Verslag van een commissiedebat : Verslag van een commissiedebat, gehouden op 10 september 2025, over Versterking lokaal bestuur
36 800 VII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII) voor het jaar 2026
Nr. 10
VERSLAG VAN EEN COMMISSIEDEBAT
Vastgesteld 2 oktober 2025
De vaste commissie voor Binnenlandse Zaken heeft op 10 september 2025 overleg gevoerd
met de heer Rijkaart, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, over:
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 18 juni
2025 inzake waardevol politiek ambt (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 143);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 april
2025 inzake evaluatierapport grenscorrectie gemeente Dijk en Waard (Kamerstuk 28 750, nr. 86);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 2 april
2025 inzake evaluatierapport functioneren gemeente Maashorst (Kamerstuk 35 619, nr. 14);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 1 april
2025 inzake nadere analyse toereikendheid juridische en beleidsmatige kaders bij gemeentelijke
afschaling (Kamerstuk 28 750, nr. 85);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 maart
2025 inzake rapport Staat van het Bestuur 2024 (Kamerstuk 36 600 VII, nr. 133);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 17 maart
2025 inzake onderzoek naar het dalende aantal sollicitanten voor burgemeestersvacatures
(Kamerstuk 36 600 VII, nr. 132);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 27 september
2024 inzake quickscan naar ervaringen van gemeenteambtenaren en professionals bij
het omgaan met mensen die zich soeverein verklaren (Kamerstuk 30 821, nr. 238);
− de brief van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties d.d. 22 december
2023 inzake vernietiging van besluit gemeenteraad Utrecht tot wijziging van de Verordening
kwijtschelding gemeentelijke belastingen en heffingen gemeente Utrecht (Kamerstuk
24 515, nr. 736).
Van dit overleg brengt de commissie bijgaand geredigeerd woordelijk verslag uit.
De voorzitter van de commissie, De Vree
De griffier van de commissie, Honsbeek
Voorzitter: De Vree
Griffier: Van der Haas
Aanwezig zijn zes leden der Kamer, te weten: Buijsse, Chakor, Inge van Dijk, Koops,
De Vree en Wijen-Nass,
en de heer Rijkaart, Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.
Aanvang 17.02 uur.
De voorzitter:
Goedemiddag. Welkom bij de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken. Het onderwerp
van het commissiedebat van vanmiddag is de versterking van lokaal bestuur. Ik heet
speciaal welkom de nieuwe Minister van Binnenlandse Zaken, Minister Rijkaart, die
pas drie dagen in bedrijf is. Ik verzoek de Kamerleden om daar toch enigszins rekening
mee te houden en hem dus niet flink onder vuur te nemen. Als ik daarbij iemand specifiek
aankijk, is dat per toeval; mijn blik bleef rusten op ... Misschien is het leuk om
daar een klein beetje rekening mee te houden. De spreektijd is vijf minuten. Heb ik
verder nog iets huishoudelijks wat ik mede moet delen?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik vind het wel netjes om even te melden dat ik iets eerder weg moet vanwege een rondetafel
over de hersteloperatie.
De voorzitter:
Waarvan akte. Dan denk ik dat ik in de eerste termijn met meneer Buijsse begin. Hij
heeft het woord.
De heer Buijsse (VVD):
Dank u wel, voorzitter. Welkom aan de nieuwe Minister. Leuk om u hier te mogen ontmoeten.
Laten we er een goed debat van maken.
Voorzitter. Allereerst wil ik in dit debat mijn waardering uitspreken voor al die
volksvertegenwoordigers en bestuurders in ons land. Die dank ik voor hun inzet, volharding
en motivatie om Nederland steeds weer wat verder te brengen, ondanks de werkdruk en
de onveiligheid waar dit werk soms mee gepaard gaat. We mogen dat niet uit het oog
verliezen.
Voorzitter. Dan meer naar de inhoud van dit debat: de versterking van het lokaal bestuur.
De VVD staat voor een kleine en efficiënte overheid. Inwoners en ondernemers denken
niet vanuit de grenzen van de gemeente, maar willen simpel en eenvoudig geholpen worden
bij de dienstverlening van de overheid, zoals bij het aanvragen van een vergunning,
toeslag, subsidie of paspoort, bij het opgeven van een geboorte of bij een huwelijk.
Er is wat de VVD betreft veel te betrekken bij dit debat, maar in het bijzonder wil
ik vandaag stilstaan bij de bureaucratie die het lokaal bestuur in de weg zit. Minder
bureaucratie kan in onze ogen het lokaal bestuur versterken. Ik wil dit kracht bijzetten
met een aantal voorbeelden.
Allereerst: hoewel het goed is dat het Rijk doorpakt op belangrijke opgaven zoals
woningbouw, verduurzaming van onze economie en de bescherming van bodem en water,
kan dit soms ook tot een lokaal onbestuurbare situatie leiden voor de gemeente en
de provincie. Helaas is dit de situatie in Moerdijk, waar ik onlangs een werkbezoek
aan heb gebracht. Door de stapeling van rijksopgaven dreigt het dorp letterlijk onleefbaar
te worden, of, in het slechtste geval, van de kaart te worden geveegd. De gemeente
en de provincie zitten met de handen in het haar wat betreft hoe dit aan te pakken.
Klimaatambities, woningbouwambities en ambities die de agrarische sector raken: de
procedures en papieren rompslomp stapelen zich op en de inwoner is uiteindelijk de
dupe.
Wat de VVD betreft moet de rijksoverheid oog houden voor de lokale bestuurbaarheid
bij dit type grote vraagstukken. Graag een reflectie van de Minister hierop. Welke
stappen wil de Minister nemen om die te verbeteren en om deze zaken in de toekomst
te voorkomen?
Voorzitter. Daarnaast een tweede voorbeeld uit het sociale domein.
De voorzitter:
Voordat u het tweede voorbeeld noemt, heeft u een interruptie van mevrouw Van Dijk.
De knop van mijn microfoon werkt niet goed, dus ik doe mijn best om die zo goed mogelijk
ingedrukt te houden.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Natuurlijk zijn het heel herkenbare punten. Minder bureaucratie, wie wil dat nou niet?
Ik vind het terecht dat de vraag wordt gesteld aan de Minister. Maar ik was ook benieuwd
naar de eigen ideeën van de VVD hierover.
De heer Buijsse (VVD):
Even vooropgesteld: het is een reflectieve vraag. Maar waar het soms ook wel aan schort
– ik verwijs dan even naar het werkbezoek dat ik onlangs aan Moerdijk heb gebracht
– is het empathische vermogen van de rijksoverheid om in het proces om te gaan met
dilemma’s die lokaal leven. Soms gaat het ook gewoon om de vraag of de rijksoverheid
eigenlijk wel hoort wat die lokale inwoner of ondernemer nou echt dwarszit. Of dendert
de rijksoverheid werkelijk als een trein over die individuele persoon heen? Ik herken
dat gevoel. Ik heb ook eerder een werkbezoek gebracht aan Borssele. Daar speelt datzelfde
gevoel. We moeten met elkaar wel de menselijke maat in de gaten houden, hoe belangrijk
de ambities die we met elkaar hebben afgesproken ook zijn, en hoe belangrijk het ook
is om procedures met elkaar te doorleven.
De voorzitter:
Gaat u verder.
De heer Buijsse (VVD):
Een tweede voorbeeld gaat, zoals ik al aangaf, over het sociaal domein. Ook daarbij
regeert de bureaucratie bij vele lokale regelingen. Een voorbeeld: voor inwoners met
een kleine beurs maakt het veel uit in welke gemeente je woont en van welke armoederegelingen
er gebruikgemaakt kan worden. Dat verschil kan wel oplopen tot € 200 per gezin per
maand; dat is € 2.400 per jaar. Er zijn te veel en te grote verschillen tussen gemeenten.
Inwoners zien door de bomen het bos niet meer. Wat de VVD betreft mag van zulke grote
verschillen geen sprake zijn en moet er meer harmonisatie komen. Dat is goed voor
de eenduidigheid naar inwoners en leidt tot minder bureaucratie, wat de druk op de
uitvoeringsorganisatie en het lokaal bestuur verlaagt. Hoe kan die verbeterd worden
en welke stappen wil de Minister nemen op dit vlak?
Voorzitter. Als laatste wil ik de bureaucratie voor onze volksvertegenwoordigers benoemen
in mijn bijdrage. Het punt dat ik hierbij wil maken, is dat zij te vaak te maken hebben
met het tekenen-bij-het-kruisjefenomeen. Natuurlijk moeten raadsleden niet beroerd
zijn om veel papierwerk te lezen. Maar het moet ook niet doorslaan. Je moet als raadslid
niet het gevoel hebben dat je veel stukken moet lezen, maar dat je inbreng, ongeacht
welke inbreng je hebt, er eigenlijk niet toe doet, bijvoorbeeld omdat de wethouder
aangeeft dat iets geregeld moet worden in de regio, of dat het geld geoormerkt is
vanuit Den Haag. Het gaat daarbij over GR’en, centrumregelingen of andere vormen van
besluitvorming waar volksvertegenwoordigers vaak mee te maken hebben.
Alles bij elkaar leidt dit tot veel werkdruk. Denk aan de taken in de veiligheidsregio
om criminelen op te sporen. Inwoners en raadsleden denken graag mee, maar welke ruimte
voor beïnvloeding hebben ze nou werkelijk op het beleid van die veiligheidsregio?
Hetzelfde geldt voor de mate waarin onze raadsleden bijvoorbeeld kunnen bijdragen
aan beleid voor de gezondheidszorg die de GGD levert. Het is allemaal heel goed en
het beleid is vaak heel sterk, maar toch is puntje bij paaltje de mate van invloed
van raadsleden beperkt.
Vaak zijn deze zaken complex voor de inwoners en voor onze volksvertegenwoordigers.
Het is lastig om die dossiers te doorgronden. Ik ga er niet voor pleiten dat deze
niet belangrijk zouden zijn, maar voor raadsleden is de ruimte voor beïnvloeding erg
klein ten opzichte van de enorme papieren lading en de complexiteit ervan. Het schaadt
het gevoel van democratische legitimiteit en raakt aan de intrinsieke motivatie van
heel veel volksvertegenwoordigers. Hoe beoordeelt de Minister dit en kunnen we hier
wellicht samen een stap in zetten?
Dat was mijn bijdrage, voorzitter. Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Chakor.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik werd wel getriggerd toen de heer Buijsse het had over autonomie. Dat is wat ik
u hoor zeggen. U mag me corrigeren, maar wat ik eruit begrijp, is dat de raadsleden
inderdaad ook willen meedenken en de autonomie willen hebben om zelf te bepalen hoe
ze uitvoering willen geven aan bepaalde wetten, bijvoorbeeld over de ruimte. Ze hebben
steeds meer het gevoel dat ze een verlengstuk van de uitvoering vanuit het Rijk aan
het worden zijn. Dat is in ieder geval wat ik hoor. U vraagt: wat kunnen we er samen
aan doen? Ik denk dat het juist heel goed is dat we gezamenlijk bekijken hoe we zorg
kunnen dragen voor het behouden van de autonomie van onze lokale bestuurder. Heeft
u ideeën over welke acties we daarop zouden kunnen ondernemen?
De heer Buijsse (VVD):
Ik waardeer de vraag van mevrouw Chakor in dezen. Het is ook een lichtelijk filosofische
vraag. Je kunt wat mij betreft teruggaan in de tijd. Ik kom erop terug in mijn antwoord,
mevrouw Chakor. We zij ooit begonnen met die GR’en en centrumregelingen. Toen waren
die er heel erg op geënt om voor de gemeente de uitvoering eenvoudiger, goedkoper
en efficiënter te maken, omdat je de uitvoering vaak beter kan organiseren over meerdere
gemeenten heen. Wat er gebeurd is, is dat er daarna heel veel beleidsvorming in die
regelingen terecht is gekomen, terwijl dat niet de oorspronkelijke opzet van een GR
of een centrumregeling was. Die waren eigenlijk bedoeld voor de uitvoering.
Denk aan milieu. Ik ben ook veel met milieu en de omgevingsdiensten bezig. Aanvankelijk
zouden de inspecties, de milieu-inspecteurs, vanuit de gemeente en in de GR’en, in
de omgevingsdiensten, hun werk gaan doen. Maar wat doen we tegenwoordig in de omgevingsdiensten?
Het is niet dat ik het per definitie veroordeel, maar er is ook beleid bij gekomen.
Er komen dus allerlei beleidsambtenaren in die GR’en. Ik zou er nog weleens over willen
nadenken of dat misschien een richting is waarlangs we dit voor raadsleden, vanuit
het oogpunt van democratische legitimiteit, beter kunnen organiseren.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Een verduidelijkende vraag. Ik ben zelf ook bijna tien jaar gemeenteraadslid geweest
in een kleine gemeente. Ik kan me de decentralisaties van die tijd nog heel goed herinneren.
Ik zie al geknik naast me, dus de heer Buijsse ook. Wat we als raad in die tijd vooral
dachten, was dat we steeds meer op ons bordje kregen. Er waren steeds meer vraagstukken.
Ik hoor de heer Buijsse nu zeggen dat raadsleden meer autonomie zouden moeten hebben.
Maar is de heer Buijsse het ook met mij eens dat er in een aantal jaren heel veel
taken zijn overgeheveld naar de gemeenteraden, terwijl die raden daar wellicht helemaal
niet op zaten te wachten en er ook niet de tijd en de capaciteit voor hebben?
De heer Buijsse (VVD):
Ik herken het gevoel heel sterk. U stelt dat er steeds meer taken naar de gemeenten
zijn gegaan naar aanleiding van de decentralisatie. In die decentralisatie hebben
we als gemeenten – u zult dat ook meegemaakt hebben, denk ik – vooral in het sociaal
domein centrumregelingen opgetuigd. Dus hoewel het naar de gemeenten kwam, zijn we
vervolgens in een reflex met gemeenten in onze regio gaan samenwerken. We hebben centrumgemeenten
aangewezen. Vervolgens is er vanuit ijver heel veel beleidsvorming in de centrumregelingen
en bij die centrumgemeenten terecht gekomen. Als de voorstellen dan terugkomen naar
de individuele gemeenteraad, heeft het raadslid het gevoel van: welke ruimte heb ik
eigenlijk om echt iets te kunnen bijdragen? Ik zoek met u naar ruimte om raadsleden
toch weer beter in positie te kunnen brengen. Ik constateer daarbij dat het aanvankelijk
de bedoeling was van de decentralisatie dat de uitvoering in een centrumregeling zou
landen, maar niet per se de beleidsvorming daaromtrent. Dat zou meer vanuit de gemeenten
moeten komen. Dus ik zit te zoeken. Ik zeg niet dat ik gelijk heb of dat ik het allemaal
weet. Ik weet het ook allemaal niet. Maar ik zoek naar de ruimte waardoor die raadsleden
toch weer wat meer in hun rol gezet worden op dat vlak.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Nog één vervolgvraag. Van decentralisatie kwam centralisatie. Daardoor ontstonden
er grote gemeenschappelijke regelingen waarbij uiteindelijk de stad het weer voor
het zeggen had. Die hebben de grootste portemonnee. Zo werkt het nu eenmaal bij dat
soort regelingen. Hebben de heer Buijsse en de VVD ook een concreet idee over hoe
je de raad in een gemeente meer recht, meer stemrecht, meedenkrecht, of hoe je het
ook wilt formuleren, zou kunnen geven?
