ook over wat we willen doen. Laat
ik hier ook duidelijk stellen dat het niet zo is dat de Staatssecretaris en ik denken:
«Ach, laat maar. We doen niks. Laat die mensen maar aan hun lot over.» Dat is natuurlijk
niet het geval. Wij zien die beelden en de situatie daar ook. Wij voelen ook het ongemak.
Je wilt het goede doen voor mensen. Niks doen is dan ook heel vervelend. Tegelijkertijd
hebben wij als beide Staatssecretarissen natuurlijk ook de verantwoordelijkheid om
te worstelen met de complexiteit achter de vraag waarom er niet wordt ingegrepen.
Mevrouw Tseggai vroeg mij dat ook heel mooi. Zij vroeg welke bevoegdheden er, zowel
nu als in de toekomst, nodig zijn om in te kunnen grijpen. Dat heb ik even als structuur
voor mijn verhaal gebruikt.
Waarom wordt er nu niet ingegrepen? Waarom is het zo verschrikkelijk complex om dat
te doen? Het eerlijke verhaal is dat wij gebonden zijn aan de democratische spelregels
die we met elkaar hebben afgesproken. Dat zit ’m in het feit dat het bestuurscollege
een democratisch gekozen orgaan is binnen ons Koninkrijk. Het is dus niet zomaar toegestaan
om dat terzijde te schuiven. Hoe verschrikkelijk de beelden en de situatie ook zijn,
wij kunnen niet zomaar zeggen dat we die spelregels aan de kant duwen. Daar hebben
we interbestuurlijk toezicht en een interventieladder voor. Ik denk dat de Staatssecretaris
van BZK daar straks iets over zal zeggen. Wij kunnen en mogen dat natuurlijk niet
zomaar doen. Wij hebben ons te houden aan die bestuurlijke spelregels.
In het voorjaar van vorig jaar is er door de waarnemend Rijksvertegenwoordiger natuurlijk
wel een besluit genomen en dat is teruggefloten door de rechter. De rechter heeft
daarvan gezegd: dit is niet hoe het spel binnen het Koninkrijk gespeeld dient te worden.
Daarvan kunnen we vinden wat we vinden, maar dat is wel de situatie die er op dat
moment gold. Ook wij zijn gebonden aan rechterlijke uitspraken als deze, die de regie
weer teruglegde bij het openbaar lichaam. Dat dwingt ons op dit moment ook om de interventieladder
op een goede en zorgvuldige wijze met elkaar af te lopen. Het is nu fase 3. Op dit
moment werkt de ILT aan een rapportage om de Rijksvertegenwoordiger te helpen om die
volgende stap te kunnen zetten. Daar is ook onderbouwing voor nodig; de ILT geeft
die ook. Die ILT hoopt nog deze maand de rapportage – dat hebben ze me vanmorgen nog
laten weten – af te kunnen ronden, zodat we voldoende onderbouwing hebben om een eventuele
volgende stap te kunnen zetten.
Voorzitter. Een ander element waardoor het zo ingewikkeld is, heeft te maken met de
aard van het VTH-stelsel, het stelsel van vergunningen, toezicht en handhaving. Er
doen zich hier twee problemen voor. De situatie op Bonaire kenmerkt zich niet zozeer
doordat het een probleem binnen het VTH-stelsel is, maar doordat het een probleem
is van bestuurskracht en uitvoeringskracht. Daar zit de kern van het probleem en dat
is ook de reden waarom we via interbestuurlijk toezicht en de interventieladder dienen
in te grijpen.
Een ander element binnen het VTH-stelsel is nou juist dat de Staatssecretaris van
IenW in dezen stelselverantwoordelijke is, maar tot mijn eigen frustratie heb ik geen
enkel wettelijk instrumentarium, ook niet binnen het Nederlandse deel van het VTH-stelsel,
om te kunnen interveniëren. Ik heb meerdere casussen lopen, ook in Nederland, zoals
die van Chemours en een aantal andere casussen, waar echt wel wat is gebeurd en waarbij
er ook strafrechtelijke aangiftes liggen. Ik heb de andere Kamercommissie, die van
I&W, er ook al een aantal keer over geïnformeerd dat er op dit moment een wettelijk
instrumentarium ontbreekt om goed vorm te kunnen geven aan die stelselverantwoordelijkheid.
Dit is ook de reden waarom ik inmiddels het wetsvoorstel Versterking VTH-stelsel milieu,
inclusief een interventiemogelijkheid voor de Staatssecretaris, ter internetconsultatie
heb liggen. Het gaat over het Nederlandse deel, dus het is niet van toepassing op
het Caribisch deel van Nederland. Het ligt nu ter internetconsultatie. Ik zal u besparen
wat de reacties van de lokale overheden daarop zijn – die zitten daar nou niet echt
om te springen, laat ik maar zeggen – maar het is wel een instrument dat op dit moment
ontbreekt, ook in hoe we het hebben georganiseerd. Dat maakt het geheel dus complex.
Ik zei al: dat is de uitleg om duidelijk te maken waarom het een en ander zo traag
loopt en waarom zaken niet gebeuren.
Laat mij dan vertellen wat we wél doen – ik denk dat dat ook verstandig is om te doen
– en ook wat daarin wat mij betreft het lonkend perspectief is. We hebben een tijdje
terug al het natuur- en milieubeleidsplan uitgevoerd. Dat loopt inderdaad op dit moment
ook nog. Het wordt voortgezet in fase 2. Daarin was een sluiting van Selibon in 2030
voorzien. Inmiddels is er, ook met grote dank aan de Staatssecretaris van Binnenlandse
Zaken, een bestuursovereenkomst met bijbehorende middelen gesloten die voorziet in
een sluiting in 2028.
Daarnaast hebben we nog het programma Afval op Maat. Ook daar zijn stappen in gezet.
Daar zie je natuurlijk echter wel – dat is een discussie die ook uw Kamer vaak in
deze commissie voert – dat wij helaas genoodzaakt waren om daar vanwege het gebrek
aan verantwoording van middelen een pauze in te gelasten, maar we stellen daarbinnen
wel inhoudelijke kennis en expertise ter beschikking.
Een ander punt dat wij ook in de reguliere overleggen van ODNL, een samenwerkingsverband
tussen de omgevingsdiensten in Nederland, nadrukkelijk bespreken, is dat we vanuit
ODNL samenwerking en ondersteuning richting de eilanden en openbare lichamen ter beschikking
stellen, zodat zij gebruiken kunnen maken van deze kennis en kunde en expertise. De
Staatssecretaris zal zo iets over de bestuursovereenkomst zeggen. Dat is, denk ik,
een belangrijke stap die daarin is gezet.
Voorzitter. Twee andere zaken. Een daarvan gaan we een dezer dagen doen: de vrijstelling
van de MER. Dat is een vrij uitzonderlijke stap, maar die vond ik wel noodzakelijk
om te zetten, gelet op de situatie die er nu is. De reden waarom ik de brief vandaag
heb gestuurd, is dat ik het besluit formeel nog niet heb genomen. Het heeft ermee
te maken dat er in de aanvraag nog wat technische zaken moeten worden gewijzigd om
het juridisch gezien ook echt te kunnen doen, maar ik vond het een beetje flauw om
dat besluit maandag te nemen en u dan pas maandag een brief te sturen. Ook dat ken
ik vanuit de kant van de Kamer. Vandaar dat ik vandaag heb besloten om de collega's
op Bonaire te informeren dat ik voornemens ben dit besluit te nemen, op een aantal
technische wijzigingen na, en uw Kamer daarover ook netjes te informeren voorafgaand
aan het debat.
Ik denk dat we daarin een belangrijke stap zetten. Het is ook een majeure stap, zeg
ik erbij. Juist de MER-spelregels dienen er namelijk toe om ervoor te zorgen dat omwonenden
voldoende bescherming krijgen op het moment dat er een activiteit plaatsvindt die
de milieuregels zou kunnen aanraken. Maar we hebben dus besloten om een ontheffing
te verlenen van de MER-verplichting. Naar ons weten is dat nooit eerder gebeurd.
Dat zorgt voor twee dingen. Eén. Het zorgt ervoor dat de situatie tot 2028 beheersbaar
blijft. Dat is het voornemen. Maar het zorgt er hopelijk ook voor dat de situatie
kan worden versneld. Sommigen van u zullen dat vast weten, maar het kost al gauw een
dik jaar om de MER-procedure goed te kunnen doorlopen, met alle waarborgen daarin.
We zijn daar niet lichtzinnig mee omgegaan. We hebben er goede expertise bij ingeschakeld.
Met name de branden in januari waren de spreekwoordelijke druppel om te zeggen: weliswaar
is er hierover geen jurisprudentie en er zijn natuurlijk altijd voors en tegens...
Als je een jurist vraagt naar zijn opvattingen, krijg je altijd «enerzijds, anderzijds»
als antwoord. Voor ons was de volgende vraag echter doorslaggevend. Wordt de situatie
op de eilanden hiermee beter? Wordt de situatie op Bonaire hiermee beter? Het antwoord
hierop is: ja. Dat vonden wij voldoende onderbouwing om dit besluit te nemen. Zo kan
er hopelijk versneld worden overgegaan tot de inwerkingtreding van het stortvak. Daarbij
hebben we wel een aantal voorwaarden gesteld, ook ten aanzien van gevaarlijke stoffen.
