Verslag van een wetgevingsoverleg : Verslag van een wetgevingsoverleg, gehouden op 17 november 2025, over het Pakket Belastingplan 2026 (eerste termijn Kamer)
36 812 Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2026)
Nr. 114
VERSLAG VAN EEN WETGEVINGSOVERLEG
Vastgesteld 8 december 2025
De vaste commissie voor Financiën heeft op 17 november 2025 overleg gevoerd met de
heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane, over:
− de brief van de Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane d.d. 17 september
2025 inzake aanbieding pakket Belastingplan 2026 (Kamerstuk 36 812, nr. 6);
− het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan
2026) (Kamerstuk 36 812);
− het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige
fiscale maatregelen 2026) (Kamerstuk 36 813);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Wet belastingen op milieugrondslag in verband met
differentiatie van het tarief van de vliegbelasting (Wet differentiatie vliegbelasting)
(Kamerstuk 36 815);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inzake rijksbelastingen en enkele andere
wetten in verband met het stroomlijnen van het fiscale inzagerecht (Wet stroomlijning
fiscaal inzagerecht) (Kamerstuk 36 816);
− het wetsvoorstel Tweede wijziging van de Wet minimumbelasting 2024 in verband met
de in december 2023, juni 2024 en januari 2025 internationaal overeengekomen administratieve
richtsnoeren en een aantal overige technische wijzigingen (Tweede wet aanpassing Wet
minimumbelasting 2024) (Kamerstuk 36 817);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de internationale bijstandsverlening bij
de heffing van belastingen en de Wet minimumbelasting 2024 in verband met de implementatie
van Richtlijn (EU) 2025/872 van de Raad van 14 april 2025 tot wijziging van Richtlijn
2011/16/EU betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen
(Wet implementatie EU-richtlijn gegevensuitwisseling minimumbelasting) (Kamerstuk
36 818);
− het wetsvoorstel Wijziging van de Wet milieubeheer in verband met de nadere operationalisering
van het mechanisme voor een koolstofcorrectie aan de grens (Kamerstuk 36 819).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De fungerend voorzitter van de commissie, Van der Lee
De griffier van de commissie, Weeber
Voorzitter: Flach
Griffier: Lips
Aanwezig zijn tien leden der Kamer, te weten: Inge van Dijk, Van Eijk, Flach, Grinwis,
Hoogeveen, Oosterhuis, Stoffer, Stultiens, Vermeer en Vlottes,
en de heer Heijnen, Staatssecretaris Fiscaliteit, Belastingdienst en Douane.
Aanvang 11.01 uur.
De voorzitter:
Ik open deze vergadering. Het is niet zomaar een vergadering; het is de eerste reguliere
vergadering van deze nieuwe Kamer. Dat is ook terecht, want het gaat gelijk over een
belangrijk onderwerp: de belastingen voor volgend jaar. Hartelijk welkom bij het eerste
wetgevingsoverleg, over het pakket Belastingplan 2026, waarin zeven wetsvoorstellen
worden behandeld. Vandaag is de eerste termijn van de Kamer. Aanstaande woensdag is
er een tweede wetgevingsoverleg, waarbij de regering reageert op de vragen en opmerkingen
van de Kamerleden, gevolgd door de tweede termijn van de Kamer en van de regering.
Donderdag gaat de Kamer vervolgens verder met de plenaire behandeling van het pakket
aan wetsvoorstellen.
Hartelijk welkom aan Staatssecretaris Heijnen en zijn ondersteuning, en aan de woordvoerders.
Ik loop ze even langs: de heer Grinwis van de ChristenUnie, de heer Hoogeveen van
JA21, de heer Vlottes van de PVV, de heer Oosterhuis van D66, de heer Stultiens van
GroenLinks-PvdA, mevrouw Van Eijk van de VVD, mevrouw Van Dijk van het CDA en de heer
Vermeer van BBB. En welkom aan de mensen op de publieke tribune en de mensen die dit
debat thuis volgen. Ik zou bijna zeggen: een fijne dag gewenst!
De woordvoerders hebben van tevoren indicatieve spreektijden aangegeven. In principe
is er bij behandeling van wetgeving geen limiet, maar ik ga ervan uit dat iedereen
die spreektijden niet voor niks heeft opgegeven en hoop dat men zich min of meer zal
houden aan de spreektijdindicaties. Verder heeft de commissie afgesproken in dit geval
een sprekersvolgorde aan te houden aan de hand van fractiegrootte. Daarnaast meld
ik dat de heer Stoffer iets later zal komen en als een-na-laatste zal spreken, namens
de SGP.
Tot slot. Ook qua interrupties is het in principe vrij, maar om onszelf een klein
beetje in toom te houden en ervoor te zorgen dat dit overleg enigszins op tijd eindigt,
stel ik voor om te beginnen met zes interrupties, met uw welnemen. Mocht halverwege
het debat blijken dat het veel te weinig is, dan kunnen we dat aantal bijstellen,
maar wellicht is het goed om dit aan te houden bij de start van dit overleg.
Als dat voor u akkoord is, zou ik nu heel graag het woord willen geven aan de heer
Oosterhuis, die voor het eerst het woord zal voeren in deze commissie en donderdag
zijn maidenspeech zal houden. Hij spreekt namens D66.
De heer Oosterhuis (D66):
Dank u, voorzitter. Wat een eer om deze nieuwe Kamerperiode te mogen openen, en dan
ook nog in deze prachtige commissie. Met al die herbenoemde leden voelt het wel een
beetje alsof je nieuw bent in een schoolklas waarin iedereen elkaar al kent. Maar
goed, we gaan het, geloof ik, alleen deze week al meer dan 30 uur met elkaar over
het Belastingplan hebben, dus ik zie u meer dan mijn vrouw en kinderen. Ik zie uit
naar de samenwerking. Ik feliciteer natuurlijk ook de heer Hoogeveen als medenieuwkomer
in deze commissie.
Voorzitter. Het Belastingplan wordt altijd in een hoog tempo behandeld. Vanwege de
verkiezingen doen we dat nu nóg sneller dan normaal. Ik wil alvast mijn dank uitspreken
aan iedereen die het achter de schermen mogelijk maakt. Elk jaar is het Belastingplan
een van de meest bepalende wetten die deze Kamer behandelt. Het vertelt wat wij als
samenleving belangrijk vinden, waar we stimuleren, wat we willen afremmen en hoe we
met elkaar de rekening verdelen. Voor D66 staat daarbij één vraag centraal: bouwen
we aan een vrije, duurzame en toekomstgerichte samenleving waarin iedereen mee kan
doen? Wanneer ik donderdag mijn maidenspeech zal houden, zal ik daar nog wat meer
over zeggen, maar vandaag beperk ik me tot dit Belastingplan.
Dit Belastingplan illustreert volgens mij goed de staat van dit diep demissionaire
kabinet. Het was goed zoeken naar een lijn in de voorstellen, zal ik maar zeggen.
Ik zie maatregelen die soms de goede kant opgaan, soms noodzakelijk zijn en soms de
verkeerde kant opgaan. Ik denk dat het aan de formatie en aan het volgende kabinet
is om de echte doorbraken te creëren waarmee Nederland weer vooruit kan.
Voorzitter. Ik zal een aantal onderwerpen aflopen waar ik nog vragen bij heb. Ik doe
dat grofweg in de volgorde van het Belastingplan. Ik begin met het inkomensbeleid.
D66 wil lagere belastingen op werk en inkomen. Het kabinet kiest er dit jaar voor
om de belastingschijven niet volledig aan te passen aan de inflatie, door de tabelcorrectiefactor
niet volledig toe te passen. Stiekem leidt dat natuurlijk tot hogere belastingen op
werk. Dat is niet de kant die wij op willen, vooral niet als het onnodig is. Voor
het kabinet is die tabelcorrectiefactor namelijk de noodrem, omdat de eigen stelpost
voor het schrappen van fiscale regelingen niet volledig is ingevuld. Ik vind dat wel
jammer, want er zijn zo veel negatief geëvalueerde fiscale regelingen. Kan de Staatssecretaris
toelichten waarom ervoor gekozen is om de lasten op arbeid te verhogen in plaats van
te kijken naar fiscale regelingen waarvan we weten dat ze niet goed functioneren?
Daarnaast wil ik van de Staatssecretaris weten hoe hij kijkt naar de stapeling van
toeslagen en kortingen. De marginale druk is nog altijd hoog en ondoorzichtig, vooral
voor mensen die meer willen gaan werken. Ziet hij nog quick wins op dit gebied of
interessante pilots die gestart zouden kunnen worden, bijvoorbeeld rondom een verzilverbare
heffingskorting, iets wat meerdere partijen in hun verkiezingsprogramma hebben staan?
Voorzitter. We lezen dit jaar dat werkenden er in doorsnee 1,3% op vooruitgaan en
uitkeringsgerechtigden ook. Dat is in evenwicht, maar werken wordt dus niet extra
beloond. Tegelijkertijd geldt dat het sociaal minimum krap blijft. De Commissie sociaal
minimum heeft vorig jaar nog geconcludeerd dat veel huishoudens structureel tekortkomen.
Hoe borgt het kabinet dat de koopkrachtstijging van 2026 niet direct verdampt door
stijgende vaste lasten? Hoe past dit in de bredere ambitie om de bestaanszekerheid
structureel te versterken? Wat D66 betreft hadden de beide stijgingen dus forser mogen
zijn.
Voorzitter. Dan de lucratiefbelangregeling. D66 steunt het doel om onwenselijke constructies
te sluiten en belastingontwijking tegen te gaan. Ik denk dat niemand het verdedigbaar
vindt dat private-equitymanagers die waanzinnige bedragen verdienen via ingewikkelde
holdings belasting kunnen ontlopen. Tegelijkertijd moeten we er ook voor waken dat
we het kind met het badwater weggooien. Het voorstel lijkt namelijk ook start-ups
en scale-ups te raken en volgens de uitvoeringstoets is het toezicht door de Belastingdienst
bewerkelijk en lastig, en is de maatregel niet fraudebestendig. Ik krijg ook signalen
dat er nu al ontwijkconstructies worden opgetuigd.
Daarom een paar vragen aan de Staatssecretaris hierover. Klopt het dat de belastingdruk
die hierdoor ontstaat voor lucratiefbelanghouders van start-ups en scale-ups aanzienlijk
hoger wordt dan in omringende landen? Hoe zorgt het kabinet ervoor dat deze wijziging
niet onevenredig nadelig uitpakt voor innovatieve bedrijven die werknemersparticipatie
gebruiken als financieringsvorm? Waarom vindt de Staatssecretaris het verstandig om
deze wijziging nu door te voeren, voordat het nieuwe box 3-stelsel ingaat? Is overwogen
om een drempel of vrijstelling in te bouwen voor kleine participaties? Ziet de Staatssecretaris
ook signalen dat er in de praktijk nu al constructies worden opgetuigd? Hoe zal dat
gaan na deze wijziging?
De voorzitter:
Ik zie een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter, meer een punt van orde. Volgens mij gaat er echt iets niet goed met de
geluidsinstallatie. Ik weet niet hoe dat thuis is, maar misschien kan het even gecheckt
worden.
De voorzitter:
Klopt. Er wordt aan gewerkt, begrijp ik. Ik merkte het zelf net ook al. Op het moment
dat je opzij kijkt, valt het geluid weg. Dus strak recht vooruit kijken lijkt voorlopig
even het devies, maar er wordt aan gewerkt.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik zal mijn best doen. Ik weet niet of het er leuker van wordt, maar misschien is
het dan wel beter te volgen.
Ik kom op box 3. Dat blijft een ingewikkeld dossier. Wat mij betreft moeten we zo
snel mogelijk toe naar een stelsel op basis van werkelijk rendement, maar zolang dat
nog niet is ingevoerd, moeten we zorgvuldig omgaan met de tussenfase. Ik steun de
richting van het kabinet dat de dekking voor de box 3-tegenvaller binnen box 3 wordt
gezocht. Ik heb daarbij een vraag over het heffingsvrij vermogen. Dat wordt verlaagd,
maar dat levert maar een relatief klein deel van de opbrengst op, terwijl er daardoor
wel 300.000 mensen extra opeens belasting in box 3 moeten gaan betalen. Ik hoor daarom
graag van de Staatssecretaris waarom er is gekozen voor die verlaging van het heffingsvrij
vermogen in plaats van voor een verhoging van het tarief. Wat zou de Staatssecretaris
ervan vinden om het alsnog via het tarief te dekken in plaats van via het heffingsvrij
vermogen? Of welke mogelijkheden ziet hij om het breder binnen het vermogensdomein
op te lossen, bijvoorbeeld binnen de erf- en schenkbelasting?
De voorzitter:
Dat levert twee interrupties op. Ik zag niet wie als eerste de vinger opstak, maar
ik denk dat het de heer Vermeer was.
De heer Vermeer (BBB):
Ik was wel even getriggerd door de heer Oosterhuis, die streeft naar werkelijk rendement,
maar vervolgens zegt «doe het tarief nog maar verder omhoog». Hoe kan hij dat met
elkaar rijmen?
De heer Oosterhuis (D66):
Omdat het tarief en het rendement los van elkaar staan. Het gaat mij om het tarief
van ...
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
... voor de duidelijkheid.
De heer Vermeer (BBB):
Of je het nou uit het forfait haalt of uit het tarief op het bedrag dat er vervolgens
weer uitkomt: je komt op deze manier op steeds hogere nettobelastingen uit. De kritiek
op het huidige systeem is dat de opbrengsten voor veel mensen op dit moment al lager
zijn dan de belastingen die ze moeten betalen. Dat wordt ook gefundeerd door berekeningen
die daaronder liggen. Toch zegt de heer Oosterhuis: we doen het tarief nog verder
omhoog. Dan komen we veel verder af te staan van een redelijke belastingheffing dan ...
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
... rendement te praten als je het gewoon onbeperkt belast.
De heer Oosterhuis (D66):
Misschien moet ik even een klein beetje uitzoomen als het gaat over box 3. Een relatief
klein deel van de belastingplichtigen betaalt überhaupt belasting in box 3. Degenen
die de categorie «overige bezittingen» hebben ingevuld, die het zwaarst belast worden,
is een nog kleinere groep. We hebben het over het meest vermogende deel van de samenleving.
Ik vind het best reëel om daar belasting over te heffen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolginterruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Dat is een absurde voorstelling van de werkelijkheid. Er zijn meer dan 300.000 mensen
die een of soms twee extra woningen hebben. Dat is heel vaak hun toekomstige of huidige
pensioen. Dat zijn helemaal geen zeer vermogende mensen. Ik denk dat u en ik misschien
al meer pensioen opgebouwd hebben dan deze mensen in dat ene huisje hebben zitten.
Meneer Oosterhuis, wilt u ervoor oppassen om deze groep weg te zetten als vermogende
mensen die dat makkelijk kunnen betalen? Voor het gros is dit hun pensioen. Zij komen
op dit moment in liquiditeitsproblemen. Of vindt de heer Oosterhuis dat volstrekte
nonsens?
De voorzitter:
We gaan luisteren naar het antwoord van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik zou het in mijn allereerste debat wat aanmatigend vinden om het «volstrekte nonsens»
te noemen.
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
Maar ik geloof in alle eerlijkheid niet dat dit de groep is waar de grootste problemen
in onze samenleving zitten. Zoals ik al zei, vind ik het terecht dat de oplossing
voor box 3 daarbinnen wordt gezocht. Ik zie ook dat mensen dit jaar of volgend jaar
wellicht iets te veel belasting betalen, maar er is ook nog de tegenbewijsregeling.
Als we terugkijken naar de afgelopen jaren, dan zien we dat er vaak relatief weinig
belasting is betaald binnen box 3. Al met al vind ik het heel realistisch om de dekking
binnen box 3 te zoeken. Ik vraag aan de Staatssecretaris wat hij ervan vindt om in
plaats van het heffingsvrije vermogen te kijken naar het tarief.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Allereerst van harte welkom aan collega Oosterhuis in deze prachtige commissie bij
het mooiste debat van het jaar. Dat gezegd zijnde, begint mijn kritische vraag. Het
is wel een beetje bijzonder dat ik D66 hier gelijk hoor zeggen: de Hoge Raad kan wel
twee keer een arrest hebben gewezen over dat er te veel belasting is geheven in box
3, het kerstarrest en het arrest in juni, maar het moet toch coûte que coûte worden
teruggehaald in box 3. Probeer je dan niet een vierkante cirkel te tekenen? Is dat
niet veel te eng en moeten we niet veel breder in het vermogensdomein kijken? Dat
deed de heer Oosterhuis volgens mij al door te hinten op de erf- en schenkbelasting.
Je zou ook nog andere belastingen kunnen overwegen. Maar ik wil eerst een antwoord
op de vraag: is dit niet een beetje een vierkante cirkel ...
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
... in box 3?
De heer Oosterhuis (D66):
Als uitgangspunt lijkt het oplossen binnen box 3 mij heel redelijk, ook vanwege de
redenen die ik net in het antwoord op de vraag van de heer Vermeer gaf. Maar mochten
er slimme opties zijn om het binnen het vermogensdomein en binnen dezelfde doelgroep
te doen, maar niet strikt binnen box 3 ... Ik noemde net zelf de erf- en schenkbelasting.
Wellicht heeft de heer Grinwis andere slimme ideeën. Ik heb niet iets anders dan dit
gevonden, maar mochten die opties er zijn, dan ben ik altijd bereid om daarnaar te
kijken.
De voorzitter:
De heer Grinwis heeft een vervolgvraag.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Allereerst zijn er natuurlijk twijfels bij de omvang van het vraagstuk. Het kerstarrest
werd ingeschat op 6 miljard; het heeft 3 miljard gekost. Nu wordt dit grapje ingeschat
op 12 miljard. Ik hoor straks van de Staatssecretaris waarom die raming nog steeds
12 miljard is, maar oké: we hebben spelregels in dit huis en als we met amendementen
komen, dan moeten we ze inderdaad dekken. Ik heb natuurlijk nagedacht over wat nou
een goed alternatief zou zijn dat eventueel op draagvlak zou kunnen rekenen. Wat vindt
de heer Oosterhuis van het idee om de afbouw van de wet-Hillen wat te versnellen?
In het coalitieakkoord van het kabinet-Rutte III was die afbouw oorspronkelijk afgesproken
op 20 jaar. In de dying seconds is dat 30 jaar geworden. Stel je voor dat je ergens
tussen de 20 en 30 jaar gaat zitten. Dan heb je voldoende munitie om te voorkomen
dat het heffingsvrije vermogen omlaag moet en het forfaitair rendement in de categorie
«overige beleggingen» met 1,78% extra omhoog moet. Het is in zijn aard namelijk een
incidentele dekking voor een incidenteel probleem. Wat vindt de heer Oosterhuis van
dit idee?
De heer Oosterhuis (D66):
Ik vind het op z’n minst een heel creatief idee van de heer Grinwis. Zo ken ik hem
ook. Ik denk ook dat het deels in hetzelfde domein zit. Ik zie alleen wel dat het
in compleet andere jaren zit, want de wet-Hillen schaffen we volgens mij af tot 2048.
Dus dat is een belastingopbrengst die in hele andere jaren zit. Maar ik ben ook heel
benieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris op dit voorstel.
De voorzitter:
Dat waren de interrupties. Inmiddels is de publieke tribune aardig volgestroomd. Welkom
ook aan de nieuwe bezoekers. Gezien de leeftijd van sommige bezoekers zou het zomaar
kunnen zijn dat er wat familieleden bij zitten. Welkom en veel plezier ook vandaag.
Vervolgt u uw betoog, meneer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Het kwam net al even naar voren in de interrupties: er is ook discussie over de hoogte
van het forfait. Maar als ik het goed begrijp, kan iedereen die minder rendement haalt
dan het forfait, gebruikmaken van de tegenbewijsregeling. Ik hoor graag van de Staatssecretaris
of dat klopt. Betekent dat niet dat het verlagen van het forfait er niet per se toe
leidt dat minder mensen te veel belasting gaan betalen, maar wel dat een ander deel
juist te weinig belasting gaat betalen, namelijk iedereen met een rendement dat hoger
is dan het forfait? Ik snap dat er in de praktijk natuurlijk nadelen aan zitten, maar
in theorie heeft een heel hoog forfait ook voordelen zolang er sprake is van een tegenbewijsregeling,
want hoe hoger dat forfait, hoe dichter je bij het belasten van het werkelijke rendement
komt. Ik hoor graag hoe de Staatssecretaris dit ziet.
Voorzitter. Dan heb ik vragen over groen beleggen. De vrijstellingen en heffingskortingen
op groen beleggen worden op dit moment afgebouwd als gevolg van eerdere amendementen
bij eerdere belastingplannen. Het afschaffen van deze relatief kleine regeling heeft
mogelijk veel grotere effecten dan gedacht, waardoor miljarden aan duurzame investeringen
gevaar lopen. Kan de Staatssecretaris nog wat meer cijfers en duiding geven bij de
effecten van het verdwijnen van deze vrijstelling? Om hoeveel investeringen gaat het?
Waar moeten we dan ongeveer aan denken? Hoe verhoudt deze wijziging zich tot de ambitie
om particulier kapitaal juist meer te laten bijdragen aan de klimaattransitie? Hoe
kijkt de Staatssecretaris aan tegen de wenselijkheid van het verdwijnen van deze regeling?
Het afbouwen van deze regeling kwam niet vanuit het kabinet, maar daarom ben ik wel
nog benieuwd naar de expert opinion van het kabinet.
Voorzitter. Dan kom ik op de pseudo-eindheffing voor fossiele leaseauto’s. De pseudo-eindheffing
op fossiele auto’s van de zaak moet leiden tot vergroening van het wagenpark. Daar
sta ik achter, want elektrische auto’s zijn in vrijwel alle opzichten superieur aan
fossiele auto’s. Wel hoor ik wat zorgen over dat dit tot extra complexiteit en administratie
bij werkgevers leidt. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat een werkgever die emissievrije
auto’s ter beschikking stelt verder geen verplichtingen heeft?
Daarnaast vind ik het belangrijk dat deze regeling niet leidt tot nieuwe omzeilconstructies,
bijvoorbeeld door werknemers een vergoeding te geven in plaats van een auto. Kan de
Staatssecretaris aangeven in hoeverre hij deze risico’s ziet en hoe deze regeling
in de praktijk gaat worden gehandhaafd?
Voorzitter. Ik vind het goed dat de werkgever een prikkel krijgt om in een elektrische
auto te voorzien, maar hoe zorgen we ervoor dat het ook voor de werknemer aantrekkelijk
is om elektrisch te rijden? Dus hoe zorgen we ervoor dat hij eigenlijk altijd minder
betaalt wanneer hij elektrisch rijdt dan wanneer hij een fossiele auto rijdt? Dan
kan bijvoorbeeld door de lage bijtelling te verlengen. Of misschien kunnen we werknemers
stimuleren om te kiezen voor de fiets. Vanuit de Fietsersbond komt de suggestie om
werknemers die kiezen voor een leasefiets ook een onbelaste reiskostenvergoeding te
kunnen geven. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar dat voorstel?
Voorzitter. Ik kom op de afvalstoffenbelasting, die nu in het Belastingplan zit ter
vervanging van de circulairplastic-heffing. Die heffing had als doel het bevorderen
van duurzaamheid en circulariteit, maar is nu vervangen door een platte verhoging
van de afvalstoffenbelasting, die daar weinig tot niets aan bijdraagt maar wel voor
consumenten de vaste lasten verhoogt, zonder dat ze daar iets aan kunnen doen.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Sorry, ik was een beetje traag. Ik heb nog een opmerking over het vorige punt van
de elektrische auto en dat nu plotsklaps in 2026 de bijtelling naar 22% gaat. Dat
is dezelfde bijtelling als voor fossiele auto’s. Omdat de cataloguswaarde van elektrische
auto’s gemiddeld net wat hoger ligt dan van fossiele auto’s is de facto de bijtelling
straks ...
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
Collega Oosterhuis hint er al op dat die uiteindelijk omlaag zou moeten. Ik heb een
amendement in voorbereiding om de bijtelling de komende jaren op 18% te houden, want
18% is gemiddeld genomen gelijk aan 22% voor fossiele auto’s, en om dat te dekken
uit een versobering van de youngtimerregeling. Wat vindt de heer Oosterhuis van D66
van dit idee? Zou hij misschien wel mede-indiener willen worden?
De voorzitter:
Hoe reageert de heer Oosterhuis op deze uitnodiging?
De heer Oosterhuis (D66):
Ik vind het een heel interessant idee. Ik denk wel dat we er even naar moeten kijken
hoe dat amendement er precies uitziet, want de youngtimerregeling is er natuurlijk,
dus ik weet niet ...
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
... of we dat nu direct per 1 januari moeten gaan doen of dat we mensen iets meer
tijd moeten geven. Maar ik vind het een heel interessant idee.
De voorzitter:
Een extra interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Een heel korte toelichting. Met de slag om de arm ben ik het eens. Ik vind dat we
niet op stel en sprong in één keer die youngtimerregeling met ik weet niet hoeveel ...
[Wegens een ontbrekende geluidsregistratie is een deel van de uitgesproken tekst niet
beschikbaar.]
Dus je moet inderdaad een soort eerbiedigende werking in acht nemen, omdat het al
bijna 1 januari 2026 is. Ja, in het amendement dat we in voorbereiding hebben, zit
dus een wat geleidelijke ingroei.
De voorzitter:
Prima. Leidt dat nog tot een reactie? Of gaat u door?
De heer Oosterhuis (D66):
Dit klinkt interessant. Ik denk dat ik er buiten het debat nog even over doorpraat
met de heer Grinwis.
De voorzitter:
Prima. Vervolgt u uw betoog.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik had het over de afvalstoffenbelasting, waarmee ook nog de recyclesector wordt geraakt.
Die heeft natuurlijk ook nog reststromen waar die opeens meer belasting over moet
gaan betalen, terwijl recycling juist onderdeel is van de oplossing. In plaats van
te investeren in schone verwerking in Nederland, gaat het nu ook aantrekkelijker worden
om afval in het buitenland te gaan verwerken. Daardoor dreigt ook de opstart van CO2-opslag in het project Aramis te stagneren. Heeft het kabinet deze effecten meegewogen?
Het kabinet presenteert de afvalstoffenbelasting als «technische dekking», maar kan
de Staatssecretaris toelichten wat dat betekent? De dreiging van deze heffing heeft
namelijk nu al effecten op de echte wereld. Wat wij hier in Den Haag «technisch» noemen,
weegt voor bedrijven dus wel gewoon mee in businesscases. Over welke alternatieven
is het kabinet zelf aan het nadenken richting het voorjaar? Of ligt die bal volledig
bij de sector aan de Plastic Tafel? De heffing gaat pas in 2027–2028 in, dus er is
nog tijd om hier bij de formatie of in het voorjaar goed over na te denken. Maar daarvoor
helpt het wel als er alternatieve scenario’s en opties op tafel liggen. Is de Staatssecretaris
bereid hierover na te denken en deze uit te werken voor het geval de sector er niet
uit komt?
Voorzitter. Een beetje in hetzelfde domein: de CO2-heffing voor de industrie. Dat is een belangrijk instrument om de klimaatdoelen te
halen en wordt nu naar aanleiding van Kamermoties feitelijk op nul gezet. Maar het
nu afschaffen van de CO2-heffing zonder een alternatief voelt wel een beetje als het weggooien van oude schoenen
voordat er nieuwe zijn. Het is ook een voorbeeld van versnipperd beleid, terwijl er
juist behoefte is aan een duidelijke, stabiele route richting verduurzaming van de
industrie. Hoe ziet de Staatssecretaris dat? En welke mogelijke alternatieven die
bijdragen aan het halen van de klimaatdoelen ziet hij? Deze maatregel leidt er ook
toe dat dat er in het Klimaatfonds 275 miljoen euro wordt bezuinigd op subsidies voor
verduurzaming van de industrie. Welke projecten worden hierdoor geraakt, vraag ik
aan het kabinet.
Ik zei in mijn intro al dat er niet heel veel lijn zit in de voorstellen. In het pakket
zit ook een vrij willekeurige verlaging van de energiebelasting. Voor 100 miljoen
wordt de energiebelasting met € 9,30 per huishouden per jaar verlaagd. Ik vraag mij
af of dat nou echt het verschil gaat maken. Waarom wordt deze belastingvermindering
niet gerichter ingezet, bijvoorbeeld voor woningisolatie of voor huurders met lage
inkomens?
Voorzitter. Een van de grootste maatregelen in dit Belastingplan is het met één jaar
doortrekken van de accijnsverlaging op brandstof. Dat benzine-infuus is een vrij dure
maatregel, die ook slecht is voor de verduurzaming van de mobiliteit en ook niet terechtkomt
bij de mensen die het echt nodig hebben. Bovendien is het een pleister waarvan we
allemaal weten dat die er op een gegeven moment af moet. Doordat de accijnzen ook
al een paar jaar niet geïndexeerd zijn, gaat dat steeds meer pijn doen. Het gat wordt
steeds groter. Ik moest eerlijk gezegd wel een klein beetje lachen toen ik de schriftelijke
antwoorden van de Staatssecretaris las. Hij schreef dat er niet is gekozen voor een
afbouwpad om een abrupte lastenstijging te voorkomen. Maar die abrupte lastenstijging
komt nu in 2027 in plaats van 2026, terwijl het kabinet er ook voor had kunnen kiezen
om met hetzelfde budget een afbouwpad te maken, waarin de accijnzen geleidelijk naar
het oude niveau gaan. Waarom heeft het kabinet nu gekozen voor één jaar volledig verlengen,
maar heeft het niets geregeld voor 2027 en verder? Is er een exitstrategie of dacht
het kabinet: na ons de zondvloed?
De btw op logies gaat komend jaar naar het hoge tarief, als gevolg van het Belastingplan
van vorig jaar. Kan de Staatssecretaris de raming hierbij nog een keer goed toelichten,
ook op basis van nieuwe inzichten? Er zijn namelijk signalen dat deze btw-verhoging
een stuk minder gaat opbrengen dan gedacht door veel grotere gedragseffecten. Nu stelt
het kabinet dat mensen die geen hotel meer boeken, dat geld grotendeels uitgeven aan
andere producten, waar ze dan ook weer btw over betalen. Maar dat geldt natuurlijk
niet voor buitenlandse toeristen die nu niet meer naar Nederland komen of voor Nederlanders
die hun vakantie naar het buitenland verplaatsen. Ik hoor dus graag nog een keer zo
precies mogelijk van de Staatssecretaris wat de laatste inzichten zijn en hoe die
zich verhouden tot de oorspronkelijke raming, en of dat nog tot nieuwe inzichten leidt
over de wenselijkheid van deze maatregel.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ik werd nog even getriggerd door de aangekondigde zondvloed van de heer Oosterhuis
met betrekking tot de benzineaccijns. Welke structurele dekking stelt hij voor om
dit probleem een keer structureel op te lossen?
De heer Oosterhuis (D66):
Als de heer Vermeer mijn verkiezingsprogramma leest, dan ziet hij dat ik er geen voorstander
van ben om deze accijnsverlaging structureel te maken. De vraag is dus volgens mij
niet welke dekking ik heb om het op te lossen, maar welke dekking de heer Vermeer
heeft om de verlaging door te trekken.
De voorzitter:
Dit lijkt op een wedervraag en dat is volgens mij niet helemaal de bedoeling. Maar
de heer Vermeer kennende heeft hij daar wel een antwoord op.
De heer Vermeer (BBB):
Nee, dat maakt mij niet uit. Maar als de heer Oosterhuis toch niet van plan is om
het door te voeren, waarom maakt hij zich dan druk over structurele dekking en de
zondvloed?
De heer Oosterhuis (D66):
Omdat het naar mijn mening nooit heel verstandig is om hele abrupte wijzigingen in
beleid te hebben. Ik denk dat geleidelijkheid beter werkt. Ik zou mij dus beter kunnen
voorstellen dat er een afbouwpad is, waarin het dus niet één jaar nog wordt doorgetrokken
en daarna alles verdwijnt, maar dat de afbouw wat langer duurt, om het allemaal wat
geleidelijker te laten verlopen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik stelde net een vraag over de raming van btw op logies en ik heb eigenlijk precies
dezelfde vraag over de kansspelbelasting. Die is vorig jaar verhoogd en moet volgend
jaar nog verder stijgen. Over dit jaar zou die verhoging 202 miljoen euro op moeten
leveren, maar die opbrengst wordt volstrekt niet gehaald. Sterker nog, de kansspelbelasting
levert dit jaar juist minder op dan in eerdere jaren. Volgens de Miljoenennota van
het kabinet zelf komt dit mede door het hogere belastingtarief. Ik vraag me dan wel
af wat we hier aan het doen zijn. Kan de Staatssecretaris toelichten hoe hij hiernaar
kijkt? Zou het niet verstandig zijn om de geplande verhoging van de kansspelbelasting
voor 2026 on hold te zetten, tot er meer inzicht is of de verhoging niet gaat leiden
tot een verdere verplaatsing naar het illegale circuit en uiteindelijk juist tot lagere
belastingopbrengsten?
De voorzitter:
U heeft een interruptie van mevrouw Van Eijk van de VVD.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ook hiervoor geldt natuurlijk dat er geraamd is en dat er een bepaalde opbrengst is
ingeboekt. Als wij daar als Tweede Kamer iets in willen veranderen, dan zullen we
met een dekking moeten komen. Wat zou op dit specifieke punt het voorstel zijn van
de heer Oosterhuis?
De heer Oosterhuis (D66):
Dat snap ik heel goed en dat vind ik precies het ingewikkelde bij dit onderwerp, omdat
de raming hier blijkbaar zo afwijkt van de realisatie. We hebben inderdaad spelregels
met elkaar afgesproken, maar die schrijven voor dat we het zouden moeten dekken als
we het nu bevriezen, terwijl eigenlijk blijkt dat de verhoging juist heeft geleid
tot een lagere opbrengst in plaats van tot een hogere. Ik heb dus zelf ook nog niet
de oplossing voor deze puzzel, maar ik hoor wel graag meer duiding van de Staatssecretaris
over hoe het nu zit met deze opbrengst. Hoe komt dit nu en wat ziet het kabinet gebeuren?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dit brengt ons eigenlijk op een punt dat wij bij verschillende belastingen en belastingverhogingen
waarschijnlijk het optimale punt op de Laffercurve al zijn gepasseerd: het optimum
tussen belastingtarieven en belastingontvangst. We hebben nu namelijk de kansspelbelasting
op de korrel. Eerder hadden we het over de tabaksaccijns. Zo meteen hebben we het
in de bijdragen waarschijnlijk nog over de differentiatie in de vliegbelasting. We
hebben het over de brandstofaccijns gehad. Is het niet tijd om daar beter zicht op
te krijgen? Wij kunnen in een tabel wel heel makkelijk een verhoging doorvoeren, inclusief
een geraamde opbrengst, maar dat valt in de praktijk al meerdere keren tegen. Wat
betreft de tabaksaccijns zijn we al op de koffie gekomen. Een tweede voorbeeld is
de kansspelbelasting. Eigenlijk zitten we met de benzineaccijns ook al op zo’n punt
vanochtend, en bij de Wet differentiatie vliegbelasting komt dit gesprek ook weer
op tafel. Ik ben dus heel benieuwd hoe de heer Oosterhuis hiertegen aankijkt en of
we hier niet eens wat grondiger naar moeten kijken.
De heer Oosterhuis (D66):
Ja. Ik denk dat het sowieso goed is om ook naar de ramingen te kijken. De Algemene
Rekenkamer heeft daar kortgeleden ook zinvolle dingen over gezegd, volgens mij. Het
hangt natuurlijk ook heel erg af van het doel van een verhoging. Ik kan me best voorstellen
dat we nog een keer de tabaksaccijnzen verhogen met het doel dat er minder gerookt
wordt, waardoor we minder accijns binnenhalen. Ik denk dus dat het per maatregel verschilt,
maar het is goed om ons elke keer af te vragen of we sturen op een hogere opbrengst
of op gedrag, wat daarachter zit. Dat kan verschillen, volgens mij, maar bij de kansspelbelasting
ben ik in ieder geval een beetje bevreesd dat het vooral verschuift naar het illegale
circuit, waardoor er niet minder wordt gegokt, maar er wel minder wordt gegokt onder
toezicht en er ook minder belastingopbrengsten zijn. Dan zijn we met z’n allen verder
van huis. Dat is niet wat het beleid beoogt.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Oosterhuis (D66):
Voorzitter. Dan de vliegbelasting. De heer Grinwis noemde die al. De differentiatie
van de vliegbelasting naar afstand is wat mij betreft een logische stap. Wie verder
vliegt, vervuilt ook meer. D66 pleit al jaren voor deze differentiatie. Het had voor
mij eigenlijk nog wel wat verder mogen gaan dan dit voorstel. Zeker de werkelijke
kosten van vliegen, inclusief klimaatschade, luchtvervuiling en geluidshinder, liggen
nog vele malen hoger dan deze belastingtarieven. Maar goed, ik tel mijn zegeningen
en ik ben blij met deze stap. Ik heb nog wel de vraag aan de Staatssecretaris hoe
hij tot deze tarieven is gekomen. Is dat vanuit een beoogd effect of vanuit een beoogde
opbrengst? Hoe verhouden de voorgestelde tarieven zich tot de klimaatdoelen? Doen
we nu voldoende of niet? Deelt de Staatssecretaris de mening dat uiteindelijk alle
externe effecten idealiter ingeprijsd moeten worden? Waarom is daar nu nog niet voor
gekozen?