De heer Buijsse (VVD):
Ik heb nog geen concreet idee; laat ik dat vooropstellen. Maar waar ik wel positieve
energie uit haal, is dat wij een aantal jaren geleden de Wet gemeenschappelijke regelingen
hebben herzien. Er hebben een aantal wijzigingen plaatsgevonden waardoor raadsleden
een betere positie hebben gekregen. Ik hoor uit het veld terug dat dit enthousiast
is ontvangen. Ik hoor eigenlijk geen geluiden dat dit niet goed is uitgewerkt, of
dat het negatief valt. Ik zoek eigenlijk naar zo’n type verbeterslag die we opnieuw
zouden kunnen doen, om de GR’en en centrumregelingen beter te laten functioneren,
zodat de positie van het raadslid gewoon sterker wordt.
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Wijen-Nass.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Allereerst welkom aan de nieuwe Minister van Binnenlandse
Zaken. Hij toont verantwoordelijkheid door die rol op zich te nemen. Namens mijn fractie,
de BBB-fractie, wens ik hem heel veel succes toe.
Vorig jaar presenteerde BBB met trots het hoofdlijnenakkoord en later het regeerprogramma.
Dat ging ook over de regio’s en de lokale democratie. Dat zijn onderwerpen die voor
BBB van groot belang zijn en waar we ook graag aandacht voor blijven vragen. Mijn
eerste vraag aan de Minister is dan ook of de regio’s en de lokale democratie voor
hem een hoge prioriteit hebben binnen dit kabinet, ook nu dit een demissionaire status
heeft. Hoe gaat dit er in de praktijk uitzien?
Voorzitter. Dan de lokale democratie. Het is een samenspel van wethouders, raadsleden
en burgemeesters. Maar die democratie staat onder druk, want het wordt steeds moeilijker
om kandidaten te vinden voor gemeenteraden. Ik heb dat zelf ook meegemaakt. Het blijkt
ook steeds lastiger om geschikte en beschikbare wethouders en burgemeesters te vinden.
Onder andere werkdruk en politieke verruwing schrikken mensen af. Ondertussen naderen
de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2026. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten
heeft inmiddels een speciaal programma opgestart om het enthousiasme te vergroten.
Het is belangrijk en goed dat dat gebeurt, maar Den Haag mag er niet aan voorbijgaan.
Daarom vraag ik de Minister welke concrete stappen hij wil zetten om het wethouderschap
en burgemeesterschap aantrekkelijker en beter uitvoerbaar te maken. Hoe wil hij voorkomen
dat kleine gemeenten straks geen kandidaten meer kunnen vinden en de lokale democratie
daardoor verschraalt? Is de Minister bereid om samen met gemeenten en politieke partijen
te kijken naar ondersteuning en scholing voor lokale bestuurders en volksvertegenwoordigers?
Kan hij toezeggen dat ook in deze demissionaire periode het versterken van de lokale
democratie niet stil komt te liggen?
Er bestaan inmiddels waardevolle instrumenten, zoals de handreiking integriteitstoetsing
en de weerbaarheidschecks voor politieke ambtsdragers. Mijn vraag aan de Minister
is hoe hij ervoor gaat zorgen dat deze ook daadwerkelijk gebruikt worden door lokale
partijen. Is hij bereid om dat proces actief te begeleiden?
Dan heb ik ook nog een vraag naar aanleiding van een brief van de ambtsvoorganger
van de Minister. Dat is de brief van 18 juni. Daarin wordt aangekondigd dat er sprake
is van een verkenning en een voorbereiding ter aanpassing van «de staffel van de (grootste)
gemeenteraden». Ik vraag me af of daarmee ook specifiek bedoeld wordt dat er sprake
is van het aanpassen van de staffel van de grootste gemeenten. Als dat zo is, waarom
dan? Is deze Minister het met mij eens dat kleine gemeenteraden ook moeten worden
meegenomen in deze verkenning en eventuele aanpassing? Er wordt vaak vergeten hoeveel
werk het is om in een kleine gemeenteraad te zitten.
Voorzitter. Laat ik afsluiten met dit beeld. De democratie speelt zich niet alleen
af hier in Den Haag, maar juist in de raadzalen en gemeentehuizen. Daar wordt het
verschil gemaakt voor inwoners. Als we daar geen raadsleden, wethouders of burgemeesters
meer vinden, valt het fundament onder ons bestel weg. Daarom roep ik de Minister op
om de komende tijd niet stil te zitten, maar handen en voeten te geven aan het versterken
van de lokale democratie, want alleen als die sterk staat, kan onze landelijke democratie
overeind blijven.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Koops.
De heer Koops (NSC):
Ik heb een vraag aan mevrouw Wijen-Nass naar aanleiding van haar gloedvolle betoog,
want dat was het. We zijn het grotendeels eens. Ik kom even terug op de raadsleden
in kleine gemeenten, want ik weet nu eenmaal dat dit lid daar veel van afweet. Misschien
snijd ik mezelf in de vingers door dit te zeggen, maar: hoe groter een gemeente, hoe
meer raadsleden en hoe kleiner een gemeente, hoe minder raadsleden. Ik zou zeggen
dat dit zo is omdat de werkdruk gelijk moet zijn voor raadsleden in kleine gemeenten
en raadsleden in grote gemeenten. Mijn vraag ter verduidelijking aan mevrouw Wijen-Nass
is: is dat zo? En als dat niet zo is, wat is daar dan niet goed aan?
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Het is een veelomvattende vraag. Ik denk ook niet dat dit voor alle raadsleden gelijk
te beantwoorden is. Best een tijdje geleden, een aantal jaren geleden, heeft eenzelfde
soort discussie gespeeld rondom de vergoeding voor raadsleden in kleinere gemeenten.
Toen is op enig moment ervoor gekozen om die raadsvergoeding gelijk te trekken tot
een bepaald aantal inwoners. Dus dat is één. Het is heel goed dat dat destijds is
gebeurd. Ik denk ook dat dit zeker terecht is. Ik was zelf raadslid in de gemeente
Gulpen-Wittem. Wij waren een gemeente waar dat ook speelde en waar onze vergoeding
omhoog is gegaan. Ik kan u uit eigen ervaring vertellen dat ik nooit in de politiek
heb gezeten voor mijn vergoeding, maar het was wel een heel mooie waardering voor
het werk dat je doet. Iedereen die een functie heeft gehad in het lokale bestuur,
weet hoeveel tijd daarin gaat zitten.
Dan uw andere vraag: hoe zit het met de verdeling van het aantal raadsleden? Het gaat
om het aantal inwoners. Dus inderdaad, hoe groter een stad of dorp, hoe meer raadsleden
je hebt. Als je meer raadsleden hebt, kun je het werk veel beter verdelen. Of het
nou om de Wmo gaat in een kleine gemeente of in een heel grote gemeente, je moet op
de hoogte zijn van alle complexe wet- en regelgeving die daaromheen hangt. Dan maakt
het feitelijk niet zo heel veel uit of je dat in Gulpen-Wittem doet of bijvoorbeeld
in Den Bosch. Natuurlijk is het wel zo dat er in grotere gemeenten meer geld mee gemoeid
is. Het gaat dus over veel grotere bedragen. Maar ik denk wel dat het goed is om nog
even kritisch te kijken naar hoe we het hebben geregeld met die vergoeding voor raadsleden.
Vandaar mijn punt daarover.
De voorzitter:
Dan ga ik naar mevrouw Chakor.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. Welkom aan de nieuwe Minister.
Iedere dag werken in ons land en in Caribisch Nederland duizenden lokale politici,
wethouders, burgemeesters en ambtenaren voor onze gemeentes, provincies en waterschappen.
Ze doen dit vaak zichtbaar, maar ook heel vaak onzichtbaar – dat moet ook gezegd worden
– om oplossingen te vinden voor ingewikkelde ruimtelijke vraagstukken, sociale vraagstukken
en alle andere vraagstukken die er zijn. Ze zijn vaak ook aanspreekbaar, dicht bij
mensen. Zonder hun inzet functioneert de lokale democratie gewoon niet. Toch krijgen
ze vaak te weinig waardering en steun, ook vanuit Den Haag. Dat hoorde ik net ook
van mijn collega’s. GroenLinks-PvdA vindt dat we daar verandering in moeten brengen.
Ik zie dat het kabinet nu komt met onderzoeken, campagnes en kleine stapjes. Natuurlijk
is kennis ontzettend belangrijk, maar raadsleden en Statenleden hebben nu behoefte
aan concrete oplossingen om hun werk goed te kunnen doen. Ze vormen de ruggengraat
van onze democratie. Daar zijn we het volgens mij allemaal over eens. Als we niet
oppassen, haken steeds meer mensen af. Dat kunnen we ons in deze tijd van politieke
afkeer en wantrouwen echt niet veroorloven.
Er gaat nu jaarlijks 1 miljoen euro extra naar raadsleden en bestuurdersverenigingen,
las ik, en € 400.000 naar kennispunten voor lokaal bestuur. Ik denk dat dat een heel
goede stap is. Ik vraag me wel af hoe dit geld precies wordt ingezet. Is het genoeg
om het verschil te maken? Ik hoor graag een reactie daarop van de Minister.
De afgelopen maanden heb ik samen met collega’s gesproken met raads- en Statenleden.
Dat was trouwens namens de commissie van Binnenlandse Zaken. We hebben de opdracht
gekregen om op te halen hoe het nou gaat met de positie van onze raads- en Statenleden.
Zij vertelden ons wat er goed gaat, maar ook waar ze vastlopen. Ik wil daar enkele
punten van uitlichten. De brief is al gestuurd. De Minister heeft die ook ontvangen.
Hij zal morgen in de procedurevergadering ook kort toegelicht worden.
Ik noem ten eerste de verlofregelingen. Veel raads- en Statenleden ervaren dat de
verlofregeling te star is. Het combineren van dit belangrijke werk met een baan en
een gezin is bijna onmogelijk. Het Adviescollege Rechtspositie Politieke Ambtsdragers
heeft daarom uitbreiding geadviseerd. De Kamer heeft eerder ook al een motie van Inge
van Dijk en mij aangenomen, bijna unaniem, maar ik zie nog niet echt stappen. Herkent
de Minister dat er meer flexibiliteit nodig is, zodat volksvertegenwoordigers dit
werk beter kunnen combineren? Ik heb eerder al een debat gehad met de vorige Minister,
die aangaf dat ze wel bereid is om het op te pakken voor de bestuurders, maar niet
voor de raadsleden. Ik ben heel erg benieuwd hoe deze Minister ernaar kijkt. Dat heeft
mij ook gemotiveerd om met initiatieven bezig te gaan om het wel te fiksen voor onze
volksvertegenwoordigers.
Dan kom ik op het tweede punt: werkdruk en het democratisch tekort. Vraagstukken worden
steeds complexer. Raadsleden voelen zich ook steeds vaker uitvoerders van landelijk
beleid in plaats van lokale vertegenwoordigers. Vooral in kleinere gemeenten is de
werkdruk enorm. Het gevolg kan zijn dat cruciale democratische controle tekort gaat
schieten. In de brief van 18 juni staat dat alleen gekeken wordt naar een aanpassing
van de omvang van gemeenteraden in gemeenten met meer dan 200.000 inwoners. Ik vraag
me echt af waarom die grens er is. Juist de kleine gemeenten lopen vast. In andere
EU-landen zijn gemeenteraden vaak groter en beter uitgerust. Graag hoor ik van de
Minister waarom dat in Nederland niet zo is en waarom we dat niet gewoon goed aanpakken
voor zowel kleine als grote gemeenten, zonder een scheidslijn te maken.
Dan kom ik bij het derde punt: de ondersteuning van fracties. We krijgen veel signalen
over de ondersteuning van lokale fracties. Vooral kleine fracties kunnen hun werk
lastig doen. Vooral het systeem van commissieleden werkt niet helemaal goed. De vergoedingen
zijn laag en het werk is zwaar omdat ze vaak moeten invallen. Ook fractievergoedingen
zijn in veel gemeenten beperkt of te bureaucratisch. Het is voor fracties lastig om
daarmee te werken. Ik denk dat die democratische controle niet alleen maar mag afhangen
van vrijwilligerswerk of goedwillendheid. Je wil het goed organiseren met elkaar.
Ik denk dat het onderzoek naar vergoedingen ook de hoogte moet meenemen, ook voor
commissieleden. Ik vind dat echt een vergeten groep. Ik hoor graag een toezegging
van de Minister hierop. Let ook op die commissieleden, een belangrijke groep.
Dan ga ik naar de samenhang van uitkeringen. Ik heb eerder al een vraag gesteld over
het bekende probleem en al eerder aandacht gevraagd voor raadsleden die een uitkering
hebben. Zij worden financieel gestraft omdat hun vergoeding verrekend wordt. Dat schrikt
mensen af om zich verkiesbaar te stellen. Ik denk dat representatie ontzettend belangrijk
is. Dit probleem moeten we toch met elkaar kunnen oplossen. Kan de Minister toezeggen
om hier iets mee te doen bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen of hiernaar te
kijken?
Dan kom ik bij diversiteit in het bestuur. Als ik kijk naar ons openbaar bestuur,
vind ik dat nog geen afspiegeling van onze samenleving. Als je kijkt naar het aantal
vrouwen, het aantal mensen met een migratieachtergrond of het aantal mensen met een
beperking dat burgemeester, commissaris van de Koning, wethouder, dijkgraaf – noem
het maar op – is, dan zie je dat dat achter blijft lopen. Er zijn allerlei programma’s,
gelukkig ...
De voorzitter:
Wilt u gaan afronden?
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
... maar hoe werken die? Hoeveel stroomt er echt door in het openbaar bestuur? Ik
vraag de Minister om met cijfers te komen om te laten zien wat er wordt gedaan om
diversiteit en inclusie ook in het openbaar bestuur te realiseren.
Tot slot heb ik nog een laatste vraag over de kwijtscheldingsnormen. Vorig jaar is
er een motie van ons en NSC aangenomen om de mogelijkheden te onderzoeken om kwijtschelding
van gemeentelijke belastingen gelijk te stellen aan de vermogensnormen in de Participatiewet.
Dit probleem speelt nog steeds. Wij vragen ons af wanneer het voorstel komt om de
kwijtscheldingsnormen te verhogen.
Dank.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft een interruptie van de heer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Ik sla even aan op het diversiteitspunt dat mevrouw Chakor probeert te maken, of niet
«probeert te maken», heeft gemaakt. Het is toch ook vaak aan de raden om zelf wethouders
aan te wijzen en voor te dragen? Ik vraag me af hoe mevrouw Chakor aankijkt tegen
de mogelijkheden die de Minister dan zou kunnen hebben. Ik denk dat die beperkt zijn,
eerlijk gezegd.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Over meer vrouwen aan de top krijgen hebben we natuurlijk ook gewoon afspraken gemaakt.