Asbest is daar een voorbeeld van. Wat hoort er wel en niet thuis? Daarvan hebben we
van het bestuurscollege ook schriftelijke bevestiging ontvangen. Er moeten nog een
aantal technische punten in worden verwerkt.
Voorzitter. Dan naar de toekomst toe. Mevrouw Tseggai vroeg welke bevoegdheden er
nodig zijn om dit uiteindelijk te kunnen doen. We zien allemaal dat dit een probleem
is. We zien, denk ik, ook allemaal dat de interventieladder suboptimaal functioneert.
Welke stappen zou je kunnen zetten? Een mogelijkheid is om te besluiten om het Inrichtingen-
en activiteitenbesluit BES aan te passen. Ook dat vergt natuurlijk dat het via de
democratische spelregels wordt doorlopen. Dat betekent technisch gezien dat je het
Inrichtingen- en activiteitenbesluit BES aanpast. Dat betekent dat je de activiteiten
ten aanzien van afval zal verplaatsen van type III, wat het op dit moment is, namelijk
een eilandelijke taak, naar type IV. Dat hebben we inmiddels al gedaan met brandstofopslagen,
vanwege de grote complexiteit en de grote milieurisico's.
Het betekent concreet dat je de milieuvergunningsplicht verschuift. Ik zeg er overigens
wel bij dat er in de huidige situatie geen milieuvergunning is. Dat zorgt er ook voor
dat ILT het moeilijk heeft om in te kunnen grijpen. Er is een vorm van gedoging. Ik
heb, nogmaals, in het hele VTH-stelsel geen interventiemogelijkheid. Je zou dus de
milieuvergunning kunnen verschuiven van het bestuurscollege naar de Minister. In deze
casus zal dat dan de Staatssecretaris van IenW zijn.
Dat betekent dat de Staatssecretaris van IenW dan ook bevoegd gezag zal worden. In
de praktijk zal RWS, Rijkswaterstaat, de vergunning verlenen. De ILT kan er dan stevig
op ingrijpen. Dit moet wel via de Kamer lopen. Het kan via een besluit. Het gaat drie
tot zes maanden duren, met een spoedprocedure, die ook zal moeten worden onderbouwd.
Het hangt dus ook samen met hoe de interventieladder is doorlopen.
Als je dit doet, zal dat een en ander teweegbrengen. Je kan dit namelijk niet alleen
maar voor de casus Selibon doen. Je moet onderbouwen waarom je dat ook voor andere
situaties zal doen. Ik zeg er ook bij dat dan niet alle problemen zijn opgelost. De
verantwoordelijkheid blijft liggen bij Selibon zelf en daarmee ook bij de eigenaar
van Selibon, het openbaar lichaam. Die zullen dan ook een last onder dwangsom kunnen
ontvangen van de ILT. Er blijft altijd een afhankelijkheid van het bestuurscollege
voor de lokale vergunningen.
Als antwoord op de vraag van mevrouw Tseggai wat het handelingsperspectief is in dezen:
dit zou een optie zijn. Ik geef daar wel de winstwaarschuwing bij dat daarmee niet
in een keer alle problemen zijn opgelost. Je zal natuurlijk ook de discussie moeten
gaan voeren over waar je de rekening neerlegt voor het aantal stappen dat hiervoor
moet worden gezet.
De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Michon-Derkzen.
Staatssecretaris Aartsen:
Tot zover mijn inleiding, voorzitter. Ik heb zo nog een paar specifieke, korte...
De voorzitter:
O, dit was nog uw inleiding?
Staatssecretaris Aartsen:
Ik heb eigenlijk geprobeerd alle vragen in één keer te behandelen, ook gelet op de
tijd en de dubbeling.
De voorzitter:
Dat snap ik. U mag zo even ingaan op ...
Staatssecretaris Aartsen:
Ik heb een paar technische vragen, maar ik denk dat dit genoeg is. Sorry, dat is uw
taak. Maar dit is het eerste deel ten aanzien van de verantwoordelijkheidsverdeling
en het ingrijpen op de acute situatie.
De voorzitter:
Helder. Daar zie ik inmiddels een drietal interrupties op. Die ga ik toestaan. Ik
ga gewoon iedereen die het woord wil, nu het woord geven. Ik begin met mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Dank aan de Staatssecretaris van IenW voor deze uiteenzetting. Ik had het in mijn
bijdrage over die bestuursovereenkomst van november 2025, die samen met het bestuurscollege
van Bonaire is overeengekomen. Ik neem inderdaad aan dat dat met de Staatssecretaris
van BZK is. Druist de toelichting die de Staatssecretaris van IenW nu geeft over een
andere wijze van vergunningverlening in tegen die bestuursovereenkomst? Ik wil dus
eigenlijk op een nette manier zeggen: bent u nou wel of niet geholpen met de bestuursovereenkomst
die de Staatssecretaris van BZK met het bestuurscollege is overeengekomen?
De voorzitter:
Dat is een vrij concrete vraag. Het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Aartsen:
Daar zijn we zeker mee geholpen. Vooral de mensen op Bonaire zijn daarmee geholpen.
Daarmee kunnen in het hier en nu acute stappen worden gezet. Nogmaals, de Staatssecretaris
zal zelf ook zo de bestuursovereenkomst toelichten. Het gaat dan onder andere over
de bedrijfsvoering, de mogelijkheid om maatregelen op de korte en lange termijn te
nemen, de inzet van omgevingsdiensten en nog een aantal andere zaken. Dat helpt dus
zeker. Ik probeer zo goed als mogelijk de vragen te beantwoorden die er zijn gesteld
over welke bevoegdheidsmogelijkheden er zijn. Ik zou hier alleen niet de illusie willen
wekken dat wanneer je van categorie III naar IV gaat, je alles in één keer hebt opgelost.
Dat vergt wetgeving. Alleen al in een spoedprocedure ben je zes maanden verder. Dat
zal juridisch proportioneel moeten worden onderbouwd. Er moet ook een logica hangen
achter waarom je dat ook voor de andere eilanden doet en wat dat dan behelst. Dan
blijft de bestuurs- en uitvoeringskracht een ingewikkeldheid. Wat betreft de vraag
die mevrouw Tseggai terecht stelt over verwevenheid zou dit een oplossing zijn. Maar
het vergt echt nog wel wat studie naar hoe je dit goed organiseert.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank aan de Staatssecretaris voor het handelingsperspectief, laat ik het even zo zeggen.
Wat ik even lastig vind hieraan is dat de Staatssecretaris een aantal opties heeft
gegeven van dingen die wij zouden kunnen doen of aanpassen qua bevoegdheden vanuit
de Kamer, maar hij er ook bij zegt dat een spoedprocedure drie tot zes maanden zou
kosten. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is: wat kunnen we nú doen voor de mensen
op Bonaire? In de tussentijd kunnen we dan misschien de stappen zetten die de Staatssecretaris
net noemde. Ik ben eigenlijk op zoek naar een handelingsperspectief met een iets kortere
termijn.
Staatssecretaris Aartsen:
Die kortere termijn zit ’m in de bestuursovereenkomst die is gesloten in het najaar.
Daar volgen een aantal maatregelen uit. Die korte termijn zit ’m in de MER-vrijstelling.
Daarmee kun je in het hier en nu, als de vergunningverlening op het eiland is rondgegaan,
sneller beginnen met de start en bouw van zo'n stortvak. De bouw van zo'n stortvak
moet binnen zes tot negen maanden vanaf de bouwstart lukken. De versnelling zou kunnen
komen van de interventieladder en de indeplaatsstellingsoptie. Maar dat moet dus echt
zorgvuldig volgens de democratische spelregels verlopen. Dat zijn zaken die in het
hier en nu volgen.
Als het gaat om het besluit aanpassen – dat gaat over een AMvB-voorstel – ben ik onder
andere gebonden aan spelregels die we daar hebben afgesproken. Een Kamerbehandeling
is er eentje van, maar ook verplichte toetsing aan de voorkant door de Raad van State.
Dat maakt het zo ingewikkeld. Daarom probeer ik aan de voorkant ook uit te leggen
hoe het met die democratische spelregels zit. De regering is verplicht om langs de
Raad van State te gaan als het gaat om dit soort wijzigingen en de onderbouwing daarvan,
wil je die juridisch goed borgen.
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai heeft een aanvullende interruptie.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Dank voor deze beantwoording. Ik begrijp het ook. Maar ik werd even getriggerd door
mevrouw Nanninga die zei: kunnen we in de tussentijd bijvoorbeeld afval verschepen?
Zo ontstaan er in ieder geval geen nieuwe branden. Mevrouw Nanninga zit nee te schudden.
Dan vraag ik dat gewoon namens mezelf. Wat is in de tussentijd het handelingsperspectief?
Hoe zorgen we ervoor dat, terwijl we al deze stappen zetten die de Staatssecretaris
net noemt, die afvalberg in de tussentijd niet groter wordt, er nog meer branden ontstaan
et cetera, et cetera, et cetera?
Staatssecretaris Aartsen:
In ons stelsel blijven alle zaken die mevrouw Tseggai noemt de verantwoordelijkheid
van het Openbaar Lichaam Bonaire en het bestuurscollege. Die zijn democratisch gekozen.