Verder wil ik nogmaals de noodzaak om te komen tot Europese afspraken over de vliegbelasting
benadrukken. Ik denk dat dat het punt dat de heer Grinwis net maakte over opbrengsten
en effecten versterkt. Het heeft niet zo heel veel zin om in Nederland de vliegbelasting
te verhogen als mensen vervolgens vanuit Brussel of Düsseldorf vliegen.
De voorzitter:
Een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Misschien ben ik daar te snel mee. Ik ben heel blij om te horen dat de Europese route
waarschijnlijk de betere route is om gezamenlijk in op te trekken. Maar als je het
hebt over het inprijzen van externe kosten, zeker als het gaat om vliegen, dan heb
je het over gigantische bedragen. Ik denk dat mensen dan überhaupt niet meer kunnen
vliegen. Dus waar ligt dan het omslagpunt? Ik denk namelijk echt dat dat niet realistisch
is volgens de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik erken dat het niet realistisch is om dit als Nederland alleen te doen. Dat zal
op z’n minst op Europese schaal moeten. We hebben er ook schriftelijk naar gevraagd;
de externe effecten zijn gigantisch groot, zeker die van langeafstandsvluchten. Ik
sluit dus ook helemaal niet uit dat dat betekent dat mensen in de toekomst minder
kunnen vliegen, of dat vliegen flink schoner zal moeten worden en de luchtvaartsector
echt een hele forse stap zal moeten doen om die externe effecten kleiner te maken.
De voorzitter:
Een vervolginterruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
De opbrengst gaat nu inderdaad naar de algemene middelen. Daar ben ik op zich voorstander
van, maar ik snap wel dat vanuit de sector wordt opgeroepen om dan ook te helpen met
verduurzamen. Waar zou de heer Oosterhuis dan op inzetten?
De heer Oosterhuis (D66):
Ja, dat denk ik ook. Ik steun ook dat de opbrengsten daar nu niet naartoe gaan. Ik
denk wel dat er nog veel meer mogelijk is op het gebied van het ontwikkelen van duurzame
brandstoffen en normeren. Dat zal ook internationaal moeten. Ik verwacht dat je richting
de sector meer aan die routes zal moeten denken om het vliegen ook daadwerkelijk schoner
te gaan maken. Mijn vraag aan het kabinet is in ieder geval welke inspanningen er
nu gedaan worden en of die nog geïntensiveerd kunnen worden om ook de rest van Europa
mee te krijgen in een verhoging van de vliegbelasting.
Dan CBAM, de koolstofheffing. Die implementatie steunen wij, maar uit het advies van
de Raad van State bleek dat het maken van keuzes over de uitvoering hiervan deels
werd gemandateerd aan een commerciële, externe partij. Dat is nu weer teruggedraaid.
Ik dank de Raad van State voor de scherpte. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom
hier eerst wel voor gekozen werd? Zijn er meer situaties waarin bevoegdheden worden
gemandateerd aan commerciële partijen? Ik snap dat inhuur soms nodig is voor de uitvoering,
maar het uitbesteden van de formele mandatering lijkt mij toch echt een brug te ver.
Kan de Staatssecretaris toezeggen dat dit niet weer zal worden gedaan?
Voorzitter. Ik heb ook enkele vragen over het wetsvoorstel over het fiscaal inzagerecht.
Het gaat eigenlijk om een wijziging van een onuitvoerbaar amendement-Omtzigt. Tot
zover zorgvuldige wetgeving en goed bestuur. In de titel van het wetsvoorstel staat
het woord «stroomlijning». Dat is misschien wel een beetje een eufemisme. In werkelijkheid
wordt de mogelijkheid tot transparantie deels teruggedraaid omdat de Belastingdienst
het nog niet aankan. Daarom heb ik een paar vragen aan het kabinet.
De eerste gaat over het doel van het inzagerecht. Erkent de Staatssecretaris dat het
inzagerecht bedoeld is voor situaties waarin er geen lopende bezwaar- of beroepsprocedure
is? Als bijvoorbeeld pas jaren later blijkt dat iemand onterecht op een bepaalde manier
is behandeld, staan belastingaanslagen al onherroepelijk vast, waardoor er geen andere
mogelijkheden tot inzage meer openstaan. Waarom kiest het kabinet ervoor om de bezwaar-
of beroepsmogelijkheid weg te nemen als burgers vermoeden dat hun dossier onvolledig
is? Is dat niet juist het moment waarop rechtsbescherming het meest nodig is?
Dan de uitvoerbaarheid. De Belastingdienst zegt de mogelijkheid tot transparantie
niet aan te kunnen. Wat doet het kabinet concreet om de informatiehuishouding wel
op orde te krijgen, zodat openheid de norm wordt in plaats van een risico? Is de Staatssecretaris
bereid om te kijken naar een uitvoerbaar fiscaal inzagerecht in artikel 66b, met een
bezwaar- of beroepsmogelijkheid?
Voorzitter. De uitvoering bij de Belastingdienst blijft een punt van aandacht. In
de stukken lezen we dat de Belastingdienst, Dienst Toeslagen en de Douane ook dit
jaar nog kampen met krapte en grote uitdagingen; kijk maar naar box 3. Hoe kijkt de
Staatssecretaris hier op dit moment naar? Maakt hij zich daar zorgen over, ook naar
de toekomst kijkend? De verwachte uitstroom bij de Belastingdienst is, voor zover
ik weet, hoog. Hoe gaat de Belastingdienst dit oplossen? Kan de Staatssecretaris aangeven
welke maatregelen concreet worden genomen om de uitvoering te ontlasten, bijvoorbeeld
via digitalisering of betere data-uitwisseling?
Voorzitter. Ik kom tot een afronding. Het Belastingplan 2026 bevat een paar verstandige
keuzes en ook echt wat zaken waar ik sterke twijfels bij heb. Het zal in ieder geval
geen belastingplan worden waar we het over twintig jaar nog over hebben. Maar goed,
het kabinet is natuurlijk ook demissionair. Ik hoop vooral dat het volgende Belastingplan
wel weer een belastingplan gaat worden met grote en gedurfde keuzes. Daar ga ik me
in ieder geval de komende tijd voor inzetten.
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Hoogeveen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Dank aan de heer Oosterhuis voor zijn bijdrage. Nu ik zijn bijdrage zo heb gehoord,
heb ik één overkoepelende vraag. U zegt bijvoorbeeld dat de vliegbelasting niet ver
genoeg gaat. Tegelijkertijd moet die ook in Europees verband worden aangepakt. Over
bijvoorbeeld de CO2-heffing zegt u juist: het is juist hartstikke goed als Nederland dat strenger en
steviger doet dan Europa, dus boven op het huidige ETS. Hoe kijkt de heer Oosterhuis
naar het vestigingsklimaat van Nederland? Hoe kijkt hij naar het Europese speelveld
dat gecreëerd wordt? Is het dan juist niet verstandiger om de CO2-heffing praktisch op nul te zetten, zoals het kabinet nu doet, en terug te vallen
op ETS, omdat je dan dus dat gelijke speelveld hanteert, precies wat de heer Oosterhuis
zegt over de vliegbelasting?
De heer Oosterhuis (D66):
Ik zie ook wel dat de industrie het in Nederland niet heel makkelijk heeft op dit
moment. Wat dat betreft is mijn filosofie altijd de volgende geweest. Ik vind het
niet zo gek om in Nederland voorop te lopen met wat strengere maatregelen. Aan de
andere kant staat daar ook een grote bak aan subsidies en hulp tegenover. Ik vind
het op dit moment het grootste probleem dat de industrie op dit moment ook niet zo
goed weet waar ze aan toe zijn. Nu wordt er plotseling weer een klein deel uit gehaald.
De industrie is er mogelijk blij mee om de CO2-heffing nu tijdelijk te verlagen. Maar wat is nu echt het toekomstperspectief? Ik
had liever gezien dat dit onderdeel was van groter beleid, dan dat er nu even kort
op één instrument iets gedaan wordt. Dat is mijn voornaamste punt. Verder kent u mijn
partij: wij doen alles graag in Europees verband en het liefst lopen wij daarin voorop
in Europa.
De voorzitter:
Er is een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Oosterhuis zei eerder in zijn betoog dat hij geen abrupte wijzigingen in beleid
wil. Hij sluit af met de opmerking dat het volgende Belastingplan grote en gedurfde
keuzes moet bevatten. Ik kan die twee dingen niet goed met elkaar rijmen. Hoe komt
de heer Oosterhuis uit deze catch 22?
De heer Oosterhuis (D66):
Grote en gedurfde keuzes en een grote herziening van het belasting- en toeslagenstelsel,
wat naar mijn mening mogelijk is, zullen nooit in één jaar gebeuren. Dat zal enkele
jaren vergen. Juist door de grootsheid van de renovatie, waarbij je meerdere plussen
en minnen tegen elkaar weg kunt strepen, kun je de gevolgen ook dempen. Door niet
alleen maar enkele losse maatregelen te nemen, maar juist het stelsel in zijn geheel
onder de loep te nemen, denk ik dat het mogelijk is om grotere keuzes te maken, zoals
ook bij eerdere belastinghervormingen.
De voorzitter:
Als ik het goed zag, is de heer Oosterhuis daarmee aan het einde van zijn eerste termijn
gekomen. Hij heeft zich niet alleen door vijftien interrupties heen geslagen, maar
ook door een haperende geluidsinstallatie. Het is mogelijk om daar iets aan te doen.
Daarvoor moeten we een halve minuut schorsen. Mocht dat niet tot voldoende resultaat
leiden, zal ik daarna een kwartier moeten schorsen. Maar we gaan eerst de korte versie
proberen. Ik schors voor een halve minuut.
De vergadering wordt van 11.42 uur tot 11.44 uur geschorst.
De voorzitter:
De korte versie van de reset is niet geslaagd. Dat betekent dat we een koffiepauze
inlassen van vijftien minuten. Het is nu 11.45 uur. Om 12.00 uur wordt deze vergadering
hervat. Ik schors de vergadering.
De vergadering wordt van 11.45 uur tot 12.01 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen de vergadering. We hebben van de technische dienst doorgekregen dat de
storing verholpen is. Daar ga ik dus vooralsnog van uit. De bijdrage van de heer Vlottes
van de PVV kan daarmee ongehinderd plaatsvinden. Hij heeft vijftien minuten spreektijd
aangevraagd. Meneer Vlottes, ga uw gang.
De heer Vlottes (PVV):
Heel veel dank, voorzitter. Nou ja, we gaan beleven hoever we komen met het geluid.
Voorzitter. We zijn net vorige week weer beëdigd. Hartelijke felicitaties nog aan
de collega’s, en speciale felicitaties natuurlijk aan de nieuwbenoemde collega’s in
deze commissie. Maar hier zijn we weer, met het Belastingplan 2026. Dat is qua wetgeving
wat minder omvangrijk dan in voorgaande jaren, maar vooralsnog niet minder chaotisch.
De btw-verhoging op cultuur, media en boeken is eruit gehaald en al behandeld bij
de Algemene Financiële Beschouwingen. Maar één ding verandert niet, namelijk dat het
Belastingplan gelukkig nog wel één groot pakket is, waarover nog genoeg te zeggen
valt.
Ik begin dan maar met het meest veelomvattende. Het grote idee was om het stelsel
makkelijker en eenvoudiger te maken. Dat is niet gelukt, en kennelijk is ook het kabinet
die mening toegedaan. Het persbericht bij dit Belastingplan kopte namelijk: «Naar
een beter belastingstelsel». En verhip, dan valt ineens het kwartje en snap je waarom
het aantal ambtenaren op de afdeling communicatie van het Ministerie van Financiën
met zo’n 85% is toegenomen. «Beter» maakt het immers nog niet eenvoudiger of makkelijker,
maar het bekt wel lekker. Nou is er in de portefeuille Fiscaliteit ook een hoop gebeurd
qua bewindspersonen, maar er staat toch heel duidelijk dat er 250 miljoen gebruikt
zal worden om constructies en regelingen af te bouwen. Dit is niet gehaald en dit
wordt nu gedekt door de zogeheten tabelcorrectie minder toe te passen. Kort gezegd
komt het erop neer dat er minder rekening wordt gehouden met inflatie in de doorberekening
van de tarieven van de inkomstenbelasting, oftewel een lastenverzwaring voor de mensen
thuis. Daardoor moeten alle mensen thuis ervoor opdraaien dat het het kabinet niet
gelukt is om het belastingstelsel te vereenvoudigen. Maar dit is wel lekker makkelijk
zo. In de slipstream van het terugdraaien van de btw-verhoging wordt de taakstelling
om het belastingstelsel te vereenvoudigen gemakshalve ook maar geschrapt. Nu betaalt
iedereen mee aan het operafeestje van Roderick, maar ook aan het feit dat het kabinet
zijn eigen taakstelling niet haalt. Waarom is hiervoor gekozen?
Al met al komt dit over alsof deze Staatssecretaris het bijltje er toch een beetje
bij neergooit als het gaat om lastenverlichting. Het PVV-plan om het eigen risico
te halveren gaat niet door, het bevriezen van de sociale huren gaat niet door en de
boodschappenbonus gaat niet door, maar de Staatssecretaris zit wel vol energie als
het gaat om lastenverlichtingen. Toegegeven, de brandstofaccijns blijft op het niveau
van 2023. Gelukkig heeft het kabinet die correctiefactor nog wél met rust weten te
laten. Het is een schrale, maar noodzakelijke troost voor de mensen die nog altijd
hun bankrekening meer zien verdampen dan de benzine in hun auto. Daartegenover worden
echter de belasting op leidingwater en de afvalstoffenheffing verhoogd en komen er
een pseudo-eindheffing, een hogere verbruiksbelasting op bepaalde dranken, een hogere
CO2-heffing voor bedrijven, een hogere vliegbelasting en ga zo maar door.
Voorzitter. Nederland is kampioen in het stapelen van belastingen. Neem de tabaksaccijns.
Zat er in 2018 nog zo’n € 5,33 op een pakje shag, in 2024 liep dit op naar maar liefst
€ 17,35, alleen al aan accijns en btw. Het gevolg: de accijns op tabak is zo hoog
geworden dat iedere verhoging niets meer opbrengt. Dat valt te lezen in de sleuteltabel
die we ontvangen bij de jaarstukken.
Het is dan ook niet zo gek dat De Telegraaf vorige week kopte: «Schatkist loopt 2,6
miljard mis. Nederlanders halen meeste tabak uit het buitenland.» Dit roept dan ook
gelijk de vraag op of de Staatssecretaris op deze nieuwste cijfers kan reageren en
dan ook nadrukkelijk op de correlatie tussen de illegale sigaretten die ons land binnenkomen
en het verhogen van de accijns. Hoe verhouden deze zich tot elkaar?
Voorzitter. Dit is meer ter illustratie voor de wet die nu voorligt, die van de differentiatie
van de vliegbelasting naar afstand, oftewel: hoe verder je vliegt, hoe meer belasting
je gaat betalen. Dit betekent dat een gemiddeld gezin maar zo € 280 per passagier
extra kwijt is aan belastingen. Op deze manier wordt een gewone vakantie, waar mensen
hard voor gewerkt en ook in veel gevallen gespaard hebben, onbetaalbaar. Sterker nog,
Nederland krijgt hiermee de hoogste belasting op een vliegticket van Europa. Heeft
de Staatssecretaris overwogen dat het met de vliegbelasting ook dezelfde kant op kan
gaan als wat we nu zien met tabaksaccijns en dat deze belasting dus eerder geld kost
dan opbrengt?
Voorzitter. Dit kun je immers ook geen «grenseffect» meer noemen, want zo ongeveer
heel Nederland is op deze manier al een grensregio geworden. Door de alsmaar stijgende
accijnzen en belastingen loont het dus om naar Duitsland, Luxemburg of België te gaan
en om daar je tabak te halen, je boodschappen te doen, te tanken en dan dus ook straks
te gaan vliegen. Over die boodschappen kom ik nog op een later moment te spreken,
want de boodschappen stijgen zo ongeveer per week in prijs, lezen we. Veel mensen
kunnen het amper nog betalen.
Voorzitter. Dan wil ik toch terugkomen op die vereenvoudiging die maar niet wil lukken:
de multiplier in de lucratiefbelangregeling. Dit is een uitwerking van meerdere aangenomen
moties. Vooropgesteld: het is goed dat er nu wat wordt gedaan aan de constructie waarbij
voornamelijk private-equitymanagers en investeerders een hogere effectieve belastingdruk
hebben, als betrof het gewoon loon. Kort gezegd komt de regeling erop neer dat het
nominale belang wordt vermenigvuldigd met een tarief, vaak in box 3, en dat wordt
dan weer gedeeld in het geldende tarief in box 2. Dit bedrag dus, met een fictief
groter belang, wordt dan belast volgens de huidige tarieven in box 2. Met dit Belastingplan
zou deze regeling in werking kunnen treden per 1 januari 2026, maar met alleen de
inwerkintreding zijn we er duidelijk nog niet. Er zitten namelijk zo veel haken en
ogen aan deze regeling dat de Staatssecretaris zelf ook het volgende schrijft, wat
ik citeer: «Handhaving is gebaat bij een goede IV-ondersteuning, maar deze ondersteuning
is niet voor 1 januari 2029 te realiseren.»
Sterker nog, de Staatssecretaris schrijft zelfs dat door het ontbreken van IV-ondersteuning
de belastingplichtigen geacht worden uit eigen beweging de multiplier toe te passen
en de voordelen uit lucratief belang op te geven. Ook de uitvoeringstoets schetst
duidelijke problemen. De maatregel is niet fraudebestendig, is complexiteitsverhogend
en geeft een hoog risico op procesverstoringen. Dus ongeveer alles wat fout kán gaan,
zal ook fout gaan bij deze maatregel. Daarom vragen wij ons af of invoering van deze
lucratiefbelangregeling voor vertraging in het IV-portfolio kan zorgen. Onderaan de
streep komt het er namelijk op neer dat deze maatregel technisch wel gaat bestaan,
maar dat we voor 1 januari 2029 geen toepassing en handhaving hoeven te verwachten.
En zelfs dan is het nog maar de vraag of deze maatregel effect heeft. Kan de Staatssecretaris
hierop reageren? Hoe gaat de Staatssecretaris deze risico’s ondervangen?
De voorzitter:
Dit leidt tot een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
De heer Vlottes ziet allerlei beren op de weg. Die zien wij ook. Wij hebben ook een
aantal inhoudelijke argumenten voor het feit dat we dit een slecht idee vinden. Als
de Staatssecretaris gaat bevestigen wat de heer Vlottes hier allemaal zegt, is hij
dan te porren voor uitstel of afstel van deze regeling?
De heer Vlottes (PVV):
Ja, de microfoon doet het! Ik dacht even dat het knopje van de microfoon ook al niet
meer werkte. We laten het antwoord van de Staatssecretaris eerst nog even op ons inwerken.
Het moet natuurlijk wel zo zijn dat we maatregelen invoeren die effect sorteren; dat
past ook weer een beetje in die vereenvoudiging van het belastingstelsel. Dat er dan
misschien problemen zijn in het IV-portfolio weet mevrouw Van Eijk natuurlijk ook,
want daar worden we ook mee getorpedeerd bij onder andere box 3. Maar laten we eerst
even de beantwoording van de Staatssecretaris hierover afwachten.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
De heer Vlottes (PVV):
Voorzitter. Wat is het nut van deze maatregel als er geen IV-ondersteuning is – daar
ging de interruptie eigenlijk ook al over – en het vooral uit de private-equitysector
zelf moet komen en er wordt verwacht dat er vanuit die sector naar alternatieve standpunten
wordt gezocht, buiten het zicht van de Belastingdienst om? Hoe gaat de Staatssecretaris
hiermee om?
Voorzitter. Dan box 3. Inmiddels kunnen we wel zeggen dat een Belastingplan zonder
iets over box 3 te zeggen, haast geen Belastingplan meer is. Over een verhoging van
1,9% voor overige belegging ten opzichte van 2025 is het Register Belastingadviseurs
klip-en-klaar. Ik citeer: «Het is sterk de vraag of de gegeven onderbouwing van de
toename van het forfait voor overige bezittingen met 1,9% stand zal houden bij de
rechter.» Hoe beoordeelt de Staatssecretaris deze conclusie? Uit de antwoorden die
we hebben ontvangen van de Staatssecretaris blijkt ook wel dat er extra bezwaar- en
beroepsprocedures zullen volgen. Hij verwacht dat er door deze verhoging op basis
van de tegenbewijsregeling 40% meer bezwaren zullen worden ingediend. Waar is dit
aantal van 40% op gebaseerd? Is dit een ondergrens of een verwachting? En waar is
deze verwachting dan op gebaseerd?
Voorzitter. Momenteel staat box 3 voor veel mensen met enkele huurwoningen zo ongeveer
gelijk aan de verkoop van hun portfolio. Desalniettemin geeft de Staatssecretaris
aan niets te kunnen doen als tegemoetkoming. Hij wijst daarvoor op de kostenaftrekregeling,
zoals die zal gaan gelden in de mogelijk toekomstige Wet werkelijk rendement. Erkent
de Staatssecretaris dat een kostenaftrek in de Wet tegenbewijsregeling het leed had
kunnen verzachten? En erkent hij dat het ook een potentieel van 40% meer bezwaren,
met alle gevolgen van dien, in de uitvoering had kunnen voorkomen? Graag een reactie
hierop. Want als de uitvoeringstoets nog moet worden geüpdatet, is dat dan ook al
niet rijkelijk laat? En wat zijn de gevolgen voor bijvoorbeeld het IV-domein? Bestaat
dan ook de mogelijkheid dat hierdoor het nieuwe stelsel per 1 januari ’28 niet gehaald
kan worden? Is de Staatssecretaris dan bereid om in ieder geval de uitvoeringstoets
naar voren te halen, die nu ergens voor het eerste kwartaal, Q1, van volgend jaar
gepland staat? Zo lopen we niet het risico om hier komend voorjaar bij elkaar te zitten
en dan geconfronteerd te worden met nog grotere derving, vastgelopen systemen en andere
bestuurlijke rampen. Graag ook hier een reactie op.
Voorzitter. Dan kom ik terug op de vereenvoudiging van het belastingstelsel, wat niet
gelukt is, namelijk de pseudo-eindheffing. Vooral de brandstofauto moet het ontgelden
in dit Belastingplan, met een verhoging van de motorrijtuigenbelasting voor benzine-
en dieselauto’s en een verhoging in de aanschafbelasting. Kortom, auto’s worden nog
duurder, met als duveltje uit een doosje de pseudo-eindheffing: een soort straf voor
bedrijven als hun personeel rondrijdt met een brandstofauto in plaats van met een
elektrische auto, oplopend tot maar liefst 12% extra op de cataloguswaarde. Dit betekent
dat een gemiddelde leaseauto duizenden euro’s duurder wordt. Volgens de Staatssecretaris
mag deze heffing dan niet worden doorberekend aan de werknemer. Betekent dat dan niet
dat het gebruik van leaseauto’s in zijn geheel, of in heel veel gevallen, geschrapt
zal gaan worden en werknemers dan bijvoorbeeld voor eigen vervoer gaan zorgen tegen
een kilometervergoeding? In de praktijk zal dit ervoor zorgen dat werknemers gewoon
een brandstofauto kopen om lekker naar hun werk, hun klus of hun professionele werkzaamheden
te rijden en daar vervolgens een kilometervergoeding voor krijgen, waardoor het effect
dus nihil is. Kan de Staatssecretaris hierop reageren?
Voorzitter. De reden waarom ik dit vraag, laat zich wel raden. Op pagina 55 van de
nota naar aanleiding van het verslag staat dat er is voorgesteld om een lager bijtellingspercentage
op te nemen, maar dat dit om «budgettaire redenen» niet is gedaan. Dat is vreemd,
want de reden waarom deze maatregel is ingevoerd is toch echt de CO2-besparing. Een paar pagina’s verder lezen we dan ook: het doel is niet om een budgettaire
opbrengst te genereren, maar om de ingroei van elektrische auto’s te versnellen. Wat
is het nu? Wat betekent het voor de voorspelde CO2-besparing als werknemers inderdaad zelf voor het vervoer gaan zorgen tegen een vergoeding?
Graag een reactie hierop.
Voorzitter. Eerlijk is eerlijk, het lijkt erop dat de Staatssecretaris zelf ook de
bui ziet hangen bij deze gammele constructie, want voor deze maatregel wordt er gebruikgemaakt
van de Wet op de loonbelasting, ondanks het feit dat dit helemaal niets met loon te
maken heeft. Ook hier schrijft de Staatssecretaris: het kabinet heeft als doelstelling
om maatregelen te treffen die eraan bijdragen om de klimaatdoelen te halen. Het doel
heiligt de middelen, moet de Staatssecretaris hebben gedacht, maar dat gaat dan wel
ten koste van werkgevers en werknemers. Hoe reageert de Staatssecretaris hierop? Als
ik mij niet vergis, was er namelijk een stelpost van 250 miljoen opgenomen om complexe
fiscale constructies te schrappen en niet om die er nog bij te maken.
Voorzitter. Tot slot doe ik een lucratieve suggestie. Is het een idee om deze pseudo-eindheffing
dan gewoon niet in te voeren? De opbrengsten kunnen dan gebruikt worden om deze taakstelling
in te vullen en op die manier is er in ieder geval een begin gemaakt met de vereenvoudiging
van het belasting- en toeslagenstelsel.
Voorzitter, dank u wel. Tot zover mijn bijdrage.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage. Die leidt verder niet tot interrupties. Dan kom ik bij de bijdrage
van mevrouw Van Eijk. Zij heeft 35 minuten spreektijd aangevraagd.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja, er is in het weekend gewoon vijftien minuten bij gekomen toen ik ging oefenen.
Het zijn toch best wel veel onderwerpen, dus ja.
Voorzitter. Ook een demissionair kabinet moet verantwoordelijkheid nemen. Voor burgers
en ondernemers is financiële rust essentieel. Het behandelen van een belastingplan
van een demissionair kabinet is uitdagend. Dit wordt nog versterkt door de inmiddels
andere verhoudingen in de Tweede Kamer. Toch vinden wij het belangrijk dat het kabinet
kan doorwerken en kan doen wat nodig is voor mensen en bedrijven in dit land. Dat
betekent: rust bewaren, ervoor zorgen dat mensen meer geld in de portemonnee overhouden
en ruimte geven aan ondernemers.
De VVD is in grote lijnen tevreden met het pakket Belastingplan 2026. De koopkracht
stijgt, brandstof en energie blijven betaalbaar en de rekening wordt niet bij ondernemers
gelegd. Zoals gezegd, vinden we het belangrijk om in deze fase van de formatie, de
informatie, de rust te bewaren. We willen nu dus geen geld uitgeven zonder te weten
hoe we dat in de toekomst betalen. We schuiven de rekening niet door. We weigeren
mee te gaan in voorstellen die misschien lekker voelen, maar die laten zien dat men
de moed mist om echte keuzes te maken. Tegelijkertijd willen wij met een aantal wijzigingsvoorstellen
recht doen aan ons verkiezingsprogramma.
Het begint bij de portemonnee van Nederlanders, want zonder koopkracht geen perspectief
en zonder financiële zekerheid geen vertrouwen. Hardwerkende mensen verdienen het
dat hun inspanningen zichtbaar zijn in wat er onderaan de streep overblijft. De VVD
wil hun portemonnee beschermen. De VVD kiest dus voor ruimte en vertrouwen, voor een
aantrekkelijk ondernemers- en vestigingsklimaat, waarin bedrijven durven te investeren
en te groeien. Want pas als geld verdiend is, kan het worden uitgegeven. Pas als we
hier een sterke economie behouden, kunnen we onze middenklasse en onze veiligheid
beschermen.
Ik loop vandaag per wet door het pakket Belastingplan 2026 heen en zoom daarbij in
op de maatregelen die de VVD belangrijk vindt, waar zij vragen over heeft of die zij
overweegt te wijzigen. Daarnaast sta ik stil bij een aantal overige fiscale onderwerpen
die aandacht verdienen. Ik rond af met de uitvoerbaarheid. Goed beleid staat of valt
namelijk met wat de Belastingdienst daadwerkelijk kan uitvoeren.
Voorzitter. Ik begin bij het inkomensbeleid. De VVD is tevreden dat het koopkrachtbeeld
voor 2026 evenwichtig is en dat vrijwel alle groepen er in doorsnee op vooruitgaan.
Huishoudens gaan er gemiddeld 1,3% op vooruit. De verhoging van de arbeidskorting
is een stap in de goede richting om werken meer te laten lonen en de belastingdruk
op arbeid verder te verlagen. Daarmee wordt tegemoetgekomen aan de wens van de VVD
om mensen die werken of willen gaan werken, extra te ondersteunen. Tegelijkertijd
vinden wij het teleurstellend dat werkenden er niet meer op vooruitgaan dan niet-werkenden.
Voor een sterke economie is het belangrijk dat arbeid structureel aantrekkelijker
wordt gemaakt dan het ontvangen van een uitkering. De VVD vindt dat werken, meer uren
maken en doorgroeien altijd financieel moeten lonen.
Het schrappen van de zogenoemde buffelboete, hoewel begrijpelijk vanuit inkomensbescherming,
leidt ertoe dat de prikkel om meer te gaan werken wordt verzwakt. Dat is een gemiste
kans. We zouden liever hebben gezien dat de middelen gericht worden ingezet om arbeidsparticipatie
te stimuleren, maar we hebben hierover een afspraak gemaakt en daar zullen wij ons
aan houden.
De VVD is blij dat een simpele schriftelijke afspraak tussen werkgever en werknemer
genoeg is om vast te leggen dat een fiets van de zaak niet privé wordt gebruikt. Dat
scheelt regeldruk, gedoe en controles voor werkgevers en voor de Belastingdienst.
Maar we zien wel dat de fiscale regels voor de fiets van de zaak anders uitpakken
dan andere fietsregelingen. Collega Van Oostenbruggen refereerde daar ook al aan.
Dat leidt tot onduidelijkheid en maakt het gebruik ... O sorry, ik bedoelde «collega
Oosterhuis». Ik moet echt nog oefenen; excuus daarvoor. Maar we bedoelen hetzelfde.
Dat leidt tot onduidelijkheid en maakt het gebruik van de fiets voor woon-werkverkeer
onnodig ingewikkeld. Daarom vraag ik de Staatssecretaris of hij bereid is deze verschillen
te verkleinen en de regels te vereenvoudigen. Kan hij inzicht geven in welke stappen
hij kan zetten om het fiscaal aantrekkelijker en eenvoudiger te maken om voor de fiets
te kiezen?
Dan de lucratiefbelangregeling. Die is ook door een aantal van de collega’s al aangehaald.
De VVD heeft grote moeite met de voorgestelde verzwaring van de lucratiefbelangregeling.
De maatregel zorgt ervoor dat werknemers van start-ups en investeringsfondsen zwaarder
worden belast. Wat bedoeld is om misbruik aan te pakken, raakt in de praktijk juist
de mensen die zorgen voor een groeiende economie: innovatieve ondernemers, mkb-investeerders
en investeringsfondsen. Terwijl andere Europese landen carried interest met 25% tot
30% belasten, jagen wij ze weg met een effectief tarief van 36%. De effectieve belasting
kan zelfs oplopen tot maximaal 52,51%, hoger dan het toptarief in box 1.
Bij andere debatten hebben we het vaak over de vraag hoe we groeigeld kunnen aantrekken
voor de Nederlandse economie, terwijl de maatregel die nu wordt voorgesteld, juist
zorgt voor minder groeigeld in Nederland en tegengesteld is aan de kabinetsplannen
om werknemersparticipatie te stimuleren. Dat is funest voor ons vestigingsklimaat,
voor investeringen en voor het aantrekken van talent. En dat terwijl de commissie-Wennink
over enkele weken met een advies komt over ons toekomstig verdienvermogen. De VVD
wil misbruik aanpakken en steunt de maatregel om onwenselijke structuren tegen te
gaan, maar het is onbegrijpelijk om daarnaast juist nu een forse belastingverhoging
door te voeren zonder dat advies af te wachten. Dit is niet voorspelbaar, niet verstandig
en niet uitvoerbaar. Daarom heb ik de volgende vragen aan de Staatssecretaris.
Erkent hij dat dit voorstel Nederland minder aantrekkelijk maakt voor investeerders
en talent? Waarom niet wachten op het advies-Wennink voordat we zo’n grote stap zetten?
Erkent de Staatssecretaris dat dit voorstel kan zorgen voor een verdere verstoring
van het globaal evenwicht als het gaat om de belastingdruk voor verschillende belastingplichtigen?
Dit voorstel maakt management- en aandelenplannen onaantrekkelijker en dat is precies
het tegenovergestelde van wat nodig is voor groeiende bedrijven en voor het aantrekken
van schaarse specialisten. Ziet de Staatssecretaris dat dit haaks staat op zijn eigen
ambities voor werknemersparticipatie? De Belastingdienst krijgt meer werk, minder
overzicht en meer discussies achteraf doordat VSO’s wegvallen. Daarnaast is tot 2029
goede handhaving moeilijk doordat de IT-systemen van de Belastingdienst pas op dat
moment aangepast kunnen worden. Erkent de Staatssecretaris dat de uitvoeringslast
fors toeneemt? Hoe is dit voorstel dan toch als uitvoerbaar beoordeeld? In het eigen
onderzoeksrapport van Financiën staat: niet wijzigen vóór inwerkingtreding van het
nieuwe box 3-stelsel. Waarom wordt dit advies genegeerd? Is de Staatssecretaris bereid
de invoeringsdatum uit te stellen?
Voorzitter. Dan de aanpassingen in box 3. De VVD maakt zich grote zorgen over de voorgestelde
verhoging van het box 3-forfait voor overige bezittingen en de verlaging van het heffingsvrije
vermogen. Deze maatregelen zijn bedoeld om een budgettair gat te vullen, maar treffen
in de praktijk juist mensen die investeren in onze economie en in onze woningmarkt.
Het forfait voor overige bezittingen gaat naar bijna 8% en dat is fors. Dit raakt
onder anderen particuliere verhuurders, terwijl zij juist investeren in betaalbare
huurwoningen en broodnodig aanbod creëren. Met dit soort stappen maken we het investeringsklimaat
alleen maar slechter en daarmee het woningtekort alleen maar groter. Daarnaast wordt
het heffingsvrije vermogen verlaagd. Daardoor komen er, zoals gezegd, 300.000 extra
belastingplichtigen in box 3. Dat zijn mensen met simpelweg wat spaargeld. Dat is
niet alleen slecht voor hen, maar ook voor de uitvoering, die nu al op omvallen staat.
De VVD is tegen extra belastingverhogingen op spaargeld en vermogen. Ik heb dan ook
een aantal vragen aan de Staatssecretaris.
Erkent de Staatssecretaris dat een forfait van bijna 8% investeringen in huurwoningen
verder ontmoedigt? Ziet hij het risico dat dit voorstel het aanbod van betaalbare
huur verder onder druk zet? Wat betekent het voor de uitvoering dat er 300.000 belastingplichtigen
bij komen in box 3, terwijl de Belastingdienst al overbelast is? Deelt de Staatssecretaris
de zorg dat we hiermee opnieuw mensen met relatief kleine vermogens onevenredig hard
raken? Staat de Staatssecretaris open voor een meer gematigde verhoging van het forfait
en voor het niet-verlagen van het heffingsvrij vermogen, zeker nu het nieuwe stelsel
pas in 2028 ingaat?
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, voordat ik haar plaats, heb ik een vraag. U schijnt aan de voorkant iets
te hebben gezegd over een maximum van zes interrupties. Ik dreig daar al overheen
te gaan. Voordat ik mevrouw Van Eijk een hele waardevolle vraag ga stellen: welke
coulance is er mogelijk?
De voorzitter:
Meneer Grinwis, het is natuurlijk zo dat het in een wetgevingsoverleg in principe
vrijstaat om maximaal te interrumperen. Ik heb gepoogd enige zelfdiscipline op te
leggen, maar ik zie ook wel dat het tot behoorlijk wat reacties leidt. U mag een voorstel
doen. Dan leg ik dat voor aan de vergadering.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Kijk aan, ik krijg de vrijheid. Dank, voorzitter. Dan zou ik willen voorstellen om
in te zetten op het dubbele: twaalf.