Je kan er natuurlijk wel afspraken over maken. Natuurlijk staat kwaliteit voorop.
Maar het is wel belangrijk dat de representatie er is. We zien gewoon dat het in de
praktijk daaraan schort. Mijn vraag is: hoe komt dit, hoe kan dat? Er zijn nu allerlei
klasjes. Vanuit het Nederlandse Genootschap van Burgemeesters is er een klasje voor
zij-instromers om burgemeester te worden. Hoeveel stroomt er nou eigenlijk door? Helpt
dat of moeten we wat anders proberen om te zorgen voor die representatie van de samenleving,
zodat diversiteit en inclusie er overal aan tafel is?
Dan is uiteraard nog steeds de keuze aan de raad, maar je moet wel zorgen dat die
mensen een kans krijgen, dat ze gevraagd worden. Ik bedoel dat we er in ieder geval
iets meer voor doen. Ik kan me voorstellen dat als je nooit in aanraking bent geweest
met politiek en het een ver-van-je-bedshow is, het dan ontzettend lastig is om te
denken dat je daar mogelijk onderdeel van kan zijn. Ik weet dat ook uit ervaring;
het is niet van huis uit heel dichtbij. Je moet het hebben van iemand die iets in
jou ziet en zegt: zou dit iets voor jou kunnen zijn? Daardoor durf je die stap te
nemen. Er moet een gelijk speelveld zijn voor mensen die niet die kruiwagens hebben
en mensen die wel het juiste netwerk hebben of makkelijke toegang hebben. Daar pleit
ik voor. Ik denk dat het ontzettend belangrijk is om daarop toe te zien om te zorgen
dat we het vertrouwen in de democratie herstellen, omdat mensen dan ook zichzelf erin
herkennen, in plaats van dat het altijd – met alle respect – dezelfde mensen zijn
die de besluiten nemen voor het grote gros in Nederland. Dat is geen afspiegeling
van onze samenleving. Die is veel kleurrijker dan wat we nu zien aan tafel waar de
besluiten genomen worden.
De voorzitter:
Mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank je wel, voorzitter. Aansluitend op de laatste discussie over diversiteit: ik
weet dat mijn buurvrouw daar een warm pleitbezorger voor is. Dan vind ik het toch
even leuk om weer te vertellen dat ik in mijn vorige leven wethouder was in een volledig
vrouwelijk wethouderscollege. Dus het kan wel!
Ik wens deze Minister veel succes en vooral ook heel veel daadkracht, want dat hebben
we nodig voor het behoud van legitimiteit en veiligheid van de lokale democratie.
Dat is namelijk echt van groot belang. Daarvoor moeten burgers zich gehoord en vertegenwoordigd
voelen, moeten lokale politici veilig hun werk kunnen doen en moeten gemeenteraden
voldoende kracht, tijd en middelen hebben om echt invloed uit te kunnen oefenen op
beleid. Daar maakte de collega van de VVD ook een punt over.
Voorzitter. Een raadslid dat de raadzaal niet meer in durft, een wethouder die ’s
nachts wakker ligt van bedreigingen die ook zijn gezin raken, en gisteren het bericht
dat soevereinen spraken over een aanslag met een autobom op de woning van burgemeester
Buma en over een kogeltje door het raam. Dat zijn geen uitzonderingen meer. Het komt
helaas tegenwoordig regelmatig voor. Dat mogen we nooit normaal gaan vinden. Intimidatie
dus. Uit onderzoek blijkt dat bijna de helft van onze lokale bestuurders hiermee te
maken krijgt. Dat is een verdubbeling over de afgelopen tien jaar. Slechts 6% doet
hiervan aangifte. Stel je eens voor dat bij brand maar 6 van de 100 mensen 112 zouden
bellen: 94 branden blijven onzichtbaar, risico’s stapelen zich op en vertrouwen in
veiligheid brokkelt af, want «waarom wordt er niet ingegrepen», vragen inwoners zich
af. Dat zouden we hier in de Kamer nooit accepteren. Waarom accepteren we dit dan
wel in onze democratie, is mijn vraag. En waarom doen deze mensen geen meldingen meer?
Bestuurders krijgen zo vaak scheldpartijen, agressieve mails of intimiderende reacties
dat ze het zelf niet meer als ernstig genoeg ervaren om aangifte te doen. «Het hoort
erbij», hoor ik vaak terug. «En», zeggen sommigen, «als ik dan aangifte doe, komt
het in de media en loop ik ook nog het risico weggezet te worden als overgevoelig
of klagerig.» Ook hoor ik vaak terug: «De politie of het OM kan toch weinig doen of
heeft echt wel iets beters te doen.»
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Agressie en bedreigingen is inderdaad een ontzettend belangrijk punt. Ik kwam daar
net niet aan toe; precies, dan doen we het samen. We hebben hierover vragen gesteld.
Dank voor de beantwoording van onze schriftelijke vragen. Ik weet niet of mevrouw
Van Dijk de beantwoording heeft gezien. Ik was wel lichtelijk teleurgesteld. Inderdaad,
6% doet aangifte. In het onderzoek van RTV Noord zegt een jong raadslid al jaren wekelijks
intimiderende mails te ontvangen en zelfs in de raadszaal lastig gevallen te worden.
Op het moment dat zij aangifte doet, wordt de zaak geseponeerd: niet bedreigend genoeg.
Ze leeft nu met een noodknop. Wat mij betreft is dat onacceptabel. Ik maak mij net
zoals u en misschien wel meerdere collega’s zorgen. Welke stappen zouden we met elkaar
kunnen zetten om ervoor te zorgen dat op het moment dat je aangifte doet, je serieus
genomen wordt en gekeken wordt hoe de cirkel kan worden doorbroken? Want dit is niet
normaal gedrag; dit mag je nooit normaliseren. Ik ben benieuwd hoe u daarnaar kijkt.
Welke verwachtingen heeft u van de Minister? Ik ben in ieder geval niet gerustgesteld
door de beantwoording van onze vragen.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Daarom vraag ik de Minister: hoe gaat de Minister de aangiftebereidheid verhogen en
onze lokale bestuurders steunen in deze zorgelijke ontwikkeling? Ik had namelijk hetzelfde
gevoel, zo van: oké, we constateren het en we vinden het allemaal niet oké, maar steken
we er wel voldoende energie in met elkaar? Vandaar dat ik het belangrijk vond om deze
vraag nogmaals te stellen. Er zit nu een nieuwe Minister. Wellicht deelt hij onze
passie om hiervan stevig werk te maken. Zo niet, hebben we vast wel middelen om hem
te vragen dat wél te doen.
De voorzitter:
U heeft een interruptie van de heer Koops.
De heer Koops (NSC):
Mijn interruptie gericht aan mevrouw Van Dijk heeft met hetzelfde onderwerp te maken,
ook in aanvulling op wat al eerder is gezegd over intimidaties. Kijk, zo’n bericht
over meneer Buma is uitermate verontrustend en afschuwelijk; dat is het echt. Tegelijktijdig
denk ik – maar dat is misschien mijn vorige leven buiten de politiek – dat dit echt
iets is voor het Openbaar Ministerie. Moet ik het betoog nou zo begrijpen dat u vindt
dat dit lokaal beter moet worden afgestemd in de driehoek of iets dergelijks, of denkt
u juist dat er nationaal beleid moet worden gemaakt? Bij dat laatste zou ik zelfs
een suggestie hebben, namelijk dat op het moment dat een bedreiging of intimidatie
direct samenhangt met de functie van een lokaal vertegenwoordiger, de politie extra
prioriteit moet geven aan oppakken, in plaats van seponeren. Zou dat een oplossing
zijn?
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Dank u wel voor de vraag. Volgens mij begint het met ervoor zorgen dat mensen überhaupt
aangifte doen. Op het moment dat we niet echt weten wat er speelt en het alleen maar
hebben van horen zeggen of uit enquêtes, dan is het logisch dat de urgentie iets lager
ligt dan wanneer ze bij het OM en de politie zien: dit is een hele verontrustende
trend waar we iets mee moeten. Volgens mij moeten we daarmee beginnen. Aangifte doen
is niet zwak, je bent geen klager, je hebt gewoon een terecht punt en het is helemaal
terecht dat je het meldt, ook om het boven tafel te krijgen. Als we die stap kunnen
zetten, moeten we er vervolgens ook voor zorgen dat dit serieus wordt opgepakt in
plaats van seponeren of niet oppakken. Dat deel ik. Of dat meer prioriteit moet krijgen,
vind ik een hele ingewikkelde vraag. Dan vraag je mij namelijk om misdaden of bedreigingen
te wegen. Is een vrouw die lastiggevallen wordt op straat dan minder erg? Dat vind
ik ingewikkeld. Volgens mij begint het met ervoor zorgen dat we echt gaan melden,
aangifte gaan doen, goed in beeld krijgen wat er speelt en vervolgens aan deze Minister
vragen om regelmatig in gesprek te blijven met onder andere het OM over hoe we ervoor
zorgen dat die klachten goed worden afgehandeld.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Voorzitter. Dan wil ik het hebben over nog een paar randvoorwaarden die beter moeten.
We zien wethouders uitvallen door werkdruk, raadsleden die moeite hebben met het combineren
van werk en gezin en mensen, vaak mensen met een beperking, die afhaken omdat bijvoorbeeld
hun uitkering in gevaar komt. Het CDA vindt dat de raadsleden en wethouders hun werk
goed moeten kunnen doen. Daarom heb ik een aantal totaal verschillende vragen, die
wel op hetzelfde neerkomen, namelijk op ondersteuning.
Er komt een voorstel over raadsgrootte en uitbreiding van verlofmogelijkheden naar
de Kamer; mijn collega wees er zojuist ook al op. Hoe zorgt de Minister dat ook uitkeringsgerechtigden
zonder drempels politiek actief kunnen zijn? Deze vragen zijn overigens al heel vaak
gesteld en er wordt iedere keer te gemakkelijk overheen gefietst door bewindspersonen.
Daarmee doen we onze mensen echt geen recht. Daarom stel ik de vraag weer. Als je
me tegelijk vraagt naar een oplossing, zeg ik: ik weet dat er regels zijn, dus naar
die regels moeten we kijken, maar het zit er voor mij ook voor een stukje in om die
mensen te helpen. We moeten ze aan de voorkant helpen: wat betekent het op het moment
dat je zo’n functie aanvaardt, welke risico’s heb je en hoe kunnen we die met elkaar
mitigeren? Wat gaat de Minister structureel doen om de werkdruk van wethouders te
verlagen? Wederom pleit ik daarbij voor de fulltimewethouder, omdat bestuurder zijn
nooit parttime is. Zou het een idee zijn om wethoudersklasjes te faciliteren, bijvoorbeeld
via de provincie, zoals er ook burgemeestersklasjes zijn? In 2026 gaan we vast weer
veel nieuwe wethouders zien. Dat is heel mooi, maar verdienen zij ook niet gewoon
structureel bij aanvang een opleiding? Veel landelijke partijen faciliteren dit voor
hun wethouders, maar we hebben ook heel veel wethouders van lokale partijen. Die zouden
we ook graag willen helpen het vak goed onder de knie te krijgen en een netwerk op
te bouwen.
Voorzitter. Dan de verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. We hebben het vaak over
rust, reinheid en regelmaat voor onze ondernemers. Ook gemeenten hebben behoefte aan
voorspelbaarheid en betrouwbaarheid: geen stapels regels en verantwoording, maar vertrouwen
en ruimte. Als het Rijk gemeenten taken geeft, moeten die uitvoerbaar zijn. Graag
hoor ik van de Minister welke meetlat hij gebruikt om te bepalen of taken, middelen
en uitvoeringskracht in balans zijn en hoe hij borgt dat gemeenten bij nieuwe taken
automatisch en tijdig gecompenseerd worden, zoals de wet voorschrijft.
Ten slotte. Wij hier in Den Haag zijn heel druk met de aankomende verkiezingen, maar
zo’n vier maanden later zijn de gemeenteraadsverkiezingen. Er gaan komende weken vast
allerlei oproepen komen vanuit het Rijk om te gaan stemmen. Ik vraag me af of er koppelkansen
zijn om ook aandacht te vragen voor het belang van lokaal stemmen. Ik wil niet het
risico lopen dat mensen met 4% vertrouwen in ons, landelijke politici, stemmoe worden,
waardoor men daar vervolgens lokaal last van heeft.
Dank je wel, voorzitter.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Koops.
De heer Koops (NSC):
Dank u, meneer de voorzitter. Ik ben geen VVD’er. Dat ben ik ook nooit geweest. Ik
heb ook nooit gestemd op de VVD. Het spijt me, mevrouw Van Dijk, ik heb ook nooit
gestemd op het CDA. Dat is nu eenmaal hoe het is in mijn leven. Dat zeg ik omdat ik
moet denken aan een raadslid van de VVD die ik bij naam wil noemen: meneer Rogier
Bruin, militair, woonachtig in Den Helder. Hij zit nu een jaar of acht in de gemeenteraad
en weet dat te combineren met zijn werk als militair. Daar besteedt hij ongelofelijk
veel energie aan. Ik herinner mij hoe hij bij de huizen langsging om de verhalen op
te halen over de problemen die er in de verschillende wijken in Den Helder leefden.
Een heel groot gedeelte van zijn inspanningen valt te kwalificeren als vrijwilligerswerk.
Er staat geen enkele vorm van beloning, bezoldiging tegenover. Hij doet het gewoon
om zijn echte werk als raadslid goed te kunnen doen. Ik heb daar altijd het grootst
mogelijke respect voor gehad en dat heb ik nog steeds. Dat geldt niet voor die man
in zijn geheel, maar dat geldt wel voor iedereen die zich blootstelt aan kritiek en
discussies in het lokale bestuur. Het maakt mij niet uit of dat nou is als wethouder
of als raadslid.
Ik ben nu de laatste spreker en ik hoor ditzelfde geluid terug van iedereen die hier
aan deze tafel zit: wij willen allemaal dat het lokale bestuur wordt versterkt, wordt
verstevigd. Het is alleen maar te prijzen dat er het afgelopen jaar heel veel initiatieven
zijn ontplooid, dat er ook echt dingen zijn uitgerold en dat er geld is vrijgemaakt
of dat er is aangekondigd dat er geld wordt vrijgemaakt. Ik wil vooraf zeggen dat
we het daar met z’n allen over eens zijn en we hier dus bepaald niet zitten om elkaar
vliegjes af te vangen of iets dergelijks. Dat is niet aan de orde.
Tegen die achtergrond hebben we natuurlijk kennisgenomen van de stukken die bij de
agenda zitten van dit verhaal. Ik kom op een aantal concrete punten en vragen. Het
komt mij en Nieuw Sociaal Contract voor dat lokaal beleid uitvoerbaar moet worden
gemaakt en betrokken moet worden bij beslissingen die lokaal worden genomen. Dan hebben
we het over de randvoorwaarden voor raadsleden en wethouders. Ik heb er zojuist ook
iedereen over gehoord dat die randvoorwaarden dik in orde moeten zijn. Tot slot hebben
we het over diversiteit en veiligheid. Hier staat «bij burgemeesters», maar ik bedoel
in z’n algemeenheid, in datzelfde bestuur.