Dat valt op die manier binnen ons stelsel. We hebben daar via de bestuursovereenkomst
een aantal afspraken over gemaakt. De Staatssecretaris zal daar wat meer over zeggen.
Wij proberen te doen wat we kunnen, maar we kunnen nu niet op de stoel van het bestuurscollege
gaan zitten. Dat zijn de democratische spelregels die we met elkaar hebben afgesproken.
Wij proberen dus te doen wat we kunnen en een handelingsperspectief te bieden. Ik
kijk ook uit naar de rapportage van de ILT, want daarmee kom je weer hoger op de interventieladder.
De voorzitter:
Dit wordt uw derde interruptie, maar van mij mag het, mevrouw Tseggai. U laat het
gaan? Oké, dan mevrouw Schilder.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Bedankt voor de beantwoording tot nu toe, Staatssecretaris. Ik heb alleen nog even
een vraag: wie gaat er straks over dat tijdelijke stortvak? Is dat weer dezelfde partij?
Gaat dat weer lokaal lopen? Ik heb er eerlijk gezegd vrij weinig vertrouwen in dat
we een andere uitkomst krijgen als we hetzelfde doen. Hoe gaan we erop toezien dat
het daar wel goed gaat?
Staatssecretaris Aartsen:
Daar zijn de bestaande toezichthouders dus voor. De ILT voert dat uit. In ons democratisch
stelsel ligt de verantwoordelijkheid, en dus ook de uitvoeringskracht, natuurlijk
wel daar. Het kan dat daar geen vertrouwen in is, maar ik zeg nogmaals: we hebben
te maken met de democratische spelregels die er zijn. Ik kan niet zeggen dat ik geen
vertrouwen heb in een college van B en W, en daarom vervolgens het college van B en
W aan de kant schuiven. Daar hebben we een aantal spelregels over afgesproken. Dat
is die interventieladder. Vorig jaar heeft de Rijksvertegenwoordiger ingegrepen, maar
die is teruggefloten door de rechter. Wij proberen dus te doen wat we kunnen. Ik denk
dat we hier echt een majeure stap mee zetten om ervoor te zorgen dat dat tijdelijke
stortvak er echt gaat komen. In de gesprekken die daarover plaatsvinden, proberen
we natuurlijk ook eraan vast te houden dat dat daadwerkelijk gaat gebeuren.
De voorzitter:
Mevrouw Schilder heeft een vervolgvraag.
Mevrouw Schilder (Groep Markuszower):
Dat klopt. Ik zit er een beetje mee dat er nu al aangegeven wordt dat de capaciteit
en de manschappen om alle branden te blussen en af te dekken er niet zijn. Dan gaan
we er een tijdelijk stortvak aan toevoegen. Ik zie gewoon niet hoe we dit gaan doen.
Ik vraag me echt af hoe we nu tegen de mensen die daaromheen wonen gaan zeggen dat
we nog een extra stortvak bouwen, want daarmee vergroten we eigenlijk het probleem
in plaats van dat we het verkleinen. Hoe ziet u dit?
Staatssecretaris Aartsen:
In de vraagstelling zit dat «we» dat doen. Ik probeer de ongemakkelijkheid ook te
schetsen, dus ik zeg nogmaals: «we» is in dit geval het democratisch gekozen bestuurscollege.
Dat is daar verantwoordelijk voor en heeft de regie. Dat geeft ook heel duidelijk
aan dat het die regie niet wenst af te staan. Sterker nog, dat is vorig jaar naar
de rechter gestapt om dat af te dwingen; dat was tegen de indeplaatsstelling van de
Rijksvertegenwoordiger. Dat zijn de democratische spelregels die we hebben. Daaromtrent
proberen wij te kijken wat we kunnen doen om te ondersteunen. Ik noemde al het afvalbeheersprogramma,
het NMBP en de bestuursovereenkomst. We gaan echt een enorme stap zetten als het gaat
om de vrijstelling van de MER-procedure. Voor het probleem dat mevrouw Schilder schetst,
zijn we gedwongen om ons te houden aan de interventieladder en het interbestuurlijke
toezicht.
De voorzitter:
De heer Ceder wilde net ook al wat zeggen. Voordat ik naar de heer Van den Brink ga,
krijgt de heer Ceder dus het woord.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Deze toelichting is fijn. Ik vraag me wel het volgende af. Wij hebben van de week
begrepen dat er nog geen luchtkwaliteitmetingen zijn gedaan. We hebben ook begrepen
dat het schijnt dat omwonenden, in ieder geval volgens de normen, eigenlijk niet in
de omgeving zouden mogen wonen omdat die normen constant overschreden zijn. Voor mij
rechtvaardigt dat een fase 4-ingrijpen. Ik merk nu dat de Staatssecretaris zegt: wij
zijn terughoudend vanwege de juridische en bestuurlijke afspraken. De afgelopen twee
jaar – we zijn namelijk, of ik in ieder geval, al zo lang met dit dossier bezig –
hoorden we vooral dat IenW zichzelf niet het verantwoordelijke ministerie vond om
dit op te pakken. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of het klopt dat als luchtkwaliteitsnormen
op plekken met omwonenden ver overschreden zijn, een inschaling in fase 4 gerechtvaardigd
is en er daarmee wel degelijk een casus bestaat. We zijn namelijk sinds die rechtszaak
van de indeplaatsstelling een jaar verder. Sindsdien is er wel wat gebeurd en is er
ook meer naar boven gekomen.
Staatssecretaris Aartsen:
De vraag over de luchtkwaliteitsnormen was een van de vragen die ik nog had liggen,
maar die kan ik gemakshalve nu beantwoorden. Ook hier geldt dat het bevoegd gezag
de partij is die aan de lat staat voor de luchtkwaliteitsnormen. Op het moment dat
er niet wordt voldaan aan de luchtkwaliteitsnormen moeten mensen zich wenden tot het
bevoegd gezag. Dat is in deze casus het bestuurscollege. Op dit moment is het zo dat
het bestuurscollege de GGD de opdracht heeft gegeven om hier onderzoek naar te doen.
De Minister van BZK heeft de opdracht gegeven om een gezondheidsonderzoek te laten
doen door het RIVM. Nogmaals, dat is hoe het ten aanzien van de luchtkwaliteit gaat.
Die zaken wegen natuurlijk allemaal wel mee bij de bevoegdheidsuitbreiding van type
III naar type IV waar ik het over had. Ik wijs er alleen wel op dat als je die stap
gaat zetten je ook zult moeten aantonen dat alle andere stappen zijn gezet en dat
die stap proportioneel en voldoende onderbouwd is. Anders heb je namelijk ook een
probleem met het rechtvaardigen van dit soort zaken. Dus ja, dit wegen we hierin mee
en de situatie is ernstig. Vandaar ook dat wij hier serieus bespreken of je van type
III naar type IV moet. Ik vind het mijn verantwoordelijkheid om daar netjes antwoord
op te geven en dat ook te schetsen. Aan de ene kant gaat dat helpen. Aan de andere
kant gaat het niet morgen de problemen oplossen en de vraag is ook hoe je het dan
vervolgens overmorgen oplost, omdat er dan uiteindelijk nog steeds problemen zijn
die linksom of rechtsom zullen moeten worden opgelost.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ik prop twee vragen ineen. Wat maakt dat de Staatssecretaris zegt over te gaan naar
fase 4? Is dat nu bij dezen al een toezegging? Heeft hij daar een Kameruitspraak voor
nodig? Ik vraag mij ook af hoe het zit als we het nu vanuit een strafrechtelijk kader
bekijken. We weten inmiddels dat een aantal omwonenden vanwege de situatie aangifte
gedaan hebben. Ontstaat er dan geen grondslag om als verantwoordelijke Minister of
verantwoordelijk ministerie met het oog op de veiligheid van omwonenden alsnog in
te grijpen? Dat is dan niet op basis van de bestuurlijke interventieladder maar omdat
er misschien ook sprake is van – hoe wil je het noemen? – een economisch delict of
milieudelict of in ieder geval van een strafrechtelijk aspect. Inmiddels loopt dat
traject namelijk ook.
Staatssecretaris Aartsen:
Ik snap nu dat de focus gelijk gaat naar die type III- en type IV-bevoegdheid. Om
heel eerlijk te zijn, dacht ik toen ik het voor het eerst zag ook dat het probleem
opgelost was. Waar doen we zo moeilijk over? Daar zitten natuurlijk wel wat haken
en ogen aan. Er zijn natuurlijk gewoon stortplaatsen en afvalbeheersystemen waar het
wel functioneert. De vraag is: moet je dit in zijn geheel zien? Je kunt niet voor
één bedrijf, voor één stortplaats, van type III naar type IV gaan. Ook daar heb je
onderbouwing voor nodig. Ook daarbij moet je de proportionaliteit kunnen uitleggen.
Je moet kunnen uitleggen dat alle andere stappen reeds zijn gezet. Dat betekent dat
je toch ook weer op die interventieladder terechtkomt, want als je niet kan uitleggen
dat daarbij de stappen zijn doorlopen zoals ze zijn doorlopen, zal het ook ingewikkeld
zijn om de proportionaliteit van die stap aan te kunnen tonen.