De voorzitter:
Ik kijk even of de collega’s zich daarin kunnen vinden. Ja, zie ik. Dan gaan we dat
doen. Dan vraag ik wel om uw zelfdiscipline om die interrupties wat kort te houden.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank. Ook dank aan de collega’s. Ik heb hierover een vraag aan collega
Van Eijk. Ik ben het namelijk zeer eens met wat ze zegt over box 3. Zij vraagt om
tempering, niet om het schrappen van de versoberingen van de lastenverzwaring. Mijn
vraag is: waarom? En hoe zou ze het willen betalen? Er zijn veel vragen te stellen
over of de raming inderdaad klopt, maar de regels der kunst zijn nou eenmaal dat wij
met een dekking moeten komen. Aan welke dekking denkt zij? Wat vond zij van de suggestie
die ik al eerder in het debat richting collega Oosterhuis heb gedaan?
De voorzitter:
Helder. Dit waren drie of vier vragen in één, dus het was ook heel effectief!
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik ben pas de derde spreker, maar je ziet dus dat box 3 ook hier in de volle breedte
leeft. We zijn allemaal op zoek naar oplossingen voor het heffingsvrij vermogen, dan
wel voor de verhoging van het forfait. We hebben ook allemaal ideeën over welke dekking
daarbij zou passen. Ik denk ook dat we de komende dagen moeten gebruiken om te kijken
waarover we overeenstemming kunnen bereiken. Ik heb heel specifiek gekeken naar het
volgende. De groep belastingplichtigen waarom het hier gaat, bestaat vooral uit belastingplichtigen
die ook in box 1 onder het hoogste tarief vallen. Ik zou dus openstaan voor een oplossing
in het wat bredere domein. Dat zou bijvoorbeeld kunnen betekenen dat er iets gedaan
wordt aan het aangrijpingspunt toptarief box 1. We hebben daar ook een stukje dekking
uit gehaald om de buffelboete mee te dekken. Dat hebben we in een brede coalitie voor
elkaar gekregen. Mijn idee zou dus zijn om daar in ieder geval ook naar te kijken.
Een oplossing binnen box 3 zelf zie ik absoluut niet werken, omdat die belastingdruk
al gigantisch zwaar is. Ik zeg dus nu al dat als die voorstellen er komen, ik die
niet ga steunen.
De voorzitter:
Daarmee ga ik naar de volgende spreker.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik zie de heer Grinwis kijken. Ik heb een heel rijtje gemaakt. Ik zag erf- en schenkbelasting
voorbijkomen, evenals het tarief. Maar de heer Grinwis moet me heel even helpen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, als het mag? Het betrof een iets snellere afbouw van de wet-Hillen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Die ga ik mee terugnemen. Ik denk namelijk dat het sowieso, los van de inhoud al,
ingewikkeld wordt om dat als deugdelijke dekking te kunnen bestempelen. Maar goed,
ik wacht de reactie van de Staatssecretaris daarover even af. Zoals ik zei zijn er
heel veel verschillende ideeën over de dekking. Er zijn ook heel veel verschillende
ideeën over waar het dan terecht zou moeten komen. Het matigen van de voorgenomen
verhoging van het forfait is omdat er budgettair gezien niet heel veel ruimte is om
dat helemaal op te lossen. Overigens had ik dat het liefste gedaan.
De voorzitter:
De volgende interruptie is van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Mevrouw Van Eijk noemt een verhoging in box 1. Alleen zou die ertoe leiden dat werken
minder gaat lonen en ook dat méér werken minder gaat lonen. Is zij het dus niet met
mij eens dat een oplossing voor box 3, als die gezocht moet worden, toch meer in de
vermogenssfeer zou moeten zitten dan in de inkomenssfeer?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik begrijp heel goed wat hier gezegd wordt. Uiteraard moet werken lonen en moet meer
werken meer lonen. Maar alsnog blijft er ruimte over om in die inkomensgroep mensen
erop vooruit te laten gaan. Alleen, ze gaan er minder op vooruit als je deze dekking
daarvoor zal aanwenden. Maar we zijn het nog aan het uitwerken, dus ik moet nog zien
hoe het precies gaat uitpakken. Maar ik wil niet uitsluiten dat we breder kijken dan
alleen maar naar box 3.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Mijn vraag raakt hier ook aan. Ik begrijp het niet. De VVD begon het betoog met: werken
moet lonen. Maar nu wordt alweer gesuggereerd: we gaan de lasten in box 1 verhogen
om die in box 3 te verlagen. Dat staat toch haaks op het hele betoog om werken te
laten lonen? Volgens mij worden hier verschillende routes genoemd. Ik sta open voor
alles, maar niet voor box 1. Het is heel raar als we met elkaar zeggen dat werken
moet lonen en dan met box 3 gaan compenseren. Zou u daarop kunnen reflecteren?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dan val ik in herhaling. Ik heb aangegeven dat we hebben gekeken naar deze groep box 3-belastingplichtigen.
Waar zitten die ergens in box 1? Daarin zit gewoon overlap in de doelgroep, om het
zo maar eventjes te noemen. Daarmee vind ik het verantwoord. Ik heb aangegeven dat
deze groep er dan nog steeds op vooruitgaat. We moeten dus niet het frame opplakken
dat het betekent dat werkenden er niet op vooruitgaan, want dat is gewoon niet waar.
De voorzitter:
U vervolgt uw betoog.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Voorzitter. Ik kom bij de ETK-regeling. De VVD hecht groot belang aan het behoud van
een sterke en concurrerende kennismigrantenregeling. Deze regeling is cruciaal voor
het aantrekken van internationaal talent, dat onze kennisintensieve economie draaiende
houdt. Nederland kan zich geen onzekerheid permitteren in een tijd waarin ons verdienvermogen
onder druk staat. Wij moeten aantrekkelijk blijven voor hoogopgeleide specialisten
en innovatieve ondernemers. De VVD steunt het aanpakken van misbruik, maar werkgevers
en kennisinstellingen hebben wel recht op rust en stabiliteit. Het op korte termijn
opzeggen van convenanten, waar werkgevers nu op vertrouwen, voelt voor velen als oneerlijk
en onvoorspelbaar. Graag een reflectie van de Staatssecretaris. Begrijpt hij deze
zorgen en ziet hij ruimte om dit zorgvuldiger te doen?
Dan de pseudo-eindheffing. De VVD zal met frisse tegenzin instemmen met de voorgestelde
pseudo-eindheffing op fossiele leaseauto’s. Het doel, verduurzaming van het wagenpark,
onderschrijven wij, maar wij geloven meer in positieve stimulansen dan in nieuwe strafheffingen.
Wij vinden dat beleid uitvoerbaar, eenvoudig en realistisch moet zijn. Het kabinet
wil vanaf 2017 een heffing van 12% boven op de reguliere bijtelling volledig voor
rekening van werkgevers laten komen. Maar laten we eerlijk zijn, met deze maatregelen
dwingen we ondernemers richting elektrisch rijden, terwijl zelfs de overheid daar
zelf nog niet klaar voor is. Rijkswaterstaat schaft 200 nieuwe diesels aan. Dat is
niet uit onwil, maar omdat elektrisch in de praktijk vaak niet werkt, niet voor lange
afstanden en niet voor zware belastingen. Dat is precies wat ondernemers al jaren
aangeven. De VVD is ook bezorgd over de extra nalevingskosten voor werkgevers én werknemers.
Het is gewoon extra regeldruk. Daarom zullen wij een praktische, eenvoudige suggestie
doen: pas de pseudo-eindheffing, net als de bijtelling, toe vanaf de maand na registratie.
Dat voorkomt onnodige administratieve rompslomp. De derving ervan is verwaarloosbaar.
Daarnaast zien wij kansen in flankerend beleid, zoals het continueren van een lagere
bijtelling voor emissievrije auto’s. Daarmee stimuleer je verduurzaming in plaats
van het te forceren.
Dan heb ik nog enkele concrete vragen. Erkent de Staatssecretaris dat deze maatregel
de nalevingskosten voor werkgevers aanzienlijk verhoogt? En ziet hij ruimte om onze
suggestie, toepassing vanaf de maand na registratie, over te nemen? In de toelichting
wordt de situatie van salary splits niet besproken. Kan de Staatssecretaris bevestigen
dat de pseudo-eindheffing proportioneel wordt toegepast wanneer een werknemer slechts
voor een deel van zijn inkomen in Nederland belast is?
Dan de aanpassingen aan de CO2-heffing voor de industrie. De VVD is blij dat het kabinet stappen zet om de nationale
CO2-heffing voor de industrie in lijn te brengen met Europa. Nederland was het enige
EU-land met een eigen extra heffing boven op het ETS. Daarmee zetten we onze eigen
industrie op achterstand, terwijl andere landen hun bedrijven juist beschermen. Het
is goed dat het kabinet het tarief nu verlaagt en de vrijgestelde rechten verruimt.
Dat brengt ons dichter bij een gelijk speelveld en geeft bedrijven de ruimte om te
investeren in innovatie en verduurzaming. Zo geven we onze industrie, die wil verduurzamen,
de kans om dat in Nederland te doen in plaats van over de grens. Onze industrie wordt
al jaren geconfronteerd met hoge energieprijzen, oplopende netwerkkosten en een stapeling
van nationale heffingen. Terwijl Duitsland, België en Frankrijk stevig ondersteunen,
is in Nederland juist de volumecorrectieregeling afgeschaft. Gelukkig is de indirecte
kostencompensatie wél verlengd. Maar het verder afbouwen van zogenaamde fossiele subsidies
of het verder belasten van uitstoot helpt niet, zeker niet in de internationale concurrentiestrijd
waarin we zitten.
Twee vragen aan de Staatssecretaris. Erkent de Staatssecretaris dat verdere nationale
koppen op het ETS in welke vorm dan ook schadelijk zijn voor ons verdienvermogen en
dat Nederland zich in Brussel moet richten op één eerlijk Europees systeem in plaats
van eigen aanvullende heffingen? En hoe zorgt het kabinet ervoor dat de industrie
daadwerkelijk ruimte krijgt om te investeren, nu energiekosten, netwerkkosten en fiscale
lasten nog steeds stapelen? Is het kabinet bereid om in samenhang te kijken naar het
totale pakket aan lasten dat op de industrie drukt?
Dan de belastingvermindering energiebelasting. De VVD steunt de verhoging van de belastingvermindering
op de energierekening, zodat energie voor huishoudens betaalbaar blijft en mensen
meer lucht houden in hun maandlasten. Het is een eenvoudige en effectieve manier om
de energierekening te verlagen. We kijken uit naar de verdere uitwerking richting
2029. Hoe blijft het kabinet oog houden voor het mkb, dat nog altijd kampt met hoge
energiekosten en voor wie betaalbare energie cruciaal is om te kunnen blijven ondernemen?
Kan het kabinet bij de appreciatie van het amendement-Kouwenhoven ingaan op het effect
op de energierekening van mkb’ers als de belastingkorting voor hen wordt geschrapt?
Dan het verlengen van de verlaagde accijnstarieven op brandstof. De VVD steunt uiteraard
de verlenging van de verlaging van de brandstofaccijns tot 1 januari 2027, zodat autorijden
betaalbaar blijft en automobilisten niet geconfronteerd worden met een tientje extra
afrekenen aan de pomp, zeker nu de benzineprijs het hoogste punt bereikt in bijna
anderhalf jaar tijd. Voor veel Nederlanders is de auto geen luxe, maar een noodzaak
om naar werk, school of familie te gaan. Door deze maatregelen beschermen we de portemonnee
van werkenden en houden we mobiliteit bereikbaar voor iedereen.
De bedrijfsopvolgingsregeling mag ook niet ontbreken in een debat over het Belastingplan.
Familiebedrijven vormen de ruggengraat van onze economie en zorgen voor werkgelegenheid,
continuïteit en regionale binding. De VVD is teleurgesteld dat de verruiming van de
bedrijfsopvolgingsregeling niet doorgaat vanwege juridische risico’s en uitvoeringsrisico’s.
Maar tegelijkertijd is zij opgelucht dat een verdere versobering van tafel is. Familiebedrijven
verdienen duidelijkheid en rust om met vertrouwen te kunnen investeren en hun onderneming
over te dragen aan de volgende generatie. De VVD wil daarom een einde aan de onzekerheid
rond de BOR en een stabiel toekomstbestendig opvolgingsklimaat voor familiebedrijven.
Kan de Staatssecretaris toezeggen dat de versobering van de BOR uit het vorige Belastingplan
ook echt definitief van de baan is nu door het amendement-Stoffer deze versobering
niet in werking treedt? Is de Staatssecretaris bekend met het stimuleringsbeleid van
de Europese Commissie om familiebedrijven bij bedrijfsopvolging te faciliteren? Steunt
hij dit beleid actief?
Voorzitter. Dat was het wetsvoorstel inzake het Belastingplan. Ik kom nu aan bij het
wetsvoorstel Overige fiscale maatregelen. Daar heb ik twee punten bij. Ten eerste
de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer. De VVD begrijpt dat een uitzondering
op de Wet modernisering elektronisch bestuurlijk verkeer voor de Belastingdienst en
Douane op dit moment noodzakelijk is. De uitvoering loopt tegen serieuze problemen
aan en bovendien zou volledige toepassing nu botsen met EU-recht. Daarom blijft de
huidige digitale werkwijze voorlopig gehandhaafd en schuift volledige aansluiting
op tot 2030. Maar daarmee is het probleem niet opgelost, want digitaal bezwaar kan
nog steeds niet voor alle belastingen en beschikkingen. Dat leidt tot onzekerheid
voor burgers en bedrijven en tot het risico dat bezwaren onterecht niet-ontvankelijk
worden verklaard. Dat is niet uit te leggen. De VVD vindt dat de bewaarfase veel hoger
op de prioriteitenlijst moet komen binnen het ingroeimodel. Burgers en ondernemers
moeten tijdig duidelijk en volledig digitaal bezwaar moeten kunnen maken; dat is een
basisvoorwaarde voor rechtsbescherming en voor vertrouwen in de overheid.
Daarom de volgende vraag aan de Staatssecretaris. Kan hij toezeggen dat de bezwaarfase
en het volledig digitaal kunnen indienen van bezwaar versneld worden opgepakt binnen
het ingroeipad naar 2030? Wanneer kan de Kamer verwachten dat digitaal bezwaar voor
alle soorten belastingen beschikbaar is?
Dan het tijdelijk overgangsrecht fonds voor gemene rekening. We hebben daar bij het
vorige Belastingplan uitgebreid bij stilgestaan. Ik weet nog goed dat ik toen een
amendement klaar had liggen, maar dat ik vanwege de complexiteit van de hele materie
daar niet op door durfde te pakken. Maar ik ben wel ontzettend blij met de uitvoering
van mijn motie, waardoor het gesprek met belangenorganisaties echt is aangegaan om
ervoor te zorgen dat we voorkomen dat er hier allerlei ongelukken gebeuren. Maar we
zijn er nog niet, zeg ik tegen de Staatssecretaris, via u, voorzitter.
Het overgangsrecht voor een fonds voor gemene rekening is namelijk te beperkt. Zoals
ook Vakstudie Nieuws terecht opmerkt, geldt dat nu alleen voor fondsen die al op 31 december
2024 bestonden. Voor nieuwe fondsen, zeker buitenlandse fondsen, ontstaat daardoor
een probleem. In de praktijk is namelijk niet altijd helder of een fonds naar Nederlandse
maatstaven wel of niet een fonds voor gemene rekening is. Dat geldt voor Nederlandse
fondsen, maar zeker ook voor buitenlandse fondsen, waar rechtsvormen en regimes enorm
uiteenlopen. Het inkoopmechanisme dat nodig is om transparant te blijven, is in het
buitenland simpelweg ongebruikelijk.
Als we het overgangsrecht niet verruimen, dan krijgen buitenlandse fondsen tussen
2025 en 2028 te maken met een kortstondige en volledig onbedoelde belastingplicht:
eerst wel belast, maar vanaf 2027 en 2028 waarschijnlijk weer niet. Dat is administratief
onwerkbaar en kostbaar, en jaagt investeerders weg. Dat moeten we niet willen. Vakstudie
Nieuws zegt het treffend: wat is eigenlijk het bezwaar om het overgangsrecht ook toe
te passen op nieuw opgerichte entiteiten? De VVD ziet dat bezwaar ook niet. Daarom
mijn vraag aan de Staatssecretaris: is hij bereid om het overgangsrecht te verruimen
naar alle fondsen die na 31 december 2024 worden opgericht, zodat we voorkomen dat
nieuwe en met name buitenlandse fondsen onnodig en kortstondig belastingplichtig worden?
Ik dacht: misschien komt er een interruptie; dan neem ik een slok water. Maar die
kwam niet, dus ik neem ’m nu alsnog.
Het wetsvoorstel Tweede wet aanpassing Wet minimumbelasting 2024 is een onderwerp
waar ik aandacht voor vraag in alle debatten die gaan over internationale fiscaliteit
en het vestigingsklimaat. De VVD staat achter het doel van Pijler 2: het tegengaan
van mondiale winstverschuiving en het zorgen voor een eerlijk minimumtarief. Maar
we moeten ook eerlijk zijn: de internationale implementatie is nog verre van stabiel.
Terwijl wereldwijd wordt gewerkt aan vereenvoudiging en een side-by-sidebenadering met de VS, moet Nederland scherp blijven op het behoud van een gelijk speelveld
en de concurrentiekracht van Europese multinationals. Nu de praktijk op stoom komt,
zien we dat de regels van de Europese Pijler 2 in veel gevallen zwaarder uitpakken
dan de Amerikaanse regels. Dat leidt tot een verslechtering van onze concurrentiepositie.
Bedrijven met een effectieve belastingdruk van ver boven de 15%, vaak 20% tot 25%,
worden alsnog geconfronteerd met enorme administratieve lasten, zonder enig risico
op onderbelasting.
Een eenvoudiger systeem, zoals global blending of een hightech safe harbour, kan hier
verlichting bieden. Het levert rust, voorspelbaarheid en uitvoerbaarheid op, zonder
af te wijken van het minimumtarief. Daarnaast mag Pijler 2 er nooit toe leiden dat
Europees strategisch beleid wordt uitgehold. Belastingfaciliteiten voor innovatie,
semiconductors, Defensie, AI, farma of onze zeevaartsector, die allemaal cruciaal
zijn voor ons verdienvermogen, mogen niet onbedoeld worden geneutraliseerd. Incentives
die passen binnen het EU- en OESO-kader moeten ook onder Pijler 2 herkenbaar blijven.
Ziet de Staatssecretaris het risico dat Europese bedrijven door een strengere toepassing
van Pijler 2 verder achterop raken ten opzichte van Amerikaanse bedrijven? Erkent
de Staatssecretaris dat veel multinationals ervaren dat hun concrete voorbeelden van
knelpunten onvoldoende worden meegenomen? Hoe gaat hij ervoor zorgen dat deze signalen
wél worden vertaald naar de Nederlandse inzet in Brussel en het Inclusive Framework?
Is hij bereid om in het Inclusive Framework actief te pleiten voor een hightech safe
harbour voor ondernemingen met een effectieve belastingdruk die ruimschoots boven
de 15% ligt en voor een ruimhartige behandeling van strategische tech incentives?
Ik wil het op dit punt nog specifiek hebben over de zeevaart. De tonnageregeling is
essentieel voor onze economie, energievoorziening en defensie. Door verschillen tussen
de definities van Pijler 2 en het tonnageregime ontstaat het risico dat Nederlandse
rederijen onterecht als onderbelast worden aangemerkt. Dat mogen we niet laten gebeuren.
Ik heb twee vragen aan de Staatssecretaris. Deelt hij de opvatting dat een nationale
verduidelijking van artikel 8.3 van de Wet minimumbelasting noodzakelijk en proportioneel
kan zijn om voor mobiele activa die niet in één jurisdictie opereren een reële en
evenwichtige toepassing van de regel voor uitgesloten inkomen op basis van reële aanwezigheid
te waarborgen, zonder af te wijken van de OESO- en EU-kaders? Ik bedenk me nu dat
we een tweede schriftelijke ronde hadden moeten hebben. Die hadden we niet. Vandaar
dat ik deze vragen toch stel, ook al zijn ze supertechnisch. Is hij bereid om te bevestigen
dat voor een periode waarin werkschepen of andere mobiele materiële activa niet aan
een buitenlandse vaste inrichting zijn toe te rekenen en de daarmee samenhangende
inkomsten in Nederland wel tot het wereldinkomen behoren, deze activa voor de toepassing
van de SBIE geacht kunnen worden in Nederland te zijn gelegen zodat de betreffende
dagen meetellen voor de Nederlandse grondslag, mits dubbeltelling wordt voorkomen?
Het wordt weer een stuk makkelijker, hoor. Ik kom bij de Wet stroomlijning fiscaal
inzagerecht, ook al aangehaald door mijn collega’s. Het recht op inzage in het eigen
fiscale dossier is belangrijk. Burgers en ondernemers moeten kunnen zien welke informatie
de Belastingdienst gebruikt en waarop beslissingen zijn gebaseerd. Dit staat voor
de VVD niet ter discussie, maar we moeten ook eerlijk zijn. Artikel 66a AWR is in
de huidige vorm simpelweg niet uitvoerbaar. Het amendement-Omtzigt treedt eind ’25
in werking, maar de Belastingdienst en de Douane kunnen dat technisch helemaal niet
aan, niet zonder grote risico’s, dubbel werk en verdringing binnen een IV-portfolio
dat nu al overvol zit. Invoering voor 2030 is volgens de uitvoeringsinstanties zelf
niet reëel. Daarom snapt de VVD dat dit wetsvoorstel kiest voor een gefaseerde, uitvoerbare
aanpak via AMvB of per rijksbelasting, maar dan moet wel helder zijn waar we aan toe
zijn.
Dan mijn vragen. Kan de Staatssecretaris bevestigen dat de inkomstenbelasting niet
al per 31 december ’25 onder het inzagerecht wordt gebracht zolang dit leidt tot tijdelijke
noodoplossingen en verdringing bij grote IT-vernieuwingen? Erkent de Staatssecretaris
dat een halve, noodgedwongen of tijdelijke implementatie van artikel 66 leidt tot
meer risico’s, minder rechtszekerheid en uiteindelijk vertraging? Is hij bereid expliciet
de pauzeknop in te drukken totdat de informatiehuishouding daadwerkelijk op orde is?
Wanneer ontvangt de Kamer een concreet, realistisch tijdspad richting volledige implementatie
na 2030?
Voorzitter. Ik kom bij de vliegbelasting. De VVD kan instemmen met de voorgestelde
differentiatie in de vliegbelasting. Dat langere vluchten die meer uitstoten zwaarder
worden belast, is logisch en past bij het principe «de vervuiler betaalt». Zolang
we aansluiten bij wat omringende landen doen, houden we een eerlijk speelveld. De
VVD is heel duidelijk: dit is wat ons betreft de grens. We gaan niets terugdraaien,
maar we gaan ook niet verder omhoog. Dat betekent geen transfer tax, geen extra heffing
op businessclass en geen nieuwe nationale koppen boven op Europees beleid. Dat zou
onze economie, onze hubfunctie en ons vestigingsklimaat direct schaden. Juist nu Duitsland
per 2026 zijn luchtvaartbelasting verlaagt, moeten we voorkomen dat Nederland zichzelf
uit de markt prijst, want dat betekent simpelweg meer uitwijk naar het buitenland,
minder connectiviteit en minder banen hier.
De VVD vraagt daarom wel extra aandacht voor regionale luchthavens, zoals Eelde en
Maastricht. Die worden door hun grensligging en beperkte schaal onevenredig hard geraakt.
Reizigers stappen letterlijk tien minuten verderop in Duitsland goedkoper op het vliegtuig.
Daarom heb ik de volgende vraag aan de Staatssecretaris. Welke maatregelen kan het
kabinet nemen om voor regionale luchthavens een gelijker speelveld te creëren, bijvoorbeeld
via gerichte compensatie of vrijstellingen binnen de Europese kaders? Is de Staatssecretaris
bereid te onderzoeken welke alternatieven er zijn om te voorkomen dat regionale luchthavens
structureel worden weggeconcurreerd door luchthavens net over de grens?
Ik heb nog een kopje overig met twee onderwerpen die niet echt onder te brengen waren
bij de wetsvoorstellen die nu voorliggen, maar die ik wel heel erg belangrijk vind.
Het eerste onderwerp is de bijzondere invaliditeitsverhoging. De bijzondere invaliditeitsverhoging
is smartengeld. Het is compensatie voor immateriële schade die veteranen opliepen
in dienst van Nederland. Smartengeld hoort netto te zijn. In alle andere letselschadezaken
is dat zo, maar voor onze veteranen niet. Dat is niet uit te leggen. De VVD vraagt
hier al jaren aandacht voor in Kamerbrieven, debatten en moties. Steeds weer wijzen
we op hetzelfde punt: veteranen worden door de huidige belasting op de BIV slechter
behandeld dan andere slachtoffers van letselschade. Dat doet geen recht aan hun positie
en zeker niet aan de waardering die zij verdienen. De VVD vindt dat de BIV fiscaal
moet worden behandeld als wat zij is: smartengeld, geen inkomen. We overwegen een
amendement om de BIV onder artikel 3.104, onderdeel r, Wet IB 2001 te brengen, gewoon
net zoals andere vergelijkbare vrijstellingen.
Ik heb de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Waarom lukt het in Nederland wel
om smartengeld in civiele letselschadezaken vrij te stellen, maar niet om dat te doen
voor veteranen die letselschade opliepen namens de Staat? Erkent de Staatssecretaris
dat het belasten van de BIV leidt tot lagere nettocompensatie dan bij andere letselschadeslachtoffers?
De voorzitter:
Dit leidt tot een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ho, ik stoot mijn glas om. Nou ja, het is maar water. Mevrouw Van Eijk brengt hier
een heel relevant punt in. Zij zegt dat ze overweegt om een amendement in te dienen.
Ik vraag me af wat ervoor nodig is om dat niet te hoeven doen.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ja, een toezegging, maar ik heb hier al zo vaak aandacht voor gevraagd middels Kamerbrieven,
moties et cetera dat ik er weinig vertrouwen in heb dat deze Staatssecretaris deze
toezegging gaat doen. Als die er niet komt – ik verwacht dat die er niet gaat komen
– dan overweeg ik een amendement in te dienen, maar ik wil uiteraard wel een amendement
dat uitvoerbaar en juridisch houdbaar is. Daar hebben we verschil van mening over.
Dus ik ben nog druk in overleg, ook met een aantal mensen uit de praktijk en een aantal
juristen, maar ook met het ministerie. Dus dat is «onderhanden werk», zoals ze dat
noemen.
De voorzitter:
Dat leidt niet meer tot vervolginterrupties, dus vervolgt u uw betoog, mevrouw Van
Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dan weet ik niet zeker meer of ik de laatste vraag had gesteld. Waarom is het toevoegen
van de BIV aan een bestaande vrijstellingsbepaling, conform artikel 3.104, onderdeel
r van de Wet IB volgens het kabinet een probleem en wat is hier het principiële bezwaar
tegen? Ik hoop ook dat er nieuwe argumenten worden aangedragen, want ik heb alle brieven
goed gelezen maar ik was nog niet overtuigd. Dat is dus een uitnodiging aan de Staatssecretaris.
Dan de Wbso. Ik verwacht dat een aantal collega’s hier ook nog wel iets over gaan
zeggen. Het is een supergoed instrument dat we in onze gereedschapskist hebben, en
dat moeten we maximaal benutten. De VVD wil innovatie en technologische groei verder
aanjagen. Daarom zijn wij blij dat de Wbso wordt uitgebreid en versterkt. De Wbso
is dé motor van innovatie in Nederland: laagdrempelig, effectief en essentieel voor
ons vestigingsklimaat. Eén probleem blijft hardnekkig en vraagt om actie: de verzilveringsproblematiek.
Juist de bedrijven die het meest innovatief zijn, start-ups en scale-ups, kunnen hun
Wbso-voordeel vaak niet volledig benutten. Hun loonsom is in de beginfase te laag
waardoor een deel van het voordeel eenvoudigweg wegvalt. Dat betekent dat de fiscale
stimulans verloren gaat op het moment dat ondernemers hem het hardst nodig hebben.
Dat remt de groei, de innovatie en de ontwikkeling van nieuw technologisch talent.
Dat moeten we oplossen. De VVD wil dat ondernemers de Wbso volledig kunnen benutten.
Daarom pleiten wij voor een carry-forwardmogelijkheid of een andere robuuste oplossing,
zodat dit voordeel niet vervalt maar meegaat naar latere jaren, waarmee bedrijven
de ruimte wél hebben om te verzilveren. Is de Staatssecretaris bereid om een carry-forward-
of andere verzilveringsoplossing uit te werken, specifiek gericht op start-ups en
scale-ups?
Voorzitter. Ten slotte noem ik de uitvoering. De VVD vindt het belangrijk dat het
Belastingplan niet alleen politiek wenselijk is, maar ook uitvoerbaar is. Ja, het
pakket van 2026 is uitvoerbaar, maar laten we eerlijk zijn: een vereenvoudiging is
het als geheel niet. De uitvoering staat al enorm onder druk en dit pakket duwt daar
verder tegenaan. Met name het fiscale inzagerecht, de box 3-reparaties en de pseudo-eindheffing
vragen forse IV-capaciteit op plekken waar die capaciteit op is. Dat betekent: herprioriteren,
schuiven, vertragen. Dat raakt de planning voor grote moderniseringsslagen, zoals
de uitfasering van Cool:Gen. De boodschap is simpel: niet alles kan tegelijk. We zien
bovendien dat de keten inkommensheffing inmiddels een hele rij aan maatregelen heeft
staan voor implementatie vanaf 2028. De vraag is niet of het vastloopt, maar wanneer.
Dat vraagt wat van ons allemaal. We moeten keuzes indammen en echte vereenvoudiging
opnieuw als absolute prioriteit neerzetten, want anders blijft de uitvoering achter
de ontwikkelingen aan lopen.
Ik noem twee concrete voorbeelden. Ten eerste is dat de digitalisering van de bpm-aangifte.
De VVD heeft zich hier altijd hard voor gemaakt. En wat horen we nu? Het wordt niet
2026, maar 1 januari 2028, terwijl de RDW halverwege ’26 al klaar kan staan. Het is
een vertraging die volledig aan de kant van de Belastingdienst zit, die het in eigen
beheer wil bouwen. Dat is absurd. Het laat pijnlijk zien hoe traag en gefragmenteerd
we werken als verschillende bloedgroepen binnen de overheid niet op elkaar aansluiten.
Ten tweede: DAC8. Dat is een Europese verplichting, dus implementatie moet. Maar de
uitvoeringstoets is duidelijk: de impact is zeer groot, maar de huidige arbeidsmarkt
kan de structurele personele inzet van 126 fte, vooral cryptoanalisten, nauwelijks
leveren. Dan hebben we nog niet eens zicht op de uiteindelijke last, omdat de omvang
van het cryptobezit, het fiscale belang en de mate van compliance grote onzekerheden
zijn. Niet voor niets is afgesproken dat de uitvoeringstoets eind ’26 moet worden
herijkt. Dat zegt genoeg.
Deze twee voorbeelden illustreren precies het bredere punt. De belastinguitvoering
zit aan de grens van wat mogelijk is. Nieuwe beleidswensen kunnen er simpelweg niet
meer bij. De VVD vraagt het kabinet daarom expliciet: hoe gaat de Staatssecretaris
voorkomen dat het pakket Belastingplan 2026 verdere vertraging veroorzaakt in cruciale
moderniseringstrajecten? Welke maatregelen neemt hij om de uitvoering te beschermen
tegen nog meer stapeling? En zet het kabinet echt elke mogelijke stap om de uitvoering
te versnellen? Kunnen alle programmeurs werken en hun tijd besteden aan programmeren
of lopen zij net als heel veel andere IT’ers bij de overheid vast in procedures, vergaderingen
en andere knellende regels? Graag een reactie van de Staatssecretaris.
Voorzitter, tot slot. Nederland heeft behoefte aan een belastingstelsel waarin werken
loont, dat ondernemers stimuleert en dat ons verdienvermogen versterkt. De VVD kiest
voor stabiliteit, uitvoerbaarheid en een sterk economisch fundament. We zullen elke
maatregel steunen die daaraan bijdraagt en we zullen ons krachtig verzetten tegen
alles wat Nederlanders opzadelt met hogere lasten of wat ons vestigingsklimaat ondermijnt.
Met die inzet gaan we de verdere behandeling van het pakket Belastingplan 2026 in.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank voor de bijdrage, mevrouw Van Eijk. Er is nog een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik had nog één vraag aan de VVD. Dit is natuurlijk het eerste debat in een nieuwe
fase na de verkiezingen. Ik ben benieuwd wat nou de status is van de coalitie. Voelt
de coalitie zich nog gebonden aan alle afspraken, aan de zeven wetten? Ik hoor namelijk
tussen de regels door dat de VVD de wetten gaat steunen, maar ik zie ook amendementen
uit de coalitie voorbijkomen die die wetten eigenlijk helemaal ondermijnen. Daarom
de vraag, ook voor de Eerste en Tweede Kamer: wat is op dit moment de status van de
afspraken van de coalitie?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Dat is een vraag die u in andere debatten had kunnen of had moeten stellen, denk ik.
Ik kijk nu naar de behandeling van het Belastingplan. Ik heb aangegeven hoe ik hier
in zit en hoe ik deze maatregelen beoordeel. Daar sloot ik, nota bene, ook mee af.
Die ga ik beoordelen. Ik wil heel graag vooruitkijken, net als een meerderheid in
deze Kamer, denk ik, en kijken hoe we dit Belastingplan tot een goed einde brengen,
zonder daarin al te grote dingen te verschuiven en te verbouwen. Zo kunnen we in alle
rust bouwen aan een nieuwe coalitie, in welke vorm dan ook. Daar zullen wij op een
constructieve manier een bijdrage aan leveren.
De voorzitter:
Meneer Stultiens heeft een vervolginterruptie.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja. Ik krijg een verwijzing naar een ander debat. Ik weet niet precies welk debat
dat dan is, maar volgens mij is de vraag logisch. We gaan nu met elkaar zeven wetten
behandelen. De vraag is gewoon: is de coalitie gecommitteerd aan deze wetten, ja of
nee?
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb voor mijzelf uitgesproken hoe de VVD-fractie dit Belastingplan behandelt en
hoe wij erin zitten. Ik heb inderdaad in grote lijnen steun uitgesproken voor dit
Belastingplan, omdat ik vind dat nu niet het moment is om daar hele grote wijzigingen
in aan te brengen. Daar waar we voorstellen kunnen verbeteren, zal ik daarop amendementen
indienen. Dat gaat ook afhankelijk zijn van de beantwoording van deze Staatssecretaris.
De voorzitter:
Daarmee kunnen we naar de bijdrage van de heer Stultiens, die van plan is ons 30 minuten
te gaan boeien met zijn bijdrage. Ik kondig alvast aan dat ik van plan ben om daarna
een halfuur te schorsen voor de lunchpauze.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Veel dank. Heel misschien ben ik een paar minuten eerder klaar, want er zijn al hele
goede vragen gesteld door de collega’s. Daar kan ik gewoon bij aansluiten.
Voorzitter. Fijn dat we vandaag een inhoudelijk debat kunnen voeren met elkaar, en
wel over een van de belangrijkste onderwerpen hier in Den Haag: belastingen. Want
belastingen bepalen wie in Nederland de rekening betaalt voor onze voorzieningen.
Belastingen kunnen ervoor zorgen dat ongelijkheid toeneemt of afneemt. En belastingen
bepalen mede of wij met elkaar de klimaatdoelen van Parijs wel of niet gaan halen.
Dit belangrijke onderwerp verdient daarom een goed debat. Ik zal vandaag mijn inbreng
doen in vier blokken. Dat zijn ten eerste de vergroening van het belastingstelsel,
ten tweede het verkleinen van ongelijkheid, ten derde transparante belastingen en
tot slot de aanpak van belastingontwijking.
Ik begin bij de vergroening van het belastingstelsel. GroenLinks-PvdA wil de aarde
in goeie staat doorgeven aan toekomstige generaties: een veilige wereld, met schone
lucht, waar kinderen gezond kunnen opgroeien. Daarom is het van groot belang dat we
het belastingstelsel verder gaan vergroenen, zodat de negatieve externe effecten worden
meegenomen in de prijs en zodat grote vervuilers ook gaan betalen voor hun uitstoot.
Helaas doet het kabinet op dit vlak niet genoeg. De afgesproken klimaatdoelen worden
bij lange na niet gehaald. Hierdoor staat onze veiligheid op het spel, met name die
van de jongste generaties. Het fiscale klimaatbeleid van dit kabinet is niet alleen
onvoldoende, het is ook onvoorspelbaar, ondoordacht en onsamenhangend. Belastingen
worden eerst aangekondigd en dan toch weer ingetrokken. De ene groene knop wordt fors
aangedraaid en de andere wordt juist weer op nul gezet. Dit is een van de redenen
dat het vertrouwen in de politiek laag is, want de mensen thuis, maar ook ondernemers,
worden gek van dit onvoorspelbare jojobeleid. Alvast een disclaimer: als ik zeg «de
Staatssecretaris», dan heb ik het ook over zijn voorgangers, want hij zit er pas net
en ik heb het natuurlijk over het kabinet als geheel. Het maakt het lastig dat we
hier elk jaar een nieuw gezicht zien. Ik kan hem dus persoonlijk weinig verwijten,
maar het kabinet in brede zin uiteraard wel. Het is dus niet persoonlijk bedoeld.
GroenLinks-PvdA wil voorspelbaar belastingbeleid, waarbij huishoudens en bedrijven
weten waar ze aan toe zijn en waarbij bedrijven kunnen investeren, omdat ze op de
langetermijnvisie van de overheid kunnen bouwen. Door de juiste prikkels te geven,
kunnen we niet alleen vervuiling ontmoedigen, maar ook innovatie aanjagen, net als
werkgelegenheid en energieonafhankelijkheid. We willen daarom een eerlijk belastingstelsel
waarbij de duurzame optie ook de goedkopere optie is en waarbij we als land wel onze
internationale afspraken nakomen en de klimaatdoelen gaan halen.
Voorzitter. Dat brengt me bij het eerste wetsvoorstel: de Wet differentiatie vliegbelasting.
Dit voorstel is een verbetering ten opzichte van de huidige situatie, dus mijn fractie
zal deze wet steunen, maar het roept wel een aantal kritische vragen op. D66 zei het
al eerder: waarom kiest het kabinet er nog steeds niet voor om de externe kosten van
vliegen volledig in te prijzen? Als je autorijdt bijvoorbeeld, betaal je wel volledig
voor je uitstoot, met accijns of andere belastingen. Dus automobilisten moeten wel
betalen voor hun uitstoot, maar mensen die veel en ver vliegen nog steeds niet. De
externe kosten waren eerst ingeprijsd voor 17%. Dankzij deze wet wordt dat 21%. De
rest van de rekening blijft daarmee liggen bij de samenleving in de vorm van hoge
gezondheidskosten, geluidshinder, milieuschade en minder schone lucht.
We zien hier – dat gebeurt vaker; dat werd vandaag ook benoemd – dat het kabinet vasthoudt
aan een gewenste budgettaire opbrengst in plaats van te kijken wat er echt nodig is
voor een eerlijke vliegprijs. GroenLinks-PvdA wil vooral de grootste vervuilers meer
laten betalen. En nee, dat zijn dus niet de families die eens in de zoveel jaar op
vakantie gaan naar Griekenland. Dan hebben we het over de echte veelvliegers. In Nederland
wordt 40% van de vliegreizen gemaakt door 8% van de Nederlanders. Waarom kiest het
kabinet er niet voor om juist deze groep zwaarder te belasten? Waarom geen hoger tarief
voor businessclasspassagiers of voor privéjets? We zien namelijk dat het wél kan,
ook in landen om ons heen. Er wordt vandaag vaak verwezen naar Europa, en terecht,
maar we zien in Frankrijk bijvoorbeeld een tarief van € 1.000 of zelfs € 2.000 voor
zakenvluchten met een straalmotor. Het Verenigd Koninkrijk heft op privéjets een belasting
van € 700. Bij ons is dat een paar tientjes. Wat is er nodig om dit in Nederland ook
mogelijk te maken?
Tot slot op dit punt de transferpassagiers. GroenLinks-PvdA vindt dat ook transferpassagiers
vliegbelasting zouden moeten betalen. Sterker nog, twee jaar geleden vond een Kamermeerderheid
dat ook en werd de motie-Bontenbal aangenomen die ertoe opriep om de belastingkorting
voor transfers te schrappen. Waarom is deze motie niet uitgevoerd? Het kabinet geeft
als tegenargument dat het belasten van transferpassagiers de ruimte beperkt om langeafstandsvluchten
zwaarder te belasten, maar dat is natuurlijk pure Haagse logica. We zouden prima extra
opbrengsten kunnen binnenhalen en die zelfs kunnen gebruiken om bijvoorbeeld de sector
zelf te vergroenen. Dat is allemaal prima, maar het argument dat je geen transfers
kunt belasten vanwege langeafstandsvluchten, is natuurlijk niet waar. De industrie
zelf is tegen. Het argument is dat deze mensen al hebben betaald bij vertrek. Maar
dat argument staat weer haaks op een analyse die we ook vaak horen, namelijk dat andere
landen geen vliegbelasting hebben, dat Nederland vooroploopt en te veel doet. Welke
van de twee is het nu? Hebben deze transferpassagiers al wel en voldoende betaald
bij vertrek? Of is het nodig om ze extra te belasten? Ik hoor graag van de Staatssecretaris
of hij meer kan zeggen over welk deel van deze grote groep passagiers van transfervluchten
al heeft betaald bij vertrek.
Het volgende groene wetsvoorstel gaat over de CO2-belasting aan de Europese grens, ook bekend als CBAM. De wet kan op onze steun rekenen.
We sluiten ons wel aan bij de vragen die hier eerder gesteld zijn en bij de kritische
opmerking over het delegeren van overheidstaken aan een commerciële partij. Ook de
Raad van State zegt: het past niet bij de ministeriële verantwoordelijkheid om een
commercieel bedrijf te mandateren om te handelen naast de overheid. Dat doet afbreuk
aan de herkenbaarheid van de overheid. Als we het goed begrijpen, dan geldt voor de
komende jaren nog steeds dat de Nederlandse Emissieautoriteit deze taken blijft delegeren
of uitbesteden aan PwC. Het gaat volgens mij om 18 fte. Ik zou denken dat die echt
wel ergens binnen de overheid te vinden zijn. Wat ons betreft moeten dit soort overheidstaken,
zoals het innen van belastingen, gewoon bij de overheid blijven liggen en moeten die
niet terechtkomen bij een bedrijf dat ook nog eens fiscaal advies geeft in hetzelfde
domein. Ik snap heel goed dat ze intern Chinese walls hebben, maar vanwege de schijn
van belangenverstrengeling vind ik het beter als dit soort taken bij de overheid belegd
blijven.
Dan gaan we door naar de CO2-belasting in eigen huis. D66 heeft ook daarover deels al gezegd wat ik wilde zeggen.
Wij zijn tegen deze versobering. We zien nu dat het doel dat we met elkaar hebben
afgesproken als Nederlandse industrie onvoldoende gehaald wordt met het huidige Europese
systeem. Bovendien zien we ook hier weer een voorbeeld van instabiel overheidsbeleid.
Ook de Nederlandse Emissieautoriteit zegt dat voorspelbaarheid juist zo belangrijk
is voor bedrijven, ook om investeringen te kunnen plannen. Nu zien we dat groene koplopers
die op deze belasting rekenden worden afgestraft vanwege hun ambitieuze inzet, terwijl
juist de achterblijvers worden beloond. Dit ondermijnt het vertrouwen in de overheid
en ook het draagvlak, terwijl dat hard nodig is voor klimaatbeleid. Het kabinet zegt
nog steeds vast te houden aan de klimaatdoelen. Er komt zowaar een overlegtafel CO2-heffing. Maar ik vraag me sterk af: hoe ga je deze doelen halen? Want ze werden al
niet gehaald, en nu worden ze zelfs nog verder versoberd.
Als we het hebben over onvoorspelbaar overheidsbeleid, dan kunnen we de plastic-heffing
natuurlijk ook niet onbenoemd laten. Het kabinet had ambitieuze voornemens om te werken
aan een circulaire economie, waarbij er een heffing zou komen op plastic, op polymeren.
Dit plan is helaas geschrapt. Het wordt nu vervangen door een hele forse extra heffing
op afval. GroenLinks-PvdA wil vooral dat de overheid de circulaire doelen, de klimaatdoelen
en de energiedoelen wel gaat halen. En ja, in de toekomst zullen we meer grondstoffen
gaan hergebruiken en zal er dus minder afval zijn. Maar we vragen ons af of dit huidige
voorstel wel goed in balans is. Klopt het dat de circulaire doelen van het kabinet
nog steeds niet worden bereikt? Kan het kabinet onderbouwen hoe deze heffing gaat
bijdragen aan het stimuleren van recycling? Want dat is iets wat we volgens mij allemaal
willen.
Waarom wordt er niet breder gekeken naar de hele keten dan alleen naar het laatste
station, namelijk de afvalverbrandingsinstallaties? Is het niet beter voor de economie,
maar ook voor het klimaat, om dat meer uit te smeren over de hele keten? Geert Gabriëls,
helaas mijn oud-collega, heeft hier een maand geleden een motie over ingediend. Die
motie heeft het toen net niet gehaald; 67 Kamerleden stemden voor. In de nieuwe verhoudingen
zou die wel op steun moeten kunnen rekenen. Deze motie vroeg om te kijken naar een
evenredige verdeling over de hele keten, waarbij de klimaatdoelen wel gehaald worden
en waarbij we ook kijken naar de producenten van plastic en naar bedrijven die onnodig
plastics toevoegen. Er wordt daarbij dus niet alleen gekeken naar het eindstation,
de afvalheffing.
Het laatste groene thema betreft de autobelastingen. Die zijn belangrijk voor het
klimaat en ook voor het tegengaan van de stikstofuitstoot. Ik begin bij de elektrische
auto’s. Het kabinet zegt terecht dat we niet moeten wachten op de Europese Commissie,
omdat er anders waardevolle tijd verloren gaat op weg naar het doel van 2030. Maar
in de antwoorden in het verslag zien we dat ook de doelen op dit gebied nog steeds
niet gehaald worden. Het kabinet wil dat 100% van de nieuwverkoop in 2030 emissievrij
is, maar blijft steken op zo’n 83%. Wat gaat het kabinet doen om de eigen doelstelling
wel te halen met aanvullend beleid? Waarom is er niet gekozen voor een verbod dat
ingaat over een paar jaar in plaats van voor deze pseudo-eindheffing? Ook D66 zei
het al terecht: op het gebied van autobelastingen is er sprake van tegenstrijdig beleid.
Het verlagen van de accijnzen zorgt er juist voor dat de klimaatdoelen in de sector
mobiliteit verder uit het zicht raken. Het resulteert in weer een halve megaton extra
CO2-uitstoot. Bovendien belandt het geld niet bij de mensen die het hard nodig hebben,
maar juist bij de rijkste huishoudens. Was een meer gerichte maatregel niet meer op
z’n plek geweest? Dat zegt ook de Raad van State.
Voorzitter. De vergroening was het grootste blok. Dan kom ik bij blok twee: het verkleinen
van de ongelijkheid. GroenLinks-PvdA staat voor een eerlijke spreiding van kennis,
macht, inkomen, bezit en zeggenschap. Om dit te bereiken is een eerlijk belastingstelsel
nodig, waarbij werken echt loont en waarbij inkomen uit werk dus ook niet zwaarder
wordt belast dan inkomen uit vermogen.
Laat ik daarom beginnen met de buffelboete. Hier is bij de Financiële Beschouwingen
lang over gepraat. Het gaat over mensen die parttime werken en meer belasting zouden
gaan betalen. We hebben het dan onder andere over winkelmedewerkers, schoonmakers
en apotheekmedewerkers. Gelukkig was er in de Kamer een meerderheid te vinden om deze
buffelboete ongedaan te maken. Ik dank de Staatssecretaris voor de nota van wijziging.
Wel hebben we nog twee kritische kanttekeningen hierbij. De kosten na 2030 bleken
hoger uit te vallen dan eerder verwacht. Dat laat overigens zien waarom een motie
beter was dan een amendement, want we hebben meer kennis. Daarom dank voor deze informatie.
Het kabinet kiest er echter wel voor om deze extra kosten volledig neer te laten slaan
bij het tarief in de eerste schijf, terwijl de strekking van de motie juist was om
het gelijkmatig te verdelen met een derde, een derde, een derde. Zou het niet beter
zijn om deze extra tegenvaller ook op die manier te dekken? Bovendien zeiden ambtenaren
in de beslismemo terecht dat het hier gaat over een derving na de begrotingshorizon.
Had dit ook niet opgelost kunnen worden bij de voorjaarsbesluitvorming of in de formatie?
De tweede kritische kanttekening gaat over het structurele probleem achter de buffelboete,
want dat is helaas nog steeds niet opgelost. Ook in de toekomst kan het, zodra de
lonen harder stijgen dan de prijzen, weer gebeuren dat er vanwege de indexatiemanieren
een nieuwe buffelboete ontstaat. Hoe gaat de Staatssecretaris dit in de toekomst voorkomen,
zodat we dit debat niet elk jaar opnieuw hoeven te voeren?
De voorzitter:
Dat leidt tot een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Mijn collega Stultiens noemt het weer de «buffelboete». Hij stelt inderdaad dat we
ieder jaar een probleem hebben als de lonen niet meestijgen en de tariefgrenzen wel.
Maar zijn we niet het paard enorm achter de wagen aan het spannen? Nu heeft GroenLinks-PvdA
namelijk samen met toen nog NSC deze nota van wijziging afgedwongen. Hiermee wordt
de arbeidskorting de facto weer verder opgepompt met 734 miljoen structureel. Je kunt
op heel veel manieren tegen dit probleem aankijken, maar de prijs is wel dat het tarief
in de eerste schijf omhooggaat. Zouden we in ieder geval dan niet moeten zorgen dat
we dat deel dat gedekt wordt door het tarief in de eerste schijf terugdraaien? Deze
nota van wijziging is met 734 miljoen structureel namelijk veel groter dan waar toen
in de plenaire zaal over gesproken werd. Ik heb hier echt een heel unheimisch gevoel
bij, nog los van het feit dat deze regeling door het verder verhogen van de arbeidskorting
discrimineert naar arbeidsongeschikten en naar kostwinnersgezinnen, die de arbeidskorting
niet krijgen. Het maakt voltijds werken bovendien nog onaantrekkelijker dan het nu
al is met deze arbeidskorting met het afbouwpad. Ik ben dus niet tevreden met deze
uitkomst. Voelt de heer Stultiens dat met mij mee? Is hij bereid om met mij te zoeken
naar een oplossing?
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dat waren meerdere punten. Voor een behoorlijk deel ga ik erin mee. Allereerst ga
ik mee in de analyse van de arbeidskorting; die is doorgeslagen. Dat zit wel vooral
bij dat tweede en derde punt, want daar is de korting echt duizenden euro’s per jaar.
Bij deze groep is het bedrag echter een stuk lager. Ik deel de analyse van de heer
Grinwis dus dat je zeker verderop in de arbeidskorting zou moeten kijken of het minder
kan. Ik sta open voor opties. Het was destijds wel een compromis met meerdere partijen,
want we moesten een meerderheid vinden. Ik heb suggesties van de heer Grinwis gelezen
waar ik het persoonlijk prima mee eens ben, maar die hadden destijds geen meerderheid
gehaald. Als hij nu iets creatiefs vindt waar steun voor is, dan denk ik graag mee.
Ik deel overigens ook zijn overkoepelende punt, maar dat zal toch in de formatie moeten
gebeuren met een stelselwijziging en -herziening die breder is dan alleen maar pleisters
plakken. Dat deden we natuurlijk wel bij de AFB. Als het gaat over de eerste schijf,
sta ik zeer open voor alles waarbij we de lasten voor de eerste schijf terugdraaien.
Ik hoop wel dat we dan meer partijen aan boord krijgen die dat willen steunen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Dan kom ik bij inkomen uit vermogen. Op dit moment wordt inkomen uit vermogen niet
op een eerlijke manier belast. Mensen die weinig rendement maken, betalen een te hoge
forfaitaire belasting en mensen die veel rendement maken, betalen een te lage forfaitaire
belasting. De tegenbewijsregeling heeft dit voor een deel opgelost, maar het tweede
probleem bestaat nog, want die laatste groep heeft er nog steeds profijt van. Daarom
is het goed dat we met elkaar de nieuwe box 3-wet gaan behandelen, hopelijk voor de
kerst. Toch worden er deze week al een paar keuzes gemaakt binnen box 3.
Ten eerste is dat het verlagen van het heffingsvrije vermogen. Ik sluit me aan bij
het punt van D66, want ik had er ook niet voor gekozen om juist de groep van de kleine
spaarders te raken. Bovendien gaat het nu om 300.000 extra belastingplichtigen. Dan
zou ik zeggen: probeer dat op een andere manier op te lossen binnen het domein. Ja,
de optie van het tarief zou kunnen. De heer Grinwis noemde andere opties, die ik ook
prima vind. Opties in de categorie van een eigenwoningforfait voor de hoogste top
of de wet-Hillen zijn voor mij allemaal bespreekbaar, maar laten we de kleine spaarder
niet belasten en laten we het binnen het domein vermogen houden.
Dan wordt er binnen box 3 een ontwijkingsroute gedicht. Die gaat over de obligatie
met aangegroeide rente. Het is goed dat de Staatssecretaris zo snel heeft gehandeld,
anders zouden we toch weer 100 miljoen euro mislopen met elkaar. De vraag blijft wel
of de Staatssecretaris en wij als Kamer deze route een paar maanden terug niet hadden
kunnen voorzien, toen we de wet behandelden. En – daarom stel ik de vraag nu – zijn
er nog meer onvoorziene routes die we zo snel mogelijk moeten dichten? Ik wil namelijk
voorkomen dat we over een paar maanden weer denken: oeh, we hebben het laten lopen
en ze hebben weer een slimme truc bedacht waarmee ze voor veel geld handig kunnen
shoppen in de regels die we met elkaar hebben bedacht. De Staatssecretaris heeft meer
ondersteuning dan wij als fracties. Ik hoop dus dat hij zijn ondersteuning nog eens
heeft gevraagd om grondig te kijken of er nog routes zijn die wij hebben gemist en
of die zo snel mogelijk gedicht kunnen worden.
Tot slot noem ik bij dit punt de aangenomen motie van onszelf en D66. Die motie vroeg
eigenlijk om die grote herverdeling van werkende mensen naar vermogenden te herstellen.
Dat ging over de hersteloperatie in box 3. Het gaat om vele miljarden. Die hersteloperatie
is voor een deel betaald uit de staatsschuld en voor een deel uit de koopkracht en
dat vind ik onwenselijk, vandaar dat we die motie hebben ingediend. Die motie heeft
het gehaald, alleen voert de Staatssecretaris die nu uit met de boodschap: we gaan
deze herverdeling niet nog erger maken. De nieuwe derving wordt nu dus gedekt binnen
box 3 en dat is een goede eerste stap, maar wij vroegen de Staatssecretaris juist
om de compensatie van de andere miljarden ook terug te draaien. Ik hoor graag welke
optie hij daarvoor ziet.
Het punt over groen beleggen is al gemaakt door mijn collega en daar sluit ik me bij
aan.
Dan kom ik bij het derde blokje, over transparante belastingen. Voor draagvlak en
vertrouwen in de overheid is transparantie van groot belang. Dat betekent: weten waarom
je een bepaalde belasting moet betalen en weten dat andere mensen en bedrijven ook
eerlijk hun steentje bijdragen. Daarom begin ik bij het fiscaal inzagerecht. Het doel
van het amendement-Omtzigt was om elke burger het recht te geven op inzage in zijn
eigen fiscale dossier. Ter bescherming van deze burger voorzag het amendement in de
mogelijkheid om bezwaar en beroep aan te tekenen tegen een beslissing van de Belastingdienst
als je het gevoel hebt dat er bepaalde informatie achtergehouden wordt of niet gegeven
wordt. Precies dat kernpunt wordt met deze wet ongedaan gemaakt en dat vind ik zorgelijk,
want dit was juist de kern van het amendement. En ja, mijn fractie hecht zeer veel
waarde aan de uitvoerbaarheid voor de Belastingdienst en snapt dus goed dat daarnaar
gekeken moet worden, maar ik hoor ook graag van de Staatssecretaris of hij met ons
deelt dat het principe dat een belastingplichtige bezwaar moet kunnen maken, ook van
cruciaal belang is voor de rechtsbescherming. Zo ja, is er dan een uitvoerbare variant
denkbaar waarin we bezwaar en beroep wel mogelijk maken, maar zonder dat dit ten koste
gaat van onnodig veel fte’s en zonder dat we weer een nieuw circus optuigen, waar
weer bedrijfjes op springen die eraan willen verdienen? Dat moeten we niet hebben,
maar ik vind het wel belangrijk om die rechtsbescherming van mensen te waarborgen.
We hebben in het verleden immers ook gezien dat het een aantal keren is misgegaan.
Dan de motie over verhuld vermogen in het buitenland. Die gaat ook over transparantie.
We vroegen daarin om meer inzicht in het vermogen dat in het buitenland is verstopt.
Dat was naar aanleiding van een wetenschappelijk artikel uit Denemarken, waarin wetenschappers
eigenlijk de aanname deden dat ook zo’n 18 tot 44 miljard euro van het Nederlandse
vermogen in het buitenland is verstopt. De vraag in die motie was eigenlijk of wij
zelf kunnen kijken wat onze data zeggen. Wat zegt de Belastingdienst nou? Helaas is
deze motie nog niet uitgevoerd. De Staatssecretaris verwijst namelijk opnieuw naar
het artikel dat we al hadden, maar dat is gebaseerd op Deense bankgegevens. Ik wil
graag weten wat we zelf kunnen vinden. Volgens mij vinden we het allemaal, van links
tot rechts, onwenselijk als belasting wordt ontdoken. Kan er dus, desnoods vertrouwelijk,
meer inzicht in gegeven worden of het de afgelopen jaren is gelukt om deze groepen
op te sporen met het team verhuld vermogen? Is er meer mogelijk dan we nu weten?
Dan de fiscale regelingen. Ik sluit me aan – en dat gebeurt niet vaak – bij de woorden
van de PVV. «Goed voorbeeld doet volgen», hoor ik hier aan mijn rechteroor van de
heer Vlottes. Er was namelijk een doelstelling afgesproken en die wordt niet gehaald.
De rekening wordt weer neergelegd bij de gewone mensen thuis, terwijl er zo veel rapporten
en mogelijkheden liggen om deze fiscale regelingen af te bouwen. Dan valt het mij
vies tegen dat het niet gelukt is. Ik heb niet de illusie dat het vandaag wel gaat
lukken. Ik roep de volgende coalitie, na de formatie, op om op dit punt wat meer politiek
lef en politieke daadkracht te tonen. Eén manier om deze fiscale regeling af te bouwen,
is het toevoegen van een horizonbepaling, waardoor die automatisch afloopt tenzij
je ervoor kiest om hem te verlengen. Drie jaar geleden stemde de Kamer voor onze motie
om dit te regelen, ook bij fiscale regelingen die al bestaan. Deze motie is helaas
nog steeds niet uitgevoerd, terwijl het verzoek heel duidelijk was om ook in bestaande
regelingen een horizonbepaling toe te voegen. Ik roep deze Staatssecretaris, en daarmee
ook zijn voorgangers en zijn opvolgers, op om werk te maken van deze motie. Het is
van cruciaal belang dat ook de bestaande regelingen een horizonbepaling krijgen.
Tot slot dan één fiscale regeling die voor een klein deel wel wordt versoberd: de
ETK-regeling. Het kabinet stelt terecht dat er op dit moment tussen Nederlandse werknemers
en arbeidsmigranten geen eerlijk speelveld is. Daarom wordt hij versoberd. De vraag
aan het kabinet blijft wel wat de onderbouwing is om die overgebleven posten binnen
de ETK-regeling te laten bestaan.
Voorzitter. Dan mijn laatste blok voordat we gaan lunchen met elkaar: de aanpak van
belastingontwijking. Naast transparantie bij belasting is het van groot belang dat
iedereen zijn steentje bijdraagt. We kunnen namelijk aan gewone mensen thuis of aan
de mkb’er om de hoek niet uitleggen dat zij wel netjes belasting betalen, terwijl
ontwijkers allemaal sluiproutes hebben om geen belasting te betalen. Dat brengt me
als eerste bij de Wet minimumbelasting en bij de gegevensuitwisseling, want ja, de
beste aanpak van belastingontwijking is een internationale aanpak. Dan weet je zeker
dat de trucs niet gewoon via het buitenland alsnog worden toegepast. We zijn daarom
als GroenLinks-PvdA groot voorstander van de internationale minimumbelasting, om ervoor
te zorgen dat ook de multinationals hun eerlijke steentje bijdragen.
Kan de Staatssecretaris al meer inzicht geven in de effectiviteit van deze minimumbelasting?
Hebben alle EU-lidstaten deze richtlijn inmiddels geïmplementeerd? Zien we al gedragseffecten?
Zien we al extra opbrengsten van deze belasting? De wetten die vandaag voorliggen,
kunnen op onze steun rekenen, want er wordt voor een deel onnodige administratie teruggebracht.
Dat is natuurlijk prima, zolang het niet ten koste gaat van daadwerkelijke belastingafdracht.
Daarom nog één vraag bij deze wet. Het kabinet verwacht ook afspraken te maken met
niet-EU-landen. Welke landen zijn dit? Hoe gaat het kabinet ermee om als de informatiehuishouding
in deze landen van een lagere kwaliteit is dan in Nederland?
Dan het lucratief belang. Daar is al veel over gezegd door de collega’s. Wij vinden
het goed dat er na de moties nu een stap wordt gezet. We hadden oorspronkelijk liever
gehad dat het volledig in box 1 zou komen, maar dat was niet uitvoerbaar op deze termijn.
Daarom is er gekozen voor de multiplierroute. We hopen wel dat deze regeling integraal
wordt meegenomen bij de herziening en de brede hervorming van de inkomstenbelasting.
Ik sluit me aan bij de vraag van D66 over de routes om dit te ontwijken, want die
worden nu al gesignaleerd. Wat gaat het kabinet doen om deze nieuwe structuren op
te sporen en zo snel mogelijk te dichten?
Dan de liquidatieverliesregeling. Ik ga gewoon ongeveer alle belastingen af die er
bestaan. Eerder dit jaar is er een lek ontstaan door een uitspraak van de Hoge Raad.
Die ging over Aegon. Aegon kon verliezen in Nederland aftrekken die ook in Ierland
aftrekbaar waren. Dat was dus een dubbele aftrek van hetzelfde verlies. Volgens mij
vinden we dat in brede zin onwenselijk. De vraag is of dit heffingslek inmiddels gedicht
is. Zo niet, waarom niet? Het lijkt mij namelijk logisch dat een bedrijf zijn verliezen
in Nederland óf in Ierland kan aftrekken, maar niet in beide landen. We overwegen
hierover zelf een amendement in te dienen, maar het zou nog beter zijn als het kabinet
dit zelf oplost. We lezen in het verslag dat de dekking van het gat wordt gevonden
op een andere manier, namelijk via de valutarisico’s. Het ging over 840 miljoen euro
eenmalig en 65 miljoen jaarlijks. Welk deel van deze dekking is nu echt gevonden binnen
hetzelfde domein vermogen en winst? En welk deel nog niet?
Dan kom ik bij de volgende belasting, de erfbelasting, en dan vooral de route schenken
op papier. Het CDA heeft hier ook vragen over gesteld. Via schenken op papier kun
je op papier jarenlang geld geven aan je kind, waardoor dat kind na overlijden minder
erfbelasting hoeft te betalen. Deelt het kabinet de opvatting van GroenLinks-PvdA
dat deze route, indien dit louter vanuit fiscale redenen is gebeurd, onwenselijk is?
En is het kabinet bereid om opties in kaart te brengen hoe deze constructie aangepakt
zou kunnen worden? Dat hoeft niet binnen twee dagen, het mag ook langer duren, maar
wel graag op een volledige manier. Volgens mij zouden we dit niet moeten willen met
elkaar.
Dan over de grondslag leenstructuur in de EIA en de MIA. Waarom laat het kabinet de
aanpak van deze route eigenlijk liggen? Vorig jaar was het kabinet het nog met ons
eens dat hier sprake was van een ongewenste vorm van belastingontwijking. Dit zou
een mooie dekking kunnen zijn voor een van de vele amendementen die vandaag al worden
aangekondigd.
Dan kom ik bij de laatste belasting in het blokje belastingontwijking, dat is de dividendbelasting.
De afgelopen tijd hebben we weer over veel constructies kunnen lezen in de kranten,
vorige week bijvoorbeeld nog vanuit Magnum. De komende jaren kan Magnum jarenlang
belastingvrij kapitaal teruggeven in plaats van belastbaar dividend. Afgelopen jaar
hebben we ook al meer constructies voorbij zien komen van Shell en Heineken. Deze
constructies worden eigenlijk steeds creatiever en, in mijn ogen, ook brutaler. De
rijkste vrouw van Nederland krijgt het bijvoorbeeld voor elkaar om via Luxemburg en
de Kanaaleilanden minder belasting te hoeven betalen. Als wij als wetgever vervolgens
zeggen dat we een bronbelasting en een zwarte lijst van belastingparadijzen maken,
komt er – hop! – weer een nieuwe truc voorbij. Hierdoor kan er elk jaar 130 miljoen
euro onbelast worden uitgekeerd in plaats van dividend. Dit kan de komende decennia
nog. We zien nu hetzelfde gebeuren bij Magnum. Ook de komende jaren wordt er kapitaal
gegeven aan beleggers, waarvan je zou kunnen beargumenteren dat deze beleggers dit
geld nooit zelf hebben gestort. Professor Heithuis zegt dat ook. Er is geen sprake
van een teruggave; het is gewoon winst die wordt uitgekeerd, maar dan onbelast.
We hebben het hier niet over een echte bijdrage aan de economie of over het teruggeven
van geld. Het gaat gewoon over winstuitkeringen die belast zouden moeten worden via
de dividendbelasting, terwijl die nu ontweken wordt. Mijn vraag aan de Staatssecretaris
en ook aan mijn collega’s hier is hoelang wij dit als wetgever nog blijven toestaan.
Wanneer gaan we hier iets aan doen? Waarom zouden we niet verplichten dat je eerst
belast je winst moet uitkeren, voordat je onbelast kapitaal kunt teruggeven? Waarom
hanteert Nederland als een van de weinige landen nog steeds een step-up als bedrijven
hiernaartoe komen, waardoor ze over alle winsten die hiervoor zijn opgebouwd geen
belasting betalen? Kan de Staatssecretaris heel precies in beeld brengen welke andere
landen ook zo’n step-up hebben in de dividendbelasting?
Tot slot binnen het onderwerp dividendbelasting kom ik op de inkoop van eigen aandelen.
Dat is ook zo’n truc die wordt gebruikt om dividendbelasting te ontwijken. We lazen
een paar weken geleden in het FD een goed betoog van hoogleraar Kees Cools, die inderdaad
aangaf dat Nederland in dezen een buitenbeentje is. Dit kabinet heeft er helaas voor
gekozen om deze belastingvrije route in stand te houden. Ik verwacht niet dat we het
vandaag eens gaan worden over dit onderwerp, maar ik hoop wel dat we in elk geval
dezelfde basis van informatie hebben. We zien nu namelijk veel verschillende signalen.
De een zegt dat het 1 miljard per jaar kost en de ander zegt 2 miljard. Ook al verschillen
we van mening, het helpt wel als we dezelfde basis, dezelfde raming, hebben om te
beoordelen of we dit in stand willen houden of niet.
Daarom stel ik een paar feitelijke vragen. Klopt het dat de aandeleninkoop sinds 2000
met een factor vijf is toegenomen, van zo’n 5 miljard naar 25 miljard, terwijl de
dividendbetalingen zijn verdubbeld? Kan de Staatssecretaris deze cijfers bevestigen
en met ons delen? Hoe verhoudt dit zich tot de rest van Europa? Klopt het dat deze
inkoop tot 2001 wel werd belast, maar dat dit daarna is afgeschaft? Wat doen de landen
om ons heen nou precies? We krijgen signalen dat de VS sinds twee jaar bijvoorbeeld
een belasting hebben ingevoerd. Ook Frankrijk en Italië hebben dit jaar een speciale
belasting op aandeleninkoop ingevoerd. Misschien is deze vraag te complex om binnen
een week te beantwoorden. Het mag langer duren, want een antwoord op deze vraag zou
helpen om een beter beeld te krijgen van wat de rest van Europa doet om vervolgens
politiek te wegen wat wij in Nederland zouden moeten doen. Ik hoor het graag.
Ik heb nog één zin; daarna ben ik klaar met mijn betoog. Het kabinet gaat uit van
1 miljard. SOMO zegt het dubbele. Ik zou willen vragen of de Staatssecretaris bij
de Belastingdienst kan uitvragen welke informatie we hebben om een beter beeld te
krijgen van hoeveel dividendteruggaven er zijn, hoeveel aandelen er worden ingekocht
en hoeveel geld wij per jaar nou echt mislopen als overheid.
Tot slot, voorzitter. Ik kijk uit naar de beantwoording van deze vragen, naar de rest
van het debat en naar de interruptie van mevrouw Van Eijk.
De voorzitter:
Dank, meneer Stultiens. En inderdaad, er is een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb er twee. Over de liquidatieverliesregeling hebben wij zelf ook een aantal vragen
gesteld in het verslag, omdat ik er erg voorstander van zou zijn om te kijken hoe
je dat in de wet zelf kan repareren. Misschien kan de heer Stultiens op dat punt een
tipje van de sluier oplichten.
Over de inkoop van eigen aandelen vraagt hij feitelijke informatie op. Dat is natuurlijk
prima, maar ik zou zelf ook heel erg geïnteresseerd zijn in de argumenten en de bedrijfseconomische
redenen waarom bedrijven soms voor deze route kiezen. Wellicht zou de heer Stultiens
– dat is een suggestie – dat aan zijn lijstje met vragen kunnen toevoegen.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Wat een constructief debat wordt dit. Ik voeg deze vragen toe aan het lijstje vragen
en daarmee ook aan de huiswerkopdracht voor de Staatssecretaris. Ik vind het inderdaad
relevant om te weten wat de economische onderbouwingen zijn. Wij denken dat die soms
beperkt zijn, maar goed, laten we dat inderdaad opvragen.
Dan de liquidatieverliesregeling. Ja, het zou nog mooier zijn als de dekking wordt
gevonden binnen de wet zelf. Wij denken – maar nogmaals, ik heb minder ondersteuning
dan de Staatssecretaris – dat je zou moeten kunnen zeggen: we gaan verbieden dat je
verliezen hier aftrekt als ze al in een ander land afgetrokken worden. We willen dus
geen dubbele aftrek. Dat klinkt eigenlijk heel logisch, maar daarvoor zetten we wel
de vraag uit: is dit juridisch houdbaar? We willen hier namelijk, en volgens mij delen
we dat, geen dingen voorstellen waarvoor we een jaar later weer worden teruggefloten
door de rechter. Dan zijn we verder van huis. Maar ja, ik deel wel de wens: gaten
in deze belasting zou je vervolgens het liefst ook weer dichten binnen de liquidatieverliesregeling
zelf.
De voorzitter:
Zo leidt dit debat tot hele onverwachte samenwerkingen. We zijn hiermee gekomen aan
het einde van de bijdrage van de heer Stultiens. Zoals beloofd gaan we schorsen voor
de lunch. Ik wil schorsen tot 14.00 uur, afgerond. Dan vervolgen we het debat. Ik
schors deze vergadering.
De vergadering wordt van 13.24 uur tot 14.01 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen deze vergadering. We hebben, na de schorsing van de vergadering, nog de
bijdrages van mevrouw Van Dijk, de heer Hoogeveen, de heer Baudet, de heer Vermeer,
de heer Stoffer en de heer Grinwis tegoed. De heer Stoffer komt er nog aan. Van de
heer Baudet hebben we nog niets gehoord, maar hij staat voorlopig nog wel op de sprekerslijst.
We gaan nu eerst 30 minuten luisteren naar de bijdrage van mevrouw Van Dijk van het
CDA.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Mooi, die druk op die 30 minuten.
Voorzitter. Vandaag gaan we het, nadat we er even tussenuit zijn geweest vanwege de
verkiezingen, in een nieuwe samenstelling weer hebben over het pakket Belastingplan.
Natuurlijk een hartelijk welkom aan mijn nieuwe collega’s in deze commissie, maar
zeker ook aan de al bekende leden. Fijn om weer verder te gaan met de inhoud.
Het pakket Belastingplan zal een relatief beleidsarm pakket moeten zijn vanwege de
demissionaire status van het kabinet. Het is zeker kleiner dan vorige pakketten, maar
beleidsarm vind ik het dan weer niet. Ik heb behoorlijk wat vragen, ook na de beantwoording
van onze schriftelijk al gestelde vragen. Ook heb ik nog vraagtekens bij het gebrek
aan consistentie tussen verschillende antwoorden. Daarnaast vergroot het Belastingplan
de administratieve regeldruk voor ondernemers en vergroot het de complexiteit in de
uitvoering, verhoogt het de kosten en zorgt het voor weer meer fte’s die nodig zijn
bij de Belastingdienst. De ambities van minder regels, minder complexiteit en een
kleinere overheid raken weer verder uit zicht.
