Brief regering : Hoofdlijnenconvenant gewasbeschermingsmiddelen
27 858 Gewasbeschermingsbeleid
Nr. 770
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 14 juli 2026
In april berichtte ik u over mijn aanpak om te komen tot een convenant gewasbeschermingsmiddelen,
zoals afgesproken in het coalitieakkoord (Kamerstuk 27 858, nr. 745). Daarvoor zijn onder leiding van de onafhankelijke voorzitter Gert-Jan Segers gesprekken
gestart met overheidspartijen, sector- en ketenpartijen en maatschappelijke organisaties
met als doel te komen tot een toekomstbestendige plantaardige landbouwsector in 2040.
Dat is een sector die aantoonbaar voldoet aan de geldende beschermdoelen voor mens,
dier en milieu en tegelijkertijd economisch houdbaar is, met een robuust verdienmodel
voor telers en een sterke concurrentiepositie zowel binnen als buiten de EU.
Hierbij informeer ik uw Kamer dat de gesprekken hebben geresulteerd in een Convenant
gewasbeschermingsmiddelen 2026–2040, dat vandaag is getekend. Dat het gelukt is om
gezamenlijk in zo’n kort tijdsbestek tot afspraken te komen is zeer waardevol en dat
is ook een compliment aan de deelnemende partijen die scherp en constructief hebben
gewerkt hieraan. In deze brief vindt u een toelichting op het convenant en geef ik
aan welke vervolgstappen volgen. Uw Kamer heeft verzocht om een technische briefing
over het convenant gewasbescherming in september, hiervoor geef ik mijn toestemming.
Het convenant 2026–2040
De inzet voor dit hoofdlijnenconvenant is om de milieubelasting van het gebruik van
schadelijke gewasbeschermingsmiddelen in de plantaardige sector fors terug te dringen.
Dit hoofdlijnenconvenant vormt daarvoor het kader, met afspraken op hoofdlijnen. Na
de zomer moeten deze verder worden uitgewerkt in deelconvenanten die uiterlijk eind
2026 vastgesteld worden. Het hoofdlijnenconvenant is een onderhandelingsakkoord en
moet in samenhang met de deelconvenanten tot een geborgde realisatie van alle doelen
leiden. In de zomer zal gesproken worden over een voorstel voor de governance structuur
voor dit vervolgtraject en vaststelling daarvan is voorzien begin september. Mijn
inzet hierbij is ook dat in het «deelconvenantentraject» alle relevante partijen in
gaan stappen en aan tafel komen. Bij de hieropvolgende uitwerking van de deelconvenanten
is een resultaat voorzien voor eind 2026.
Welke afspraken zijn gemaakt?
Reductiedoelen
Er zijn afspraken gemaakt over een nationaal kwantitatief reductiedoel voor de vermindering
van de milieubelasting van het gebruik van schadelijke gewasbeschermingsmiddelen.
Met bestaande indicatoren is die sturing mogelijk. Voor de korte termijn wordt de
milieubelastingreductie op landelijk niveau gemeten met inzet van de Nationale Milieu-indicator
(NMI). Op de langere termijn wordt gebruik gemaakt van benchmarking en de Milieu-indicator
gewasbescherming (MIG) om te sturen op milieubelasting op individueel bedrijfsniveau,
zodat ondernemers ook van elkaar kunnen leren en zo de milieubelasting kunnen laten
dalen.
Voortgangsevaluatie zal plaatsvinden in 2030, 2035 en 2040. Ook wordt een onafhankelijke
gegevensautoriteit opgericht, naar voorbeeld van de antibioticareductie aanpak. Deze
moet het nationale reductiedoel (en de MIG) met data ondersteunen. In het deelconvenantentraject
zullen partijen voor de NMI een overall reductiedoel vaststellen voor 2040, met duidelijk
startpunt en een berekening maken van concrete ambities en maatregelen waarmee het
NMI-reductiedoel in realiteit bereikt moet worden. De WUR zal worden gevraagd hierover
te adviseren. Ook start een traject om tot afrekenbare reductiedoelen op deelconvenantniveau
te komen (per sector). Tot slot moet de gegevensautoriteit vóór januari 2027 zijn
opgericht. Hiervoor wordt z.s.m. overleg gestart met de convenantspartijen wat daarvoor
nodig is.
Ook wordt ingezet op een maatschappelijke dialoog om polarisatie te verminderen en
draagvlak te vergroten. Hiervoor volgt een nader plan van het convenantsecretariaat.
Waterkwaliteit, natuur en leefomgeving
Voor de stoffen die de Kaderrichtlijn Water (KRW) raken worden de EU-afspraken aangehouden,
een nadrukkelijk uitgangspunt van het Kabinet. Daar waar we de doelen in 2027 nog
niet halen, moet voor de komende planperiode 2028–2033 tot een extra inzet worden
gekomen die beweegt richting nul overschrijdingen van de waterkwaliteitsnorm en het
voorkomen van nieuwe overschrijdingen. In het convenant is vastgelegd dat benodigde
maatregelen om de huidige structurele normoverschrijdingen weg te nemen uiterlijk
eind 2027 genomen moeten zijn. Ook dat het rijk initiatief neemt voor het opstellen
van een generiek aanvullend pakket voor kwetsbare watergebieden.
Om negatieve effecten van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in en rondom Natura
2000-gebieden te beperken, is afgesproken te komen tot beleidsafspraken. De inzet
is een vermindering van negatieve effecten op de natuur (via sterk omlaag brengen
van emissies en door middel van extensivering en/of technische precisiemaatregelen).