Ik merk aan mezelf dat dit allemaal juridische termen zijn en die lossen aan de situatie
daar niks op, maar dat is natuurlijk ook wel hoe we met elkaar besloten hebben om
het een en ander te organiseren; daar hebben we ons ook aan te houden. Er zijn in
dit land heel veel problemen die ik graag met een decreet zou willen oplossen, liever
vandaag dan morgen, maar waarvoor we wel een aantal spelregels en waarborgen hebben
ingebakken; die zijn er natuurlijk ook niet voor niets.
De voorzitter:
Ik zie dat de heer Ceder wil interrumperen. Nee, meneer Ceder, we vervallen in herhaling.
Volgens mij lag er een vraag over de aangifte die is gedaan door de bewoners. Kunt
u die nog even beantwoorden, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Aartsen:
Ja. Het staat iedereen vrij om aangifte te doen. Een rechter zal zich dan moeten buigen
over de vraag of er sprake is van een strafrechtelijke overtreding. Het lijkt me zeer
onverstandig om daar vanuit het kabinet commentaar of een reactie op te geven.
De voorzitter:
Dit wordt uw derde interruptie, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, voorzitter.
Ik snap dat het ministerie zich gebonden voelt aan juridische grenzen. Dat begrijp
ik. Tegelijkertijd – we zijn met een aantal Kamerleden bij de omwonenden geweest –
is er frustratie dat er al die jaren gewoon geen onderzoek is gedaan naar de luchtkwaliteit
en naar de veiligheid van de omwonenden. Dat raakt hun gewoon. Als uit het rapport
blijkt dat er wel degelijk sprake is van schadelijke effecten voor de omwonenden,
of misschien wel levenslange gevolgen voor de kinderen daar, dan hebben we met elkaar
een groot probleem. Mijn vraag gaat specifiek over de luchtkwaliteitsmetingen. Ik
begrijp dat er opdracht is gegeven om die te doen. Mijn vraag is of het ministerie
bereid is om óf de druk op te voeren, zodat het binnen afzienbare tijd gebeurt, óf
gewoon zelf een onafhankelijk onderzoek in te roepen om duidelijkheid te krijgen over
de veiligheid voor de omwonenden op dit moment.
Staatssecretaris Aartsen:
Hoe aantrekkelijk het ook is om ja te zeggen op die vraag, ben ik ook daar terughoudend
in. Ik nodig u uit bij uw collega-commissie voor I&W. Als ik hier ja op ga zeggen,
dan krijg ik diezelfde vraag voor Chemours, voor Tata Steel en voor een casus in Limburg.
Voor je het weet zijn het ministerie en de rijksoverheid zo meteen bezig om bij alle
bedrijven in Nederland dit soort metingen te doen. De reden is dus dat we daarover
spelregels hebben afgesproken. Die stellen dat het bevoegd gezag degene is die dat
moet doen. ILT houdt er toezicht op. Die doet dat ook goed. Naast de signaalrapportage
die ze eerder heeft gegeven, komt ILT eind deze maand ook met een rapportage. Voor
wat betreft de bestuurlijke verhouding – daarom zitten we hier met z'n tweeën – heeft
de Staatssecretaris van BZK aangegeven dat hij het RIVM onderzoek heeft laten uitvoeren.
Hij heeft de opdracht daartoe gegeven binnen de bestuursovereenkomst. Dat zijn wel
de verhoudingen en ook de bevoegdheidsverhoudingen die we volgens mij met elkaar moeten
respecteren.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dank u wel voor de antwoorden, Staatssecretaris. Vat ik u goed samen als ik zeg: we
doen ons best, maar we weten eigenlijk niet of het goedkomt?
Staatssecretaris Aartsen:
Zo'n algemene uitspraak geldt natuurlijk bij veel dingen in het leven. Volgens mij
doet iedereen zijn of haar best, maar we hebben er ook mee te maken dat er niet overal
makkelijke oplossingen voor bestaan. Nogmaals, we hebben ook spelregels waar we ons
aan dienen te houden. Daarom proberen we de situatie te verbeteren, zo goed en zo
kwaad als het gaat.
De heer Tijs van den Brink (CDA):
Dan concludeer ik dat u eigenlijk zegt: zo'n brand kan over drie maanden weer gebeuren
en dan zitten we in precies dezelfde situatie. Kunt u de Rijksvertegenwoordiger niet
opnieuw in stelling brengen? De rechter heeft u de vorige keer teruggefloten, maar
kunt u dat opnieuw doen? Of mag dat niet?
Staatssecretaris Aartsen:
Ik denk dat de Staatssecretaris van BZK zo wat meer zal zeggen ten aanzien van het
interbestuurlijke. Maar een van de onderliggende punten was nou juist: zorg dat je
de stappen zorgvuldig doorloopt en dat je het goed onderbouwt. Dat is ook de reden
waarom de ILT, nogmaals, heel hard werkt om in februari die rapportage op te leveren:
zodat je onderbouwing hebt. Een rechter gaat natuurlijk ook niet over één nacht ijs.
De voorzitter:
We hebben nog een halfuur. Ik wil de Staatssecretaris echt nog de mogelijkheid geven
om zijn bijdrage te leveren. Als u nu per se een vraag wil stellen, dan is die ruimte
er, maar ik wil er... Mevrouw Nanninga heeft een vraag, zie ik. Dan geef ik u het
woord, mevrouw Nanninga. Ik stel voor dat de Staatssecretaris daarna een aantal technische
vragen die hij nog had, beantwoordt. Dan wil ik naar de andere Staatssecretaris.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Voorzitter, ik zal het kort houden.
Ik herken me niet in de kenschets dat het met stap 4 op de escalatieladder allemaal
opgelost zou zijn. Dat heeft volgens mij niemand hier gezegd. De rechter heeft natuurlijk
gezegd dat er niet genoeg tijd was. Dat was een belangrijk argument om het terug te
draaien. Er is een jaar verstreken. Ik ben dus benieuwd hoe de Staatssecretaris dat
ziet. Het criterium zou «taakverwaarlozing» zijn. Ik zie niet in hoe dat hier niet
aan de orde zou zijn. Dat zou dus een stap verder rechtvaardigen.
Staatssecretaris Aartsen:
Twee zaken. Mevrouw Nanninga sprak in haar inleiding van «stap 4», maar ik had het
hier over «type IV». Dat zijn twee wezenlijk verschillende dingen. Daarom is het verstandig
om die niet door elkaar te laten lopen. «Stap 4» gaat over het interbestuurlijk toezicht
en de interventieladder. «Type IV» gaat over de classificatie onder het Inrichtingen-
en activiteitenbesluit BES en de Wet vrom BES. Dat is dus belangrijk, want anders
gaan die dingen door elkaar lopen en dat is vervelend.
Ten aanzien van haar vraag over taakverwaarlozingen, zeg ik het volgende. Ook dat
is natuurlijk een juridische benaming waar vervolgens al dan niet een stap op moet
worden gezet. Dat is ook de reden dat de ILT hard werkt aan een onderbouwing, zodat
als daar sprake van is, je ook stappen kunt zetten. Wij kunnen dat hier namelijk wel
vinden met elkaar, maar als een rechter daar vervolgens anders over denkt of de onderbouwing
onvoldoende blijkt, staan we hier weer met elkaar. Je moet die onderbouwing en zorgvuldigheid
vandaag dus ook met daadkracht combineren. Daarom hopen we ook dat de ILT-rapportage
voldoende aanleiding biedt om die stappen te zetten, als dat zou blijken uit die rapportage.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u gewoon nog even doorgaat en richting een afronding gaat.
Staatssecretaris Aartsen:
Ja, voorzitter, want ik heb al een aantal vragen in de reacties behandeld.
Misschien heb ik nog één punt, inderdaad over de onderzoeken voor de omwonenden. Ik
gaf daarbij aan dat de Staatssecretaris van BZK dat onderzoek heeft laten doen, in
het kader van een bestuurlijke overeenkomst met het RIVM. Volgens mij zei ik net iets
in de trant van dat de GGD dat onderzoek doet. Dat is foutief en dat wil ik graag
even rechtzetten. Het is nu zo dat het bevoegd gezag de gemeentelijke dienst, de GGD,
kan vragen om dat te doen. Als omwonenden dat hebben, kunnen ze zich natuurlijk richten
tot het bestuurscollege en dan staat het het bestuurscollege vrij om de GGD hiernaar
te vragen. Sterker nog, het is ook hun verantwoordelijk om ten aanzien van de leefomgeving
ook de GGD in te schakelen.
Dan is er nog een tweetal vragen gesteld over het stortvak. Ik heb daar in mijn inleiding
al het een en ander over gezegd, over de brief. Dat zal ik dus nu achterwege laten.
Het gaat over de spoedige aanleg van het stortvak. Gaan hiermee de branden stoppen?
Die garantie kunnen we natuurlijk nooit geven; er is geen garantie op het stoppen
van de branden. Het zorgt er wel voor dat de alternatieve verwerkingslocatie, die
onderdeel is van de uitwerking van de bestuursovereenkomst, hier hopelijk mee kan
worden versneld en ook die keuze snel kan worden gemaakt, voor in juli, zodat we daarmee
een belangrijk belemmering hebben weggenomen. Het nieuwe stortpark moet vooral de
huidige stortplaats voorzien in de overbrugging tot 2028. Dit vermindert het risico
op nieuwe branden, waardoor je ook het operationeel beheer kan verbeteren.
Dat waren eigenlijk de enige vragen nog over de stortvakken.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Dank voor de beantwoording. Ik moest het even op me in laten werken, want het was
heel veel informatie. Ik vraag me een beetje hetzelfde af als de collega van het CDA
net: gaat dit nog goedkomen? Want we zijn al zo veel jaren bezig. Ik heb behoefte
om te weten wanneer de rapportage dan wordt verwacht. Wat moet er nog meer bij komen
om dat dossier sluitend te maken? Dat heb ik nog niet helemaal helder. Misschien heb
ik niet goed geluisterd, maar daar heb ik even behoefte aan.
Staatssecretaris Aartsen:
Dat is een begrijpelijk vraag. Wij verwachten de ILT-rapportage eind februari. We
zitten nu op 12 februari. We hopen dus voor het einde van de maand de rapportage te
hebben. Die zal de ILT dan ook delen met de waarnemend Rijksvertegenwoordiger, die
dan ook een beslissing zal nemen over de interventieopdracht.
De voorzitter:
Uw laatste interruptie, meneer Ceder.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, voorzitter, die maak ik hieraan op.
Ik heb heel veel debatten met de Staatssecretaris van Koninkrijksrelaties gehad hierover.
Ik denk dat het Ministerie van IenW hierbij ook wel wat meer gewicht in de schaal
zal moeten gaan leggen, gezien de aard van de problematiek. Er komt een meting, een
luchtkwaliteitsmeting. Als ik de eerdere rapporten zo zie, denk ik dat daaruit zal
voortvloeien dat er sprake is van een niet-bewoonbare situatie. Ik vraag me af wat
dat dan betekent. Het kan toch niet zo zijn dat het OLB dan vervolgens verantwoordelijk
is voor de ontruiming, relocatie of tijdelijke hervestiging van omwonenden? Volgens
mij moet de landelijke overheid daar dan toch iets in betekenen. Ik vraag me dus af
of u alvast kunt voorsorteren op wat er gebeurt op het moment dat eindelijk gemeten
wordt of er sprake is van een leefbare situatie. Wat betekent dat voor omwonenden
en wat zou de rol van IenW dan wel de rest van het kabinet dan zijn?
Staatssecretaris Aartsen:
Deze vragen liggen in elkaars verlengde en kan ik samen behandelen. Ik vind het niet
helemaal fair om te zeggen dat er meer gewicht in de schaal gelegd moet worden. Ook
ik heb mij aan de wet te houden. In dit geval geldt het VTH-stelsel. Dat stelsel biedt
de Staatssecretaris geen mogelijkheid om in te grijpen, maar ik zou dat wel verstandig
vinden. Daarom heb ik een wetsvoorstel geschreven, dat inmiddels in internetconsultatie
is gegaan, om in te kunnen grijpen in het Nederlandse deel. Voor het Caribische deel
is er een ander traject. Dan kan ik dus ingrijpen in de casus die de heer Ceder noemt
in het tweede deel van zijn vraag. Op basis van de huidige Nederlandse wet heeft de
Staatssecretaris van IenW geen mogelijkheid tot interventie als uit metingen blijkt
dat omwonenden onevenredig worden geraakt. In ons huidige stelsel is dat neergelegd
bij het bevoegd gezag. Dat is zo in Nederland en dat is zo in het Caribisch deel.
De ILT houdt daar toezicht op. Dat is wat het op dit moment ingewikkeld maakt. Daarom
probeer ik ook netjes te schetsen hoe complex het is, wat er wel kan en hoe het kan,
en dat we daar ons uiterste best voor doen.
De voorzitter:
Dank u wel, Staatssecretaris. Ik stel voor dat we nu verdergaan met de Staatssecretaris
van Binnenlandse Zaken. Gelet op de tijd houd ik er rekening mee dat we niet toekomen
aan een tweede termijn. Ik stel voor dat de Staatssecretaris met zijn beantwoording
begint en dat we kijken hoever we komen.
Staatssecretaris Van Marum:
Dank u wel, voorzitter. Bon tardi, good day. Dank aan de commissie voor het stellen
van de vragen.
Tot nu toe hebben we een redelijk technische verhandeling gehad, maar om het even
in jip-en-janneketaal af te pellen: we hebben te maken met een stortplaats die sinds
jaar en dag gevuld wordt met onder meer organisch materiaal dat niet goed aangereden
wordt; daardoor komt het telkenmale tot ontbranding en laaien die branden ook met
regelmaat op.
Er zijn een aantal zaken die we nu proberen op te lossen. De technische invulling
van het hele verhaal pakken we straks wel even, maar een van de zaken is de volgende:
als er een tijdelijk stortvak komt met materiaal om gecompacteerd op te slaan, neemt
de kans op branden significant af. Hetzelfde geldt voor het toedekken van het materiaal
dat gestort is en voor het toezicht. Het gebeurt heel vaak dat in de weekenden wordt
gestort; dat wordt dan niet gecontroleerd en het materiaal wordt dan ook niet afgedekt.
Deze zaken hebben we met het bestuurscollege besproken, om daar richting en invulling
aan te geven. Uiteindelijk zal bekeken worden hoe wij naar een nieuwe vorm van afvalinzameling,
op Bonaire of een andere locatie, kunnen gaan. Er zal een sanering van de landfill
moeten plaatsvinden. Wie we daarvoor ook aan zet laten zijn: bij alles wat we doen,
zullen incidentele en structurele middelen bijgelegd moeten worden. Het is van belang
om dit in het grote verhaal even goed voor de bril te hebben.
Dan ga ik in op de rollen en de verantwoordelijkheden. Op alle eilanden van het Caribisch
deel van het Koninkrijk zijn die bij het omgaan met afval een grote uitdaging. Als
het systeem niet op orde is, heeft dat directe gevolgen voor de volksgezondheid, het
milieu, de natuur en de economie. Dat zien we op Bonaire nu heel scherp terug bij
Selibon Lagun. De situatie bij Selibon Lagun is nog steeds zorgwekkend en acuut. In
de eerste weken van januari waren er weer meerdere incidenten en branden op deze stortplaats.
Dat bevestigt dat er ook sprake is van een structureel en onmiddellijk risico voor
de volksgezondheid, het milieu, de natuur en de openbare orde. Afval werd bijgestort
zonder het te scheiden, het werd onvoldoende gecompacteerd en niet structureel afgedekt.
Daardoor laaien de branden steeds opnieuw op. Door de rookontwikkeling moesten omwonenden
tijdelijk elders worden ondergebracht. Belangrijk is dat er nu wordt ingezet op daadkrachtig
operationeel beheer. Dat is dus scheiden waar mogelijk, persen met een compactor,
dagelijkse afdekking en structureel toezicht.
Eind vorig jaar hebben het bestuurscollege en ik de Bestuursovereenkomst Samenwerking
Aanpak Selibon Lagun ondertekend. Daarin hebben wij bindende en resultaatgerichte
afspraken gemaakt om de acute risico's op korte termijn te mitigeren en concrete verbeteringen
te realiseren voor de omwonenden. Sinds het sluiten van de overeenkomst heeft het
bestuurscollege aantoonbaar stappen gezet, zoals de inzet op de financiële ondersteuning
van Selibon N.V. Het bestuurscollege is verantwoordelijk voor die uitvoeringsorganisatie.
Ik noem ook de voorbereiding van investeringen in materieel zoals inzameltrucks en
de betrokkenheid bij de inrichting van een gezamenlijk programma. Mijn ambtenaren
monitoren de voortgang continu en voeren hierover overleg met het bestuurscollege,
Selibon en de omwonenden. We hebben ook regelmatig contact met de Rijksvertegenwoordiger
en met IenW. Vorige week heeft ook de Omgevingsdienst NL Bonaire bezocht om de ondersteuning
bij de uitvoering van de VTH-taken verder vorm te geven.
Tegelijkertijd zien we dat bij de uitvoering de prioriteiten nog niet altijd liggen
bij de maatregelen die het risico het meest reduceren. Het operationeel beheer sluit
nog onvoldoende aan op de acute veiligheids- en milieurisico's. De essentiële randvoorwaarden
zoals materieel, afdekking en toezicht zijn nog niet structureel op orde. In de bestuursovereenkomst
is afgesproken dat nieuw materieel wordt aangeschaft. Het is van groot belang dat
op korte termijn ook een compactor wordt aangeschaft. Die compactor zorgt ervoor dat
het vuil wordt aangereden en er geen zuurstof bij komt. Dat verkleint de kans op branden
enorm. Het afval wordt dan geperst en op die manier wordt dat risico verkleind. Daarnaast
moet het gestorte afval dagelijks worden afgedekt. Inmiddels is voldoende afdekkingsmateriaal
beschikbaar. De achterstand bij het afdekken moet nu dus zo snel mogelijk worden ingelopen.
Selibon heeft aangegeven hiervoor nog enkele weken nodig te hebben.
Voorzitter. Ik ga in op het interbestuurlijk toezicht. Ik wil expliciet benadrukken
dat het interbestuurlijk toezicht en de indeplaatsstelling uitsluitend zien op besluiten
die het bestuurscollege conform de wet moet nemen. Zo is dat geregeld in de WolBES.
De inzet van dit instrument is daarmee zeer beperkt. Het is daarom niet mogelijk om
te sturen op feitelijk handelen in de operationele uitvoering. Voor het afdwingen
van concrete resultaten is dit instrument dus niet geschikt. Ingrijpen door middel
van een indeplaatsstelling leidt dan ook niet vanzelf tot het beschikbaar stellen
van meer middelen. De indeplaatsstelling kan wel juridische naleving afdwingen, maar
geen fundamentele, uitvoerbare oplossingen realiseren zolang de benodigde middelen
ontbreken.
Wij hebben in bestuurlijke en juridische zin dus alles gedaan wat binnen de huidige
financiële en juridische kaders mogelijk is om de acute risico's te beheersen en de
wettelijke naleving af te dwingen. Zo heeft de Rijksvertegenwoordiger ingegrepen en
op korte termijn resultaten geboekt. Daarna heb ik met het bestuurscollege afspraken
gemaakt over het sluiten van de stortplaats en over het investeren in Selibon. Uit
mijn eigen begroting heb ik geld beschikbaar gesteld voor het verbeteren van de situatie
op de stortplaats én voor de uitvoering van de VTH-taken. Gisteren heb ik het bestuur
van Bonaire er weer toe opgeroepen daadkrachtig en snel stappen te zetten om het stortplaatsbeheer
te verbeteren. De volgende stap zou dan ook niet een juridische, maar een beleidsmatige
en financiële moeten zijn: het mogelijk maken van een daadwerkelijke uitvoering richting
een structurele oplossing.
Tot slot. De situatie bij Selibon Lagun vraagt om urgentie, regie en volharding. De
verantwoordelijkheid voor het realiseren van de concrete en duurzame verbeteringen
ligt primair bij het bestuurscollege van Bonaire. De inwoners van Bonaire verdienen
een veilige leefomgeving en een duurzame oplossing voor het afvalbeheer. Daar blijf
ik mij onverminderd voor inzetten.
Ik ga nu over tot de beantwoording van de vragen.
De voorzitter:
Dat gaat u nog niet doen, want er komen eerst interrupties. Ik zag een aantal handjes
omhooggaan. Ik begin met mevrouw Michon-Derkzen.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Sorry dat ik het zeg, maar ik vind de inleiding een beetje bevreemdend. Het is heel
goed dat we het juridisch kader scherp hebben, maar ik hoor de Staatssecretaris zeggen
dat je de hele ladder en de indeplaatsstelling alleen kan toepassen bij besluiten
die het bestuurscollege moet nemen. Ik vraag mij dan het volgende af. Het bestuurscollege
voert debatten met de eilandsraad. Zij worden toch opgedragen om de eilandelijke taak
op een goede manier uit te voeren? De eilandsraad draagt hun toch op om de ellende
die er is op te lossen? Wanneer is het dan een besluit dat het bestuurscollege moet
nemen? Dat moeten zij dus inderdaad gaan nemen. Ik hoor de Staatssecretaris zeggen
«nee, het gaat hier om feitelijk handelen», maar «feitelijk handelen» komt toch voort
uit besluiten? Ik begrijp deze redenering niet en daarom begrijp ik ook niet de terughoudendheid
om hier te spreken van taakverwaarlozing, waarbij je inderdaad via de Rijksvertegenwoordiger
de ladder gaat inzetten om het daadwerkelijk op te lossen.
De voorzitter:
Wat vindt u daarvan, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Van Marum:
Die besluiten volgen de Wet vrom BES. Wij hebben daar ook mee te maken. Het is niet
zo dat wij zomaar over allerlei vormen van wetgeving heen kunnen lopen. We hebben
ook gewoon te maken met hoe die wetgeving is ingericht.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Kijk, bij gemeenten hier in het land is het ook niet anders. De gemeenten hebben gewoon
eigenstandige taken. Dit is dus een eigenstandige taak van het Openbaar Lichaam Bonaire.
Daar volgt feitelijk handelen uit. Ik denk dat iedereen hier het ermee eens is dat
dat feitelijk handelen niet goed is. Er wordt dus aan het bestuurscollege van Bonaire
opgedragen om ervoor te zorgen dat het foute feitelijk handelen, of het niet feitelijk
handelen, teniet wordt gedaan. Wat zouden anders besluiten zijn waarvoor een Staatssecretaris
van BZK wél die ladder in kan zetten en de indeplaatstreding kan starten? We zeggen
hier allemaal dat het evident is dat de besluiten niet worden nagekomen of dat de
nodige besluiten niet worden genomen, maar ik hoor in de reactie een terughoudendheid
die ik echt niet begrijp. Sorry dat ik het nog een keer zeg.
Staatssecretaris Van Marum:
Er is absoluut geen terughoudendheid. Wij proberen juist alles te doen om beweging
in die zaak te krijgen. Op dit moment zien wij de grootste kans om dat op korte termijn
in beweging te krijgen in het zoeken naar goede samenwerkingen met dat bestuurscollege.
Daar maken we dan ook gewoon hele harde afspraken mee, die we continu opvolgen. Dat
is één kant van het verhaal. Als we echt willen ingrijpen, dan kunnen we ook de vergunning
intrekken of weigeren. De Rijksvertegenwoordiger kan echt alleen maar in de plaats
treden bij zaken waarover het bestuurscollege besloten heeft. Dat is dus wel een probleem.
Daar is ook nog niet direct een oplossing voor. Op dit soort momenten moet je gewoon
kijken naar wat de meest optimale mogelijkheden zijn om daar zo snel mogelijk beweging
in te krijgen. Ik vond het in ieder geval van belang dat het bestuurscollege doet
waar het wat betreft Selibon N.V. verantwoordelijk voor is, namelijk het beschikbaar
stellen van de middelen en de materialen om de zaak goed af te dekken en op te halen.
Ik zie er ook op toe dat dat daadwerkelijk gebeurt. Dat gebeurt ook door de Rijksvertegenwoordiger,
de ILT en IenW. We zitten er dus van alle kanten bovenop. Dat laat onverlet dat er
af en toe wel juridische beperkingen zijn als we door willen pakken.
De voorzitter:
Mevrouw Tseggai en daarna mevrouw Dijk. O, mevrouw Tseggai had geen interruptie. Dan
ga ik naar mevrouw Dijk.
Mevrouw Heera Dijk (D66):
Als we het dan toch over de Rijksvertegenwoordiger hebben: is het een idee dat hij
een oordeel geeft over de ILT-rapportage en dat hij dat zo spoedig mogelijk deelt?
Kunt u dat toezeggen?
Staatssecretaris Van Marum:
Eind februari.
De voorzitter:
Begrijp ik goed dat... Ik vind het zelf een bijzondere conclusie, maar als de Staatssecretaris
dat zegt, dan gaan we gewoon eind februari afwachten. Dan zien we daarna verder. Mevrouw
Nanninga heeft nog een interruptie.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Ik ga proberen te parafraseren, omdat er niet echt een helder antwoord op komt. Er
zijn afspraken gemaakt, dus er is een plicht tot handelen. Daar is tot nu toe niet
aan voldaan. De Rijksvertegenwoordiger heeft toen ingegrepen. De rechter zei vervolgens
dat dat niet mocht, omdat er nog niet genoeg tijd was geweest voor het OLB om zelf
dingen te doen. We zijn een jaar verder. Het klopt wat de Staatssecretaris zegt: ze
moeten handelen naar de gemaakte afspraken. Maar dat gebeurt niet; dat is het probleem.
Daar moet nu dus op gereageerd worden. Er kan dus niet meer gezegd worden dat ze dat
zelf bepalen, want het is al bepaald. Maar het wordt niet gedaan.
Staatssecretaris Van Marum:
Enerzijds hebben we hier te maken met het bestuurscollege. Dat heeft een aantal taken.
Ik heb afspraken gemaakt met dat bestuurscollege en ik zie er scherp op toe dat die
ook worden nagekomen. Dat is de ene kant van het verhaal. Anderzijds kijkt de ILT
hoe het daar verdergaat. Ook de Rijksvertegenwoordiger doet dat. Ten derde heeft ook
de Staatssecretaris van IenW maatregelen genomen om een versnelling van een aantal
concrete maatregelen mogelijk te maken. Dat is op dit moment de situatie om de voortgang
erin te krijgen.
Zoals ik aan het begin van mijn verhaal geschetst heb: wie het uiteindelijk ook gaat
doen, als we tot een structurele oplossing willen komen, dan zullen er incidenteel
gewoon middelen nodig zijn om die oplossingen mogelijk te maken. Dat wil dus zeggen
dat je ten eerste een tijdelijk stortvak in moet richten waar je goed mee aan de gang
kunt gaan, dat je ten tweede een nieuwe locatie moet maken waar de vuilverwerking
op een goede manier plaats kan vinden en dat je ten derde uiteindelijk over moet gaan
tot het saneren van de landfill. Dat heeft wel een bepaalde volgordelijkheid. Eigenlijk
lopen hier dus drie trajecten: het bestuurscollege wordt door ons op de huid gezeten
om de dingen te doen die we afgesproken hebben, de Rijksvertegenwoordiger kijkt met
de ILT of de bedrijfsvoering op een goede manier gebeurt en of ze daarin wel of niet
moeten ingrijpen en IenW probeert een versnelling te genereren door de procedures
simpeler te maken. Dat is hoe we het nu met elkaar proberen op te pakken. Dat laat
onverlet dat we middelen en eventueel ook menskracht beschikbaar moeten hebben als
we echt stappen willen zetten.
De voorzitter:
Een korte interruptie, mevrouw Nanninga. Daarna wil ik een ordevoorstel doen, gelet
op de tijd. Eerst mevrouw Nanninga.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Over middelen en mensen heb ik vragen gesteld. Daar zal vast antwoord op komen. Feit
blijft echter dat alles wat de Staatssecretaris zegt, met alle respect, open deuren
zijn. Het zijn namelijk gemaakte afspraken. Daar wordt toezicht op gehouden; dat is
op zich ook een open deur. Het hele punt van toezicht houden is niet dat je constateert
dat het niet goed gaat, maar dat er vervolgens ook iets gebeurt. Dat is waar deze
commissie eigenlijk naar op zoek is. Dat toezicht en die afspraken snappen we. Die
snappen de mensen op Bonaire ook. Het punt van toezicht is dat je ook ingrijpt als
uit het toezicht blijkt dat al die afspraken niet worden nagekomen. Wat gebeurt er
dan?
Staatssecretaris Van Marum:
Dat is dus precies wat ik probeer uit te leggen. Er is op een bepaald moment ingegrepen
door de Rijksvertegenwoordiger. De rechter heeft dat teruggedraaid. In feite ga je
dan dus een paar stappen terug, waardoor je op dat vlak eigenlijk alweer op achterstand
staat. Dan kun je afwachten wanneer dat weer gaat rollen, maar je kunt ook met het
bestuurscollege afspraken maken om zaken in de versnelling te krijgen en om daar in
de tussentijd toch concrete stappen in te zetten. Het een sluit het ander niet uit.
Het is juist zo dat wij er in de goede samenwerking met het bestuurscollege echt op
lopen te drukken dat een aantal zaken die we afgesproken hebben, ook nagekomen worden.
Vervolgens wordt in het toezicht gekeken of er nog andere zaken zijn die niet deugen
en die het mogelijk maken om daar op een andere manier mee om te gaan. IenW zorgt
ervoor dat die tijdelijke mogelijkheden opgelost worden. Willen we naar een structurele
oplossing toe, dan zullen we daar ook op een andere manier de menskracht en de middelen
naast moeten zetten, maar dan zijn we nog weer een stap verder.
De voorzitter:
U heeft nog vijf minuten. Ik stel voor dat u alle antwoorden geeft die nog gegeven
moeten worden. Daarna gaan wij samen als commissie kijken of er een tweeminutendebat
moet komen en of we nog een apart debat over Selibon moeten gaan organiseren, zeker
als de ILT-rapportage binnen is. Ik geef u nu de ruimte om alle antwoorden te geven.
Daarna gaan we conclusies trekken.
Staatssecretaris Van Marum:
Er is nog gevraagd of er geen taakverwaarlozing aan de orde is. Dat is begrensd door
de WolBES tot de door de wet gevorderde beslissingen. Sturen op resultaat of handelend
sturen, bijvoorbeeld een besluit tot gedogen, vallen daar dus niet onder. Het oordeel
is aan de Rijksvertegenwoordiger.
De heer Ceder vroeg: «Wat gaan omwonenden merken van de kortetermijnmaatregelen. Welke
maatregelen worden geherprioriteerd?» De maatregelen zijn erop gericht de bedrijfsvoering
van Selibon N.V. in het stortplaatsbeheer te verbeteren. Als Selibon beschikt over
het juiste materiaal en dit met voldoende personeel kan worden ingezet, worden de
risico's rond de stortplaats beperkt. Daarnaast werken we aan het inrichten van een
tijdelijk stortvak dat voldoet aan de milieuvoorschriften. Op deze manier kan de huidige
afvalberg, die voor zo veel problemen zorgt, eerder worden aangepakt. Ik heb deze
week met het bestuurscollege afgesproken dat de aankoop van een compactor en het instellen
van een nieuw beheerprotocol worden versneld. Het bestuurscollege gaat hier actief
op toezien en grijpt direct in wanneer het niet wordt nageleefd.
Mevrouw Michon vroeg: «Wat behelst de bestuursovereenkomst? Hoe is die uitgevoerd?
Vinden we dat de bestuursovereenkomst het toekomstbestendige plan is of zijn er nog
andere zaken? Graag een update over de beide moties.» Ik heb voor de korte termijn
bestuurlijke afspraken gemaakt. Die zien op het op orde brengen van de bedrijfsvoering
van Selibon, kortetermijnmaatregelen bij de stortplaats en de inzet van Omgevingsdienst
NL. Daarbij constateer ik ook dat er nadere plannen nodig zijn voor de lange termijn.
Daarin trek ik samen op met mijn collega's van IenW en LVVN. Dit besluit moet voor
1 juli 2026 door het bestuurscollege worden genomen. Daarna zal ik, of althans mijn
opvolger, u ook informeren.
De heer Van den Brink had een vraag over de kortetermijnmaatregelen: «Welke aanvullende
maatregelen zijn er sinds de recente brand genomen om herhaling te voorkomen? Acht
de Staatssecretaris dit voldoende om het te beheersen?» Zoals gezegd, heb ik in de
afgelopen dagen afspraken gehad. Naar aanleiding van de branden heeft Selibon per
20 januari 2026 een nieuwe werkwijze ingevoerd voor de stortplaats. Een belangrijke
maatregel daarin is dat er voldoende afdekmateriaal aanwezig moet zijn. Dagelijks
wordt al het die dag aangeleverde restafval afgedekt en alle dagen van de week is
er een stortopzichter aanwezig. Daarnaast zorgen Selibon en het bestuurscollege voor
de aankoop van nieuw materiaal, zoals een compactor. Door deze nieuwe werkafspraken
wil Selibon de kans op het ontstaan van nieuwe branden minimaliseren. Ik heb met het
bestuurscollege afgesproken dat het actief gaat toezien op het naleven van het nieuwe
protocol, waarbij het ingrijpt waar nodig. Ik heb dat met name ook afgesproken voor
de weekenden. Dan schijnt er dus ook gestort, maar niet afgedekt te worden, waardoor
de branden weer op gaan laaien.
Ik heb de volgende afspraken gemaakt op 11 februari. Eén. Het bestuurscollege zorgt
ervoor dat Selibon N.V. binnen twee weken een compactor bestelt. Het bestuurscollege
voorziet hierin wanneer dit niet door Selibon wordt gedaan. Twee. Het bestuurscollege
legt binnen twee weken met Selibon N.V. een protocol vast waarin staat hoe en wanneer
dagelijks, ook in het weekend, de stortplaats moet worden afgedekt, waarin staat dat
er een voldoende voorraad afdekkend materiaal is en waarin staat hoe groot de noodvoorraad
moet zijn. Drie. Het bestuurscollege gaat erop toezien dat dit afdekkingsprotocol
wordt nageleefd en grijpt direct in wanneer dit niet gebeurt. Vier. Het bestuurscollege
gaat met de betrokken hulpdiensten, zijnde de GGD, de brandweer en het RIVM, verkennen
wat er mogelijk is om te zorgen dat er op korte termijn metingen mogelijk zijn om
de gezondheid van bewoners te waarborgen bij incidenten. Het bestuurscollege komt
terug op de planning voor deze verkenning. BZK denkt mee waar mogelijk. Vijf. Het
bestuurscollege en de Staatssecretaris hebben uitgesproken dat de uitvoering van de
bestuursovereenkomst volgens planning verloopt. De gestelde termijnen zijn haalbaar
voor het bestuurscollege. Er zijn op dit moment geen grote knelpunten en er is geen
extra ondersteuning nodig. Ik heb met ze afgesproken: mocht daar verandering in komen,
dan communiceren zij daar zelf over en hoef ik dat niet op te halen. Tot zover dat
blokje.
Dan heb ik interbestuurlijk toezicht en uitvoering. De heer Ceder, mevrouw Dijk, mevrouw
Schilder, mevrouw Michon-Derkzen en mevrouw Nanninga vroegen: «Begrijp ik goed dat
het kabinet weigert in te grijpen, mede omdat de interventieladder nog niet afgelopen
is? Waarom is er niet veel eerder opgeschaald naar fase 4 of 5 van die interventieladder?»
Nee, het kabinet weigert niet in te grijpen; er wordt actief ingegrepen binnen de
wettelijke kaders. De waarnemend Rijksvertegenwoordiger is eerder overgegaan tot indeplaatsstelling,
waarmee feitelijk fase 6 is bereikt. Deze indeplaatsstelling is door de rechter vernietigd,
waarna het toezichttraject is teruggezet naar fase 3. Daarna heeft de waarnemend Rijksvertegenwoordiger
het bestuurscollege verzocht een verbeterplan op te stellen. Hij ziet ook toe op de
uitvoering hiervan. De meest recente voorgangsrapportage wordt op dit moment beoordeeld.
Op basis daarvan wordt bepaald of verdere opschaling noodzakelijk en juridisch houdbaar
is. Daarnaast heb ik, om het proces te versnellen, bestuurlijke afspraken gemaakt
en bied ik ondersteuning aan het lokale bestuur. Tegelijkertijd vergt een structurele
oplossing aanvullende beleidsbesluiten en financiële besluiten.
De voorzitter:
Even voor de inventarisatie: hoeveel antwoorden heeft u nog? Vijf, begrijp ik. We
kunnen nog een paar minuten doorgaan. Anders ga ik de Staatssecretaris vragen om de
vragen die zijn gesteld schriftelijk te beantwoorden. Kan dat snel?
Staatssecretaris Van Marum:
Dan de vraag hoe het kabinet de capaciteit en de expertise van het OLB gaat verbeteren.
Ik werk continu aan de versterking van de capaciteit van het OLB. Zo stel ik in samenwerking
met VNG International en Omgevingsdienst NL capaciteit en expertise ter beschikking
om direct de uitvoeringskracht te verbeteren, specifiek voor vergunningverlening,
toezicht en handhaving rond milieu, natuur en bouwen. Daarnaast heeft het kabinet
in de laatste jaren de vrije uitkering substantieel verhoogd. Daarmee kan het OLB
zijn taken beter uitvoeren. Tegelijkertijd heeft het tijd nodig voor de realisatie.
Dan vroeg mevrouw Schilder hoe ik kijk naar het functioneren van het bestuurscollege.
Ik werk op verschillende onderwerpen veel en goed samen met het bestuurscollege van
Bonaire. Tegelijkertijd zien we specifiek bij de omgang met afval dat het niet goed
gaat. Daarom heeft de Rijksvertegenwoordiger eerder ingegrepen en hebben we bestuurlijke
afspraken gemaakt.
Dan vroeg mevrouw Nanninga wat ik vind van de rolvermenging met betrekking tot OLB,
VTH en eigenaarschap: is dit wenselijk voor het bestuur? Het combineren van eigenaarschap
en verantwoordelijkheden bij vergunningverlening, toezicht en handhaving binnen één
bestuurslaag is toegestaan. Vanuit het oogpunt van goed bestuur is een duidelijke
scheiding van rollen en verantwoordelijkheden wenselijk om onafhankelijkheid, geloofwaardigheid
en handhaafbaarheid te waarborgen. Dit is ook de reden dat wordt ingezet op versterking
van VTH via Omgevingsdienst NL en een programmastructuur voor de aanpak van de problematiek
bij Selibon Lagun buiten het regeringsbeleid om.
Dan vroeg mevrouw Nanninga nog of er een onderzoek komt naar de bedrijfsvoering dat
bindend is voor het bestuurscollege, of een en ander duidelijk is en of ik verwacht
dat deze datum wordt gehaald. Het betreft een onafhankelijk onderzoek dat eerder is
afgesproken in het kader van de gemaakte bestuurlijke afspraken. De uitkomsten van
dit onderzoek zijn bindend voor het bestuurscollege. Op dit moment zijn er geen signalen
dat de planning niet haalbaar is. Ik verwacht daarom ook dat de resultaten van het
onderzoek halverwege maart beschikbaar zullen zijn, met inachtneming van de zorgvuldigheid
die bij een dergelijk onderzoek past.
Dan vroeg mevrouw Tseggai naar de maandelijkse voortgang en of ik maandelijks een
update naar de Kamer kan sturen. Ik informeer uw Kamer al regelmatig over de voortgang,
in ieder geval eens per halfjaar. Dat zal ik ook blijven doen. Wat mij betreft moet
de energie nu in de uitvoering gaan zitten. Als de situatie daartoe aanleiding geeft,
zal ik uw Kamer extra informeren.
Dan vroeg mevrouw Michon hoe het debat tussen de eilandsraad en het bestuurscollege
verloopt. Ik heb gisteren nog intensief overleg gehad met het bestuurscollege over
de noodzaak om zo snel mogelijk tot een oplossing te komen. Zij delen dat beeld en
zijn hierover in overleg met de eilandsraad. De eilandsraad heeft herhaaldelijk het
bestuurscollege opgeroepen om tot een oplossing te komen. Recent hebben ze ook bijna
7 miljoen euro vrijgemaakt. In de informele contacten roep ik het bestuurscollege
ook op om goed in gesprek te blijven met de eilandsraad, omdat we zien dat ze ook
via andere wegen proberen contact en informatie te krijgen.
De voorzitter:
Was dat het?
Staatssecretaris Van Marum:
Nog één. Mevrouw Tseggai vroeg naar de financiën en een structurele oplossing. Ze
vroeg: kunnen beide Staatssecretarissen toezeggen dat er geen financiële belemmeringen
zullen zijn om zowel de tijdelijke als de structurele problemen op te lossen? Het
antwoord is: nee, dat kan ik niet. Ik kan niet zeggen dat er geen financiële belemmeringen
zullen zijn om zowel de tijdelijke als de structurele problemen op te lossen.
De voorzitter:
Ik heb geen tijd voor een tweede ronde, maar als voorzitter wil ik wel aangeven dat
de ingeplande tijd van twee uur niet voldoende is gebleken om dit debat op een goede
wijze te voeren. De antwoorden die zojuist zijn voorgelezen... Mijn verzoek, ook namens
de commissie, is om alle antwoorden – ze werden namelijk heel snel voorgelezen – ook
schriftelijk te doen toekomen aan de overige Kamerleden, opdat zij die mee kunnen
nemen, mocht er een tweeminutendebat worden aangevraagd, wat ik verwacht. Kunt u dat
toezeggen, Staatssecretaris?
Staatssecretaris Van Marum:
Ja.
De voorzitter:
Dan zorgen we ervoor dat de antwoorden die zojuist zijn gegeven ook schriftelijk jullie
kant op komen. Ik kijk even naar de leden van de commissie, want ik heb twee suggesties.
De eerste suggestie is om in ieder geval een tweeminutendebat, waarvan ik verwacht
dat jullie dat willen, in te plannen. De heer Ceder, gaat uw gang.
De heer Ceder (ChristenUnie):
Ja, ik zou graag een tweeminutendebat willen inplannen. Ik zou – ik kijk even de collega's
aan – voor dat debat en na de ILT-rapportage misschien nog de tweede termijn willen
doen met de nieuwe bewindspersonen. Ik weet niet of het nodig is om een heel nieuw
debat aan te vragen. Ik zou in ieder geval graag die tweede termijn doen, voordat
we het tweeminutendebat met elkaar voeren. Dat zou mijn suggestie zijn, maar ik vraag
wel formeel een tweeminutendebat aan.
Mevrouw Tseggai (GroenLinks-PvdA):
Ik wil eigenlijk gewoon een tweeminutendebat in de eerste week na het reces. Het hoeft
niet heel lang te duren, dus wat mij betreft leggen we dat verzoek neer bij de Griffie
plenair. Ik zou wel willen voorstellen om gewoon een nieuw commissiedebat in te plannen
met de nieuwe bewindspersonen. Ik denk namelijk dat de ILT-rapportage misschien ook
weer tot vragen van de zijde van de Kamer leidt.
Mevrouw Michon-Derkzen (VVD):
Ik begrijp dat de Rijksvertegenwoordiger eind februari besluit of we over moeten gaan
naar de volgende fase op die bestuurlijke interventieladder, waar het de hele tijd
over gaat. Ik kijk de collega's hier even aan. Ik wil dat besluit dan namelijk graag
weten, zodat we dat ook kunnen meenemen. Ik hoop dat de Staatssecretaris van BZK in
de beantwoording nog even kan bevestigen of dat besluit inderdaad eind februari door
de Rijksvertegenwoordiger wordt genomen. Als dat inderdaad zo is, dan hecht ik er
wel aan om te weten wat er besloten wordt, om daar vervolgens weer met elkaar over
in debat te gaan.
Mevrouw Nanninga (JA21):
Het is mij in commissieverband om het even of we een tweede termijn doen of een heel
nieuw debat op dit punt. De meerderheid beslist. Ik zou daar dan wel heel graag ook
dat onafhankelijke en bindende onderzoek bij betrekken. Dat is er medio maart. Als
we dan toch met z'n allen bezig zijn, lijkt dat me wel raadzaam. Anders blijven we
aan de gang, want dat onderzoek zou ook zomaar aanknopingspunten kunnen geven tot
een nader gesprek.
De voorzitter:
Ik ga proberen hier een conclusie uit te trekken. Er komt zo snel mogelijk een tweeminutendebat.
Daarnaast gaan we kijken of we een nieuw debat met de twee nieuwe bewindspersonen
kunnen laten inplannen, nadat we zowel de ILT-rapportage als dat onafhankelijke onderzoek
hebben. Dat zal ergens in maart zijn. Dan gaan we daarmee verder.
Ik had deze vergadering echt anders willen afsluiten, want ik weet dat het jullie
laatste vergadering in deze hoedanigheid is. Dank voor alles wat jullie hebben gedaan.
Hopelijk tot ziens in de toekomst. Ik wil de leden van de commissie ook heel erg danken
voor het begrip in jullie inbreng in dit best wel pittige debat. We gaan elkaar snel
na het reces weer treffen. Tot ziens.
Dank u wel, allen.
Sluiting 16.09 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
S. Mutluer, voorzitter van de vaste commissie voor Koninkrijksrelaties -
Mede ondertekenaar
A.E.A.J. Hessing-Puts, griffier -
Mede ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Infrastructuur en Waterstaat