Inbreng verslag schriftelijk overleg : Inbreng verslag van een schriftelijk overleg over het ontwerpbesluit wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit ter uitvoering van de wijziging Verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten (Kamerstuk 36518-16)
2026D44398 INBRENG VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Binnen de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur hebben
de onderstaande fracties de behoefte vragen en opmerkingen voor te leggen aan de Minister
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur over het Ontwerpbesluit wijziging
Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit ter uitvoering van de wijziging
Verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten (Kamerstuk 36 518, nr. 16). De op 18 september 2026 toegezonden vragen en opmerkingen zijn met de door de Minister
bij brief van ... toegezonden antwoorden hieronder afgedrukt.
De voorzitter van de commissie,
Steen
Adjunct-griffier van de commissie,
Bosman
Inhoudsopgave
I
Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
II
Antwoord/Reactie van de Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
III
Volledige agenda
I Vragen en opmerkingen vanuit de fracties
Vragen en opmerkingen van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met interesse kennisgenomen van het Ontwerpbesluit
wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit ter uitvoering van
de wijziging Verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten. Deze leden hebben
hierover geen opmerkingen of vragen en kijken uit naar de verdere behandeling van
het Ontwerpbesluit.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van
14 juli 2026 over de uitvoering van Verordening (EU) 2025/2650, het uitstel en de
vereenvoudiging van de Europese ontbossingswet, en van de brief van 27 augustus over
de stand van zaken van de implementatie. Deze leden hebben hierover nog enkele vragen.
De leden van de PRO-fractie benadrukken dat de Europese ontbossingsverordening essentieel
is voor het beschermen van de planeet en de bestrijding van klimaatverandering: bossen
zijn zeer belangrijk voor de biodiversiteit, onze bossen leggen enorme hoeveelheden
CO2 vast en bossen wereldwijd zijn belangrijk voor het levensonderhoud van miljoenen
mensen. Bossen beschermen zo onze gezondheid, welvaart en veiligheid. Deelt de Minister
deze zienswijze?
De leden van de PRO-fractie zijn van mening dat het een schande blijft dat christendemocraten
en extreemrechts in Europa de ontbossingswet met een jaar hebben uitgesteld voor grote
bedrijven en tot medio 2027 voor kleinere bedrijven. Gezien de versnellende klimaatverandering
en de huidige biodiversiteitscrisis achten deze leden verzwakking en vertraging van
deze wetgeving onverantwoord, zeker omdat de wet ook fungeert als belangrijke waarborg
binnen handelsverdragen, zoals het EU-Mercosur-handelsakkoord. Hoe kijkt de Minister
terug op deze gang van zaken?
De leden van de PRO-fractie vinden dat alle inzet nu naar snelle uitvoering moet gaan
nu de invoering al twee keer is uitgesteld (december 2024 en december 2025). Bedrijven
en andere belanghebbenden willen rechtszekerheid, in plaats van verdere chaos en uitstel.
Is de Minister het hiermee eens? Gaat het bedrijven ondersteunen bij naleving? Ziet
de Minister deze urgentie ook bij andere lidstaten en de Europese Commissie (EC)?
Ziet de Minister nieuwe pogingen tot uitstel en afzwakking? Zo ja, wat onderneemt
de Minister, samen met gelijkgestemde landen, om dit onmiddellijk tegen te gaan?
De leden van de PRO-fractie zijn blij om te lezen dat de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit
(NVWA) en Douane voorbereid zijn op handhaving vanaf 30 december 2026 en waarderen
dat de implementatie door deze instanties op schema ligt. Wel lezen deze leden met
zorg dat Nederlandse bedrijven nog niet klaar zijn voor implementatie. Welke lessen
trekt de Minister uit de dry-runs, waarin slechts twee van de tien bedrijven aan de
vereisten voldeden en welke handreikingen worden ontwikkeld om bedrijven tijdig «EUDR-ready»
te maken? Welke lessen worden getrokken uit de implementatie van andere duurzaamheidsrichtlijnen,
zoals bijvoorbeeld rond het gebruik en de import van biobrandstoffen en biomassa?