Voorzitter. Dat gezegd hebbende zal ik onze punten in de volgorde van het pakket Belastingplan
inbrengen. Ik wil beginnen met de onderwerpen uit het Belastingplan die het inkomensbeleid
raken. In eerste instantie kwam het trucje van het nog verder oppompen van de arbeidskorting
weer van stal, specifiek om werkenden te bevoordelen ten koste van generieke ib-schijftarieven.
Klopt het dat deze verhoging met de nota van wijziging helemaal is teruggedraaid,
terwijl de tarieven nog verder verhoogd worden, omdat aan de oplossing voor de buffelboete
een prijskaartje van 600 miljoen hing? Klopt het dus dat er geen hogere arbeidskorting
is, maar wel een verdere verhoging van de ib-tarieven?
Toch wil ik nog even ingaan op de arbeidskorting. Aan zijn antwoord heeft de Staatssecretaris
namelijk een overzicht toegevoegd van hoe deze korting in de afgelopen 25 jaar gestegen
is: van € 920 tot € 5.600, waarvan circa € 1.400 vanwege indexatie, maar zo’n € 3.300
beleidsmatig. Nu zijn wij zeker niet tegen het stimuleren van arbeid, integendeel.
We hebben alleen wel moeite met de manier waarop de huidige arbeidskorting steeds
verder van haar doel verwijderd raakt naarmate deze hoger wordt. Want bij een stijgend
inkomen wordt de arbeidskorting lager, wat meer werken juist niet stimuleert. Is de
Staatssecretaris bekend met de evaluatie van de heffingskortingen? Deelt hij de bevinding
dat de arbeidskorting niet langer doelmatig is als instrument voor meer arbeidsparticipatie?
En deelt hij de bevinding dat we daarom kritisch naar de vormgeving moeten kijken,
voordat we besluiten zo’n korting nog verder op te pompen?
Ik ben ook benieuwd hoe deze Staatssecretaris kijkt naar ons voorstel om over te gaan
naar een arbeidskorting op basis van het aantal uren dat iemand werkt. Zo is niet
de hoogte van je salaris bepalend voor wat de overheid je teruggeeft, maar de omvang
van je dienstverband. Want waarom krijgt een ICT’er die 20 uur werkt net zo veel arbeidskorting
als een verpleegkundige die 36 uur werkt? Dat is puur en alleen omdat ze met het aantal
gewerkte uren hetzelfde salaris verdienen. Daar komt bij dat degene die 20 uur werkt,
ook tijd overhoudt voor andere dingen. Diegene kan bijvoorbeeld besparen op kosten
als kinderopvang. Ik weet natuurlijk heel goed dat overstappen naar een dergelijk
systeem de complexiteit vergroot en dat de randvoorwaarden hiervoor goed moeten worden
uitgewerkt en doordacht. Maar is de Staatssecretaris het met ons eens dat we prikkels
in een nieuw systeem veel doelmatiger moeten gaan inrichten en dat dit weleens een
goede denkrichting zou kunnen zijn?
Voorzitter. Weer terug naar het inkomensbeleid. Want wat ook van invloed is op het
inkomen van mensen, is het niet realiseren van de stelpost voor fiscale regelingen
en constructies. Hierdoor worden de gederfde inkomsten in dit Belastingplan opgevangen
in de ib en de loonbelasting. Waarom is er niet meer inzet op de fiscale regelingen?
Had deze generieke verhoging van belastingen over het inkomen van alle Nederlanders
echt niet voorkomen kunnen worden? Welke alternatieve dekkingsbronnen heeft de Staatssecretaris
wél overwogen?
Voorzitter. Ik ga verder met de losse maatregelen uit het Belastingplan, te beginnen
bij de verduidelijking van de fietsregeling. Het lijkt een kleine maatregel, maar
het is er wel een waardoor bij mij weer de uitvoerings- en handhavingsjeuk naar bovenkomt.
Want hoe ga je controleren of een bedrijfsfiets wel of niet meer dan 10% bij het woon-
of verblijfadres wordt gestald? Dit is toch een wassen neus? Dit leidt vooral tot
meer administratieve regeldruk bij zowel ondernemers als bij de Belastingdienst. Kun
je de controle tot een bepaald aantal fietsen niet gewoon loslaten? Dus bij een x-aantal
medewerkers mag je een x-aantal deelfietsen belastingvrij hebben, punt. Daarboven
moet je gewoon betalen. Graag krijg ik een reflectie van de Staatssecretaris.
Voorzitter. De maatregel lucratief belang. Lees ik goed dat het voorstel technisch,
zonder IV-ondersteuning, in te voeren is per 1 januari 2026, maar dat voor de handhaving
door de Belastingdienst wél IV-ondersteuning nodig is en die dus niet voor 1 januari 2029 te realiseren is? Daarom is
de maatregel tot 2029 arbeidsintensief en fraudegevoelig. We leggen daarmee al een
claim op toekomstige IV-capaciteit, terwijl we die wellicht effectiever zouden kunnen
inzetten om misbruik te voorkomen. Zeker als ik lees dat het een en ander samenhangt
met het nieuwe box 3-stelsel en er een rechtszaak loopt over een heffing over een
verkregen voordeel in relatie tot lucratief belang in box 1, vraag ik me echt af wat
we nu aan het doen zijn.
Daarbovenop komt nog een ander onwenselijk aspect. De maatregel heeft namelijk een
veel breder negatief effect. Dat betreft snelgroeiende bedrijven, mkb-investeerders
en de aangekondigde maatregel voor aandelenopties in start-ups en scale-ups. Hun participaties
worden immers ook vaak via lucratief belang vormgegeven. Het is wat ons betreft nou
juist niet de bedoeling om hen zo te raken. Kan de Staatssecretaris aangeven of we
het risico lopen dat we hier met een kanon op een mug schieten? Wordt dit voorstel
in relatie tot de plannen voor de aandelenopties in start-ups en scale-ups straks
geen onwerkbaar gedrocht? Ook wij willen misbruik aanpakken, maar gaat dit middel
dat doel effectief bereiken? Of zou deze wens voor een effectieve aanpak op het lijstje
van vernieuwing van het stelsel moeten landen, gezien de lopende discussies en risico’s?
Zoals ik net al noemde, is de opbrengst ingezet als «lang voor kort» voor de accijnsverlaging.
Het gaat om een onuitvoerbare maatregel om dekking te zoeken voor een eenmalige uitgave,
terwijl we weten dat we deze 45 miljoen per jaar waarschijnlijk nooit gaan ophalen.
Kan de Staatssecretaris hier verder op ingaan?
Dan de aanpassingen op een van onze hoofdpijndossiers: box 3. De PVV zei het zo mooi:
geen fiscaal debat zonder box 3. Het gaat om een flinke verhoging van het forfait,
met 1,78 procentpunt, en een verlaging van het heffingsvrije vermogen. De reden is
puur dekking. Ook de argumentatie rondom een kostenaftrek rommelt. In de beantwoording
geeft de Staatssecretaris een ontwijkend antwoord op mijn vraag hoe hij eerdere passages
in onze wetsgeschiedenis beoordeelt, namelijk dat er wordt «aangenomen dat huuropbrengsten
en kosten van bezit per saldo tegen elkaar wegvallen». Kan hij nogmaals ingaan op
de vraag waarom volgens hem alleen huuropbrengsten in het forfait zullen worden meegenomen
en daarbij niet alleen maar verwijzen naar de HR-uitspraak?
Laten we het even over de gevolgen in de praktijk hebben. We vroegen in onze schriftelijke
inbreng naar de impact van de maatregelen in box 3 op de huurmarkt. In hoeverre wordt
verwacht dat de komende twee jaar het huuraanbod verder krimpt? Kan het kabinet een
gezamenlijke analyse vanuit de fiscaliteit en de woningmarkt geven? Er is inmiddels
een SEO-rapport uitgekomen over het investeringsklimaat voor de huurmarkt, waar alleen
een hele korte beschrijving van particuliere verhuurders in staat. Die vallen eigenlijk
buiten de reikwijdte van het rapport. Zelfs die korte beschrijving laat zien dat er
in 2026 en 2027 een negatief exploitatiesaldo overblijft voor particuliere verhuurders,
omdat de ongerealiseerde waardestijging van de woning in de tegenbewijsregeling wordt
meegenomen. De voorgestelde verhoging van het al hoge forfait voor overige bezittingen
zal dus zorgen voor een forse stijging van de lastendruk voor particuliere vastgoedbeleggers,
waarvoor de tegenbewijsregeling geen uitkomst biedt. Klopt het dat de Staatssecretaris
dit probleem ook erkent? In de beantwoording schrijft hij namelijk dat verhuurders
pas geholpen zijn als de Wet werkelijk rendement box 3 ingevoerd wordt. Vindt hij
dit echt acceptabel?
De verwachting is dat het aantal tegenbewijzen met 40% zal toenemen als gevolg van
het verhogen van het forfait op overige bezittingen. Kan de Staatssecretaris ingaan
op de gevolgen voor de mogelijkheid om een nieuw stelsel per 2028 in te voeren? En,
zo niet, hoe kunnen we dan nog tijdig bijsturen, nu de herijking van de Wet tegenbewijsregeling
box 3 pas in de eerste helft van 2026 naar de Kamer wordt gestuurd? Zit hierin volgens
de Staatssecretaris een risico? Kan de Staatssecretaris ons garanderen dat de mogelijke
inwerkingtreding van de Wet werkelijk rendement box 3 niet verder naar achter schuift
vanwege de hoeveelheid extra beroep op de tegenbewijsregeling? Als het volgend jaar
wel zo blijkt te zijn, hadden we hier nu een andere discussie gehad over maatregelen
om de heffing eventueel te verzachten.
Hoe beoordeelt de Staatssecretaris de conclusie van de Algemene Rekenkamer dat de
gebudgetteerde tegenvaller voor het rechtsherstel significant veel te hoog is? Het
gaat om 3 miljard in plaats van de geraamde 6 miljard. Heeft het geen invloed op de
ramingen van de derving voor de komende twee jaar, die in realiteit waarschijnlijk
veel lager uitvalt? Is zo’n grote verhoging van het forfait dan eigenlijk wel nodig?
Is de Staatssecretaris bereid om voor het volgende WGO, of in ieder geval voor het
plenaire debat, de Kamer te informeren over de raming in relatie tot de reeds ingediende
«opgaaf werkelijk rendement»-formulieren en wat daadwerkelijk wordt terugbetaald,
zodat wij een actuele stand van zaken hebben als het gaat om wat nu daadwerkelijk
de tegenvaller is? We zouden graag willen weten hoeveel tegenbewijsformulieren zijn
ingediend, hoeveel dit afwijkt van de eerdere inschatting op basis waarvan de Belastingdienst
de derving heeft begroot per jaar waarop het betrekking heeft, en een opgaaf willen
hebben van de terug te betalen belasting op basis van de ingediende formulieren per
jaar waar het betrekking op heeft.
Het argument van de Staatssecretaris is overigens dat door de verhoging van het forfait
budget wordt opgebracht voor belastingplichtigen met hogere rendementen. Maar hoe
kan hij dan verantwoorden dat aan de andere kant het heffingsvrije vermogen stevig
wordt verlaagd? Netjes sparen voor een eigen huis ga je bijvoorbeeld zwaarder belasten.
Dat vinden wij wrang. Ik gooi ’m er toch maar even in: daarom blijven wij pleiten
voor een bouwspaarproduct, waardoor het juist fiscaal gestimuleerd wordt om voor bepaalde
doelen te sparen. Hoe kijkt de Staatssecretaris daarnaar? Hierin is ook het onderzoek
van de ING interessant dat aantoont dat sparen voor een doel het meeste effect blijkt
te hebben.
Voorzitter. Dan het akkoord Gezond naar het pensioen.
De voorzitter:
Voordat u daaraan begint, is er eerst een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Mevrouw Inge van Dijk stelt heel veel vragen over box 3, en terecht. Dat zijn vragen
die wij ook allemaal hebben. Ik hoor tussen de regels door dat zij er iets aan zou
willen veranderen. Mijn vraag is of zij met een concreet voorstel gaat komen om de
voorgenomen verhoging van het forfait te matigen of terug te draaien. Hetzelfde geldt
voor het heffingsvrije vermogen. Zo ja, hoe denkt zij dat dan te gaan dekken?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank voor de vraag. Ik hoorde bij verschillende collega’s natuurlijk ook al het debat
hierover. Er liggen volgens mij inmiddels een aantal voorstellen of denkwijzen over
hoe hiermee om te gaan. Wij worstelen natuurlijk met hetzelfde als alle andere partijen
hier. Het is een flink gat. Hoe ga je dat dekken? Kan dat bijvoorbeeld met het voorstel
dat de collega van de VVD voorstelt? Of is wat de ChristenUnie opwerpt een idee? Wij
zullen al die voorstellen serieus bekijken, maar wij willen ook een serieus antwoord
op hoe hoog die raming nu daadwerkelijk is. Als we daar echt serieus een discussie
over zouden kunnen voeren, moeten we dat wel doen, want het maakt de dekkingsopgave
wel een stuk kleiner. Dan praten we ook al ergens anders over.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik heb een aanvullende vraag. Los van de raming denk ik dat we het bedrag voor het
heffingsvrij vermogen allemaal wenselijk vinden. Er zijn al meerdere varianten voorbijgekomen.
Zou het CDA een tipje van de sluier kunnen oplichten: hebben zij een voorkeur voor
de route om het te dekken via box 1 of via box 3?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Daar zou ik eerst echt graag de amendementen voor willen zien. Volgens mij zijn die
nog niet binnen, althans, dat waren ze niet toen ik mijn mailbox zojuist checkte.
Op basis van de inhoud van die amendementen en hoe ze uitgewerkt zijn, ga ik graag
verder in op deze vraag van de collega van GroenLinks-PvdA.
De voorzitter:
Verder zijn er geen interrupties. Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dan het akkoord Gezond naar het pensioen. Het is belangrijk dat er een goede regeling
ligt voor mensen met een zwaar beroep, waardoor zij eerder met pensioen kunnen gaan.
Het vaststellen van de doelmatigheid van deze regeling is natuurlijk dé grote uitdaging.
Daarom is het goed dat met ingang van 2025 gestart is met een proces van gezamenlijke
monitoring door SZW met sociale partners. Mijn vraag is wel hoe ze op het aantal van
15.000 nieuwe RVU-deelnemers als signaalwaarde komen. Is hierbij gekeken naar de dubbele
vergrijzing die aanstaande is? Is het budgettair gedreven of zitten hier andere argumenten
achter?
Voorzitter. Dan ga ik door naar de versobering van de ETK-regeling. Het kabinet stelt
voor om de ETK-regeling te versoberen om, zo zeggen ze, een gelijker speelveld te
creëren. Extra kosten voor levensonderhoud worden vanaf ’26 uitgesloten van onbelast
vergoeden. Het ibo arbeidsmigratie stelt dat niet uitgesloten wordt dat een versobering
van de ETK-regeling, en daarmee een verlaging van het premievoordeel voor werkgevers,
kan bijdragen aan het minder voordelig maken van de inzet van buitenlandse arbeidskrachten.
Hoewel het advies aangeeft dat de gevolgen voor de in- en uitstroom van arbeidsmigranten
naar verwachting beperkt is, valt ons op dat de budgettaire opbrengst van het advies
uit het ibo 6 miljoen is, terwijl het Belastingplan een opbrengst van 21 miljoen heeft
opgenomen. Betekent dit dat er een stevigere variant wordt ingevoerd dan in het advies?
Wat is daarvan dan de impact?
De vraag die je vervolgens ook moet stellen, is wat het voor impact heeft op de huidige
krappe arbeidsmarkt en of we die wenselijk vinden. Het tekort aan arbeidskrachten
blijft bij 33% van de ondernemers de meest genoemde belemmering in de bedrijfsvoering.
Dit aandeel is sinds het derde kwartaal van 2021 onafgebroken het hoogst.
Ik lees ook dat deze versobering nog niet wordt doorgevoerd voor uitgezonden werknemers
en dat daar nog onderzoek naar gedaan moet worden. Werken we hier niet een verschuiving
mee in de hand? Vinden we dat wenselijk? Want ook in dit geval is er geen sprake van
een gelijk speelveld, wat wellicht weer vraagt om jurisprudentie. De ETK-regeling
is vooral bedoeld als sociaal-economische maatregel om redelijke kostenvergoedingen
mogelijk te maken en uitbuiting te beperken. Gaan we dat laatste, uitbuiting, weer
in de hand werken met versobering, is mijn vraag.
Voorzitter. Dan de pseudo-eindheffing. Het kabinet constateert dat de verkoop van
nieuwe elektrische auto’s achterblijft bij het doel van 100% in 2030. Dat doel gaan
we ook niet halen, denken we, aangezien de aanschafprijs van deze auto’s nog steeds
relatief hoog is. Als ik nog verder kijk, vraag ik me ook af of de tweedehandsmarkt
goed werkt. Veel met name elektrische leaseauto’s gaan bijvoorbeeld de grens over,
met als reden dat er in de tweedehandsmarkt meer vraag is naar betaalbaardere modellen.
Maar even terug naar dit voorstel, dat gaat over het verduurzamen van het zakelijke
wagenpark. Voor deze regeling wordt gewerkt met een overgangstermijn waarbij gekeken
is naar het gegeven dat zakelijke leasecontracten vaak worden afgesloten voor vier
of vijf jaar. Maar wat als ik als ondernemer aan een langer contract vastzit? Dan
mag ik gewoon gaan dokken, terwijl ik geen mogelijkheden heb om hier goed op te anticiperen.
We zien ook in de praktijk bij operationele lease ondernemers die heel bewust langer
vast willen houden aan één auto. In het kader van duurzaamheid hoeft dat ook helemaal
niet verkeerd te zijn. Deze heffing is weer een extra administratieve last voor ondernemers.
Wat is de toegevoegde ervan, als onder het Europese bronbeleid per volgens mij inmiddels
’35 alleen nog duurzame auto’s geproduceerd mogen worden? Worden de belangrijke randvoorwaarden
van voldoende laadpalen bij werkgever en werknemer, het oplossen van netcongestie
en hogere kosten van elektrische auto’s in aanschaf en onderhoud voldoende meegenomen
in de besluitvorming? Ik zie daar niets over terug. Oftewel: stellen we realistische
eisen aan werkgevers om ons gewenste doel te halen?
De Belastingdienst verwacht veel bezwaar en beroep tegen deze pseudo-eindheffing,
met name over de definitie van «woon-werk» en «privé». Daarnaast is de maatregel niet
fraudebestendig. Hoe effectief acht de Staatssecretaris de maatregel als we uit de
praktijk signalen horen dat het aantrekkelijker wordt om een mobiliteitsbudget te
geven waarmee de werknemer wederom een goedkopere fossiele auto kan aanschaffen? Want
er wordt vooral de focus gelegd op een elektrische auto onder lease, maar de vraag
is of mensen dit ook automatisch gaan doen.
Zijn er echt geen eenvoudiger alternatieven? Hoe kijkt de Staatssecretaris bijvoorbeeld
naar het doortrekken van het lagere tarief in de bijtelling voor elektrische auto’s,
dat per 2026 zou verdwijnen, of naar een korting op de aanschaf van elektrische auto’s,
om ook een wortel toe te voegen? Meerdere collega’s hebben dit ook al opgeworpen.
Of hoe kijkt de Staatssecretaris naar een stevige stok achter de deur, bijvoorbeeld
door simpelweg op termijn een verbod op het toevoegen van fossiele auto’s aan het
zakelijke wagenpark in te stellen op het moment dat dwingender Europees beleid toch
die richting op gaat? Is dat niet veel duidelijker, effectiever en efficiënter voor
de Belastingdienst en bedrijven?
Voorzitter. Ik vind het goed dat de maatregel tot verlenging van de ingangsdatum belastingrente
erfbelasting en aangiftetermijn erfbelasting wordt voorgesteld. Ik wil dat toch even
benoemen, want ik denk dat we allemaal weleens mails hebben gehad van terecht zwaar
gefrustreerde familieleden die de erfbelasting netjes wilden regelen, maar inderdaad
compleet stukliepen op termijnen. Dank dan ook voor dit voorstel tot aanpassing.
Ik ga verder met de maatregel tot ophoging en afschaffing van het heffingsplafond
voor belasting op leidingwater. De eerste vraag is: is het primaire doel nu budgettair
of waterbesparing? Wij kunnen ons heel goed voorstellen dat je een plan maakt hoe
zuinig om te gaan met watergebruik en dat je daar ook de prijs in meeneemt, maar nu
is er eigenlijk geen beeld van de impact en weten we in ieder geval zeker dat zwemmen
nog duurder gaat worden voor kinderen, terwijl er voor die zwembaden vooralsnog geen
andere oplossing is dan dit water te blijven gebruiken. Ook worden de kosten veel
hoger, tot wel anderhalve ton per jaar, in bepaalde essentiële sectoren, zoals de
zorg, de farmaceutische industrie en de voedingsmiddelenindustrie, terwijl ook zij
geen alternatieven hebben. De Staatssecretaris geeft zelf aan dat data over de mogelijkheden
per sector om ook niet-drinkwater te gebruiken niet bekend zijn. Concludeert hij niet
iets te gemakkelijk dat deze kosten simpelweg door te berekenen zijn aan de consument?
Zo kunnen we elke 100 miljoen lastenverzwaring wel eenvoudig wegschrijven.
Zo kom ik bij mijn volgende thema: de verhoging van de afvalstoffenheffing. Die is
ook voor 60% door te berekenen aan de burger. Deze maatregel is nodig omdat de heffing
op polymeren niet wordt ingevoerd. Dat leidt tot een derving van 567 miljoen vanaf
2028. Het kabinet zegt nu eigenlijk simpelweg: we hebben geen alternatief, dus gooien
we het over de schutting bij de afvalsector. Dat is wel de omgekeerde wereld. Kort
gezegd, de technische dekking is puur budgettair en heeft mogelijk net zo veel negatieve
als positieve effecten op het milieu en de heffing komt via de afvalstoffenheffing
grotendeels bij de burger terecht, die daar niets aan kan doen. De Werkgroep afvalsector
is nu ingesteld om te zoeken naar alternatieven. Waarom niet deze werkgroep even afwachten
en besluitvorming in voorjaar ’26 plaats laten vinden via een aparte wet in plaats
van nu al alles vastleggen? Dan krijgen we meteen een betere spreiding van fiscale
wetgeving, wat we al jaren roepen te willen. Het kabinet zegt zelf ook te gaan zoeken
naar circulaire oplossingen. Kan de Staatssecretaris aangeven hoeveel van de dekkingsopgave
uiteindelijk bij de afvalsector neergelegd wordt en voor welk deel het kabinet zelf
circulaire oplossingen gaat zoeken?
Ik wil nog kort ingaan op de maatregel tot aanpassing van de zuiveldefinitie. Toen
in 2024 de berichten in de media verschenen over een scheutje zuivel bij de vruchtensappen
van Appelsientje en DubbelFrisss werd me toch wel weer even heel duidelijk hoe sommige
producenten denken. Goed dat het kabinet deze omissie gaat herstellen. Ik heb gewoon
een vraag uit belangstelling. Had het kabinet deze uitwijkingsmogelijkheid verwacht
bij het instellen van de initiële maatregel verbruiksbelasting bij alcoholvrije dranken?
Daarnaast vinden wij het jammer dat er nu geen verdere stappen gezet worden naar het
belasten van het suikergehalte van dranken, zodat producenten ook daadwerkelijk worden
gestimuleerd minder suiker aan een product toe te voegen.
De accijnsverlaging laat ik zitten; daar is al veel over gezegd.
De heer Vermeer (BBB):
Altijd mooi, toch?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ja, nou ja, goed. Volgens mij onderscheid ik me hier niet zo heel erg in.
Dan kom ik bij de wet die de btw-verhoging op sport, cultuur en media terugdraait.
Wij zijn blij dat dit nu geregeld is. Wel zijn wij enigszins verbaasd over het antwoord
van de Staatssecretaris ten aanzien van de btw-verhoging op logies, namelijk dat het
niet past bij de maatregel om te kijken naar verzachtende maatregelen die nodig zijn
voor sectorpartijen die harder geraakt worden. Uit het impactassessment blijkt dat
daar wel sprake van is, vooral bij kleinere partijen en in buitenstedelijk gebied.
Het impactassessment is pas na invoering van de maatregel gedaan. Dus het is ook niet
zo gek dat we aan de hand daarvan kijken of er nog iets nodig is. De sector noemt
bijvoorbeeld maatregelen om te verduurzamen zodat kosten bespaard kunnen worden. Kan
de Staatssecretaris hier verder op ingaan?
Ik ga verder met het wetsvoorstel tot nadere operationalisering van het mechanisme
voor een koolstofcorrectie aan de grens. Dat kennen we als het CBAM. Mijn eerste vraag
is in hoeverre nationale sancties die eventueel opgelegd gaan worden, afgestemd worden
binnen Europa. Het is vrij logisch om deze bevoegdheid bij de Minister van Financiën
te beleggen, maar hoe voorkomen we dat dit instrument, net als bijvoorbeeld bij verkeersboetes,
te veel gaat afwijken van het principe «redelijk, billijk en voldoende afschrikwekkend»
en vooral een middel wordt om gaten in begrotingen te vullen? Geregeld wordt dat via
gedelegeerde en uitvoeringshandelingen de verordening verder wordt uitgewerkt. Er
staat in de stukken dat er voor een breed scala aan andere onderwerpen «nog nadere
regels kunnen worden gesteld». Het zicht hierop verdwijnt voor de Kamer na accordering
van het voorstel. Kan de Staatssecretaris toezeggen dat we niet strenger zullen worden
en niet meer administratie zullen opleggen dan de landen om ons heen?
Dan het wetsvoorstel voor het stroomlijnen van het fiscaal inzagerecht. Hoe zorgen
we voor hetzelfde informatieniveau voor belastingbetalers ten opzichte van de Belastingdienst?
Want het lijkt zo ...
De voorzitter:
Een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Die gaat nog over CBAM. Je ziet dat Europese inkomsten in de jaren ’26 en ’27 nog
naar de nationale kas vloeien; het gaat om 211 miljoen en 237 miljoen, bij mekaar
448 miljoen. Dat zijn dus inkomsten als gevolg van Europees klimaatbeleid, een grensheffing
ter correctie van CO2-uitstoot elders, buiten de EU. Dat wordt ingezet ter dekking van de brandstofaccijns.
Hoe krom wil je het hebben? Is het niet een idee om die inkomsten voor Nederland voor
de jaren ’26 en ’27 niet weg te geven aan de pomp als een soort fossiele subsidie
– want dit is dan écht een fossiele subsidie – maar om dat te geven aan het openbaar
vervoer, waarop bezuinigd wordt?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dan ga ik even proberen de vraag van de heer Grinwis iets scherper te stellen. Dus
eigenlijk zegt hij: verlaag de accijns aan de pomp, en zet een deel daarvan anders
in. Sorry, ik weet dat ik geen wedervraag moet stellen, maar ik wil zeker weten dat
ik het goed interpreteer.
De voorzitter:
Ik zie dit als een verhelderingsverzoek aan de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dank, voorzitter, heel goed. Er is nu 1,7 miljard gestopt in lagere brandstofaccijns.
Als je die CBAM-inkomsten niet meer zou gebruiken als dekking daarvoor maar aan het
ov zou geven, dan zou de verlaging van de brandstofaccijns verminderen met 448 miljoen,
dus dan kom je ergens rond de 1,3 miljard uit. Dan gaat die 448 miljoen dus naar de
IenW-begroting om daarmee het ov in den lande in stand te houden, omdat als gevolg
van de verschraling, de bezuiniging op het studentenreisproduct, er in sommige provincies
10% tot wel 12,5% minder inkomsten voor het ov zijn. In Friesland is dat bijvoorbeeld
12,5%. Dat leidt tot minder buslijnen en nog hogere prijzen in het ov. Met dat geld
kun je dat in de jaren ’26 en ’27 voorkomen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik zit tegelijkertijd een beetje na te denken over hoe dat dan begrotingstechnisch
werkt. Aan de ene kant heb je natuurlijk belastingen. Ik moet hier even op kauwen,
met goedvinden van de heer Grinwis. Wij zien natuurlijk ook dat de prijzen aan de
pomp gigantisch hoog zijn. Wij hadden het ook mooier gevonden als het uitgesmeerd
werd. Nu komt er nog een ander aspect bij. Dat is natuurlijk altijd het mooie van
zo’n wetgevingsoverleg. Met goedvinden van de heer Grinwis ga ik er dus heel even
over nadenken en het, heel eerlijk, voorleggen in de fractie. We hebben veel nieuwe
woordvoerders en ik ben benieuwd hoe zij naar dergelijke voostellen kijken.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. We gaan weer naar het fiscaal inzagerecht. In de hersteloperatie
toeslagenaffaire zit inzage in het volledige dossier. Dat is een van de heikele punten
waardoor het herstel traag verloopt. Ouders willen weten waarom hen dit is overkomen
en hopen dit antwoord in een persoonlijk dossier te vinden. Tot op de dag van vandaag
is dat antwoord er vaak niet. Dat komt vaak doordat er stukken uit verschillende systemen
moeten worden gehaald, omdat de informatiehuishouding bij de Belastingdienst niet
op orde is. Dat kan dit voorstel oplossen.
Ik maak me er vooral zorgen over dat de Staatssecretaris schrijft dat dit voor een
deel ook handmatig zal moeten gebeuren. Is die handmatige verwerking tijdelijk, totdat
alles voldoende geautomatiseerd is, of zal er altijd handmatige verwerking moeten
plaatsvinden? Er zijn namelijk een heleboel belastingplichtigen in Nederland. Wat
halen we ons daarmee op de hals? En hoe kostbaar zal dit project worden, aangezien
de voorbereidingskosten voor het eerste stukje al 25 miljoen zijn? Kan de uitvoering
dit nu aan of neemt dat de focus op modernisering weg?
Er is veel onzekerheid over de planning, de uitvoeringslast en de kosten. Ik voorspel
dat teleurstelling op de loer ligt. Inwoners verwachten namelijk dat er nu binnen
afzienbare tijd grote stappen gezet gaan worden, maar we moeten daar realistisch over
zijn. Kan de Staatssecretaris toch een eerste inschatting geven van een implementatieplan
en de bijbehorende kosten?
Dit is meteen een duidelijk signaal voor de inrichting van het nieuwe belastingstelsel.
Zorg ervoor dat bij de inrichting hiervan volledige inzage in het dossier goed geregeld
is voor mensen. Moeten daarin ook niet direct onze decentrale overheden en waterschappen
worden meegenomen, zodat die niet nog een keer het wiel hoeven uit te vinden? Zo kunnen
burgers echt overzicht krijgen over alle betaalde belastingen.
Een ander zorgpunt is dat de informatie die in het systeem wordt opgenomen «grofmazig»
is, zoals de Staatssecretaris schrijft. Het kan dus voorkomen dat een belastingplichtige
nadere vragen heeft, ook als de aanslag onherroepelijk vaststaat. Zie wederom de toeslagenaffaire.
Het voorstel perkt het inzagerecht in. Ziet de Staatssecretaris mogelijkheden om dit
toch beschikbaar te houden, zeker totdat het systeem echt goed werkt? Dit kan bijvoorbeeld
gedaan worden door het overgangsrecht langer in stand te houden, zodat op verzoek
nog steeds nadere informatie kan worden verstrekt.
Wat mijn partij betreft gaan we wat lichtvaardiger om met het aspect doenvermogen.
We vergelijken dit voorstel met het amendement-Omtzigt, maar ik vergelijk het met
de wetenschap dat ongeveer 2,8 miljoen mensen in Nederland digitaal minder vaardig
zijn. Mijn vraag is dan ook wanneer zij de mogelijkheid krijgen om een geprinte versie
op te vragen, aangezien dit nog later op de planning komt te staan. We moeten echt
waken voor aannames vanuit onze hoogopgeleide bubbel waardoor we deze groep mensen
iedere keer verder op achterstand zetten. Wij sluiten ons graag aan bij de vragen
die al door verschillende partijen zijn gesteld over de mogelijkheid tot beroep en
bezwaar.
Dan ga ik verder naar de Wet differentiatie vliegbelasting. In de differentiatie van
de vliegbelasting zitten twee dingen mij toch wel wat dwars. Ten eerste is dat dat
er primair op een budgettaire uitkomst wordt gestuurd en dat daarmee de tarieven redelijk
hoog worden ingestoken. In de schriftelijke beantwoording wordt meermaals de vergelijking
met Duitsland getrokken, maar die gaat richting de toekomst minder op. Afgelopen week
werd bekendgemaakt dat de tarieven verlaagd worden tot € 12, € 32 en € 57. Dan hebben
we dus én een veel hoger tarief dan in België én een veel hoger tarief dan in Duitsland.
Beide landen zijn binnen korte tijd bereikbaar voor Nederlandse reizigers. Kan de
Staatssecretaris hier nogmaals op reflecteren? Is hij bereid te onderzoeken waar de
heffing in Duitsland op uit zou komen en wat de impact daarvan is op Nederlandse luchthavens?
Waarom zoeken we dit niet eerst uit, voordat er besloten wordt tot een heffing per
2027 die heel erg uit de pas zou kunnen gaan lopen? Waarom wordt er niet op Europese
niveau geprobeerd te komen tot een gecoördineerde aanpak om een gelijk speelveld te
bereiken?
Dan ben ik bij het tweede punt dat mij dwarszit, namelijk de tijdelijke handmatige
systematiek via het aangifteformulier. Die heb ik vorig jaar exact voorgesteld in
het kader van tariefdifferentiatie in de kansspelbelasting. De Staatssecretaris schrijft
nu dat hij de analogie begrijpt en komt met verschillende argumenten waarom het meer
werk is bij de kansspelbelasting. Maar dat was niet het breekpunt vorig jaar. Daar
kregen we echt te horen dat het technisch niet mogelijk was. Dat blijkt nu dus niet
waar te zijn. Kan de Staatssecretaris verklaren waarom deze systematiek hier nu wel
kan? Want onze zorgen zijn er nog steeds en die worden, wederom, bevestigd door de
sportsector, namelijk dat sport hard wordt geraakt door verhoging van de kansspelbelasting.
De wettelijk geborgde afdracht vanuit de Nederlandse Loterij en NOC*NSF helpt namelijk
79 sportbonden en 25.000 sportverenigingen. Heeft de Staatssecretaris inzicht in de
effecten van de verhoging van de heffing over 2025, en heeft hij hierover contact
gehad met de goededoelensector?
Voorzitter. Dan heb ik nog twee vragen. Het is een heel ander onderwerp, maar ik pak
hier de kans maar: de btw-regeling voor ondernemersverenigingen. Daarvoor bestaat
een verlengstuk voor aangesloten leden. Als een winkeliersvereniging dus gezamenlijk
kerstverlichting aanschaft voor de winkelstraat – dat is heel actueel op het moment
– blijft logischerwijs recht op teruggave van de btw bestaan. Nu begrijpen we uit
de praktijk dat enkele inspecteurs hiertegenover het formalistische standpunt stellen
dat dit niet geldt voor ondernemersfondsen in de vorm van een stichting. Dat is in
de praktijk eigenlijk precies hetzelfde, maar daarbij is formeel geen sprake van leden.
En dat terwijl veel winkeliersverenigingen de rechtsvorm van een stichting hebben.
Is dit volgens de Staatssecretaris de bedoeling?
Tot slot: de Wbso, een belangrijke regeling voor ons. We hebben daar vorig jaar een
amendement over ingediend, dat voor het grootste deel ook is uitgevoerd. De derde
van de drie maatregelen uit ons amendement was het verhogen van de schijfgrens naar
380.000, maar die stijgt niet verder mee met de inflatie. Vanuit de sector begrepen
wij echter dat juist deze wijziging van de schijfgrens het meeste effect heeft gehad
op de investeringsbereidheid en R&D, met name dat innovatieve mkb’ers hierdoor extra
R&D-medewerkers aannemen. Hoe kijkt de Staatssecretaris naar het structureel meenemen
van inflatie in de verhoging van de schijfgrens? De kosten van R&D stijgen immers
ook. Zouden we het niet uit de gebleken overschotten binnen de regeling kunnen halen?
Het kost circa 5 miljoen per jaar en het zou erg effectief zijn.
Dank je wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank voor de bijdrage, mevrouw Van Dijk. U zat ruim binnen de opgegeven tijd. Dan
gaan we naar het hernieuwde debuut, denk ik, van de heer Hoogeveen.
De heer Hoogeveen (JA21):
Kijk aan! Dank u, voorzitter. Ik dank ook de Staatssecretaris en zijn mensen voor
het aanleveren van de uitgebreide documentatie die bij het Belastingplan hoort. Zoals
zojuist al werd gezegd, ben ik vorige week beëdigd, dus ik had dit weekend flink wat
in te halen. Gelukkig waren de overzichten van het ministerie helder en overzichtelijk.
Voorzitter. Vorig jaar zette het kabinet in het regeerprogramma vol in op het motto
«werken moet lonen». Er lag ambitie en er kwamen gerichte maatregelen voor koopkracht,
inkomenszekerheid en het terugdraaien van fiscale ingrepen die ons ondernemersklimaat
aantasten. In de Voorjaarsnota en in de fiscale beleids- en uitvoeringsagenda werd
een reeks van die voornemens aangekondigd, maar nog geen halfjaar later klapte het
kabinet en nu ligt er een beleidsarm Belastingplan voor ons. Wat resteert zijn nog
steeds wel een flink aantal voorstellen, maar vooral fragmenten van wat ooit een bredere
fiscale hervorming had moeten zijn. Dat is begrijpelijk in bestuurlijke zin, maar
politiek gezien ben ik blij dat ik hier mag zitten en dat wij hier nu met negen zetels
sterk zitten. Het blijft natuurlijk wel zonde, want de potentie was er wel zeker.
Laat ik beginnen met te zeggen dat JA21 verschillende positieve elementen ziet in
het Belastingplan en in de bijbehorende wetten. De verlenging van de accijnsverlaging
op brandstoffen en het de facto afschaffen van de nationale CO2-heffing zijn maatregelen waar allang om werd gevraagd, ook door mijn partij, en waarvan
wij denken dat ze een positieve uitwerking zullen hebben op de portemonnee van burgers
en het bedrijfsmodel van bijvoorbeeld ons mkb. Tegelijkertijd staan daar uiteraard
ook maatregelen met een kostenplaatje tegenover. Sommige daarvan zijn niet mals. Daar
hebben wij dan ook enkele vragen over.
Allereerst een vraag over de tabelcorrectiefactor in het inkomensbeleid. In de praktijk
komt dit neer op een belastingverhoging, zoals mijn collega’s al meerdere keren hebben
herhaald. Door de grenzen van de belastingschijven niet volledig te indexeren, schuiven
mensen eerder op naar een hogere belastingschijf en betalen zij dus meer. Volgens
de ramingen levert dat 1,46 miljard op. Het is bovendien de tweede keer in tien jaar
tijd dat deze maatregel wordt toegepast. Daar heb ik enkele vragen over. Ten eerste:
kan de Staatssecretaris uiteenzetten wat nou het effect is op de marginale druk, dus
het deel van elke extra verdiende euro dat iemand kwijt is aan belastingen en het
afbouwen van kortingen, en voor welke inkomensgroepen deze marginale druk het meeste
stijgt? Ten tweede: zijn er alternatieven onderzocht die een vergelijkbaar budgettair
effect opleveren, maar minder nadelig uitpakken voor werkprikkels, wat toch de originele
ambitie was van het kabinet voordat het demissionair werd? Ten derde: wat zijn de
risico’s van het herhaaldelijk beperken van de tabelcorrectiefactor? Dat is toch een
vraag die bij mij opkomt. Bestaat er binnen het ministerie een soort afwegingskader
voor wanneer dit instrument ingezet kan worden? Met andere woorden, ziet de Staatssecretaris
dit als een uitzonderlijke maatregel om het terugdraaien van de verhoging van de btw
op media, sport en cultuur op te vangen, of is dit een knop waar het kabinet vaker
aan mag en kan gaan draaien als er gaten gedicht moeten worden?
Dan de multiplier in de lucratiefbelangregeling. Deze maatregel verhoogt de belasting
op bepaalde winstdeling of aandelen die iemand krijgt in het kader van zijn of haar
werk door het box 2-inkomen kunstmatig op te hogen met een multiplier. De oorspronkelijke
bedoeling van de motie-Idsinga, zoals ik die las, was om de excessieve bonussen van
een kleine groep private-equitymanagers zwaarder te belasten. Maar zoals een aantal
van mijn collega’s al zeiden, raakt dit ook gewone ondernemers, scale-ups en mkb-investeerders,
waardoor investeringen worden ontmoedigd. Dat zijn juist de partijen die we nodig
hebben voor onze groei en innovatie. Ook het beroemde Draghirapport memoreert dat
dat juist iets is waar we op moeten inzetten. Ik begrijp dat een aparte fiscale regeling
in het kader van medewerkersparticipatie speciaal voor start-ups en scale-ups in de
maak is bij het kabinet. Die zou in Q1 van 2026 naar de Kamer komen en op 1 januari
2027 ingaan. Dat ligt bij het Ministerie van Economische Zaken. Maar ik zou toch aan
de Staatssecretaris willen vragen: wat is nou precies de synergie tussen dat voorstel
en de verzwaring die nu voor ons ligt? Hoe kijkt de Staatssecretaris naar het feit
dat het kabinet nu demissionair is en dat deze speciale regeling voor start-ups en
scale-ups door een volgend kabinet – dat zou dan in ieder geval een kabinet zijn waar
JA21 niet in zit – misschien wel wordt teruggedraaid?
Daar komt nog bij dat er zorgen zijn over hoe het tarief zich verhoudt tot het internationale
speelveld. Het kabinet verhoogt de lastendruk van 31% naar ongeveer 36%. In de schriftelijke
beantwoording van de Staatssecretaris wordt verwezen naar het Verenigd Koninkrijk,
waar het tarief onlangs eveneens werd verhoogd naar 34%. Maar in veel omringende landen
zien we dat de belastingdruk op carried interest juist lager ligt. In Frankrijk, België,
Italië, Duitsland en Spanje gaat het om ongeveer 25% tot 30%. Dat roept ook vragen
op over ons investeringsklimaat en onze internationale concurrentiepositie. Kan de
Staatssecretaris ingaan op de vergelijking met deze landen, waar de belastingdruk
voor vergelijkbare winstdelingen veelal lager ligt?
Voorzitter. Ik had nog wat vragen over box 3, maar in al het enthousiasme van mijn
collega’s zijn die al gesteld, dus die zal ik achterwege laten.
Ik heb wel nog enkele vragen over de pseudo-eindheffing voor fossiele auto’s. Vanaf
2027 moeten werkgevers een eindheffing van 12% over een cataloguswaarde betalen als
zij werknemers geen elektrische auto aanbieden. Deze maatregel gaat echter voorbij
aan de realiteit, waarin veel bedrijven nu al tegen hun grenzen aanlopen als het gaat
om de uitbreiding van de netcapaciteit. Bedrijventerreinen kunnen vaak niet uitgebreid
worden; bedrijven wachten soms jaren op die netverzwaringen. Ik kan u garanderen dat
het niet leuk is als u aankomt op werk en u uw elektrische auto niet kunt opladen,
getuige het feit dat mijn auto nu nog met een 8 kilometer-range in de kelder staat
en de gehele laadinfrastructuur van de Tweede Kamer eruit ligt.
Mijn vragen hierover zijn als volgt. Erkent de Staatssecretaris dat veel bedrijven
simpelweg niet in staat zijn om een volledig elektrisch wagenpark te faciliteren?
Acht hij het proportioneel om dan toch een boete van 12% op te leggen? Bovendien wordt
de keuze voor een fossiele of elektrische auto in de praktijk vaak al gemaakt door
de werknemer. Zij kiezen binnen hun leasebudget zelf of zien geheel af van het kopen
van een leaseauto en kopen vervolgens van hun mobiliteitsbudget of hun eigen middelen
een fossiele auto. Kan de Staatssecretaris toelichten waarom er gekozen is voor het
neerleggen van een heffing bij de werkgever, terwijl de keuze voor het type auto in
veel gevallen feitelijk bij de werknemer ligt? Hoe effectief acht hij deze maatregel?
Is overwogen om de transitie op een minder dwingende manier te stimuleren, bijvoorbeeld
via positieve prikkels in plaats van een sanctie? Ik heb nog één aanvullende vraag.
Er wordt nu puur ingezet op volledig elektrische auto’s. Zou het ook een overweging
zijn om bijvoorbeeld hybride of plug-inhybrides mee te nemen? Is er onderzoek naar
gedaan of dat logisch zou zijn?
Voorzitter. Dan de Wet differentiatie vliegbelasting. Waar Nederland kiest voor een
verhoging van bijna € 30, € 50 of zelfs € 70 per ticket, zien we in omringende landen
juist het tegenovergestelde gebeuren. Vorige week nog zagen we dat Duitsland de recente
belastingverhoging op vliegen heeft teruggedraaid, omdat zij de economische schade
te groot vonden en omdat de luchtvaartsector nog lang niet op het niveau zit van precorona.
Ook Zweden heeft onlangs, op 1 juli van dit jaar volgens mij, de vliegbelasting teruggedraaid
om dezelfde redenen. De Nederlandse luchtvaartsector waarschuwt hier al langer voor.
BARIN, de brancheorganisatie van alle luchtvaartmaatschappijen, die het grootste deel
van alle vluchten van en naar Nederland vertegenwoordigt, noemt deze langeafstandstaks
een grote fout en vreest dat dit reizigers en maatschappijen nog verder de grens over
jaagt, zeker nu landen om ons heen die fiscale verlichting wel bieden.
Het kabinet verwijst dan naar een onderzoek van CE Delft, waaruit zou blijken dat
het risico op uitwijkgedrag beperkt is. Tegelijkertijd laat dat onderzoek zien dat
er wel degelijk sprake is van uitwijking naar buitenlandse luchthavens. Kan de Staatssecretaris
uitleggen hoe hij in het licht van die uitwijkcijfers, en dus ook in het licht van
de recente fiscale verlichtingen om ons heen, tot de conclusie is gekomen dat het
risico tot uitwijken beperkt is? Wat zijn de economische gevolgen voor luchtvaartmaatschappijen,
touroperators en de reissector als geheel? Is dat ook gekwantificeerd?
Ten slotte. Zoals al door de collega aan de linkerzijde werd verteld, wordt deze maatregel
toch ook echt ingevoerd omdat dit ook een CO2-reductie teweeg moet brengen. Is in kaart gebracht hoeveel CO2-reductie zo’n vliegtaks nou precies opbrengt?
Tot slot heb ik nog een vraag over de handhaafbaarheid van de CBAM-verordening. Wij
als JA21 zijn nooit echt heel blij geweest met de CBAM-verordening. Het is toch eigenlijk
een soort protectionistische maatregel, omdat je je eigen producten duurder maakt
met een ETS. Maar ik heb vooral een vraag over de uitvoering. Onder die uitvoering
hebben de nationale autoriteiten namelijk het mandaat gekregen om gegevens te innen,
maar die autoriteiten hebben geen rechtsmacht buiten de EU. Zij kunnen de emissiegegevens
uit derde landen niet zelfstandig verifiëren. Zij zijn aangewezen op de gegevens die
importeurs zelf aanleveren of op gegevens van externe bronnen, waarvan de kwaliteit
per land waaruit wordt geïmporteerd, sterk verschilt. Acht de Staatssecretaris het
risico reëel dat CBAM hierdoor uiteindelijk een soort papieren systeem wordt waarin
onderrapportage moeilijk te detecteren is? Welke concrete waarborgen biedt de Europese
Commissie ons binnen het zogeheten risk management framework, om te voorkomen dat
het systeem afhankelijk wordt van ongecontroleerde of strategisch laag gerapporteerde
uitstootcijfers?
Voorzitter, dank u wel. Ik zie uit naar de beantwoording van de Staatssecretaris.
De voorzitter:
Dank voor uw eerste betoog in deze commissie. Ik zie geen interrupties. Dat betekent
dat we doorgaan naar de volgende spreker op de lijst en dat is de heer Vermeer namens
BBB.
De heer Vermeer (BBB):
Dank u wel, voorzitter. Hoe betalen we onze toekomst? Dat is de vraag die op tafel
ligt bij de behandeling van elk belastingplan. Wat BBB betreft wordt die vraag in
ieder geval niet beantwoord met een alsmaar verder stijgende belastingdruk. Ambities
moeten realistisch zijn en niet resulteren in het kapot belasten van de samenleving.
Elk voorstel moet uiteindelijk weer opgehoest worden door belastingbetalers. Nederland
moet een land zijn waarin een burger die hard werkt een goed leven kan leiden, waarin
de belastingbetaler niet onredelijk belast wordt en waarin bedrijven gefaciliteerd
worden, in plaats van tegengewerkt worden. De belastingbetalende Nederlander is immers
de motor van onze begroting. Laten we dat niet vergeten. Een toekomstig kabinet moet
zich daarom ook zelf effectief insnoeren.
BBB wil een rem op onnodige uitgaven, om de begroting niet te doen ontsporen en de
lastendruk beheersbaar te houden. Tegelijkertijd moeten we oog houden voor noodzakelijke
investeringen die juist bijdragen aan een solide begroting op de lange termijn. Een
voorbeeld waarbij dat misgaat, is de botte sanering van de gezondheidszorg, zoals
tijdens de campagne is voorgesteld door een aantal partijen. Een dergelijke aanpak
ondermijnt namelijk innovatie en preventie, waardoor kosten op lange termijn weer
stijgen. Dat is in goed Nederlands penny wise, pound foolish. Op de lange termijn
is het ook slecht voor onze schatkist.
Dan nu het Belastingplan. Ik wil graag een aantal maatregelen uitlichten, te beginnen
bij de pseudo-eindheffing voor zakelijke auto’s met een verbrandingsmotor. «Verbrandingsmotor»
is bijna een vies woord geworden. Het gaat gewoon om een diesel- of benzineauto.
De voorzitter:
Voordat we het over vieze woorden gaan hebben, gaan we eerst naar een interruptie
van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Voordat de heer Vermeer met de inhoud begint, wil ik wel graag van hem weten hoe ik
naar zijn betoog moet gaan luisteren. Volgens mij zijn de meeste amendementen namelijk
nu ingediend door de heer Vermeer. Hij heeft ook wat kritische interrupties geplaatst,
terwijl dit toch het Belastingplan is van een kabinet dat bestaat uit VVD en BBB.
Ik zou dus eigenlijk wel van de heer Vermeer willen horen of het Belastingplan op
de steun van BBB kan rekenen als het Belastingplan na deze behandeling blijft zoals
het er nu ligt?
De heer Vermeer (BBB):
Dit zijn twee vragen. De eerste vraag die de heer Oosterhuis stelt, is hoe hij moet
luisteren. Ik zou zeggen: heel aandachtig, met toepassing van een hoop gezond verstand
en er zaken uit pikken waarvan hij denkt dat die nog wel eens verstandig zouden kunnen
zijn en die voorleggen aan zijn fractie, zodat hij eventueel de amendementen die wij
indienen, kan steunen. U luistert gewoon naar Kamerlid Vermeer van BBB, die kijkt
naar dit Belastingplan en dat op onderdelen probeert te verbeteren.
De heer Oosterhuis (D66):
Meneer Vermeer geeft geen antwoord op mijn tweede vraag, namelijk of het Belastingplan
zoals het er nu ligt, kan rekenen op steun van BBB. In dit kabinet zitten op dit moment
meer BBB-bewindspersonen dan er BBB-Kamerleden zijn. Ik neem dus aan dat het Belastingplan
zoals het er nu ligt, flink is beïnvloed door de bewindspersonen die namens zijn partij
in het kabinet zetten. Ik stel mijn vraag dus nogmaals. Ik denk dat die ook relevant
is met het oog op de Eerste Kamer. Kan dit Belastingplan rekenen op de steun van de
fractie van BBB?
De heer Vermeer (BBB):
Dat gaat de heer Oosterhuis zien bij de stemmingen, en het is mede afhankelijk van
de manier waarop dit Belastingplan nog vertimmerd gaat worden door deze Kamer, met
onder andere de door ons voorgestelde wijzigingen. Het begrotingsrecht ligt bij de
Tweede Kamer en niet bij het kabinet.
De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Kijk, op zich is het inderdaad heel dualistisch dat de heer Vermeer doet wat hij zelf
wil in plaats van zaken met de Staatssecretaris af te stemmen, maar het is natuurlijk
wel een rare vorm als zijn Staatssecretaris hier met een wet komt waarmee de heffing
op auto’s verhoogd wordt, en de heer Vermeer het hele plan vervolgens ongedaan maakt
met een amendement. En als de heer Vermeer komt met amendementen over CO2-belastingen die ons miljarden aan boetes uit Europa gaan kosten, is de vrij normale
vraag: staat hij nog achter het Belastingplan of niet? Hij is nog steeds van een coalitiepartij.
Er wordt erg ontwijkend gereageerd, maar het is een normale vraag. Staat BBB nog steeds
achter de afspraken van de coalitie of is het nu gewoon echt free for all geworden?
De voorzitter:
Niemand is eigenaar van de Staatssecretaris, want die is natuurlijk dienaar van de
Kroon, maar dat bedoelde de heer Stultiens waarschijnlijk ook te zeggen.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, de Kamer gaat over de begrotingen en het Belastingplan. Wij gaan daar dus zelf
over, en niet het kabinet, zoals de heer Stultiens weet. U zult aan ons stemgedrag
en aan mijn inbreng hier zien wat we ervan vinden. Volgens mij moet het hier gaan
om het kiezen van het beste voorstel en niet om de wie de afzender van een voorstel
is of wat de kleur van een partij is. Ik neem tenminste aan dat de heer Stultiens
de plannen op die manier bekijkt.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Nee, dat klopt, maar het maakt nogal uit voor het debat of we hier met elkaar open
en vrij mogen amenderen en mogen stemmen wat we willen, of dat er bepaalde afspraken
liggen. Zo ging het namelijk in het afgelopen jaar steeds met de coalitie. Als de
heer Vermeer nu dus zegt dat hij zich vrij voelt om gewoon te doen wat zijn partij
zelf wil, is dat nuttige informatie, die ons ook helpt bij het al dan niet indienen
van amendementen.
De heer Vermeer (BBB):
Dat zou de heer Stultiens totaal niet moeten helpen, want hij moet gewoon voorstellen
wat hij zelf verstandig vindt. Dat heeft niets te maken met wat wij voorstellen of
met wat het kabinet voorstelt. Tenminste, ik mag hopen dat GroenLinks-PvdA op die
manier naar voorstellen uit de Kamer kijkt. Anders zou het een beetje nutteloos voor
ze zijn om hier de komende vier jaar nog mee te doen als ze niet in een coalitie komen.
De voorzitter:
Nog een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Tot slot. Nee, het enige wat hier natuurlijk uniek aan is, is dat een kabinet normaal
gesproken steun heeft van een coalitie in de Tweede en de Eerste Kamer. Dat is nu
spannend, want er is een nieuwe fase aangebroken. Daarom willen partijen graag weten
of BBB nog achter oude afspraken staat, of niet meer. Dat is gewoon een relevant feit
voor bij de behandeling in de komende weken. Blijkbaar wilt u dat nog niet zeggen.
Dat mag, en dat vind ik dan weer veelzeggend voor de komende weken.
De voorzitter:
De heer Vermeer, tot slot.
De heer Vermeer (BBB):
Als dat toch allemaal al veelzeggend is, hoeft de heer Stultiens ook geen vraag te
stellen. Hij ziet welke voorstellen wij indienen. Ik neem gewoon een positie in ten
opzichte van dit Belastingplan en ik ga mijn bijdragen op die manier doen. Daar kunnen
allerlei conclusies uit getrokken worden – dat mag iedereen zelf weten – maar het
doel is dat we straks als Kamer samen een nieuw Belastingplan vaststellen dat zo goed
mogelijk is en dat kan rekenen op een meerderheid in deze Kamer. Ik hoop op uw steun
voor de fantastische amendementen die ik voorstel.
De voorzitter:
Dan mag u uw betoog vervolgen.
De heer Vermeer (BBB):
Ik wil inderdaad graag een aantal maatregelen uitlichten. We waren bij de verbrandingsmotor
en dat onderwerp leidde tot reacties. Het kabinet stelt voor om een extra heffing
in te voeren voor werkgevers bij een keuze voor een fossiele leaseauto voor de werknemer.
Dit heeft als doel om de elektrificering van het wagenpark te versnellen. Los van
de uitwijkeffecten naar bijvoorbeeld een kilometervergoeding, is de maatregel ook
vanuit duurzaamheidsperspectief onwenselijk. Zeer zuinige hybride auto’s, die juist
een waardevolle bijdrage leveren aan schoner vervoer, worden ook geraakt. Bovendien
kan ons energienet een versnelde elektrificering helemaal niet dragen. Ik hoor zelf
continu in allerlei debatten en technische briefings hoe gigantisch de problemen van
netcongestie zijn. Dit rijmt dus totaal niet met elkaar. Netcongestie wordt een steeds
groter probleem en elektrische auto’s zijn een belangrijke veroorzaker. Een pas op
de plaats is noodzakelijk. Tel daarbij op dat de pseudo-eindheffing door anticipatie-effecten
een negatief budgettair effect heeft en dit alles maakt het wat BBB betreft een buitengewoon
onwenselijke maatregel die we het liefst geschrapt zien, coalitiepartij of niet.
De Staatssecretaris is eerder ingegaan op de ontwijkingseffecten, waarvan hij niet
inschat dat zij concreet een probleem opleveren, maar hoe kijkt hij aan tegen netcongestie?
Is een te snelle groei van elektrische voertuigen wat hem betreft ook onwenselijk?
Het is verder zo dat elektrische leaseauto’s door gebrek aan binnenlandse vraag na
de leasetermijn in toenemende mate naar het buitenland verdwijnen. De eindheffing
heeft als gevolg dat wij het gebruik van zakelijke elektrische voertuigen stimuleren
met belastinggeld, die vervolgens na vier jaar richting het buitenland gaan. Betaalt
de Nederlander dan niet voor de transitie van het buitenland, is mijn vraag aan de
Staatssecretaris. Is het dan niet onverstandig om deze heffing in te voeren?
Eerder gaven collega’s hier al in hun bijdrage en in interrupties aan dat elektrische
auto’s gestimuleerd moeten worden, maar dat rijmt totaal niet met de eerdere afschaffing
van een subsidie op elektrische bestelbusjes per 31 december 2024. De Kamer werd daarbij
geïnformeerd dat er geen enkele stimulans meer nodig was, omdat het businessmodel
en de total cost of ownership van elektrische auto’s juist veel lager waren dan van
auto’s met een brandstofmotor. Is er dus iets veranderd in de tussenliggende jaren,
vraag ik de Staatssecretaris, of worden hier gewoon selectief argumenten naar voren
gehaald als dat uitkomt?
Voorzitter. Voor ons als beleidsmakers ligt er een taak om de belasting op consumptie
en gebruik zo laag mogelijk te houden, omdat de koopkracht van burgers, met name ook
aan de onderkant, zo onder druk staat.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Volgens mij pleitten veel partijen er de laatste jaren niet zozeer voor om elektrisch
rijden te stimuleren, maar om het op z’n minst concurrentieel te houden met fossiel
rijden. Een van de voorbeelden die we bij de hand hadden, is vandaag natuurlijk de
bijtelling. Doordat de cataloguswaarde gemiddeld hoger is voor een EV dat verder aan
dezelfde kenmerken voldoet als zijn fossiele evenknie, is 22% bijtelling voor een
EV zwaarder dan voor een fossiele auto. Is het dan niet reëel om niet in één keer
de stap te maken van 17% naar 22%, maar om ongeveer op die 18% te gaan zitten in 2026,
zodat je een beetje een gelijk speelveld hebt in de bijtelling? Dat is toch de keerzijde
van het betoog van de heer Vermeer, dat je ze niet fiscaal moet afstraffen?
De voorzitter:
Helder. Het antwoord van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
De heer Grinwis gaat er hierbij van uit dat als er op elektrisch overgeschakeld wordt,
er van dezelfde klasse auto gebruikgemaakt wordt. Maar om op dezelfde bijtelling uit
te komen, kan ook voor een wat kleiner model gekozen worden. Als iemand het zo belangrijk
vindt om elektrisch te rijden of als de werkgever dat belangrijk vindt, dan kan ook
daarvoor gekozen worden.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ja, maar nu verandert de heer Vermeer het geweer van schouder en gaat hij appels met
peren vergelijken. Dat kan op zich, maar het gaat erom of de keerzijde van het betoog
van de heer Vermeer niet is dat je EV’s fiscaal per saldo op dezelfde wijze dient
te belasten als fossiele auto’s. Als we niet ingrijpen als Kamer op de manier waarop
het nu gaat gebeuren, dan gaat vanaf 2026 het rijden in een vergelijkbare EV qua bijtelling
duurder worden. De heer Vermeer stelt wel een gedragsreactie voor voor degenen die
het zo belangrijk vinden, maar het gaat natuurlijk meer over de vraag of dat fair
of rechtvaardig is en of we dat niet meer gelijkwaardig moeten maken. Dat is in ieder
geval het voorstel dat ik doe.
De heer Vermeer (BBB):
Dat wil ik zeker wel overwegen, want dat klinkt rechtvaardiger, maar we zitten sowieso
al scheef met die hele motorrijtuigenbelasting, die op gewicht gebaseerd is. Wij moeten
dus toe naar een totaal andere manier van waarderen van auto’s en de omvang daarvan,
maar ook van de belasting op het wegdek et cetera. Dat is van veel factoren afhankelijk.
Volgens mij moeten we dat in één keer aanpassen. Dat is net als bij de toeslagen en
belastingen. Sommige partijen hier stellen voor om een beetje aan knoppen te gaan
draaien, maar volgens mij is ook hier maar één oplossing: een wit blaadje pakken en
opnieuw beginnen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog, meneer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Ik was gebleven bij de constatering dat de stijgende lasten die leiden
tot inflatie voor veel mensen steeds moeilijker op te vangen zijn. In dat verband
pleit BBB voor een pas op de plaats bij de verhoging van de wegenbelasting voor specifieke
groepen, zoals kampeervoertuigen en vervoerders van paarden. Dat is samen goed voor
ruim 80 miljoen euro aan lastenverzwaringen. Ik weet dat deze maatregelen al onderdeel
waren van een eerder belastingplan, maar BBB wil deze maatregelen toch in ieder geval
gedeeltelijk geschrapt zien. Wij hebben daartoe een amendement ingediend.
Ook de oldtimerregeling is bij het Belastingplan ’24 versoberd. Dit houdt in dat nieuwe
oldtimers van na 1988 niet meer in aanmerking komen voor een motorrijtuigenbelastingvrijstelling,
terwijl oldtimers zeer waardevol zijn als cultureel en mobiel erfgoed. De lastenverzwaring
van ruim 150 miljoen euro die hiermee gepaard gaat, is wat BBB betreft dan ook disproportioneel.
We komen daarom ook op dit punt met een amendement om de versobering terug te draaien.
Dan de arbeidskorting. Bij de Algemene Financiële Beschouwingen is overeenstemming ...
De voorzitter:
Dat leidt opnieuw tot een interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Het pleidooi voor de oldtimer is natuurlijk heel sympathiek, maar ik kijk dan ook
naar de dekking. De dekking komt van het gewoon helemaal schrappen van de MIA, de
Milieu-investeringsaftrek, en de VAMIL. Hoe legt de heer Vermeer dat uit aan al die
ondernemers die willen investeren en die, bijvoorbeeld in de glastuinbouwsector en
in de landbouwsector, veelvuldig gebruikmaken van de MIA en de VAMIL? Hij zegt daar
altijd zo’n warm hart voor te hebben. Die voorbeelden staan nota bene opgesomd op
de RVO-website. Die kent de heer Vermeer waarschijnlijk ook. Ik krijg het niet uitgelegd,
de heer Vermeer wel?
De voorzitter:
Een poging van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Volgens mij worden wij bij het hele Belastingplan en alles wat wij steeds voorstellen
in ieder geval geacht om toch te kijken hoe we dat ergens mee gedekt krijgen. Maar
feit is ook dat we hier vastlopen. De heer Grinwis heeft zelf de Laffercurve al genoemd.
Als je goed gaat kijken, zitten we eigenlijk aan het maximum van belastingen op het
gebied van tabak, kansspelen, benzine, box 3, campers; je kunt het niet opnoemen.
We zitten eigenlijk met alles aan het maximum. Voor alles wat op dit moment voorgesteld
wordt, moeten wij dekkingen verzinnen. Als wij die dekkingen niet verzinnen en een
maatregel doorgaat, dan krijgen we dat geld de komende jaren uiteindelijk allemaal
niet binnen door uitwijkgedrag of door het verplaatsen van honderden miljoenen of
tientallen miljarden van bijvoorbeeld vastgoed naar investeringen in het buitenland.
En, ja, wij kijken dan gewoon of er nog ergens potjes zijn waar je wat mee zou kunnen
doen, maar die zijn allemaal verschrikkelijk en halen allemaal bij iemand iets weg,
wat je eigenlijk helemaal niet weg wilt halen. Ik pleit ervoor dat we op een andere
manier naar de VAMIL gaan kijken. Daar hebben wij hier ook al hele sessies voor gehad.
Op dit moment ben ik niet blij met die dekking. We zoeken ook nog naar een alternatieve
dekking, maar ik heb die er voorlopig even in gezet om het punt te kunnen agenderen,
omdat wij wel willen dat er op dit moment nog overal een dekking voor is. Alleen lopen
wij hier met z’n allen knettervast, want bij alles wordt gefocust op budgetneutraliteit,
terwijl we weten dat we die budgetten van je lang zal ze leven nooit binnen gaan halen.
We moeten met z’n allen dat patroon doorbreken, dus ik hoor graag van de heer Grinwis
of we het daar weer eens een keer over kunnen hebben. Hoe gaan wij dit probleem tackelen?
Want wij bezuinigen onszelf op deze manier kapot. Dus, nee, ik vind dit soort maatregelen
waardeloos en ik ben nog op zoek naar een alternatief.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Vermeer (BBB):
Dan de arbeidskorting. Bij de Algemene Financiële Beschouwingen is overeenstemming
bereikt over het beperken van de indexatie van de inkomensgrens in de arbeidskorting
om te voorkomen dat lage inkomens meer belasting zouden moeten betalen. Dat is gevolg
van veel gesteggel over de effecten van veranderingen in de arbeidskorting en de toeslagen
voor lage inkomens. Mijn fractie vindt dat we in de toekomst minder afhankelijk moeten
zijn van heffingskortingen en toeslagen. We moeten de inkomens van burgers niet bestoken
met verborgen heffingen, kortingen en complexe toeslagen. Is de Staatssecretaris ook
van mening dat er voorafgaand aan een nieuw stelsel in de inkomenssfeer in ieder geval
een pas op de plaats wenselijk is wat betreft inkomensafhankelijke regelingen? Is
hij het ook met me eens dat we een complex stelsel niet nog complexer moeten maken
en dat het opschroeven van inkomensafhankelijke regelingen daar in ieder geval niet
aan bijdraagt?
Voorzitter. Ik wil het ook nog kort hebben over box 3. Afgelopen juni hebben we als
Kamer de Wet tegenbewijsregeling box 3 behandeld, een wet die vermogensaanwas betrekt
bij de bepaling van het werkelijk rendement en bovendien geen kostenaftrek toestaat.
Mijn amendement om een regeling te treffen voor verhuurders van woningen haalde het
helaas niet. Wat zien we nu? Verhuurders van woningen dumpen hun panden, studenten
kunnen niet meer aan een kamer komen en de huursector staat zwaar onder druk. Volgens
het Kenniscentrum Studentenhuisvesting verloor Nederland de afgelopen twee jaar zo’n
9% van de studentenkamervoorraad. In de vrije sector betaalden nieuwe huurders afgelopen
kwartaal € 1.856 huur per maand, een duizelingwekkend bedrag voor veel mensen.
Daarom heb ik de volgende vragen aan de Staatssecretaris. Wat hebben de recente verkoopgolven
voor gevolgen voor de box 3-ramingen? Zijn de ramingen nog up-to-date? Kan de Staatssecretaris
daarop reageren? In de bijlage bij de Miljoenennota staat nog dat beleidswijzigingen
in box 3 gepaard gaan met een hogere opbrengst in 2026. Is dit nog altijd zo? Verwacht
de Staatssecretaris in 2026 een hogere opbrengst dan in 2025, ondanks deze ontwikkelingen?
Het volgende punt dat ik wil behandelen, is de verbruiksbelasting. BBB is voorstander
van een gedifferentieerde verbruiksbelasting waarbij enkel toegevoegde suikers worden
belast, in lijn met het zogenaamde scenario 5 uit de brief van voormalig Staatssecretaris
Van Oostenbruggen. Volgens mij heeft de Eerste Kamer daarbij ook een belangrijke vinger
in de pap gehad. Een gedifferentieerde verbruiksbelasting is er nog altijd niet. Wij
overwegen in samenwerking met de SGP een motie in te dienen bij de plenaire behandeling
om hier vaart achter te zetten. Ondertussen betalen Nederlandse bedrijven, vaak lokale
familiebedrijven, hoge belastingen voor hun producten.
Pure fruitsappen zouden volgens sommigen even slecht zijn als frisdranken, maar uit
een recent onderzoek van Maastricht UMC+ blijkt nog eens dat dat niet het geval is,
wat iedereen met gezond verstand natuurlijk al had kunnen bedenken. Vruchtensap is
namelijk meer dan alleen water en suikers. Volgens dit onderzoek hebben toegevoegde
suikers een verhogend effect op de bloeddruk, en pure fruitsappen niet of aanzienlijk
minder. Wat BBB betreft wordt er dan ook op korte termijn een uitzonderingspositie
geregeld voor de makers van pure fruit- en groentesappen. Ook wij overwegen een amendement
in die richting. Hier zit namelijk ook een psychologisch gedragseffect achter. Als
pure fruitsappen opeens als ongezond gekwalificeerd worden, hoe geloven kinderen dan
nog dat je wel een appel en een peer moet eten? Wij moeten hier dus echt een patroon
doorbreken, want dit gaat de verkeerde kant op.
Dan de CO2-belasting.
De voorzitter:
Deze opmerking leidt tot een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
De heer Vermeer en de heer Grinwis zijn in dit dossier volgens mij al verschillende
keren samen opgetrokken. De heer Stoffer hoort daar trouwens ook bij. Er liggen natuurlijk
verschillende scenario’s voor. Begrijp ik nu goed dat de heer Vermeer pleit voor een
volledige vrijstelling of is hij ook in voor het scenario waarin we met het verlaagde
tarief gaan werken?
De heer Vermeer (BBB):
Idealiter gaan wij voor een volledige vrijstelling, omdat wij gewoon vinden dat dit
moet gaan over toegevoegde suikers. Als er geen suikers toegevoegd worden, dan moet
je het ook niet doorberekenen.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Ik heb het amendement nog niet gezien. De uitvoering zal ongetwijfeld een uitdaging
gaan worden, maar laten we eens veronderstellen dat het allemaal kan. Hoe gaat de
heer Vermeer dit dan dekken?
De heer Vermeer (BBB):
Het voorstel ligt nog niet op tafel, omdat ik daar nog geen dekking voor heb. Maar
dat past weer bij het betoog dat ik vijf minuten geleden hield: op deze manier zetten
we ons wat mij betreft volledig klem en zijn we niet de juiste dingen aan het doen.
Wij weten inmiddels ook dat wij bijvoorbeeld bier en andere alcoholhoudende dranken
hier niet aan kunnen toevoegen, want daar zitten we al ver over het niveau heen dat
acceptabel is om grensoverschrijdende aankopen tegen te gaan; misschien bevorderen
we zo zelfs de illegale productie, net als bij tabak. Volgens mij zitten we op dit
soort terreinen dus helemaal klem. Als wij budgetneutraliteit willen blijven handhaven,
moet er iets gebeuren, want dit is wat ons betreft inmiddels een puzzel met een onmogelijke
samenstelling geworden.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Vermeer (BBB):
Dan de CO2-belasting. Onze industrie gaat gebukt onder een nationale kop op Europees beleid.
Daarnaast drukken de hogere energietarieven en netwerkkosten zwaar op onze concurrentiepositie.
In de afgelopen periode hebben we al enkele pogingen gedaan en gezien om deze CO2-heffing te schrappen, maar helaas heeft het kabinet de CO2-belasting als een draaibare belastingknop gehandhaafd in het Belastingplan 2026.
Ik zit nog niet zo lang in de Kamer, maar ik ben inmiddels niet naïef meer over wat
er gebeurt als iemand een knop in het zicht krijgt. Meestal wordt er dan toch aan
gedraaid, en wel op het verkeerde moment. Wat ons betreft moet die knop dus gewoon
weggehaald worden.
Voor ETS1-broeikasgasinstallaties en -lachgasinstallaties zal de effectieve belastingdruk
echter nul zijn. Om verdere duidelijkheid te geven aan de sector ziet BBB de belasting
voor deze sectoren het liefst helemaal verdwijnen. Dat biedt deze ondernemingen de
broodnodige stabiliteit en is ook een helder signaal aan buitenlandse boardrooms met
Nederlandse vestigingen. Voor afvalverwerkingsinstallaties is vanaf 2027 echter een
structurele opbrengst ingeboekt van 270 miljoen euro aan CO2-belasting, terwijl die belasting nooit bedoeld was om geld op te halen, maar als
maatregel om de CO2-uitstoot te beperken. Ook voor deze sector geldt dat belastingverhoging een aanzienlijke
druk geeft op het investeringsvermogen.
Voorzitter. In de nota naar aanleiding van het verslag geeft het kabinet aan dat een
snelle realisatie van Aramis belangrijk zal zijn voor het vermijden van een CO2-heffing in de toekomst, maar is er ook een kans dat vanwege de verslechterde businesscase
van de AVI’s het Aramisproject überhaupt niet gerealiseerd zal worden door gebrek
aan investeringen? Dan is er ook geen handelingsperspectief meer.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Het zal u niet verbazen dat GroenLinks-PvdA het oneens is met de BBB over klimaatbeleid.
Wij vinden de CO2-belasting namelijk wel belangrijk. Alleen, mijn vraag gaat over de dekking van zo’n
amendement. De Staatssecretaris geeft namelijk aan in de brief waarom het kabinet
niet voor nul euro gaat, maar voor de gekozen bedragen: anders komt er een forse boete
uit Brussel. Dan lopen we namelijk geld mis uit het Europese Herstel- en Veerkrachtplan.
Dit kan oplopen tot 1,2 miljard euro. Nu is de vraag: is de heer Vermeer het oneens
met de Staatssecretaris of gaat hij nog een dekking vinden voor dat amendement?
De heer Vermeer (BBB):
Ik snap dat de Staatssecretaris vanuit zijn functie risico’s moet benoemen, maar ik
moet nog zien ... Dit is weer zo’n voorbeeld van hoe wij ons volledig in een hoek
geschilderd hebben. We hebben dus eerst geld in een pot gestopt. Vervolgens hebben
we er zelf voorwaarden aan verbonden om dat geld terug te krijgen. Diezelfde voorwaarden
worden nu gebruikt om allerlei voorstellen die we met z’n allen verstandig vinden,
niet uit te voeren. Dit is echt knettergek. Dit moet stoppen. Daarom moeten wij ook
echt stoppen met de discussie over eurobonds en het daaraan straks weer verbinden
van allerlei voorwaarden. Want dan gaan we weer precies dezelfde soep krijgen met
z’n allen. Op deze manier kunnen kabinetten nog twintig jaar vooruit regeren door
iedereen klem te zetten met boetes die ze zelf ingesteld hebben. Dit moet echt stoppen.
Ik snap dat de Staatssecretaris risico’s benoemt, maar die discussie moet maar eens
met Europa aangegaan worden. Ik ga hier geen dekking voor regelen, want ik zie het
niet als een risico.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Er wordt nu heel veel op één grote hoop gegooid: van eurobonds tot andere dingen.
Nederland wil dat alle andere Europese landen gaan hervormen. Als ze dat niet doen,
dan krijgen ze minder geld. Dat is de afspraak. Nu hebben we als land zelf gezegd
dat we een CO2-belasting gaan invoeren. Die willen we terugtrekken, althans sommige partijen hier.
En de Staatssecretaris zegt: als je die op nul zet, dan krijg je je geld niet uit
Brussel. Het gaat om 600 miljoen tot 1,2 miljard. Is het amendement – dat is geen
motie, maar echt een wetswijziging – een serieus voorstel van de heer Vermeer? Zegt
hij: «Weet je wat? We gaan gewoon risico lopen. Ik negeer de Staatssecretaris. Wij
gaan gewoon 1,2 miljard euro riskeren vanwege mijn amendement.»? Is dat echt het plan
dat hij hier indient?
De heer Vermeer (BBB):
Volgens mij heb ik het al ingediend.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Leuk, een gevatte opmerking. Maar er ligt nu een wetswijziging van een coalitiepartij
die zegt: «Weet je wat? Misschien kost het 1,2 miljard. Dat zegt de Staatssecretaris
namens het kabinet. Maar we negeren dat gewoon. We zien wel.» Dat is toch geen betrouwbaar
bestuur? Dat is toch niet hoe je met elkaar je amendementen maakt? Ik vind het gek
– ik hoop dat meer partijen dat gaan zeggen – dat je hier iets indient wat 1,2 miljard
kan kosten, maar dat je dat overlaat aan je opvolgers. Graag een meer inhoudelijke
reactie op het feit dat de Staatssecretaris zegt dat dit ons heel veel geld gaat kosten.
De heer Vermeer (BBB):
Als wij die CO2-heffing en die knop niet weghalen, dan gaat ons dat zéker heel veel geld kosten.
Dat heeft namelijk grote gevolgen voor het investerings- en vestigingsklimaat. Zolang
dat soort kosten niet meegenomen worden in de afwegingen hier in de Kamer, zetten
wij onszelf klem en zorgen we ervoor dat we het verdienvermogen van Nederland voor
de toekomst ernstig aantasten. Wij hebben gewoon gezegd: tot hier en niet verder;
dit is een keer klaar.
De voorzitter:
We gaan naar de een-na-laatste interruptie van de heer Grinwis.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank voor de herinnering. Er komt heel veel frustratie uit bij de heer
Vermeer. Die frustratie is vooral na de formatie pas opgestapeld. Tijdens de kabinetsformatie
van het vorige kabinet kon hij dit namelijk allemaal al weten. Hij kon al weten dat
er inderdaad randvoorwaarden waren en dat als je plannen wilt afvoeren, je met een
alternatief moet komen, omdat je anders het risico loopt dat je 600 miljoen tot 1,2
miljard verliest. Dat was niet alleen zo bij deze maatregel, maar bij wel zeventien
maatregelen, zeg ik uit mijn hoofd. Zegt de heer Vermeer dus eigenlijk dat hij nu
wakker is geworden, maar toen sliep? Welke boodschap geeft hij nou mee? Ik snap de
frustratie namelijk, maar dan moet je gewoon opletten tijdens de formatie. Ligt dat
uiteindelijk hier niet op tafel? Misschien moet ik het ook niet al te euvel duiden.
Het was namelijk de eerste keer dat de BBB meeformeerde. Ik snap het allemaal, maar
deze frustratie is niet helemaal terecht, want u was er zelf bij, meneer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Allereerst vind ik het dedain dat de heer Grinwis toont door te zeggen dat wij iets
voor de eerste keer deden, hebben zitten snurken, niet opgelet hebben en het allemaal
hebben laten gebeuren, volkomen onterecht. Ik heb mijn frustratie hierover vanaf het
eerste moment in de formatie gemeld. Daar was de heer Grinwis niet bij, dus dat kan
hij niet weten. Maar ik vind het wel kwalijk dat hij suggereert dat wij er als een
stelletje dombo’s bij zaten en dat wij gewoon niet wisten wat er speelde.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat zijn uw woorden.
De heer Vermeer (BBB):
Nee, dat zijn uw woorden, die u mij oplegt door de manier waarop u de vraag stelt.
U had gewoon kunnen vragen: bent u er later pas achter gekomen of wist u het aan het
begin al? Nou, ik wist aan het begin al dat we klem zaten op allerlei gebieden. Bij
elke uitvraag aan Financiën kwamen dit soort tabellen en risico’s van wat er allemaal
kon gebeuren terug. Daarin zit frustratie, want op deze manier zijn we niet de juiste
besluiten voor Nederland aan het nemen. We brengen het verdienvermogen van Nederland,
de potentie waar wij alle voorzieningen uit moeten betalen in dit land, ernstig in
gevaar door de manier waarop we onszelf klemgezet hebben. Ik zit nu pas in de positie
waarin ik kan zeggen: tot hier en niet verder. Daarvoor kon dat niet. Daarin ziet
u dus een gedragswijziging. Die frustratie is er echt vanaf het begin, hoor. Daar
kunt u van op aan. In elke terugkoppeling kwamen al die beperkingen steeds terug.
De voorzitter:
Dan komen we bij een interruptie van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
De CO2-heffing wordt met het wetsvoorstel dat nu voorligt, feitelijk op nul gezet. Dat vergt
een wetswijziging. De heer Vermeer dient nu een amendement in om ook het instrument
zelf uit de wet te schrappen, maar dat is ook een eenvoudige wetswijziging. In beide
gevallen volstaat een simpele wetswijziging om de CO2-heffing weer terug te brengen. Meneer Vermeer en ik zijn het oneens over of dat wenselijk
zou zijn, maar feitelijk maakt het voor de moeite die het kost om ’m weer in te voeren
toch helemaal niks uit of het nu wel of niet in de wet staat? Het amendement van de
heer Vermeer is toch louter symbolisch? Daarmee neemt hij wel het risico om ruim 1
miljard euro uit Brussel op het spel te zetten.
De heer Vermeer (BBB):
Ik probeer de vraag goed te begrijpen. Ik probeer goed te begrijpen wat de heer Oosterhuis
hiermee wil bereiken. Wij willen gewoon dat die knop eruit gaat. Wij weten gewoon
dat het een veel grotere drempel is om een nieuwe wet of een nieuwe wetswijziging
door te voeren dan dit nu bij het Belastingplan te regelen. Dat is de reden waarom
ik dat ding eruit wil hebben. Het is veel moeilijker om iets wat hier een keer geschrapt
is, weer terug te krijgen dan om iets te laten staan en te activeren. Theoretisch
is het misschien even makkelijk, maar praktisch en politiek gezien is dat veel moelijker.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Ooster ...
De heer Oosterhuis (D66):
Het punt is dat ik ...
De voorzitter:
Een moment, meneer Oosterhuis. Ik kondig u aan en dan kunt u uw microfoon aanzetten.
Een vervolgvraag van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Excuus, voorzitter. Ik probeer te betogen dat het ook politiek net zo eenvoudig is
om dit weer terug te draaien. Al die wetsartikelen liggen al klaar. Die staan nu in
de wet. Die kunnen er ook zo weer in geamendeerd worden. Het voorstel dat nodig is
om het tarief aan te passen, is ongeveer vergelijkbaar met het voorstel om de heffing
opnieuw in te voeren, dus ik snap echt niet dat de heer Vermeer dit risico wil nemen,
want feitelijk gebeurt nu wat hij wil.
De heer Vermeer (BBB):
Nou, wij kijken daar verschillend naar. Gezien de ontwikkelingen die op dit moment
plaatsvinden in Europa – ik heb het over hoe tegen CO2-reductie en doelstellingen aangekeken wordt – denk ik dat er in dit geval mettertijd
meer gezond verstand zal komen en het politiek dus met de dag moeilijker zal worden
om dit terug in te voeren. Dat is mijn inschatting. Anders stemt u gewoon tegen; dan
moeten we die zetels missen. Dan moeten we bekijken of er verder wel een meerderheid
voor is.
De voorzitter:
Verder geen interrupties? Dan mag de heer Vermeer zijn betoog gaan afronden.
De heer Vermeer (BBB):
Voorzitter. Ik was nog bij de CO2-heffing en het Aramisproject. Ik heb nog enkele vragen aan de Staatssecretaris. Loopt
de Staat niet het risico dat zij vanwege de volloopgarantie moet gaan betalen vanwege
het mislukken van Aramis? Zo ja, is met deze budgettaire risico’s rekening gehouden?
Zo nee, waarom niet? Er zijn dus meer risico’s dan alleen de Europese boetes.
Over de weglekrisico’s van afvalstromen schrijft de Staatssecretaris in een nota naar
aanleiding van het verslag dat deze zijn omgeven met grote onzekerheden. Daarom wordt
er in de ramingen rekening gehouden met een gelijkblijvende exportstroom. Was het
niet beter geweest om hier een wat minder gunstig scenario aan te houden? Nu wordt
er eigenlijk van uitgegaan dat er helemaal geen afname is van de grondslag in de CO2-belasting door export van afval. Dat er te discussiëren valt over het precieze effect
begrijp ik, maar helemaal geen rekening houden met grondslagerosie door export lijkt
mij onverstandig. Graag een reactie van de Staatssecretaris.
Voorzitter. Tot slot een opmerking over de ramingen en budgettaire effecten van beleid.
Ik heb inmiddels al enkele amendementen ingediend. Bij elk amendement houdt BBB zich
aan de begrotingsregels zoals het scheiden van inkomsten en uitgaven. Maar ik wil
daarbij, net als eerder al, wel opmerken dat bij veel thema’s de lastenverhogingen
wat mij betreft te optimistisch worden doorgerekend. Ik heb net het voorbeeld genoemd
van de CO2-belasting op AVI’s waarbij er geen rekening wordt gehouden met een toename in de
exportstroom. Ook bij box 3 en de tabaksaccijns hebben we grote gedragseffecten gezien.
Ik heb geen aanvullende vraag hierover aan de Staatssecretaris, maar wil graag de
collega’s oproepen om zich bij de verdere behandeling en ook bij de formatie niet
blind te staren op statische modellen en ramingen, maar vooral ook het gezonde verstand
te gebruiken bij het wegen van de financiële effecten van beleid.
Dank u wel.
De voorzitter:
Tot zover de bijdrage van de heer Vermeer. Dank u wel. Dan gaan we nu naar een spreker
die we deze middag nog niet gehoord hebben, namelijk de heer Stoffer van de SGP.
De heer Stoffer (SGP):
Dank, voorzitter. Dat klopt; ik was helaas vanmorgen niet op tijd hier. Ik zal niet
uitleggen waar het allemaal mee te maken had, maar het had wel iets te maken met waar
de heer Hoogeveen tegen aanhikte: het laden van een auto. Het is wat, die elektrische
auto’s.
Goed. Voorzitter. We starten vandaag met ... Nee, we zijn natuurlijk al ruimschoots
gestart met de belastingplanvierdaagse. Het is, denk ik, een heel mooi dossier om
in deze eerste week van de nieuwe Kamer mee te starten. Er liggen heel veel wetten
voor, soms technisch en weinig politiek, maar zeker in de Wet Belastingplan 2026 zitten
een paar maatregelen waar best een stevig debat over nodig zou kunnen zijn. Er is
natuurlijk al het een en ander met elkaar gedebatteerd; ik heb vanochtend al het een
en ander meegekregen.
Als SGP zijn we niet onverdeeld positief over een aantal maatregelen. In deze bijdrage
zullen we dan ook onze eigen wensen inbrengen. Ik ga vandaag in op het Belastingplan
2026 en op de Wet vliegbelasting.
Als eerste het inkomensbeleid. In een eerste versie van het wetsvoorstel was het voornemen
opgenomen om de arbeidskorting te verhogen. Dat is gelukkig inmiddels ingetrokken.
De dekking, het verhogen van de tarieven in de inkomstenbelasting, is echter niet
ingetrokken. Sterker nog, door de nota van wijziging wordt het belastingtarief de
komende jaren verder verhoogd. Ook het budget voor de arbeidskorting wordt verhoogd,
terwijl we juist de andere kant op moeten: lagere tarieven en lagere kortingen. Dat
maakt het stelsel namelijk eenvoudiger. Mijn eerste vraag aan de Staatssecretaris
is of hij deze mening deelt. En of dat nou wel of niet zo is, waarom wordt er toch
voor gekozen om zowel de tarieven als de arbeidskorting te verhogen?
Daarnaast wordt de stelpost fiscale regelingen opnieuw ingevuld door een lastenverzwaring
in de inkomstenbelasting. Mijn vraag is: daar is die stelpost toch eigenlijk niet
voor bedoeld? Gezinnen zijn nu de dupe van het feit dat het kabinet die stelpost niet
kan invullen.
Voorzitter. Vorig jaar is er een amendement van de SGP aangenomen dat de positie van
eenverdieners verbetert. Dat is heel mooi en was ook een echte trendbreuk. Wat ons
betreft was dit uiteraard een eerste stap, want de belastingkloof tussen eenverdieners
en tweeverdieners was en is nog steeds enorm. Vandaar dat ik een amendement overweeg
om een volgende stap te zetten. Vanaf 2028 wordt de overdraagbaarheid van de algemene
heffingskorting opnieuw ingevoerd, maar slechts voor een beperkte groep: vanaf een
inkomen van € 36.000 word deze afgebouwd. Mijn voorstel is om die grens wat hoger
te leggen, zodat ook middeninkomens profiteren. Ik kom daarover nog met een amendement.
Voorzitter. Het is ook goed dat er eindelijk duidelijkheid is over de verlenging van
de RVU, de Regeling Vervroegde Uittreding. Deze regeling zou dit jaar aflopen, maar
wordt met dit Belastingplan gelukkig verlengd. De vrijstelling wordt met € 300 verhoogd.
Die dekking wordt gevonden door het RVU-tarief te verhogen. Nu betalen werkgevers
een tarief van 52% over het deel boven het drempelbedrag. Werknemers met een laag
inkomen kunnen goed uit de voeten met een verhoging van het drempelbedrag. Dat is
positief, maar de rekening wordt wel deels neergelegd bij werknemers met een middeninkomen.
Als zij eerder willen stoppen met werken en de werkgever een uitkering wil geven die
niet voor een enorme inkomensachteruitgang zorgt, dan betaalt die werkgever een steeds
hogere RVU-heffing. Die loopt op tot zelfs 65% in 2028. De zorg van de SGP is dat
werkgevers daardoor minder geneigd zijn om werknemers met een inkomen boven de drempelvrijstelling
een uitkering aan te bieden. Mijn vraag is of de Staatssecretaris op deze zorg kan
reageren. Is in beeld gebracht wat de verhoging van de RVU-heffing doet met het aantal
aangeboden regelingen? Tot slot op dit punt: ziet de Staatssecretaris mogelijkheden
om de rekening op een andere manier te dekken?
Voorzitter. Dan hetgeen al meerdere keren is langsgekomen vandaag en gedurende de
tijd dat ik hier zit: de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken. In die verbruiksbelasting
op alcoholvrije dranken wordt een geitenpaadje afgesloten. Als er bijvoorbeeld een
vleugje zuivel aan frisdrank wordt toegevoegd, dan kan die verbruiksbelasting nu worden
ontweken. Dat is niet de bedoeling van die belasting. Het is goed dat het kabinet
daar een stokje voor steekt. Maar het steekt wel dat de opbrengst ten goede komt aan
de algemene middelen, terwijl er ook voor gekozen kan worden om het tarief te verlagen.
Waarom is daar niet voor gekozen? Daarnaast vallen pure groente- en fruitsappen nog
steeds onder de verbruiksbelasting. Dat is al vaker aan de orde gekomen. Daarin zitten
geen toegevoegde suikers. Pure groente- en fruitsappen verschillen enkel van groente
en fruit als het gaat om de substantie. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of hij
bereid is om die pure groente- en fruitsappen uit te zonderen van de verbruiksbelasting.
Op 11 juli heeft de vorige Staatssecretaris een brief naar de Kamer gestuurd met een
aantal scenario’s voor de omzetting naar een gedifferentieerd tarief op basis van
het suikergehalte. In die brief wordt aan de Kamer gevraagd om een keuze te maken.
Wat de SGP betreft kiezen we voor een scenario waarin wordt geheven op basis van de
toegevoegde suikers, scenario 5, net als de heer Vermeer van de BBB zojuist aangaf.
Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of hij kan toezeggen dat hij dat scenario gaat
uitwerken in een wetsvoorstel. Als die toezegging niet komt, dan zullen wij aanstaande
donderdag een motie indienen, zoals al is aangegeven. Als er mensen zijn die willen
meetekenen, dan zijn ze uiteraard van harte welkom. Maar ik hoop in eerste instantie
op een toezegging van de Staatssecretaris; dat begrijpt u.
Dan box 3. In het Belastingplan worden twee maatregelen genomen voor box 3 waar de
SGP kritisch op is: het verlagen van het heffingsvrij vermogen en het verhogen van
het forfaitair rendement. Gelukkig staan we daar niet alleen in. Dat is bedoeld om
het uitstel van de Wet werkelijk rendement box 3 te dekken. Met het eerste, het verlagen
van ...
De voorzitter:
Er is een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
Met vertraging, want ik was al een tijdje aan het zwaaien. Mijn vraag gaat nog over
de verbruiksbelasting. Die vraag heb ik zojuist ook gesteld aan de heer Vermeer. Volgens
mij lopen er wat dingen door elkaar. Is het een motie of een amendement? Als het een
amendement is, hoe gaat de heer Stoffer dat dan dekken?
De heer Stoffer (SGP):
Er ligt een amendement voor. Dat wordt in eerste instantie ingediend door de BBB.
Wij zullen dat medeondertekenen. De motie zal van onze hand komen.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Stoffer (SGP):
Ik was gebleven bij de eerste maatregel waar ik niet al te blij mee ben, namelijk
het verlagen van het heffingsvrij vermogen. Je raakt daarmee vooral mensen met een
klein vermogen. De SGP wil juist dat het heffingsvrij vermogen wordt verhoogd. Dat
is dus precies het tegenovergestelde van wat het kabinet voorstelt. Maar het verhogen
van het forfaitair rendement is zo mogelijk nog problematischer, van 6% naar maar
liefst 7,78%. Dat zijn rendementen die voor velen niet of voor een enkeling nauwelijks
haalbaar zijn. In sommige gevallen is zo’n rendement niet eens mogelijk, bijvoorbeeld
bij een pachtcontract. Mijn vraag is of de Staatssecretaris daarop kan reageren. Verwacht
hij niet nog meer rechtszaken?
Ik dacht dat het forfaitair rendement altijd technisch berekend werd, op basis van
feitelijke informatie, maar nu blijkt dat als er geld nodig is, het forfaitair rendement
opeens verhoogd kan worden. Mijn vraag is: welk precedent wordt daarmee geschapen?
Kan dat percentage nog verder stijgen als er op de een of andere manier weer extra
geld nodig is? Het aantal tegenbewijzen zal door dit voorstel met zo’n 40% toenemen,
kreeg ik als antwoord op onze schriftelijke vragen. Ik meen mij te herinneren dat
de uitvoering van de Wet tegenbewijsregeling box 3 niet heel eenvoudig was en dan
druk ik mij nog zachtjes uit. Mijn vraag is: welke gevolgen heeft deze stijging voor
de uitvoering van die wet?
Ook zal de verhoging grote gevolgen hebben voor de rendementen van verhuurders van
woningen. Nu lopen de rendementen de laatste jaren al stevig terug, met veel verkopen
tot gevolg. Onder aan de streep is het risico groot dat door deze maatregel het woningaanbod
in de huursector nog verder zal afnemen. Mijn vraag is: welke effecten verwacht het
kabinet in dit opzicht? Is deze maatregel afgestemd met het Ministerie van Volkshuisvesting?
Want dit is echt weer een maatregel die fiscaal misschien best logisch lijkt, maar
een enorm effect heeft op de woningmarkt.
Voorzitter. In juni dit jaar is een motie van mevrouw Van Eijk en mij over deze verhoging
aangenomen. Het verzoek in die motie was om in gesprek te gaan met groepen, belastingplichtigen,
die direct geraakt worden en om alternatieven te onderzoeken. Dat eerste lijkt te
zijn gebeurd, dat tweede niet. Mijn vraag aan de Staatssecretaris is of hij kan toezeggen
dat hij alsnog met alternatieven komt, zoals de motie destijds ook vroeg.
In juni heeft de SGP ook een motie ingediend om te bezien hoe de fiscale positie van
rijksmonumenten verbeterd kan worden. Uit de sector begrijp ik dat de gesprekken inmiddels
stilliggen. Mijn vraag is: wat is precies de stand van zaken in dezen? Wanneer stuurt
de Staatssecretaris opties naar de Kamer om de positie van rijksmonumenten te verbeteren?
Er ligt een heldere aangenomen motie die wat ons betreft snel uitgevoerd moet worden.
Voorzitter. Dan kom ik bij de bedrijfsopvolgingsregeling. Daar hebben we in de afgelopen
jaren ...
De voorzitter:
Voordat u daaraan begint, meneer Stoffer, is er een interruptie van de heer Stultiens.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik wil iets zeggen over box 3. Volgens mij hebben eigenlijk alle partijen vandaag
gezegd dat ze iets met het heffingsvrije vermogen willen. Er zijn heel veel varianten
aangeleverd voor hoe dat betaald moet worden: tarief in box 3, grens in box 1, de
wet-Hillen, het eigenwoningforfait. De vraag is: gaat de SGP nog een optie toevoegen
of is er een voorkeur? Kunt u zeggen waar u aan denkt en wat een goed idee zou zijn?
Volgens mij zou het mooi zijn als we dit deze week met elkaar kunnen fiksen.
De heer Stoffer (SGP):
Nee, ik ga er niet wat aan toevoegen, omdat ik ook begrepen heb dat er heel veel opties
zijn. Dus wat mij betreft kijken we deze week hoe we met elkaar tot een zo goed mogelijke
optie komen. Wat mij betreft hoeven we niet alleen maar te kijken binnen box 3 zelf.
Dat geef ik er wel bij aan. Wat mij betreft zou het ook daarbuiten kunnen. Laten we
met elkaar kijken wat we hieraan kunnen doen, maar ik ga er niet nog een extra optie
aan toevoegen, want dat maakt het speelveld alleen maar nog ingewikkelder, denk ik.
De voorzitter:
Dan is er nog een interruptie van mevrouw Van Eijk.
Mevrouw Van Eijk (VVD):
De heer Stultiens heeft het alleen over de dekking van het terugdraaien van het verlagen
van het heffingsvrije vermogen, maar er is ook een breedgedragen wens voor een demping
of het terugdraaien van de voorgenomen verhoging van het forfait. Geldt hetgeen de
heer Stoffer heeft gezegd dan voor beide onderdelen van die maatregel?
De heer Stoffer (SGP):
Het is natuurlijk best een heel ... Je kunt van alles willen; de dekking is altijd
heel lastig. Ik ga ervan uit dat de vraag van mevrouw Van Eijk is of je voor beide
ook buiten box 3 kunt kijken. Ik zie haar ja knikken. Ja, wat ons betreft moeten we
breder kijken dan alleen het box 3-verhaal. Het is natuurlijk mooi als het daaruit
kan komen, maar ik begrijp ook dat dat gewoon heel erg lastig is. Dus we moeten met
elkaar ook iets breder kijken dan dat, denk ik. Wat mij betreft moeten we alle opties
goed in ogenschouw nemen met elkaar en moeten we kijken of we hier een zo breed mogelijk
draagvlak kunnen vinden om toch wat te doen aan dit onderdeel.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Stoffer (SGP):
Voorzitter. Ik had al aangegeven dat ik bij de BOR was aangekomen. Daar hebben we
veel over gesproken. Er lag een amendement voor van het CDA en de VVD waardoor een
familietoets en een verwateringsregeling ingevoerd zouden worden. Nu is gebleken dat
die maatregelen om allerlei redenen niet uitgevoerd kunnen worden, moeten we constateren
dat dat eigenlijk best zuur is. Ik roep dan ook allereerst de Staatssecretaris op
om te blijven zoeken naar alternatieven om datzelfde doel te bereiken. In het vorige
Belastingplan zat ook een nare maatregel, namelijk een stevige inperking van de BOR.
De SGP heeft toen een amendement ingediend, dat gelukkig ook is aangenomen, om deze
versobering niet door te laten gaan als de familietoets en de verwateringsregeling
onverhoopt niet door kunnen gaan. Mijn vragen zijn de volgende. Kan ik nu dus concluderen
dat dit amendement in werking treedt, waardoor de beperking van de BOR definitief
van de baan is? Klopt het dat hiermee ook lidmaatschapsrechten in een coöperatie,
die veel voorkomen in bijvoorbeeld de agrarische sector, zich nog steeds kwalificeren
voor de BOR?
Voorzitter. Dan kom ik bij de pseudo-eindheffing. Daar is ook al meer over gezegd,
maar ik wil daar een paar woorden aan toevoegen. In het Belastingplan is een voorstel
opgenomen om de verkoop van elektrische auto’s te stimuleren. Dat is op zich natuurlijk
goed, maar het is dit keer geen wortel maar een stok. Werkgevers gaan straks 12% belasting
betalen als ze een fossiele auto ter beschikking stellen aan werknemers die die auto
ook privé gebruiken. Het opvallende is dat deze heffing onderaan de streep geld kost,
omdat er minder belasting wordt opgehaald door de elektrificatie van het wagenpark.
De komende jaren kost die maatregel zo’n 700 miljoen euro, en structureel 43 miljoen
euro als je het op het eind bekijkt. Dat is bedoeld om het wagenpark te elektrificeren.
Maar mijn vraag is of die honderden miljoenen niet op een efficiëntere manier zijn
in te zetten, bijvoorbeeld door werkgevers financieel te stimuleren en te helpen hun
wagenpark te elektrificeren in plaats van ze een extra belasting op te leggen? Zeker
voor kleine werkgevers zijn die lasten heel hoog, niet alleen financieel maar ook
administratief. Mijn vraag is of die stijgende lastendruk in kaart is gebracht en,
als het toch doorgaat, hoe kleine werkgevers ondersteund worden bij de uitvoering
van deze maatregel. Het risico is ook dat werkgevers kiezen voor een alternatieve
reiskostenvergoeding en werknemers zélf de auto aanschaffen. Dan zul je zien dat een
minder zuinige tweedehandsauto gekocht zal worden.
Mijn vraag is hoe groot de Staatssecretaris het risico op alternatieve routes acht.
Ik wil hierbij opmerken dat ik zojuist ook een amendement op dit punt heb ingediend,
waarbij we deze regeling niet door laten gaan en waarbij er natuurlijk ook geld vrijvalt.
Ik geef hier maar aan dat ik daar op dit moment geen doel in heb gelegd, alleen dat
we het in de breedte zouden moeten toepassen om elektrificatie te stimuleren. Dus
als mensen hele goede ideeën hebben, dan wil ik het amendement best aanpassen om te
kijken hoe we dat zouden kunnen invullen. Maar wat ons betreft moet het dan wel blijven
binnen de stimulering van de elektrische auto.
Voorzitter. Dan ga ik naar de afvalstoffenbelasting. Er wordt een heel aantal voorstellen
gedaan; voorstellen die nog niet helemaal in beton gegoten zijn omdat in afstemming
met de sector gekeken wordt naar alternatieven. Dat is wat mij betreft een vrij bijzondere
route. De sector mag meedenken over de invulling en het kabinet stelt alvast een invulling
vast. Zou het niet beter geweest zijn om eerst gewoon de uitkomsten van de gesprekken
af te wachten? En kan de Staatssecretaris een update geven van de gesprekken die geweest
zijn? De SGP pleit ervoor om de komende tijd in alle rust en samen met de sector tot
een gedragen pakket te komen, waarbij alle negatieve gevolgen ook goed meegenomen
worden. Het pakket aan belastingverhogingen zal naar verwachting bijvoorbeeld ook
leiden tot meer export en minder import van afval. Kortom, de milieuwinst die hier
op papier behaald wordt, leidt in het buitenland juist tot schade. Nederlandse bedrijven
zijn het kind van de rekening maar dit kabinet wilde het vestigingsklimaat juist verbeteren.
Dat is hard nodig en u vindt de SGP daarin aan uw zijde, maar ik heb het idee dat
deze ambitie het vestigingsklimaat niet vooruithelpt. Ik hoor graag het antwoord van
de Staatssecretaris daarop.
Voorzitter. Een onderdeel van de technische invulling is het laten vervallen van de
vrijstelling voor zuiveringsslib. Dat is een maatregel die vooral onze waterschappen
raakt. Het kabinet raamt de kosten op 1 miljoen euro, volgens het antwoord op onze
vraag in de schriftelijke ronde. Vanuit de waterschappen krijg ik veel hogere bedragen
door. Ik hoor dus graag waar de raming van het kabinet precies op gebaseerd is, zeker
als het tarief van de afvalstoffenbelasting in de komende jaren nog verder gaat stijgen.
Ook geeft de regering aan dat het grootste deel van het slib wordt aangeboden bij
monoverbranders, waarvoor de vrijstelling in stand blijft. Het gaat volgens de sector
om 60% en de rest wordt dus belast. Mijn vraag is: wegen de enorme lasten voor waterschappen
echt op tegen de mogelijke voordelen? Monoverbranding, die dus vrijgesteld blijft,
vergt de komende jaren nog veel innovatie. Deze belastingverhoging remt die innovatie,
terwijl monoverbranding juist duurzamer is. Mijn vraag is: is het niet beter om even
een pas op de plaats te maken en het voorstel het komende jaar te herzien? Ik begreep
ook dat er geen Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden voor dit voorstel is uitgevoerd.
Mijn vraag aan de Staatssecretaris is – dat begrijpt u – of hij kan toezeggen dat
die alsnog plaatsvindt.
Voorzitter. Dan ga ik door met de gevolgen voor de bodemsanering en woningbouw. Eenzelfde
effect zie je namelijk bij de bodemsanering, die heel relevant is voor woningbouw.
Tariefverhoging heeft grote gevolgen voor de kosten van bodemsanering, maar de Staatssecretaris
geeft in de schriftelijke beantwoording aan dat de kostenstijging beperkt is en dat
die versnelling van de woningbouw niet in de weg staat. Graag hoor ik waar dat precies
op gebaseerd is. Er zijn namelijk wel vaker maatregelen genomen die fiscaal logisch
leken, maar voor de woningmarkt funest uitpakten.
Voorzitter. Dan kom ik bij de multiplier in de lucratiefbelangregeling. In de lucratiefbelangregeling
wordt namelijk een ingewikkelde wijziging voorgesteld. Die is ook ingewikkeld omdat
deze volgens de uitvoeringstoets lastig uitvoerbaar is, met grote risico’s op procesverstoringen.
De maatregel is ook nog niet eens fraudebestendig. Is het niet beter om nog even te
wachten met de invoering van deze maatregel of om nog even te tijd te nemen om tot
een uitvoerbare oplossing te komen?
Voorzitter. Dan kom ik aan bij mijn laatste punt en dat is de vliegbelasting. De SGP
vindt het positief dat er een tarief komt op basis van afstand, maar we zijn wel kritisch
op de uitzonderingen die gemaakt zijn voor ultraperifere gebieden, zogenaamde UPG’s.
Daarvoor wordt afgeweken van de standaard tariefindeling. Als een UPG dichter dan
3.500 kilometer van Nederland ligt, valt deze in het lage tarief in plaats van in
het tweede tarief. Voor het Caribisch deel van Nederland snap ik dat, want die hebben
echt een aparte status. Maar de uitzondering geldt ook voor de Azoren, Madeira, de
Canarische Eilanden en delen van het Verenigd Koninkrijk. Mijn vraag is: waarom is
nu specifiek voor die gebieden een uitzondering gemaakt en niet voor andere gebieden?
Is het niet veel rechtvaardiger om alle UPG’s gelijk te behandelen, het Caribisch
deel van Nederland uiteraard uitgezonderd?
De tariefsverhoging zorgt tegelijkertijd wel voor enorme verschillen met onze omliggende
landen. Daar ligt van onze kant ook best een zorg. In vergelijking met België is het
Nederlandse tarief fors hoger. Maar ook het tarief voor korte afstanden is een stuk
hoger dan het Duitse tarief. Mijn vraag is: is het kabinet zich bewust van de grote
weglekeffecten? En hoe wordt er bijgestuurd, mochten die weglekeffecten echt te groot
worden?
Voorzitter. Dat is mijn bijdrage in deze instantie. Ik zie uiteraard uit naar de beantwoording
van de Staatssecretaris. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel, meneer Stoffer. Dit wetgevingsoverleg staat gepland tot 19.00 uur. Het
ziet er dus naar uit dat we vroeger klaar zullen zijn. Ik kan dat alleen niet nog
niet garanderen, want we gaan nog naar het slotstuk van deze middag. Dat is de bijdrage
van de heer Grinwis namens de ChristenUnie. Gaat u er maar eens goed voor zitten.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter, dank voor de aankondiging. Ik voel de druk om het voor 19.00 uur af te
ronden. Ook van mijn kant heet ik de Staatssecretaris welkom bij zijn eerste belastingplanbehandeling
in deze Kamer. Ook welkom aan nieuwe collega’s Oosterhuis en Hoogeveen, die al een
prachtige eerste termijn op de mat hebben gelegd. Dank en welkom in deze prachtige
commissie. De behandeling van het Belastingplan is wat mij betreft een feest. Voordat
ik inga op de inhoud, richt ik nog een woord van dank aan de ambtenaren, die ondanks
de verkiezingsperikelen onverdroten hebben doorgewerkt aan duidelijke antwoorden en
mooie tabellen en grafieken, bijvoorbeeld in de nota naar aanleiding van het verslag.
Die zijn zeer inzicht gevend en behulpzaam.
Voorzitter. Dan is het nu tijd voor de inhoud. Zeg mij wie of wat u wilt belasten
en ik zal zeggen wat voor u belangrijk is, welke samenleving u voorstaat en welke
ideologie u heeft. Het is betekenisvol dat het eerste echt inhoudelijke debat in de
nieuwe Kamerperiode een debat is over belastingen, over het Belastingplan, over ons
belasting- en toeslagenstelsel.
De voorzitter:
Meneer Stoffer, uw microfoon staat nog aan. Zou die uit mogen?
De heer Stoffer (SGP):
Ik praat graag een beetje mee met de heer Grinwis. Sorry, voorzitter.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik begon dus te zeggen dat het goed is dat het eerste echt inhoudelijke debat een
debat is over de belastingen en het Belastingplan. Het haalde, ten onrechte, niet
als een van de grote thema’s het eindverslag van verkenner Koolmees, maar dat is het
natuurlijk wel. Bijna niets van het overheidshandelen heeft zo’n impact als het opleggen
van belastingen. Daarom moeten de belastingen begrijpelijk, eenvoudig en rechtvaardig
zijn. Dat zijn ze heel vaak niet. De ene euro wordt heel anders belast dan de andere
euro, het ene huishouden heel anders dan het andere, de ene manier van wonen heel
anders dan de andere manieren et cetera, et cetera.
Dat het niet goed gaat met ons belastingstelsel laten de diverse hersteloperaties
zien: het toeslagenschandaal, het box 3-fiasco en de reparatiewet die nodig was om
alleenverdieners niet onder het bijstandsniveau te laten zakken. Het stelsel is te
complex, het instrumentalisme te groot en het lef om door te pakken en het urgentiebesef
zijn te klein. Maar er staat weer een kabinetsformatie voor de deur. Dat is een gouden
kans om de problemen van ons belastingstelsel voor burgers, bedrijven en de Belastingdienst
aan te pakken. Het is een kans die je niet grijpt als je alleen maar vergezichten
opschrijft. Nee, je zult concreet moeten worden over de marsroute, in het coalitieakkoord
zelf maar zeker ook in de financiële bijlage. Denk bijvoorbeeld aan welke toeslag
of fiscale regeling je als eerste gaat wegspelen, de vervolgstappen en de hoeveelheid
smeermiddel.
Immers, meer eenvoud maakt het stelsel minder gericht. Je hebt dus geld nodig om te
grote negatieve koopkrachteffecten te voorkomen, zonder te vervallen in koopkrachtfetisjisme.
Welke stap zou de Staatssecretaris als eerste zetten bij het vereenvoudigen van ons
belasting- en toeslagenstelsel? Stel dat de aanvliegroute gericht is op uitvoerbaarheid
voor de Belastingdienst, welke drie regelingen gaan er dan als eerste op de schop?
En welke als je het burgerperspectief kiest? Stel dat het eerste doel is om het aantal
terugvorderingen bij toeslagen terug te dringen. Welke maatregel zou je dan als Staatssecretaris
als eerste nemen: toeslagen baseren op vastgestelde inkomens, technisch t-2 genoemd,
of een concrete toeslag wegspelen? Welke toeslag zou de Staatssecretaris dan als eerste
kiezen: de zorgtoeslag, omdat deze de grootste is, terwijl we heel eenvoudig zonder
zouden kunnen aangezien in principe eenieder een zorgverzekering heeft? Ik daag de
Staatssecretaris graag uit om zijn kaarten op tafel te leggen, want als we dit debat
nu niet voeren en nu geen keuzes maken, dan blijft de vereenvoudiging, de hervorming,
van ons belasting- en toeslagenstelsel een vogel in de lucht.
Voorzitter. Na deze inleiding ga ik eerst maar eens in op het fiscaal discriminerende
voorstel dat in dit Belastingplan is geslopen. Dan heb ik het over het voorstel in
de eerste nota van wijziging. Deze nota, naar aanleiding van de motie-Klaver/Kouwenhoven,
vergroot het verschil tussen mensen die betaald werk verrichten en mensen die dat
ook deden, maar arbeidsongeschikt zijn geraakt. De verschillen waren al zo groot.
Betaald werken willen bevorderen is prima, maar de verschillen in belastingdruk tussen
verschillende groepen bij een gelijk bruto inkomen, zowel op individueel niveau als
op huishoudniveau, mogen niet te groot worden, en die zijn nu wel te groot.
Uit de rekenvoorbeelden in de nota naar aanleiding van het verslag – waarvoor dank
– wordt dat eens te meer duidelijk. Een werknemer met minimumloon, dus met een brutojaarinkomen
van zeg € 30.000, heeft een belastingdruk van 11%. Een voormalige, maar nu arbeidsongeschikte
werknemer heeft bij datzelfde inkomen een belastingdruk van 27%. De werknemer betaalt
bij € 30.000 namelijk € 3.200 inkomstenbelasting en de voormalige, maar nu arbeidsongeschikte
werknemer betaalt € 7.900 belasting. Dat is bijna tweeënhalf keer zo veel. Dat verschil
in belastingdruk loopt verder op bij een tweede verdiener in een huishouden. Immers,
bij arbeidsongeschiktheid valt dan ook het recht op de inkomensafhankelijke combinatiekorting
weg. Voor een tweede verdiener is € 30.000 bruto bijna belastingvrij. In 2026 resteerde
nog slechts een belastingbedrag van € 479. Dat betekent dat een voormalige tweede
verdiener die arbeidsongeschikt raakt bij een brutoinkomen van € 30.000 wel zestienenhalf
keer meer belasting gaat betalen dan degene die die pech niet heeft met zijn inkomen
en werk. Is deze discriminatie nou rechtvaardig, Staatssecretaris? Hebben GroenLinks-PvdA
geen spijt van de discriminerende oplossing in hun motie? Mijn fractie betreurt het
zeer dat er met steun van een Kamermeerderheid voor is gekozen om zó veel geld, namelijk
734 miljoen per jaar, aan de arbeidskorting toe te voegen. Dat is een stap de verkeerde
kant op. Graag hoor ik de reflectie van de Staatssecretaris hierop.
Ik was onaangenaam verrast dat de Staatssecretaris in de nota naar aanleiding van
het verslag de bezwaren wegwuifde, alsof de arbeidskorting niet tot fiscale discriminatie
leidt en het doel, arbeidsparticipatie, elk middel heiligt. Dit terwijl de Staatssecretaris
in reactie op onze vragen ook duidelijk maakt dat als sinds 2001 alleen de tabelcorrectiefactor
zou zijn toegepast, de maximale arbeidskorting in 2025 slechts € 1.500 zou hebben
bedragen in plaats van € 5.599. Bovendien wordt met de nota van wijziging bevorderd
dat mensen nog meer in kleine deeltijdbanen gaan werken in plaats van in grote deeltijdbanen,
laat staan voltijdbanen. Dat zit besloten in de huidige vormgeving en hoogte van de
arbeidskorting. Zolang de arbeidskorting niet is gebaseerd op uren, conform de al
een aantal jaar terug aangenomen motie-Van Weyenberg/Grinwis, is de arbeidskorting,
zeker in combinatie met de andere inkomensafhankelijke afbouwpaden in ons stelsel,
namelijk toeslagen en de algemene heffingskorting, een premie op in deeltijd werken
en een straf op voltijds werken. Naast het feit dat de huidige arbeidskorting door
de extreme hoogte zeer discriminerend is voor arbeidsongeschikten en kostwinnergezinnen,
bijt dit instrument door de hoogte en de afbouw steeds meer in zijn eigen staart,
omdat meer werken te weinig oplevert.
Ik weet dat een arbeidskorting op basis van uren op uitvoeringsproblemen stuit, maar
moeten we in de tussentijd dan niet de omgekeerde beweging gaan maken door niet eindeloos
de arbeidskorting op te pompen, maar eenvoudig het belastingtarief in de eerste schijf
omlaag te brengen? Collega Stoffer bepleitte dat ook al.
Het amendement op stuk nr. 11 (36 812) had ik ingediend om de verhoging van het belastingtarief in de eerste schijf en de
extra verhoging van de arbeidskorting ongedaan te maken. Dat zal ik in ieder geval
zo aanpassen dat voorkomen wordt dat het tarief in de eerste schrijf stijgt. Ik zal
met het oog op steun in de Kamer de als gevolg van de motie-Klaver/Kouwenhoven bijgestelde
knikpunten niet aanpassen. In plaats daarvan zal ik het benodigde bedrag om de tariefverhoging
in box 1 teniet te doen halen uit de hoogte van de arbeidskorting over de hele linie.
Dan wordt bij elk knikpunt de arbeidskorting naar rato verlaagd, overeenkomend met
189 miljoen in 2026 en structureel met 311 miljoen.
Voorzitter. Dan kom ik bij box 3. De wijzigingen die het kabinet daarvoor voorstelt,
liggen mijn fractie zwaar op de maag. Dat komt niet alleen doordat er iets onrechtvaardigs
zit in het deels dekken van de hersteloperatie door niet-bezwaarmakers te laten betalen
voor de bezwaarmakers, maar ook omdat de interactie met de woningmarkt wordt veronachtzaamd.
Particuliere verhuurders, eigenaren van NSW-landgoederen en eigenaren van een vakantiewoning
zijn de pisang. Bovendien leidt het verlagen van het heffingsvrije vermogen tot meer
uitvoeringslasten vanwege de extra 300.000 belastingplichtigen die deze verlaging
met zich meebrengt. Het kabinet wijst mijns inziens te gemakkelijk naar de tegenbewijsregeling
voor het geval het genoten rendement lager is dan het forfaitaire rendement. Het is
toch een veeg teken dat met het oog op particuliere verhuurders wordt gezegd dat het
nieuwe stelsel op basis van werkelijk rendement voor hen een forse verbetering zal
betekenen? Waarom dan in de tussentijd het forfaitaire rendement verhogen terwijl
de kosten niet mogen worden verrekend?
Ondertussen wordt er als oplossing wel gewezen naar de huurverhogingen die Minister
Keijzer mogelijk wil maken. Dat is echt schoppen tegen het zere been van mijn fractie,
juist met het oog op de uitpondgolf die gaande is door particuliere verhuurders. Met
het oog op het belang van betaalbare huren zou je als wetgever in box 3 een pas op
de plaats moeten maken en niet coûte que coûte deze verhoging van het forfaitaire
rendement met 1,78% moeten doorzetten. Graag een reactie van de Staatssecretaris.
Is bovendien voldoende zeker dat de raming inzake de kosten van de hersteloperatie
van box 3 klopt? Want daar zijn van meet af aan serieuze vragen bij gesteld. Het rechtsherstel
in vervolg op het kerstarrest heeft toch ook geen 6 miljard gekost, maar 3 miljard?
In Het Financieele Dagblad zei de Staatssecretaris: als vandaag de raming in vervolg
op de juni-arresten opnieuw zou moeten worden gemaakt, dan zou er hetzelfde zijn uitgekomen,
ofwel 12,4 miljard euro. Kan hij daar nog eens nader op ingaan? Hier werd ook door
collega Vermeer al naar gevraagd.
Stel dat we de lastenverzwaring in box 3 à 2,5 miljard cumulatief niet doorzetten,
hoeveel minder dekking is er dan nodig, gelet op het verminderde gebruik van de tegenbewijsregeling?
Ergo, voor hoeveel miljoen dekt zo’n amendement om de belastingverhoging terug te
draaien zichzelf? Mijn oordeel is in ieder geval dat de voorgestelde belastingverhoging
in box 3 voor de komende twee jaar onverstandig, onrechtvaardig en onnodig is. De
in het verleden volgens de Hoge Raad te veel geheven belasting op vermogen in box
3 deels terughalen bij dezelfde belastingplichtigen in box 3 is de omgekeerde wereld.
Er zijn genoeg andere vermogensbronnen die je zou kunnen kiezen ter dekking. Ook al
betwijfel ik dat de tegenbewijsregeling daadwerkelijk zoveel gaat kosten, volgens
de begrotingsregels moet ik met een dekking op de proppen komen als ik met een amendement
kom om de verlaging van het heffingsvrij vermogen en de verhoging van het forfaitair
rendement in de categorie overige beleggingen met 1,78% terug te draaien.
Mijn idee zou zijn om de afbouw van de wet-Hillen met enkele jaren te versnellen.
Deze regeling zou oorspronkelijk worden afgebouwd in 20 jaar, maar is in de dying
second van de kabinetsformatie van 2017 verlengd naar 30 jaar. Doe die afbouw iets
sneller, maar nog altijd in meer dan twintig jaar, en je hebt een verantwoorde alternatieve
dekking. Hoe staat de Staatssecretaris hier tegenover? Aan een dergelijk amendement
wordt nu gewerkt door de amendementenservice. En ja, ik snap dat er een mismatch in
de tijd kan ontstaan, maar dat is natuurlijk geen tegenargument voor dit Klarnakabinet
dat het brandstofaccijnscadeau van 2026 financiert met een dekking tot 2032.
Voorzitter. Diverse voorstellen in het Belastingplan hebben een link met het klimaat.
Soms hebben de voorstellen een positieve impact op de CO2-uitstoot, maar soms ook een negatieve. Zo straft het kabinet af dat werkgevers fossiele
auto’s nog als leaseauto aanbieden. Dat doet het via een pseudo-heffing, een eindheffing.
Het kabinet acht het risico dat er meer gebruikgemaakt zal gaan worden van de onbelaste
reiskostenvergoeding gering. Dat schrijft het kabinet in de nota naar aanleiding van
het verslag, maar het gaat in het antwoord alleen in op een privé aangeschafte nieuwe
auto. Dat zal natuurlijk niet zo snel gebeuren. Maar met een ouder dieseltje van en
naar je werk gaan, wordt natuurlijk wel interessanter. Is dit risico niet te veel
weggeschreven in de nota naar aanleiding van het verslag? Graag een reactie.
Dan het flankerende beleid, dat aanvankelijk wel in het Belastingplan zat, maar te
elfder ure is geschrapt; althans, zo begreep ik het. Dat gaat er wat mij betreft weer
terug in. Ik heb daar vanochtend al over geïnterrumpeerd. Daarom heb ik dus een amendement
in voorbereiding om de bijtelling voor elektrische auto’s, EV’s, in 2026 en 2027 niet
op 22% te zetten, maar op 18%. Deze vier procentpunten zijn dus nodig om te voorkomen
dat EV’s in de bijtelling zwaarder worden belast dan vergelijkbare benzineauto’s.
Dan zouden we in 2028 naar 20% gaan en in 2029 naar 22%, want het moet natuurlijk
wel gedekt worden en we hebben niet eindeloos diepe zakken. Ter dekking stel ik voor
de youngtimerregeling geleidelijk te versoberen. Mijn vraag aan de Staatssecretaris
is hoe hij tegenover deze invulling van flankerend beleid staat.
Sowieso mag het overheidsbeleid inzake elektrisch rijden wel wat stabieler. Ik ben
niet voor het nodeloos pamperen van EV-rijders, maar het kan toch niet zo zijn dat
we de EV onaantrekkelijker maken dan de fossiele auto? Is de Staatssecretaris dat
met mij eens?
Dan de belastingvermindering in de energiebelasting. De motie-Van Hijum heeft verzocht
deze enkel op huishoudens te richten, wat een opbrengst zou betekenen van structureel
411 miljoen euro. Dit is uitvoerbaar per 2029, schrijft de Staatssecretaris, en wordt
opgenomen in het Belastingplan 2027. Dat is mooi. Is het een idee om de opbrengst
niet in te zetten voor een hogere belastingvermindering voor huishoudens, maar vanaf
2027 voor een verlaging van de energiebelasting voor elektriciteit in de eerste twee
schijven? Daarmee wordt de klap van de afschaffing van de salderingsregeling minder
hard. Graag een reactie van de Staatssecretaris op dit idee.
Dan het brandstofaccijnsballetje dat nu al een paar jaar telkens met één jaar vooruit
wordt getrapt, zonder een fundamenteel gesprek te voeren over hoe brandstofaccijnzen
moeten worden geheven en welke rol automatische indexatie daar wel of niet in zou
moeten spelen. Omdat Nederland dat automatisme in principe wel kent, maar andere landen
in de buurt niet, dreigt de kloof tussen Nederlandse, Duitse en Belgische tankstations
steeds groter te worden. Ik snap dat je daar iets mee moet. Maar hoe in dit Belastingplan
de heilige koe wordt ontzien aan de pomp, slaat als een tang op een varken. Dan doel
ik op de dekking.
Het duurt niet alleen tot 2032 voor het cadeau aan de kiezer van 1,7 miljard in 2026
is afbetaald – ik heb dat eerder dus het «Klarnakabinet in optima forma» genoemd:
buy now, pay pain later – maar ook op de dekkingsbronnen is veel af te dingen. Het
bizarst vind ik de inzet van de opbrengsten uit het CBAM, de Europese grensheffing
om ter correctie een prijs te vragen voor buiten de EU uitgestoten CO2. Die wordt nu ingezet als fossiele subsidie aan de pomp. Alles goed en wel, maar
zet dit geld liever in om iets klimaatvriendelijks te bekostigen, zoals het dempen
van de bezuinigingen van dit kabinet op het openbaar vervoer. Ik heb daar zojuist
een amendement over ingediend, dus zowel een amendement aan de inkomstenkant – dat
is rondgedeeld – als een amendement aan de uitgavenkant, waarbij in 2026 en 2027 geld
wordt toegevoegd aan de begroting van IenW om de bezuinigingen op de herijking van
het studentenreisproduct in ieder geval voor de jaren 2026 en 2027 terug te draaien.
Dan over de differentiatie in de vliegbelasting, een afspraak uit het hoofdlijnenakkoord
van PVV, VVD, NSC en BBB. Daar is al veel over gezegd, ook vandaag weer. In principe
vind ik een differentiatie een logische stap, al begrijp ik nog niet elke keuze. Ik
heb in ieder geval een amendement ingediend om Suriname toe te voegen aan bijlage
A, zodat we recht doen aan de grote Surinaamse gemeenschap in ons land en aan de historische
band met Suriname. Daarnaast heb ik de vraag waarom we in de wet niet differentiëren
tussen economyclass en businessclass en we dit aan de maatschappijen laten. Ten slotte
heb ik de vraag wat de reactie van de Staatssecretaris is op het feit dat Duitsland
uiteindelijk de verhoging van de vliegbelasting voor de langere afstand terugschroeft.
Ik ben in principe voor het beter beprijzen van de negatieve externe effecten van
vliegen en ik onderken dat we dat met dit wetsvoorstel in de hand ook nog steeds niet
helemaal doen, maar hoe schat de Staatssecretaris het risico in dat we ons uit de
markt prijzen en de weglek van passagiers naar Duitsland en België dermate toeneemt
dat de opbrengst in Nederland tegenvalt? De schade van het rooktoerisme ervaren we
al. Gaan we die schade ook niet ervaren van het vliegtoerisme?
De voorzitter:
Even een korte pauze voor een interruptie van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Ik heb een vraag over het amendement van de heer Grinwis over het toevoegen van Suriname.
Aan de ene kant snap ik dat, want toen ik in het voorstel las over de uitzondering
voor Caribisch Nederland, was Suriname eigenlijk ook het eerste land dat in mij opkwam.
Maar ik las ook het antwoord van de Staatssecretaris in de schriftelijke ronde over
de afbakening. Het Koninkrijk is natuurlijk een hele heldere afbakening. Suriname
is geen onderdeel meer van het Koninkrijk, dus hoe ziet de heer Grinwis de juridische
houdbaarheid van een uitzondering voor Suriname, ook in relatie tot andere voorbeelden,
zoals Indonesië, waar we natuurlijk ook historische banden mee hebben?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Kijk, de historische band met Suriname is in ieder geval helder. Die is er inderdaad
ook met Indonesië, maar de Surinaamse gemeenschap in Nederland is ongelofelijk veel
groter dan de Indonesische gemeenschap in Nederland. We kunnen het natuurlijk in de
bijlage hebben over Indonesië, maar we weten dat heel veel verkeer naar Indonesië
toeristisch is, terwijl verkeer naar Suriname toch echt vaak plaatsvindt in een familiecontext.
Ik vind dat er dus echt wel een materieel verschil is tussen Indonesië en Suriname,
waardoor je het ene land wel zou kunnen toevoegen en het andere niet. Bovendien is
Nederland hierin uniek in Europa. We hebben hier duidelijk een grote, zeer gewaardeerde
Surinaamse gemeenschap, die er elders in Europa niet is. Daarom vertrekt vanuit Amsterdam
ook de enige rechtstreekse vlucht naar Paramaribo van dit hele continent. Daar wordt
ook flink gebruik van gemaakt, want er wordt vaak geklaagd over de prijs daarvan.
Als we die prijs nu nog verder opstuwen door die in de hoogste categorie van de vliegbelasting
te stoppen, vind ik echt dat we geen recht doen aan deze gemeenschap en aan de historische
band, en dat we het eigenlijk nog meer afstraffen om familie te bezoeken. Soms doen
mensen dat omdat ze het graag willen, en soms ook noodgedwongen door iets verdrietigs
in de familie. Ik vind het nogal wat dat je dan willens en wetens je ogen sluit voor
die grote Surinaamse gemeenschap in Nederland, en Suriname dan maar niet in bijlage
A zet, omdat het niet meer tot het Koninkrijk behoort. Dan zeg ik: kijk niet alleen
naar hoe het juridisch precies zit met het wel of niet binnen het Koninkrijk vallen,
maar kijk ook naar de praktijk. De praktijk leidt ertoe dat je dit amendement zou
moeten steunen. Dat zou althans mijn advies zijn.
De voorzitter:
Een vervolgvraag van de heer Oosterhuis.
De heer Oosterhuis (D66):
Ja, heel kort. Ik moet zeggen dat ik het betoog van de heer Grinwis voor een heel
groot deel kan volgen, maar misschien zou ik dan toch via de heer Grinwis aan de Staatssecretaris
kunnen vragen om wel iets te zeggen over de juridische houdbaarheid van het amendement.
Als het onderscheid namelijk juridisch ingewikkeld is en het amendement daarmee niet
houdbaar is of tot allerlei andere procedures leidt, kan het ons ook verder van huis
brengen. Misschien zou ik de Staatssecretaris dus, via de heer Grinwis, toch mogen
vragen om in juridische zin iets over dit amendement te zeggen.
De voorzitter:
Daarmee is het feitelijk een vraag aan de Staatssecretaris. Kan de heer Grinwis daar
nog heel kort op reageren?
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Ik ben benieuwd naar het antwoord van de Staatssecretaris op deze vraag en ik ben
graag bereid om de juridische onderbouwing van mijn amendement te versterken. Ik denk
daarbij ook terug aan wat de heer Stoffer zei, namelijk dat er nu al bijzonderheden
zijn opgenomen rondom de Azoren en wat andere uitzonderingen, en dat er kennelijk
ook geen juridisch beletsel was om die zo aan de Kamer aan te leveren. Dat alleen
al lijkt mij voldoende ruimte en voldoende precedent bieden om hiervoor ook een uitzondering
te maken, met nota bene een goede onderbouwing in de praktijk.
De voorzitter:
Suriname maakt de tongen los, zie ik, want we hebben een interruptie van de heer Stultiens
en daarna van de heer Vermeer.
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ik hou het dichter bij huis, want ik blijf bij Duitsland. Mijn vraag aan de heer Grinwis
is wat hij dan een acceptabel prijsverschil vindt. Ik hoor namelijk al de hele dag
partijen naar Duitsland verwijzen, dat in het afgelopen jaar een tarief had van € 70,
terwijl wij € 30 hadden. Zij waren dus € 40 duurder dan wij. Nou gaan zij volgend
jaar naar € 56 en hebben wij opeens € 14 meer. Ik ben dus benieuwd wat nou voor de
ChristenUnie de grens is waarboven het te veel uit de pas loopt. Ik hoorde het afgelopen
jaar namelijk geen enkele partij zeggen: hé, we zijn € 14 goedkoper dan Duitsland;
het moet omhoog.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Vanaf het hoofdlijnenakkoord was al duidelijk dat hier een gedifferentieerde vliegbelasting
zou komen, dus wat in het vat zit, verzuurt niet. Het ligt nu voor in het Belastingplan.
Ik ben er ook in principe voorstander van, alleen lijkt het mij terecht dat wij vragen
naar de gedragseffecten. Welk verschil is logisch en acceptabel meer vanuit het Laffercurveperspectief,
dat ik al eerder deze dag aanhaalde? Je wilt niet dat hierdoor te veel Nederlanders
naar naburige luchthavens gaan om daar alsnog in een vliegtuig te stappen, wat voor
het klimaat sowieso weinig doet. Mijn voorkeur gaat uit naar een gecoördineerde Europese
strategie, waarbij we vliegen gewoon belasten en in principe gewoon de volledige prijs,
dus inclusief alle negatieve externaliteiten, betalen. Ik denk dus dat we inhoudelijk
heel erg dicht bij elkaar zitten, alleen moeten we er wel voor zorgen dat een alleingang,
zoals we die nu ondernemen, niet leidt tot te grote negatieve effecten, want dan schiet
je er niet zo veel mee op. Het is dus toch een beetje schipperen tussen enerzijds
het principe van het volledig beprijzen van negatieve externe effecten, in dit geval
voor het klimaat maar ook voor geluid en andere zaken, en anderzijds dat je een beetje
rekening houdt met je buurlanden die dat niet doen, zodat mensen dan met de voeten
kunnen gaan stemmen. Dat is eigenlijk het punt dat ik hier op tafel leg. Als de Staatssecretaris
daar beredeneerd en onderbouwd inzicht in kan geven, dan zou dat helpen om gerust
voor dit wetsvoorstel te kunnen stemmen.
De voorzitter:
Helder. Leidt dit nog tot een vervolgvraag?
De heer Stultiens (GroenLinks-PvdA):
Ja, tot slot. Volgens mij zijn we het dan inderdaad meer eens dan gedacht. Ja, volgens
mij gaan we überhaupt het liefste uit van een Europese strategie. Ik weet dat een
van de voorgangers, volgens mij Menno Snel, nog actief op pad ging in Europa om samen
op te trekken, dus ik hoop inderdaad dat dat een keer gaat lukken, maar tot die tijd
hoop ik dat partijen die inzoomen op andere landen, ook de andere excessen of uitschieters
zien. In het VK is de belasting namelijk inderdaad veel hoger. Er is ook jarenlang
gezegd dat Heathrow een grote concurrent van Schiphol is. Daar betaal je wel € 100.
Zeker voor de privéjets – daar ging mijn eerdere punt over – geldt het tienvoudige
van onze belastingen. Ik hoop dat we ook kijken naar en leren van andere landen die
juist wel meer belasting heffen.
De voorzitter:
Helder.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat kan ik alleen maar beamen. We moeten niet alleen maar op dit punt en op deze toevallige
vergelijking focussen, maar de langere termijn in ogenschouw nemen. In dat kader stel
ik ook de vraag of we niet zelf onderscheid moeten aanbrengen tussen bijvoorbeeld
businessclass en economyclass. Businessclass is namelijk veel minder prijsgevoelig.
Moeten we het helemaal overlaten aan de maatschappijen of moeten we daar zelf een
voorstel voor doen? Ik ben ook wel benieuwd naar de reactie van de Staatssecretaris
daarop.
Voorzitter. Dan ga ik naar ...
De voorzitter:
Voordat u verdergaat, is er ook nog een interruptie van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ik ben wel benieuwd waarom de heer Grinwis wel een uitzondering voor de Surinaamse
gemeenschap wil maken, maar niet voor de Indische en Molukse gemeenschap.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Zoals ik net al zei, ben ik er best toe bereid om nog zo’n amendement te maken, alleen
weten we dat de Surinaamse gemeenschap in Nederland een veel grotere gemeenschap is
en dat vluchten naar Indonesië minder worden gedomineerd door die oude verbanden en
oude banden. Als je Indonesië ook op bijlage A zou zetten, dan weet je dat je veel
meer vluchten meepakt die niet familiegerelateerd zijn dan wanneer je de vluchten
naar Suriname pakt. Maar ik wil hier best nog eens over nadenken. Er is inderdaad
een historische relatie en we hebben te maken met een mooie Indische en Molukse gemeenschap
in ons land.
De voorzitter:
Dat leidt tot een vervolgvraag van de heer Vermeer.
De heer Vermeer (BBB):
Ja, of de heer Grinwis die cijfers over die verschillen even naar de commissie toe
kan sturen.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Dat kan ik nu zo niet, maar daar wil ik best wel in duiken. Maar of dat tot de conclusie
leidt dat daar uiteindelijk ook een amendement voor moet worden gemaakt, ga ik nu
niet zeggen. De precieze cijfers heb ik hier nu niet paraat, meneer Vermeer, maar
we weten hoe groot de diverse gemeenschappen zijn. We weten ook dat er, anders dan
in het geval van Indonesië, naar Suriname enkel hier in Amsterdam een rechtstreekse
lijnvlucht wordt aangeboden vanuit het Europese vasteland. Dat is dus wel een heel
duidelijk verschil.
De voorzitter:
Vervolgt u uw betoog.
De heer Grinwis (ChristenUnie):
Voorzitter. Ik kom nog even op de glastuinbouw. Mijn fractie maakt zich zorgen over
het toevoegen van de glastuinbouw onder ETS2. Er ligt een aangenomen motie van collega
Flach en mij die het kabinet niet uitvoert, terwijl onze buurlanden de glastuinbouw
ondertussen wel buiten ETS2 houden. Hier komt ook nog een groengasbijmengverplichting
bij en hebben we als Rijk de randvoorwaarden voor de glastuinbouw om te verduurzamen
niet op orde. Ondanks alles zit de glastuinbouw heel dicht bij het CO2-reductiedoel voor 2030. Staatssecretaris, leg mij dan eens uit dat dit demissionaire
kabinet van VVD en BBB niet gokt met de toekomst van de glastuinbouw in Nederland.
Ik kan het niet anders zien dan dat dit kabinet, met de BBB er dus bij, een goede
toekomst van deze innovatieve sector in ons land op het spel zet, althans, laat ik
het iets zachter formuleren, dat het kabinet echt risico’s neemt. Ik ben heel erg
benieuwd hoe de Staatssecretaris dit ziet en welke mogelijkheden hij ziet om dit nog
te verbeteren.
Dan kom ik bij de circulairplastic-heffing. Deze heffing is door het kabinet ingeruild
door een verhoging van de afvalstoffenbelasting. Het kabinet heeft een budgettair
probleem van 567 miljoen per jaar en gooit vervolgens de afvalbedrijven maar voor
de bus. Kan de Staatssecretaris mij uitleggen waarom de keuze van het kabinet logisch,
goed en zorgvuldig is? Ik snap dat je de import van afval wil stoppen. Maar kan de
Staatssecretaris aan mij aantonen dat voorliggend voorstel van de weeromstuit niet
tot export van afval gaat leiden? En waarom is er niet een evenwichtiger voorstel
gedaan, waarbij de CO2-heffing niet voor veel, maar voor een paar jaar op nul wordt gezet en tegelijkertijd
de afvalbranche evenwichtiger wordt behandeld? We weten immers allemaal hoe het meestal
gaat met technische invullingen en placeholders: die blijven vaak staan. Ook nu weer
wordt door de Staatssecretaris benadrukt dat het allemaal nog technisch is. Dat is
in het verleden wel bij meer zaken beweerd. Uiteindelijk blijft die technische invulling,
omdat er geen politieke overeenstemming komt over een invulling, zomaar staan en blijkt
het toch een politieke invulling te zijn geweest.
Dat brengt me, voorzitter, als vanzelf bij het volgende punt. Het is niet gelukt om
de stelpost fiscale regelingen en belastingconstructies in te vullen. Alleen enkele
evidente misbruikgevallen worden aangepakt, zoals het gebruik dan wel het misbruik
dat Appelsientje maakte van de zuiveluitzondering in de verbruiksbelasting à 36 miljoen
structureel. Daar wordt nu een stokje voor gestoken. Hoe kunnen we dit beter doen
in de toekomst? Kan dat door in een coalitieakkoord dan wel begrotingsafspraken gewoon
concreet te worden? Ik ben benieuwd wat de Staatssecretaris hierop te zeggen heeft,
want terugvallen op ib-tarieven of de tabelcorrectiefactor, zoals we nu doen, is toch
wel een zwaktebod? Ik overweeg een motie op dit punt.
Ik kom nog even op de verbruiksbelasting op alcoholvrije dranken, oftewel de suikertaks.
Een volledig nieuw vormgegeven verbruiksbelasting had onderdeel moeten zijn van dit
Belastingplan. Er liggen tal van varianten voor waar de politiek uit moet kiezen.
Heeft de Staatssecretaris nog steeds dezelfde voorkeur als toen hij nog senator was,
namelijk de voorkeur voor variant 5?
Mijns inziens passen de eerste drie varianten niet binnen de kaders van de optelsom
van de aangenomen moties die de leden Erkens en Grinwis hebben ingediend. De varianten
1 tot en met 3 vallen wat mij betreft per definitie af. Het begint dus pas interessant
te worden vanaf variant 4. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris hiertegenover staat.
Ik was inderdaad van plan om hier een voorstel over te doen, maar ik hoorde dat collega
Stoffer ook van zins is om hierover samen met collega Vermeer een motie voor te stellen.
Zij zitten helemaal op spoor 5. Ik vind variant 5 interessant, maar daar zitten natuurlijk
wel haken en ogen aan, want als je de grondslag steeds smaller maakt, worden de resterende
tarieven steeds hoger gelet op de eis van budgetneutraliteit. Ik vind zelf de varianten
4 en met name 4b heel interessant. Ik ben benieuwd hoe de Staatssecretaris het punt
van de grondslagen en de hoogte van de tarieven weegt. Wat is het meest evenwichtig?
Is dat inderdaad nu rücksichtslos zeggen: variant 5? Of moet je ook nog heel serieus
kijken naar de varianten 4a en 4b? Ik ben benieuwd.
Voorzitter. Op de laatste dag voor het verkiezingsreces is mijn motie aangenomen om
af te zien van de overdrachtsbelasting bij taakoverdrachten tussen woningcorporaties.
Dat gaat om de motie op stuk nr. 1380 (32 847). Hoe en wanneer voert de Staatssecretaris deze motie uit? Regelt hij dat nog met
een nota van wijziging in dit Belastingplan of zegt hij toe dit te regelen in het
volgende Belastingplan?
Voorzitter. Nog iets over woningcorporaties, want daar heb ik het over. Zij zijn een
cruciale bondgenoot in het realiseren van betaalbare huurwoningen en het betaalbaar
houden daarvan. Naar zijn aard is dat echter een onrendabele business, ook al doet
de af te dragen vennootschapsbelasting iets anders vermoeden. Mijn suggestie: zo spoedig
mogelijk de herbestedingsreserve herintroduceren. Welke stappen kan de Staatssecretaris
alvast nemen om dat mogelijk te maken voor het geval daar in de formatie toe besloten
wordt? Mijns inziens is dit een absoluut noodzakelijke stap, die we moeten gaan zetten
in een volgend belastingplan.
De Staatssecretaris heeft vast ook het nieuws gezien dat er een fiscale strop dreigt
voor tot wel 1,6 miljoen pensioenverzekerden. Wat kan en wil de Staatssecretaris nog
meer doen om werkgevers tot actie te manen en te voorkomen dat de Belastingdienst
in 2028 ongewenst op de stoep staat bij pensioenverzekerden?
Voorzitter. Ten slotte sluit ik me voor een aantal thema’s aan bij de pleidooien van
collega’s. Zo sluit ik me wat betreft de BOR aan bij het pleidooi voor familiebedrijven
van collega Van Eijk. Ik zie echter ook dat de feiten zijn zoals ze zijn beschreven
in de nota naar aanleiding van het verslag. Voor wat betreft de fiets sluit ik me
aan bij collega Oosterhuis en nog wel een aantal anderen die ook een verhaal in dezelfde
lijn hebben gehouden. Voor wat betreft de lucratiefbelangregeling ben ik benieuwd
naar de reactie van de Staatssecretaris op het pleidooi voor uitstel dat door diverse
collega’s al is gehouden. Dat leek mij een heel reëel verhaal.
Voorzitter, tot zover in deze eerste termijn. Er zijn dus nog een aantal amendementen
onderweg. Moties komen natuurlijk allemaal plenair, volgende week. Andere deelonderwerpen
inzake box 3 gaan we behandelen bij de Wet werkelijk rendement box 3 wat mij betreft.
Tot zover in deze termijn. Ik zie uit naar de beantwoording van de Staatssecretaris
en wens hem en zijn ambtenaren veel sterkte om dit allemaal zo snel voor te bereiden.
De voorzitter:
Dank voor uw bijdrage, meneer Grinwis. Daarmee zijn we aan het einde gekomen van de
eerste termijn van de Kamer. Dank aan de mensen op de publieke tribune, de pers en
de kijkers thuis voor hun geduld. Dank aan de mensen die ons vandaag ondersteunden.
Ook dank aan de leden van de commissie voor de gedisciplineerde wijze van vergaderen,
maar vooral ook de prettige en constructieve wijze van debatteren bij de eerste inhoudelijke
vergadering van deze nieuwe Kamer. Dat belooft wat voor de rest van deze periode.
Dank u wel.
Sluiting 16.11 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
E. Heinen, minister van Financiën -
Mede ondertekenaar
E.H.J. Heijnen, staatssecretaris van Financiën
Stemmingsuitslagen
Aangenomen met handopsteken
| Fracties | Zetels | Voor/Tegen |
|---|---|---|
| D66 | 26 | Voor |
| PVV | 26 | Voor |
| VVD | 22 | Voor |
| GroenLinks-PvdA | 20 | Voor |
| CDA | 18 | Voor |
| JA21 | 9 | Voor |
| FVD | 7 | Tegen |
| BBB | 4 | Voor |
| ChristenUnie | 3 | Voor |
| DENK | 3 | Tegen |
| PvdD | 3 | Tegen |
| SGP | 3 | Voor |
| SP | 3 | Tegen |
| 50PLUS | 2 | Voor |
| Volt | 1 | Voor |
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.