Daarnaast wordt ingezet op het terugbrengen en voorkomen van «overspill» van actieve
stoffen naar biologische landbouw. Deze beleidsafspraken moeten vóór 1 januari 2027
vastgesteld zijn. Om te komen tot een solide basis voor zo’n landelijk beleidskader,
zet LVVN deze zomer een externe opdracht uit. Dit pakket aan maatregelen moet per
1 januari 2027 worden vastgesteld.
Ook wordt ingezet op de ontwikkeling van een landelijk beleidskader voor gevoelige
functies in de nabije leefomgeving. Dit zijn functies waar mensen langere tijd verblijven,
hierbij valt bijvoorbeeld te denken aan scholen en kinderdagverblijven maar ook woningen.
Om te komen tot een uniforme aanpak van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
in relatie tot gevoelige functies, zet LVVN deze zomer een externe opdracht uit voor
de ontwikkeling van een landelijk beleidskader. Dit kader moet concrete handvatten
bieden voor een consistente en uitvoerbare toepassing van maatregelen, in lijn met
de afspraken uit het hoofdlijnenconvenant. De planning is gericht op implementatie
in 2027. Dit kader moet – volgens het hoofdlijnenconvenant – uiterlijk 1 maart 2027
gereed zijn.
De inzet van het Rijk is er op gericht met het totaalpakket van convenant op hoofdlijnen
en de deelconvenanten te laten slagen. Ik zet me ervoor in dat dit lukt, en sta klaar
om, indien nodig, de benodigde stappen te zetten om dit te waarborgen. Mocht onverhoopt
onvoldoende voortgang worden geboekt, zal het Rijk zelf alsnog met de benodigde maatregelen
komen, maar ik reken en vertrouw op een scherpe en constructieve inzet van de convenantspartijen.
Innovatie, toezicht en naleving
De sector staat voor belangrijke uitdagingen om gewassen te beschermen tegen ziekten,
plagen en onkruiden, zoals de krimp van het middelenpakket, trage toelating van nieuwe
gewasbeschermingsmiddelen en nieuwe ziekten en plagen door klimaatverandering. Telers
hebben dringend behoefte aan een grotere beschikbaarheid van effectieve, duurzame
alternatieven. Om telers in deze transitie te ondersteunen, zijn afspraken gemaakt
over het opstellen van een innovatie, kennisontwikkeling en transitieprogramma (hierna:
innovatieprogramma). Dit innovatieprogramma wordt vóór 1 januari 2027 onder regie
van LVVN opgesteld en richt zicht op kennisontwikkeling, kennisdeling en implementatie
en opschaling van weerbare teelt- en plantsystemen.
Het gaat hierbij om alternatieven voor alle landbouwvormen (gangbaar, biologisch,
agro-ecologisch). Daarnaast wordt in het deelconvenantentraject per sector aandacht
besteed aan relevante knelpunten voor sectoren en beschikbare alternatieven.
Om telers voldoende mogelijkheden te bieden om teelten te beschermen zet ik mij zowel
Europees als nationaal in om meer alternatieve middelen met een lager risico beschikbaar
te krijgen. Zo worden in de lopende onderhandelingen van de «Omnibus voor veiligheid
van voedsel en diervoeder» voorstellen gedaan om biocontrol middelen sneller op de
markt te krijgen. In de basis sta ik hier positief tegenover, al dient het beschermingsniveau
voor mens, dier en milieu hierbij minimaal gehandhaafd te blijven. Dit is conform
het BNC-fiche en de aangenomen Kamermoties en toezeggingen aan uw Kamer (Kamerstuk
22 112, nr. 4261). Daarnaast wordt op nationaal niveau ingezet op het bevorderen van de beoordeling
van groene middelen door onder andere de inrichting van een verduurzamingsloket bij
het Ctgb en door de toekenning van aanvullende middelen voor het Ctgb om de beoordeling
van groene middelen te bevorderen (Kamerstuk 36 800 XIV, nr. 21).
Goede naleving van de wet- en regelgeving voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen
essentieel is voor de bescherming van mens, dier en milieu, het maatschappelijk draagvlak
voor de land- en tuinbouw en een gelijk speelveld tussen ondernemers. Om de naleving
te verbeteren (nu rond 60–70%) zullen partijen gezamenlijk uiterlijk 1 januari 2027
acties uitwerken, terwijl het Rijk een aanvullend instrumentarium van sancties en
andere vormen van toezicht ontwikkelt, met als streefdatum 1 januari 2027. Eén van
de randvoorwaarden voor effectief toezicht is toegang tot informatie voor toezichthouders.
Daarom wordt in het deelconvenantentraject een systeem voor monitoring en verantwoording
uitgewerkt, gebaseerd op een volledige en controleerbare registratie van inkoopgegevens
en de vereiste gegevens uit Uitvoeringsverordening (EU) 2023/564 over digitale spuitregistratie.
Ook wordt gekeken hoe publiek toezicht ondersteund kan worden door private kwaliteitssystemen.
Tot slot
Dat partijen op korte termijn bereid zijn gebleken om in gezamenlijke dialoog tot
voorstellen te komen stemt hoopvol voor de toekomst. Middels deze brief aan uw Kamer
wil ik mijn dank ook richting hen, de convenantsvoorzitter en zijn ondersteuning uitspreken.
Oktober 2026 zal ik uw Kamer weer informeren over de voortgang van de deelconvenanten.
De uitwerking van het convenant zie ik met vertrouwen tegemoet.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, S.P.A. Erkens
Indieners
S.P.A. Erkens, staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur