Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 19 november 2025, over het Pakket Belastingplan 2026 (eerste termijn regering + tweede termijn)
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 115
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 10 december 2025
De vaste commissie voor Financiën heeft op 19 november 2025 overleg gevoerd met de
heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, over:
− de brief van de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane d.d. 17 september
2025 inzake aanbieding pakket Belastingplan 2026 (Kamerstuk 36 812, nr. 6);
− het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan
2026) (Kamerstuk 36 812);
− het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige
fiscale maatregelen 2026) (Kamerstuk 36 813);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met
differentiatie van het tarief van de vliegbelasting (Wet differentiatie vliegbelasting)
(Kamerstuk 36 815);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enkele andere
wetten in verband met het stroomlijnen van het fiscale inzagerecht (Wet stroomlijning
fiscaal inzagerecht) (Kamerstuk 36 816);
− het wetsvoorstel Tweede wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met
de in december 2023, juni 2024 en januari 2025 internationaal overeengekomen administratieve
richtsnoeren en een aantal overige technische wijzigingen (Tweede wet aanpassing Wet
minimumbelasting 2024) (Kamerstuk 36 817);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij
de heffing van belastingen en de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn
2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen
(Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbelasting) (Kamerstuk
36 818);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering
van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (Kamerstuk 36 819).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
De griffier van de commissie, Weeber
Voorzitter: Bushoff
Griffier: Lips
Aanwezig zijn negen leden der Kamer, te weten: Bushoff, Inge van Dijk, Van Eijk, Grinwis,
Oosterhuis, Stoffer, Stultiens, Vermeer en Vlottes,
en de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Aanvang 11.00 uur.
De voorzitter:
Goedemorgen, allemaal. Ik heropen het wetgevingsoverleg over het Belastingplan 2026.
Afgelopen maandag hebben alle commissieleden hun vragen kunnen stellen aan de regering
en aan elkaar over de zeven ingediende wetsvoorstellen. Gisteren heeft de Staatssecretaris
ook nog een brief gestuurd en gepoogd daarin in ieder geval gedeeltelijk antwoord
te geven op de gestelde vragen. We gaan vandaag mondeling verder van gedachten wisselen.
Ik heet de Staatssecretaris dan ook van harte welkom. Natuurlijk heet ik ook zijn
ondersteuning, de woordvoerders, de mensen op de tribune en de mensen die het eventueel
thuis volgen van harte welkom.
We beginnen zo dadelijk met de eerste termijn van de kant van de regering, gevolgd
door de tweede termijn van de Kamer en de regering, uiteraard als er bij de Kamer
nog veel behoefte is aan een tweede termijn. Morgen gaan we namelijk ook weer verder.
De commissie heeft ook besloten om moties over de wetsvoorstellen tijdens de tweede
termijn van de plenaire behandeling te doen. Dat wil zeggen: volgende week dinsdagmiddag.
Normaal gesproken heb je tijdens een wetgevingsoverleg een gelegenheid om in de tweede
termijn moties in te dienen, maar er is al besloten dat we dat volgende week dinsdag
doen. De stemmingen over het Belastingplan vinden vervolgens plaats op donderdag 27 november.
Als laatste moet ik nog even melden dat het lid Hoogeveen heeft laten weten vandaag
niet bij het overleg te kunnen zijn vanwege parallelle verplichtingen bij een debat
bij de commissie voor Buitenlandse Handel. Hij zal morgen weer bij ons zijn.
Ik stel voor dat we beginnen met zes interrupties. We hebben best even de tijd, dus
we gaan kijken hoe het gaat. Probeer de interrupties altijd kort en bondig te houden.
Ik zie al gelijk ...
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik zou graag de Grinwisverdubbelaar willen inzetten.
De voorzitter:
Twaalf, hoor ik al. Dat kan natuurlijk. Het hangt wel een beetje af van hoelang of
hoe kort de interrupties zijn. Twaalf interrupties die minutenlang duren, vind ik
wel heel veel. Als het kort en bondig kan – de heer Grinwis staat natuurlijk bekend
om de heel korte en bondige interrupties – kunnen we de Grinwisverdubbelaar misschien
inzetten.
Dat gezegd hebbende ga ik nog heel eventjes de leden links van mij voorstellen, voordat
ik het woord geef aan Staatssecretaris Heijnen. Allereerst zit links van mij natuurlijk
de griffier, maar daarnaast zitten als leden van de commissie: de heer Vlottes, de
heer Oosterhuis, mevrouw Wendy van Eijk, mevrouw Inge van Dijk, de heer Grinwis, de
heer Stoffer, de heer Vermeer en de heer Stultiens. Dat gezegd hebbende geef ik nu
eerst het woord aan de Staatssecretaris, maar niet voordat ik heb gezegd dat ik op
een logisch moment uiteraard ook nog even ga schorsen voor een lunchpauze. Dat doe
ik aan het eind van een van de blokken.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel, voorzitter. Lunch is uiteraard ook belangrijk. Het is goed om hier vandaag
te zijn om met de leden van uw commissie het debat te voeren over het Belastingplan
2026. Toen ik twee jaar geleden mijn maidenspeech hield in de Eerste Kamer bij de
behandeling van het Belastingplan 2024, had ik in ieder geval niet gedacht dat ik
hier vandaag zou zitten.
Zoals inmiddels bekend kom ik uit Limburg. Ik ben van het Limburgse platteland. Ik
ging naar Tilburg voor mijn studie fiscale economie en naar Eindhoven voor mijn werk,
maar ik ben altijd in Limburg blijven wonen. Nu zit ik hier in de Tweede Kamer als
Staatssecretaris van Financiën. Ik vind het dan ook een grote eer om als 33ste Staatssecretaris
van Financiën mijn bijdrage te mogen leveren, samen met u, aan goede wetgeving voor
ons land.
Het is een grote eer, maar ook een grote verantwoordelijkheid. Iedereen heeft namelijk
te maken met belastingen. Ik zeg weleens: iedereen heeft een mening over voetbal,
maar iedereen heeft ook een mening over belastingen. Ons leven begint al met een aangifte,
weliswaar bij de burgerlijke stand. Maar als we boodschappen doen, betalen we bijvoorbeeld
btw. Als we op onszelf gaan wonen, hebben we te maken met WOZ. Als we autorijden,
hebben we te maken met autobelasting en accijnzen. En tot slot, als we overlijden,
is er erfbelasting. Zoals Benjamin Franklin, Amerikaans staatsman, ooit zei: niets
in het leven is zeker, behalve de dood en belastingen. Zelf voeg ik daar nog een derde
zekerheid aan toe, namelijk: na Prinsjesdag behandelen we het pakket Belastingplan.
Ik wil eerst even kort ingaan op de hervorming van ons belasting- en toeslagenstelsel.
Verschillende leden vroegen daarnaar, onder anderen de heer Grinwis. Hij stelde mij
een aantal concrete vragen. Ik begin met de gebruikelijke, zou ik haast zeggen, disclaimer:
we zijn als kabinet demissionair en we vinden het ...
De voorzitter:
Er is al een snelle interruptie van de heer Grinwis, die er toch twaalf heeft.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nou, ik heb een vraag, een tip, om een beetje grip op deze dag te krijgen. Kan de
Staatssecretaris aangeven welke thema’s hij vandaag zal behandelen, voordat hij dit
prachtige thema verder gaat uitdiepen?
De voorzitter:
Eerst dus eventjes de praktische indeling van de blokken.
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik was bezig met mijn introductie. In die introductie wilde ik aangeven dat
ik vervolgens inga op inkomensbeleid, box 3, klimaat en energie, overige maatregelen
Belastingplan, schenken en erven, wetsvoorstel Stroomlijning fiscaal inzagerecht,
wetsvoorstel Differentiatie vliegbelasting en nog een aantal varia.
Dan ga ik verder waar ik was gebleven: de herziening van ons belastingen- en toeslagenstelsel.
Ik gaf al aan dat wij het als demissionair kabinet passend vinden om ons op dit punt
bescheiden op te stellen. Dit proces zal meerdere kabinetten beslaan en vraagt dus
om een breed draagvlak, maar als u mij vraagt naar mijn persoonlijke visie, ben ik
uiteraard wel bereid om die met u te delen.
Laat ik beginnen met de opmerking dat ik van mening ben dat we, als we over een herziening
praten, zouden moeten praten over een integrale herziening van ons belastingstelsel,
waarbij we een aantal strategische keuzes zouden moeten maken. Belastingheffing kan
dienen om overheidsuitgaven te financieren, inkomens te herverdelen, economisch gedrag
te sturen of de economie te stabiliseren. Dat zijn, denk ik, een aantal doelen die
je aan belastingheffing zou kunnen toekennen. Zelf denk ik – maar dat is mijn mening
– dat de budgettaire functie heel belangrijk is. Ik ben wat minder van de instrumentele
functie van belastingheffing.
Vervolgens, als je met elkaar van gedachten hebt gewisseld en prioriteiten hebt vastgesteld
voor de verschillende doelen, moet je een aantal andere keuzes maken. We hebben directe
en indirecte belastingen. Er is heel veel discussie over de vraag of je de indirecte
belastingen niet moet verhogen, in plaats van de directe belastingen. Daar moet je
keuzes in maken. Dat geldt ook voor de verdeling tussen de lasten op arbeid en vermogen.
Ook daarin moet je keuzes maken, een strategische keuze aan het begin van een integrale
herziening van het belastingstelsel.
Vervolgens ga je weer een stap verder en dan kom je op de diverse belastingmiddelen
uit, zoals de inkomstenheffing. Daarin moet je ook keuzes maken, bijvoorbeeld ten
aanzien van het boxenstelsel. Is het boxenstelsel nog wel van deze tijd of moeten
we misschien terug naar het systeem van de Wet op de inkomstenbelasting 1964? Dat
was trouwens een mooi jaar. Maar mijn overtuiging is dat elke hervorming moet beginnen
met het formuleren van een heldere en integrale visie, waarbij je stap voor stap toewerkt
naar een stip op de horizon. In die zin kan ik me volledig vinden in een recent blog
van de Nederlandse Orde van Belastingadviseurs, waarin zij aangaven: zet in op een
toekomstbestendig belastingstelsel en pak dat integraal aan. Daar kan ik mij volledig
in vinden. Het moet integraal, vanuit een strategische visie, maar je begint, denk
ik, van onderop, op het moment dat je die keuzes hebt gemaakt. Het lijkt mij logisch
om dan te beginnen bij box 1. Daar is heel veel over te doen, met de toeslagen en
de heffingskortingen. Daar zijn de problemen ook het grootst.
Dan kom ik op een van de vragen van de heer Grinwis. Over de toeslagen hebben we al
vaak van gedachten gewisseld; althans, daarover heeft u vaak van gedachten gewisseld
met mijn ambtsvoorgangers. Bij de toeslagen zou het, denk ik, niet onlogisch zijn
om te beginnen met de kindertoeslagen. We hebben de kinderbijslag; die werkt redelijk
goed, of eigenlijk heel goed. De kinderopvangtoeslag wordt al hervormd. Dan houden
we het kindgebonden budget over. Ik zou me kunnen voorstellen dat een volgend kabinet
eens kijkt naar een integrale oplossing voor kindregelingen, om ze zo maar eens te
noemen. Daarbij moet je, denk ik, de afweging maken in hoeverre die dan inkomensafhankelijk
moeten zijn. Ik zou me ook nog kunnen voorstellen dat je voor een combinatie kiest,
waarbij je een bepaald basisbedrag kiest met daarbij een extra stukje uitkering dat
afhankelijk is van het inkomen. Maar de inkomensafhankelijkheid is bij die toeslagen
steeds het lastige. Als je ze inkomensonafhankelijk maakt, krijg je een budgettair
probleem, omdat de toelage, zoals dat dan heet, veel minder gericht is.
Het lijkt mij dus logisch om met de kindertoeslagen te beginnen. Een volgende stap
zou kunnen zijn om ook eens goed te bekijken of je de zorgtoeslag op een of andere
manier zou kunnen hervormen. Dan heb je het over de toeslagen, maar vervolgens heb
je nog de heffingskortingen. Daar is ook heel veel over te zeggen. Ook daar zou je
dan vervolgens bij de herziening van box 1 meteen naar moeten kijken, want door die
toeslagen en heffingskortingen is het systeem in ieder geval veel minder transparant
voor de belastingplichtigen die belasting moeten betalen.
Ik weet niet of ik de vraag van de heer Grinwis zo naar genoegen heb beantwoord, maar
dat is mijn visie op hoe een toekomstige herziening eruit zou kunnen zien.
De voorzitter:
Ik zie in ieder geval de hand van de heer Vermeer omhooggaan en daarna ook die van
mevrouw Inge van Dijk, maar eerst is de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dank aan de Staatssecretaris voor zijn toelichting hierop. Deelt hij ook de mening
dat als je het echt goed wil aanpakken, gezien de onderlinge samenhang tussen al die
toeslagen en belastingen, je eigenlijk zou moeten werken vanuit wat wij weleens «de
nucleaire optie» genoemd hebben, dus gewoon even alles aan de kant schuiven en dan
zeggen: hoe ga je dit systeem inrichten? De Staatssecretaris stelt nu voor om te gaan
sleutelen aan onderdelen. Dat is juist wat we steeds doen en waardoor we steeds dieper
het drijfzand in gelopen zijn.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik denk dat je een integrale, algehele herziening zou moeten willen. Ik ben een beetje
bang dat je niet veel verder komt op het moment dat je voor de nucleaire optie kiest
zoals de heer Vermeer die aangeeft. Je zult ergens moeten beginnen, maar steeds vanuit
een integrale visie en vanuit het totaal bezien. Maar je zult ergens moeten beginnen.
De voorzitter:
Ik zag eerst de hand van mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dit haakt eigenlijk aan bij: je zult ergens moeten beginnen. Waar ik me heel veel
zorgen over maak – die zorgen heb ik al een aantal jaren en die worden eigenlijk Belastingplan
op Belastingplan groter – is dat elk Belastingplan weer een verdringing is van überhaupt
een stip op de horizon om te kunnen vernieuwen. Ik vraag me af of het nou verstandig
is hoe we dit met elkaar doen als we echt serieus de wens hebben om te gaan vernieuwen.
Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik deel de zorgen van mevrouw Van Dijk, maar we hebben nu eenmaal te maken met de
bestaande situatie. We zullen een aantal aanpassingen moeten doorvoeren. Ik vind het
heel jammer dat het niet een van de onderwerpen is die nu op de formatietafel liggen,
want ik denk dat de herziening van het belastingstelsel daar als zesde thema ook behandeld
zou moeten worden. Ik herken en deel de zorgen van mevrouw Van Dijk, maar ik denk
wel dat we vanuit een bestaande situatie naar een toekomstige situatie moeten gaan
en dat we dat stap voor stap zullen moeten doen zolang we het eindbeeld maar in zicht
houden.
De voorzitter:
En een vervolgvraag?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik deel namelijk niet de mening van de Staatssecretaris. We zullen nu dingen moeten
doen, want dat bepalen we volgens mij met elkaar. Ik pel mijn vraag wat verder af.
Waarom maakt ook dit kabinet de keuze om het weer meer complex te maken in plaats
van te zeggen: dat gaan we nu eens even niet doen, want we hebben de wens om te vernieuwen;
ook al hebben we die visie hier nog niet liggen, we snappen heel goed dat we ICT-technisch
ruimte zullen moeten gaan creëren, dus we blijven iets meer op onze handen zitten?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat vind ik een lastige vraag, want ik weet niet of het nu meer complex wordt. Maar
vanuit deze bestaande situatie is het op dit moment moeilijk, denk ik. Inderdaad,
u bepaalt zelf wat we gaan doen, maar ik denk dat we met dit Belastingplan toch een
aantal goede stappen zetten. Er moeten meer stappen volgen; dat ben ik volledig met
mevrouw Van Dijk eens. Maar ik denk wel dat dit Belastingplan op dit moment een goede
stap voorwaarts is.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank aan de Staatssecretaris voor het antwoord. Interessant dat hij het kindgebonden
budget ...
De voorzitter:
Eén moment, de microfoon van de Staatssecretaris moet even uit, anders ziet de kijker
niet wie er spreekt.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Interessant dat de Staatssecretaris het kindgebonden budget als eerste aanwijst om
aan te pakken, en niet de zorgtoeslag of de huurtoeslag. De huurtoeslag is de afgelopen
jaren natuurlijk al verbeterd, dus dat zou een reden kunnen zijn. In de tussentijd
maken wij politici in generieke zin het ieder jaar ingewikkelder, vooral gedreven
door koopkrachtfetisjisme. Je zag het net: de heer Klaver heeft die buffelboete geproblematiseerd.
Daar kun je verschillend tegen aankijken. Feit is dat we nu voor 734 miljoen de arbeidskorting
verder oppompen, wat de verschillen in ons belastingstelsel groter maakt, wat grote
deeltijdbanen of voltijdbanen onaantrekkelijker maakt, en dat we een stap verder weg
komen van herziening. Dat is door een heel groot deel van de Kamer gesteund – niet
door mijn fractie en ook niet door de SGP, maar verder volgens mij door alle fracties.
Dat vind ik contrair aan de brede wens die we in globale zin altijd uitspreken, namelijk
dat we een herziening willen. Wat is er nou voor nodig dat het geen vogel in de lucht
blijft en we rapport op rapport stapelen, vanaf de commissie-Van Weeghel – dat was
al in 2010 – tot nu, maar we daadwerkelijk iets gaan doen? Wat is daarvoor nodig volgens
de Staatssecretaris? Moeten we dan inderdaad niet alleen een mooie frase in een coalitieakkoord
opschrijven, maar ook de eerste toeslag die we gaan aanpakken, de eerste heffingskorting
die we gaan aanpakken? Dan moet je dat gewoon concreet maken, volgens mij ook in de
tabel. Hoe kijkt de Staatssecretaris daartegen aan? Zoals we nu werken, maken we het
alleen maar complexer.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ben het met de heer Grinwis eens. Mijn advies aan een volgend kabinet, als ik dat
zou mogen geven, is daarom: vanuit die heldere, integrale visie concrete afspraken
maken bij de formatie over maatregelen op korte, middellange en lange termijn. Maar
concrete afspraken maken. Ook in het hoofdlijnenakkoord was het niet concreet genoeg.
Je ziet dat er daardoor vervolgens te weinig gebeurt.
De voorzitter:
De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga terug naar het pakket Belastingplan 2026. Ik heb met veel belangstelling geluisterd
naar het debat dat afgelopen maandag in uw Kamer gevoerd is. De leden hebben heel
veel vragen gesteld in het eerste wetgevingsoverleg. Daar ben ik voor een groot deel
schriftelijk op ingegaan in mijn brief van gisteren. Er zijn ook vragen die ik vandaag
zal beantwoorden. Ik doe dat graag aan de hand van de indeling die ik net met u heb
gedeeld. Ik wil afsluiten met een opmerking over de amendementen.
Dan begin ik met het kopje inkomensbeleid en kom ik bij een vraag van de heer Hoogeveen,
die helaas niet aanwezig is, over de risico’s van het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor.
Is dat een uitzonderlijke maatregel of kan dit in de toekomst opnieuw worden gebruikt?
Zoals bekend worden veel bedragen en fiscale wetgeving jaarlijks geïndexeerd om de
belastingheffing in reële termen ongeveer gelijk te houden. Het beperkt toepassen
van de tabelcorrectiefactor is een lastenverzwaring, omdat het belastingstelsel dan
minder meegroeit met de inflatie. Het demissionaire kabinet vindt dan ook dat wat
betreft het beperkt toepassen van de tabelcorrectiefactor terughoudendheid is geboden
om te voorkomen dat de inkomstenheffing steeds verder uit de pas loopt met de inflatie.
Daarnaast, en dat vinden wij ook wel een aandachtspunt, zijn de effecten voor de belastingplichtigen,
voor de burgers minder transparant omdat deze aanpassing een groot aantal bedragen
raakt en deze niet zichtbaar verlaagt, maar minder verhoogt. Dit neemt niet weg dat
wij van mening zijn dat er weloverwogen, met goede redenen, een dergelijke keuze gemaakt
moet kunnen worden. Maar we zien het dan wel als een uitzondering, en liever doen
we het niet.
Een tweede vraag van de heer Hoogeveen: «Het kabinet past dit jaar slechts de helft
van de automatische inflatiecorrectie toe. Wat is het effect op de marginale druk
en voor welke inkomensgroepen stijgt de marginale druk het meest?» Ik heb al toegelicht
– dat hoef ik niet nog een keer te doen, zeker niet in deze commissie – wat dat betekent.
Maar bij een toename van het inkomen komen mensen eerder in een hoger marginaal tarief
terecht dan wanneer de tabelcorrectiefactor volledig wordt toegepast. Dit speelt met
name bij inkomens rond de schijfgrenzen, bij de inkomstenbelasting en bij de opbouw-
en afbouwtrajecten van de heffingskortingen. Als je alle belastingmaatregelen voor
2026 meerekent, dan geldt voor de verschillende inkomensgroepen dat de verandering
in de marginale druk per saldo beperkt is.
Dan ga ik naar vragen van de heer Stultiens en de heer Vermeer. «Hoe gaat u in de
toekomst voorkomen dat lage inkomens erop achteruitgaan door de indexatie van de arbeidskorting?»
De heer Vermeer vroeg: vindt de Staatssecretaris ook dat er een pas op de plaats moet
worden gemaakt voor inkomensafhankelijke regelingen, zodat het stelsel niet nog complexer
wordt gemaakt? We hadden het er net al even kort over. Het kan in de toekomst blijven
voorkomen dat deeltijdwerkers met een laag inkomen bij het uitblijven van een loonstijging
wat meer inkomstenheffing moeten gaan betalen, zeg ik tegen de heer Stultiens. Dit
zijn echter wel heel specifieke situaties.
Het kabinet is er geen voorstander van om beleid te maken voor bepaalde groepen mensen
of individuele gevallen. Als je de inkomensgrenzen voor de arbeidskorting met de inflatie
mee laat stijgen in plaats van met de loonontwikkeling, dan leidt dit op termijn tot
een lastenverzwaring voor werkenden. Middeninkomens zullen er dan op termijn fors
minder op vooruitgaan. Als de inkomensgrenzen met de inflatie meestijgen, betekent
dit ook dat er in tijden van plotselinge en onverwachte inflatie een flinke achteruitgang
plaatsvindt in de arbeidsinkomens voor de mensen met de laagste inkomens. De lonen
stijgen in een dergelijke situatie namelijk vertraagd mee met de inflatie. De loonstijging
loopt altijd even achter op de inflatiestijging. Het kabinet is overigens – ik gaf
het al aan – samen met de sprekers van mening dat het stelsel te complex is voor burgers.
Maar het is niet meer aan dit demissionaire kabinet om een hervorming in gang te zetten.
Ook vraagt de heer Vermeer naar de complexiteit van het stelsel, onder andere in relatie
tot heffingskortingen en inkomensafhankelijke regelingen. Ik ben het volledig met
hem eens dat het toevoegen van een nieuwe inkomensafhankelijke regeling het stelsel
complexer maakt. Dat doet het kabinet dan ook niet. Heffingskortingen en een verhoging
of verlaging daarvan maken voor de bestaande, te grote complexiteit van het stelsel
geen groot verschil.
De voorzitter:
De heer Stultiens heeft hier nog een vraag over, dus we gaan eerst even naar de heer
Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Het is jammer dat de heer Grinwis net weg is, want hij begon er ook over, maar de
buffelboete is natuurlijk wel degelijk een probleem. Het ging om mensen die werken
in de thuiszorg, in de schoonmaak of in de Bijenkorf. Die hebben de laatste jaren
allemaal gezegd: we zien opeens een hogere belasting dan vorig jaar op ons loonstrookje.
Dat is raar als we met elkaar zeggen: werken moet lonen. Nu is het opgelost voor de
afgelopen twee jaar dankzij de Kamer. Dat is heel fijn. Ik snap ook dat de Staatssecretaris
zegt: ik ga nu geen hele grote stelselwijzigingen doorvoeren. Maar wat kan hij dan
wel toezeggen zodat we de komende jaren niet opnieuw elke keer deze discussie krijgen?
Wat gaan we doen om te voorkomen dat deze groepen mensen met een klein inkomen niet
meer belasting gaan betalen dan het jaar ervoor?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een terechte vraag van de heer Stultiens. Er was, denk ik, wel sprake van een
bijzondere samenloop van diverse omstandigheden waardoor dit aan de orde was. Als
je kijkt naar de koopkracht, dan zie je dat de groepen die de heer Stultiens noemt
er per saldo op vooruitgingen. Ik kan hem echter toezeggen dat, zolang het kabinet
er nog zit, we dit nauwlettend in de gaten zullen houden en daarop zullen acteren
op het moment dat dat nodig is.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan ga ik naar een aantal vragen van mevrouw Van Dijk, de heer Stoffer en de heer
Grinwis. Die gaan over de arbeidskorting en de doelmatigheid daarvan voor het stimuleren
van arbeidsparticipatie en over de evaluatie die gedaan is. De leden vragen ook naar
de verhoging van het budget van de arbeidskorting in de derde nota van wijziging op
het Belastingplan. De evaluatie van de heffingskorting en de tariefstructuur zijn
mij uiteraard bekend. Uit deze evaluatie blijkt dat de arbeidskorting als gerichte
inkomensondersteuning voor werkenden doeltreffend is. Het blijkt inderdaad lastiger
om na te gaan of en in hoeverre de arbeidskorting de afgelopen jaren heeft bijgedragen
aan de stijging van het arbeidsaanbod. Ik heb het dan dus over doelmatigheid. Er is
sprake van een op- en afbouwtraject. Voor lagere inkomens geldt dat de arbeidskorting
stijgt als ze meer gaan verdienen. In de opbouwfase is er dus een prikkel om meer
te gaan werken. Het kabinet is, zoals bekend, van mening dat meer werken moet lonen
en wil dat de koopkracht van werkenden en uitkeringsgerechtigden dichter bij elkaar
blijft. Dat is ook in het Belastingplan 2026 het geval. Daarom zat in het Belastingplan
zoals aangeboden aan de Kamer op Prinsjesdag een beperkte verhoging van de arbeidskorting.
Door de derde nota van wijziging is daar nu geen sprake meer van. De hoogte van de
arbeidskorting wordt dus alleen beperkt geïndexeerd per 2026. Wel worden met de nota
van wijziging de inkomensgrenzen van de arbeidskorting aangepast.
Deeltijdwerkers die op jaarbasis minder dan het minimumloon verdienen – de heer Stultiens
vroeg daarnaar – krijgen meer recht op arbeidskorting in 2026 ten opzichte van de
situatie waarin de inkomensgrenzen uitsluitend op basis van het wettelijke minimumloon
zouden zijn geïndexeerd.
De motie op basis waarvan deze nota van wijziging is ingediend – de heer Grinwis had
het erover – is met een brede Kamermeerderheid aangenomen. Het kabinet heeft daar
dan ook uitvoering aan gegeven.
Om specifiek werkenden te bereiken, zeg ik in antwoord op de vraag van mevrouw Van
Dijk, is de arbeidskorting ook een van de weinige instrumenten die ingezet kunnen
worden in de fiscaliteit.
De voorzitter:
Ik zag eerst de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Die motie was inderdaad een compromis tussen meerdere partijen bij de Financiële Beschouwingen.
Als het aan mijn partij had gelegen, hadden we het alleen maar gedekt uit het toptarief.
Het werd een mix van een derde, een derde en een derde: het lage tarief, de arbeidskorting
zelf en het toptarief. Die motie is netjes uitgevoerd. Maar er was wel een tegenvaller,
namelijk het bedrag na 2030. Dat is eigenlijk een onverwachtse budgettaire tegenvaller.
Ik begrijp niet waarom het kabinet ervoor heeft gekozen om die tegenvaller volledig
te dekken in het tarief van de eerste schijf, terwijl de geest van de motie van de
Kamer juist was: verspreid dat dan ook netjes over deze drie groepen. Kan hij daarop
reflecteren?
Staatssecretaris Heijnen:
Daar hebben we naar gekeken. De extra dekking die nodig was, was op het moment van
het bespreken van die motie niet bekend. We hebben met name vanwege de eenvoud daarvoor
gekozen. De keuze is uiteindelijk vanwege de eenvoud zo geweest.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Maar dan blijft de vraag staan of het niet net zo eenvoudig is om te zeggen: voor
een derde dek je het uit het tarief van de eerste schijf en opnieuw voor een stukje
uit het toptarief, die grens. Dat doen we namelijk toch voor de komende jaren, dus
ik zou denken: qua uitvoering is het even moeilijk om dat ook na 2030 te doen. Ik
vind het wel meer passen bij de geest van de motie om het ook daar netjes te spreiden,
in plaats van het alleen bij het eerste tarief te houden.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat zou kunnen. Dat is, denk ik, aan een volgend kabinet, ook in het kader van de
hele herziening van het belasting- en toeslagenstelsel. We hebben daar niet voor gekozen,
maar we kunnen daar zeker nog een keer naar kijken.
De voorzitter:
Dan nog mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik had nog een vraag gesteld over ons voorstel over die arbeidskorting naar het aantal
uren. Nu wordt meer verdienen in principe gestimuleerd, maar niet per definitie meer
werken. Ik weet dat het moeilijk is in de uitvoering, maar ik ben benieuwd naar het
conceptueel denken hierover en hoe de Staatssecretaris daarnaar kijkt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of mevrouw Van Dijk mijn bijdrage van tevoren heeft ingezien, maar daar
kom ik nu op.
De voorzitter:
Gaat u daar nu op antwoorden of komt u daarop terug? Oké, u gaat eerst antwoord geven.
O nee, mevrouw Van Eijk heeft op dit punt nog een specifieke vraag. Dan gaan we eerst
even naar de vraag van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja, naar aanleiding van de interruptie van de heer Stultiens en het antwoord van de
Staatssecretaris over de dekking die gekozen is voor die tegenvaller. Onderdeel van
de motie was ook een evenwichtig koopkrachtbeeld. Nu weet ik niet of die bedragen
zo veel impact hebben dat dat dan verschuift. Misschien kan de Staatssecretaris daar
nog op reageren, dus de situatie dat er gekozen zou zijn voor de dekking die initieel
ook in de motie stond.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik ga eerst even kort in op de vraag van mevrouw Van Eijk, met het verzoek of ik daar
in tweede termijn mag terugkomen.
Dan nu de vraag van mevrouw Van Dijk. Het kabinet deelt de wens van mevrouw Van Dijk
om mensen die in deeltijd werken te stimuleren om meer uren te werken, om de krapte
op de arbeidsmarkt te verminderen. Het kabinet is echter geen voorstander van een
arbeidskorting op basis van gewerkte uren om dit doel te behalen, omdat een dergelijk
voorstel wat ons betreft veel problemen kent. Het is ongericht, juridisch onzeker,
niet goed handhaafbaar voor de Belastingdienst en complex voor burgers. Binnen de
fiscaliteit zou een algehele herziening van de belastingen en toeslagen uitkomst kunnen
bieden door de marginale druk verder te verminderen, zodat werken meer loont. Dat
is de reactie op de vraag.
Misschien kan ik daar nog wat aan toevoegen. Ik zie mevrouw Van Dijk enigszins ...
Ik proef een vervolgvraag zonder dat ze die uitspreekt.
De voorzitter:
Dan ga ik eerst even naar de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Misschien moet ik die vervolgvraag dan maar stellen. Ik ben eigenlijk best wel gecharmeerd
van het idee van mevrouw Inge van Dijk. Misschien kan de Staatssecretaris in de tweede
termijn iets meer zeggen over waar dan die problemen zitten, ook de juridische problemen.
Bijvoorbeeld ten aanzien van het minimumloon zijn we een aantal jaar geleden naar
een minimumloon per uur gegaan. Ik zou me ook kunnen voorstellen dat er wel wat aanknopingspunten
zijn om toch ook naar een arbeidskorting per gewerkt uur te kijken. Misschien kan
de Staatssecretaris daar in de tweede termijn nog iets meer over zeggen.
Staatssecretaris Heijnen:
Zal ik proberen om dat nu al te doen?
De heer Oosterhuis (D66):
Dat mag ook.
Staatssecretaris Heijnen:
Arbeidskorting naar gewerkte uren is juridisch onzeker, omdat er een onderscheid ontstaat
op basis van arbeidsduur. Het zou niet zo moeten zijn, maar indirect kan dat ook leiden
tot een ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen. Dit onderscheid is alleen
gerechtvaardigd als er een hele goede reden voor is. Daarnaast, zeg ik in antwoord
op de vragen, zijn de uitvoeringslasten en administratieve lasten van dit voorstel
heel hoog, omdat gewerkte uren door de Belastingdienst niet goed te controleren zijn.
Er is namelijk geen contra-informatie beschikbaar. Tot slot denken wij dat de complexiteit
en de onzekerheid voor burgers toenemen. Het aantal gewerkte uren wordt dan een extra
factor die invloed heeft op hoeveel iemand netto overhoudt.
De voorzitter:
Er is toch nog een vervolgvraag.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Zou u in willen gaan op de ongelijke behandeling tussen mannen en vrouwen? Wat bedoelt
u daarmee?
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Wat ik daarmee bedoel is dat je op dit moment ziet dat veel vrouwen – ook mannen,
maar meer vrouwen – in deeltijd werken, dus minder uren werken en dus wellicht minder
arbeidskorting ontvangen.
De voorzitter:
De heer Oosterhuis neemt het weer over.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik ben wel benieuwd waarom dat wel een probleem is bij een arbeidskorting per uur,
terwijl dat niet een probleem zou zijn bij een arbeidskorting per euro salaris. Daarvoor
geldt toch hetzelfde, dat vrouwen met een deeltijdbaan in de regel wat minder verdienen
dan mannen met een fulltimebaan? Ook nu hebben we dan dat onderscheid in de arbeidskorting.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt, maar de hoogte van het inkomen kan voldoende zijn om de arbeidskorting
volledig te ontvangen, ook bij minder gewerkte uren – dat hangt af van de baan die
ingevuld wordt – terwijl dat bij gewerkte uren dan gelijk effect heeft.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Stultiens. Hij vraagt waarom het kabinet ervoor
gekozen heeft de extra structurele kosten van de compensatie – we hebben ’m net behandeld
– van de buffelboete te laten neerslaan in het tarief eerste schijf. Ik had dat al
aangegeven, maar nogmaals: daar is voor gekozen om de dekking zo goed mogelijk aan
te laten sluiten bij de budgettaire derving. Zoals toegezegd zal ik daar in de tweede
termijn nog op terugkomen.
Dat waren mijn antwoorden op de vragen over inkomensbeleid. Als u het goedvindt, ga
ik nu over naar de vragen over box 3. Er zijn veel vragen gesteld over de maatregelen
in box 3, namelijk over de verhoging van het forfait en de verlaging van het heffingsvrije
vermogen. Zoals bekend is er een flinke dekkingsopgave in box 3 van ruim 2 miljard:
2,55 miljard. Dat komt vooral doordat de invoering van het nieuwe stelsel een jaar
is uitgesteld. Het kabinet vindt het, net als de Kamer, denk ik, belangrijk dat deze
derving conform de begrotingsregels wordt gedekt. Zo wordt de rekening niet doorgeschoven.
Daarom heeft het kabinet een voorstel gedaan voor dekking binnen hetzelfde domein
in box 3. Ik zal bij de beantwoording van de vragen nader ingaan op de feitelijke
onderbouwing hiervan. Tegelijkertijd begrijp ik de bezwaren die worden genoemd tegen
deze maatregelen wel heel goed. Als er vanuit uw Kamer voorstellen zijn voor amendementen
met een alternatieve dekking, dan zal het kabinet daar welwillend naar kijken.
Dan kom ik bij de concrete vragen. Ik begin met de vragen van mevrouw Van Dijk en
de heer Vermeer. Zij vragen zich af of de ramingen voor de hersteloperatie box 3 nog
up-to-date zijn en of de verhoging van het forfait echt wel nodig is. De heer Vermeer,
dacht ik, vroeg: wat zijn de gevolgen van de recente verkoopgolven van huurwoningen
op de geraamde opbrengst van box 3? Kan de raming worden vergeleken met de realisatie
van de tot nu ingediende tegenbewijzen? De raming is vastgesteld bij het indienen
van het wetsvoorstel Wet tegenbewijsregeling en is door het CPB positief beoordeeld
op redelijkheid en neutraliteit. De rendementen in de toekomst zijn echter nog onbekend.
Er zijn, zoals bekend, diverse ontwikkelingen die daar invloed op hebben. De raming
geeft wat ons betreft de beste inschatting van deze effecten, ook op dit moment. Mochten
realisaties lager of hoger uitvallen, dan heeft dit geen effect op het inkomenskader,
zoals ook bekend is. Eventuele mee- of tegenvallers lopen in het saldo.
Dan concreet over het aantal tegenbewijzen die inmiddels zijn ingediend: dat zijn
er tot op heden ruim 300.000. De Belastingdienst is onlangs begonnen met het stapsgewijs
behandelen van de tegenbewijzen, maar er is op dit moment nog geen zicht op het bedrag
dat wordt teruggevraagd of zal worden uitgekeerd. We hopen daar begin volgend jaar
op terug te kunnen komen.
Dan een vraag over het forfait van de heer ...
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dit is wel een punt dat voor velen van ons in de Kamer echt een dingetje is. We hebben
hier in de eerdere behandeling continu op gehamerd. Het zijn er al 300.000 en er zijn
echt al een aantal tegenbewijzen behandeld. Er zal toch wel een eerste gevoel zijn?
Wat zien jullie? Wat zijn de signalen? U kunt de Kamer toch wel een beeld geven van
wat jullie op dit moment zien?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een bekende vraag, want die heb ik ook gesteld toen ik een aantal weken geleden
begon. Ik heb toen een discussie gehad met de collega’s van analyse en zij gaven aan
dat ze op dit moment geen indicatie hebben dat het bedrag veel te hoog zou zijn. Sterker
nog: de eerste signalen uit 2025 geven hun niet de indruk dat er een bijstelling zou
moeten plaatsvinden. Ik heb er echt – dat moet u geloven – op doorgedrukt, maar op
dit moment kan ik daar helaas niet meer over zeggen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik ben zelf even kwijt welke jaren nu aan het binnenkomen zijn. Dat gaat natuurlijk
gefaseerd. Je krijgt een uitnodiging om dat formulier te kunnen invullen. Ik snap
dat je het hebt over ... Dan moet ik natuurlijk wel het goede voorbeeld nemen, waarvan
we met ons allen weten dat daar waarschijnlijk heel veel tegenbewijzen op gaan komen.
Er zijn natuurlijk jaren geweest waarin de rendementen laag waren, zeer laag zelfs,
maar de vastgoedprijzen wel doorstegen. Dat zou het jaar zijn waarin de hoogste bedragen,
zal ik maar zeggen, aan tegenbewijzen ingediend zouden kunnen worden. Welke jaren
betreft dit en klopt dat dan met dat beeld?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik herken de vraag. Mevrouw Van Eijk zal wellicht doelen op het slechte beursjaar
2022, waarbij er minder met tegenbewijs zal worden gedaan. Ik heb begrepen dat de
oudere jaren als eerste binnenkomen. Het precisieoverzicht moet ik op dit moment nog
schuldig blijven. Ik zou willen vragen of ik daar in de tweede termijn op mag terugkomen.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Stoffer. Hij geeft aan dat het forfait altijd
berekend werd op basis van feitelijke informatie en hij vroeg zich af of het forfaitaire
rendementspercentage verder kan stijgen als er weer geld nodig is. Dat was, heel kort,
uw vraag, denk ik. Er is nog steeds sprake van een feitelijke onderbouwing van het
forfait dat gebaseerd is op een meerjarig gemiddeld rendement op onroerende zaken,
aandelen en obligaties. Voor onroerende zaken is tot nu toe aangenomen dat de ontwikkeling
van de huizenprijzen een goed beeld geeft van het totale rendement. Zoals bekend,
wordt er op dit moment bij het berekenen van het forfait geen rekening gehouden met
huurinkomsten en voordelen door eigen gebruik. Ook dat soort inkomsten horen volgens
de uitspraak van de Hoge Raad wel thuis in box 3 en horen dus meegenomen te worden.
Hiermee wordt ook een budgettaire dekking geleverd voor de derving die is ontstaan
in box 3. Maar het antwoord op de vraag van de heer Stoffer is: het forfait is, wat
ons betreft, geen knop waar zomaar aan gedraaid kan worden. Een verdere verhoging
is niet mogelijk, omdat de onderbouwing daarvoor ontbreekt.
De heer Stoffer (SGP):
We komen hier wellicht plenair nog op terug, maar gaat de Staatssecretaris nog specifiek
in op pachtcontracten? Want daarbij kun je überhaupt niet meer dan 2% halen, wat natuurlijk
totaal niet in relatie staat tot die 7,78%. Komt dat antwoord nog? Of gaat hij daar
nu naar aanleiding van mijn vraag op in?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik had dat niet voorbereid. Ik wil daar best op ingaan. Mijn eerste reactie is: als
het werkelijk rendement lager is dan het forfaitair rendement, kan er natuurlijk via
de Wet tegenbewijsregeling box 3 om een verlaging van de aanslag worden gevraagd.
Is dat wat de heer Stoffer bedoelt?
De heer Stoffer (SGP):
Dat zou natuurlijk een route kunnen zijn, maar wel een wat omslachtige. Maar bij pachtcontracten
is helder dat je wettelijk gezien niet meer rendement haalt dan 2%. Dat zou dus kunnen
via deze omslachtige route. Maar als nu wordt gezegd door de Staatssecretaris dat
je dat in alle gevallen terugkrijgt ... Dat vermengt zich wellicht met andere zaken
die je hebt. Stel dat iemand agrarische grond heeft en pachtcontracten uitzet en ook
wat aanlevert enzovoorts. Met dat deel wat je aan agrarische grond hebt, sta je natuurlijk
altijd achter. Ik kan me niet voorstellen dat een BBB-staatssecretaris de landbouw
daar niet in tegemoet zou willen komen. Ik zou dus eigenlijk graag zien dat daar een
uitzondering voor gemaakt wordt, of dat daarnaar gekeken wordt. Hier zit wel een stuk
onrechtvaardigheid in. Ik denk ook: met betrekking tot de landbouw en voedselzekerheid
moeten we dit zo niet laten bestaan. Ik snap goed dat het zou kunnen. Als je alleen
maar landbouwgrond hebt, zou het goed kunnen komen met zo’n tegenbewijsregeling. Maar
als je ook nog iets anders hebt in box 3, zoals een vakantiehuis of wat aandelen,
dan wordt dat bij elkaar opgeteld en zakt dat weg. Dat zorgt er natuurlijk voor dat
landbouwgronden gewoon totaal oninteressant worden. Als we niet uitkijken, gaat dat
niet goed. Daar maak ik me grote zorgen over.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik dank de heer Stoffer voor de toelichting. U zegt eigenlijk: ik had het alleen over
pachtgronden, maar het werkelijk rendement moet over het totaal berekend worden. Dat
is eigenlijk wat u zegt. Het kan best zo zijn dat op de andere vermogensbestanddelen
dusdanig hoge rendementen worden gerekend dat er de facto geen rekening wordt gehouden
met een lager rendement op pachtgrond. Ik denk dat dat de vraag is van de heer Stoffer.
Op dit moment is daar helaas niet in voorzien. Wij denken dat het heel bewerkelijk
en lastig uitvoerbaar wordt om daar specifiek een uitzondering of een bepaling voor
op te nemen.
De voorzitter:
Ik zie wat geknik, maar ik zie geen handen de lucht in gaan. U kunt verdergaan met
uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan kom ik bij een vraag van de heer Vlottes. Hij vroeg mij of de verhoging van het
forfait voor overige bezittingen stand zal houden bij de rechter. Laat ik aangeven:
het kabinet ziet geen risico op schending van het eigendomsrecht. Met de voorgestelde
aanpassing komt het huidige rendementsbegrip in box 3 beter tot uitdrukking in de
berekeningswijze van het forfait. Dit volgt ook uit de jurisprudentie van de Hoge
Raad. Die heeft geoordeeld dat ook huurinkomsten en voordelen als gevolg van eigen
gebruik tot het rendementsbegrip in box 3 horen. Belastingplichtigen met een lager
werkelijk rendement kunnen tegenbewijs leveren. Zij betalen dan alleen belasting over
het lagere werkelijk rendement. Met andere woorden: wij zijn van mening dat die verhoging
zal standhouden bij de rechter.
De heer Vlottes vroeg ook of invoering van kostenaftrek in de tegenbewijsregeling
verzachtend had kunnen werken. Bij de behandeling van de Wet tegenbewijsregeling box
3 is aangegeven dat het toevoegen van kosten zal zorgen voor een budgettaire derving
in 2026 en 2027 van cumulatief 1,1 miljard. Daarnaast zou dit zorgen voor vertraging
bij het bieden van rechtsherstel en voor verdere vertraging na 1 januari 2028 van
de inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3. Dat zou weer tot een aanvullende
budgettaire derving leiden. Bij de behandeling van de Wet tegenbewijsregeling box
3 is door uw Kamer een amendement om kostenaftrek in te voeren verworpen. Ik begrijp
echter heel goed dat belastingplichtigen in box 3, met name de belastingplichtigen
met vastgoed, het ontbreken van de kostenaftrek als klemmend ervaren. Wij streven
er daarom ook naar om zo snel mogelijk, per 1 januari 2028, het nieuwe stelsel box
3 in te voeren, waarin die kostenaftrek wel mogelijk is.
Dan vraagt de heer Vlottes naar de inschatting dat het aantal tegenbewijzen met 40%
zal stijgen, als gevolg van het verhogen van het forfait, en of hierdoor de invoering
van het nieuwe stelsel per 2028 in gevaar komt. Hij vraagt ook of het mogelijk is
om de herijking van de uitvoeringstoets van de tegenbewijsregeling naar voren te halen.
Ook mevrouw Van Dijk vraagt wat de gevolgen zijn van die ingeschatte tegenbewijzenstijging
van 40% voor de invoering van het nieuwe stelsel. Een hoger aantal tegenbewijzen onder
de Wet tegenbewijsregeling box 3 leidt er niet toe dat de Wet werkelijk rendement
box 3 later kan worden ingevoerd. Daar hebben we rekening mee gehouden. Invoering
van de wet per 1 januari 2028 is mogelijk, indien het wetsvoorstel uiterlijk 15 maart
2026 is aangenomen door uw Kamer. Verder is het uiteraard van belang dat er niet tot
ingrijpende wijzigingen van het wetsvoorstel wordt besloten die de invoering zouden
kunnen vertragen, en dat er geen andere prioriteiten worden gesteld die additionele
IV-capaciteit van de Belastingdienst vragen.
Er werd gevraagd naar de herijking van de uitvoeringstoets Wet tegenbewijsregeling.
Die staat gepland in het eerste kwartaal van 2026, omdat dat het eerste moment is
dat er relevante gegevens zijn voor deze herijking. Het eerder uitvoeren van de herijking,
waar ook naar werd gevraagd, zorgt er niet voor dat risico’s eerder in beeld kunnen
worden gebracht. Wat ons betreft leidt het eerder laten plaatsvinden van deze herijking
tot onbetrouwbare resultaten.
Dan kom ik op het idee van de heer Grinwis – hij is er nu helaas niet – om de verlaging
van het heffingsvrij vermogen en de verhoging van het forfait ...
De voorzitter:
Voordat u naar dat idee gaat, is er nog een vraag van de heer Vlottes.
De heer Vlottes (PVV):
Wellicht dat de Staatssecretaris het vergeten is, maar ik had ook nog gevraagd waar
die 40% op gebaseerd is, wat voor gevolgen het heeft als het bijvoorbeeld 45% of 50%
zou zijn, en wat voor gevolgen dat dan heeft voor de IV-capaciteit.
Staatssecretaris Heijnen:
Die 40% is een inschatting op basis van de ervaring en de kennis vanuit de gegevens
van de Belastingdienst. We gaan ervan uit dat het 40% is. Het kan meer of minder worden,
maar dat zou geen gevolgen moeten hebben. We gaan er niet van uit dat het 60% wordt.
Maar 45% of een lichte verhoging zou geen gevolgen moeten hebben voor de invoering.
Dan ga ik verder met de vraag van de heer Grinwis, die voorstelde om de verlaging
van het heffingsvrij vermogen en de verhoging van het forfait terug te draaien. Dit
zou dan gedekt worden door een versnelde afbouw van de wet-Hillen, waarmee alternatieve
dekking zou kunnen worden voorzien. Het voorstel in box 3 zou, zoals bekend, leiden
tot een budgettaire derving van ruim 1,2 miljard jaar per jaar, voor ’26 en ’27. Het
versneld afbouwen van de wet-Hillen levert in deze beide jaren niet genoeg op om deze
derving volledig te dekken. Het volledig afbouwen van de wet-Hillen per 2026 is voor
de Belastingdienst ook niet uitvoerbaar. We zouden wel per 2026 het aftrekpercentage
kunnen verlagen naar bijvoorbeeld 3,33%. Dat is de laatste stap in het volledige afbouwpad.
Dat levert 636 miljoen op in 2026 en 664 miljoen in 2027. Het verlagen van het aftrekpercentage
naar 3,33% betreft namelijk alleen een parameterwijziging, die de Belastingdienst
kan uitvoeren.
Dan wellicht een opmerking ten overvloede. De budgettaire opbrengst van de afschaffing
van de wet-Hillen loopt door tot 2047, maar volgens de begrotingsregels zou het voorstel
om dat heffingsvrije vermogen te verhogen en met 1,78% te verlagen binnen hetzelfde
jaar gedekt moeten worden. In die zin is er geen sprake van een goede, verantwoorde
dekking.
De heer Vermeer (BBB):
Die bedragen klinken natuurlijk heel abstract, want dat zijn bedragen voor de begroting.
Kan in de tweede termijn of ergens schriftelijk vandaag de impact op verschillende
huishoudens gegeven worden?
Staatssecretaris Heijnen:
Misschien kan ik daar al een begin mee maken. Het versneld afbouwen van de wet-Hillen
raakt met name huisbezitters die hun hypotheek bijna hebben afgelost; misschien doelt
de heer Vermeer daarop. Over het algemeen zijn dat vaak de ouderen. Mensen die hun
hypotheek nagenoeg hebben afgelost, worden natuurlijk extra, onevenredig hard geraakt
door het versnellen van die afbouw.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dit gaat over de groep die het betreft. Ik wil dan graag iets horen over hoeveel het
die huishoudens per maand kost.
Staatssecretaris Heijnen:
Helder. Daar kom ik op terug.
Dan heb ik, voor zover ik ...
De voorzitter:
Ik zag nog een hand van mevrouw Van Eijk? Of niet meer?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja. Die bedragen en die percentages komen nu best wel snel voorbij, en dat is nou
net het stuk informatie dat ik graag had gezien in de brief die we gisteravond hebben
gekregen. Wellicht komt het nog terug bij de schriftelijke appreciatie van de amendementen,
want dit is wel informatie die relevant is voor ons, ook om die gewoon even vast te
kunnen pakken. En die komt nu gewoon voorbij, dus misschien kan er daarin nog gefaciliteerd
worden.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat zullen wij doen, uiteraard.
Dan ga ik, met uw goedvinden, voorzitter, naar de het blokje klimaat en energie. Ik
wilde beginnen met de pseudo-eindheffing voor fossiele auto’s. Daar is afgelopen maandag
ook uitgebreid bij stilgestaan. Laat ik met een korte introductie beginnen en daarna
op de diverse vragen van uw leden ingaan. Ik denk, en daar zijn we het met z’n allen
over eens, dat we voor de grote opgave staan om het wagenpark te verduurzamen. Dat
is niet alleen goed voor het klimaat, maar vermindert ook de afhankelijkheid van fossiele
brandstoffen uit andere delen van de wereld. Het is ook zo dat een groot deel van
de nieuwe personenauto’s in de zakelijke markt wordt verkocht. Het versnellen van
het aantal zakelijke elektrische auto’s is daarom, zo denken wij, een goede manier
om het wagenpark te verduurzamen, ook omdat de huidige leaseauto’s uiteindelijk als
tweedehandsauto’s bij particulieren terechtkomen, ook in Nederland. Ik wil er toch
nog een keer op wijzen dat het momenteel voor de werkgever even duur is, of misschien
zelfs goedkoper, om een zakelijke elektrische leaseauto aan te bieden in plaats van
een fossiele auto. Het kabinet stelt daarom via een pseudo-eindheffing een norm –
dus geen belastingheffing, maar een norm – waarmee werkgevers vanaf 2027 in principe
alleen nog elektrische auto’s voor privédoeleinden ter beschikking stellen aan werknemers.
Zoals ik al zei, er zijn hierover heel veel vragen gesteld. Die wil ik in blokjes
beantwoorden, en wel langs de volgende blokjes: alternatieven voor de pseudo-eindheffing,
handelingsperspectief voor werkgevers, uitwijkmogelijkheden, administratieve lasten
en de mogelijkheden voor flankerend beleid.
Ik begin met de alternatieve beleidsopties. Mevrouw Van Dijk en de heer Hoogeveen
vroegen daarnaar: zijn er echt geen eenvoudigere alternatieven? En hoe kijk ik naar
het doortrekken van de bijtellingskorting voor elektrische auto’s of bijvoorbeeld
een subsidie op de aanschaf van elektrische auto’s? De heer Hoogeveen vroeg ook nog
of er is overwogen om de transitie op een minder dwingende manier te stimuleren, bijvoorbeeld
via positieve prikkels in plaats van een sanctie. Om extra CO2-reductie te realiseren, wil het kabinet de ingroei van emissievrije personenauto’s
op de zakelijke markt versnellen. Er zijn geen eenvoudigere alternatieven. Ik verwijs
ook naar de alternatieven die worden genoemd in de nota naar aanleiding van het verslag.
Wij hebben die onderzocht, maar wij kwamen tot de conclusie dat dit het beste en meest
eenvoudige alternatief is. Het is in ieder geval de meest effectieve manier om de
ingroei van emissievrije personenauto’s te versnellen. Het klopt: in de laatste jaren
heeft in het beleid hiervoor de nadruk gelegen op subsidies, bijvoorbeeld via een
korting in de bijtelling. Het kabinet kiest nu primair voor minder vrijblijvend beleid,
ook omdat de prijzen van elektrische personenauto’s inmiddels zijn gedaald. Dat wil
niet zeggen dat ik de vraag om een nieuwe bijtellingskorting niet begrijp. Ook de
heer Grinwis, nu niet aanwezig, heeft hiernaar gevraagd. Ik kom hier onder het kopje
flankerend beleid op terug.
De heer Vlottes vroeg mij het volgende. Het opnemen van een lager bijtellingspercentage
is vanuit budgettaire redenen niet gedaan. Dat klopt; het kost geld. Maar de reden
voor de pseudo-eindheffing was dus niet budgettair. Wat is het dan? Is het een budgettaire
regel of niet? Heb ik de vraag zo een beetje goed begrepen? De pseudo-eindheffing
wordt inderdaad niet om budgettaire redenen voorgesteld, maar om ervoor te zorgen
dat het zakelijke wagenpark zo snel mogelijk elektrisch wordt. Voor flankerend beleid,
zoals een nieuwe korting in de bijtelling, is echter wél budgettaire dekking nodig.
Ik heb in het wetgevingsoverleg partijen gehoord die nadachten over flankerend beleid.
Ook op dit punt staat het kabinet open voor suggesties, mits uiteraard netjes gedekt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Het gaat hier in het debat vaak over budgettaire dekking. Dat snap ik. Maar er is
natuurlijk ook gewoon sprake van klimaatdekking. We hebben namelijk doelen met elkaar
afgesproken. Die worden nu niet of nauwelijks gehaald. Als partijen hier plannen indienen
die ons verder van de doelen brengen, zou ik verwachten dat je als partij ook moet
aangeven hoe je de klimaatdoelen of de elektrischeautodoelen dan gaat halen. Deelt
de Staatssecretaris de opvatting dat een dekking breder is dan alleen een budgettaire
dekking en ook moet gaan over het halen van klimaatdoelen?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik denk dat het belangrijk is dat de klimaatdoelen gehaald worden; dat ben ik met
de heer Stultiens eens. Dat moet wel gebeuren binnen de reële mogelijkheden. U heeft
het over flankerend beleid dat ertoe zou moeten leiden dat er wellicht nog meer elektrisch
gereden wordt, en ik zie daarin wel een parallel met de budgettaire dekking. Als flankerend
beleid er namelijk toe zou leiden dat er uiteindelijk nog meer elektrisch wordt gereden,
denk ik dat dat ook ten gunste komt van de klimaatdoelen.
Dan ga ik door met een vraag van de heer Stultiens. Ook mevrouw Van Dijk vroeg daarnaar.
De voorzitter:
Op dit punt had mevrouw Van Dijk ook nog een vraag.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik zit toch nog even te kauwen op die alternatieven. Het is namelijk ook een beetje
mijn missie om te vereenvoudigen, zal ik maar zeggen. Ik heb wel zitten denken. Het
doel is CO2-uitstoot te verminderen. De Staatssecretaris geeft aan: elektrisch rijden is in principe
al goedkoper. Dus eigenlijk, heel plat: een ondernemer zou wel gek zijn als hij een
andere keuze maakt. Als je nou zou kiezen voor flankerend beleid plus bijvoorbeeld
in 2030 of 2031 een verbod, zouden dan de CO2-doelen dichterbij komen of verder weg raken? Volgens mij heb je dan een simpel alternatief.
Staatssecretaris Heijnen:
Alweer: ik wilde daar net op ingaan. Dat was namelijk een van uw vragen van afgelopen
maandag. Dat was ook een vraag van de heer Stultiens: waarom niet simpelweg een verbod,
al dan niet gecombineerd met andere maatregelen? Wij hebben ook gekeken naar een wettelijk
verbod, maar dat bleek naar onze inschatting niet mogelijk vanwege regels over de
Europese interne markt. Dat is met name de reden waarom wij denken dat een verbod
juridisch niet houdbaar zal zijn, even los van de vraag of je het zou moeten willen.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Hoogeveen. Zou het het overwegen waard zijn om
hybride- of plug-inhybrideauto’s mee te nemen in de uitzondering? Is hier onderzoek
naar gedaan? Zoals gezegd: het doel van de pseudo-eindheffing is om het halen van
de klimaatdoelen dichterbij te brengen en ons minder afhankelijk te maken van fossiele
brandstoffen. De pseudo-eindheffing zorgt er bovendien voor dat er straks betaalbare
tweedehands elektrische auto’s zijn, omdat de huidige leaseauto’s uiteindelijk als
tweedehandsauto terechtkomen bij particulieren. In de praktijk zijn de voordelen van
een plug-inhybrideauto beperkt en sterk afhankelijk van hoe de auto wordt gebruikt.
We verwijzen daarbij ook naar een onderzoek van onder andere TNO. Het kabinet heeft
er daarom bewust voor gekozen om alleen volledig elektrische auto’s buiten de pseudo-eindheffing
te houden.
Dan ga ik naar een volgende vraag van de heer Hoogeveen: waarom is ervoor gekozen
om de heffing bij de werkgever te leggen, terwijl de feitelijke keuze in veel gevallen
bij de werknemer ligt? Hoe effectief acht de Staatssecretaris deze maatregel dan nog?
Ook hierin kiest het kabinet bewust voor het opleggen van een heffing aan de werkgever.
De werkgever kan namelijk in eerste instantie bepalen welke personenauto’s hij ter
beschikking stelt aan zijn werknemers voor privégebruik. De werknemer kan vervolgens
kiezen uit de opties die de werkgever biedt. Dat is dus de reden.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Stoffer. De komende jaren kost de maatregel zo’n
700 miljoen euro en structureel 43 miljoen euro. De heer Stoffer vroeg mij of die
honderden miljoenen niet op een efficiëntere manier zijn in te zetten, bijvoorbeeld
door werkgevers financieel te stimuleren en te helpen hun wagenpark te elektrificeren,
in plaats van hun een extra belasting op te leggen. Om de overstap naar een volledig
emissievrij wagenpark te maken vinden wij het belangrijk dat het beleid minder vrijblijvend
wordt. Een verbod vinden wij te ver gaan, maar een pseudo-eindheffing vinden wij een
goed alternatief.
Nieuwe elektrische auto’s kunnen bovendien qua functionaliteit inmiddels concurreren
met vergelijkbare fossiele auto’s, terwijl dit een aantal jaren geleden zeker nog
niet het geval was. Het kabinet vindt het daarom nu tijd om een norm te stellen voor
werkgevers. De pseudo-eindheffing zelf levert geld op omdat het kabinet verwacht dat
een klein deel van de werkgevers de fossiele auto zal blijven aanbieden.
Aanvullend: voor 2026 is het ook belangrijk voor het EMU-saldo, want we zitten daar
al dicht tegen de 3% en de ingeboekte opbrengst, het anticiperende effect in 2026,
is circa 200 miljoen. Door de extra ingroei van de elektrische auto in het wagenpark
neemt, zoals bekend, ook de grondslagerosie in de brandstofaccijnzen en de bpm toe.
Per saldo leidt de maatregel daardoor tot een structurele derving. Wij denken echter
dat een subsidiemaatregel veel duurder zou zijn, omdat die dan boven op de grondslagerosie
komt, omdat de overheid een extra subsidie zou moeten geven en daar geen extra inkomsten
tegenover staan. Het kabinet is dan ook van mening dat de norm die het kabinet met
deze maatregel stelt, de meest efficiënte manier is om elektrificatie van het wagenpark
te stimuleren.
Dan kom ik bij een vraag van de heer Vlottes. Hij geeft aan ...
De voorzitter:
Voor die tijd ga ik nog even naar de heer Stoffer.
De heer Stoffer (SGP):
Ik begrijp dat de Staatssecretaris wat positiever is over het eindresultaat dat hij
verwacht dan ik. Ik had nog een paar extra vragen. Eén. Ziet de Staatssecretaris ook
dat hierdoor best een administratieve last bij werkgevers komt te liggen, vooral bij
de kleinere? Ik had gevraagd hoe die worden ondersteund.
Twee. Ziet hij ook het risico dat werkgevers gaan denken: ik ga dit allemaal niet
doen; die werknemer schaft zelf maar een auto aan en ik zorg wel voor een goede reiskostenvergoeding,
dan zijn we er veel makkelijker vanaf? Als je niet uitkijkt, krijg je daarmee straks
het effect dat mensen vervuilendere auto’s kopen dan de elektrische auto’s waarvan
de Staatssecretaris denkt dat ze er gaan komen.
Daarnaast heb ik nog een aanvullende vraag. Die zat niet in mijn bijdrage, maar kwam
naar boven naar aanleiding van een antwoord op een vraag van een van de collega’s.
De Staatssecretaris zegt dat tweedehandsauto’s in Nederland achterblijven en terechtkomen
op de private markt. Over het algemeen zijn die auto’s nogal duur in verhouding tot
een auto die op fossiele brandstof rijdt. Het effect in de afgelopen jaren is steeds
geweest dat alles altijd weglekt naar de landen om ons heen, die een stimuleringsmaatregel
hebben om mensen aan zo’n tweedehands elektrische auto te helpen. In Nederland hebben
we die nu niet echt. Zou de Staatssecretaris wellicht kunnen ingaan op die drie dingen?
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik wilde daar later op ingaan, onder het kopje dat ik daarvoor heb genoemd.
Als de heer Stoffer het goedvindt, wil ik de vraag even parkeren en er later op terugkomen.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Vlottes: «Het doel lijkt de middelen te heiligen.
De pseudo-eindheffing gaat ten koste van werknemers en werkgevers. Is het een idee
om de pseudo-eindheffing simpelweg niet in te voeren en alvast een begin te maken
met de vereenvoudiging van het belastingstelsel?» Ik zei het al, voor een werkgever
is het even duur of zelfs goedkoper om een elektrische zakelijke leaseauto aan te
bieden in plaats van een fossiele auto. Ik deel de analyse van de heer Vlottes dan
ook niet. Tegelijkertijd zijn op dit moment veel nieuwe zakelijke leaseauto’s nog
niet elektrisch. Zonder pseudo-eindheffing wordt verwacht dat gemiddeld 83% van alle
nieuwe zakelijke auto’s volledig elektrisch zal zijn in 2030 en met pseudo-eindheffing
wordt verwacht dat dit gemiddelde stijgt naar 95%. Dat is met name de reden waarom
het kabinet besloten heeft om de norm te stellen dat per 2027 alle nieuwe, voor privégebruik
ter beschikking gestelde auto’s volledig elektrisch moeten zijn.
Uitwijkmogelijkheden: een van de vragen van de heer Stoffer, maar mevrouw Van Dijk,
de heer Oosterhuis, de heer Grinwis en de heer Vlottes vroegen er ook naar. Hoe effectief
is de maatregel? De heer Stoffer gaf het net aan: het wordt aantrekkelijker om een
mobiliteitsbudget te geven waarmee de werknemer vervolgens zelf een goedkopere fossiele
auto aanschaft, of een onbelaste reiskostenvergoeding en een minder zuinige tweedehandsauto.
Het kabinet heeft uitwijkopties en de hieraan gerelateerde gevolgen nader in kaart
laten brengen. Uit een kwantitatieve analyse blijkt in ieder geval dat het voor een
werkgever veel duurder is om via een mobiliteitsbudget, gecombineerd met een onbelaste
reiskostenvergoeding, de werknemer een soortgelijke nieuwe auto privé te laten aanschaffen.
Voor de werkgever is het wel goedkoper om een onbelaste reiskostenvergoeding te verstrekken
dan een zakelijke leaseauto ter beschikking te stellen. De werknemer daarentegen is
met een onbelaste reiskostenvergoeding veel duurder uit als hij of zij zelf een nieuwe
vergelijkbare auto zou moeten kopen. Vanwege deze kostenverschillen acht het kabinet
het niet plausibel dat dergelijke uitwijkeffecten op grote schaal gaan plaatsvinden.
De heer Stoffer (SGP):
De Staatssecretaris gaf straks aan waar hij vandaan komt, namelijk uit Limburg. Volgens
mij hij kent hij dus gewone mensen. Hij weet net zo goed als ik en ook de heer Vermeer
– wij komen uit Uddel en Elspeet – wat mensen gaan doen: die kopen gewoon een mooie
auto van tien jaar oud, op diesel, en gaan daarmee rijden. Dat wordt het effect. Die
gaan echt niet alsnog voor die nieuwe elektrische auto, die gewoon heel veel kost.
Laten we heel reëel zijn: de theorie klinkt mooi, maar de praktijk gaat gewoon anders
zijn. Ziet de Staatssecretaris dat ook in?
Staatssecretaris Heijnen:
Het klopt dat ik uit Limburg kom. Maar we zien dat toch anders. De heer Stoffer geeft
al aan dat een werknemer ervoor zou kunnen kiezen een oudere tweedehandsauto aan te
schaffen. Het gaat dan inderdaad om een auto die ongeveer tien jaar oud is. Dat zou
kunnen, maar qua functionaliteit is die absoluut niet vergelijkbaar met een nieuwe
zakelijke leaseauto. Een nieuwe zakelijke leaseauto wordt bovendien vaak ingezet als
onderdeel van aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden. Hoewel deze uitwijkmogelijkheid een
risico is, verwacht het kabinet niet dat deze uitwijkmogelijkheid op grote schaal
benut zal worden.
De voorzitter:
Ik ga eerst even naar de heer Stoffer. Daarna heeft de heer Vermeer hier ook nog een
vraag over.
De heer Stoffer (SGP):
Als je gewoon je nuchtere verstand gebruikt, dan klinkt het allemaal mooi, maar straks
zal het anders blijken te zijn; daar durf ik echt wel wat op te zetten. De een koopt
een auto van tien jaar oud, de ander een auto van vijf jaar oud. In theorie klinkt
het allemaal mooi, maar het gaat gewoon niet werken. Ik geef het maar mee. Ik zou
zeggen: kabinet, gebruik het nuchtere verstand, kijk eens naar wat gewone mensen in
het land gaan doen; die gewone mensen gaan gewoon een auto kopen waarvan ze denken
«dit past me een beetje». En qua functionaliteit? Nou, doe mij maar een BMW van tien
jaar oud in plaats van heel veel nieuw spul dat nu de markt op komt, want dat rijdt
beter dan al dat nieuwe spul. Ik denk echt dat het een hele andere toer opgaat, dat
mensen auto’s gaan importeren vanuit Duitsland. Je haalt daar de mooiste dingen, het
rijdt geweldig en vaak heeft het ook nog meer emotionele waarde. Dit gaat gebeuren.
Ik geef het maar mee aan het kabinet. Ik zou zeggen: heroverweeg het nog eens.
De voorzitter:
Na dit emotionele betoog over de BMW nu naar de heer Vermeer. Even kijken wat voor
emobetoog hij gaat houden over een bepaald automerk.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ben ook net overgeschakeld van lease en private lease naar eigen autobezit. Ik
heb zelfs een extra argument. Dat is dat die nieuwe auto’s bij 1 kilometer snelheidsoverschrijding
zo irritant beginnen te piepen dat je dat voor elke rit weer moet herstellen. Ik heb
dus gezocht naar een auto die dat nog niet heeft. Zo zal ik voorlopig ook blijven
rijden; wel elektrisch in dit geval.
Maar het proces dat de heer Stoffer hier net al beschreef, gaat er gewoon toe leiden
dat mensen in plaats van in een nieuwe leaseauto met de nieuwste technologie en laag
brandstofverbruik, ook bij benzine en diesel, gaan rijden in een oudere benzine- of
dieselauto, die ook nog zorgt voor minder CO2-reductie. Dus als dat al een doel zou zijn, dan gaat hier een averechts effect plaatsvinden,
is mijn idee. We hebben dat hier al eerder in diverse debatten aan de orde gehad.
Ik hoop toch echt dat er meer geïnvesteerd wordt in gedragspsychologen en dat er meer
getest wordt op dit soort uitwijkeffecten. Ook hier weer geldt namelijk dat mensen
er op een gegeven moment in hun hoofd en gevoelsmatig gewoon helemaal klaar mee zijn.
Dan gaan ze niet meer rekenen en dan nemen ze gewoon hun maatregelen. Voor sommige
gebieden zoals tabak kun je dat staven met de Laffercurve, die hier gisteren ook weer
aan de orde geweest is, en dat soort dingen. Maar wij schieten op dit moment zo ver
door dat mensen niet eens meer gaan rekenen en er gewoon klaar mee zijn. Ik zou dus
nadrukkelijk aan de Staatssecretaris willen verzoeken om minder optimistisch te zijn
over beperkt uitwijkgedrag.
De voorzitter:
Dan gaan we naar de Staatssecretaris. Zo brengt het Belastingplan toch ook nog wat
inzicht in het persoonlijk leven van de Kamerleden, in de snelheid die de heer Vermeer
altijd aanhoudt op de wegen en in de voorkeuren van de heer Stoffer. Maar nu eerst
de Staatssecretaris nog.
Staatssecretaris Heijnen:
Naar de omvang van de uitwijk hebben diverse bureaus gekeken. Daar baseren we ons
op. Het kan natuurlijk in individuele gevallen voorkomen dat er andere keuzes worden
gemaakt, zoals de heer Vermeer aangeeft.
Misschien ook als tip voor de heer Vermeer: die piepjes kun je uitzetten, hoor; dan
moet je naar de instellingen.
De voorzitter:
Nu gaat het komen.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, dat is een beetje uitlokking. Die piepjes kan je uitzetten, maar die moet je dan
elke rit weer vooraf uitzetten, want anders heb je dikke kans dat je binnen een paar
honderd meter al de eerste piep hoort.
De voorzitter:
Ja, Staatssecretaris ...
Staatssecretaris Heijnen:
Maar ze kunnen uitgezet worden!
De voorzitter:
Oké.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nu is de verleiding groot om allemaal persoonlijke ontboezemingen te doen over hoe
mooi het is om een diesel te hebben die meer dan 1.000 kilometer vooruit kan en waar
je geen omkijken naar hebt, ook van andere merken dan de heer Stoffer noemt.
De voorzitter:
En u woont in Den Haag, meneer Grinwis?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nee, nee! Het is hoe dan ook een serieus punt dat we de gedragsreactie niet helemaal
kunnen inschatten. Ik zie ook het risico dat de heren Stoffer en Vermeer schetsen;
dat heb ik ook in mijn eerste termijn genoemd. Het kan best tot een andere verhouding
leiden. «Wij geven u als medewerker dan wel een onbelaste reiskostenvergoeding en
dan spelen we misschien wel iets met het brutoloon.» Dan krijg je andere gedragingen
en die zitten niet allemaal in dat Revnextmodel en andere modellen die inschattingen
hiervan proberen te maken. Feit is wel dat er de komende jaren steeds meer betaalbare
elektrische modellen op de markt komen. Dat gaat ook tot een gedragsreactie leiden.
Maar wat dan mij frappeert, is dat er geen flankerend beleid meer in het Belastingplan
zit. Er is wel een pseudo-eindheffing, maar datgene waaraan wel is gewerkt op het
ministerie, is uiteindelijk niet in het Belastingplan geland. Dat snap ik niet. Dan
ben je wel de straf aan het aankondigen, maar het alternatief, dat elektrisch rijden
een beetje aantrekkelijk moet houden, heb je er gewoon niet in zitten. Sterker, ik
heb in mijn eerste termijn ook betoogd dat 22% bijtelling voor een elektrische auto
met gemiddeld genomen een hogere cataloguswaarde, de facto het zwaarder belasten van
elektrisch rijden is ten opzichte van een fossiele auto in de bijtelling. Ik ben bezig,
met behulp van uw geweldige amendementenservice, om daar een mooi amendement van te
maken. Maar vindt de Staatssecretaris dat zelf ook niet een gemiste kans?
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Grinwis heeft die vraag inderdaad gesteld in de eerste termijn. Daar kom ik
nog expliciet op terug. We staan uiteraard open voor suggesties van de Kamer. Ik hoorde
de heer Grinwis zeggen: «Ik zie wel de stok, maar ik mis de wortel. Zou er ook niet
een stukje wortel bij moeten zitten?» Daar kom ik nog op terug. De heer Grinwis kennende
zal zijn amendement netjes gedekt zijn, dus daar staan wij welwillend tegenover.
De heer Oosterhuis vroeg: hoe wordt de pseudo-eindheffing gehandhaafd? Ik kan aangeven
dat dit via reguliere controles door de Belastingdienst gaat gebeuren, waaronder,
maar niet uitsluitend, via bedrijfsgesprekken en boekenonderzoeken.
Dan het kopje handelingsperspectief. De heren Hoogeveen en Vermeer en mevrouw Van
Dijk vroegen daarnaar. De heer Hoogeveen zei dat veel bedrijven simpelweg niet in
staat zijn om een volledig elektrisch wagenpark te faciliteren. De heer Vermeer vroeg
mij hoe ik aankijk tegen netcongestie. Mevrouw Van Dijk vroeg: worden de randvoorwaarden
voldoende meegenomen in de besluitvorming en stellen we realistische eisen aan werkgevers
om het door ons gewenste doel te behalen? Wat gebeurt er als een werkgever aan een
langer contract vastzit? Wordt hij dan geconfronteerd met de pseudo-eindheffing, zonder
dat hij mogelijkheden heeft om daarop te anticiperen? Ik denk dat ik dan de vragen
over het handelingsperspectief heb samengevat.
Zoals aangegeven – dat is een herhaling van zetten – geldt voor de pseudo-eindheffing
een ruime overgangstermijn, die pas vervalt voor bestaande contracten vanaf 17 september
2030, waardoor bestaande contracten nog vijf jaar zijn vrijgesteld. Daarbij komt dat
de meeste leasecontracten voor Prinsjesdag al zijn afgesloten. Wij verwachten dan
ook dat bestaande contracten die langer lopen dan vijf jaar allemaal buiten de pseudo-eindheffing
blijven.
Wat de netcongestie betreft verwacht het kabinet dat er de komende jaren voldoende
laadpunten zijn voor het groeiende aantal elektrische auto’s. Met meer dan 1 miljoen
laadpunten behoort het laadnetwerk in Nederland tot de beste van Europa.
Daarnaast wordt de actieradius van nieuwe elektrische auto’s steeds groter. De heer
Grinwis had het er al over, ook over zijn diesel. De noodzaak tot vaak laden neemt
daardoor af. Ook het aantal snelladers groeit gestaag door. Nu zijn dat er al ruim
6.000. Deze trends verminderen de noodzaak tot vaak laden, zeker als je wat dichter
bij je werk woont. Hierdoor kunnen meer auto’s gebruikmaken van het bestaande netwerk.
Ten slotte worden de meest gebruikte parkeerlaadpunten in Nederland middels bestaande
kleinverbruikersaansluitingen gerealiseerd. Ook het PBL geeft in de KEV 2024 en 2025
aan dat de problematiek van netcongestie voor de ingroei van elektrische personenauto’s
beperkt is. Wij verwachten dan ook dat hierdoor het aantal elektrische auto’s in de
zakelijke markt snel toeneemt, maar wel op zo’n manier dat werkgevers voldoende handelingsperspectief
hebben.
Dan ga ik naar het kopje administratieve lasten. De heer Oosterhuis en mevrouw Van
Eijk vroegen daarnaar. «Kan de Staatssecretaris bevestigen dat een werkgever die uitsluitend
elektrische auto’s ter beschikking stelt, geen administratieve lasten heeft? Erkent
hij dat de pseudo-eindheffing de nalevingskosten voor werkgevers aanzienlijk verhoogt?»
Er zijn geen extra administratieve lasten als werkgevers zich aan de gestelde norm
houden en alleen nog elektrische personenauto’s aanbieden aan hun werknemers. Het
kabinet is daarnaast juist voornemens om de regeldruk voor kleinere ondernemers, voor
het mkb, te verlagen. De verplichting om te rapporteren over CO2-uitstoot uit werkgebonden reizen wil het kabinet namelijk pas laten gelden voor werkgevers
met 250 of meer werknemers in plaats van 100 werknemers.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dat is volgens mij niet echt een antwoord op de vraag die gesteld is. Natuurlijk,
wij snappen dat er geen extra administratieve lasten zijn op het moment dat een ondernemer
doet wat het kabinet graag ziet. Het gaat om de gevallen waarin ondernemers om waarschijnlijk
voor hen hele goede redenen een andere keuze maken.
Staatssecretaris Heijnen:
Wij denken dus dat die groep zeer beperkt zal zijn. En ja, dat leidt tot de pseudo-eindheffing,
maar wij zijn van mening dat de extra administratieve lasten daarvan in de loonheffing
beperkt zijn. Wij denken dus dat het beperkt is.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik volg het betoog dat de administratieve lasten beperkt zijn en dat je op jaarbasis
je aangifte loonheffingen kan doen, en anders regel je het in. Volgens mij is dat
dus inderdaad niet zo ingewikkeld. Het gaat met name om de werking van de regeling,
de verschillende definities en de verschillende aanvangstijdstippen. Het gaat er ook
om dat er gewoon heel veel dingen uit elkaar gaan lopen wat betreft het afdragen van
de eindheffing via de loonbelasting en de loonheffingen enerzijds en het verwerken,
het administreren, van de fiscale bijtelling voor het privégebruik van de auto anderzijds.
Ik ben op zoek naar het antwoord op de vraag hoe dat dan eenvoudiger kan, zodat iedereen
begrijpt dat die regels op elkaar aansluiten op het moment dat je een fossiele auto
ter beschikking stelt voor privégebruik.
Staatssecretaris Heijnen:
Eigenlijk vraagt mevrouw Van Eijk of ik ruimte zie om de pseudo-eindheffing toe te
passen – dat kan ik me herinneren – vanaf de maand na registratie, net zoals de bijtelling.
Allereerst gaat de bijtelling niet uit van het moment van registratie maar van de
eerste dag van het gebruik door de werknemer. Hier sluit het voorstel dan dus niet
op aan. Door pas de maand na het eerste gebruik te heffen, vallen fossiele auto’s
buiten de heffing. Dat geldt bijvoorbeeld voor een auto die voor drie weken wordt
geleased. Dat vind ik ongewenst en dat werkt misbruik in de hand. Tot slot denken
wij dat het geen administratievelastenverlichting is en dat het alleen maar nieuwe
complexiteit en vragen oproept. De pseudo-eindheffing wordt namelijk in de kern niet
pro rata maar per maand toegepast, terwijl de bijtelling wel pro rata wordt toegepast.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Maar het gaat er juist om dat we dat allemaal verschillend behandelen en benaderen
en dat daar wat meer consistentie in zou kunnen komen door het juist wel gelijk te
trekken. Eerlijk gezegd lijkt mij de situatie in het voorbeeld dat de Staatssecretaris
nu geeft, namelijk dat er een keer iemand voor drie weken een auto ter beschikking
gesteld krijgt en dat we ook dat laatste stukje nog moeten heffen, niet de bedoeling
en niet het doel van de regeling zoals die nu geïntroduceerd wordt. Graag een reactie
van de Staatssecretaris daarop.
Staatssecretaris Heijnen:
Wij zien toch grote verschillen tussen de pseudo-eindheffing en de bijtelling, waardoor
de administratieve last niet wordt verlicht als de periodes waarover de heffingen
verschuldigd zijn, worden gelijkgetrokken. Ik benoem een paar punten. Allereerst zal
voor veel nulemissieauto’s bijtelling gelden. Voor deze auto’s geldt de pseudo-eindheffing
niet. Verder kan het ook zo zijn dat de pseudo-eindheffing verschuldigd is en de bijtelling
niet. Dit speelt als er voor de bijtelling geen sprake is van privégebruik en voor
de pseudo-eindheffing, woon-werk, wel, bijvoorbeeld omdat het woon-werkverkeer als
privéverkeer wordt gezien. Tot slot is de werkgever de belastingplichtige bij de pseudo-eindheffing
en de werknemer bij de bijtelling.
Dan kom ik bij een vraag van de heer Grinwis. We hadden het daar net al even kort
over. Hij vroeg hoe ik sta tegenover een nieuwe korting in de bijtelling voor elektrische
auto’s, met de dekking via geleidelijke versobering van de youngtimerregeling. Ik
begrijp de vraag van de heer Grinwis trouwens goed. Zoals de heer Grinwis al aangaf,
ligt de cataloguswaarde van elektrische auto’s, zelfs in de kleinere segmenten, voorlopig
nog hoger dan die van een vergelijkbare fossiele auto. Dit leidt tot hogere bijtellingslasten
als een werkgever de gestelde norm volgt en kiest voor een elektrische auto voor zijn
werknemer. Ik heb daarom veel sympathie voor het voorstel van de heer Grinwis om te
kijken naar de mogelijkheden om de bijtellingskorting voor elektrische auto’s te verlengen.
Ik hoef niet tegen de heer Grinwis te zeggen dat dit uiteraard wel netjes gedekt moet
zijn. Ik geef hierbij in overweging dat het ook mogelijk is om alleen in 2026 de bijtellingskorting
door te trekken, waarbij de ontwikkeling van het bijtellingspercentage voor elektrische
voertuigen na 2026 wellicht in groter verband, bij een brede herziening van de autobelastingen,
kan worden bekeken.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor het antwoord, dank voor de suggestie en dank voor de welwillende houding.
Dat waardeer ik zeer. Ik heb een soort fullswingversie uitgevraagd bij de amendementenservice
van Financiën om inzicht te krijgen in wat het financieel zou betekenen. Dat is op
dit moment voor ons aan deze kant van de tafel lastig in te schatten. Ik kan altijd
nog terugvallen op «alleen voor ’26», maar dat heeft ook wel wat nadelen, omdat zeker
het aanschaffen en het voorbereiden van de aankoop van een nieuwe auto, of dat nou
zakelijk of privé is, wel met verwachtingenmanagement te maken heeft, niet alleen
voor het volgende jaar, maar ook voor de jaren erna. Dus idealiter zou ik het wat
langer willen doen, maar als ik budgettair in de knel kom ... Uiteindelijk moet het
rondlopen. De dekking moet ook redelijk zijn, want een al te abrupte ingreep in de
youngtimerregeling nu, half november, voor ’26 is ook niet redelijk. Ik ga dus welwillend
kijken naar de suggestie van de Staatssecretaris, maar ik ben benieuwd hoe het complete
plaatje eruitziet in een grotere uitvraag. Ik hoop dat het amendement snel aan deze
kant van de tafel verschijnt.
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik kan wel aangeven dat het verhogen van de leeftijdsgrens van de youngtimerregeling
van 15 naar 25 jaar ongeveer 53 miljoen oplevert, maar het totale financiële plaatje
zal via de amendementenservice naar u toe komen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank u wel.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een vraag van mevrouw Van Eijk. Wat is de bedoeling van de pseudo-eindheffing?
Is deze proportioneel van toepassing als een werknemer slechts deels in Nederland
belasting moet betalen over het loon, de salary split? Het is uiteraard zo – dat spreekt
voor zich – dat als een werkgever belastinginhoudingsplichtig is voor de loonheffing,
de pseudo-eindheffing van toepassing kan zijn. Dan is de vervolgvraag of sprake is
van mede voor het privégebruik ter beschikking stellen van een fossiele personenauto
aan een of meer werknemers. Als dat binnen een kalendermaand het geval is, zou over
die volledige kalendermaand pseudo-eindheffing verschuldigd zijn. Het is dus niet
relevant of deze werknemers over een deel van het loon of over het volledige loon
loonbelasting verschuldigd zijn in Nederland.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik ben het aan het verwerken. Dat betekent dus dat als er sprake is van een ter beschikking
gestelde fossiele auto die privé wordt gebruikt, je als werkgever de eindheffing voor
het volle bedrag voor het volle jaar verschuldigd bent. Dat staat dus los van het
feit over welk deel van je inkomen je in Nederland belasting betaalt.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt.
Dan kom ik op een vraag van de heren Stultiens en Oosterhuis: hoe gaan we de klimaatdoelen
in de industrie halen als de CO2-heffing industrie verder wordt versoberd? De heer Oosterhuis geeft aan dat het afschaffen
van die CO2-heffing leidt tot versnipperd beleid, terwijl stabiel beleid nodig is om de industrie
te verduurzamen. Hij vraagt welke alternatieve maatregelen ik zie om de doelen wel
te halen. We hebben trouwens de pseudo-eindtijd van u gehad, voorzitter. Ik weet niet
of er nog vragen open zijn blijven staan, maar ik ben hiermee aan een nieuw subkopje
begonnen. Het kabinet heeft de CO2-heffing voor ETS1- en lachgasinstallaties binnen de grenzen van het Herstel- en Veerkrachtplan
maximaal verlaagd om de concurrentiepositie van deze bedrijven te verstevigen. Na
deze verlaging geeft het kabinet invulling aan de aangenomen motie van het lid Van
Dijk, om de CO2-heffing zo snel mogelijk af te schaffen. Volledig afschaffen van de CO2-heffing is niet mogelijk, omdat deze maatregel onderdeel is van de hervorming van
het HVP. Dit zou een terugdraai betekenen van een van de twee mijlpalen in het HVP,
wat een financiële tegenvaller voor Nederland zou betekenen van maximaal 1,2 miljard,
zijnde 600 miljoen per mijlpaal. Deze financiële tegenvaller is niet gedekt.
Zoals de heer Stultiens en ook de heer Oosterhuis hebben aangegeven, geeft verlaging
van de CO2-heffing in algemene zin een negatieve prikkel om te verduurzamen en op de voorspelbaarheid
van de overheid. Hier hoort wel een kanttekening bij, namelijk dat in de praktijk
een aantal bedrijven wel willen, maar niet kunnen verduurzamen omdat de randvoorwaarden
en het handelingsperspectief onvoldoende op orde zijn. Daarom heeft het kabinet ook
een overlegtafel CO2-heffing industrie ingesteld, met vertegenwoordigers van onder andere het Rijk, industriële
bedrijven en groene ngo’s. Deze overlegtafel heeft als opdracht meegekregen om voor
het middellange- en langetermijnbeleid voor de industrie te adviseren welke maatregelen
als alternatief voor de CO2-heffing industrie kunnen dienen, waarmee de klimaatdoelen worden geborgd. Deze overlegtafel
komt begin volgende maand, begin december, met een rapport. Ik kan hier nu niet op
vooruitlopen. Besluitvorming is in beginsel aan een volgend kabinet.
De voorzitter:
Eerst de heer Oosterhuis en daarna de heer Stultiens.
De heer Oosterhuis (D66):
De Staatssecretaris gaf net bij de pseudo-eindheffing aan dat hij het belangrijk vindt
dat de klimaatdoelen worden gehaald binnen de reële mogelijkheden. Daar is het kabinetsbeleid
de afgelopen jaren niet op gericht geweest. Voordat het afgelopen kabinet begon, waren
de klimaatdoelen voor 2030 in zicht. Inmiddels zijn ze dat niet meer, doordat er allerlei
beleid is teruggedraaid, waaronder nu ook de CO2-heffing. Dat is gebeurd naar aanleiding van een motie van deze Kamer, maar dat neemt
niet weg dat we een Klimaatwet hebben, waar de regering aan is gehouden, om 55% CO2-reductie in 2030 te bereiken. Waarom heeft het kabinet het dan toch verantwoord gevonden,
ook met het oog op die wettelijke verplichting, om de CO2-heffing nu te schrappen zonder alternatief?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik begrijp de vraag van de heer Oosterhuis. Wij denken als kabinet dat de omstandigheden
inmiddels gewijzigd zijn. Met name de netcongestie is een probleem, zeker voor deze
industriële bedrijven. De Minister van KGG zal hier tijdens de termijn van het kabinet
in het plenaire debat ook verder op ingaan, want dit is uiteraard in nauw overleg
met haar tot stand gekomen. Wij vonden het op dit moment belangrijk dat de bedrijven
die getroffen zouden worden voldoende handelingsperspectief hebben, alvorens dit soort
maatregelen te treffen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Heel kort, voorzitter. Ik snap dat deze Staatssecretaris niet over het klimaatbeleid
gaat en zeker niet in deze twee maanden. Ik zal hier bij de plenaire behandeling,
als de Minister van KGG ook aanwezig is, nog op terugkomen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag/oproep sluit aan bij die van de heer Oosterhuis. Ik begrijp het niet goed.
Elk jaar opnieuw vragen we als Kamer of we de klimaatdoelen nog steeds gaan halen.
Dan zegt het kabinet altijd: ja, die gaan we nog steeds halen; dat blijft de wet,
dat blijft het beleid. Elke keer wordt er te weinig geleverd. Als nu de analyse is
dat er te weinig handelingsperspectief is of dat we niet te veel de stok maar meer
de wortel moeten doen, waarom wordt dat dan niet gelijk geregeld? We weten nu dat
de doelen niet gehaald worden. Sterker nog, we gaan er nog verder vanaf raken. Ondertussen
hebben we volgend jaar qua klimaatbeleid weer een verloren jaar op belastinggebied,
want we gaan nu niks regelen. Hoe gaat het kabinet dan ooit nog het doel van 2030
halen?
Staatssecretaris Heijnen:
Dan moet ik toch verwijzen naar de Minister van KGG. Sorry daarvoor, maar ik vind
dit echt een vraag op haar terrein. Ik zal ervoor zorgen dat die vraag tijdens de
plenaire behandeling uitgebreid aan de orde komt. Ik neem aan dat de heer Stultiens
die vraag dan ook aan haar zal stellen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat zeg ik bij dezen toe.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een volgende vraag van de heer Oosterhuis. Het afschaffen van de CO2-heffing industrie leidt tot een bezuiniging van 275 miljoen op het Klimaatfonds.
Welke projecten worden hierdoor geraakt? De opbrengst van de CO2-heffing industrie zou inderdaad worden teruggesluisd naar het Klimaatfonds. Deze
opbrengst komt nu te vervallen. Dat betekent een derving van 274 miljoen aan reeds
ingeboekte inkomsten voor de jaren 2026 tot en met 2028. Deze derving is opgevangen
binnen het perceel Verduurzaming industrie en innovatie mkb in het Klimaatfonds door
dit om te buigen bij de Nationale Investeringsregeling Klimaatprojecten Industrie.
De middelen waren nog niet bestemd voor specifieke projecten, maar het klopt wel dat
er hierdoor minder subsidies voor verduurzaming van de bedrijven overblijven.
Dan een aantal vragen van de heren Stultiens, Grinwis, Stoffer, Oosterhuis en Vermeer.
Klopt het dat de circulaire doelstellingen nog steeds niet worden gehaald? Kan het
kabinet onderbouwen hoe de afvalmaatregelen bijdragen aan het stimuleren van recycling?
De heer Grinwis vraagt ook of de keuze voor het afvalmaatregelenpakket logisch, goed
en zorgvuldig is, gezien het risico op export. Waarom is er niet een evenwichtiger
voorstel gedaan? Daarnaast vraagt de heer Stoffer of het afvalmaatregelenpakket helpt
bij het verbeteren van het vestigingsklimaat. Tot slot vraagt de heer Oosterhuis hoe
het kabinet de negatieve effecten van het maatregelenpakket heeft meegewogen. Ook
de heer Vermeer vroeg daarnaar in het kader van Aramis.
Het kabinet heeft gekeken met welke maatregelen binnen het circulaire domein per 2028
de budgettaire taakstelling van 567 miljoen kan worden ingevuld als alternatief voor
de polymerenheffing. Hiertoe is in het voorjaar de Plastic Tafel in het leven geroepen.
Helaas heeft deze tafel geen unaniem gedragen alternatief voorgesteld voor de plastic-heffing.
Het kabinet heeft daarom besloten tot deze technische invulling bij de afvalsector,
omdat er op het moment van besluitvorming geen alternatief bekend was dat de benodigde
budgettaire taakstelling binnen het domein van de circulaire economie kon realiseren,
dat tegelijkertijd een verdere CO2-reductie zou ondersteunen en waarvan bekend was dat het uitvoerbaar zou zijn. Met
het voorgestelde pakket wordt het verbranden van afval duurder. Dit kan een prikkel
vormen richting gemeenten en bedrijven om hun afvalscheiding te verbeteren.
Het duurder maken van verbranding kan recyclen financieel relatief aantrekkelijker
maken, maar tegelijkertijd erkent het kabinet dat het huidige pakket met deze maatvoering
een negatief effect kan hebben op recyclingactiviteiten, doordat het verbranden van
het recyclingresidu ook duurder wordt. Daarnaast erkent het kabinet het risico op
export van Nederlands afval als afvalverbrandingsinstallaties niet tijdig kunnen overstappen
op CCS en de investeringsonzekerheid die het met zich meebrengt voor investeringen
in CCS.
Zoals gezegd betreft het merendeel van de afvalmaatregelen een technische invulling.
Aan de Werkgroep afvalsector is gevraagd om naar een mogelijke alternatieve invulling
te kijken om de beoogde opbrengst te realiseren, waarbij ook de circulaire economie
meer wordt bevorderd en het pakket in gelijke mate bijdraagt aan CO2-reductie. Nederland zet zich nog steeds in om in 2050 volledig circulair te zijn.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik vind dit heel ingewikkeld. We hadden eerst die polymerenheffing. Die is het niet
geworden; die is geschrapt; die heffing vond het kabinet toch geen goed idee. De Plastic
Tafel is niet tot een alternatief gekomen; iets met kalkoenen en kerst, denk ik. Nu
zitten we met deze afvalstoffenbelasting. Ik merk aan de antwoorden van de Staatssecretaris
dat we dat misschien ook niet een heel goed idee vinden, ook het kabinet niet. Nu
is er de Werkgroep afvalsector. Kan de Staatssecretaris hier iets meer over vertellen?
Wie zijn dat dan? Zal die niet leiden tot dezelfde conclusie als die van de Plastic
Tafel omdat deze werkgroep er ook niet uit zal komen? Of is die Werkgroep afvalsector
wél iets binnen het kabinet en wordt er ook binnen het kabinet nu nog nagedacht over
alternatieven?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik wilde hier later in mijn beantwoording op ingaan samen met een aantal andere vragen
die daarover gesteld zijn. Als u het mij toestaat, wil ik deze vraag nu even parkeren.
De voorzitter:
Weet u ongeveer wanneer u daaraan toe bent? Dan kunnen de leden daar rekening mee
houden en niet zo meteen om de zoveel tijd de vraag herhalen.
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Ik denk over een minuut of tien.
De voorzitter:
Dan gaan we eens kijken of dat nog voor de lunchpauze zal zijn of daarna. Ik ga eerst
even naar de heer Grinwis. Heeft u op dit punt nog een aanvullende vraag, of wacht
u ook even af waar de Staatssecretaris later mee gaat komen?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik hoor het wel of de Staatssecretaris mijn vraag over tien minuten beantwoordt of
nu. Ik vind deze gang van zaken zachtjes gezegd opmerkelijk. We hebben de afgelopen
jaren heel veel ervaring gehad met technische oplossingen, placeholders en weet ik
wat allemaal. En in the end – dat is vaak het eind van het liedje – komt de politiek
er niet uit en blijkt de technische oplossing toch de politieke oplossing te zijn
geweest. Dan hebben we nu min of meer de afvalbranche opgezadeld met: gaan jullie
maar praten. Maar er hangt wel een gigantisch zwaard van Damocles boven hun hoofd.
Ik vind het dus zachtjes gezegd opmerkelijk, maar als ik gewoon eerlijk zeg wat ik
ervan vind: eigenlijk niet netjes. Nou zitten we met een soort demissionair kabinet
dat dit nog op stel en sprong probeert op te lossen, want ja, die 567 miljoen is ingeboekt,
structureel. Maar eigenlijk moet het veel zorgvuldiger gebeuren in een volgend kabinet,
zou ik zeggen. Ik weet niet hoe de Staatssecretaris dat ziet. Als je hieraan vasthoudt,
als deze technische oplossing het wordt, zou je dan niet op z’n minst binnen de SDE++,
dus aan de uitgavenkant voldoende stimuleringsgeld opzij moeten zetten om de afvalbranche
te helpen dan inderdaad CCS te gaan toepassen? Als je dat namelijk niet doet, dan
zijn al die ideeën over CCS ook weer vogels in de lucht, want dan gaat er gewoon afval
geëxporteerd worden. Dat dreigt nu namelijk te gaan gebeuren. Dus ik vind de hele
gang van zaken niet netjes. Er is ook geen rond verhaal, want je hebt wel een lastenverzwaring
boven deze sector gehangen, maar eigenlijk geen alternatief om eraan te ontsnappen
via bijvoorbeeld SDE++-geld.
Staatssecretaris Heijnen:
Het klopt inderdaad wat de heer Grinwis aangeeft: er is nog geen alternatief. Wij
gaan ervan uit dat de Werkgroep afvalsector met alternatieven komt. Wij hopen dat
in december te horen. Aan de andere kant vinden wij dat ook wel een maatregel die
heel goed op de formatietafel thuishoort en waar een nieuw kabinet concrete keuzes
in kan maken.
De voorzitter:
U vervolgt nog even uw betoog en daarna is de heer Stultiens, of de heer Grinwis als
die nog een opmerking heeft via de microfoon.
Staatssecretaris Heijnen:
Voorzitter, nog even voor de duur: ik heb nog een aantal vragen op het gebied van
de afvalstoffenheffing. Daarna ga ik over naar de energiebelasting. Wellicht is dat
een geschikt moment om te schorsen voor de lunch.
De voorzitter:
Oké, maar dan ga ik eerst nog even naar de heer Stultiens, want die heeft ook nog
een vraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Die sluit aan bij mijn twee voorgangers, dus de vraag is even of die nu beantwoord
wordt of over tien minuten. Wat hier raar aan is, is dat de coalitie eerst van plan
was om een plastic-heffing in te voeren, een polymerenheffing. Maar toen was de industrie
kritisch en dus ging het plan van tafel. Als alternatief werd gezegd: dan gaan we
naar de afvalverwerking. Opnieuw is de industrie kritisch, maar we laten het wel gewoon
staan: zoek het maar uit met elkaar; vind maar een alternatief. Dat vind ik gek. Als
het doel oorspronkelijk een plastic-heffing was, waarom wordt er dan niet gezegd:
we gaan het als placeholder eerlijk spreiden over de hele keten, ook over producenten
die onnodig plastic toevoegen, in plaats van dat alleen maar helemaal achteraan de
keten bij afval te plaatsen? Want ja, ik snap wel dat de rest van de keten denkt:
nou, we leunen achterover; zoek het maar uit bij die afvalverwerkingsinstallaties.
Dat vind ik scheef. Kunnen we het niet veel beter nu al spreiden, ook budgettair en
qua doelen? Want dan wordt de kans dat er een eerlijke oplossing komt ook groter.
Staatssecretaris Heijnen:
Misschien eerst even ingaand op de polymerenheffing. De heer Stultiens vroeg afgelopen
maandag ook of die niet beter is voor de circulaire economie en voor het klimaat.
Het korte antwoord is nee. Uit onafhankelijk onderzoek van Trinomics blijkt dat een
hoge polymerenheffing naar verwachting tot grote weglekeffecten leidt, wat niet het
geval is bij die afvalstoffenbelasting. Dat leidt er dan toe dat productie zich verplaatst
zonder de gewenste effecten op de circulaire economie of het klimaat. Tegelijkertijd
laat datzelfde onderzoek zien dat een lagere heffing een zeer beperkte milieu-impact
heeft en dat is de reden waarom wij niet voor die polymerenheffing hebben gekozen.
Dan ga ik verder en probeer ik dat te combineren met de vragen van de heer Oosterhuis.
Wat betekent technische dekking? Het heeft ook al effecten in de echte wereld, gaf
de heer Oosterhuis afgelopen maandag aan. Welke alternatieven worden er overwogen?
Ik hoop ook de vraag van de heer Stultiens te beantwoorden: zou dat niet in de hele
keten moeten? Met het maatregelenpakket heeft het kabinet een voorstel gedaan om de
budgettaire taakstelling in het circulaire domein in te vullen. Het kabinet heeft
dit pakket in het Belastingplan van dit jaar gezet om de begroting netjes achter te
laten voor een volgend kabinet.
De voorzitter:
Ik hoorde al wat, dus eerst even mevrouw Van Dijk, via de microfoon graag.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Kan de Staatssecretaris dan uitleggen waarom dit een definitie van «netjes» is?
Staatssecretaris Heijnen:
Misschien was het zorgvuldiger geweest om te zeggen: gedekt achter te laten.
De voorzitter:
Oké. De Staatssecretaris vervolgt zijn betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Tegelijkertijd erkent het kabinet de mogelijke gevolgen voor recycling en het risico
op meer export van afval. Daarvoor is de Werkgroep afvalsector in het leven geroepen;
die is gevraagd om met alternatieven te komen. Deze alternatieven zullen bij de Voorjaarsnota
2026 worden gewogen. Ook kunnen in de formatie alternatieven worden gewogen ter dekking
van het budgettaire gat dat is ontstaan door het vervallen van de plastic-heffing.
De besluitvorming daarover kan worden meegenomen in het Belastingplan 2027. Dat is nog op tijd voordat de maatregelen per 2028 ingaan. Daarnaast heeft
het kabinet de oproep van de afvalsector om meer investeringszekerheid te bieden duidelijk
gehoord. Daarom is er met de sector een intentieverklaring opgesteld.
De heer Oosterhuis vraagt welke alternatieven het kabinet zelf in overweging neemt:
ligt dat nu volledig bij de werkgroep of neemt het kabinet of de Staatssecretaris
zelf nog maatregelen? Mevrouw Van Dijk vraagt hoeveel van de dekkingsopgave uiteindelijk
bij de afvalsector wordt neergelegd en voor welk deel het kabinet zelf circulaire
oplossingen gaat zoeken. De heer Stultiens vroeg maandag, en nu weer, waarom er niet
breder in de keten wordt gekeken: waarom wordt er niet breder gekeken dan alleen afvalverbrandingsinstallaties?
De heer Stoffer en mevrouw Van Dijk vroegen nog waarom het kabinet niet de uitkomsten
van de werkgroep en de besluitvorming in het voorjaar afwacht en pas daarna maatregelen
in wetgeving vastlegt. Daarnaast vroeg de heer Stoffer – die vraag beluisterde ik
ook bij de heer Oosterhuis – of ik een update van de laatste gesprekken met de werkgroep
kan geven.
Zoals ik al zei, is er onlangs een intentieverklaring over investeringszekerheid door
het kabinet opgesteld. Hiervoor is de sector via de werkgroep uitgebreid geconsulteerd.
Deze intentieverklaring is met uw Kamer gedeeld. De werkgroep werkt op dit moment
met ambtelijke ondersteuning aan alternatieven voor deze technische dekking. In het
kader van de afvalwerkgroep denkt het kabinet na over alternatieven. De werkgroep
komt eind dit jaar met zijn eindadvies, dat het kabinet zal meewegen in het voorjaar.
Hier kan ik inhoudelijk helaas niet op vooruitlopen, zeg ik tegen de heer Oosterhuis,
maar in het voorjaar zal het kabinet alle opties wegen en een definitief besluit nemen.
Tot slot heeft het kabinet ervoor gekozen om de afvalmaatregelen als totaalpakket
in het Belastingplan op te nemen. Zo wordt er in ieder geval voor gezorgd dat alle
maatregelen in wetgeving worden omgezet en voorkomen we dat een volgend kabinet met
een budgettair tekort wordt geconfronteerd.
Dat waren mijn antwoorden.
De voorzitter:
Dat waren uw antwoorden, maar er zijn uiteraard nog vragen, in ieder geval eentje
van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik zit goed te luisteren naar wat de Staatssecretaris zegt. Eigenlijk zegt hij: wij
leveren ons afval af bij het volgende kabinet. Dat is wat hier gezegd wordt. Ondertussen
hangt er dus een zwaard van Damocles van 567 miljoen structureel boven de afvalsector.
Die tafel komt in december met een eerste voorstel, maar wij moeten hier volgende
week donderdag al stemmen over de technische invulling. Daar zit ik wel mee in mijn
maag. Kan er, voordat wij gaan stemmen en het liefst voordat wij het debat plenair
afronden, informatie gegeven worden over de huidige stand van zaken en denken van
de afvalsectortafel? Dan kunnen wij daar een beetje gevoel bij krijgen. Aan welke
richtingen denken zij, ook budgettair vertaald? Anders zit ik er toch wel een beetje
mee in mijn maag. Is het reëel en redelijk om in te stemmen met dit onderdeel van
het Belastingplan, terwijl we er echt geen zicht op hebben hoe het inhoudelijk gaat
landen? Er is wel een procedure: het moet besproken worden bij de Voorjaarsnota en
het volgende Belastingplan. Maar de Staatssecretaris weet ook dat een procedure nog
geen inhoudelijke oplossing is. Ik ben dus op zoek naar meer zorgvuldigheid met betrekking
tot onze stem volgende week donderdag.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de vraag van de heer Grinwis. Die vraag leeft volgens mij bij meerdere leden,
dus wij zullen nadere informatie verstrekken over wat wij op dit moment aan het onderzoeken
zijn. Ik weet niet zeker of er al budgettaire overzichten bij kunnen worden verstrekt,
maar wij zullen nadere informatie verstrekken.
De voorzitter:
In ieder geval voor de stemmingen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja.
De voorzitter:
Oké. De heer Stultiens heeft ook nog een vraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik doe nog één laatste poging op ditzelfde punt. Is de Staatssecretaris het met ons
eens dat we het breder in de keten moeten hebben dan alleen maar bij het eindproduct?
Liggen ook die opties de komende weken op tafel? Gaan we ook voor een deel naar producenten
kijken en voor een deel misschien naar supermarkten die onnodig plastics toevoegen?
Er zijn heel veel plekken in de keten waar het kan. Nu ligt het alleen bij het eindproduct
en dat vind ik kwetsbaar. Ligt de optie om wat breder te kijken op tafel?
Staatssecretaris Heijnen:
Wij zullen dat meenemen in de nadere informatie die we verstrekken. U vraagt naar
mijn mening, meneer Stultiens. Ik denk dat het belangrijk is om bij de alternatieven
die onderzocht worden zeker ook rekening te houden met de eventuele weglek naar het
buitenland.
De voorzitter:
Oké. Dan mag u uw betoog vervolgen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kom nu bij het kopje energiebelasting. Ik heb afvalstoffenheffing en afvalstoffenbelasting
afgerond.
De voorzitter:
Er is in ieder geval nog één vraag, bij mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb eigenlijk de vraag wat het kabinet zelf gaat doen. Ik ben ook een beetje op
zoek naar de verhouding tussen wat bij de sector neer wordt gelegd en dat waarvan
het kabinet vindt dat het zelf ook een verantwoordelijkheid heeft om mee te denken
en mee te helpen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik heb de vraag goed gehoord. Wij zullen daar bij het verstrekken van de informatie
op ingaan.
De voorzitter:
Dan zou ik om een beetje de vaart erin te houden – die zit er overigens redelijk goed
in – willen voorstellen om nog even verder te gaan en dan hierna te schorsen voor
de lunchpauze. Ik zie iedereen nog zitten, dus mensen zijn nog niet weggerend omdat
ze heel erg veel honger hebben. Dan gaan we in ieder geval nog één blokje doen. Dat
is energie, als ik het goed heb meeschreven. Ja? Oké. Gaat u verder, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank je wel, voorzitter. Een vraag van mevrouw Van Eijk. De aangenomen motie-Van Hijum
roept op om de belastingvermindering in de energiebelasting toe te spitsen op huishoudens
en de VVD kijkt uit naar de uitwerking hiervan. Mevrouw Van Eijk vraagt daarbij naar
het effect voor het mkb en hoe wij als kabinet oog blijven houden voor het mkb, dat
nog altijd kampt met hoge energiekosten. Het kabinet werkt wetgeving uit naar aanleiding
van de aangenomen motie-Van Hijum. Als de belastingvermindering alleen nog aan huishoudens
wordt gegeven, ontvangen alle bedrijven, inclusief het mkb, die vermindering niet
meer. Hierdoor nemen de energiekosten voor het mkb toe met ongeveer € 500 per jaar.
Het kabinet helpt daarnaast het mkb om energiekosten te verlagen door ondersteuning
van verduurzaming. We zetten hierbij in op een breed scala aan instrumenten, zoals
de ISDE, de EIA, de versnelde klimaatinvesteringen in de industrie en het ontzorgingsprogramma.
Daarnaast zet het kabinet erop in om deze ondersteuning aan ondernemers simpeler en
overzichtelijker te maken. Ook hierover heeft de Minister van KGG uw Kamer in mei
geïnformeerd.
De heer Oosterhuis vraagt waarom het kabinet bij de brandstofaccijnzen heeft gekozen
voor verlenging van het tijdelijk verlaagde tarief en niet voor een meer structurele
of geleidelijke verhoging van de accijns. De tijdelijke verlenging van de accijnsverlaging
is puur bedoeld om een lastenstijging voor 2026 te voorkomen. Een keuze voor de langere
termijn, inclusief een eventueel afbouwpad, is aan een volgend, missionair kabinet.
De voorzitter:
Er is een vraag van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Deze keuze laat de Staatssecretaris aan een volgend kabinet. Hij laat niet alleen
de keuze voor een afbouwpad aan een volgend kabinet, maar hij zadelt het ook op met
de lastenstijging die dan in 2027 komt. Het lijkt dus heel netjes om dit aan een volgend
kabinet te laten, maar tegelijkertijd komt de dekking van de accijnsverlaging in 2026
wel uit de portemonnee van dat volgende kabinet. Die komt namelijk uit de CBAM-heffing
en uit de motie-Idsinga. Dat zijn allemaal structurele bedragen. Trakteren op kosten
van een ander: hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar?
Staatssecretaris Heijnen:
Het klopt. De dekking die de heer Oosterhuis aangeeft, klopt. Ik denk dat ik wel mag
aangeven dat de verlenging van de accijnsverlaging ook een brede wens van de Kamer
was, die uiteindelijk gedekt moet worden. We hebben zo goed mogelijk naar een dekking
daarvoor gezocht en die hebben we gevonden. Dat is wat ik daarop kan zeggen.
De voorzitter:
Eerst nog even een vervolgvraag van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Ja, dan stel ik toch de vervolgvraag waarom er dan voor is gekozen om het nu allemaal
in één jaar te stoppen in plaats van die accijnsverlaging over meerdere jaren uit
te smeren, zodat er een geleidelijk afbouwpad komt. Dat zou toch veel logischer zijn?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik weet niet of dat logischer is. Kijk, wij hebben met name gekeken naar de tarieven
aan de pomp, en die zijn hoog, zeker als je ze vergelijkt met die in ons omringende
landen. Vandaar dat wij ervoor gekozen hebben om die tariefverlaging te continueren.
We hadden ervoor kunnen kiezen om dat geleidelijk te doen. Dat zou dan op dezelfde
manier gedekt zijn, denk ik, maar we hebben er bewust voor gekozen om de verlaging
in 2026 in stand te laten.
De voorzitter:
Nu gaan we naar de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
De Staatssecretaris gaat hier natuurlijk veel te gemakkelijk omheen, en dat weet hij
zelf ook wel. Toen ik even weg was, kreeg ik namelijk het verwijt dat ik het idee
had ingebracht om de tariefverhoging in box 3 en de verlaging van het heffingsvrije
vermogen terug te schroeven en om als dekkingsmogelijkheid daarvoor te kijken naar
het versnellen van de afbouw van de wet-Hillen. Ja, er is inderdaad een mismatch tussen
wanneer die opbrengsten dan komen – die zitten dan meer aan het eind van de jaren
dertig – en wanneer de rekening moet worden betaald voor het niet laten doorgaan van
die verhoging in box 3. Maar dat is toch geen reëel tegenargument van een kabinet
dat zelf het Klarnakabinet in optima forma is door in 2026 een cadeau van 1,9 miljard
weg te geven dat pas in 2032 of 2033 is afbetaald? Daarmee neemt het toch zelf op
groteske wijze afstand van de eigen begrotingsprincipes en begrotingsregels? En als
ik als Kamerlid vervolgens kom met een idee om box 3 anders op te lossen dan de manier
waarop het kabinet dat doet en waarmee in mijn ogen heel veel mensen onrecht wordt
aangedaan, dan krijg ik dat wél als tegenargument tegengeworpen. Het is op z’n minst
niet consistent. De vraag van collega Oosterhuis of het qua dekking en zo niet zorgvuldiger
had gemoeten met die brandstofaccijns, blijft volgens mij recht overend staan. Ik
ben heel benieuwd naar een wat grondigere en iets minder makkelijke reactie van de
Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan me die opmerking van de heer Grinwis goed voorstellen hoor, en ik ben het eigenlijk
ook wel met hem eens. Laat ik maar gewoon heel eerlijk zijn. Het principe van de dekking
van box 3 en het principe van deze dekking zijn in feite hetzelfde; dat ben ik volledig
met hem eens. Ja. In die zin had ik dus ...
De voorzitter:
Er worden nu dingen buiten de microfoon geroepen, maar we gaan even afwachten wat
de appreciatie wordt. Wellicht wordt dit debatje dan weer voortgezet, maar voor nu
vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan een vraag van de heer Stultiens. Het grootste deel van de belastingkorting door
de accijnsverlaging landt bij de rijkste huishoudens, zegt hij. Waarom is er niet
gekozen voor een meer gerichte maatregel? Het kabinet wil met de accijnsverlaging
gericht de lasten voor de autorijders verlagen. Het klopt inderdaad dat een relatief
groot deel van de accijnsverlaging naar middeninkomens en hoge inkomens gaat, omdat
deze huishoudens simpelweg vaker een auto hebben, waarmee ze ook meer rijden. Er zijn
echter ook veel huishoudens met een lager inkomen die relatief veel kilometers maken
en waarvoor het openbaar vervoer geen optie is. Denk aan verplegers die in de nachtdienst
van een regionaal ziekenhuis werken en aangewezen zijn op de auto. Een gerichtere
maatregel om de brandstofkosten te verlagen was niet voorhanden, zo zeg ik tegen de
heer Stultiens. Algemene koopkrachtmaatregelen zijn wat ons betreft evenmin geschikt,
omdat niet elk huishouden een fossiele auto heeft of evenveel gebruikmaakt van de
auto.
Dan een vraag van mevrouw Van Eijk. Zij vraagt mij of ik erken dat verdere nationale
koppen op ETS, in welke vorm dan ook, schadelijk zijn voor ons verdienvermogen en
dat Nederland zich in Brussel moet richten op één eerlijk Europees systeem in plaats
van eigen aanvullende heffingen. Ze vraagt ook hoe het kabinet ervoor zorgt dat de
industrie daadwerkelijk ruimte krijgt om te investeren, nu energiekosten, netwerkkosten
en fiscale lasten nog steeds stapelen. Verder vraagt ze of we bereid zijn om in samenhang
te kijken naar het totale pakket aan lasten dat op de industrie drukt. Het klopt:
onze Nederlandse industrie opereert in een internationale markt. Ik deel daarom het
belang van een sterk Europees beprijzingssysteem, inclusief een sterke koolstofheffing
aan de grens, om goedkope, vervuilende producten van buiten Europa te weren. Dat is
ook de reden dat dit kabinet de keuze heeft gemaakt om de nationale CO2-heffing voor ETS1 en lachgasinstallaties maximaal te verlagen. Tegelijkertijd ligt
er, zoals bekend, ook een grote opgave om de afgesproken klimaatdoelen te halen. Daarom
is, zoals reeds aangegeven, aan de Overlegtafel CO2-heffing gevraagd om met alternatieve beleidsopties te komen. Maar hierbij moet worden
gekeken – mevrouw Van Eijk gaf dat ook aan – naar het totaal van alle lasten en subsidies
voor de Nederlandse industrie, dus ook naar netwerkkosten, subsidies voor verduurzaming
en andere zaken.
Voorzitter. Dan ben ik toegekomen aan mijn kopje overige maatregelen Belastingplan.
Het is natuurlijk aan u – u bent voorzitter – maar wellicht is dit een geschikt moment
om te gaan lunchen.
De voorzitter:
Het lijkt mij een hele goede suggestie om nu een lunchpauze in te lassen. Ik stel
voor om voor een halfuur te schorsen. We zijn hier dus om 13.30 uur weer terug voor
het vervolg. Ik schors de vergadering voor nu.
De vergadering wordt van 13.00 uur tot 13.34 uur geschorst.
De voorzitter:
Welkom terug allemaal. Ik heropen het wetgevingsoverleg over het Belastingplan. Maandag
is al de start geweest met de zijde van de Kamer. Nu zijn we bezig met de eerste termijn
van de zijde van de regering. Vandaag gaan we ook nog verder met de tweede termijn
van de zijde van de Kamer en de tweede termijn van de zijde van de regering.
Ik wijs er ook op dat morgen natuurlijk de plenaire behandeling wordt voortgezet.
Voor de lunchpauze ging het al even over tafel dat de Minister van Klimaat en Groene
Groei morgen ook aanwezig zou zijn om de beantwoording te doen. Dat is niet zo. Die
is namelijk bij de COP in Brazilië. Zij zal dinsdag de beantwoording namens de regering
doen op de punten waarvan de Staatssecretaris aangaf dat die antwoorden van de Minister
van KGG komen. Dat dus alvast voor uw eigen administratie, om daar rekening mee te
houden en zodat er geen verkeerde verwachtingen worden gewekt over welke antwoorden
u morgen krijgt.
Daarnaast nog het korte verzoek, zoals altijd van de Griffie plenair, om, voor degenen
die het betreft, zich als het kan nog in te schrijven. Een indicatieve spreektijd
kan soms prettig zijn, zodat ook de collega’s een beetje kunnen inschatten waar ze
rekening mee moeten houden wat betreft de lengte van het debat.
Dat gezegd hebbende, heb ik volgens mij bijna alle huishoudelijke mededelingen gedaan.
Ik wil er nog eentje doen, namelijk dat we rond 14.45 uur heel even schorsen voor
een stemming en een regeling van werkzaamheden. We gaan daarna zo snel mogelijk weer
door met dit debat. U kunt die korte schorsing eventueel ook gebruiken voor nog een
kop koffie. Dan gaan we nu snel verder. Het woord is aan Staatssecretaris Heijnen.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u wel, voorzitter. Ik ben gekomen bij de overige maatregelen van het Belastingplan.
Ik begin met een vraag van de heer Stultiens over de versobering van de ETK-regeling.
Zijn vraag was of na de onderbouwing de overige kosten wel konden blijven bestaan
binnen de ETK-regeling. Zoals bekend gaat de loonbelasting uit van de gedachte dat
kosten die een werknemer maakt om zijn werk te kunnen doen, zakelijke kosten zijn
die onbelast vergoed kunnen worden. De extra kosten die een inkomende werknemer maakt
omdat hij in Nederland gaat werken, zijn dus ook zakelijke kosten. Voor de extra kosten
voor levensonderhoud wordt de inkomende werknemer al gecompenseerd door het hogere
Nederlandse loon. Telefoonkosten acht het kabinet niet meer nodig als ETK, omdat daarvoor
tegenwoordig gratis alternatieven bestaan. Overige kosten zijn wel kosten die een
inkomende werknemer maakt.
Ik wil er ook nog op wijzen dat de expatregeling, de 30%-regeling, een forfaitaire
variant is van de ETK-regeling. De ETK heeft daarmee ook een functie en is nodig voor
de juridische houdbaarheid van de expatregeling.
Dan vraagt mevrouw Van Eijk naar het opzeggen van de convenanten tussen werkgeversvertegenwoordigingen
en de Belastingdienst in verband met de wijziging van de ETK. De Belastingdienst heeft,
zoals bekend, convenanten over toepassing van de ETK-regeling gesloten met de uitzendbranche
en de land- en tuinbouwsector. Deze convenanten zien op drie kostensoorten: huisvesting,
reiskosten en kosten van levensonderhoud. De versobering raakt de convenanten dus
alleen op de kosten van levensonderhoud. Voor het overige blijven de convenanten relevant.
De Belastingdienst treedt in overleg met de brancheorganisatie over het actualiseren
of beëindigen van een convenant bij elke relevante wijziging in wet- en regelgeving,
zoals ook bij deze versobering. Dit gebeurt uiteraard uiterst zorgvuldig. Trouwens,
een van de twee genoemde convenanten heeft een looptijd tot het einde van dit kalenderjaar;
dat is met de LTO, de land- en tuinbouwsector. Dat loopt namelijk af eind dit jaar.
Tot slot. Deze convenanten worden altijd afgesloten onder voorbehoud van wijzigingen
in wet- en regelgeving en zijn daarmee in zoverre niet oneerlijker of onvoorspelbaarder
dan voor ieder ander die niet onder de toepassing van een convenant valt.
Ik ga naar de lucratiefbelangregeling. Mevrouw Van Eijk vraagt of ik erken dat de
voorgestelde multipliermaatregel Nederland minder aantrekkelijk maakt voor investeerders
en talent. «Waarom wachten we niet op het advies-Wennink voordat we een dergelijke
grote stap zetten?» Ik begin toch met te zeggen dat het kabinet met de multipliermaatregel
uitvoering geeft aan beide moties-Idsinga, naar de wens van een ruime meerderheid
van de Tweede Kamer, zij het in de vorige samenstelling van de Kamer. Als de huidige
samenstelling van de Kamer in meerderheid de wens heeft om deze maatregelen op dit
moment nog niet in te voeren en de derving die daaruit ontstaat te voorzien van een
dekking, dan zal het kabinet dat uiteraard wel willen bekijken.
De voorzitter:
Volgens mij is eerst de vraag: is dit het? Als dat zo is, zijn er ook nog vervolgvragen.
Ik stel die vraag dus eerst eventjes aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Misschien kunnen vervolgvragen gesteld worden. Dan kan ik die gelijk meenemen.
De voorzitter:
Dat is ook een optie. We gaan kijken of dat de meest handige route is. We gaan in
ieder geval een aantal vragen langs. Mevrouw Van Dijk heeft een vraag.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Nou ja, het gaat me er eigenlijk om dat iedere keer de motie-Idsinga als argument
wordt gebruikt, terwijl we ook zien dat de uitvoering redelijk dramatisch is. We zien
heel vaak dat moties met een brede meerderheid worden aangenomen, dan lastig uitvoerbaar
blijken en vervolgens naast zich neer worden gelegd. Ik vind dus het wel ingewikkeld
dat iedere keer het antwoord begint met: wij geven gehoor aan de motie-Idsinga. Ik
merk dat dat mij ook een beetje irriteert.
Staatssecretaris Heijnen:
Waarvan nota.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik wacht gewoon op de beantwoording van mijn vragen. Ik ga er dus van uit dat die
nog gaan komen. Zo niet, dan ga ik de vragen die ik in de eerste inbreng heb gesteld,
gewoon herhalen.
De voorzitter:
Dat lijkt mij helder. Dat is een bekend en beproefd recept, zullen we maar zeggen.
Dat weet de Staatssecretaris denk ik ook. We gaan dus afwachten of dat zorgt voor
de beantwoording van de vragen. U vervolgt uw betoog, Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Het kabinet heeft geen aanwijzingen dat de voorgestelde maatregel investeerders ontmoedigt
om te investeren in Nederlandse ondernemingen of talent ontmoedigt om zich beschikbaar
te stellen aan Nederlandse ondernemingen. Volgens het kabinet is het beperkt verhogen
van de belastingdruk in box 2 van maximaal 31% tot maximaal 36% geen al te grote stap.
De noodzaak en de vormgeving van de lucratiefbelangregeling, inclusief de voorgestelde
multipliermaatregel, zullen worden geëvalueerd in het jaar na de invoering van het
nieuwe box 3-stelsel, vanwege de inhoudelijke samenhang daarmee. Als dat wenselijk
is, kan het advies-Wennink over het aanzienlijk versterken van het Nederlandse investeringsklimaat
en toekomstig verdienvermogen hierbij uiteraard worden meegewogen.
Mevrouw Van Eijk vroeg verder of ik erken dat de multipliermaatregel kan zorgen voor
een verdere verstoring van het globaal evenwicht als het gaat om de belastingdruk
voor verschillende belastingplichtigen. Zoals bekend streeft het kabinet ernaar dat
bij een reguliere directeur-grootaandeelhouder de gecombineerde heffing van box 2
en vennootschapsbelasting in globaal evenwicht is met de belastingheffing bij een
ondernemer voor de ib in box 1. De multipliermaatregel leidt ertoe dat de effectieve
belastingdruk voor voordelen uit lucratief belang maximaal 36% in box 2 bedraagt,
terwijl de gecombineerde belastingdruk voor een reguliere directeur-grootaandeelhouder
in 2026 maximaal 48,8% bedraagt, voor een ib-ondernemer maximaal 44,7% en, tot slot,
voor een werknemer 49,5%. Er is dus wat het kabinet betreft geen sprake van een verstoring
van het globaal evenwicht tussen verschillende belastingplichtigen.
Dan geeft mevrouw Van Eijk aan dat de multipliermaatregel management- en aandelenplannen
onaantrekkelijker maakt, wat precies het tegenovergestelde is van wat nodig is voor
groeiende bedrijven en het aantrekken van schaarse specialisten. «Hoe zie de Staatssecretaris
dat? Staat dat niet haaks op de eigen ambities voor werknemersparticipaties?» Met
deze beperkte verhoging van de belastingdruk houdt het kabinet nog steeds rekening
met het hybride karakter van voordelen uit beloningsstructuren die onder het bereik
van de lucratiefbelangregeling vallen, alsmede met de belastingdruk in het buitenland
over dergelijke voordelen. Zoals ik al zei: we hebben geen aanwijzingen dat de voorgestelde
maatregelen het aantrekken van schaarse specialisten voor groeiende ondernemingen
lastiger maken.
Het is mogelijk dat aandelenopties zowel onder het bereik van de huidige lucratiefbelangregeling
vallen als onder het bereik van de aangekondigde maatregelen voor aandelenopties in
start-ups en scale-ups. Het eventueel voorkomen van samenloop tussen de maatregelen
voor werknemersparticipaties en de lucratiefbelangregeling wordt nader bezien bij
de verdere uitwerking van deze maatregelen voor aandelenopties in start-ups en scale-ups.
Ik kan aangeven dat ik op dit moment samen met de Minister van Economische Zaken werk
aan een wetsvoorstel, dat wordt aangeboden ter consultatie, voor de fiscaal voordelige
regeling voor werknemersopties die kunnen worden toegekend aan werknemers van start-ups
en scale-ups. Dat wordt dus op korte termijn vervolgd. Deze nieuwe fiscale regeling
zal voorzien in een grondslagversmalling voor het bepalen van het fiscaal voordeel
dat uit dergelijke opties wordt genoten en in uitstel van belastingheffing tot het
moment van verkoop van de aandelen zolang de werkgever nog kwalificeert als een start-up
of scale-up. De beoogde inwerkingtredingsdatum van de nieuwe regeling is 1 januari
2027.
Dan vraagt mevrouw Van Eijk waarom het advies uit het eigen onderzoeksrapport van
Financiën wordt genegeerd: niet wijzigen voor het nieuwe box 3-stelsel. En ben ik
bereid om de invoeringsdatum uit te stellen? Ik ben heel voorzichtig en ik ga niet
verwijzen naar de moties-Idsinga. In lijn met de aanbevelingen uit het onderzoeksrapport
is er in reacties op de internetconsultatie voor gepleit om bij een voorgenomen wijziging
eerst de invoering van het nieuwe box 3-stelsel af te wachten. Het uitstellen van
een invoeringsdatum zoals nu wordt gevraagd, is – ik zeg het toch – niet in lijn met
de aangenomen moties-Idsinga en leidt bovendien tot een dekkingsopgave. Als de Kamer
in de huidige samenstelling in meerderheid deze wens heeft, dan zal het kabinet dit,
zoals gezegd, welwillend bekijken.
Dan een vraag van de heer Hoogeveen over lucratief belang ...
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb het idee dat mijn vragen zijn beantwoord, dus ik pak ’m nu maar. Ik heb moeite
met het feit dat de Staatssecretaris het omdraait. Een aantal leden van deze Kamer
bepleitten: zorg er nu voor dat je in samenhang al die regelingen beoordeelt en wacht
op de invoering van het nieuwe box 3-stelsel voordat je een dergelijke maatregel er
weer overheen gooit. Nu kun je zeggen: we voeren eerst box 3 in en dan kijken we wel
of er iets misloopt. Of: we voeren eerst werknemersparticipaties in en we kijken dan
wel of dat handig is. Dan heb ik liever dat we in de volle breedte kijken naar dit
type regelingen, die op de een of andere manier overlap hebben, elkaar beïnvloeden
en misschien zelfs tegen elkaar in werken, nog los van het feit dat je ons investeringsklimaat
graag aantrekkelijk wilt houden. Dat pleit gewoon voor uitstel. Als die hele motie-Idsinga
er niet was geweest, had het er waarschijnlijk niet gelegen. Het kabinet had nadrukkelijk
al wel onderzoek gedaan naar lucratief belang en naar verbetermogelijkheden. Als je
dat allemaal bij elkaar zet, is de Staatssecretaris het dan met mij eens dat het,
gezien al die ontwikkelingen, verstandig zou zijn om te wachten op het advies van
Wennink en om al die ontwikkelingen bij elkaar te pakken? Dan nemen we in één keer
de goede maatregelen, nog los van het feit dat dit qua handhaving en toezicht natuurlijk
een drama is, ook in de uitvoering.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik vind de suggestie van mevrouw Van Eijk een hele goede. Ik kan me voorstellen dat
we wachten. Echter, wij voeren de wens van de Kamer uit – en dan zeg ik het toch –
met de moties-Idsinga. Ik snap dat mevrouw Van Eijk zegt dat ze daar liever mee wil
wachten, maar destijds was een meerderheid van de Kamer voor het invoeren van deze
lucratiefbelangmaatregel. Ik ben benieuwd hoe dat nu is. Als een meerderheid van de
Kamer daar nu mee wil wachten totdat de nieuwe aandelenoptieregeling er is en totdat
het advies van Wennink er is, dan kunnen wij ons daar zeer goed in vinden.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Als een van de mede-indieners van de moties-Idsinga wil ik hier graag een andere invalshoek
noemen. De eerste motie vroeg eigenlijk het volgende. Je hebt private-equitymanagers
die forse bonussen krijgen. Dat is normaal gesproken inkomen uit werk, dus waarom
zou je die niet in box 1 belasten? Dat was eigenlijk wat de motie ooit vroeg. Die
was onuitvoerbaar. Er kwam dus een rapport met opties, met varianten. De tweede motie-Idsinga
vroeg toen: doe dan de uitvoerbare variant, die vandaag voorligt. Kan de Staatssecretaris
bevestigen dat de optie die er nu ligt wel uitvoerbaar is? Alleen, de capaciteit voor
de handhaving is pas twintig jaar later klaar, maar laten we nu niet doen alsof er
een onuitvoerbare motie in de wet gegoten is. Dat is volgens mij niet het geval.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan dat bevestigen. Hij is uitvoerbaar, maar de handhaafbaarheid kan op dit moment
nog niet worden ondersteund met behulp van IV-systemen. Dat kan pas over een aantal
jaar.
De voorzitter:
Oké. U vervolgt uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan haak ik in op de vraag van de heer Stultiens over de signalen die opgevangen zouden
zijn om structuren aan te passen op de tariefverhoging als de multiplier wordt ontlopen.
Hij vraagt wat wij gaan doen om deze nieuwe structuren op te sporen en zo snel mogelijk
te dichten. Bij een hogere belastingdruk dan het tarief in box 3, zal sprake zijn
van diverse gedragseffecten, zoals herstructurering en het mogelijk verplaatsen van
investeringen naar het buitenland, waardoor de budgettaire opbrengst naar verwachting
lager zal uitvallen. Om die reden kiest het kabinet ervoor om voor de belastingdruk
op voordelen uit een middellijk gehouden lucratief belang te laten aansluiten bij
het maximale belastingtarief in box 3. De heer Stultiens had het hierbij al over twee moties.
Het kabinet zet zich altijd in – dat is logisch – om ongewenste structuren te voorkomen.
Zo wordt in het Belastingplan 2026 ook een maatregel voorgesteld om een ongewenste
structuur in de lucratiefbelangregeling te kunnen tegengaan. Die is bij de nota van
wijziging, toen wij doorkregen dat er toch nog een mogelijkheid was, verder aangescherpt.
Dan ga ik naar de verbruiksbelasting. Die zit ook in de overige fiscale maatregelen.
Ik heb een vraag van de heer Stoffer: de opbrengst van de aanpassing van de verbruiksbelasting
van alcoholvrije dranken komt ten goede aan de algemene middelen; waarom is er niet
voor gekozen om het tarief te verlagen? In het hoofdlijnenakkoord is een taakstelling
fiscale regelingen en constructies afgesproken. De aanpassing van de verbruiksbelasting
ziet op het tegengaan van een omzeilingsconstructie, namelijk de omzeiling van verbruiksbelasting
door het toevoegen van een vleugje zuivel. De opbrengst van die maatregel, 41 miljoen
vanaf 2027, is daarom gebruikt voor de invulling van een deel van die taakstelling.
Dan de vragen van de heren Vermeer en Stoffer over de verbruiksbelasting. Zij vragen
of ik bereid ben vruchten- en groentesappen uit te zonderen van de verbruiksbelasting
op alcoholvrije dranken en of ik kan toezeggen de verbruiksbelasting om te zetten
naar een suikerbelasting op basis van toegevoegde suikers. Laat ik beginnen met te
zeggen dat ik het heel belangrijk vind dat er eindelijk duidelijkheid komt voor de
sector. De discussie over de vormgeving van de verbruiksbelasting duurt al veel te
lang. Dit leidt tot onzekerheid voor een sector waarin ondernemers hard werken aan
producten die van Nederlandse bodem komen. Maar dat betekent wel dat er eerst keuzes
moeten worden gemaakt over de vormgeving. Dat geldt zowel voor het uitzonderen van
sappen als voor de omzetting naar een nieuw systeem.
Ten eerste over het tarief: als dranken zoals sappen van de belasting worden uitgezonderd,
zullen de tarieven van dranken die nog wel worden belast, moeten stijgen, of er moet
een alternatieve dekking worden gevonden. Ten tweede geldt dat als het tarief voor
frisdranken stijgt, bier lager zou worden belast dan frisdrank. Ook daarover moet
een keuze worden gemaakt. Daarnaast zijn er uitvoeringsvraagstukken en gezondheidsoverwegingen,
en geldt dat het creëren van nieuwe uitzonderingen binnen het stelsel zou kunnen leiden
tot onrechtmatige staatssteun. Ik mag u dan ook verwijzen – dat heb ik ook al gedaan
– naar de brief van mijn ambtsvoorganger met de inmiddels zeven scenario’s. In het
eerste wetgevingsoverleg, afgelopen maandag, hebben we daar ook over gesproken. De
heren Stoffer en Vermeer gaven aan een voorkeur te hebben voor variant 5 en de heer
Grinwis gaf aan meer in variant 4 of 4b te zien. Er zullen keuzes gemaakt moeten worden,
maar dat kan.
De voorzitter:
Dat roept toch nog een reactie op bij de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik heb gezegd dat ik variant 5 begrijp, maar dat ik wel het nadeel zie van het steeds
verder opgaan in die varianten, omdat de grondslag daardoor steeds smaller wordt en
de tarieven steeds hoger. Daarmee wordt de verstoring ook steeds groter. Dat heb je
bij variant 4 in iets mindere mate, maar dat heb je daar natuurlijk ook wel bij. Ik
denk dat variant 1 tot en met 3 niet passen binnen de uitgangspunten die wij als Kamer
hebben meegegeven. Vanaf variant 4a kun je als kabinet en Kamer serieus van gedachte
wisselen met elkaar. Maar hoe zit de Staatssecretaris hier zelf in? De Staatssecretaris
kan de bal bij ons leggen om een keuze te maken – ik schets het nadeel en het voordeel
van de verschillende varianten – maar wat geeft hij mee aan advies? Hij heeft als
senator, een andere rol, een beetje in de richting van variant 5 gepleit, maar nu
zitten we echt met de vraag hoe we het gaan doen. Dan kunnen we niet meer zomaar spelen
met alleen maar partijpolitieke voorkeuren, maar moeten we het echt goed inrichten.
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Grinwis wijst terecht op mijn positie als senator. Ik denk, als u het mij
en het kabinet vraagt, dat wij variant 5 wel een goede variant vinden of in ieder
geval een variant waarbij vruchten- en groentesappen worden uitgezonderd van de verbruiksbelasting.
Wij vinden het lastig, zeg ik heel eerlijk, dat als je dat onverkort zo doorvoert,
bier goedkoper wordt dan frisdrank. Dat is niet zozeer omdat ik dat persoonlijk lastig
vind, maar ik denk dat er een verkeerd signaal van uitgaat.
De voorzitter:
Ik wilde u helpen, maar ik laat u nog even verder spreken. U mag uw betoog vervolgen.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat was eigenlijk het einde van mijn betoog. Dus ik pleit voor variant 4a of 4b of
variant 5, met een lichte voorkeur voor 5. Daarbij denk ik dat het een verkeerd signaal
is als bier goedkoper zou worden dan frisdrank.
De voorzitter:
Laten we kijken wie het daarmee eens is of niet. Eerst geef ik het woord aan mevrouw
Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb wel een vraag. Variant 5 gaat nadrukkelijk over die toegevoegde suikers. We
hebben in vorige debatten heel veel discussie gehad over de uitvoerbaarheid en wat
de douane wel en niet kan. Is dat dan opgelost?
Staatssecretaris Heijnen:
Goede vraag. Dat wil ik niet zeggen. Misschien dat het dan niet precies variant 5
is, maar het ging mij erom met name vruchten- en groentesappen uit te zonderen. Ik
weet niet of dat precies variant 5 is, maar daar kan de heer Vermeer meer over vertellen.
De voorzitter:
De heer Vermeer heeft het woord.
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil, voordat er een verkeerd beeld ontstaat, wel even zeggen dat dit natuurlijk
niet betekent dat bier goedkoper wordt dan frisdrank, maar dat het gaat om de belasting
daarvan. We moeten dus niet in de richting van consumenten doen alsof bier goedkoper
wordt dan frisdrank, want dat is hierbij helemaal niet aan de orde.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat klopt. Dat is heel terecht opgemerkt, maar over het algemeen geeft het wel dat
signaal af. Ervan uitgaande dat er niet een extra prijsverhoging komt, zou het uiteindelijk
in de prijs verdisconteerd kunnen worden.
Dan ga ik naar een vraag van mevrouw Van Dijk over de uitwijkingsmogelijkheid van
het toevoegen van een vleugje zuivel: had het kabinet die verwacht bij het tot stand
komen van de verbruiksbelasting? Ten tijde van de introductie van de verbruiksbelasting
was niet de insteek – dat moge duidelijk zijn – dat dranken met alleen een vleugje
zuivel ook van die verbruiksbelasting zouden zijn uitgezonderd. Het risico op die
omzeilingsroute lijkt toentertijd niet te zijn voorzien. Zoals we weten, gebeurde
het helaas wel. Met de voorgestelde maatregel wordt het in ieder geval voor de toekomst
verder voorkomen.
Voorzitter. Dan ga ik met uw goedvinden naar het blokje schenken en erven. Dan ga
ik door met de vraag van de heer Stultiens of ik papieren schenkingen onwenselijk
vind als deze louter en alleen worden gebruikt om belasting te ontwijken. Hij vroeg
ook of ik bereid ben om opties in kaart te brengen om dit tegen te gaan. Het korte
antwoord is: ja, ik vind dit onwenselijk; ik ben bereid om opties in kaart te brengen
om dit tegen te gaan. Maar ik geef wel alvast mee dat het waarschijnlijk niet mogelijk
zal zijn om een onderscheid te maken tussen papieren schenkingen met enkel en alleen
een fiscaal motief en papieren schenkingen die ook om andere redenen worden gedaan.
Dat zal dan dus alles of niets zijn. Ter toelichting zeg ik nog dat ik ernaar streef
om deze opties de eerste helft van volgend jaar aan uw Kamer te sturen.
Voorzitter. Dan gaan we naar de BOR. Mevrouw Van Eijk en de heer Stoffer vragen of
ik kan toezeggen dat de versobering van de BOR uit het vorige Belastingplan ook echt
definitief van de baan is. De heer Stoffer vraagt mij ook of ik me wil blijven inzetten
voor alternatieven om hetzelfde te bereiken als met het amendement was beoogd. Mevrouw
Van Eijk vraagt mij ook of ik bekend ben met het stimuleringsbeleid van de Europese
Commissie om familiebedrijven met bedrijfsopvolging te faciliteren en of ik dit beleid
actief steun. Ik kan de vraag van mevrouw Van Eijk en de heer Stoffer bevestigend
beantwoorden: de beperking van de BOR tot reguliere aandelen met een belang van ten
minste 5% is van de baan. Er zijn geen plannen om die maatregel weer voor te stellen
en dat betekent ook dat de lidmaatschapsrechten in coöperaties de bedrijven nog steeds
kwalificeren voor de BOR. Daarbij is het zo dat de familiebedrijven vooral gebaat
zijn bij rust op het gebied van de BOR. Bedrijven hebben dan duidelijkheid en in dit
verband wil ik wel bezien of deze amendementen beter zouden kunnen worden verwijderd
uit de wet door middel van een wetgevingsprocedure.
Dan kom ik bij de vraag van de heer Stoffer of er geen andere alternatieven zijn.
Ik begrijp die vervolgvraag heel goed – hij was immers ook een van de indieners van
het amendement – maar ik zie binnen de BOR op dit moment geen ruimte voor alternatieven
die niet tot problemen zouden leiden die vergelijkbaar zijn met de problemen waar
het amendement toe leidt. Ik kan me voorstellen dat een alternatief ook ingrijpend
zou kunnen zijn voor de bestaande BOR en bestaande familiebedrijven die daar gebruik
van maken.
Tot slot kom ik bij de vraag van mevrouw Van Eijk. Ja, ik ben bekend met het stimuleringsbeleid
van de Europese Commissie en ik zal dit beleid ook actief ondersteunen om te zorgen
voor een aantrekkelijk klimaat voor familiebedrijven. De Europese Commissie beveelt
de lidstaten ook aan om ervoor te zorgen dat de erfbelasting bij bedrijfsopvolging
in ieder geval niet tot liquiditeitsproblemen leidt.
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil nog even een check doen met betrekking tot die accijnzen op bier en frisdrank.
Volgens mijn informatie is de totale accijns op bier € 38 per hectoliter en zou frisdrank
met dat voorstel op € 30 per hectoliter komen. Dan is dus iedereen die bang is dat
bier niet zwaar genoeg belast wordt ten opzichte van frisdrank nog steeds gerustgesteld.
Klopt dat?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik vertrouw de cijfers van de heer Vermeer volledig, maar staat u mij toe om daar
in de tweede termijn op terug te komen.
De voorzitter:
Er is volgens mij ook nog een vraag van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
De Staatssecretaris deed zojuist de suggestie om met een wetsvoorstel de amendementen
uit de wet te verwijderen. Dat kan toch ook met een nota van wijziging op het huidige
Belastingplan, vraag ik aan de Staatssecretaris. Dan is het een kwestie van opgeruimd
staat netjes. Dat zeggen ze dan toch, geloof ik? Ja.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat zou kunnen, zeg ik tegen mevrouw Van Eijk, maar het zou wel erg last minute zijn
en ik weet niet zeker of we dat voor elkaar krijgen, als ik heel eerlijk ben. Misschien
kan het bij de Fiscale verzamelwet, hoor ik net, begin volgend jaar.
De voorzitter:
Voordat er buiten de microfoon allerlei suggesties heen en weer gaan, gaat u uw betoog
vervolgen. Wellicht kunnen de mensen die hier belang bij hebben – ik weet niet of
dat iedereen is – daarover dan achteraf met de Staatssecretaris van gedachten wisselen.
Of mensen moeten er nog een interruptie aan willen wijden; dat mag natuurlijk ook.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan het blokje wetsvoorstel Inzagerecht fiscaal dossier. Ik begin met de vragen van
de heren Oosterhuis en Stultiens. Zij vragen of ik het wenselijk vind dat bezwaar
en beroep mogelijk worden als belastingplichtigen vermoeden dat niet alle relevante
stukken zijn vrijgegeven. Ik ben het met beide heren eens dat burgers en bedrijven
de mogelijkheid moeten hebben om ter discussie te stellen of alle relevante stukken
op het portaal zijn geplaatst. Ook onder het huidige wetsvoorstel blijft dit dus mogelijk
en de rechtsbescherming blijft dus gewaarborgd. Onder het huidige wetsvoorstel is
er geen zelfstandige rechtsingang tegen een beslissing op een verzoek tot inzage.
Die beslissing wordt immers niet genomen, omdat toegang tot de stukken wordt verleend
via een portaal. Belastingplichtigen hebben op grond van dit wetsvoorstel via de belastingaanslag
al een rechtsingang naar de beschikking waar de stukken betrekking op hebben. Als
een belastingplichtige vermoedt dat zijn dossier onvolledig is, kan hij dat standpunt
in een bezwaar tegen de belastingaanslag of beschikking innemen. Als hij het niet
eens is met de beslissing, staat er, zoals bekend, een rechtsingang bij de rechter
open. Voordeel daarvan is, vinden wij, dat er niet twee afzonderlijke procedures naast
elkaar kunnen gaan lopen, namelijk de procedure tegen de vaststelling van het dossier
en de procedure tegen de aanslag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Waar mijn fractie zich zorgen om maakt, is dat het eigenlijk voor de mensen thuis
nu te moeilijk wordt. Het is namelijk alles of niks: of je moet tegen je hele aanslag
in beroep of bezwaar gaan – dat is best een grote stap – of je moet er gewoon op vertrouwen
dat je alles van de stukken gezien hebt. Is er geen middenweg mogelijk? Ik hoor graag
hoe dit uitvoerbaar kan, waardoor je ook gewoon kan zeggen: «Hé, ik heb het gevoel
dat bepaalde stukken niet worden gedeeld. Ik wil graag weten welke dat zijn. Ik heb
recht op inzage in mijn dossier.» Is er geen tussenweg mogelijk, vraag ik de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is eigenlijk een variant op de vraag die de heer Stultiens afgelopen maandag stelde
en waar ook de heer Oosterhuis naar vroeg: is er een uitvoerbare variant denkbaar
waarin bezwaar en beroep wel mogelijk is? We hebben daarnaar gekeken, ook naar aanleiding
van de vraag van beide heren. Op dit moment zien wij die uitvoerbare variant niet.
Van de variant van het fiscaal inzagerecht waarin bezwaar en beroep mogelijk is, is
op voorhand duidelijk dat daar substantieel extra capaciteit voor nodig is. De precieze
impact zou bij de verdere uitwerking moeten worden meegenomen. De uitvoerbaarheid
is ook van meerdere aspecten afhankelijk, waaronder het feit dat een variant met bezwaar
en beroep misbruikgevoelig is. Daarmee is, zeg ik heel eerlijk, de uitvoerbaarheid
van een variant op dit moment niet te overzien. Dit staat nog los van de capaciteit
om het dossier samen te stellen. Vanwege prioritering van capaciteit binnen de Belastingdienst
en de Douane, krapte op de arbeidsmarkt en budgettaire gevolgen heeft het kabinet
daarom de afweging gemaakt om een zelfstandige bezwaar- en beroepsprocedure geen onderdeel
te laten uitmaken van het voorliggende wetsvoorstel. Verder is met het wetsvoorstel
zo veel mogelijk aangesloten bij het inzagerecht dat wordt geïntroduceerd met de Wet
versterking waarborgfunctie Awb. Ook daar staat geen extra bezwaar- en beroepsmogelijkheid
open.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, één vervolgvraag. Mocht het ons als Kamerleden lukken om iets te vinden wat uitvoerbaar
is, is er dan wel politieke ruimte om te kijken naar oplossingen? Kijk, wat betreft
de capaciteit: we willen allemaal niet onnodig veel ambtenaren hierop zetten. Ik denk
alleen: hoeveel mensen gaan daadwerkelijk in beroep of bezwaar hiertegen? Ik denk:
best weinig mensen. Ja, we moeten voorkomen dat het een soort verdienmodel wordt voor
bedrijven. Dat willen we allemaal niet. Volgens mij wordt dat breed gedeeld. Maar
mocht het lukken om iets te bedenken met elkaar – ik weet dat ook het CDA heel erg
aan het nadenken is – is er dan politieke ruimte om te kijken naar een amendement
op deze wet? Wij zijn namelijk bang dat we nu te ver doorslaan in het beperken van
het oorspronkelijke idee van de heer Omtzigt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik snap de vraag. Een risico dat wij wel voorzien, is dat er mogelijk misbruik wordt
gemaakt van de mogelijkheid om bezwaar en beroep in te stellen en dat er heel veel
bezwaar- en beroepschriften ingediend gaan worden, wellicht via de bekende no-cure-no-paybureaus,
waardoor de uitvoering van de Belastingdienst verder vastloopt. Wij zien dus geen
alternatieven, maar als de heer Stultiens en mevrouw Van Dijk mogelijkheden zien,
houden wij ons aanbevolen voor een idee.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Met de ozb hebben we bijvoorbeeld ingegrepen in het verdienmodel. Daar zou je hier
ook aan kunnen denken, om te zorgen dat er geen verdienmodel kan ontstaan als we wel
iets mogelijk zouden maken hierin.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, dat kan. Verzoeken kunnen geautomatiseerd worden opgesteld met AI, waardoor een
veelvoud aan verzoeken, bezwaren en beroepen kunnen worden ingediend, ook zonder no-cure-no-paybureaus.
Als niet tijdig op een verzoek wordt beslist, moet een dwangsom worden betaald. Een
gegrond bezwaar of beroep levert daarnaast wel een proceskostenvergoeding op en mogelijk
ook een vergoeding voor het niet tijdig behandelen van dat bezwaar of beroep. Misschien
kunnen we voorkomen dat die no-cure-no-paybureaus ontstaan. Echter, we kunnen, denk
ik, niet voorkomen dat de hoeveelheid bezwaar- en beroepschriften ontzettend gaat
stijgen.
De voorzitter:
Ik zag een soort schijnbeweging bij de heer Oosterhuis, maar ik weet niet zeker of
hij een vraag heeft. Nee, hij reikt ergens anders heen. Oké, gaat u dan verder, meneer
de Staatssecretaris; vervolgt u uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kom aan bij de vraag ...
De voorzitter:
Toch nog een vraag, in dit geval van de heer Vlottes.
De heer Vlottes (PVV):
Ik zat er nog even over door te denken. Is het probleem dan de IV-capaciteit? Of is
het probleem alleen de termijn waarbinnen gereageerd zou moeten worden op de beslissing
op het bezwaar? Dan zou je die termijn bijvoorbeeld kunnen verruimen. Ik zit gewoon
even na te denken.
Staatssecretaris Heijnen:
Een goede vraag van de heer Vlottes. Ik denk dat beide een probleem kunnen opleveren.
Het kan zo zijn dat de Belastingdienst het niet aankan vanwege het gebrek aan personeel
en IV-capaciteit, en het kan zijn dat we daardoor niet tijdig binnen de termijn kunnen
reageren, waardoor er dwangsommen moeten worden betaald.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Zoals ik al zei: een vraag van de heer Oosterhuis. Hij vroeg of ik erken dat het inzagerecht
volgens het amendement-Omtzigt bedoeld is voor situaties waarin er geen lopende bezwaar-
of beroepsprocedure meer is, bijvoorbeeld als pas jaren later blijkt dat iemand onterecht
is behandeld. Het inzagerecht op grond van het wetsvoorstel ontstaat op het moment
dat er een aanslag is opgelegd, of er een voor bezwaar vatbare beschikking is genomen.
Een eventueel bezwaar tegen de inhoud van het dossier loopt dan ook samen met de bezwaartermijn
van dat besluit over die beschikking. De stukken blijven echter veel langer op de
portal beschikbaar, namelijk tot het moment dat deze moeten worden vernietigd op basis
van de Archiefwet. Belastingplichtigen die na jaren vermoeden dat ze onterecht zijn
behandeld, hebben nog wel toegang tot die stukken. In sommige situaties is het ook
na afloop van de bezwaartermijn mogelijk om in bezwaar en beroep te gaan. Voor de
inkomstenbelasting kan diegene een verzoek doen voor ambtshalve vermindering. Daarna
gaat een nieuwe bezwaartermijn lopen, waarbij ook kan worden gesteld dat het dossier
niet compleet is. Ik hecht er wel aan om ook aan te geven dat de discussie over het
fiscaal dossier over het algemeen zal ontstaan op het moment dat er onenigheid is
over een aanslag of een voor bezwaar vatbare beschikking.
Dan vroeg de heer Oosterhuis wat het kabinet doet om de informatiehuishouding op orde
te krijgen, zodat openheid de norm wordt in plaats van een risico. Het zal geen verrassing
zijn: het kabinet onderschrijft het belang van transparantie. Informatiehuishouding
die op orde is, is daarvoor essentieel. De Belastingdienst heeft het programma Informatiehuishouding
op orde ingericht in 2021. Hieruit zijn vijf actielijnen gekomen, waarover u periodiek
wordt geïnformeerd. Ook de Douane werkt aan de hand van diverse programma’s voortdurend
aan de versterking van de informatiehuishouding. De eerlijkheid gebiedt te zeggen
dat het programma ter uitvoering van het fiscaal inzagerecht ook bijdraagt aan het
verder op orde brengen van de informatiehuishouding. Het heeft dus de aandacht en
we werken eraan, maar er moeten nog wel de nodige dingen gebeuren.
Dan de vraag van mevrouw Van Eijk of ik kan bevestigen dat de inkomstenbelasting niet
al per 31 december 2025 onder het inzagerecht wordt gebracht, zolang dit leidt tot
tijdelijke noodoplossingen en verdringing bij grote IT-vernieuwingen, en of er dan
wellicht ook wordt gedacht aan het nieuwe box 3-stelsel. Dat kan ik bevestigen. Er
is gekozen voor een ingroeimodel, waarbij de inzageprocessen en IV-voorzieningen stapsgewijs
worden gerealiseerd en beschikbaar kunnen worden gesteld. Het ingroeimodel houdt in
dat de verplichting om inzage te verlenen pas ontstaat als er een koninklijk besluit
wordt geslagen voor de desbetreffende rijksbelasting. Met een uitvoeringstoets zullen
per rijksbelasting de kosten en de impact op de uitvoering worden bepaald. Daarmee
blijft tot 2032 de flexibiliteit bestaan om zo nodig andere IT-vernieuwingen te prioriteren
boven het inzagerecht. Ik zal uw Kamer uiteraard meenemen in de tussentijdse stappen.
Dan vroeg mevrouw Van Eijk of ik erken dat een halve, noodgedwongen of tijdelijke
implementatie van artikel 66a leidt tot meer risico’s, minder rechtszekerheid en uiteindelijk
vertraging, en of ik bereid ben expliciet de pauzeknop in te drukken totdat de informatiehuishouding
daadwerkelijk op orde is. Zoals ik reeds eerder heb aangegeven, houdt het ingroeimodel
in dat de verplichting tot het verlenen van inzage per rijksbelasting pas ontstaat
als een koninklijk besluit wordt geslagen. Daarmee is er, denken wij, de waarborg
dat de verplichting pas ontstaat op het moment dat uit de uitvoeringstoets blijkt
dat het inzagerecht voor een specifieke rijksbelasting uitvoerbaar is. Daarnaast vindt
er in 2030 ook een herijking van de uitvoeringstoets plaats. Ik zal uw Kamer uiteraard
meenemen in de tussentijdse stappen die wij hierin zetten, zoals ik al heb aangegeven.
Mevrouw Van Eijk vraagt wanneer de Kamer een concreet, realistisch tijdpad richting
volledige implementatie na 2030 ontvangt. Ik kan aangeven dat het mijn plan is dat
uw Kamer begin volgend jaar een addendum op de uitvoeringstoets ontvangt. Daarmee
wordt u verder geïnformeerd. Het is uiteraard een continu proces. Op dit moment is
het voor ons, voor de Belastingdienst en de Douane, lastig om een concreet tijdpad
te geven. Het is eigenlijk work in progress, om het zo maar eens te zeggen; het is
een continu proces. We zullen u periodiek op de hoogte houden van de stand van zaken
en de vorderingen.
Mevrouw Van Dijk vraagt of er altijd handmatige verwerking zal moeten plaatsvinden.
Kan de uitvoering dat aan? Leidt het niet tot risico’s? Of neemt het de focus op modernisering
weg? De Belastingdienst en de Douane zullen zo veel mogelijk zoeken naar ondersteuning
in ICT. Veel stukken zullen automatisch kunnen worden ontsloten. Bij twee processen
blijft echter handmatig werk nodig. Het eerste proces betreft het arceren van stukken
om gewichtige redenen, dus het weglakken van stukken, en de beoordeling of stukken
al dan niet ontsloten kunnen worden. Dit houdt dus in dat een inspecteur of behandelaar
kijkt of om gewichtige redenen informatie ontsloten kan worden of niet. In de toekomst
kan dit mogelijk met behulp van AI gebeuren, maar die techniek is nu nog lang niet
goed genoeg. Ik zeg het heel eerlijk: het is ook de vraag of en wanneer we de verantwoordelijkheid
voor geheimhouden of inzichtelijk maken verleggen van de inspecteur naar de computer.
Ik ben daar zelf altijd een beetje huiverig voor. Hier blijft handmatig werk dus voorlopig
aan de orde. Het tweede proces betreft de ontsluiting van complexe dossiers die niet
in gestructureerde systemen van de Belastingdienst of de Douane zitten. Het is ook
niet de verwachting dat dit type dossiers altijd automatisch ontsloten kan worden.
Deze twee soorten handmatig werk zullen dus inderdaad ook in de toekomst moeten worden
verricht. Daar zullen extra uitvoeringskosten mee gemoeid blijven.
Op de vraag van mevrouw Van Dijk over een eerste inschatting van het implementatieplan
ben ik al kort ingegaan, maar zij vroeg ook naar de kosten. De totale kosteninzage
is op dit moment helaas nog niet mogelijk. De kosten voor de eerste stap van inzage
fiscaal dossier bedroegen 24,6 miljoen. Die kostenpost is ook met u gedeeld. De Douane
is momenteel aan het onderzoeken hoe een pilot inzagerecht voor de Douane vorm kan
krijgen. Na de pilot kan een inschatting worden gemaakt van de kosten voor de implementatie.
De uiteindelijk te verwachten kosten zijn uiteraard afhankelijk van veel factoren,
maar zullen naar verwachting toch wel een veelvoud zijn van de kosten voor de eerste
stap. Voor de dekking zal dus ook budgettaire besluitvorming moeten plaatsvinden.
Om een onderbouwde schatting te kunnen maken – want ik begrijp de vraag – worden afhankelijkheden
via een eerste uitwerking inzichtelijk gemaakt. Ik noem dat «het addendum op de uitvoeringstoets».
Hierom zullen ook de kosten voor het eerste plateau, inkomensheffingen niet-winst,
uitgewerkt worden. Vervolgens worden met een uitvoeringstoets per rijksbelasting de
kosten ingeschat. Ik begrijp uw vraag, mevrouw Van Dijk, maar op dit moment kan ik
daar helaas niet meer over zeggen. Zodra er meer duidelijk is over de kosten van de
verdere, totale uitrol zal ik de Kamer hierover informeren.
Dan vraagt mevrouw Van Dijk of ik een mogelijkheid zie om een verzoekprocedure te
hanteren totdat het portaal volledig gereed is. Dat zou er in de praktijk toe leiden
dat de Belastingdienst en de Douane tijd en capaciteit moeten investeren in een tijdelijke
verzoekprocedure. De stukken zullen in die periode handmatig bij elkaar moeten worden
gezocht, naast de twee processen die ik noemde. Dat moet ook handmatig gebeuren. Uit
de uitvoeringstoetsen van de Belastingdienst en de Douane blijkt dat dit helaas niet
uitvoerbaar is. Daarnaast zou dat ten koste kunnen gaan van de uitrol van het inzagerecht
voor alle rijksbelastingen. Burgers en bedrijven kunnen echter wel verzoeken om de
verstrekking van stukken die nog niet op het portaal staan. Tegen een beslissing op
zo’n verzoek staat op dit moment geen bezwaar of beroep open.
Mevrouw Van Dijk vroeg ook hoe we ervoor zorgen dat minder digivaardigen de mogelijkheid
krijgen om een geprinte versie aan te vragen. Bij de Belastingdienst wordt het proces
om deze mensen te ondersteunen momenteel uitgewerkt. Het is de bedoeling dat er in
2026 al ondersteuning wordt geboden. Dit zal verlopen als een groeiproces, uiteraard
samen met de digitale uitrol. Wanneer de inzage in stukken van een rijksbelasting
bij koninklijk besluit wordt geformaliseerd, moet ook de voorziening voor minder digivaardige
burgers gereed zijn. De Douane daarentegen streeft ernaar om het inzagerecht zo veel
mogelijk digitaal te realiseren. Dit sluit ook aan bij de doelgroep van de Douane,
die hoofdzakelijk bestaat uit ondernemers.
De voorzitter:
Een korte vraag van mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Eigenlijk gaat het dus volledig parallel?
Staatssecretaris Heijnen:
Ja.
Dan ben ik bij het kopje vliegbelasting.
De voorzitter:
Er is eerst nog een vraag van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja, ik heb nog twee vragen op dit punt. Het is fijn als de Staatssecretaris ons op
de hoogte kan houden van ontwikkelingen op dit dossier, want dit gaat natuurlijk jaren
duren. We gaan daar stapjes in maken. Kan hij toezeggen dat hij dit meeneemt in de
stand-van-zakenbrieven van de Belastingdienst? Dat lijkt me namelijk wel een mooie
plek om dat te doen; dan houden we de vinger aan de pols.
Mijn tweede vraag betreft het slaan van het KB. Dat is in principe aan het kabinet.
Kan de Kamer op de een of andere manier meer aan de voorkant worden betrokken, voordat
zo’n belangrijk besluit wordt genomen? Ik probeer wat meer grip te krijgen op het
proces. Ik zou daar graag een reactie van de Staatssecretaris op willen.
Staatssecretaris Heijnen:
Op beide vragen kan ik met ja antwoorden. Ja, we zullen het meenemen in de stand-van-zakenbrieven.
En ja, we zullen de Kamer van tevoren informeren wanneer wij een KB gaan slaan.
Dan ga ik nu in op de Wet differentiatie tarief vliegbelasting. Eerst heb ik een korte
intro en daarna wil ik ingaan op de diverse vragen die zijn gesteld. Zoals bekend
hebben we in Nederland sinds 2021 een vliegbelasting met een vlak tarief. Dat betekent
dat je op dit moment voor een korte vlucht naar Parijs hetzelfde bedrag aan belasting
per passagier verschuldigd bent als voor een langeafstandsvlucht naar bijvoorbeeld
Tokio. Onderzoek laat echter zien dat de externe kosten van langeafstandsvluchten,
zoals klimaatschade, gezondheidseffecten en geluidsoverlast, in vergelijking met de
korte of kortere vluchten slechts in lage of lagere mate zijn geïnternaliseerd. Met
dit wetsvoorstel zetten we, denk ik, een stap in de goede richting naar een hogere
mate van internalisering van de externe kosten. Dit doen we door het tarief van de
vliegbelasting te differentiëren naar afstand: hoe verder de vlucht, hoe hoger de
belasting.
Tegelijkertijd hecht ik eraan om te vermelden dat voor zo’n 80% van de vluchten het
tarief gelijk blijft aan het huidige tarief. Dit zijn vooral de vluchten naar Europese
bestemmingen. Het tarief voor de overige 20% van de vluchten wordt per passagier verhoogd
met bijvoorbeeld € 15 voor vluchten naar Turkije en met € 40 voor vluchten naar Amerika.
Daarnaast wordt met dat voorstel een structurele budgettaire opbrengst van 257 miljoen
euro gerealiseerd, zoals afgesproken in het hoofdlijnenakkoord.
Voorzitter. Dan wil ik naar de vragen gaan. Ik heb een vraag van de heer Vlottes:
wordt een gewone vakantie door de differentiatie in de vliegbelasting niet onbetaalbaar?
Hij vraagt of de vliegbelasting niet dezelfde kant op kan gaan als de tabaksaccijns,
dus dat deze alleen maar geld kost in plaats van oplevert. Wij zijn van mening dat
een gewone vakantie door deze differentiatie niet onbetaalbaar wordt. Zoals ik al
zei, blijft de prijs van 80% van de vluchten binnen Europa namelijk gelijk. Voor langere
afstanden gaat het om een verhoging van circa € 15 tot € 40 per passagier ten opzichte
van het huidige tarief. Wij vinden een dergelijke verhoging redelijk om de externe
kosten van vliegen beter te internaliseren. Uit onderzoek komt trouwens naar voren
dat het uitwijken naar buitenlandse luchthavens naar verwachting beperkt is. De maatregel
genereert dan ook een stabiele en structurele budgettaire opbrengst. Deze raming is
ook door het CPB gecertificeerd, zoals te doen gebruikelijk.
Mevrouw Van Dijk vroeg of het kabinet kan reflecteren op de hoogte van de voorgestelde
tarieven. Gaat Nederland niet uit de pas lopen, vroeg zij. Zij stelde ook nog een
aantal andere vragen over een vergelijking met de verlaging van de vliegbelasting
in Duitsland. Ik wilde die vragen gezamenlijk beantwoorden. Voor vluchten binnen Europa
geldt dat het huidige tarief van de vliegbelasting in Nederland, € 29,40, relatief
hoog is ten opzichte van de tarieven in de ons omringende landen. Het tarief voor
deze vluchten wijzigt echter niet en geldt ook na de invoering van het gedifferentieerde
tarief per 2027. Voor langere vluchten geldt dat het huidige tarief van de vliegbelasting
in Nederland lager ligt dan in omliggende landen. Met de voorgenomen differentiatie
gaat Nederland dus gemiddeld genomen een meer progressief stelsel hanteren, waarbij
langere, vervuilendere vluchten zwaarder worden belast. Dit past bij onze inzet om
de luchtvaart eerlijker te beprijzen en tegelijkertijd een stabiele budgettaire opbrengst
te realiseren. Onze overtuiging is dat we daarmee niet uit pas lopen. We kiezen juist
voor een systematiek die beter aansluit bij de externe kosten van de luchtvaart.
Daarop aansluitend vroeg mevrouw Van Dijk ook of ik bereid ben om te onderzoeken waar
de Duitse vliegbelasting uiteindelijk op uitkomt en wat de mogelijke gevolgen daarvan
zijn voor de Nederlandse luchthavens. Waarom wordt deze analyse niet eerst uitgevoerd
voordat wordt besloten tot invoering per 2027? Zoals ik al zei, is de differentiatie
van het tarief afgesproken in het hoofdlijnenakkoord. Hiervoor is een budgettaire
opbrengst van 257 miljoen euro ingeboekt. Nou is het zo dat belastingplichtigen en
de Belastingdienst voldoende tijd nodig hebben om de maatregel te implementeren, zodat
uitvoering per 2027 mogelijk is en ook de budgettaire opbrengst kan worden gehaald.
Hiernaast verandert de verlaging van de Duitse vliegbelasting naar ons idee ook niets
aan onze inschatting dat de uitwijkeffecten beperkt zullen zijn. Mag ik dat illustreren?
80% van de vluchten die vertrekken van Duitse luchthavens is een korteafstandsvlucht.
Voor dit soort vluchten wordt de Duitse vliegbelasting naar verwachting met € 3 verlaagd.
De voorzitter:
Dat is een mooi punt, vond ik, voor een interruptie van de heer Vlottes.
De heer Vlottes (PVV):
Een heel stuk terug noemde de Staatssecretaris het redelijk om de externe kosten voor
een gezin mee te nemen in de verhoging van € 40 voor langereafstandsvluchten. Ik vroeg
me af waar de Staatssecretaris dat op baseert. Wat is redelijk? Tegen welke parameters
is dat afgezet? Ik vraag dit ook in relatie tot klimaat.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik bedoel: redelijk, met name afgezet tegen het klimaat. Wij vinden dit een redelijke
vergoeding voor de hogere externe kosten die nu eenmaal gemoeid zijn met langere vluchten.
Dat is redelijk ten opzichte van het tarief voor kortere vluchten.
De voorzitter:
Een vervolgvraag.
De heer Vlottes (PVV):
Ja, oké, maar dat gaat dan vooral om kortere vluchten ten opzichte van langere vluchten.
Wat doet dat voor de externe kosten? Wat doet het bijvoorbeeld voor klimaat? Wat doet
dat voor vermindering op het gebied van klimaat ten opzichte van de kortere vluchten?
Ik begrijp de verhouding tussen korte vluchten en langeafstandsvluchten, maar ik wil
dan meer het effect weten op de externe kosten. Ik noem dat overkoepelend even «klimaat»,
zeg maar.
Staatssecretaris Heijnen:
Nou ja, langere vluchten hebben meer gevolgen voor het klimaat dan andere zaken. Dat
is het gevolg daarvan.
De voorzitter:
Nog een vervolgvraag? Ja, hoor, gaat uw gang.
De heer Vlottes (PVV):
Ja, dan zijn we er bijna. Wat maakt deze verhoging dan redelijk en wat doet die dan
voor het klimaat?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik zei al: redelijk ten opzichte van het tarief voor kortere vluchten. Wat die verhoging
doet voor het klimaat? We gaan ervan uit dat daarmee een redelijke vergoeding ...
En we gaan ervan uit dat wellicht bepaald gedrag wordt gestimuleerd. Het gaat erom
dat het redelijk is ten opzichte van de afstand; dat vinden wij belangrijk.
De heer Vlottes (PVV):
Nog één poging, voorzitter. Ja, maar wat doet dat dan voor het klimaat, dus bijvoorbeeld
in de reductie? Ik noem dan eventjes als voorbeeld de pseudo-eindheffing; die werd
heel mooi genoemd. Die haalt dan mogelijkerwijs een reductie van tussen de 0,2 en
0,4 megaton. Wat doet deze verhoging dan en wat maakt die dan redelijk?
Staatssecretaris Heijnen:
Op de vraag wat die precies doet voor het klimaat, moet ik het antwoord schuldig blijven.
Maar ik heb «redelijk» niet gezegd in het kader van klimaat, maar in het kader van
afstand; dat heb ik geprobeerd uit te leggen. De heer Vlottes gaf aan dat te begrijpen,
dus ja, dat is mijn antwoord.
De heer Vlottes (PVV):
Excuus, voorzitter; dank u wel. Maar dan neem ik aan dat als de Staatssecretaris mij
het antwoord schuldig blijft, ik daar nog een antwoord op krijg, hetzij schriftelijk,
hetzij later.
Staatssecretaris Heijnen:
Zeker. Daar komt nog een antwoord op.
De heer Vlottes (PVV):
En wanneer?
Staatssecretaris Heijnen:
In de tweede termijn, als de heer Vlottes daarmee kan leven.
De heer Vlottes (PVV):
Daar kan ik mee leven.
De voorzitter:
De cirkel is rond. Als hier geen verdere vragen over zijn, dan vervolgt u dit betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Mevrouw Van Dijk vroeg waarom er niet gekozen wordt voor een gecoördineerde Europese
aanpak om het gelijk speelveld te waarborgen. Ik snap die vraag. Het kabinet zet zich
al jaren in voor een eerlijke internationale beprijzing van de luchtvaart. Deze route
kent echter aanzienlijke drempels, zoals de Europese Energiebelastingrichtlijn, die
het belasten van kerosine nog steeds belemmert. Aanpassing van dit soort kaders is
op korte termijn helaas niet realistisch. Daarom acht het kabinet het noodzakelijk
om nu nationale maatregelen te treffen, zoals de vliegbelasting en de nu voorgestelde
aanpassing daarvan. In mijn eigen woorden zeg ik tegen mevrouw Van Dijk: als we wachten
op Europa, wachten we nog lang.
Dan was er een vraag van de heer Stoffer over de ultraperifere gebieden.
De voorzitter:
Voor die tijd is er nog even een vraag van D66.
De heer Oosterhuis (D66):
De Staatssecretaris zei: als we op Europa wachten, duurt het lang. Ik had ook de vraag
gesteld wat het kabinet dan nu zelf doet om te kijken of het in Europa wat sneller
kan. We zijn natuurlijk zelf een onderdeel van Europa. Misschien komt de Staatssecretaris
nog op die vraag, maar anders hoor ik het graag nu.
Staatssecretaris Heijnen:
Nou, ik gaf al aan dat wij ons daar in Europees verband, bij de Ecofin en andere organisaties,
voor inzetten. Maar wij merken dat dat geen gemakkelijk traject is en dat wij daarin
vaak alleen staan.
Dan ga ik naar de vraag van ...
De voorzitter:
Ik zag toch nog een vraag van de heer Stultiens op dit onderwerp.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Veel partijen zeggen vaak terecht: we trekken samen op in Europees verband. De Staatssecretaris
geeft aan: we staan daarin soms alleen. Op dit moment is in Brazilië de klimaattop
bezig; uw collega is daar aanwezig. Verschillende landen pleiten daar voor het belasten
van privéjets en voor het belasten van businessclasspassagiers. Onder andere Frankrijk
zegt het, Spanje zegt het en zelfs de heer Hoekstra zegt het, een bekende naam hier.
Nu is de grote vraag: waar blijft Nederland?
Staatssecretaris Heijnen:
De vraag is bekend. De vraag is ook al vaker gesteld door de heer Stultiens. We hebben
daar op dit moment om diverse redenen niet voor gekozen. Een van de redenen is uitvoeringstechnisch.
Volgens mij hebben we daar ook in eerdere Kamerbrieven een nadere toelichting op gegeven.
Uiteindelijk hebben we gekozen voor de differentiatie en niet voor andere heffingen.
Dat is dus het antwoord.
De voorzitter:
Er is nog een vervolgvraag van de heer Stultiens. Daarna is er nog een van de heer
Oosterhuis.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, op twee punten. Ten eerste is het raar dat eerst wordt gezegd dat we samen op
moeten trekken en dat Nederland, nu andere landen ons komen vragen of we alsjeblieft
mee willen doen, namelijk Spanje en Frankrijk, en ook Wopke Hoekstra namens de Europese
Commissie, niet zegt: wat een goed initiatief, laten we samen optrekken. Dan de uitvoerbaarheid.
We hebben een amendement klaarliggen om privéjets te belasten met hetzelfde tarief
als in Frankrijk. Dat is heel redelijk. Dat is niet volgend jaar al uitvoerbaar, maar
per 2030. Ik hoop op een open houding van de collega’s hier, maar ook van de Staatssecretaris,
om ons te laten aansluiten bij die bondgenoten in Europa.
Staatssecretaris Heijnen:
Zodra we het amendement ontvangen, zullen we daar uiteraard naar kijken. We kijken
er altijd met een open houding naar.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik wil toch nog wel even door op het punt van de heer Stultiens over het vooroplopen,
want ik voel me na het antwoord op zijn vraag een beetje met een kluitje in het riet
gestuurd met mijn vraag. Ik hoorde de Staatssecretaris zeggen «wij willen wel, maar
de rest wil niet», terwijl Spanje en Frankrijk juist vooroplopen op de COP met het
initiatief tegen privéjets, waar Nederland dan weer niet aan meedoet. Dus wat is het
nu?
Staatssecretaris Heijnen:
Er zijn meer landen in Europa dan alleen Spanje en Frankrijk. Er zijn ook heel veel
landen die dit niet willen. Binnen de Europese Unie moet er op dit soort zaken toch
echt minimaal een gekwalificeerde meerderheid worden gehaald en die hebben we nog
niet weten te bereiken.
De heer Oosterhuis (D66):
Nee, dat begrijp ik. Maar dit is toch wel een iets ander beeld, want met Spanje, Frankrijk
en Nederland hebben we het niet over de kleine landen binnen de Europese Unie. Een
gekwalificeerde meerderheid is het natuurlijk nog niet, maar het is wel een serieus
bondgenootschap. Dan vind ik eerlijk gezegd de uitvoerbaarheid niet het allersterkste
argument om ons nu niet bij een toch grootse oproep van Macron en de Eurocommissaris
aan te sluiten. Als wij zeggen dat we het nu nog niet uit kunnen voeren, is dat niet
het allersterkste argument om niet mee te doen.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik kan me voorstellen dat de heer Oosterhuis dat zegt. Van de andere kant: als ik
de heer Stultiens goed heb begrepen, houdt hij nadrukkelijk rekening met de uitvoerbaarheid
door invoering pas vanaf 2030 voor te stellen. Die problemen met de uitvoerbaarheid
zijn er dus zeer zeker.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Een korte aanvulling. Net ging het over een gekwalificeerde meerderheid, maar die
is natuurlijk niet nodig. Landen hebben het al ingevoerd. Frankrijk heeft al een belasting
voor privéjets. Het VK is inmiddels geen lid meer van de Europese Unie, maar heeft
ook zo’n belasting. Wachten op Europa duurt soms te lang. Sommige stappen kun je al
zetten. Dan zou ik net als de heer Oosterhuis zeggen dat we die kans moeten grijpen.
Als Wopke Hoekstra het wil, moeten we als Nederland toch denken: let’s go!
Staatssecretaris Heijnen:
Ik dacht niet dat ik ooit nog van de heer Stultiens zou horen: als Wopke Hoekstra
het zegt, let’s go! Dat vond ik wel een mooie opmerking. We zien het amendement graag
tegemoet.
Dan kom ik nu toe aan de vraag van de heer Stoffer over de UPG’s, de ultraperifere
gebieden. Meer concreet zijn dat de Azoren, Madeira en de Canarische Eilanden. Hij
vraagt waarom voor deze gebieden een uitzondering wordt gemaakt voor het hoge tarief
en of het dan niet rechtvaardiger is om al dit soort gebieden gelijk te behandelen.
We gaan naar een systeem waarbij de afstand het tarief bepaalt. Voor de UPG’s is daarop
één kleine aanpassing gedaan. Dat komt omdat zij binnen de EU een bijzondere status
hebben. We hebben de aanpassing gedaan voor UPG’s die binnen de 3.500 kilometer liggen.
Waarom hebben we die afstand gekozen? Dat is ongeveer de afstand tot de verst weg
gelegen EU-lidstaat, namelijk Cyprus. De UPG’s die binnen dezelfde afstand vallen,
vallen dus binnen het lage tarief, net als de EU-lidstaten. De UPG’s die verder weg
liggen dan 3.500 kilometer worden ingedeeld aan de hand van hun werkelijke afstand
tot Nederland. Wij denken dat er zo een mooie balans is gevonden. Deze gebieden liggen
weliswaar in de EU, maar voor de verder weg gelegen gebieden geldt wel een hoger tarief.
Dat is precies wat wij met deze maatregel willen bereiken.
Dan ga ik naar Suriname en de heer Grinwis. Hij heeft aangekondigd een amendement
voor te bereiden om de vluchten naar Suriname onder het laagste tarief te laten vallen.
Hij heeft dat tijdens het wetgevingsoverleg ook uitgebreid toegelicht. Ik wil daar
alvast kort op reageren. Allereerst wil ik aangeven dat het kabinet uiteraard de historische
banden tussen Nederland en Suriname onderkent. Dat staat buiten twijfel. Wij denken
echter dat een afzonderlijke indeling voor Suriname afbreuk doet aan de gekozen systematiek
van de heffing op basis van afstand. Ik zie in het fiscaal recht echt geen aanknopingspunten
om het hebben van historische banden een gerechtvaardigd onderscheidend criterium
te laten zijn. Als Suriname wordt uitgezonderd op basis van historische verbondenheid,
zou dit dan ook niet voor andere landen met vergelijkbare banden – Indonesië werd
maandag al genoemd – moeten gelden? Wij denken dat er daarmee een risico ontstaat
dat andere landen of luchtvaartmaatschappijen met een vergelijkbare positie of afstand
kunnen stellen dat zij ongelijk worden behandeld, zonder objectief verdedigbare reden.
De voorzitter:
Dit amendement is al ingediend. Uit de inleiding van de appreciatie maak ik op dat
het waarschijnlijk ontraden wordt. Maar goed, die vraag mag de heer Grinwis stellen.
Hij heeft wellicht ook nog andere vragen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat klopt, voorzitter. Dank. U hebt dat adequaat samengevat. Het wordt een ander oordeel
dan bij dat over box 3; dat hoor ik al. Ik snap wat de Staatssecretaris zegt. We kunnen
natuurlijk de andere kant opgaan: we kunnen Indonesië toevoegen et cetera. Maar het
karakter van de praktijk ... Laat ik het op een andere manier vragen. De praktische
situatie is dat er maar één directe vlucht is tussen het Europese continent en Paramaribo,
namelijk vanaf Amsterdam. Die wordt benut door de Surinaamse gemeenschap in Nederland,
die relatief groot is. Volgens mij gaat het om 370.000 mensen. Zij bezoeken vooral
familie. Het gaat dus veel minder, zoals bij Indonesië, ook bijvoorbeeld om toeristische
doeleinden. Dit is míjn vraag, meneer Vermeer; u hoeft het niet met mij eens te zijn.
Dit is mijn reactie in de microfoon op een reactie buiten de microfoon. Mijn vraag
is: is er écht geen objectiveerbaar criterium te bedenken waarom dit stand zou kunnen
houden? Want ik snap de precedentwerking. Ik snap dat het allemaal misschien prematuur
of lastig is. Ik snap dat objectief de afstand groter is. Maar het is natuurlijk wel
heel wrang dat de vluchten naar de Cariben wél zijn uitgezonderd, omdat dat binnen
het Koninkrijk is. De prijzen zijn daar echter vaak goedkoper, omdat er meer concurrentie
is, dan de prijzen voor die ene vlucht naar Suriname, die écht wordt gebruikt door
een specifieke doelgroep met een specifiek doel. Is daar niet een objectiveerbaar
criterium uit te halen voor zo’n uitzondering?
Staatssecretaris Heijnen:
De heer Grinwis geeft al aan dat Suriname verschilt van het Caribisch deel van ons
Koninkrijk. Dat klopt. Wij hebben geen objectieve rechtvaardigingsgrond kunnen ontdekken.
We hebben wel gekeken naar andere landen die een vergelijkbare regering hebben en
daar zie je dat een uitzondering voor staten waarmee een EU-lidstaat historische banden
heeft, afwijkt van de internationale praktijk. Meer concreet: Frankrijk en het Verenigd
Koninkrijk doen dit ook niet.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dus we zouden echt iets innovatiefs doen, begrijp ik hieruit.
Staatssecretaris Heijnen:
Zo kennen we de heer Grinwis weer. Ja.
De voorzitter:
Ik kondig alvast aan dat we zo meteen heel even gaan schorsen voor de stemmingen,
want die beginnen zo en ik kan me zo voorstellen dat in ieder geval een aantal mensen,
zeker van de kleinere fracties, daarbij willen zijn. Ik denk dat ik een vrij voorspellende
gave had, want de stemmingsbel gaat nu. Dus bij dezen schorsen we. Dat doen we in
ieder geval tot 15.00 uur. Dan zijn we hier denk ik sowieso wel weer terug. De mensen
die er niet bij hoeven te zijn, kunnen ook even koffiedrinken en dan zijn we om 15.00
uur hier weer terug. Dan schors ik de vergadering voor nu.
De vergadering wordt van 14.43 uur tot 15.23 uur geschorst.
De voorzitter:
Goedemiddag. We waren even onderbroken vanwege de stemmingen en omdat uw voorzitter
zelf nog iets bij de regeling van werkzaamheden aan het doen was. We kunnen het WGO
over het Belastingplan weer vervolgen. Ondertussen is er volgens mij enigszins bijgekletst,
zijn wellicht de nodige sanitaire stops gemaakt en is er koffie bijgetankt. We kunnen
dus volgens mij in volle vaart verder met dit WGO. Daarvoor geef ik het woord aan
de Staatssecretaris, die volgens mij bij het blokje overig was aangekomen, als ik
de administratie nog goed heb bijgehouden. Het woord is aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank, voorzitter. Uw administratie klopt: ik was inderdaad bij het kopje overig aangekomen.
Ik wilde beginnen met de vragen van een groot aantal leden over de stelpost voor fiscale
regelingen en de vraag waarom het niet invullen van die stelpost bij de burgers terecht
is gekomen en de last op arbeid is verhoogd. Zowel de heer Oosterhuis als mevrouw
Van Dijk vragen waarom er niet meer wordt ingezet op fiscale regelingen.
Voorzitter. De afgelopen jaren is er best wel veel gedaan. Daarom zijn er geen constructies
meer die op korte termijn kunnen worden aangepakt. In dit Belastingplan zijn wel twee
belastingconstructies aangepakt, zoals u weet. De eerste betreft de verbruiksbelasting,
met het «vleugje zuivel». De tweede betreft het aanpassen van de erfbelasting bij
overlijden onder huwelijkse voorwaarden en de 50%. Er zijn ook wat stappen gezet voor
het inperken van negatief geëvalueerde regelingen. In het Belastingplan is dat bijvoorbeeld
het geleidelijk afbouwen van het plafond in de leidingwaterbelasting, het schrappen
van het enkele kwarttarieven in de motorrijtuigenbelasting en het versoberen van de
ETK-regeling. Het resterende deel van de stelpost is inderdaad nog niet ingevuld.
In het hoofdlijnenakkoord is, zoals u weet, opgenomen dat, voor zover deze maatregel
niet wordt gerealiseerd, de noodremafspraak voor de lasten in werking treedt.
Toch even het volgende. De tabelcorrectiefactor wordt voor in totaal 47,2% niet toegepast.
Daarvan ziet een percentiel van 4,2 op de stelposten en fiscale regelingen. De rest
ziet op de dekking voor de btw op cultuur, media en sport. Op het totaal valt dat
dus heel erg mee: ongeveer 90%. Maar het klopt dat de stelposten niet volledig ingevuld
zijn.
Dan ga ik ... Ik twijfel even. Voorzitter, ik weet niet of mevrouw Van Dijk nog terugkomt.
De voorzitter:
Die is nog heel even afwezig in verband met een afspraak, maar u kunt denk ik eventueel
de beantwoording alvast doen. Er zal ongetwijfeld iemand meekijken.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik zal deze als laatste doen. Misschien dat ze dan terug is. Mocht dat niet zo zijn,
dan doe ik ’m als laatste.
De voorzitter:
Dat lijkt mij heel schappelijk. Dank u wel.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat gaat over de kansspelbelasting. Volgens mij is dat wel een belangrijk punt voor
haar.
Dan ga ik naar de vraag van de heer Stultiens, over de grondslag leenstructuren in
de Energie-investeringsaftrek en de Milieu-investeringsaftrek. De vraag is waarom
we deze structuren niet tegengaan en of wij deze structuren een ongewenste vorm van
belastingontwijking vinden. Wetstechnisch is het mogelijk om het gebruik van de EIA
en MIA, zoals die in de volksmond heten, in specifieke situaties te beperken. Hierdoor
kunnen die regelingen in bepaalde situaties niet meer worden toegepast of minder aantrekkelijk
worden. Dit kan er dan dus toe leiden dat er minder investeringen worden gedaan in
onder andere energiebesparende bedrijfsmiddelen. Vorig jaar is door de partij van
de heer Stultiens een amendement ingediend om specifieke structuren waarbij de EIA
en MIA wordt gebruikt, tegen te gaan. Het amendement is toen niet aangenomen. Het
ligt dan ook niet voor de hand dat het kabinet op dit punt een maatregel voorstelt.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Korte vraag. Blijft het oordeel net als vorig jaar «oordeel Kamer»? Dan gaan we herkansen
om te proberen ervoor te zorgen dat de Kamer nu wel het goede advies volgt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik moet eerlijk bekennen dat ik niet wist dat het «oordeel Kamer» was, maar als de
heer Stultiens dat zegt, dan is dat zo. Ik zie niet in waarom dat anders zou moeten
zijn.
De heer Grinwis is er ook niet. Ik had een specifieke vraag van hem. Ik weet niet
of hij in dezelfde bespreking zit. Ik ga gewoon door met de vraag van de heer Grinwis.
Hij kan mijn antwoord dan terugkijken. Hij refereert aan een motie die op de laatste
dag voor het verkiezingsreces is aangenomen die ziet op een vrijstelling van overdrachtsbelasting
bij een taakoverdracht tussen woningcorporaties. Zijn vraag is heel concreet of ik
deze motie ga uitvoeren en of ik dat met een nota van wijziging bij dit Belastingplan
ga regelen of in een volgend Belastingplan. Zoals mijn collega, de Minister van VRO,
en ik eerder per Kamerbrief hebben aangegeven, sluit het begrip «taak» niet helemaal
aan bij de invulling van de maatschappelijke taken van corporaties in het woningmarktbeleid
zoals vastgelegd in de Nationale Prestatieafspraken. Dit houdt in dat de overdrachten
tussen deze partijen in principe belast zijn met overdrachtsbelasting en dat kan belemmerend
werken voor de solidariteit tussen woningcorporaties zoals vastgelegd in die Nationale
Prestatieafspraken. Daarom onderzoek ik op dit moment samen met VRO hoe een eventuele
vrijstelling beter kan aansluiten bij deze doelen. In feite streven we daarmee het
doel na waartoe de motie van de heer Grinwis oproept. Er wordt dan tevens meteen gekeken
naar eventuele staatssteunaspecten van een vrijstelling. Dit onderzoek loopt nog en
in het eerste kwartaal van volgend jaar hopen en verwachten we voldoende informatie
te hebben om hierover een besluit te nemen, waarna we uiteraard de Kamer zullen informeren.
Daarmee heb ik impliciet al aangegeven dat ik dit niet zou willen meenemen in het
Belastingplan met een nota van wijziging, maar als een afzonderlijk wetsvoorstel.
Dan een vraag van de heer Oosterhuis over de uitvoering. Hij geeft aan dat de Belastingdienst,
de Dienst Toeslagen en de Douane ook dit jaar nog kampen met krapte en met grote uitdagingen.
Dat klopt. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar? Maakt de Staatssecretaris zich
hier zorgen over, ook naar de toekomst kijkend? Wat is de verwachte uitstroom en hoe
gaat de Belastingdienst dat oplossen? Hoe ga ik de uitvoering ontlasten? Het klopt
dat het beschikken over voldoende vakbekwaam en vitaal personeel een van de belangrijkste
continuïteitsrisico’s blijft. Ondanks alle uitdagingen weet de Belastingdienst nog
steeds voldoende nieuwe mensen aan zich te binden en op te leiden. Ook wordt blijvend
geïnvesteerd in het behoud en de ontwikkeling van medewerkers. Wel vraagt nieuw beleid
rondom bijvoorbeeld box 3 de komende jaren extra personeel evenals het tijdig opleiden
daarvan. Ondanks de instroom en de focus blijft de personele bezetting van de Belastingdienst
daarmee ook in de toekomst onder druk staan. Maar om heel concreet de vraag te beantwoorden:
nee, ik maak me hier geen zorgen over, maar, ja, het heeft wel onze blijvende aandacht
en die aandacht is ook nodig om te zorgen dat het niet zorgwekkend wordt.
Dan kom ik nu toch aan de kansspelbelasting. Ik kan er niks aan doen. Mevrouw Van
Dijk vroeg of tariefdifferentiatie in de kansspelbelasting toch niet technisch mogelijk
is, ook omdat dat bij de vliegbelasting wel bleek te kunnen. Zij vroeg hoe ik dat
zie, of het nu wel of niet kan. Ik weet dat mevrouw Van Dijk de kansspelbelasting
graag zou willen differentiëren. Dat is een langgekoesterde wens die zij al een aantal
keren heeft uitgesproken. Het kabinet heeft aangegeven dat daar toch wel behoorlijk
wat haken en ogen aan zitten en daar ook geen voorstander van te zijn.
In het afgelopen jaar is, omdat uw Kamer daarom verzocht, uitgebreid onderzoek gedaan
naar de mogelijkheden en onmogelijkheden van tariefdifferentiatie binnen de kansspelbelasting.
Dat was een vraag van mevrouw Van Dijk. Onderdeel daarvan waren verschillende gesprekken
met de kansspelsector, de verslavingszorg en, zoals gevraagd, ook met de goededoelensector.
Op 15 mei dit jaar heb ik de uitkomsten van dat onderzoek met uw Kamer gedeeld. de
conclusie van het kabinet is en blijft dat tariefdifferentiatie geen goed idee is
en wel om de volgende redenen: er zou een fiscale regeling toegevoegd worden die naar
verwachting niet doelmatig is, het belastingstelsel wordt daarmee ingewikkelder in
plaats van eenvoudiger, en differentiatie is niet in lijn met het kansspelbeleid en
leidt wat ons betreft ook tot afbakeningsproblematiek, namelijk wat is een hoog risico
en wat is een laag risico? Ook is er mogelijk een risico op ongeoorloofde staatssteun
en, wat misschien ook wel belangrijk is: er is geen garantie dat tariefdifferentiatie
leidt tot hogere afdrachten voor goede doelen.
Wij zijn van mening dat dit doel beter op een andere manier nagestreefd kan worden,
bijvoorbeeld, als we dat zouden willen, door middel van een subsidie. Onderdeel van
het onderzoek was ook dat differentiatie een structuuraanpassing in de IV is, waardoor
het een aantal jaren duurt voordat dat geautomatiseerd verwerkt kan worden. Handmatige
verwerking is bij de kansspelbelasting veel moeilijker dan bij de vliegbelasting.
Kort gezegd komt het erop neer dat er bij de kansspelbelasting veel meer belastingplichtigen
zijn en de materie ook complexer is. Dit neemt niet weg dat wij de gevolgen voor goede
doelen en sport goed in de gaten houden. Zoals ook al eerder toegezegd wordt de verhoging
gemonitord en zal uw Kamer hierover in het tweede kwartaal van 2026 verder worden
geïnformeerd.
Voorzitter. Daarmee ben ik aan het einde gekomen van de vragen. Ik hoop dat ik alle
vragen van de leden beantwoord heb, behalve één.
De voorzitter:
Dat gaan we zien, maar in ieder geval die van de heer Stultiens niet. Die heeft nog
een vraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Van één weet ik het inderdaad zeker. Die gaat over de horizonbepaling van de fiscale
regeling. Dat is een motie van drie jaar geleden die is aangenomen. Die zegt dat we
ook bij bestaande fiscale regelingen een horizonbepaling willen, zodat ze in principe
eindigen, tenzij er een argument is om ze te verlengen. Eigenlijk is die motie nog
steeds niet uitgevoerd en de vraag is: waarom niet?
Staatssecretaris Heijnen:
Dat is een hele goeie vraag. Mag ik daar in de tweede termijn op terugkomen?
Voorzitter. Dan wil ik afsluiten. Dank voor het debat tot dusverre, zeg ik aan de
leden van de Kamer.
Ik zal nog één opmerking maken, over de amendementen. Ik heb begrepen dat er inmiddels
een dertiental amendementen op het Belastingplan is ingediend. Het waren er vijftien,
maar er zijn er twee ingetrokken. Uiteraard staat het de Kamer vrij om dat te doen,
ook in grote hoeveelheid; dat is een belangrijk grondrecht. Maar ik wil nogmaals benadrukken,
ik denk ten overvloede, dat amendementen geen vrijblijvende toevoegingen zijn en verstrekkende
gevolgen kunnen hebben voor de samenleving en ook voor de uitvoering door de Belastingdienst.
Dat is ten overvloede; ik heb dat vaker gezegd.
Tot slot zou ik de Kamer willen vragen om amendementen zo vroeg als mogelijk in te
dienen en niet te wachten tot het laatste belastingplandebat. Dat geeft ons wat meer
mogelijkheden om daar goed naar te kijken. De voorzitter gaf het al aan: in het plenaire
debat zal ik alle amendementen appreciëren. Woensdag 26 november zal ik nog de welbekende
appreciatiebrief met uw Kamer delen.
Voorzitter. Daarmee ben ik aan het einde van mijn eerste termijn gekomen. We zouden
wat ons betreft na een korte pauze naar de tweede termijn kunnen.
De voorzitter:
Ik heb nog twee opmerkingen, allereerst een over de amendementen. De oproep dat iedereen
die amendementen zo snel mogelijk wil hebben, is logisch. Nou weet ik ook dat mijn
collega’s daar in een vroegtijdig stadium al heel hard aan werken en dat er vaak ook
bij de ondersteuning vanuit de Kamer of het ministerie aan gewerkt wordt. Dat kost
ook tijd en het duurt soms lang voordat de collega’s aan mijn linkerzijde de amendementen
terugkrijgen en ze kunnen indienen. Soms zijn ze dus, voor zover het werk door de
collega’s is gedaan, al ingediend bij de ondersteuning, maar hebben ze die nog niet
teruggekregen. Dat kan soms voor enige vertraging zorgen. Ik weet toevallig, zoals
net nog bij de lunch is besproken, dat iedereen erom staat te springen dat ze zo snel
mogelijk hun eigen amendementen terugkrijgen om ze vervolgens ook formeel in te kunnen
dienen. Volgens mij is dat een gedeelde wens; dat wilde ik even benadrukken. Dat is
één.
Twee. Ik dacht dat het zinvol is als de brief met de appreciaties, waar u van zei
dat die ook nog komt, maandag al komt. Of heb ik dat verkeerd begrepen?
Staatssecretaris Heijnen:
Wat betreft die twee punten: ik zal intern bij ons aangeven dat de Kamerleden met
smart zitten te wachten op de uitwerking van de amendementen, dus dat gaat zeker tot
enige spoed leiden. We kunnen maandag alvast een appreciatie geven op de ingediende
amendementen.
De voorzitter:
Dat lijkt me hartstikke fijn voor iedereen, want dan kunnen we inderdaad iets wat
belangrijk is zo zorgvuldig mogelijk doen. Dat gezegd hebbende kijk ik even of er
nog punten of vragen zijn voordat we overgaan naar een tweede termijn.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik heb één korte opmerking. Ik ben het zowel met de Staatssecretaris als met de voorzitter
eens dat er hard gewerkt wordt. Het is logisch dat wij de antwoorden afwachten om
te bepalen wat we echt indienen of willen aanpassen. De ambtenaren werken dus keihard,
ónze ambtenaren ook, maar het is ook logisch dat wij op basis van wat hier vandaag
gezegd wordt, kijken of we iets indienen. Voor een deel zal het dus helaas weer een
beetje lastminutewerk zijn, het liefst zo min mogelijk.
Staatssecretaris Heijnen:
Het is helder waar de bal ligt.
De voorzitter:
We werken er met z’n allen aan om het zo goed mogelijk te doen, met de verschillende
perspectieven die er zijn.
Dat gezegd hebbende zijn we volgens mij toegekomen aan de tweede termijn van de Kamer.
We hebben afgesproken dat moties niet vandaag worden ingediend zoals dat wel gebruikelijk
is bij een tweede termijn van een wetgevingsoverleg, maar dat dat in de tweede termijn
van het plenaire debat gebeurt. Er is op dit moment dus geen mogelijkheid om moties
in te dienen, maar er is nog wel een mogelijkheid om eventueel een aantal opmerkingen
te plaatsen in de tweede termijn als die behoefte er is.
Staatssecretaris Heijnen:
Wilde u gelijk beginnen? Sorry.
De voorzitter:
Ik wilde in ieder geval gelijk beginnen met de tweede termijn van de Kamer, tenzij
daar aan de zijde van de Kamer bezwaar tegen is. Ik heb er best wel begrip voor dat
we even schorsen voor de beantwoording van de Staatssecretaris, ook omdat ik weet
dat hij nog zou terugkomen op een aantal punten die in de eerste termijn zijn gemaakt.
Het lijkt me logisch dat we nu kijken welke vragen er nog leven aan de zijde van de
Kamer. Als dat ook nog wat uitzoekwerk vraagt, kan dat gelijk meegenomen worden in
de schorsing die we zullen hebben voordat we overgaan naar de tweede termijn van de
regering.
Staatssecretaris Heijnen:
Prima, voorzitter. Dank. Wijt deze vraag maar aan de onervarenheid van de Staatssecretaris.
De voorzitter:
We komen er samen uit. Ik kijk in ieder geval eventjes naar mijn linkerzijde. We doen
het volgens mij weer op volgorde van grootte, dus we beginnen bij de heer Oosterhuis
met de vraag of hij een tweede termijn wil leveren.
De heer Oosterhuis (D66):
Dank, voorzitter. Dank ook aan de Staatssecretaris voor de antwoorden. Daarin was
van de onervarenheid vrij weinig te merken, dus veel dank voor wat waarschijnlijk
zijn enige Belastingplan als Staatssecretaris zal zijn.
Ik wil op een aantal onderwerpen terugkomen. Ik zal ook meteen de inhoudelijke vragen
stellen die ik anders morgen in mijn eerste termijn zou stellen. Dan beperk ik mij
morgen tot een mooie beschouwing in mijn maidenspeech.
We hebben het gehad over de arbeidskorting per uur, het voorstel van mevrouw Inge
van Dijk. Zelf hebben wij vanuit D66 ook voorstellen voor een urenvoordeel voor mensen
die fulltime werken. Ik houd toch nog veel vragen bij de argumentatie van de Staatssecretaris
of dat nu wel of niet verstandig zou zijn. Die bewaar ik voor een volgend debat.
De pseudo-eindheffing. Ik geloof dat ik wat minder een petrolhead ben dan de heer
Stoffer met zijn voorliefde voor Duitse diesels van tien jaar oud. Ik denk dat dit
een verstandige maatregel is.
De heer Stoffer (SGP):
Een persoonlijk feit, voorzitter. Ik rijd sinds begin deze week in een totaal elektrische
auto. Maar die voorliefde is er nog steeds, hoor. Dat klopt wel.
De voorzitter:
We kijken uit naar wat voor auto het volgende week wordt. Maar het is terecht een
persoonlijk feit, hoor.
De heer Oosterhuis (D66):
Een hele verstandige keuze van de heer Stoffer, denk ik. Ik kijk ook met veel belangstelling
uit naar het aangekondigde amendement van de heer Grinwis om te kijken of er nog iets
mogelijk is om het ook aan de werknemerskant aantrekkelijker te maken.
Dan de CO2-heffing. Ik begrijp dat deze Staatssecretaris daar moeilijk op kon ingaan. Ik hoor
dinsdag in het debat graag van de Minister van Klimaat en Groene Groei hoe deze afschaffing
van de CO2-heffing zich verhoudt tot de verplichtingen die we hebben volgens de nationale Klimaatwet.
De afvalstoffenbelasting. Ik denk dat ik dat niet fraai vind: het proces niet, de
inhoud niet en wat er nu in het Belastingplan staat niet. Ik heb de indruk dat de
Staatssecretaris dat eigenlijk wel met mij deelt. Ik denk dat het goed is dat we de
stand van zaken krijgen in de brief. De budgettaire opbrengsten en het beoogde CO2-effect zijn allemaal relevant om wel te handhaven, maar wat de manier waarop betreft,
zullen we er toch echt nog even goed naar moeten kijken hoe we dat nu definitief gaan
doen.
De accijnsverlaging. De Staatssecretaris gaf volgens mij heel eerlijke antwoorden
op de vragen van collega Grinwis. Ik blijf het toch ingewikkeld vinden, dit «verkiezingscadeau»
voor de automobilist. Tegelijkertijd zit de opvolger straks met weer een verhoging
van de benzineprijs, maar wordt de verlaging van de accijns wel wordt gedekt met geld
dat in dat jaar beschikbaar is. Ook daarover ligt er een interessant amendement van
Grinwis. Tegelijkertijd wil ik me erop beraden of er iets van een geleidelijkere afbouw
nodig zal zijn, maar daar kom ik later nog op terug.
De vliegbelasting. Ik vind het echt jammer dat het kabinet zich niet aansluit bij
internationale initiatieven. Dat doet toch afbreuk aan de teksten van het kabinet
dat het hier wel degelijk het voortouw in neemt. Ik denk dat dat niet het geval is,
maar ik vestig mijn hoop op het volgende kabinet.
Dan kom ik graag terug op twee antwoorden die ik in de schriftelijke beantwoording
kreeg. Allereerst het groen beleggen. Daar worden serieus veel projecten geraakt.
Ik las in de antwoorden dat het gaat om 950 projecten met een totaal van 1,2 miljard
aan investeringen die jaarlijks geraakt worden door het afschaffen van deze heffingskorting
en vrijstelling. Ik overweeg een amendement in te dienen om die vrijstelling en heffingskorting
weer in ere te herstellen.
Mijn laatste vraag gaat over de kansspelbelasting en de geplande verhoging komend
jaar na de verhoging van dit jaar. Ik blijf moeite houden met het schriftelijke antwoord
dat ik daarover heb gekregen. In het coalitieakkoord is een verhoging van de opbrengsten
geraamd door het tarief te verhogen. Nu zien we dat de opbrengst omlaaggaat, met als
reden de verhoging van het tarief en de regelgeving. Maar die regelgeving geldt volgens
mij alleen voor de onlinemarkt, terwijl ook de casino’s en de gokhallen juist nu minder
klandizie zien. Is het doel van deze verhoging van de kansspelbelasting nou minder
gokken? Dat zou ik kunnen begrijpen – ik weet niet of ik het ermee eens ben – maar
dat levert dan niet meer op. Of is het doel een hogere opbrengst? Dat doel bereiken
we nu niet. De Staatssecretaris geeft aan dat als we zouden willen bevriezen, hij
een dekking van 83 miljoen verwacht van de Kamer. Tja. Gezien mijn hele worsteling
ben ik daar niet toe bereid, maar ik zou de Staatssecretaris wel een gewetensvraag
willen stellen, misschien meer in het thema van de kansspelbelasting: durft hij er
nu een fles wijn op te zetten dat we die 83 miljoen volgend jaar gaan binnenhalen?
Dank u wel, voorzitter.
De voorzitter:
Mooie cliffhanger. Ik kijk even of de heer Vlottes een tweede termijn wenst.
De heer Vlottes (PVV):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris voor de beantwoording tot zover.
Ik wacht even de beantwoording af van wat er is toegezegd over de vliegbelasting en
over box 3.
Dank u wel.
De voorzitter:
Heel helder. Dan kijk ik naar mevrouw Van Eijk, VVD.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Ik heb nog een paar vragen en opmerkingen, met dank voor de
beantwoording in eerste termijn en voor de uitgebreide antwoordbrief die wij gisteren
hebben mogen ontvangen.
Ik heb nog één vraag over de pseudo-eindheffig. In internationaal verband hebben we
daarbij altijd te maken met verdragen. Hoe werkt deze heffing onder de verschillende
verdragen? Betekent dit niet dat die heffing überhaupt niet kan worden geheven of
dat die leidt tot dubbele belasting? Daar krijg ik graag nog een reactie op.
Er is in de mondelinge termijn niet meer teruggekomen op een fonds voor gemene rekening.
Wel is daar vrij uitgebreid op ingegaan in de schriftelijke beantwoording. Ik mis
echter nog steeds de overtuiging waarom het verruimen van het overgangsrecht nou zo
erg zou zijn, terwijl we daarmee toch een aantal praktische knelpunten die nu in de
praktijk leven zouden kunnen oplossen. Ik heb hier vorig jaar ook keihard voor gestreden,
en gelukkig maar, want dat heeft ongelukken voorkomen. Ik heb nog steeds het onderbuikgevoel
dat we nu weer iets doen wat niet helemaal oké is. Dit terwijl het verruimen van het
overgangsrecht toch een heel gemakkelijke optie is en geen geld kost, maar er wel
voor zorgt dat we de praktijk even de tijd en de ruimte geven om te komen tot gezamenlijke
oplossingen, ook met het ministerie, want ik weet dat dat overleg loopt.
Dan de Wet minimumbelasting. Ook daar is hier niet meer mondeling op teruggekomen.
Het bedrijfsleven geeft aan dat er serieuze knelpunten zijn en dat deze wet ook ons
concurrentievermogen aantast. Ik weet dat er ontwikkelingen zijn in Europa. Deels
zijn dat de goede ontwikkelingen, maar deels misschien ook niet. Ik zou ervoor willen
pleiten dat we daar een win-win van proberen te maken, want er zijn gewoon een aantal
serieuze knelpunten waar ons bedrijfsleven tegen aanloopt. Laten we gezamenlijk optrekken
met de landen die onder andere pleiten voor bijvoorbeeld een vereenvoudiging of het
introduceren van een hightech safe harbour. Er zijn allerlei manieren en ideeën die
binnen verschillende lidstaten leven om dit op een praktische manier beter te maken
voor ook ons bedrijfsleven zonder dat we het doel van de minimumbelasting voorbijschieten.
Dan het punt van de Wbso. Daar is in de beantwoording op gereageerd. Fijn om te lezen
dat de Staatssecretaris openstaat voor verbetervoorstellen voor die Wbso. We lopen
er wel tegenaan dat er dan weer budgettaire dekking geleverd moet worden, terwijl
we weten dat er in ieder geval afgelopen jaar een serieus bedrag aan onderuitputting
was. Misschien wil de Staatssecretaris in zijn tweede termijn hier nog heel even op
ingaan. Ik nodig hem uit om met ons mee te denken hoe we twee instrumenten, namelijk
het indexeren en de verzilveringsproblematiek, toch een plek kunnen geven in dit Belastingplan.
Dan de liquidatieverliesregeling. Ik voel toch ergens ruimte om het binnen de liquidatieverliesregeling
te kunnen oplossen, zij het dat het technisch misschien complex is. Maar het is nou
ook weer niet een regeling die ieder jaar duizenden keren wordt toegepast volgens
mij. We moeten het dus ook even in proportie zien en bekijken wat het betekent voor
de capaciteit, ook wetende dat de teams die hier veel mee te maken hebben, goed bezette
teams zijn die uit kundige mensen bestaan. Ik zou dus toch nog graag willen weten
hoe dit dan wél kan slagen en werken in de regeling zelf.
Dan de bijzondere invaliditeitsverhoging. Dank voor de zeer uitgebreide schriftelijke
beantwoording. Ik voel alle zorgen en risico’s; die zie ik ook. Ik heb begrepen dat
er sprongcassatie is ingesteld. Die procedure zou vrij snel aan de orde moeten zijn.
Ik ga nog heel even nadenken over de vraag of ik daar nu op door wil pakken of dat
het toch verstandig is om nog even – je weet trouwens nooit of het «even» is – die
procedure af te wachten.
Dan lees ik in de paragraaf over specifiek de uitvoering en de beschikbaarheid van
schaars IT-personeel – ik noem ze maar even: de programmeurs op het gebied van Cool:Gen
– dat er iets van een onderzoek loopt over de manier waarop we die mensen maximaal
beschikbaar kunnen houden voor het werk waarvoor ze nodig zijn. Misschien kan de Staatssecretaris
daar nog iets over zeggen, want daarover stond vrij weinig in de brief.
Volgens mij is de Fiscale verzamelwet 2027 in consultatie of net uit consultatie.
Wellicht zit daar een haakje om die amendementen over de bedrijfsopvolgingsregeling
te verwerken, althans het verwijderen daarvan. Dat is een uitnodiging aan de Staatssecretaris
om te bekijken hoe we dat toch snel netjes op kunnen ruimen, zonder dat er een apart
wetsvoorstel voor nodig is.
Ik ben een van de mensen die nog wacht op de amendementen van de amendementenservice.
De heer Stultiens merkte terecht op dat ze soms nog een keer op en neer moeten of
dat we ze soms nog willen afstemmen met collega’s. Ik doe mijn stinkende best, maar
ik sluit niet uit dat ze ook bij mij pas volgende week erdoorheen gaan komen. Het
is wat het is. Ik denk niet dat ik er een verrassing in heb zitten. Ik ben, om heel
concreet te zijn, nog bezig met iets voor box 3, de lucratiefbelangregeling en het
overgangsrecht voor fonds voor gemene rekening.
Dat was het, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Dank kijk ik naar de heer Stultiens voor zijn tweede termijn.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Morgen hebben we inderdaad ook nog genoeg spreektijd, dus ik zal
niet alles langslopen. Ik noem wel een paar highlights, in mijn ogen, en dingen die
ik graag beter zou willen zien.
Ik ben blij met de toezegging van de Staatssecretaris dat hij de komende jaren, of
in ieder geval zolang als hij er nog zit, nauwlettend in de gaten houdt of er geen
nieuwe buffelboetes ontstaan. Ik hoop dat zijn opvolgers dat ook zullen doen. Voor
mij is het belangrijk dat juist de groep waarvoor wij allemaal hopen dat werken meer
loont, niet ineens meer belasting moet gaan betalen. Het is fijn dat daar goed op
gelet wordt. Ik hoor ook een kleine opening voor alternatieve dekkingen na 2030 voor
de buffelboete. Maar dan moeten we wel met elkaar bekijken of er iets te vinden is
waar meer partijen achter staan. Daar gaan we nog een poging toe doen, want wij vinden
het nu niet evenwichtig met de volledige dekking in dit eerste tarief.
Dan heb ik een blokje klimaat. Ik heb vernomen dat ik daarvoor voor een deel moet
zijn bij de collega die dinsdag aansluit, maar de overkoepelende boodschap is dat
zowel de klimaatdoelen als de stikstofdoelen als de circulaire-economiedoelen als
de elektrischeautodoelen allemaal niet gehaald worden. En ja, er worden stapjes gezet,
maar er worden ook stapjes teruggezet door sommige amendementen hier. De overkoepelende
boodschap is wel dat we als land niet genoeg doen om de doelen te halen. Dat vind
GroenLinks-PvdA een groot probleem; dat zal niemand verbazen. Ik hoop dat hierop stappen
worden gezet in de formatie.
Dan de afvalverwerkingsinstallaties. Inderdaad, een maand geleden heeft mijn oud-collega
Gabriëls een motie ingediend om het over de hele keten te spreiden. Ik denk nog steeds
dat dit een goed idee is. Ik overweeg de motie opnieuw in te dienen, zodat die deze
keer wel voldoende steun haalt. Vorige keer was het een krappe minderheid namelijk.
Ik denk namelijk dat het nu onevenwichtig bij één doelgroep is gelegd – dat hebben
meer collega’s gezegd – en volgens mij moeten we naar de hele keten kijken als we
een circulaire economie willen.
In de schriftelijke antwoorden is gereageerd op het punt over verhuld vermogen. Dat
is belastingontduiking, fraude. Ik ben blij dat de Staatssecretaris ook toezegt verder
onderzoek te doen naar waar het geld zit en naar hoe we hier meer van kunnen optakelen.
Volgens mij vinden we dit namelijk van links tot recht onwenselijk.
Dan de privéjets. Het amendement is inmiddels ingediend. Wij vinden het zowel qua
klimaat als qua rechtvaardigheid logisch dat je de grote vervuilers laat betalen,
zeker als zo veel landen het al doen en de Europese Commissie zegt: laten we eens
kijken en laten we beginnen met de grootste vervuilers. Dan hoort daarbij dat mensen
in een privéjet hun eerlijke deel gaan betalen. Ik hoop op steun van de collega’s
voor dit amendement.
Erfbelasting, schenken op papier: ik ben blij met de toezegging dat de opties in kaart
worden gebracht om te kijken hoe je dit ongewenste effect kunt tegengaan. We zullen
daar met elkaar over doorpraten in het nieuwe jaar.
Dan de twee laatste punten, allereerst de inzage in het fiscaal dossier. Ik ben nog
steeds met collega’s hier aan het zoeken of we kunnen kijken of het beter kan. Daarbij
is de uitvoerbaarheid belangrijk: geen onnodige fte en ook geen circus met een verdienmodel.
Dat willen we allemaal niet. Uiteindelijk heb je vanuit rechtsbescherming eigenlijk
het recht om te vragen om je dossier. We zoeken dus nog naar een werkbaar amendement.
Ik hoop dat dat de komende dagen gaat lukken.
Het echt laatste punt betreft de liquidatie van de verliesregeling, die al door mevrouw
Van Eijk werd genoemd. Wij denken dat het mogelijk is om dit gat wél te dichten, want
eigenlijk is dit een gat dat we met elkaar niet willen. Het gaat om bedrijven die
hier verliezen kunnen aftrekken die ze ook al konden aftrekken in een ander land.
Dit is een dubbele aftrek die eigenlijk onwenselijk is. Ook de Belastingdienst vond
dat, maar we zijn helaas teruggefloten door de Hoge Raad. We volgen uiteraard de rechter,
maar dan is de vraag of we als wetgever voor de toekomst niet moeten bekijken hoe
we dit gat kunnen dichten. Als het lukt om dit gat met elkaar te dichten, hoop ik
dat we deze ongewenste constructie kunnen voorkomen. Wij hebben daar ideeën over.
We zijn druk aan het schakelen met de ambtelijke ondersteuning om daar iets haalbaars
van te maken.
Verder zeg ik: allemaal tot morgen.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Dank aan de Staatssecretaris en zijn team voor de antwoorden
en de inderdaad zeer uitgebreide schriftelijke beantwoording van gisteren, die echt
helpt en hier volgens mij ontzettend veel tijd scheelt. Eén ding wil ik er nu nog
uitpakken. Dat betreft de antwoorden over het weglekeffect van de afvalstromen naar
het buitenland. Uit de antwoorden van de Staatssecretaris maak ik op dat er geen of
zeer weinig rekening gehouden is met een absolute toename in exportstromen van afval
naar het buitenland. Dat is ons inziens zeer onverstandig, want je moet daar een reductiefactor
in meenemen, niet alleen voor binnenlandse reductie maar ook voor de export. Nogmaals
graag een reactie van de Staatssecretaris op de vraag of en hoe hij deze raming gaat
aanpassen. Ik snap dat er over ramingen en gedragseffecten gediscussieerd wordt, maar
ik pak dit voorbeeld er expliciet uit, omdat uit de beantwoording duidelijk blijkt
dat er soms gewoon geen rekening gehouden lijkt te zijn met gedragseffecten.
Morgen ga ik graag verder met de inhoudelijke reactie op andere punten, zoals de motorrijtuigenbelasting
voor campers. Ik wil op dat punt meer weten over de uitvoerbaarheid, want uit alle
mails en correspondentie die ik daarover gekregen heb van eigenaren van campers, maak
ik op dat er een tsunami van schorsingen gaat plaatsvinden door het hele jaar heen.
Ik zou graag van de Staatssecretaris horen welke gevolgen dat zal hebben voor de belasting
bij de uitvoeringsorganisatie. Is daar rekening mee gehouden, is dat goed geautomatiseerd
en gaat dit niet tot hele kosten en dervingen leiden? Want tot nu toe was het campertarief
zodanig dat de meeste mensen dat gewoon door lieten lopen, maar nu wordt het voorgestelde
tarief zo hoog dat ik verwacht dat mensen gewoon meerdere keren per jaar gaan schorsen,
want als je een halve maand schorst, kan dat straks al uit. Ik denk dat we dan hele
rare situaties gaan krijgen.
Verder wil ik nog melden dat ik het amendement over de oldtimers op stuk nr. 27 voor nu intrek. Ik hoop op dat punt nog wel met iets anders terug te komen, maar
ik trek het amendement voor de zekerheid maar even in, want anders gaat het een eigen
leven leiden.
De voorzitter:
Het amendement-Vermeer (stuk nr. 27) is ingetrokken.
Dank u wel. Dan geef ik het woord aan ... Volgens mijn lijstje aan de heer Grinwis.
Of is de heer Stoffer toch aan de beurt? Ai, dit is een hele pijnlijke fout. Ik denk
dat ik die nog goed moet maken bij de heer Stoffer. Daar ga ik nog op broeden, maar
ik geef het woord nu heel snel aan de heer Stoffer voordat ik mijn eigen graf groter
maak.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. De heer Grinwis en ik zitten gebroederlijk naast elkaar en ik zal u vertellen
dat ik grote vreugde had toen zijn collega Don Ceder de ochtend na de verkiezingen
toch binnenkwam. Wat dat betreft trekken we altijd graag gebroederlijk op.
Voorzitter. Ik dank uiteraard de Staatssecretaris en iedereen die daarachter heeft
gezeten voor de uitgebreide beantwoording. Voor mij waren heel veel zaken al schriftelijk
beantwoord. Heel fijn dat dat al vooraf zo uitgebreid kon. Ook in de mondelinge beantwoording
is eigenlijk alles langsgekomen, dus wat dat betreft dank daarvoor.
Ik zou nog één punt op willen merken rond de afvalstoffenbelasting. Ik was er net
bij de beantwoording van dat punt niet bij, maar ik heb eigenlijk een beetje dezelfde
weergave zoals ik die zojuist vanuit D66 hoorde, namelijk dat we daar toch wat onvrede
over hebben. Daarbij heb ik ook de indruk dat dat niet alleen aan deze kant zo is,
maar wellicht aan de andere kant ook, dus het is goed om daar in een brief op terug
te komen. Ik zou daar nog één punt bij willen opmerken; eigenlijk is de vraag of dat
ook meegenomen zou kunnen worden. Ik heb in de eerste termijn gevraagd om een Uitvoerbaarheidstoets
Decentrale Overheden. Dat is met name ook een wens vanuit de waterschappen. Ik zag
in de beantwoording dat er wel een gesprek geweest is, maar een gesprek is natuurlijk
wat anders dan een uitvoerbaarheidstoets. Mijn vraag is dus eigenlijk of in de brief
ook eens ingegaan zou kunnen worden op de vraag of zo’n uitvoerbaarheidstoets ook
een optie is. Dat hoeft wat mij betreft niet nu, in deze termijn, terug te komen;
in de brief is het wat mij betreft uitstekend. Maar ik zou de vraag nog even willen
benoemen hier.
Voor de rest heb ik geen vragen en komt het morgen wel. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan komen we nu wel echt aan bij de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank u wel. Ik kan de woorden van de heer Stoffer alleen maar beamen.
Voorzitter. Heel veel dank aan de Staatssecretaris en aan alle ambtenaren die heel
hard gewerkt hebben aan de schriftelijke beantwoording – die was behulpzaam – maar
ook aan de voorbereiding op dit debat. Ook wordt er nog heel hard gewerkt aan amendementen
en beslisinformatie voor die amendementen, waarvoor heel hartelijk dank. Ik ga zo
meteen kauwen op wat informatie die we tijdens het debat hebben ontvangen. Daar hoop
ik dan een keuze in te maken en amendementen over in te dienen. Of dat allemaal nog
lukt voor of tijdens het debat van morgen, weet ik niet. Dat wordt echt lastig, want
we merken dat de amendementenservice zo hard mogelijk werkt als hij maar kan, maar
dat we de behandeling van het Belastingplan door de verkiezingen natuurlijk wel erg
hebben ingedikt. Dat leidt ertoe dat wij waarschijnlijk niet tijdens onze plenaire
termijn alle amendementen hebben ingediend. Dat zou eigenlijk voor de zorgvuldigheid
wel prettig zijn, maar ja, het is zoals het is. Dan moeten we volgende week dinsdag
maar kijken of we er nog een extra, korte termijn aan moeten wagen om dingen uit te
kunnen discussiëren inzake amendementen. Dat over het proces.
Dan de inhoud. Ik loop maar even mijn bijdrage in eerste termijn door. Ik heb natuurlijk
best wel een groot punt gemaakt over de nota van wijziging en de arbeidskorting. Ik
denk dat ik even de deur uit was toen de Staatssecretaris daarop inging. Ik vond de
toon in de beantwoording gisteren al beter dan in de nota naar aanleiding van het
verslag. Daarin werd eigenlijk gewoon gezegd: er is geen sprake van fiscale discriminatie
tussen mensen die kunnen werken en mensen die arbeidsongeschikt zijn geraakt. Dat
werd gelukkig in de schriftelijke antwoorden al iets genuanceerd, want de verschillen
zijn gewoon gigantisch. Ik vind ze niet uitlegbaar. Nu hebben we het dan voor de mensen
die rond het minimumloon dan wel in een kleinere deeltijdbaan zitten eventjes leuker
gemaakt, maar voor de grote deeltijdbanen en voor voltijdswerken hebben we het niet
beter gemaakt met de verandering die we hebben doorgevoerd. Ondertussen hebben we
het stelsel hiermee niet minder complex gemaakt. Je zou kunnen zeggen dat de arbeidskorting
al bestond, maar toch. Ik heb best wel problemen met die hele nota van wijziging.
Het amendement dat ik daarop had, wordt nog aangepast. De Staatssecretaris ontkende
in eerste instantie dat er fiscale discriminatie was. Kan de Staatssecretaris daar
toch nog iets over zeggen? Ik vind het eigenlijk te ver gegaan. De verschillen zijn
te groot tussen mensen die dus wel recht hebben op arbeidskorting en mensen die dat
niet hebben, dan wel tussen de totale verschillen in belastingdruk bij gelijke bruto-inkomens, individueel en zeker op huishoudniveau.
Dan nog even over box 3. Daarover zijn we nog in afwachting van verschillende amendementen
die terugkomen. De grote vraag wordt niet of we met elkaar eenparig kritiek hebben
op box 3. De grote vraag wordt of wij met elkaar tot overeenstemming kunnen komen
over een dekking en of daar dan vervolgens een meerderheid voor te organiseren is.
Dat is mij een lief ding waard. Ik vind de verhoging die nu wordt voorgesteld uiteindelijk
niet rechtvaardig. De ChristenUnie is misschien niet de partij die het van oudsher
opnam voor mensen in box 3, maar ik vind de optelsom van alle belastingmaatregelen
nu gewoon niet rechtvaardig. Ik vind het ook te weinig integraal bekeken; dat heb
ik in de eerste termijn benoemd. Ik vind dat de gevolgen voor de interactie met de
woningmarkt en wat daarbij aan het gebeuren is qua uitponden, veel zwaarder moeten
meewegen bij de besluitvorming in het kabinet. Ik vind in die zin ook het Belastingplan
niet verantwoord in relatie tot wat zich op de verhuurmarkt aan het voltrekken is.
Daarin is box 3 mijns inziens een belangrijker instrument dan «wat gaan plussen en
minnen in de Wet betaalbare huur». Het kabinet doet het nu andersom. Dat vind ik niet
zo verstandig.
Ik hoop dus echt dat we hier wat aan kunnen doen. Maar het komt erop aan dat we iets
in de dekking vinden waar we het met elkaar over eens kunnen worden. Ik voel in ieder
geval ruimte bij het kabinet om dit op te lossen. Ik voel ook dat er misschien een
mismatch in jaren kan zijn. Het kabinet was daar namelijk zelf ook niet vies van bij
de benzineaccijns; dat hebben we mooi met elkaar kunnen uitdiscussiëren.
De Staatssecretaris verdedigt zijn Belastingplan – dat snap ik – maar hij voelt toch
ook wel aan dat de oplossing met box 3 een beetje krom is, ondanks de mooie redenering
onder die 1,78% en de tegenbewijsregeling zonder kostenaftrek et cetera? Ik ben dus
toch wel benieuwd of de Staatssecretaris hier iets meer zijn hart durft te laten spreken.
Er is door collega’s Oosterhuis en Stultiens al wat gezegd over de klimaataspecten;
daar sluit ik me eigenlijk wel bij aan.
Ik ben al ingegaan op de benzineaccijns. Ik werk aan een amendement over de bijtelling.
Dat kondig ik aan het begin van mijn tweede termijn aan. Er komt een amendement. Alleen,
we moeten in de dekking keuzes maken om het rond te laten lopen. In de variant die
ik heb uitgevraagd loopt het op dit moment namelijk nog niet helemaal rond.
Dan de verbruiksbelasting. Ik zit er nog over te twijfelen. Moeten we nu, zoals collega
Stoffer en Vermeer hebben voorgesteld, één variant voorstellen? In hun ogen is dat
dan variant 5. Ik zat ook nog te kijken naar de varianten onder 4. Of moeten wij beide
varianten verder laten uitwerken op basis van de actualiteit? Er is namelijk wat gebeurd
met soja en zuivel. In die zin kloppen de variantenbrieven die we hebben gehad niet
helemaal meer ten opzichte van de huidige situatie in Belastingplan 2026.
Ik wil eigenlijk ook wel meer informatie hebben over de uitvoeringsaspecten en de
Douane. Dat soort aspecten zijn in die variantenbrieven namelijk nog niet goed uitgebeend.
Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dus: is het verantwoord om nu de keuze te maken,
of is het verantwoorder om twee varianten die redelijk dicht bij elkaar liggen, verder
uit te laten werken? Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris daartegen aankijkt, want
dat maakt nogal uit voor hoe we de motie formuleren en welke moties we indienen.
Dat was volgens mij voor nu het belangrijkste. De rest gaan we morgen mooi vervolgen.
Voorzitter, tot zover. Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. Dan dank ik de leden van de Kamer voor hun tweede termijn. We gaan een
halfuurtje schorsen. De Staatssecretaris wil daar toch nog iets over zeggen. Ik ben
benieuwd.
Staatssecretaris Heijnen:
Ik had een halfuur aangegeven – dat klopt, voorzitter – voordat ik het aantal vragen
had meegekregen. Ik kreeg van het team het verzoek of het wat langer, drie kwartier,
zou kunnen.
De voorzitter:
Zullen we dan zeggen dat we hier om kwart voor weer terug zijn? Dat lijkt me best
een mooie tijd om weer terug te zijn om het debat te vervolgen. Om 16.45 uur gaan
we dus verder. Ik schors dit wetgevingsoverleg voor nu.
Staatssecretaris Heijnen:
Prima.
De vergadering wordt van 16.06 uur tot 16.48 uur geschorst.
De voorzitter:
Hartelijk welkom terug bij het wetgevingsoverleg over het Belastingplan. Ik dacht:
ik wacht nog heel even of alle andere collega’s ook komen, maar de Staatssecretaris
was hier netjes op tijd, dus ik vind dan ook dat we nu maar gewoon van start moeten
gaan. We zijn aangekomen bij de tweede termijn van de zijde van de regering. Daarvoor
geef ik graag het woord aan de Staatssecretaris. Het woord is aan u.
Staatssecretaris Heijnen:
Maar voordat ik dat doe, toch nog even een algemene opmerking over onze amendementenservice.
Wellicht dat de mensen die dit debat volgen daar een verkeerde indruk van hebben gekregen.
Ik hecht eraan om expliciet aan te geven dat er nu maar één dag zit tussen het wetgevingsoverleg
en het plenaire debat, terwijl daar meestal een week of twee tussen zit. Er zit ook
maar één dag tussen het eerste en het tweede WGO. Die amendementenservice bij ons
werkt echt kneiterhard. Dat wil ik dus wel expliciet benadrukken. Ik snap natuurlijk
ook heel goed dat het voor u als Kamer een extra uitdaging is om het Belastingplan
in zo’n korte tijdsspanne te behandelen. Voor mij is het de eerste keer, dus ik weet
niet beter. Dat wilde ik dus wel even van tevoren expliciet opmerken.
De voorzitter:
Hele goede toevoeging. Volgens mij maakten meerdere collega’s deze opmerking zelf
ook al. Daarom was er ook begrip. Tegelijkertijd is het goed om even uit te leggen
waarom de amendementen soms wat later komen dan iedereen het liefst zou zien. Maar
volgens mij wordt er door iedereen heel hard aan gewerkt, zowel aan de zijde van de
Kamer als aan de zijde van de amendementenservice. Het was dus een goede toevoeging.
Dank.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan wilde ik beginnen met het blokje klimaat, energie en vliegbelasting. Voor de heer
Stoffer komt daarna box 3. Tot slot is er het blokje overig.
Ik begin met de afvalstoffenbelasting, de CO2-heffing, oftewel de afvalverbrandingsinstallaties. Ik kan me herinneren dat we daar
voor de lunchpauze toch een vrij uitgebreid debat over hadden, met veel vragen van
de kant van de Kamer. Ik wil proberen om die vragen zo veel mogelijk te beantwoorden.
Ik som even de vragen op. Het waren met name vragen van mevrouw Van Dijk en de heer
Oosterhuis. Een van de vragen was: «Wat doet het kabinet zelf rondom het bedenken
van alternatieve maatregelen? Wat is de stand van zaken omtrent de alternatieve invullingen,
ook vanuit de Werkgroep afvalsector?» De heer Stultiens vroeg volgens mij ook naar
de brede keten en zei: er liggen opties op tafel die de producentenkant meer belasten.
Er was ook een vraag hoe het kabinet voorkomt dat afval naar het buitenland wordt
geëxporteerd in plaats van dat verbranding in Nederland op een schone manier plaatsvindt.
Allereerst wil ik nogmaals benadrukken dat het kabinet zich er ook van bewust is dat
dit een forse opgave is voor de afvalsector. Die zit in mijn optiek vooral in de maatvoering
van het pakket van 567 miljoen euro. Tegelijkertijd zijn er gegronde redenen waarom
voor deze technische dekking is gekozen. Ik som ze even op. De dekking moet per 2028
worden geleverd, waarbij de fiscale maatregelen ook per datzelfde jaar uitvoerbaar
moeten zijn. Via bestaande knoppen is dat het meest realistisch. Ten tweede is het
verbranden van afval in Nederland op dit moment relatief goedkoop, ook in vergelijking
met andere landen. We weten allemaal dat een deel van het buitenlands afval daardoor
hier in Nederland wordt verbrand. Ten derde ligt de prikkel tot het toepassen van
CCS bij afvalverbrandingsinstallaties lager dan voor de ETS1-industrie. Dit komt doordat
de CO2-heffing alleen het fossiele deel van de CO2-uitstoot belast, terwijl bij de AVI’s ongeveer twee derde van de CO2-uitstoot biogeen en dus niet belast is.
Maar zoals gezegd – daar ben ik het volledig met de Kamer over eens – is de huidige
maatvoering fors. De gedachte van de heer Stultiens om een deel van de lastenverzwaring
breder over de keten te verdelen, vindt het kabinet zeer interessant.
Dit sluit ook aan, zeg ik gelijk, bij de aanpak van de Werkgroep afvalsector. Daar
worden maatregelen uitgewerkt in het brede circulaire domein. Ik kan en wil alvast
een tipje van de sluier oplichten. In de werkgroep worden onder andere de volgende
maatregelen uitgewerkt: een heffing op eenmalige plastic verpakkingen, een heffing
op drankflessen en blikjes, een heffing op wegwerp to-gobekers en een heffing op turf
en oppervlaktedelfstoffen, zoals zand en grind. Behalve naar deze uitbreiding, kijkt
de werkgroep ook naar aanpassingen binnen de afvalstoffenbelasting zelf, zoals het
verbreden van de grondslag en het mogelijk uitzonderen van recyclingresidu. Zoals
aangegeven, is de werkgroep op het moment nog aan het werk. Ik wil en kan verder niet
vooruitlopen op de uitkomsten van de werkgroep, maar ik kan u wel verzekeren dat wij
als overheid ook een actieve ondersteunende rol in deze werkgroep vervullen. Ik voel
mij zelf ook gecommitteerd om zeer serieus de voorstellen uit te werken, zodat er
bij de voorjaarsbesluitvorming of de formatie iets te kiezen is. De reden waarom deze
keuze er eerder nog niet was, is omdat deze ideeën nog onvoldoende uitgewerkt waren.
Tegelijkertijd wil ik ook hier benadrukken dat het geen gemakkelijke opgave is om
maatregelen te vinden die zowel uitvoerbaar zijn als een tijdige bijdrage leveren
aan de budgettaire taakstelling per 2028 als circulariteit en klimaat bevorderen.
Tot slot wil ik nogmaals benadrukken dat wij als kabinet altijd openstaan voor alternatieven
vanuit de Kamer.
Ik blijf even bij de afvalstoffenbelasting. De heer Vermeer had een vraag over de
raming, namelijk of daarin in voldoende mate rekening is gehouden met de toename van
de export. Hoe voorkomt het kabinet dat afval naar het buitenland wordt geëxporteerd
in plaats van dat verbranding in Nederland op een schone manier plaatsvindt en wordt
voldoende rekening gehouden met de gedragseffecten bij export? Zoals bekend, bestaat
de technische invulling uit een verhoging van de afvalstoffenbelasting en een aanscherping
van de CO2-heffing voor AVI’s. Dat maakt het verbranden afval in Nederland duurder, waardoor
onder andere het importeren – ik zei het al – van afval sterk zal afnemen. De afvalstoffenbelasting
geldt ook voor Nederlands afval dat naar het buitenland wordt geëxporteerd, dus de
hogere afvalstoffenbelasting als zodanig leidt niet tot meer export.
Echter – daar doelt de heer Vermeer op – voor de CO2-heffing geldt dat niet, want deze CO2-heffing geldt alleen voor CO2-uitstoot van afval dat in Nederland wordt verbrand. Deze CO2-heffing is met een specifiek doel ingevoerd, namelijk om AVI’s een extra prikkel
te geven om over te stappen op CCS. Als een AVI CCS toepast, blijft afval verbranden
in Nederland goedkoper dan in het buitenland. Als de AVI geen CCS toepast en dus CO2-heffing betaalt, dan kan het verbranden van afval in Nederland inderdaad duurder
worden dan het verbranden van Nederlands afval in het buitenland. We hebben die effecten
ook van tevoren in beeld gebracht. Er is een impactanalyse uitgevoerd door het bekende
bureau Trinomics. Daarnaast heeft ook het PBL een inschatting in de KEV gemaakt van
de CO2-uitstoot in de afvalsector. De raming heeft het kabinet gebaseerd op de inschattingen
uit deze studies. We zijn dus uitgegaan van de rapporten, de uitkomsten en de conclusies
van onafhankelijke onderzoeksbureaus. We blijven dus van mening, zeg ik tegen de heer
Vermeer, dat in de raming voldoende rekening is gehouden met het effect op de export.
Het kabinet vindt het belangrijk om de AVI’s te helpen bij de verduurzamingsopgave.
Dit beperkt uiteraard ook het risico op export. AVI’s – volgens mij was dat ook een
vraag – kunnen daarom gebruikmaken van de SDE++, waarmee verreweg het grootste gedeelte
van de kosten van CCS worden gesubsidieerd. Om u aan te geven: tijdens de laatste
SDE-ronde was er 8 miljard euro beschikbaar voor bedrijven die willen verduurzamen
en daar hebben ook AVI’s in grote mate gebruik van gemaakt.
Dan ga ik naar een vraag van mevrouw Van Eijk. Waarom zit die hierbij? Het is niet
echt klimaat. O, de pseudo-eindheffing is ook klimaat. Sorry. Mevrouw Van Eijk vroeg
naar de werking van belastingverdragen in samenwerking met de pseudo-eindheffing.
Zoals bekend – dat hebben we uitgebreid aangegeven – kan alleen als een werkgever
inhoudingsplichtig is voor de loonheffing en er sprake is van een werknemer voor die
wet de pseudo-eindheffing van toepassing zijn. De pseudo-eindheffing geldt per fossiele
auto en niet per werknemer. Als de fossiele auto mede voor privégebruik ter beschikking
is gesteld, geldt de heffing. Als dat binnen een kalendermaand het geval is, geldt
over de volledige kalendermaand die pseudo-eindheffing.
Dan kom ik bij de belastingverdragen. Dat is even het uitgangspunt. Een belastingverdrag
bepaalt bij niet-inwoners mede of er sprake is van een werknemer voor de loonbelasting.
Als er sprake is van een werknemer en de pseudo-eindheffing plaatsvindt, bepaalt het
belastingverdrag ook of Nederland heffingsbevoegd is. Het is dus afhankelijk van het
verdrag. Alleen voor zover Nederland heffingsbevoegd is, kan de pseudo-eindheffing
effectief geheven worden.
Ik zie mevrouw Van Eijk vragend naar mij kijken. Ik geef haar de gelegenheid om die
vraag te stellen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik begrijp hoe de systematiek van belastingverdragen werkt, maar de vraag is hoe deze
in de praktijk uitwerkt. De meest voorstelbare verdragen in deze situatie zijn de
verdragen met België en Duitsland, maar het kan ook met het VK of Frankrijk zijn.
Om het maar meteen even concreet te maken: hoe werkt het uit? Betekent het dan dat
Nederland terugtreedt of dat Nederland heft? Dat krijg ik gewoon niet helder.
Staatssecretaris Heijnen:
Wat ik heb begrepen, als antwoord op deze vraag, is dat als in de situatie met die
landen de werknemer voor een deel belast wordt in Nederland, dan ook de pseudo-eindheffing
volledig van toepassing is.
Dan de vraag van de heer Oosterhuis hoe de CO2-heffing – ik denk dat hij met name de afschaffing van de CO2-heffing bedoelt – in Nederland zich verhoudt tot de Klimaatwet. Het kabinet realiseert
zich dat de industrie in zwaar weer verkeert. Tegelijkertijd hecht het kabinet aan
het halen van de klimaatdoelen. Maar dan moet de industrie ook handelingsperspectief
hebben, zoals ik al eerder aangaf. Met de vertraging door onder andere netwerkcongestie
ontbreekt dat handelingsperspectief naar ons idee voor te veel bedrijven die vervolgens
wel zouden worden geconfronteerd met de CO2-heffing. Het kabinet heeft er expliciet voor gekozen om de heffing aan te passen,
met als reden de internationale concurrentiepositie van de industrie. Maar tegelijkertijd
zoekt het kabinet naar alternatieven om de klimaatdoelen te halen. Hiervoor is een
werkgroep ingesteld. Ik heb al aangegeven en geef nogmaals aan – ik zeg het niet om
de bal te passen – dat de Minister van KGG in het plenaire debat hier uitgebreider
op zal ingaan.
De heer Vlottes vraagt wat de maatregel voor de vliegbelasting doet voor het klimaat.
We hadden een debatje voordat we elkaar goed begrepen; dat lag aan mij. Het onderzoek
van CE Delft laat zien dat de maatregel zorgt voor een kleine – kleine – verschuiving
van langere naar kortere vluchten. Uit het onderzoek blijkt dat die verschuiving leidt
tot een daling van de CO2-emissies van ongeveer 1,9% en daarnaast tot een daling van 2,8% van andere broeikasgasemissies.
Beide dalingen, hoewel klein, hebben natuurlijk wel een positief effect op het klimaat.
Ook neemt de mate van internalisatie van de externe kosten van langeafstandsvluchten
in 2030 door de maatregel toe, van ongeveer 17% naar circa 21%, dus in die zin 25%
meer. Dat was mijn tweede punt in mijn eerdere debat met de heer Vlottes.
Tot slot heb ik in dit blokje nog een vraag van de heer Oosterhuis. Hij vroeg: de
afschaffing van de vrijstelling voor groen beleggen gaat toch ten koste van veel groene
projecten? In de schriftelijke beantwoording is er een aantal genoemd. U overweegt
een amendement. Ik weet niet of u nu een reactie wil hebben. Ik heb die hier wel,
dus ik kan u die reactie geven. Of we kunnen gewoon uw amendement afwachten. Maar
goed. De regeling is op initiatief van de Kamer gestopt. De regeling is ook positief
geëvalueerd. Wij vinden het dus heel goed voorstelbaar dat als de Kamer in meerderheid
deze regeling opnieuw tot leven wil wekken, wij daar positief op kunnen reageren.
Mits de Kamer er een goede dekking bij heeft, zeg ik er wel meteen bij.
Als er geen verdere vragen zijn, ga ik naar het tweede blokje: box 3. Dan begin ik
met de vraag van mevrouw Van Eijk. Ze wil graag wat meer achtergrond en wat meer inzicht
in de ingediende tegenbewijzen. Ik gaf al aan: er zijn meer dan 300.000 van die tegenbewijzen
ingediend, maar er komen elke week nieuwe formulieren binnen. De Belastingdienst is
onlangs begonnen met het stapsgewijs behandelen van die tegenbewijzen. Er is al wel
enig zicht op de spreiding over de verschillende belastingjaren. Daar werd ook specifiek
naar gevraagd. Volgens mij – ik zag mevrouw Van Dijk naar mevrouw Van Eijk wijzen
– was dat een specifieke vraag van mevrouw Van Eijk. Zo zijn er met name over 2022
al veel OWR-formulieren ingediend, in totaal 141.000. Over 2023 zijn dat er 48.000
en over 2024 23.000. De aantallen over de oudere jaren kan ik als u wilt in de brief
nog even een keer op een rijtje zetten: over 2019 21.000 en over 2020 45.000. We hadden
het er in het debat ook al over dat dit laat zien dat er in lijn met de ramingen over
2022 de meeste tegenbewijzen binnenkomen. Maar er zijn er ook wel wat over andere
jaren.
Nog even over de verwerking. Er zijn er dus meer dan 300.000 binnengekomen, maar er
zijn er nog weinig verwerkt. De verwerking start met de oudste jaren: bezwaarmakers
over 2017 tot 2021. We hebben helaas op dit moment nog geen zicht op het bedrag dat
wordt teruggevraagd of zal worden uitgekeerd, en zeker niet over de verschillende
jaren. Ik gaf al aan: in december zal ik een voortgangsbrief sturen over de tegenbewijsregeling
box 3. Ik wil nog een keer aangeven: de raming is destijds vastgesteld bij het indienen
van het wetsvoorstel. Op dit moment zien wij geen redenen om die raming aan te passen.
De voorzitter:
Daar is nog een vraag over van mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Het is voor ons allemaal een worsteling; dat herkent de Staatssecretaris ook wel.
We krijgen in december de brief en dan gaan we waarschijnlijk zeggen: doe rond de
zomer nog maar een keer een brief. Dan blijkt dat de raming toch meevalt. Is het dan
voorstelbaar dat er in het volgende Belastingplan wél iets aan het forfait gedaan
wordt, voor het laatste jaar van de tussentijdse regeling?
Staatssecretaris Heijnen:
Ik word even bijgepraat over de begrotingsregels. Het zou in principe kunnen bij de
formatie, op het moment ... Het hangt er een beetje vanaf hoelang de formatie duurt;
dat weet ik niet.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Staatssecretaris Heijnen:
Laat ik het antwoord strikt formeel geven. Volgens de begrotingsregels loopt het in
het saldo en dat kan niet. Maar dat weet u; dat hoef ik u niet nog een keer uit te
leggen. Ik heb begrepen dat er op één moment geen begrotingsregels gelden en dat is
bij de formatie. Volgens mij zitten daar een aantal partijen die ook hier aanwezig
zijn, aan tafel. Dus op het moment dat dat gewoon als placeholder wordt meegenomen,
zou dat moeten kunnen. Ik ben even hardop aan het nadenken en het is niet aan mij
om daar keuzes in te maken, maar wellicht zou dat wel als p.m.-post of zo kunnen.
Dan ga ik naar een vraag van de heer Vermeer over de effecten van het afschaffen van
de wet-Hillen, en dan met name concreet voor bepaalde inkomens. Ik heb al aangegeven
wat kan en wat niet kan. Volledig afschaffen, afbouwen tot 3,33% kan niet. Ik heb
in mijn eerste termijn ook al aangegeven wat het zou opleveren als we dat zouden doen:
636 miljoen in 2026. Ter illustratie: een werkende met een inkomen van € 50.000 en
een volledig afgeloste eigen woning met een WOZ-waarde van € 500.000 houdt hierdoor
per jaar netto € 462 minder over. Bijvoorbeeld een oudere, een AOW-gerechtigde, met
een inkomen van € 30.000 en een volledig afgeloste eigen woning met een WOZ-waarde
van € 300.000 houdt hierdoor netto € 133 per jaar minder over. Ik weet dus niet of
de heer Vermeer daardoor wat meer gevoel heeft bij de gevolgen daarvan. Afhankelijk
natuurlijk van de waarde van de woning en het inkomen kost het meer of minder; dat
zijn de parameters.
Tot slot in dit blokje was er een vraag van de heer Grinwis om nog een keer toe te
lichten waarom ik de verhoging van het forfait voor overige bezittingen overtuigend
vind. Hij stelde de vraag enigszins anders, maar we hebben die zo vertaald. Zoals
ik al heb toegelicht, is hierbij sprake van een goede en feitelijke onderbouwing.
Voor het toevoegen van het eigen gebruik hebben we ons gebaseerd op een onafhankelijk
rapport van SEO. Bij de berekening van het forfait wordt dán wel rekening gehouden
met huurinkomsten en voordelen door eigen gebruik, in tegenstelling tot nu. Dat deze
inkomsten ook bij het rendement in box 3 horen, volgt uit de arresten van de Hoge
Raad. In mijn perceptie is het daarom voor de hand liggend om in de berekeningsmethode
van het forfait ook een component voor deze inkomsten op te nemen.
Ik kan hier wel herhalen wat ik als antwoord heb meegekregen, maar die antwoorden
heb ik al met u gedeeld. Belastingplichtigen kunnen een tegenbewijs aanleveren. Ik
vind het belangrijkste om aan te geven ... Ik ben heel benieuwd of uw Kamer met iets
komt en waarmee dan, want ook de heer Grinwis gaf al aan: dat het aangepast gaat worden,
is wel zeker, alleen is de vraag hoe we het met z’n allen gaan dekken. We staan welwillend
tegenover een alternatieve dekking, als daar een Kamermeerderheid voor is. Dat was
box 3. Dan ga ik tot slot naar het blokje overig.
Dan begin ik met de inkomenseffecten van de extra verhogingen van het tarief eerste
schijf op de lange termijn, naar aanleiding van een debatje met de heer Stultiens.
Mevrouw Van Eijk vroeg toen: kun je eens aangeven wat daar de financiële gevolgen
van zijn? De gevolgen van het extra verhogen van het tarief in de eerste schijf zijn
beperkt. Het gaat in totaal om 0,04 procentpunt extra verhoging in 2035. Ter indicatie:
het gaat naar verwachting om maximaal € 18 extra belasting per persoon. We kunnen
met het huidige beschikbare instrumentarium geen inkomenseffecten doorrekenen op zo’n
lange termijn. Tegen die tijd – de eerlijkheid gebiedt dat te zeggen – zullen de gevolgen
natuurlijk wel zichtbaar zijn in de koopkrachtcijfers. Maar op dit moment, zoals we
het nu kunnen berekenen, kost het maximaal € 18 extra aan belasting per persoon per
jaar.
Dan was er een vraag van de heer Grinwis; hij komt net binnen, dus dat is mooi. Hij
vroeg mij of er toch geen sprake is van discriminatie bij de arbeidskorting. Je kunt
daar een juridische definitie op loslaten, maar ik denk dat de heer Grinwis dat niet
zozeer bedoelt. Volgens hem is er namelijk sprake van een ongelijke behandeling van
gelijke gevallen, zonder dat daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging
bestaat. In feite is er juridisch dus geen sprake van discriminatie, maar er is wel
ongelijke behandeling. Maar ja, het kabinet heeft al aangegeven dat de arbeidskorting
mede als doel heeft om arbeidsparticipatie te stimuleren. Volgens het kabinet is dat
een gerechtvaardigde doelstelling. Ik snap de vraag van de heer Grinwis wel heel goed,
want het verschil in belasting tussen werkenden en uitkeringsgerechtigden ontstaat
doordat werkenden recht hebben op de arbeidskorting; uitkeringsgerechtigden hebben
dat niet. De arbeidskorting heeft momenteel een steeds groter effect op het verschil
in netto-inkomsten tussen uitkeringsgerechtigden dan bij de invoering daarvan, toen
die veel lager was. Dit komt – ja, logisch – doordat de arbeidskorting de afgelopen
jaren regelmatig is verhoogd. Dus nee, strikt formeel-juridisch gesproken is er geen
sprake van discriminatie. Ja, ik snap de vraag van de heer Grinwis, en ik proef eigenlijk
een achterliggende vraag: zou de arbeidskorting niet veel lager moeten zijn, per jaar
of per uur?
Dan een vraag van mevrouw Van Eijk en al een concreet antwoord. Is het mogelijk om
de maatregelen die op KB staan voor de BOR nu via een nota van wijziging uit de wet
te halen of bij de Fiscale verzamelwet? Ik heb inmiddels begrepen dat er meteen is
gestart, niet ver hiervandaan, met het schrijven van deze nota van wijziging. Zoals
u weet, wordt er de komende week tot en met de stemmingen wel erg veel werk verzet
door de ambtenaren van Financiën. Dezelfde mensen die nu de nota van wijziging opstellen,
zijn ook betrokken bij de amendementenservice. Desalniettemin verwacht ik voor de
stemmingen een nota van wijziging te kunnen indienen en misschien zelfs al voor de
plenaire afronding aanstaande dinsdag, dus op zeer korte termijn.
Dan een vraag van de heer Vermeer over bieraccijns: klopt het dat de bieraccijns hoger
is dan de accijns op frisdranken? Zeg ik het goed? De hoogte van de accijns op bier
wordt bepaald – dat weet de heer Vermeer waarschijnlijk – aan de hand van het alcoholpercentage
van het bier. Voor bier geldt een minimumaccijns van € 26,13; de heer Vermeer noemde
dat bedrag al. Naarmate het alcoholpercentage stijgt, stijgt ook de accijns. € 26,13
is nu ook het tarief in de verbruiksbelasting daarvoor. Indien de groente- en fruitsappen
worden uitgezonderd in de verbruiksbelasting en de derving wordt gedekt binnen hetzelfde
domein, wordt het bedrag van € 26,13 verhoogd naar € 30,19. Als het minimumbedrag
in de bieraccijns in dat geval niet wordt verhoogd, geldt dat bier met een alcoholpercentage
– nu komt ie – tot en met 3,7% alcohol minder wordt belast dan frisdrank, maar bier
met een hoger alcoholpercentage hoger wordt belast dan frisdrank. Hoe meer alcohol,
hoe hoger de belastingheffing.
Dan een heel interessante vraag van de heer Grinwis en ook een goed voorstel, denken
wij. Hij vroeg zich af of het wellicht niet beter is om, voor een definitieve keuze
te maken tussen 4a en b enerzijds en 5, ook omdat er inmiddels wat dingen gewijzigd
zijn, de varianten nog een keertje op een rijtje te zetten en dan ook specifiek aandacht
te schenken aan de uitvoerbaarheid, ook gezien de eerdere opmerkingen van mijn ambtsvoorgangers
over de mogelijkheden en onmogelijkheden van al dan niet een heffing op al dan niet
toegevoegde suikers. Ik zou dat inderdaad heel graag doen. Ik kan dat doen per brief,
waarbij ik uitgebreider zal ingaan op die uitvoeringsaspecten. Het belangrijkste in
de discussie over een eventuele omzetting is nog steeds dat er een impactvolle keuze
moet worden gemaakt. Ik lichtte net even toe hoe dat werkt bij de accijns op bier
en frisdranken. Ik kan die scenario’s uitwerken. Ik weet niet of dat voor uw Kamer
voldoende is of dat u in dit Belastingplan al concrete keuzes wil maken. Ik proef
de opmerking van de heer Grinwis meer als: laten we eerst kijken, voordat we een keuze
maken, of we alle feiten goed op een rijtje hebben.
De voorzitter:
De heer Grinwis wil daar nog even op reageren.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank voor deze welwillende reactie. De Staatssecretaris vindt het verstandig om dit
even verder af te lopen, ook op basis van de actuele gegevens nadat het Belastingplan
2026 is aangenomen. Voor sommige aspecten gelden er dan weer andere parameters. Het
is goed om ook de uitvoeringskant nog eens goed onder de loep te nemen en de paar
varianten die wat ons betreft nog in het spel zijn – ik doe volgens mij niemand onrecht
als ik zeg dat dat de varianten 4a, b en 5 zijn; ik zie de heer Stultiens ook iets
zeggen – verder uit te benen, zodat we ruim voor de voorjaarsbesluitvorming een keuze
kunnen maken. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is dan nog: wanneer zou hij deze
brief aan de Kamer kunnen sturen?
Staatssecretaris Heijnen:
Dan zou ik zeggen: voor de voorjaarsbesluitvorming, halverwege het eerste kwartaal.
Medio februari, zou ik dan zeggen.
De voorzitter:
De heer Stultiens heeft ook nog een vraag.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik zie dit eigenlijk vooral als een toezegging om wat er lag te updaten op basis van
de nieuwe cijfers over de uitvoering. Dat is voor mij nuttig. Wij zijn iets minder
ver dan de heer Grinwis. Het zou helpen om dat over alle vijf de varianten te horen.
Dan kan de conclusie nog steeds zijn dat de voorkeuren niet veranderen, maar als we
toch een update vragen, is het wel handig als het compleet is, denk ik.
Staatssecretaris Heijnen:
Dat kan uiteraard. Als de heer Stultiens dat graag wil, dan doen we dat. Ik proefde
de vraag van de heer Grinwis zo dat het geen definitieve keuze is, maar dat het al
wel wat richting trechtervorming gaat. Maar goed, het is aan uw Kamer.
De voorzitter:
Wellicht heeft de heer Vlottes er ook nog een opvatting over.
De heer Vlottes (PVV):
Ik zou ook meer de behoefte hebben aan een update over alle vijf de varianten. Dus
over 4a en 4b, en over 1 tot en met 5, zeg maar, dus in lijn met wat de heer Stultiens
zegt.
De voorzitter:
Ik hoorde de Staatssecretaris volgens mij zeggen dat dit kan. Het is aan de Staatssecretaris
om daar invulling aan te geven.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank u, voorzitter. Dat kan en we zullen dat doen. Dat komt dan uiterlijk medio februari.
Dan vroeg de heer Vermeer nog specifiek naar de consequenties voor de uitvoering bij
het schorsen van campers in verband met het vervallen van de kwarttarieven motorrijtuigenbelasting.
Ook vroeg hij of er nu een tsunami van campers geschorst gaat worden in vergelijking
met het verleden. Ik kan de heer Vermeer geruststellen. Die tsunami voor de uitvoering
verwachten wij niet. Op dit moment worden campers ook al geschorst. Misschien gebeurt
het minder dan in de toekomst, maar de regeling om te schorsen is er al. De schorsingen
kunnen mogelijk wel langer gaan duren. Naar onze analyse zal dit slechts beperkt extra
druk geven op de uitvoering en kunnen we dat aan.
De heer Vermeer (BBB):
Het gevolg is juist niet dat er langer geschorst gaat worden, maar dat er vaker binnen
een jaar geschorst gaat worden. Ik heb al die regels nog eens nagekeken en volgens
mij kan ik dat in theorie gewoon doen. In plaats van één keer per jaar schorsen voor
de winter, is schorsen vanaf ongeveer zestien dagen per maand dat ik de camper niet
gebruik al rendabel. Ik schat dat dus echt anders in. Zie ik daarbij iets over het
hoofd, is mijn vraag aan de Staatssecretaris.
Staatssecretaris Heijnen:
Nou, ik heb geen ervaring met campers. De heer Vermeer wel. Wij hebben er wel onderzoek
naar gedaan, ook vanuit de uitvoering. Wij denken dat het aantal schorsingen waarschijnlijk
hoger zal worden, maar we zien daardoor nog steeds geen probleem voor de uitvoering.
De voorzitter:
Dat roept nog een vervolgvraag op.
De heer Vermeer (BBB):
Als het geen gevolgen heeft voor de uitvoering omdat het allemaal zo prettig geautomatiseerd
is, is dat een geruststelling. Maar wat zijn dan de gevolgen voor de derving die daardoor
gaat ontstaan?
Staatssecretaris Heijnen:
Daar is bij de berekening van het budgettaire effect rekening mee gehouden. Er is
gekeken naar gedragseffecten en naar extra schorsen. Dat leidt inderdaad tot enerzijds
meer opbrengsten omdat het tarief stijgt en anderzijds minder opbrengsten omdat er
vaker, meer en langer geschorst wordt. Daar is bij de berekening van de budgettaire
effecten rekening mee gehouden.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Dan de kansspelbelasting en de weddenschap van de heer Oosterhuis, de fles wijn. Laat
ik beginnen met te zeggen dat ik het wel aandurf om er een fles wijn op te zetten.
Misschien moeten we na afloop even van gedachten wisselen over welke fles wijn dat
moet zijn en tegen welke prijs. Ik durf dat gokje wel aan. De heer Oosterhuis geeft
terecht aan dat de inkomsten tegenvallen door strengere regels op het gebied van gokken.
Die zijn door mijn collega-staatssecretaris van JenV per dit jaar doorgevoerd. Ook
zal de verhoging van de belasting invloed hebben gehad; dat is logisch. Het is echter
heel moeilijk om deze twee verschillende oorzaken van elkaar te onderscheiden. De
raming gaf de beste inschatting aan die we konden maken met de informatie die we toen
hadden en nu hebben. We weten bijvoorbeeld ook niet of er nog beleidswijzigingen worden
doorgevoerd door een nieuw kabinet. Die kunnen van invloed zijn op de opbrengst. Bevriezing
van het tarief levert een derving op van uiteindelijk 84 miljoen. We weten ook met
z’n allen – dat is weer zo’n dooddoener en dat realiseer ik me terdege – dat als de
opbrengst uiteindelijk tegenvalt het negatieve verschil in het saldo loopt. De verhoging
– misschien ook nog even ter aanvulling, want dat was ook een vraag van de heer Oosterhuis
– is met name budgettair ingestoken.
De heer Stultiens vroeg naar de aangenomen motie over horizonbepalingen. We hebben
de motie wel uitgevoerd, maar misschien wat creatief ingevuld, zeg ik kort samengevat.
Laat ik even kort samenvatten wat we hebben gedaan bij die creatieve invulling. In
verscheidene nieuwe regelingen zijn horizonbepalingen opgenomen. Dat is denk ik geen
punt. Dat geldt bijvoorbeeld voor het verlaagde energiebelastingtarief waterstof en
de verlaagde bpm voor bijzondere personenauto’s en motorfietsen. Voor verscheidene
recent geëvalueerde regelingen is er in ieder gekeken of er een horizonbepaling zou
moeten worden opgenomen en dat is bij een aantal recent geëvalueerde regelingen gebeurd,
maar bij een aantal regelingen niet. Vandaar dat mijn beginopmerking was dat de motie
enigszins creatief is uitgevoerd.
De voorzitter:
Dat lokt natuurlijk op voorhand al een soort reactie uit, dus de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Mijn oprechte complimenten, want de Staatssecretaris is gewoon open en eerlijk vandaag.
Dat waardeer ik ook, want dat is hier ook niet altijd het geval. Het is ook makkelijker
omdat het ook over zijn voorgangers gaat. De bedoeling, het uitgangspunt van de motie
was natuurlijk wel om een horizonbepaling toe te voegen en dat is te vaak niet gebeurd.
Dus zonder gekkigheid hoop ik dat hij of zijn opvolger de motie wat minder creatief,
maar gewoon volgens de letter gaat uitvoeren. Wij denken namelijk echt dat het goed
is als er ook in de oude fiscale regelingen, die al bestaan, een horizonbepaling komt,
zodat we worden gedwongen als Kamer om te beslissen of we die in stand willen houden
of niet. Anders gaan we volgens mij weer helaas concluderen dat het niet gelukt is
om fiscale regelingen af te schaffen.
Staatssecretaris Heijnen:
We zullen daarnaar kijken. Ik weet niet of ik dat ben, maar dat gaf de heer Stultiens
al aan. Er wordt naar gekeken, mogelijk door een nieuw kabinet.
De heer Stultiens en mevrouw Van Eijk hadden nog een vraag over de liquidatieverliesregeling:
hoe kan de regeling zelf worden aangepast om derving te voorkomen? Dan bedoelt men,
denk ik, niet via de aanpassing die nu wordt voorgesteld, de valutaresultatenheffing.
We hebben ter dekking van de budgettaire derving verschillende opties overwogen. We
hebben gekeken naar wetstechnische aspecten, Europeesrechtelijke aspecten, budgettaire
impact, de gevolgen voor de uitvoering door de Belastingdienst en de impact op het
vestigingsklimaat. Uiteindelijk zijn de opties die we als alternatief bekeken hebben,
het om verschillende redenen niet geworden. Met name heel gericht de gevolgen van
de rest repareren lijkt – dat is onze conclusie – op dit moment zeer lastig uitvoerbaar
voor de Belastingdienst. Na deze conclusie zijn we vervolgens met de Belastingdienst
op zoek gegaan naar alternatieven. Dit alternatief is u bekend en aangekondigd in
de Miljoenennota. Zoals ook is aangegeven, werkt het kabinet aan de uitwerking hiervan.
Het is ons voornemen om dit zo snel mogelijk ter internetconsultatie aan te bieden,
maar als bij de uitwerking blijkt dat een beter alternatief voorhanden is, uit de
consultatie of vanuit de Kamer, kan deze maatregel uiteraard meegenomen worden.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
We gaan de komende dagen ons best doen om de Staatssecretaris en de rest te overtuigen
van het plan dat wij hebben. Ik ben nog wel benieuwd, even uitzoomend. Tot een paar
maanden terug vonden met z’n allen, althans de Belastingdienst: dit is onwenselijk,
dat je als bedrijf je verlies op twee plekken kan verrekenen. We hebben geprocedeerd.
Als de rechter zegt «helaas, het is niet zoals jullie wilden», is het dan niet zo
dat het hoofddoel moet zijn om het lek te dichten? Dat is volgens mij het doel. Als
de VVD en GroenLinks-PvdA het allebei willen, dan denk ik dat het heel logisch is.
Natuurlijk moet het uitvoerbaar en juridisch houdbaar zijn, maar laten we wel met
elkaar hopen dat dit gat in principe gedicht wordt.
De voorzitter:
Ik ga eerst even naar de Staatssecretaris en dan ben ik heel benieuwd wat de VVD ervan
vindt.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, als zelfs de VVD dat vindt ... Ik ben het volledig met de heer Stultiens eens.
We hadden dat ook willen doen, als dat had gekund, maar het is niet uitvoerbaar. Als
een bepaalde maatregel of ontwijkroute ongewenst is, dan moeten we de wet aanpassen.
Onze conclusie was dat dat op dit moment hier niet kon. Men mag ook niet vergeten
dat het een hele specifieke casus was. Volgens mij was het de relatie met Ierland.
Je kunt je afvragen in hoeverre dat heel veel voorkomt, maar dat terzijde.
De voorzitter:
Dan ga ik toch kijken of mevrouw Van Eijk samen optrekt met GroenLinks-PvdA.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Het komt zo vaak voor dat het 65 miljoen structureel per jaar kost. Het komt dus wel
degelijk voor. Misschien gaat het soms ook om hele grote bedragen. Het verschil tussen
de VVD en GroenLinks-PvdA is natuurlijk dat GroenLinks met een ... Hoe noemen ze dat
altijd? Er komt dan zo’n grofmazige maatregel die allerlei dingen meesleept die er
helemaal niet in thuis horen. Dat is niet wat wij willen. Als we een hele gerichte
maatregel kunnen bedenken om dit lek te dichten, zou dat onze voorkeur hebben. Dat
hoeft niet nu, maar ik zou wel heel graag nog een keer iets meer inzicht willen hebben
in wat technisch mogelijk, maar uitvoeringstechnisch een probleem is. Ik wil daar
een gevoel bij krijgen. Er is in de literatuur best wel veel gesproken en gepubliceerd
over dat er wel degelijk mogelijkheden zijn. Ik krijg dat nu niet helemaal scherp.
Voor het vervolg zou ik daar graag nog een keer een brief over krijgen.
De voorzitter:
Staatssecretaris, volgens mij is het verzoek van de Kamer om hier toch wat meer informatie
over te krijgen, zodat de Kamerleden hier verder mee kunnen.
Staatssecretaris Heijnen:
Mag ik de vraag van mevrouw Van Eijk als volgt begrijpen? Kunnen wij wat meer inzicht
geven in de opties die wij hebben onderzocht? En waarom zijn wij tot de conclusie
gekomen dat geen van deze opties voor de Belastingdienst uitvoerbaar zijn? Wij zullen
dat doen.
De voorzitter:
Oké, dank u wel. Dan komt er op een later moment nog een bericht van uw zijde. Als
er op dit punt geen vragen meer zijn, dan mag u verder met uw betoog. Die zijn er
niet, dus u vervolgt uw betoog.
Staatssecretaris Heijnen:
Mevrouw Van Eijk vraagt ook of ik iets meer kan zeggen over het onderzoek van de Belastingdienst
naar de productiviteit van schaars IT-personeel. Ik denk dat wij op dit punt in onze
schriftelijke beantwoording ten onrechte het woord «onderzoek» hebben gebruikt. Wellicht
dacht mevrouw Van Eijk dat al. Ik doelde namelijk niet op een specifiek onderzoek,
maar eigenlijk op een continu verbeterproces. Het was beter geweest als we dat zo
hadden vermeld. De Belastingdienst kijkt namelijk naar hoe IT-personeel zo efficiënt
mogelijk kan worden ingezet. Wij willen de schaarse capaciteit die beschikbaar is
voor de uitfasering van Cool:Gen zo veel mogelijk ontzien van eventuele andere werkzaamheden.
Dat is de toelichting.
De heer Stoffer vroeg of wij alsnog de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden
kunnen uitvoeren, samen met de Unie van Waterschappen. Uiteraard hecht het kabinet
eraan dat wetgeving uitvoerbaar is voor decentrale overheden. Om deze reden is er
veelvuldig contact geweest met de Unie van Waterschappen over het voorstel. Volgens
mij ging ik daar in de schriftelijke beantwoording ook op die manier op in. Het kabinet
verwacht dat, gegeven dit intensieve contact, een aanvullende uitvoeringstoets weinig
nieuwe informatie op zal leveren. Dit zeg ik als antwoord op de vraag van de heer
Stoffer. Dit doet niets af aan het belang dat ik hecht aan het betrekken van decentrale
overheden, ook in toekomstige wetsvoorstellen, en ik zal steeds opnieuw bezien of
dat toegevoegde waarde heeft. Ik weet ook niet of de heer Stoffer nog informatie heeft
vanuit de Unie van Waterschappen, bijvoorbeeld dat ze dat wel op prijs zouden stellen.
De heer Stoffer (SGP):
Voor het debat wel, maar ik zal even checken of dat na de beantwoording ook nog zo
is. Dat laat ik de Staatssecretaris toekomen. Het komt naar hem toe.
Staatssecretaris Heijnen:
Dank aan de heer Stoffer. Wij hebben die signalen namelijk niet opgevangen, vandaar
mijn vraag.
Mevrouw Van Eijk stelde een vraag over de Wbso, met het verzoek of de Staatssecretaris
kan meedenken over de verzilveringsproblematiek en de indexering schijfgrenzen. Ik
denk dat haar vraag is: het moet toch mogelijk zijn om daar iets te verzinnen? We
hebben nogmaals overleg gehad met de collega’s van het Ministerie van Economische
Zaken. Daar moeten we dan mee overleggen. We kunnen incidentele onderuitputting niet
gebruiken voor structurele aanpassingen in de Wbso. Ik zie mevrouw Van Eijk knikken;
zij had dit zelf ook wel kunnen verzinnen, maar toch. Als bijvoorbeeld een carry-forward
wordt geïntroduceerd, zal dit naar verwachting tot extra gebruik leiden. Dat betekent
dat bij een gelijkblijvend budget het percentage voor de afdrachtvermindering in de
eerste en tweede schijf daalt, of dat de schijfgrens moet worden aangepast. Dat zou
wel per ministeriële regeling kunnen. Ik sta dus open voor amendementen op dit vlak
en wil daar zeker over meedenken, maar ik wil wel meegeven – mevrouw Van Eijk voelt
hem al aankomen – dat een structurele aanpassing ook een structurele dekking nodig
heeft.
Dan een opmerking van mevrouw Van Eijk over het behouden van oog voor het concurrentievermogen
in het kader van de minimumbelasting, Pijler 2. We hebben deze opmerking maar geïnterpreteerd
als een vraag. Mevrouw Van Eijk had deze opmerking gemaakt in het kader van het Nederlands
concurrentievermogen. Hoewel dit geen vraag was, maak ik hier graag nog enkele opmerkingen
over. Ik wil vooropstellen dat Nederland de doelstellingen van de minimumbelasting
nog steeds onverkort relevant acht: een ondergrens stellen aan belastingconcurrentie
tussen landen en de prikkel verminderen voor multinationals om winsten te verplaatsen
naar landen die weinig belasting heffen. Zo’n ondergrens blijft relevant om een nieuwe
race to the bottom te voorkomen en belastinginkomsten zeker te stellen. Wij denken
dat onze doelstellingen kunnen worden bewerkstelligd door een gecoördineerde aanpak
in zo groot mogelijk internationaal verband. Dat zal mevrouw Van Eijk ook met ons
eens zijn. Dit draagt namelijk bij aan een gelijker speelveld voor grote multinationale
ondernemingen wereldwijd.
Dan kom ik wat concreter op de desbetreffende landen. Zoals bekend hebben de Verenigde
Staten, China en India de minimumbelasting niet ingevoerd, maar er zijn inmiddels
57 landen die dat wel hebben gedaan. Naast de EU zijn dat bijvoorbeeld het Verenigd
Koninkrijk, Japan, Canada, Australië en Zuid-Korea. We constateren dat de minimumbelasting
effect sorteert. Je ziet dat een aantal voormalige laagbelastende jurisdicties hun
wetgeving hebben aangepast of aan het aanpassen zijn. Het werkt dus wel. Dit ter achtergrondinformatie
en om uit te leggen waarom het kabinet nog steeds achter de minimumbelasting staat.
Dat gezegd hebbende denk ik dat het wel heel goed is dat mevrouw Van Eijk wijst op
de concurrentiepositie. Nederland blijft – dat zal haar niet verbazen – in de lopende
internationale onderhandelingen oog houden voor een gelijk speelveld en voor het Europees
concurrentievermogen.
Voorzitter. Ik constateerde het al: ik ga naar mijn laatste antwoord. Dat gaat over
het tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening. De vraag van mevrouw Van
Eijk was: waarom wordt het overgangsrecht niet uitgebreid voor nieuwe fondsen? Deze
tijdelijke overgangsmaatregel is bedoeld voor fondsen voor gemene rekening die op
31 december 2024 bestonden en op dat moment transparant waren voor Nederlandse belastingdoeleinden.
Enkel voor die fondsen bestaat het risico dat er binnen een relatief kort tijdsbestek
twee opeenvolgende wijzigingen van een fiscale kwalificatie zullen plaatsvinden. Dat
betreft ten eerste de wijziging van fiscaal transparant naar fiscaal niet-transparant
per 1 januari 2025, omdat deze fondsen voldoen aan de definitie van een fgr die per
1 januari 2025 geldt. Het doel van het overgangsrecht is om een min of meer eerbiedigende
werking te regelen voor fondsen die transparant waren. Die kunnen dat nog even blijven.
De doelstelling is niet om dit uit te breiden naar fondsen die toen nog niet bestonden
of niet transparant waren. Dan vul ik aan: deze fondsen hebben bovendien rekening
kunnen houden met de huidige regels. Kortom, samengevat betreffen onze argumenten
rechtsongelijkheid. Het openstellen van het overgangsrecht voor alle fondsen van na
1 januari 2025 creëert rechtsongelijkheid ten opzichte van bestaande fondsen van vóór
1 januari 2025 die niet transparant waren. Dat is bekende wetgeving.
Voor nieuwe fondsen is de wetgeving zoals die per 1 januari 2025 in werking is getreden,
bekend. In zoverre is er ook geen reden om voor deze groep te voorzien in overgangsrecht.
Er is geen overgang: nieuwe fondsen worden met zekerheid niet geconfronteerd met een
overgang als gevolg van de wetswijziging. Er is dus geen sprake van administratieve
gevolgen en heffingsgevolgen die de aanleiding waren om voor bestaande fondsen te
voorzien in overgangsrecht. Al met al blijft het kabinet dus van mening dat er geen
overgangsrecht nodig is voor nieuwe fondsen die op of na 1 januari 2025 worden opgericht.
Voorzitter. Daarmee kom ik aan het einde van de beantwoording van mijn vragen.
De voorzitter:
Dat gebeurt natuurlijk niet voordat er nog een enkele vraag van de zijde van de Kamer
is gekomen. Ik zag in ieder geval bij de heer Grinwis, die volgens mij nog snel iets
opzoekt, een hand heel hoog de lucht in gaan. Kan ik hem al het woord geven? Ja.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank u wel. Ik kom nog heel even terug op box 3 en dekkingsopties. De Staatssecretaris
heeft iets gezegd van: stel je voor dat je de wet-Hillen iets sneller zou afbouwen.
Hij heeft een groot bedrag genoemd, van ik meen € 462 per jaar voor een werkende.
Dat is volgens mij echter bij een scenario waarbij je de wet-Hillen volgend jaar bijna
in één klap zou afschaffen, en als je niet zou kiezen voor een scenario waarin je
de afbouw iets zou versnellen. Dan zou je dus bijvoorbeeld toewerken naar 2041 in
plaats van naar 2048, waarmee je cumulatief 2,8 miljard ophaalt. Er zit dan alleen
een mismatch in die jaren. Je hebt het dan over een extra afbouw van slechts een paar
procent. Dat is nog niet eens een paar procent, want de afbouw is nu 3,33% per jaar.
Die zou bij zo’n variant 4,85% per jaar worden. Dan heb je het voor een werkende en
bij een modaal inkomen over een tientje extra volgend jaar. Dat is bij een huis van
vijf ton, de gemiddelde woningwaarde; dat moet ik er wel bij zeggen. Kortom, het antwoord
dat de Staatssecretaris gaf, ging over een variant waarin je hem eigenlijk praktisch
niet meer hebt, terwijl wij het volgens mij in de dekkingsopties eigenlijk alleen
maar hebben gehad over het met een aantal jaar versnellen van de afbouw, om het bedrag
dat je nodig hebt, cumulatief op te halen. Kan de Staatssecretaris dat bevestigen?
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, ik kan uit onze berekening bevestigen dat het is zoals de heer Grinwis aangeeft.
Wij hebben met name gerekend uitgaande van het doel om de opbrengst in 2026 en 2027
te maximaliseren. We hebben daarom de wet-Hillen in één keer naar 3,33% verlaagd.
Dat is uitvoeringstechnisch mogelijk. Het kan niet naar nul, maar we hebben het maximale
gedaan. Dus in die zin kan ik de vraag van de heer Grinwis bevestigend beantwoorden.
Als je kijkt naar de budgettaire reeks over meerdere jaren ... We hadden eerder dat
debatje over de vraag of dat mag of niet mag, maar goed, daar zijn we, denk ik, wel
uit. Je zou ervoor kunnen kiezen om de vermindering minder te laten zijn om op die
manier over meerdere jaren dekking te vinden. Ja, dat zou kunnen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Nog even, voorzitter: dank, dan is dit opgehelderd. Anders blijft hier een beeld hangen
alsof er, als je aan die regeling zou komen, volgend jaar een soort afschrikwekkende
lastenverzwaring afkomt op mensen die gebruikmaken van de wet-Hillen. En dat is dus
niet het geval bij de variant waar wij aan deze kant van de tafel over hebben gesproken.
Maar hoe we het precies wel of niet gaan doen, dat komt dan eventueel in een amendement.
Staatssecretaris Heijnen:
Ja, dank u wel. Helder.
De voorzitter:
Oké, volgens mij zijn we dan richting het einde van dit wetgevingsoverleg gekomen.
Ik zei dat heel langzaam om te kijken of dat inderdaad zo is. Volgens mij is dat het
geval, want er sprong niemand in één keer op omdat hij dacht: ik wil heel graag toch
nog een vraag stellen. Dat betekent dat ik dit wetgevingsoverleg ga sluiten. In ieder
geval dank aan de Staatssecretaris en de ondersteuning voor de beantwoording van de
vragen van de Kamer. Dank ook aan alle Kamerleden voor het noeste werk aangaande het
Belastingplan dat zij doen. Veel van onze collega’s lopen nog een beetje verdwaald
in dit Kamergebouw rond, maar jullie zijn al hard met het Belastingplan aan het werk.
Van dat werk zit dit tweede WGO er weer op. Morgen in de middag, om 13.30 uur, gaan
we plenair verder, want in de ochtend hebben we als Staten-Generaal een heugelijk
moment. Dan vieren we namelijk 80 jaar vrijheid.
Ik sluit nu dit wetgevingsoverleg. Dank u wel.
Sluiting 17.42 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
T.M.T. van der Lee, voorzitter van de vaste commissie voor Financiën -
Mede ondertekenaar
A.H.M. Weeber, griffier
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| PVV | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Tegen |
| BBB | 4 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.