De leden van de PRO-fractie verwelkomen tot slot dat de Minister ook producenten en
overheden in producerende landen wil helpen voldoen aan de verordening. Dat is belangrijk
voor een rechtvaardige transitie en de internationale relaties van de Europese Unie
(EU) met het Mondiale Zuiden. Kan de Minister concretiseren hoe deze steun eruitziet
en worden hiervoor middelen uit de begroting voor ontwikkelingssamenwerking ingezet?
Worden lokale milieuorganisaties en organisaties die opkomen voor de landrechten van
inheemse bevolking hierbij ondersteund? Op welke manier is het beschermen van bossen
wereldwijd onderdeel van de internationale klimaatstrategie? Kan de Minister schetsen
hoe de Europese Ontbossingsverordening (EUDR) onderdeel is van zowel de internationale
klimaatstrategie als de inzet bij de Convention on Biological Diversity (CBD)? Hoe
wordt het beschermen van bossen en biodiversiteit meegenomen in zowel de onderhandelingen
als de verdere uitvoer van verschillende handelsakkoorden? Hoe wordt specifiek in
regio’s waar er een concreet risico op ontbossing is, zoals Argentinië, Brazilië en
Indonesië, extra aandacht besteed aan flankerend beleid?
Vragen en opmerkingen van de leden van de PVV-fractie
Algemeen
De leden van de PVV-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister van
Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur d.d. 14 juli 2026 (Kamerstuk 36 518, nr. 16) over het Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit Activiteiten Leefomgeving
en het Omgevingsbesluit ter uitvoering van de wijziging van Verordening 2023/1115
(EUDR) wat betreft bepaalde verplichtingen van marktdeelnemers en handelaren, zoals
vastgesteld in Verordening 2025/2650 van het Europees Parlement (EP) en de Raad van
de Europese Unie.
De leden van de PVV-fractie hechten grote waarde aan de bescherming van de Nederlandse
agrarische sector, de voedselvoorziening en het agrarisch bedrijfsleven tegen bovenmatige
regeldruk, bureaucratische verplichtingen en administratieve lasten vanuit de Europese
Unie.
Naar aanleiding van het ontwerpbesluit en de bijbehorende documentatie hebben deze
leden een aantal opmerkingen en vragen voor de Minister.
Uitzondering op de voorhangprocedure en parlementaire betrokkenheid
De leden van de PVV-fractie constateren dat de Minister in de brief aan de Tweede
Kamer (Kamerstuk 36 518, nr. 16) aangeeft dat het ontwerpbesluit op grond van artikel 23.5, derde lid, van de Omgevingswet
niet wordt voorgehangen bij de Kamer. De Minister geeft aan dat daartoe wordt besloten
omdat het ontwerpbesluit uitsluitend strekt tot uitvoering van internationaalrechtelijke
verplichtingen, waardoor kan worden volstaan met een kennisgeving aan beide Kamers.
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister een nadere toelichting kan geven
op het besluit om het ontwerpbesluit uitsluitend ter kennisgeving aan de Kamer te
zenden, overwegende dat de maatschappelijke en economische impact van deze regelgeving
op marktdeelnemers, agrarische ondernemers en handelaren aanzienlijk is. Kan de Minister
verduidelijken op welke wijze de Kamer nog invloed kan uitoefenen op de specifieke
keuzes die in het nationale Besluit Activiteiten Leefomgeving en Omgevingsbesluit
worden gemaakt?
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister of kan worden gegarandeerd dat bij
deze nationale uitvoering op geen enkele wijze sprake is van aanvullende nationale
vereisten of «goldplating» ten opzichte van de Europese Verordening 2025/2650? Dus
ook geen kop, verborgen in nationaal beleid, waardoor het lijkt dat er niets bovenop
is gezet.
Inhoudelijke wijzigingen van het Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit
De leden van de PVV-fractie lezen dat met het ontwerpbesluit concrete aanpassingen
worden doorgevoerd in het Besluit activiteiten leefomgeving en het Omgevingsbesluit
om te voldoen aan de gewijzigde Europese verplichtingen voor marktdeelnemers en handelaren.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister om een helder en integraal overzicht
te verstrekken van de specifieke artikelen in het Besluit Activiteiten Leefomgeving
en het Omgevingsbesluit die worden gewijzigd en ook welke specifieke nieuwe zorgplichten
of administratieve handelingen hiermee op de schouders van Nederlandse ondernemers
worden gelegd. Kan de Minister toelichten welke gevolgen de uitvoering van dit ontwerpbesluit
heeft voor de toezicht- en handhavingscapaciteit van de NVWA en overige bevoegde gezagen?
De leden van de PVV-fractie vragen of de Minister kan verduidelijken wat de geschatte
totale administratieve lasten en nalevingskosten zijn voor het MKB in de agrarische
en ketengerelateerde sectoren als gevolg van deze algemene maatregel van bestuur?
Adviesaanvraag Raad van State
De leden van de PVV-fractie lezen in de brief van de Minister (Kamerstuk 36 518, nr. 16) dat het ontwerpbesluit op 14 juli 2026 voor advies is voorgelegd aan de Afdeling
advisering van de Raad van State.
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister op welke termijn het advies van de
Raad van State wordt verwacht. Kan de Minister toezeggen dat het advies van de Raad
van State samen met het nader rapport, direct na ontvangst aan de Kamer worden toegezonden?
Zo ja, kan de Minister aangeven op welke wijze de Kamer de gelegenheid krijgt om inhoudelijk
te reageren op eventuele bedenkingen of adviezen van de Raad van State voordat het
besluit definitief in werking treedt?
Overige
De leden van de PVV-fractie vragen de Minister ten slotte hoe het kabinet waarborgt
dat Nederlandse agrarische producenten en handelaren geen ongelijk speelveld ervaren
ten opzichte van concurrenten uit landen buiten de Europese Unie die niet aan deze
strenge Europese verplichtingen zijn onderworpen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van Wijziging Omgevingswet en enige
andere wetten (Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten)
en hebben geen vragen.
Vragen en opmerkingen van de leden van de PvdD-fractie
De leden van de PvdD-fractie hebben kennisgenomen van de brief van de Minister over
de voortgang en de implementatie van de EUDR.
De leden van de PvdD-fractie lezen dat de Minister inzet op vereenvoudiging van de
EUDR zonder afbreuk te doen aan de doelstellingen. Kan de Minister concreet per voorgestelde
vereenvoudiging onderbouwen (met verwijzing naar wetenschappelijke bronnen) hoe wordt
gegarandeerd dat deze uiteindelijk niet leidt tot mazen in de wet of verminderde traceerbaarheid
in de keten? Kan de Minister garanderen dat het beperken van administratieve lasten
niet leidt tot een lagere controlefrequentie of minder scherp toezicht door de NVWA?
Zo ja, waar blijkt dat uit? Zo nee, waarom niet?
De leden van de PvdD-fractie vragen de Minister of hij de zorgen deelt dat het «zo
veel mogelijk beperken van administratieve lasten» in de praktijk kan betekenen dat
bedrijven minder bewijslast hoeven aan te leveren, wat haaks staat op zorgvuldige
naleving. Zo nee, hoe gaat de NVWA met minder gegevens toch effectief handhaven? Waarom
kiest de Minister ervoor in zijn brief de nadruk te leggen op het ontlasten van het
bedrijfsleven, terwijl het primaire doel van de EUDR het stoppen van wereldwijde ontbossing,
biodiversiteitsverlies en mensenrechtenschendingen is? Erkent de Minister dat er sprake
is van een biodiversiteitscrisis, die minstens zo bedreigend is als de klimaatcrisis
(zoals bevestigd door Intergovernmental Science-Policy Platform on Biodiversity and
Ecosystem Services (IPBES) en Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC))? Zo
nee, op welke wetenschappelijk bronnen baseert de Minister zich? Zo ja, waarom legt
de Minister de urgentie daarvan niet uit in zijn brief? Welke concrete voorwaarden
verbindt de Minister aan de ondersteuning van bedrijven, om te voorkomen dat de verantwoordelijkheid
van deze bedrijven voor ontbossingsvrije ketens wordt afgewenteld op de samenleving
of de toezichthouder?
De leden van de PvdD-fractie zien de beantwoording met belangstelling tegemoet.
Vragen en opmerkingen van de leden van de BBB-fractie
De leden van de BBB-fractie hebben de brief over de Wijziging Omgevingswet en enige
andere wetten (Wet uitvoering verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten)
gelezen en hebben daarover een aantal vragen. Deze leden hebben eerder aandacht gevraagd
voor de grote zorgen van de Nederlandse papier- en verpakkingssector over de praktische
uitvoerbaarheid van de EUDR. Deze leden constateren dat met Verordening (EU) 2025/2650
een deel van deze zorgen is weggenomen, onder meer doordat de verplichtingen voor
downstreammarktdeelnemers en handelaren aanzienlijk zijn vereenvoudigd. Zij juichen
die vereenvoudiging toe. Tegelijkertijd blijven ook onder de gewijzigde verordening
administratieve en registratieverplichtingen bestaan. Kan de Minister aangeven of
inmiddels samen met de papier- en verpakkingssector in de praktijk is getoetst of
ook deze resterende verplichtingen voor bedrijven met grote aantallen verschillende
en samengestelde producten uitvoerbaar zijn? Welke knelpunten zijn daarbij nog naar
voren gekomen en hoe worden deze opgelost?
De leden van de BBB-fractie vragen in het bijzonder hoe bedrijven worden geholpen
om hun administratie vóór de inwerkingtreding op de juiste manier in te richten. Biedt
de NVWA bedrijven of brancheorganisaties praktische begeleiding bij het opzetten van
een administratie die aan de verordening voldoet? Kunnen bedrijven vooraf bij de NVWA
toetsen of de door hen gekozen werkwijze voldoet, zodat zij niet pas bij een controle
ontdekken dat hun administratie volgens de toezichthouder tekortschiet? Is de Minister
bereid ervoor te zorgen dat hierover tijdig sectorspecifieke en praktisch toepasbare
duidelijkheid beschikbaar is? Deze leden hebben eerder specifiek aandacht gevraagd
voor de mogelijkheid om gebruik te maken van bestaande certificerings- en administratiesystemen,
waaronder Forest Stewardship Council (FSC). In hoeverre kunnen dergelijke bestaande
systemen worden benut om aan de resterende registratie- en informatieverplichtingen
uit de EUDR te voldoen? Wordt hierover door de NVWA met de papier- en verpakkingssector
en certificeringsorganisaties gesproken? Hoe wordt voorkomen dat bedrijven voor dezelfde
producten naast bestaande, goed functionerende traceerbaarheidssystemen een tweede,
grotendeels overlappende administratie moeten optuigen?
De leden van de BBB-fractie vragen tot slot hoe de NVWA bij het ingaan van de wijzigingen
zal omgaan met bedrijven die aantoonbaar en te goeder trouw hun administratie op orde
proberen te brengen, maar tegen praktische onduidelijkheden of uitvoeringsproblemen
aanlopen. Ligt in de eerste fase de nadruk op begeleiding en het helpen naleven van
de nieuwe regels, of direct op sanctionering? Kan de Minister toezeggen dat bedrijven
ruim vóór de inwerkingtreding weten wat de NVWA concreet van hen verwacht?
II Antwoord/Reactie van de Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid
en Natuur
III Volledige agenda
Ontwerpbesluit wijziging Besluit activiteiten leefomgeving en Omgevingsbesluit ter
uitvoering van de wijziging Verordening ontbossingsvrije grondstoffen en producten
Kamerstuk 36 518-16 – Brief Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. Van Essen
– d.d. 14 juli 2026
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
H.S. Steen, voorzitter van de vaste commissie voor Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
J. Bosman, adjunct-griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.