De Staat van het Bestuur is uitgebracht. We zien dat gemeentes steeds vaker klem zitten.
We zien dat middelen achterblijven en dat er steeds meer taken bij komen. Dat laatste
is verontrustend. Dat kan ook per ongeluk gebeuren. In onze gemeenschappelijke wijsheid
kunnen we tot beslissingen komen om grotere verantwoordelijkheden neer te leggen bij
de gemeenten. We stellen er dan alleen niet ook de budgetten voor ter beschikking
en doen niks aan de hoeveelheid mensen, de capaciteit die die problemen dan vervolgens
op z’n bordje krijgt. Dat is waarom we hier nu met z’n allen zitten.
Dan hebben we het over de Uitvoerbaarheidstoets Decentrale Overheden, de UDO. Dat
zou een antwoord moeten zijn om op realistische wijze takenpakketten bij de gemeentes
neer te leggen. Daar hoort de volgende vraag bij: kan de Minister een toelichting
geven op het aantal wetten en besluiten waarbij die UDO’s daadwerkelijk hebben geleid
tot veranderingen van die wetsvoorstellen? Het gaat dan om een test die bijvoorbeeld
negatief uitpakt en waarin wordt gewaarschuwd «doe dit nou niet». Kortom, kan de Minister
hier nu iets over zeggen? Of wil hij toezeggen om hier later iets over te zeggen als
hij dat vandaag niet kan? Hij is namelijk nog maar net begonnen. Dit is een belangrijk
onderwerp. Heeft die UDO nu in de praktijk al verschil gemaakt? Als dat niet zo is,
wat moeten we verbeteren? Als het wel zo is, dan ontvang ik graag een toelichting
daarop.
Daarmee kom ik aan het openbaar en doorzoekbaar register van die UDO’s, zodat we niet
het werk telkens opnieuw moeten gaan doen. Ik zit veel meer in de commissie voor Justitie
en Veiligheid. Dan zie je bepaalde thema’s decennium na decennium opnieuw oprispen.
We hebben daar nu een Minister die zelf Kamerlid is geweest in een vorig decennium.
Die moet bepaalde thema’s dus nu opnieuw gaan behandelen waar hij zich indertijd al
over opwond. Dat moeten we bij het lokale bestuur al helemaal voorkomen, want dan
loop je veel te gemakkelijk het risico dat je het wiel opnieuw moet uitvinden. Kortom,
de vraag is of er een UDO-register komt.
In hetzelfde verband is er een afwegingskader toegezegd om te bepalen wanneer je wat
laat doen door de gemeentes. Ik kon het niet vinden. Ik heb alleen maar zien staan
dat het is toegezegd. De vraag is dus of kan worden gezegd wanneer dat ding komt.
Ik probeer me niet onparlementair uit te drukken, maar soms vergis ik me nog.
Dan over geld dat apart is gezet, de subsidieregeling voor beroepsverenigingen. Dat
is 3,7 miljoen per jaar. Noem mij naïef, maar is het opleidingsniveau van raadsleden
en wethouders nou werkelijk het probleem? Is dat echt zo? Is dat wat ertoe leidt dat
het bestuur minder aantrekkelijk is geworden? Dus, kortom, wat is nu het verband tussen
de aantrekkelijkheid van een functie in het lokale bestuur en in de lokale politiek
versus die opleidingstrajecten? Ik zie wel dat het nuttig is dat mensen een opleiding
krijgen, maar is het niet bestaan van die opleiding nou de reden dat het enthousiasme
voor participatie vermindert?
De voorzitter:
Wilt u gaan afronden?
De heer Koops (NSC):
Nee, meneer de voorzitter. Maar ik moet wel, dat weet ik. Ik zal de rest dan puntsgewijs
gaan doen.
Ik moet een opmerking maken over de samenloop van bezoldigingen voor raadsleden en
uitkeringen. Ik weet dat daar een motie over is ingediend, maar die motie is niet
beantwoord. Misschien kan de Minister daar nu iets over zeggen of kan hij er alsnog
een toezegging op doen. Hoeveel uitkeringsgerechtigde mensen in de raden zijn er?
Tot slot, meneer de voorzitter. Waarom is er een verschil in de manier waarop Statenleden
een bezoldiging krijgen en gemeenteraadsleden een bezoldiging krijgen? Waarom bestaat
dat verschil? Dat terwijl gemeentes en provincies net zo veel van elkaar verschillen,
onderling gesproken.
Daar laat ik voorlopig even mijn inbreng bij. Dank u voor uw welwillendheid.
De voorzitter:
Dank u wel. U heeft nog een interruptie van mevrouw Van Dijk.
Mevrouw Inge van Dijk (CDA):
Ik heb natuurlijk ook een punt gemaakt over uitkeringsgerechtigden. Hoe zou u het
graag willen zien?
De heer Koops (NSC):
Op zichzelf is het zo dat als je afhankelijk bent van een uitkering, je behoort tot
de kwetsbaren van deze maatschappij. Die moeten een rol spelen in het lokale bestuur.
Dat is essentieel. We moeten het dus zo regelen dat uitkeringsgerechtigden gewoon
meedoen. Zelf heb ik daar het volgende idee bij. Op dit moment wordt de bezoldiging
voor een raadslidmaatschap afgetrokken van de uitkering. Kortom, dat is bepaald niet
uitnodigend en is ook echt een verschil met mensen die daarnaast een baan hebben,
waarbij die aftrek natuurlijk niet geldt. Ik zou zeggen: zeker voor mensen die beginnen
als raadslid, zou die aftrek niet moeten gelden. Je zou het wel kunnen opschuiven:
eerst mag je 100% houden, daarna mag je 50% houden als je nog steeds met een uitkering
zit. Dan wordt er een soort van staffel in gemaakt. Dat lijkt mij het werk voor uitkeringsgerechtigden
veel aantrekkelijker maken binnen het landsbestuur. Ook moeten we nadenken over hoe
participatie wordt bevorderd als je een rol en een invloed hebt in de lokale politiek.
De voorzitter:
U heeft nog een interruptie van meneer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Misschien begrijp ik de heer Knoops verkeerd ...
De heer Koops (NSC):
Koops! Er zijn verschillen, meneer Buijsse!
De heer Buijsse (VVD):
Koops! Sorry. Excuses, excuses, via de voorzitter. Stel dat het om een werkloos iemand
gaat of om iemand in de bijstand die dan raadslid wordt. Dan hoeft diegene de korting
niet te tellen en wordt diegene niet gekort op de bijstand. Hij of zij krijgt dat
geld erbij. Maar dan wordt ... Denkt u dan niet ook met mij dat dan misschien heel
veel werklozen of mensen in de bijstand ineens in de raad willen?
De heer Koops (NSC):
Ik snap de vraag buitengewoon goed en ik snap ook dat die door de VVD wordt gesteld.
Ik moet me inhouden om daar geen nadere opmerkingen over te gaan maken. We zijn hier
bezig om samen te zorgen dat dat lokale bestuur wordt versterkt. Om te beginnen is
het knap lastig om vast te stellen wat de oorzaken zijn waarom iemand in een uitkering
terechtkomt, of dat nou de WW is, een ziekte, een situationele arbeidsongeschiktheid,
noem maar op. Daar moet je wat mij betreft dus geen onderscheid in maken. Je moet
gewoon van buitenaf vaststellen dat iemand die uitkering heeft. Dan denk ik: op het
moment dat de bezoldiging als raadslid in het begin losgekoppeld wordt van de uitkering,
maakt dat die plek in de raad aantrekkelijker voor uitkeringsgerechtigden. Een van
de problemen die uit de stukken blijkt is juist dat het raadslidmaatschap niet aantrekkelijk
is voor die gehele grote groep mensen die ook vertegenwoordigd moeten worden in het
lokaal bestuur. Ik zit zelf te denken: hoe kunnen we hier een oplossing voor vinden?
Ik zou bijna zeggen: een glijdende schaal. Je begint gewoon en behoudt die bezoldiging,
maar als je er na een jaar nog steeds in zit en dan nog steeds van een uitkering afhankelijk
bent, dan moet je dat misschien gaan herevalueren en dan wel gedeeltelijk of geheel
in mindering brengen op die uitkering. Zo kan je dat zien; zo staat mij dat vooralsnog
voor ogen.
De heer Buijsse (VVD):
Goed dat er toelichting komt, maar u begon uw betoog met te zeggen dat het opvalt
dat het van de VVD komt. Dat wil ik toch even bestreden hebben en ook echt gewoon
rechtgezet hebben. Ik stel een simpele vraag, meneer Koops. U moet niet de kwalificatie
eraan geven die u er net aan gaf. Dank u wel.
De voorzitter:
Meneer Koops, in reactie hierop.
De heer Koops (NSC):
Daar heeft de heer Buijsse gewoon gelijk in. Soms moet ik op mijn tong bijten en iets
niet zeggen wat ik wel denk.
De voorzitter:
Een filosofische opmerking. Ik ga naar mevrouw Wijen-Nass.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Ik heb ook nog een vraag op dit punt. De heer Koops betoogt dat mensen met een uitkering
niet meer gekort zouden moeten worden op hun uitkering en dat erbij zouden moeten
krijgen. Dan ben ik ook heel benieuwd hoe de heer Koops naar het volgende kijkt. Het
is denk ik ook heel belangrijk dat de werkende klasse ook vertegenwoordigd wordt in
de gemeenteraad. Die mensen doen dat vaak nog naast een fulltimebaan, zeker als het
gaat over de kleinere gemeenten. Die mensen moeten van die vergoeding ook een behoorlijk
deel afdragen aan de belasting. Ik ben eigenlijk wel benieuwd hoe NSC daarnaar kijkt.
De heer Koops (NSC):
Hier wordt de kern geraakt van iets waarmee de lokale politiek kan worden versterkt,
namelijk simpelweg dat de vergoeding in verhouding staat tot de enorme inspanningen
die worden geleverd. Of dat nou is in een kleine of een grote gemeente maakt wat mij
betreft minder uit. Er moet een verhouding zijn tussen de tijdsinspanning en het fanatisme
en er moet ook in worden onderkend dat een gedeelte echt vrijwilligerswerk is en ook
als zodanig bedoeld is en gerespecteerd moet worden. In antwoord op de vraag van mevrouw
Wijen-Nass: mij gaat het er vooral om dat mensen die van een uitkering afhankelijk
zijn, niet om die reden ondervertegenwoordigd worden in gemeenteraden. Dat is het
ding waarvan ik hoop dat wij daar met z’n allen gelijkelijk over denken. Het moet
niet leiden tot voordeeltjes, maar er moet wel een soort van gelijk speelveld zijn.
Dat beoogde ik aan de orde te stellen.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik ben ontzettend blij dat deze discussie er is. We hebben eerder vragen hierover
gesteld, ook om te kijken hoe je dat nou kan vormgeven, ook naar aanleiding van het
onderzoek dat de raadsledenvereniging heeft gedaan naar de situatie van uitkeringsgerechtigden
en de raadsvergoeding. Uit gesprekken die we hebben gevoerd is gebleken dat er heel
veel onzekerheid bij zit. Op het moment dat je wilt bijdragen ... Dit geldt juist
voor mensen met een uitkering. Een uitkering moet je breder trekken. Het gaat ook
om arbeidsongeschikten. Het is echt heel breed. Dan krijg je dus een zetel en ga je
erheen, maar je weet niet voor impact en effect dat heeft op jouw uitkering. Je moet
je dan bijvoorbeeld bij het UWV melden. Het wordt verrekend. Als je een uitkering
bij de gemeente hebt, moet je daar weer afspraken gaan maken. Je kunt dus ook weer
gekort worden en je moet alles weer opnieuw aanvragen.
Wat Buijsse zei, raakte mij heel erg. Hij vroeg – sorry, maar ik vond dat een niet
heel erg menselijke vraag – of dat betekent dat straks allerlei uitkeringsgerechtigden
in onze raden gaan zitten. Dan denk ik: ja, dat betekent dat mensen die een bijdrage
willen leveren aan onze democratie, een bijdrage gaan leveren. Ik vind dat je dan
niemand, maar ook echt niemand, moet tegenhouden die dat wil gaan doen. En dat doen
we nu wel, door die onzekerheid, doordat de situatie niet helder is voor hen: wat
betekent dit nou eigenlijk, word ik opnieuw gekeurd? Er zijn zo veel onzekerheden.
Vaak weten ze het pas achteraf. Doordat je een bijdrage levert, kan dat betekenen
dat je een herkeuring krijgt of dat je uitkering stopgezet wordt. Dit heeft zo veel
impact en effect.
Ik ben ook nog steeds in afwachting van het antwoord op de vragen die we eerder hebben
gesteld om juist ook stappen met elkaar te zetten, zo van: hoe kunnen we nou die lacune
die er is ... Ik ga uit van die goede intentie en ik geloof ik dat we willen dat iedereen
een bijdrage levert, maar dan moeten we wel zorgen dat mensen er niet de dupe van
zijn. Ze moeten van tevoren weten: als je met een uitkering, welke uitkering dan ook,
een bijdrage levert in onze Staten of als raadslid, is dit wat je kan verwachten en
is dit hoe we je kunnen ondersteunen; er zijn dan wel mogelijkheden, knoppen waaraan
je kan draaien om te zorgen dat je een zachtere landing hebt. Je kunt daar afspraken
over maken. Ik ben heel blij dat NSC hier ook voorstander van is. Ik denk dat we met
z’n allen inderdaad wachten op de beantwoording van de Minister. Mocht de Minister
zeggen «daar ga ik helemaal niks mee doen», zullen wij dan de handschoen oppakken
om daar iets mee te doen, om het makkelijker in plaats van moeilijker te maken voor
mensen met een uitkering die graag raadslid of Statenlid willen worden?
De heer Koops (NSC):
In dit betoog zit aan het eind eigenlijk een vrij eenvoudige vraag. Die vraag kan
ik beantwoorden met: ja, leuk, gaan we doen. Maar daarvoor zat in het betoog iets
waarvan ik eraan hecht om dat te benadrukken. Kijk, de moeilijkheden die je hebt bij
het stellen van de hoogte van een uitkering en de wijze waarop je wordt getoetst en
zo ... Ik verwacht dat de mensen die zich opwerpen voor het lokaal bestuur en voor
de lokale politiek, competent zijn. Dat is namelijk waarom ze volksvertegenwoordiger
willen worden. Dit is niet iets wat te maken heeft met een opleidingsniveau, hè. Het
zijn mensen die worden gedreven door overtuiging en ook een vorm van ambitie. Het
zijn mensen die denken dat ze een positief verschil kunnen gaan maken. Zelf verwacht
ik eigenlijk, meer ook in het algemeen, dat die categorie mensen een heel eind moet
komen in het inkaderen van risico’s die bestaan voor de hoogte van de uitkering of
de consequenties van een uitkering of de consequenties van een herkeuring. Maar dat
is een soort van filosofische gedachte, dat ik dat als het ware zo verwacht.
Dit laat onverlet dat de samenloop van die uitkering en die bezoldiging gewoon tot
problemen leidt. Ik kijk de Minister nu gewoon aan in zijn ambt. De Minister heeft
al toegezegd om met deze gegevens te komen. Dat is niet een voornemen dat opeens gewijzigd
gaat worden, lijkt mij zo, nu we in deze samenstelling hier zo zitten. Uit alles blijkt
dat de Minister de gegevens over de samenloop van uitkeringsgerechtigdheid en een
raadslidmaatschap net zozeer interesseren als de Tweede Kamer die gegevens interesseren.
Alleen, de gegevens liggen nog niet op tafel. Dat is de reden voor die vraag. Op de
eerste vraag is het antwoord een volmondig ja. Ik ga graag met u in overleg hoe we
de positie van die mensen kunnen verbeteren.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Nog even een korte reactie op de uitspraak van de heer Koops dat hij ervan uitgaat
dat het competente mensen zijn die zelf wel even kunnen uitzoeken hoe het zit. Maar
ik kan u vertellen – het is misschien ook handig om het rapport van de Vereniging
voor Raadsleden even te lezen en om te spreken met een aantal mensen die de keuze
hebben gemaakt om raadslid te worden en die daar achteraf toch voor beboet zijn –
dat het ontzettend complex is. We hebben het niet makkelijk gemaakt voor mensen om
bij te dragen. Ik denk dat we het simpeler en laagdrempeliger moeten maken door vooraf
helder te hebben wat het betekent. Op het moment dat mensen met wat voor uitkering
dan ook een bijdrage willen leveren aan onze democratie, moeten we ook afspraken maken
over wat voor impact en effect dat kan hebben. Aan de voorkant en aan de achterkant
moet die duidelijkheid er zijn. Dat is wat ik veel van mensen hoor. Ik hoor helemaal
niet dat ze zeggen: ik wil de vergoeding houden. Mensen willen gewoon duidelijkheid
en helderheid en willen weten waar ze aan toe zijn. Ik vind dat het onze taak is als
overheid om ervoor te zorgen dat dit helder is en dat mensen niet verrast worden.
We moeten er zorg voor dragen dat als er te lastige drempels zijn, we die verlagen
in plaats van verhogen. We moeten inderdaad ook nadenken over wat het betekent als
mensen met een uitkering willen bijdragen. We moeten het debat hebben over de vraag
of zij een volledige vergoeding moeten hebben, ja of nee. Maar dat is dus ook de vraag
die we hebben gesteld. Die vraag heb ik volgens mij in mei gesteld. We zijn nu vele
maanden verder, maar er is nog steeds geen antwoord. Dat geeft voor mij aan dat het
zo complex is en zo moeilijk is dat er geen antwoord kan worden gegeven op de vragen
die wij als Kamer stellen.
De heer Koops (NSC):
Hier wordt aan een problematiek geraakt die vanzelfsprekend veel groter is dan de
positie van raadsleden. Dat zal mevrouw Chakor ook met mij eens zijn. We hebben het
hier over de verhouding van het ambtelijk apparaat tot de burger, gewoon hoe de communicatie
loopt tussen die twee partijen in de zin van: welke regels zijn er, hoe leg je ze
uit, hoe krijg je zekerheid en hoe verdwaal je niet in een woud aan regels waarin
je je dus kan vergissen en dus onverhoopt op boetes of korting terecht kan komen,
zoals zojuist wordt beschreven? Ik ben het er roerend mee eens dat we in ieder geval
die vorm van helderheid moeten nastreven met z’n allen. Hoe dat nou precies vorm moet
gaan krijgen, weet ik nog even niet. Maar ik denk wel dat de Nederlandse overheid
gewoon verplicht is om te zorgen dat regels begrijpelijk en gemakkelijk zijn en eenduidig
worden toegepast, zodat je weet waar je aan toe bent, ook wanneer je de raad ingaat
en een politiek ambt vervult. Dat ben ik gewoon eens met u. Ik vind dat we dat moeten
betrekken bij hoe we die positie moeten verbeteren. Dat is gewoon zo.
De heer Buijsse (VVD):
Ik ben even in de war. Gaat het nou om het verschaffen van duidelijkheid in dit deel
van de discussie of gaat het ook om het aanpassen van de regelingen om raadslid te
kunnen zijn? Ik ben even kwijt waar het nou over gaat. Ik heb het gevoel dat het sowieso
om de duidelijkheid gaat; daarover bestaat volgens mij veel overeenstemming. In alle
eerlijkheid: ik kan me er ook wel iets bij voorstellen dat je je in een woud van regels
bevindt als je recht hebt op uitkeringen en raadslid wilt worden. Daar kan ik me iets
bij voorstellen. Ik heb gewoon wat meer twijfel over het aanpassen van regelingen
voor mensen die raadslid willen worden, want dan kom ik ook bij het speelveld van
andere vrijwilligersbijdragen en onkostenvergoedingen uit. Ik zit daar nog op een
wat behoudender spoor, in alle eerlijkheid. Maar dat heeft u wel gemerkt.
De heer Koops (NSC):
Dank voor de vraag van de heer Buijsse, want die geeft mij meteen de gelegenheid om
te zeggen dat ik hem er op geen enkel moment expliciet of impliciet van beschuldig
anders dan constructief hier aan tafel te zitten. Als ik die suggestie heb gewekt,
dan was dat per ongeluk; dat moet even duidelijk zijn.
Maar tegen die achtergrond: ik denk dus inderdaad dat het om beide gaat. We moeten
niet afdwalen naar een hele discussie over de helderheid van regels, maar ik krijg
uit de stukken en uit het rapport dat zojuist door mevrouw Chakor werd aangehaald,
wel degelijk de indruk dat de regels, als je ze correct toepast, niet alleen tot vormen
van onzekerheid leiden, maar ook echt tot een achterstand voor uitkeringsgerechtigden,
dus tot een ongelijk speelveld. Als dat werkelijk zo is – en daar gaat de informatie
van de Minister een rol in spelen – dan moeten we dat dus aanpakken, want dat gelijke
speelveld is wat ik hier op tafel leg als nastrevenswaardig.
De voorzitter:
Daarmee komen we aan het einde van de eerste termijn van de kant van de commissie.
Ik kijk naar de Minister voor de schorsing. Hoeveel tijd heeft u nodig om de vragen
te kunnen beantwoorden?
Minister Rijkaart:
Allereerst dank voor u aller zeer betrokken inbreng. Ik proef dat u allen zeer begaan
bent met het lokale bestuur. Dat vooropgesteld. Er zijn wat vragen die ik even uit
moet zoeken. Ik gok dat we met drie kwartier aardig uitkomen. Hebben we nog een eetpauze?
Ik hoor mevrouw Chakor daarover beginnen. Ik laat me ook even leiden – ik ben voor
het eerst te gast – door de orde van uw vergadering wat betreft hoe het gaat met een
eetpauze en dergelijke.
De voorzitter:
Dat klopt inderdaad, maar hoeveel tijd u nodig heeft om de vragen te beantwoorden
is natuurlijk ook belangrijk. Maar u kunt met drie kwartier uit de voeten en ik denk
dat de commissie dat ook kan. Dan schors ik tot 18.45 uur.
De vergadering wordt van 18.01 uur tot 18.48 uur geschorst.
De voorzitter:
Ik heropen deze vergadering. Ik ga voor de beantwoording in eerste termijn naar de
Minister.
Minister Rijkaart:
Dank u wel, voorzitter. Allereerst is het ontzettend fijn om hier te mogen zijn als
Minister. Het is voor mij een eer om hier te zijn en een genoegen om dit eerste debat
in dit nieuwe ambt te mogen gaan voeren met u. Het gaat meteen over het openbaar bestuur,
dat mij ook persoonlijk nogal aan het hart gaat. Mijn geschiedenis strekt zich uit
van commissielid, ook nog eens in een kleine gemeente, via het raadslidmaatschap tot
gedeputeerde op provinciaal niveau en uiteindelijk mag ik me dan hier Minister van
Binnenlandse Zaken noemen. In die hoedanigheid ben ik met heel veel van wat hier vandaag
ter tafel is gekomen in aanraking gekomen. Soms, of ik moet eigenlijk zeggen bijna
altijd, was dat heel mooi, maar soms herken ik ook wel een beetje de negatieve aspecten
die u hierop tafel heeft gelegd van deze toch altijd mooie functies.
Laat ik vooropstellen: als kabinet waarderen wij onze lokale bestuurders natuurlijk
enorm. Zij nemen toch altijd maar de verantwoordelijkheid om naar voren te stappen
voor de zeer serieuze opgaven die er altijd maar liggen in de samenleving. Daar mogen
wij ze dan ook wel voldoende in ondersteunen. We mogen het nooit als vanzelfsprekend
beschouwen, zeker niet als ze ook nog eens te maken krijgen met de negatieve aspecten
van het werk, die toch steeds meer op ze afkomen. Passende ondersteuning daarvoor
is dus van waarde. We hebben een brief gestuurd, waardevol ambt, op 18 juni jongstleden,
waarin een aantal maatregelen uiteen worden gezet. Ik maak me niet de illusie dat
die alles oplossen – zeker niet, want er moet continu aan gewerkt worden – maar ze
dragen wel zeker bij.
Er zijn diverse vragen gesteld. Die ga ik in vier blokken proberen zo goed mogelijk
te beantwoorden. U zult begrijpen dat dat soms een voordragen uit de overlevering
is, maar zoals de voorzitter net even buiten de vergadering sprak: we slaan ons er
wel doorheen. De blokjes zijn: lokale democratie en de aantrekkelijkheid van de ambten,
de uitvoerbaarheid van het bestuur, de rechtspositie en nog wat overige vragen.
Laat ik eerst maar inspringen op de actualiteit. Als Minister keur ik het ten zeerste
af wat er gebeurd is rondom burgemeester Buma. Daar werden we vanochtend toch door
opgeschrikt. Het geeft maar weer eens aan hoe je als politiek persoon in de openbare
ruimte toch een doelwit kan zijn van bedreiging en intimidatie. We zullen proberen
de burgemeester daar zo goed mogelijk in te ondersteunen. Maar laat heel duidelijk
zijn: wat deze Minister betreft kunnen bedreiging en intimidatie vanuit de samenleving
naar alle vormen van politieke ambtsdragers natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Dat
is een stelling die ik daarin zeker inneem.
Ik borduur daar even op voort. Er waren wat zorgen geuit over de aangiftebereidheid
onder de diverse politieke ambtsdragers. Die herken ik wel. Je ziet eigenlijk her
en der in de samenleving ook wel meer gebeuren – je ziet het ook vaak in de zorg gebeuren
– dat mensen het normaal gaan vinden. Maar het mag dus nooit normaal worden; laat
ik dat ook duidelijk stellen. Wij blijven via de diverse gremia dan ook actief uitdragen
dat aangifte en in ieder geval melding doen wel terdege zou moeten bijdragen. Dat
het dan niet altijd leidt tot een vervolging is dan natuurlijk aan de overwegingen
van het Openbaar Ministerie, maar alles begint bij melding en aangifte doen. Daar
blijven wij dan ook op inzetten. Daar hebben wij het Ondersteuningsteam Weerbaar Bestuur
voor opgericht. Dat gaat in 2026 en 2027 ook door met zijn rondgang. Daar zal het
dan ook de aandacht voor blijven vragen. Ik ga nog wel in gesprek met mijn collega
van Justitie en Veiligheid over de politie en het Openbaar Ministerie, om die vooral
te stimuleren om de opvolging en de communicatie rondom aangiftes te verbeteren.
De voorzitter:
Ik onderbreek u voor een interruptie van meneer Koops.
De heer Koops (NSC):
Ik had bijna voor mijn beurt een interruptie aangekondigd, want deze vraag zal nu
gericht zijn op die laatste zin, over het contact met Justitie. Is de Minister van
oordeel dat er bij het opnemen van aangiftes een uitzonderingspositie moet worden
gemaakt voor deelnemers aan het lokale bestuur? Ik vraag dit omdat we allemaal weten
dat we in tijden van schaarste en krapte en van capaciteitsgebrek bij de politie en
dergelijke leven. Ik heb de vraag zojuist ook al besproken aan deze kant van de tafel.
Ik ben gewoon echt benieuwd wat de Minister daarvan vindt en of hij denkt dat dat
een goed idee is of niet.
Minister Rijkaart:
Daar moet ik echt nog even goed over nadenken, want als je iedereen een uitzonderingspositie
geeft, dan is uiteindelijk niemand meer belangrijk. Maar laat ik wel vooropstellen
dat ik gewoon wel met de politie en het OM in gesprek ga om te kijken wat we nu specifiek
voor deze laag doen. Mijn indruk is wel dat men dat intrinsiek graag op wil pakken.
Ik wil nog wel even terugkomen op een klein voorbeeld dat gegeven werd over de veiligheid.
Ik ken de casus niet, maar iemand werd echt bedreigd tot in de gemeenteraadszaal zelf.
Daar ligt natuurlijk wel een verantwoordelijkheid om de burgemeester in te schakelen
om daar de nodige maatregelen tegen te nemen; die verantwoordelijkheid heeft de burgemeester
ook. Overigens gaan wij ook met de gemeenten in gesprek om te kijken hoe we ze nu
kunnen versterken zodat die taak echt veilig uitgevoerd kan worden, maar daar kom
ik zo nog even op terug.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Rijkaart:
Dank u wel, voorzitter. Dan komt het kopje lokale democratie en de aantrekkelijkheid
van de politieke ambten, zoals ik dat al even aankondigde.
De vraag van BBB, van mevrouw Wijen-Nass – zij komt trouwens uit een mooie gemeente;
ik ben er onlangs op vakantie geweest – was of de Minister van BZK kan toezeggen dat
ook in deze demissionaire periode het versterken van de lokale democratie niet stil
komt te liggen. Jazeker. Ik blijf daar aandacht voor houden, want, zoals ik al zei,
is de lokale democratie mij zeer lief. Ook in de brief over het waardevol ambt doen
we daar een aantal uitspraken over. We moeten ook wel een brede dialoog aangaan over
de manier waarop we dit in de toekomst aantrekkelijk gaan houden. Persoonlijk vind
ik het heel aantrekkelijk, maar ik ken de zorgen wel die er zijn over het aantrekkelijk
houden ervan. We moeten de waardering daarvoor blijven uitspreken en hooghouden vanuit
de samenleving.
In navolging daarvan: de versterking van regio’s en lokale democratie zijn van groot
belang; hebben de regio’s en lokale democratie ook prioriteit? Jazeker. Wij werken
aan het programma Elke regio telt! Juist voor de lokale regio’s hebben we aandacht
voor lokaal maatwerk en de verschillen tussen de diverse regio’s. Daar worden de decentrale
volksvertegenwoordigers dan ook bij betrokken. Ik heb u gisteren een brief gestuurd
over de laatste stand van zaken daarvan. Op 2 oktober hebben we daar volgens mij ook
nog een commissiedebat over, dus dan kunnen we daarover verder spreken.
Welke concrete stappen wil de Minister zetten om het wethouderschap en het burgemeesterschap
aantrekkelijker en beter uitvoerbaar te maken? Op zich is uit onderzoek gebleken dat
het wethouderschap en het burgemeesterschap als aantrekkelijk ervaren worden. Die
hebben een goede waardering in cijfers, maar cijfers drukken niet altijd alles uit.
Ik trek mij wel aan dat het onder druk staat. In de brief kom ik daar ook even op
terug. Die schaduwkant herken ik wel. Het mag uiteindelijk niet zo zijn dat de cijfers
gaan dalen omdat die schaduwkant de overhand krijgt. We proberen te investeren in
betere opleidings- en ontwikkelingsmogelijkheden. We kijken natuurlijk naar de norm
voor het aantal wethouders. We bereiden wel wetsvoorstellen voor, maar de eerlijkheid
gebiedt me ook te zeggen: voordat het eenmaal zover is dat het wetsvoorstel over de
wethoudersnorm er werkelijk is, zal dat, door de hele systematiek, waarschijnlijk
aan een nieuw kabinet zijn. Dat is wel een eerlijk antwoord.
Hoe willen we voorkomen dat kleine gemeenten geen kandidaten meer kunnen vinden? Dat
is een zeer herkenbaar probleem, zeg ik als voormalig raadslid uit een kleine gemeente.
Probeer de mensen maar eens te vinden en probeer dan bijvoorbeeld ook nog maar eens
jongeren te vinden en die te enthousiasmeren. Ik denk dat iedereen zal herkennen dat
je vaak of iemand uit het netwerk moet kennen, of een keer ergens op Facebook reageert
en meteen wordt uitgenodigd. Toch zou 15% van de mensen als ze gevraagd worden het
zeker overwegen om een politieke functie te bekleden. Ik denk wel dat wij de komende
maanden de communicatie over de mooie kanten van het politieke ambt kunnen versterken,
om zo toch te kijken of wij mensen kunnen enthousiasmeren om in de politiek actief
te worden. Mentornetwerken of ondervertegenwoordigde groepen zou je daar natuurlijk
ook graag een positie in willen geven, maar ik heb ook wel gehoord dat het vaak aan
de politieke partijen zelf is om daar stappen in te zetten, ook al zou het heel mooi
zijn. Zeker als we het hebben over het aanstellen in een politieke functie, geldt:
als de politieke partij dat van belang vindt, genieten die natuurlijk de voorkeur,
natuurlijk bij gelijke geschiktheid, of het liefst bij betere geschiktheid.
Er was een vraag of er wethoudersklasjes zijn. Ja, die zijn er dus. De Wethoudersvereniging
organiseert wethoudersklasjes. Wij ondersteunen de Wethoudersvereniging daar dus ook
in, maar wellicht is dat nog wat onderbelicht. Maar ze zijn er dus wel degelijk, net
als de burgemeestersklasjes. Of dat echt direct leidt tot meer wethouders en meer
burgemeesters, is een zorg die ik dan nog wel heb.
Wat gaan we doen om de werkdruk van wethouders te verlagen? De voorbereidingen voor
een wetsvoorstel om meer wethouders aan te kunnen laten stellen door gemeenteraden
zijn al aangekondigd door mijn voorganger, mevrouw Uitermark. Uiteindelijk zal, zoals
ik al zei, dit voorstel er pas in een volgende kabinetsperiode liggen, maar we hopen
wel dat het dan aan gemeenten de mogelijkheid biedt om de werkdruk van wethouders
te verlagen.
Dan kwam nog de vraag over ondersteuning en scholing. Zijn wij bereid om samen met
gemeenten en politieke partijen te kijken naar de ondersteuning en scholing van lokale
bestuurders en volksvertegenwoordigers? Jazeker. Dat doen wij ook al, want dat is
al staand beleid. Maar ik herken ook wel enige schroom om daarin te investeren als
je eenmaal in de politiek zit. Dat komt ook omdat er natuurlijk best veel op je bordje
komt. Je kan je tijd maar één keer uitgeven. Toch is het wel van belang dat men daarin
blijft investeren.
Het was ook een beetje de vraag van de heer Koops: is er nu een terughoudendheid of
een relatie tussen de opleidingen die aangeboden worden en eventueel het opleidingsniveau
en het in een politieke functie stappen? Dat denk ik niet. Ik zie het juist als aanvulling.
Omdat dit werk zó specifiek is, kunnen die opleidingen voor mensen die erin stappen
juist van belang zijn om ze voldoende te faciliteren en op vlieghoogte te brengen
bij alles wat er op je afkomt. Ik kan me als ex-raadslid heel goed indenken dat je
niet op de hoogte bent van bijvoorbeeld alle wet- en regelgeving rondom ruimtelijke
ordening. Vanuit mijn gemeente en rol werd ik destijds goed gefaciliteerd. Het heeft
mij niet tegengehouden, maar ik had de opleidingen wel nodig en die waren zeer welkom.
Onlangs hebben we een taskforce voor griffies en rekenkamers opgericht om onder andere
ook daarin te investeren. De komende periode ga ik dan ook graag met politieke partijen
en uiteraard ook met gemeenten in gesprek. Dat was meteen ook het antwoord op uw vraag
over de relatie met het opleidingsniveau. Ik hoop althans dat die voldoende beantwoord
is.
Mevrouw Chakor vroeg naar de middelen voor beroeps- en belangenverenigingen. Ze vroeg
naar de 1 miljoen voor beroeps- en belangenverenigingen en de € 400.000 voor het Kennispunt
lokale politieke partijen. Hoe gaat dat? In het najaar verwacht ik te komen met een
nieuwe subsidieregeling, die daar meer richting aan gaat geven. Voor de beroeps- en
belangenverenigingen zal dat onder andere gaan over opleidings- en ontwikkelactiviteiten,
dus reflectie, intervisie, informatievoorziening, advies en ondersteuning. De vraag
is natuurlijk of dat altijd genoeg is, maar vooralsnog lijkt ons dat voldoende inzet
om hen voor de komende tijd daarin te bedienen.
Hoe gaan we ervoor zorgen dat de integriteitstoets en weerbaarheidscheck door lokale
politieke partijen gebruikt gaan worden? Willen we dat begeleiden? Ja, dat is een
heel belangrijk selectieproces voor de gemeenteraad. Daar moeten we zeker aandacht
aan besteden. In maart hebben we vanuit het ministerie een brief gestuurd aan alle
burgemeesters en griffiers om dit nogmaals onder de aandacht te brengen van alle politieke
partijen. Het is daar dus zeker onder de aandacht gebracht. Wij kregen terug dat het
ook zeer gewaardeerd is dat we dat nogmaals onder de aandacht hebben gebracht. We
hebben het niet alleen daar gedaan, maar ook de bestuurdersverenigingen van politieke
partijen, het Kennispunt lokale politieke partijen en de Nederlandse Vereniging voor
Raadsleden zijn betrokken geweest in die verzending.
Mevrouw Chakor vroeg naar diversiteit en inclusie en zei dat er geen afspiegeling
van de samenleving was. Ik heb dat al een beetje behandeld. Ja, het is een goede wens
om daar zeker naar te streven. Er zijn in de politiek inderdaad echt groepen ondervertegenwoordigd.
Dat kunnen vrouwen zijn of mensen met een niet-westerse migratieachtergrond, maar
probeer inderdaad ook maar eens jongeren te enthousiasmeren. Natuurlijk is het veel
waard om vooral een zo breed mogelijke vertegenwoordiging te hebben in de lokale politiek,
maar probeer dat maar eens te realiseren. U vroeg ook nog even om ... Ik hoor een
interruptie.
De voorzitter:
Ja, er is een interruptie, maar het is handiger, denk ik, om dit deel met de beantwoording
van mevrouw Chakor af te maken. Dan kom ik daarna bij de heer Koops.
Minister Rijkaart:
Oké. Natuurlijk zet ik me daarvoor in. Ik probeer zelf ook zo goed mogelijk een uithangbord
te zijn om actief te worden in de politiek, alhoewel ik niet direct een minderheidsgroep
vertegenwoordig, zoals u ziet. Maar u vroeg ook nog even naar cijfers. Dat is wel
wat lastiger. We hebben wel wat klassen en oriëntatieprogramma’s. Voor potentiële
burgemeesterskandidaten zijn de groeperingen die u had aangegeven momenteel met een
vertegenwoordiging van 20% tot 25% vertegenwoordigd. Dat percentage mag omhoog – dat
moet omhoog, kunnen we ook wel zeggen – maar het is toch ook vaak aan de mensen zelf
om erin te stappen en over die drempel heen te gaan. We proberen wel meer de doen
dan enthousiasmeren, maar dat wil niet altijd lukken natuurlijk.
De heer Koops (NSC):
Over ditzelfde onderwerp, dus diversiteit en inclusie, was een van de constateringen
dat het aantal vrouwelijke burgemeesters onwenselijk laag ligt. Dan hebben we het
dus niet over de afspiegeling van de maatschappij bij raadsleden en zo, maar diezelfde
afspiegeling moet vanzelfsprekend ook onder burgemeesters worden nagestreefd. Kan
de Minister kort toelichten of er plannen bestaan om ervoor te zorgen dat de man-vrouwverhouding
onder de burgemeesters – laat ik het zo zeggen – goed wordt rechtgetrokken?
Minister Rijkaart:
Dat komt voornamelijk tot uiting in een selectieproces. Daar zitten natuurlijk meerdere
stappen in om te komen tot een burgemeester. Of die dan man of vrouw is, is geen onderdeel
van het directe selectieproces. Dat zou ook niet wenselijk zijn. Uiteindelijk moet
de beste kandidaat het worden. We zien wel dat er wat betreft de animo door alle politieke
lagen heen een scheefgroei is; daar zitten de burgemeesters dus ook bij. Aan ons en
aan eenieder, denk ik, de schone taak om vooral ook eenieder op te roepen om zich
kandidaat te stellen. Het niveau maakt voor mij daar niet zozeer in uit.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dank voor de beantwoording. U gaf net inderdaad terecht aan dat we willen dat ons
bestuur een afspiegeling is van de samenleving. U noemde daarbij dat het heel lastig
is om die cijfers boven tafel te halen. Als er inderdaad klasjes gevolgd worden, hoeveel
mensen stromen er dan uit? Hoe zorg je ervoor dat de cijfers wat betreft man-vrouwverhouding,
niet-westers en noem het maar op, omhooggaan? We krijgen in het najaar een brief.
Zou de Minister daarin ook echt even hierop kunnen inzoomen? Volgens mij hebben wij
de wens om ervoor te zorgen dat we de representatie verhogen en vergroten. U zegt:
er ligt ook veel verantwoordelijkheid bij mensen om zelf te solliciteren en daarnaast
zit het ’m ook in de procedure. Maar er zijn ook nog wel stappen die je zou kunnen
zetten. We moeten toch even kijken wat we nou gedaan hebben met elkaar, hoe het loopt,
wat we nu doen en wat we in de toekomst meer zouden kunnen doen om ervoor te zorgen
dat we daar grotere stappen in zetten dan we nu doen, want het loopt nog steeds heel
erg achter als het gaat om de man-vrouwverhouding, laat staan om mensen met een migratieachtergrond.
Ik vraag dus of u daar in de brief die dit najaar komt specifiek op kunt inzoomen,
hopelijk ook met cijfers en concrete acties.
Minister Rijkaart:
Waar we cijfers hebben, wil ik best kijken of we die inderdaad in die brief kunnen
verwerken, voor zover die beschikbaar zijn. Als daar hele onderzoeken aan ten grondslag
moeten liggen, dan moeten we even kijken hoe we daar handen en voeten aan gaan geven.
Ik herken uw zorg. Wat zijn dan de concrete acties? We zijn, denk ik, allemaal van
de concrete acties. Ik kan natuurlijk geen voorkeursbeleid of iets van dien aard uit
gaan dragen, maar ik roep alle partijen er wel toe op om er vooral aandacht voor te
hebben hoe ze dat zelf indelen. Daar hebben de politieke partijen een rol in en de
mensen zelf natuurlijk ook. Op dit moment is een derde van de burgemeesters vrouw.
Dat is niet direct enthousiast als je kijkt naar de verdeling in de samenleving. Dat
mag best wat hoger. We weten bijvoorbeeld wel dat 20% tot 25% van de deelnemers aan
het oriëntatieprogramma uiteindelijk ook doorstroomt om burgemeester te worden. Dan
zie je toch dat die belemmering er is. Men solliciteert wel, maar je ziet ook dat
het heel wisselvallig is hoeveel reacties er bijvoorbeeld op een burgemeestersvacature
komen. Als er dan in die reacties om burgemeester te worden ook nog een onderverdeling
moet zijn om een bepaalde mate van diversiteit te creëren ... Als je misschien maar
4, 5 of 6 kandidaten hebt, tegenover 27, dan is de spoeling soms gewoon heel erg dun
voor de raden die er uiteindelijk over gaan om een kandidaat te kiezen. Het is dus
wel een zorg. Ik heb uw opmerking gehoord. Ik probeer erop terug te komen in de brief.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dat is een toezegging.
De voorzitter:
Dat zou zomaar een toezegging kunnen zijn.
Minister Rijkaart:
Dat zou zomaar een toezegging kúnnen zijn, ja. Nee, maar met de restrictie «waar mogelijk»:
we gaan natuurlijk wat we weten met u delen in de brief.
De heer Buijsse (VVD):
Ik hoor de Minister zeggen dat 30% van de burgemeesters op dit moment vrouw is. Ik
wist het kengetal niet, maar dat valt mij eerlijk gezegd reuze mee. Ik ben het natuurlijk
met mevrouw Chakor eens dat we naar een soort van representatie moeten van de verhouding
in de samenleving. Maar als ik dan kijk naar topmensen in het bedrijfsleven, dan is
er ook een soort streefgetal, dat ook op 30% ligt. Dus het streven is dat van het
aantal topbestuurders in het bedrijfsleven 30% vrouw is. Bij burgemeesters hebben
we dat bereikt. Ik vraag me dan richting de Minister het volgende af. Het is goed
om het in beeld te hebben, maar we gaan toch niet naar een quotum toe dat scherper
is dan wat we nu hebben? Ik zou daarin ook naar ander instrumentarium kunnen kijken.
Ik weet bijvoorbeeld dat in Brabant de laatste jaren best veel vrouwelijke instroom
is gekomen vanuit burgemeesters. Daar is, in samenspraak met raden die in die commissies
zitten, met vertrouwenscommissies en de commissaris van de Koning, echt wel op gestuurd.
Ik vraag me toch even af: wat gaat de Minister daarin doen?
Minister Rijkaart:
Ik moet het iets nuanceren. Het is niet 30% van de burgemeesters, maar 30% van de
kandidaten die de sollicitatieprocedure ingaan. U refereert aan een streefgetal. Het
streven zou zijn dat het een afspiegeling is van de samenleving. Maar dat kan je altijd
uitspreken met elkaar. Of je daar daadwerkelijk toe komt, is natuurlijk een iets lastiger
vraagstuk. Want uiteindelijk kiest een gemeenteraad zijn of haar burgemeester. Daar
volgen wij als kabinet gewoon de procedure in. Het is altijd afwachten wat daaruit
komt. Maar het streven om het een afspiegeling te laten zijn, onderschrijf ik.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Rijkaart:
Dan ben ik meteen bij de vraag van de heer Buijsse over wat de invloed is van raadsleden.
Ik herken wel enigszins dat raadsleden worstelen met de vraag: waar gaan wij nu eigenlijk
over? In de actieagenda heeft mijn voorganger de benodigde acties op dat punt genoemd.
Er komt ook nog een rapport van de Raad voor het Openbaar Bestuur over medebewindstaken
waarin daar ook op ingegaan wordt. Ik denk ook wel dat hier een taak ligt voor enerzijds
de raadsleden zelf. Die moeten zich vergewissen van wat hun mogelijkheden zijn. Dan
kom je weer terug op investeren in die opleidings- en educatiemogelijkheden. Maar
ik wil toch ook wel zeggen dat de bestuurderszijde ook tegen een raad zou kunnen zeggen:
dit is het moment waarop u uw invloed kunt laten gelden. Dat is toch een wisselwerking.
Dus ik herken wat u zegt, maar dat vereist investeringen van zowel de raadsleden zelf
in het opleidingstraject alsook van de bestuurders om hen daarop te wijzen en hen
te begeleiden waar dat enigszins wegvalt.
De heer Buijsse (VVD):
Het gaat over het tekenen-bij-het-kruisjefenomeen. Dat bracht ik zo in, omdat menig
raadslid inderdaad weleens het gevoel heeft: wat is mijn positie? Ik vind het op zich
wel goed dat u inzet op de bewustwordingskant. Misschien moeten we aan de bewustwordingskant,
aan de opleidingskant, raadsleden beter uitleggen wat hun positie eigenlijk is. Dat
neemt niet weg dat die bewegingsruimte at the end of the day ... We hebben die Wet
gemeenschappelijke regelingen aangepast. Dat heeft al wat meer inspraak en positionering
van die raadsleden opgeleverd. Maar het blijft nog steeds krap. Ik snap dat het niet
vandaag afgerond zal worden, maar ik zou dus eigenlijk een pleidooi willen houden
om ook in de politiek in het algemeen te bekijken hoe we op nieuwe manieren hierover
kunnen denken, na die aanpassing van de Wet gemeenschappelijke regelingen destijds,
zodat raadsleden in die positie toch een sterkere motivatie kennen voor hun werk.
Dat is waarvoor ik zou willen pleiten. Dus dat is meer dan alleen die bewustwordingskant.
Dat zou ik de Minister willen vragen.
Minister Rijkaart:
Enerzijds vraagt u om meer dan de bewustwordingskant, terwijl u anderzijds toch vraagt
om meer aan de bewustwordingskant. Ja, die gemeenschappelijke regelingen zijn aangepast.
Dat is een stap in de richting die u wenst. Of daar een verdere aanpassing voor nodig
is ... Dat is niet meer mogelijk. De laatste ronde is inmiddels ingegaan. Dat is toch
wel afgesloten. Er blijft wel aandacht voor. In de ontwikkeling van het beleidskader
decentraal bestuur en diverse andere gremia vragen we daar nog steeds aandacht voor.
Ik vergat het net even te noemen, maar het is wel een belangrijke speler in het bestuur;
er ligt hier, denk ik, ook een schone rol voor bijvoorbeeld griffiers om het openbaar
bestuur daarin te begeleiden. Het is dan weliswaar een lekenbestuur, maar juist die
mensen hebben we ook ingesteld om daar een rol in te pakken.
Dan kom ik bij de laatste vraag van het blokje, voorzitter. GroenLinks-PvdA en BBB
hadden het over een aanpassing van de omvang van gemeenteraden. Moeten de kleine gemeenteraden
ook meegenomen worden in de verkenning? Jazeker. Het is niet zo dat het alleen over
de grote raden gaat. Wel is gebleken dat het bij de grote gemeenten zinvol is om de
gemeenteraden uit te breiden, want daar zat de grootste scheefgroei. Maar dat wil
zeker niet zeggen dat we de kleine gemeenteraden niet meenemen in de verkenning.
Voorzitter. Ik kom bij het blokje bestuurbaarheid en uitvoerbaarheid. Het terugdringen
van bureaucreatie: dat is sympathiek; daar kunnen we nooit op tegen zijn, zou je zeggen.
U vraagt eigenlijk om een toezegging dat ik in gesprek ga met de collega’s van Economische
Zaken en Klimaat en Groene Groei over de problematiek van Moerdijk en Borssele. Dat
gesprek ga ik aan. Ik ga ze informeren over het signaal dat u geeft. Natuurlijk is
bureaucratie terugdringen een hardnekkig iets. We zeggen weleens: als we een nieuwe
regel verzinnen, laten we dan kijken of we er twee kunnen schrappen. Dat is over het
algemeen ook politiek heel sympathiek, maar dat blijkt toch heel weerbarstig. Natuurlijk
gaan we het wel hebben over onder andere de UDO-toets die we daarbij hebben en die
behulpzaam kan zijn. Maar we moeten daar zeker nog hard aan werken; dat ben ik met
u eens.
Er zijn verschillen tussen gemeenten als het gaat om voorzieningen in het sociaal
domein voor mensen met een kleine beurs. U vroeg hoe we die verschillen kunnen verkleinen
en welke stappen we hier kunnen zetten. Dat gaat over inkomensafhankelijke regelingen.
Dat ligt toch echt bij mijn collega van Participatie en Integratie van SZW. Maar er
is wel aandacht voor vanuit diverse programma’s. Ik noem het Nationaal Programma Armoede
en Schulden, waar SZW, VNG en Divosa bij betrokken zijn om te kijken hoe dat in te
vlechten is in het gemeentelijke armoedebeleid. Lokaal maatwerk is mogelijk, maar
wel zeer beperkt. Dat heeft u zelf ook al onderkend. Maar de Staatssecretaris van
SZW zal rapporteren over de voortang hiervan. Dat zal in het voorjaar van 2026 zijn.
De heer Buijsse (VVD):
De toezegging wordt gedaan om met de collega’s binnen het kabinet over de situatie
bij Moerdijk te spreken, waarvoor dank. Zou dat ook als toezegging op de lijst kunnen,
omdat daar aan deze kant van de tafel wat verwarring over is?
Minister Rijkaart:
Ik vind dat een hele mooie, maar hoe hoog ligt de drempel van het doen van toezeggingen,
waar ongetwijfeld weer het een en ander aan vastzit? Ik hoop dat u mij erop vertrouwt
dat ik dat gesprek gewoon aanga.
De voorzitter:
U krijgt van meneer Buijsse een toelichting op de drempel.
De heer Buijsse (VVD):
Ik heb zeer veel vertrouwen in deze Minister; laat ik dat vooropstellen.
Minister Rijkaart:
Maar controle is beter, vermoed ik!
De heer Buijsse (VVD):
Kijk, het is een serieuze zaak voor deze inwoners, in het bijzonder in Moerdijk, die
ik vandaag gesproken heb. Dat is niet één inwoner, dat zijn er niet tien; het gaat
over een compleet dorp dat hier zorgen over heeft. Ja, mevrouw Chakor, dat is gewoon
zo. Het is een serieuze zaak. Zij ervaren toch een gebrek aan empathie waar die ambities
zich stapelen vanuit het Rijk, alle goede bedoelingen ten spijt. Ik zou heel graag
geadresseerd en teruggekoppeld zien via een brief wat de bevindingen op dat punt zijn.
Dat hoeft niet hoogdravend te zijn, maar ik vind het echt een heel belangrijke zaak
voor de inwoners die het in dit geval betreft. Zij zitten ermee.
Minister Rijkaart:
Ik herken uw zorg. Laten we dat gewoon op die manier doen. Dat geeft invulling aan
het gewicht dat u hier op tafel legt.
De heer Koops (NSC):
De UDO-toetsen kwamen net heel kort even langs. Ik had nog een klein vraagje daaraan
vastzitten. Ik hoop tenminste dat ik het zojuist gezegd heb. Ik bedoel het UDO-register.
Kan de Minister daar nog even op ingaan? Komt dat register er echt? Het leek mij namelijk
zo nuttig.
Minister Rijkaart:
Ik kom zo op uw vraag terug. Die zit in het volgende hoofdstuk en is zeker niet uit
het zicht.
Voorzitter, ik zal vervolgen. Verschillen tussen gemeenten voor wat betreft het sociaal
domein en mensen met een kleine beurs: die vraag had ik volgens mij net beantwoord.
Dan de uitvoerbaarheid van beleid, de verhouding tussen Rijk en gemeente, en rust,
reinheid en regelmaat. Welke meetlatmiddelen zijn er met het oog op balans? Hoe borgt
de Minister dat gemeenten bij nieuwe taken automatisch gecompenseerd worden, zoals
het hoort? Dat was een vraag van het CDA. Daar zit onder andere die UDO-toets in.
Die is verplicht. De uitkomst daarvan moet boven water komen. Die is overigens openbaar
en zit navolgbaar in het traject om te komen tot een besluit. Dat is verwoord in de
memorie van toelichting. Het kabinet heeft in 2024/2025 ook met de medeoverheden in
het overhedenoverleg daarover gesproken. Er moet continu aandacht voor zijn. Er is
een interbestuurlijke samenwerkingsagenda opgesteld voor de meest complexe vraagstukken
om te kijken hoe we komen tot een werkbare uitvoering. Mijn ambtsvoorganger heeft
een voortgangsbrief over de Actieagenda Sterk Bestuur naar de Kamer gestuurd. Daarover
gaan wij in een nader commissiedebat met elkaar in debat, zo is mij verteld.
De heer Koops vroeg naar een afwegingskader. We hebben diverse afwegingskaders. Ik
probeer ze allemaal maar even af te werken voor u. Het afwegingskader voor de regio
komt in de tweede helft van 2026. Het beleidskader decentraal en gedeconcentreerd
bestuur komt in het voorjaar van 2026. Te uwer informatie: deze zijn beide toegezegd
in de brief van 27 juni. Dat is de brief over de voortgangsagenda goed bestuur.
Dit is een mooie vraag: kunt u aangeven in hoeveel gevallen de UDO heeft geleid tot
het bijstellen van een wetsvoorstel? U vroeg ook even naar een register. Er is geen
register, maar de UDO’s zijn dus wel openbaar. Ze zijn a verplicht en b navolgbaar.
We hebben gezegd: twee jaar na inwerkingtreding volgt een evaluatie. Ik heb uw vraag
gehoord. In 2028 zal die evaluatie uiteindelijk komen. Momenteel wordt daarvoor een
nulmeting ontwikkeld. Daarmee kan je wat zeggen over de cijfers die er uiteindelijk
uitkomen, want anders weet je de beginsituatie niet. We moeten kijken wat de effecten
zijn op het moment dat de UDO heeft plaatsgevonden en of er dan daadwerkelijk een
bijstelling van beleid heeft plaatsgevonden. Wellicht is het aardig voor u om te weten
dat er momenteel een zestigtal UDO’s in ontwikkeling zijn. Die zitten in verschillende
fases: in ambtelijke voorbereiding, in consultatie, openbaar, bij de Kamer en afgerond.
Dat is wat ik daarover inmiddels kan zeggen.
Dan waren er een aantal vragen over de rechtspositie van ambtsdragers. Daar ben ik
onder anderen zelf in andere vormen uitgebreid bij betrokken geweest. De stand van
zaken van het wetsvoorstel voor de wijziging van de verlof- en vervangingsregeling
voor politieke ambtsdragers wordt in de loop van 2025 – er resteert nog maar een klein
deel van dat jaar – in consultatie gegeven. Daar zitten onder andere uitbreiding van
regels voor verlof in voor dagelijks bestuurders en volksvertegenwoordigers en uitbreiding
en flexibilisering van de verlofvormen van dagelijks bestuurders. Dat volgt ter consultatie
in 2025.
U vroeg ook naar de verlof- en vervangingsregeling voor volksvertegenwoordigers: waarom
wordt die niet uitgebreid? We gaan de duur flexibiliseren, maar niet uitbreiden. Ik
snap de wens op zich wel, maar er zit ook wel een beetje een principiële kant aan.
Het zijn van volksvertegenwoordiger heeft toch ook wel een persoonlijk karakter met
een kiezersmandaat. De Grondwet zegt dan dat vervangen mogelijk is als de taken niet
kunnen worden uitgevoerd vanwege eigen ziekte, zwangerschap of bevalling. Ga je dan
een hellend vlak op van veel vervangingen en wijzigingen in de samenstelling? Het
laatste grondwetsartikel hierover stamt uit 2006. Dat is in grondwettermen redelijk
nieuw. Er is al uitvoerig gesproken over andere verlofvormen, maar de grondwetgever
heeft er bewust voor gekozen om deze regeling op deze manier in te richten. Als het
gaat om het verlichten van de werkdruk, moet ik toch even kijken naar andere mogelijkheden.
Maar de verlofregeling uitbreiden qua verlofvormen is niet de koers waarop ik inzet.
Dan een vergoeding voor commissieleden. U spreekt met een ex-commissielid. Ik herken
mij daar zeer in. Het is een zeer lage vergoeding voor zeer veel uren, die alle betrokken
commissieleden op diverse niveaus toch in hun politieke werk stoppen. Kunnen we toezeggen
dat we dan ook in het onderzoek de vergoeding van commissieleden meenemen? Ja, zeker.
We moeten dan ook even kijken of dat hele commissiestelsel überhaupt nog aansluit
bij de huidige praktijk en hoe dat wordt ervaren. Ik neem mijn persoonlijke ervaring
natuurlijk ook mee in dat onderzoek.
Wat verklaart het verschil tussen de raadsvergoeding en de Statenvergoeding? Dat is
inderdaad een goede vraag. De Statenvergoeding is momenteel gelijkgesteld aan de raadsvergoeding
van een gemeente van 100.000 tot 150.000 inwoners. Momenteel zitten we wel in een
heel brede evaluatieronde. Het ARPA, een adviescollege, komt met een advies over eigenlijk
alle politieke bestuurslagen, zowel aan de bestuurszijde als aan de publieke zijde,
over de impact van het werk en de waardering die eraan vastzit. Ter info: dat is voor
raadsleden, Statenleden, maar ook burgemeesters, wethouders en commissarissen van
de Koning. Maar ook waterschapsbestuurders en waterschapsleden van de verenigde vergadering
zijn daarin niet vergeten.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Eén korte vraag ter verduidelijking. Gaat het onderzoek dan over alle grote gemeenten
of is het vanaf een bepaald inwoneraantal?
Minister Rijkaart:
Nee, de vergoedingen worden echt over de volle breedte meegenomen, dus zowel kleine
gemeenten als grote gemeenten zijn erin meegenomen. Hoe weet ik dat? Ik zat zelf in
die vergadering. Ik was erbij. Daar is ook ruim aandacht gevraagd voor de kleinere
gemeenten en de verenigde vergadering van waterschappen.
De voorzitter:
Mevrouw Wijen-Nass, een vervolgvraag.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Nog één verduidelijkingsvraag. In de brief van 18 juni staat op pagina 11, onder b,
best wel duidelijk: «Verkenning en voorbereiding aanpassing staffel (grootste) gemeenteraden».
Daarom sloeg ik daarop aan en daarom heb ik er ook zo specifiek naar gevraagd.
Minister Rijkaart:
Ik denk dat geduid wordt op het aanpassen van de gemeenteraadsgrootte tot grote gemeenten
van 200.000, maar dat is wat anders dan waar ik op duid. Ik duid echt op de individuele
vergoeding voor de volksvertegenwoordigers in brede zin.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Duidelijk. Naar dat antwoord was ik inderdaad op zoek. Dank.
De voorzitter:
Dat is positief. Gaat u verder, Minister.
Minister Rijkaart:
Voorzitter. Voor de combinatie uitkering en raadslidmaatschap is breed aandacht gevraagd.
Ik herken ook een beetje de worsteling die zich hier voor mij voltrok. Natuurlijk
moeten uitkeringsgerechtigden ook kunnen meedoen in de politiek. Daar zijn ook vragen
over gesteld, die ik zo spoedig mogelijk ga proberen te beantwoorden. Het is primair
een regeling van onder andere SZW, maar er zitten ook belastingtechnische kanten aan.
Het is een heel brede vraag die u heeft gesteld. De stelregel is dat voor uitkeringsgerechtigde
raadsleden dezelfde kortingsregels gelden als voor uitkeringsgerechtigde werknemers
met neveninkomsten. Dat is hoe het nu werkt. Eigenlijk gaat het over waar men te laat
mee wordt geconfronteerd, dus er ligt ook wel een vraag in de voorlichting aan de
voorzijde over wat de nu geldende regels zijn en wat die betekenen als je instapt.
Die zorg herken ik. De geldende regels ga ik nogmaals onder de aandacht brengen, om
zo duidelijk te maken, ongeacht op welke politieke functie je instapt, wat voor effect
dat heeft qua samenloop met een uitkering.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dank dat de Minister onze vragen snel wil beantwoorden. Dat is heel fijn. Ik vind
het heel fijn om te horen dat u wil gaan kijken wat er mogelijk is. Ik denk dat het
heel goed is dat raadsleden kunnen vertrouwen op een veilige regeling zonder zich
zorgen te maken over fraude of zonder dat ze hun uitkering verliezen na of tijdens
het ambt. Dat zie je ook terugkomen in het onderzoek van de Vereniging voor Raadsleden.
Kan de Minister aangeven of hij bereid is om in gesprek te gaan met de Vereniging
voor Raadsleden? Dan kunnen we kijken wat daaruit komt en aan welke knoppen we moeten
draaien om te zorgen dat we het in ieder geval simpeler maken. Kan de Minister ook
een brief sturen over de uitkomsten van het gesprek en kan hij alles even op een rij
zetten: welke concrete stappen gaan we nu met elkaar zetten om te zorgen dat we dit
ook echt fiksen? Ik vind het wel belangrijk dat we dit met elkaar oplossen en dat
we zorgen dat deze drempel die er steeds is ... Raadsleden die een uitkering hebben,
twijfelen soms echt of laten het ambt soms zelfs gaan omdat ze bang zijn voor onzekerheid
tijdens of na het ambt. Dan gaat het vaak om financiële afwegingen.
Minister Rijkaart:
Natuurlijk wil ik in gesprek met de Vereniging voor Raadsleden; dat lijkt me heel
zinvol. Toch wil ik de verwachtingen een beetje temperen. De regels zoals ze er nu
zijn, zijn er. Op het moment dat we aan knoppen gaan draaien, willen andere mensen
die een bepaalde taak in het publieke domein op zich nemen, misschien ook wel bepaalde
voordelen daarvan hebben. Dat maakt het wel een beetje lastig. Maar ik ga zeker met
de Vereniging voor Raadsleden in gesprek om te kijken wat de mogelijkheden zijn. Als
er echt iets uitkomt wat we kunnen doen, dan wil ik daar natuurlijk naar kijken. Maar
zoals ik zeg, temper ik de verwachtingen wel een beetje. Ontegenzeggelijk moet de
voorlichting aan de voorzijde op orde zijn. Ik ben er net op ingegaan dat ik daar
aandacht voor ga vragen. Ook het UWV heeft daar een voorlichtende taak in. Je wil
natuurlijk – dat herken ik helemaal – voorkomen dat iemand met veel enthousiasme instapt
en achteraf geconfronteerd wordt met negatieve effecten.
De voorzitter:
Dat is al een antwoord op uw vraag voordat die gesteld is, mevrouw Chakor.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Ik wil er toch even op reageren. Ik denk dat het inderdaad belangrijk is dat de uitvoeringsorganisaties
meegenomen worden in de gesprekken. Die hebben ook een belangrijke taak om te zorgen
voor de informatie. Ik werd wel getriggerd doordat de Minister zei: we moeten natuurlijk
ook wel de verwachtingen temperen, want het kan ook een soort stimulans zijn om ...
Ik weet niet wat hij daarmee bedoelde, maar ik proefde een beetje een soort zorg van
«wat betekent het en wat voor effect heeft het wanneer we aan knoppen gaan draaien?»
Maar ik vraag aan de Minister om ervoor te zorgen dat we het, met de uitvoeringsorganisaties,
met de vereniging, maar ook met de slachtoffers hiervan, raadsleden die echt noodgedwongen
hebben moeten stoppen of niet eens het ambt durfden aan te gaan, makkelijker voor
hen maken. Ik vraag gewoon om ervoor te zorgen dat we dit organiseren met elkaar.
Het is ook belangrijk dat de Kamer weet welke acties en stappen er genomen moeten
worden, want wij worden er ook op bevraagd. Wij krijgen natuurlijk al die signalen
en gaan in gesprek met mensen, dus wij willen dat gewoon heel helder hebben. Zij weten
heel goed wat ze verwachten en wat ze nodig hebben, zonder dat we aannames doen over
«zetten we nou de deur open voor allerlei andere groepen». Daar hebben we het helemaal
niet over. We hebben het over die duidelijkheid en juist het makkelijker en duidelijker
maken voor mensen.
Minister Rijkaart:
Wij betrekken ook de diverse uitvoeringsorganisaties. Natuurlijk, er is een verschil
tussen duidelijker maken en makkelijker maken. De regels die we op dit moment hebben,
zijn nu eenmaal geldend. Maar ik ben het wel met u eens dat het aan de voorkant duidelijk
moet zijn wat die regels zijn en wat de effecten zijn op het moment dat een uitkeringsgerechtigde
in een functie in het politieke bestel wil stappen. Ik heb daarvan gezegd dat we het
gesprek aangaan. We betrekken ook de uitvoeringsorganisaties daarbij. Met «de knoppen
waar we aan kunnen draaien» bedoelde ik dat ik me kan indenken dat er een aantal suggesties
gaan komen uit het gesprek met de Vereniging voor Raadsleden. Met «het temperen van
de verwachtingen» bedoelde ik dat het heel makkelijk is om suggesties te doen, maar
dat het een tweede is om ze ten uitvoer te brengen. Dat bedoelde ik met «het temperen
van de verwachtingen»: de conclusie moet niet automatisch zijn dat alles wat voorgesteld
wordt, ook zo maar even geregeld is.
De voorzitter:
U heeft een vervolgvraag? Heeft u een vervolgvraag?
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
O! Ik dacht dat ik al gevraagd had of we hier ook een terugkoppeling van krijgen in
een brief en wanneer dat dan is.
De voorzitter:
Een goede vervolgvraag.
Minister Rijkaart:
Die terugkoppeling kunnen we doen in de beantwoording van de Tweede Kamervragen; dat
is mijn intentie in ieder geval. Het komt er dus aan.
De voorzitter:
Gaat u verder.
Minister Rijkaart:
Dan moet ik wel even mijn administratie op orde hebben, zodat ik niemand vergeet.
Er was een vraag van het CDA over het combineren van de campagnes voor de Tweede Kamer
en de gemeenteraad. Dat is communicatief ietwat onwenselijk. Dan maak je twee dingen
belangrijk in één campagne en dan zijn twee dingen ineens niet meer zo belangrijk.
Maar we blijven natuurlijk ten volle inzetten op het belang van de Tweede Kamerverkiezingen
die eraan komen, eind oktober, en ook op een publiekscampagne voor de gemeenteraadsverkiezingen.
Beide campagnes zijn even belangrijk voor de uitstraling en voor de opkomst – want
ik herken wat er gezegd is – dus die willen we ook graag individueel de aandacht geven
die ze verdienen.
Dan bleef over de vraag over de vernietiging van de kwijtscheldingsverordening Utrecht,
over de kwijtscheldingsnormen. Daar is vorig jaar een motie aangenomen om de mogelijkheden
voor kwijtschelding van gemeentelijke belastingen gelijk te stellen aan de vermogensnormen
in de Participatiewet. Er loopt momenteel een onderzoek naar de mogelijkheden daarin.
De verwachting is dat dit onderzoek aan het einde van dit jaar wordt opgeleverd. Ik
zal de Kamer daar dan over informeren.
Voorzitter. Dan ben ik volgens mij door alle vragen heen.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Misschien heb ik het gemist, maar heeft de Minister de vraag over commissieleden beantwoord?
Minister Rijkaart:
Als die vraag ging over het meenemen van de commissieleden in de evaluatie, heb ik
die inderdaad beantwoord.
De voorzitter:
Dank aan de Minister voor de beantwoording in de eerste termijn. Ik ga naar de tweede
termijn. U heeft 1 minuut 40. Meneer Buijsse.
De heer Buijsse (VVD):
Voorzitter. Ik wil richting de Minister aangeven dat hij het heel goed gedaan heeft,
zo voor de eerste keer; lof daarvoor. Dank voor de beantwoording, die wat mij betreft
gewoon goed is geweest.
Dat is het effe voor dit moment, voorzitter. Dank je wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Wijen-Nass.
Mevrouw Wijen-Nass (BBB):
Dank u wel, meneer de voorzitter. Ik zou graag een tweeminutendebat willen aanvragen.
Dank aan de Minister voor de beantwoording. Voor nu heb ik geen verdere bijdrage meer.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Mevrouw Chakor.
Mevrouw Chakor (GroenLinks-PvdA):
Dank, voorzitter. En dank, Minister, voor de heldere beantwoording. Het is goed dat
u even stilstond bij de verschrikkelijke gebeurtenis richting burgemeester Buma. Dat
moeten we natuurlijk nooit normaliseren. Dat is niet normaal.
Ik ben heel blij met bepaalde toezeggingen. We zien bijvoorbeeld de uitbreiding van
de omvang van gemeenteraden terug, maar ook de commissieleden. Ik kijk natuurlijk
heel erg uit naar de beantwoording van onze schriftelijke vragen met betrekking tot
raadsleden met een uitkering, waarin ook weer terugkomt wat we net hebben besproken.
Ik had nog wel een punt met betrekking tot de verlofregeling en de flexibilisering
voor volksvertegenwoordigers. Ik vind dat met die knip wel wordt gekozen voor bestuurders
en niet voor volksvertegenwoordigers. Ik heb het daar eerder ook met uw voorganger
over gehad. U gaf aan: dit is niet de koers van deze Minister. Ik vind het een gemiste
kans, ook omdat we daar veel vragen en ook signalen over krijgen van raadsleden of
Statenleden, in ieder geval van volksvertegenwoordigers. Het is altijd goed om als
Kamer ook aan de slag te gaan, bijvoorbeeld met initiatiefwetgeving. Het is natuurlijk
een langer traject om dat aan te pakken. Ik ben in ieder geval strijdbaar om daar
verder mee te gaan.
Dank voor de beantwoording.
De voorzitter:
Dank u wel. Meneer Koops.
De heer Koops (NSC):
Laat ik het zo zeggen: ik ga mijn zorg nu formuleren in de vorm van een oproep. Die
is heel simpel. De gemeenteraadsverkiezingen komen eraan en zijn ongelofelijk belangrijk.
Ik volg de Minister helemaal als hij zegt: twee belangrijke dingen moet je in de vorm
van een reclamecampagne of zo niet gaan samenvoegen; dat moet separaat zijn. Maar
omdat die gemeenteraadsverkiezingen al zo snel zijn, in maart, zit er ook een vorm
van urgentie achter een aantal heel concrete maatregelen die de Minister hier al heeft
aangekondigd. De oproep is dan ook als volgt. Ik hoop echt dat u zo veel mogelijk
voor elkaar krijgt en kan meenemen dat mensen ertoe aanspoort om mee te doen, om echt
actief van binnenuit mee te doen aan de volgende verkiezingen en vanaf dat moment
een invulling te geven aan raadslidmaatschap.
Tot slot dank ik de Minister heel erg voor zijn inspanningen hier. Het is een troostrijke
en goede gedachte dat de Minister zo veel ervaring heeft in het lokale bestuur, die
volop inzet en daar niet omheen draait. Dat is gewoon fijn. Dank u, dus.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we aan het einde van de tweede termijn van de kant van de
commissie. Ik geef het woord aan de Minister. Ik vermoed dat u niet heel veel schorsingstijd
nodig heeft.
Minister Rijkaart:
Nee, voorzitter. Er zijn geen aanvullende vragen gesteld. Ik wil iedereen bedanken
voor de betrokkenheid. Die is mij wel helemaal duidelijk. Ik ben ook blij dat mijn
betrokkenheid bij het lokale bestuur bij u overgekomen is. De complimenten neem ik
graag in ontvangst. Ik blijf mij inzetten om iedereen op te roepen om vooral naar
die verkiezingen te gaan. Het is een belangrijk onderdeel van de democratie die wij
hier hebben. We weten allemaal dat die wereldwijd niet altijd even groot meer is als
in Nederland.
Dank u wel.
De voorzitter:
Dank u wel. Daarmee komen we aan het einde van de tweede termijn, maar nog niet aan
het einde van de vergadering. Ik heb een aantal toezeggingen. Let u goed op.
− De Minister zegt toe in een brief over de versterking van het lokale bestuur, die
in het najaar volgt, waar mogelijk nader in te gaan op diversiteit binnen het lokaal
bestuur en hoe die te vergroten. Dat is een toezegging aan mevrouw Chakor.
− De Minister zegt toe met EZ en KGG in gesprek te gaan over de problematiek in Moerdijk
en de Kamer hierover zo spoedig mogelijk te informeren. Dat is een toezegging aan
de heer Buijsse.
Dan denk ik dat ik alle toezeggingen heb. Uiteraard hebben we genoteerd dat mevrouw
Wijen-Nass een tweeminutendebat aanvraagt.
Daarmee komen we aan het einde van dit commissiedebat. Ik dank u allemaal voor uw
aanwezigheid. Ik dank u uiteraard, Minister, voor deze eerste keer. Dat is toch wel
weer eventjes een stap. Het ging u goed af, naar mijn idee. Dat mag de voorzitter
misschien ook wel zeggen. Ik kom tot het einde van de vergadering. Ik sluit ’m en
wens u wel thuis.
Sluiting 19.42 uur.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.H. de Vree, voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken -
Mede ondertekenaar
G.C. Honsbeek, griffier