Brief regering : Reactie op de motie van de leden Stoffer en Mohandis over aan het Nationaal Onderwijsmuseum en de Kamer de vastgestelde structurele subsidie bevestigen (Kamerstuk 36800-VIII-178) en de motie van het lid Rooderkerk c.s. over een governancestructuur waarin het Nationaal Onderwijsmuseum vanuit de sector kan worden voortgezet (Kamerstuk 36800-VIII-179)
36 800 VIII Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2026
32 820
Nieuwe visie cultuurbeleid
Nr. 183
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 10 juli 2026
Op donderdag 2 juli 2026 heeft uw Kamer in het tweeminutendebat over het Onderwijsmuseum
twee moties1 aangenomen. In beide moties hoor ik uw wens om vanuit het Ministerie van OCW actief
te kijken naar een manier waarop het Onderwijsmuseum op gezonde manier voortgezet
kan worden. In deze brief ga ik op beide moties in en voldoe ik aan het verzoek van
uw Kamer om binnen twee weken schriftelijk te reageren op de motie Stoffer en Mohandis.
Ik acht het wenselijk om met de sector te spreken en antwoord te vinden op de vraag
wat voor rol de PO-Raad en de VO-raad kunnen spelen in de voortzetting van het museum,
zoals de motie Rooderkerk c.s. vraagt. De motie verzoekt de regering samen met PO-Raad
en VO-raad te komen tot een governancestructuur waarin het museum vanuit de sector
duurzaam en toekomstbestendig kan worden voortgezet, en de Kamer daarover vóór Prinsjesdag
te informeren. Ik hecht er extra waarde aan om deze gesprekken over de governancestructuur
te voeren, vanwege de huidige kwetsbare situatie waarin het museum verkeert. Het museum
heeft zoals u weet te kampen met flinke financiële en organisatorische problemen.
Hierdoor zijn achterstanden ontstaan, onder andere in het registreren van de collectie,
een kerntaak van het museum. De bezoekersaantallen voldoen niet aan de door het museum
zelf gestelde doelen en de eigen inkomsten zijn laag en dalend, ook ten opzichte van
andere musea in Nederland. Dat maakt het wat mij betreft echt nodig om eerst goed
naar een potentieel duurzame positionering en aansturing van het museum te kijken,
voordat hiervoor de financiële ondersteuning, vanuit welk construct dan ook, zonder
meer structureel voortgezet en verhoogd wordt.
Afgelopen woensdag 8 juli heb ik aan de PO-Raad en VO-raad gevraagd met een voorstel
te komen waarin hun betrokkenheid en verantwoordelijkheid voldoende geborgd kunnen
worden. De raden hebben aangegeven hiervoor open te staan en dat het behulpzaam kan
zijn om aanvullende middelen te ontvangen vanuit OCW en deze expliciet in te kunnen
zetten om aan de verbinding met het museum invulling te geven. Ik zal de mogelijkheden
daartoe in de komende tijd samen met de raden verder onderzoeken.
De motie Stoffer-Mohandis is lastiger om eenduidig te lezen en interpreteren. Deze
verzoekt de regering binnen twee weken een structurele subsidie te bevestigen aan
het Onderwijsmuseum in lijn met het eerder aangenomen amendement Stoffer en Rooderkerk2. In het betreffende amendement wordt in de toelichting aangegeven dat hiermee de
subsidie in 2026 met 350.000 euro wordt verhoogd naar 945.000 euro en daarna structureel
wordt voortgezet. De eerste vraag is dan of 350.000 euro bedoeld wordt of 945.000
euro. Vervolgens is de vraag welke structurele dekking het amendement bedoelt. De
dekking van het amendement voorziet in een incidentele dekking van 350.000 euro voor
2026 en is conform uitgevoerd. Waar de indieners het bedrag in de jaren na 2026 vandaan
willen halen voor structurele voortzetting, waar in de toelichting over geschreven
wordt, wordt vanuit het amendement niet duidelijk. Derhalve is het amendement niet
structureel uitvoerbaar. Ik heb dat toegelicht tijden het tweeminutendebat hierover3 en in mijn beantwoording op uw schriftelijk overleg4. Daarin speelt ook mee dat de hiervoor in het amendement benoemde (incidentele) dekking
van de aanvullende 350.000 euro niet structureel beschikbaar is op de OCW-begroting
(artikel 8). Deze wordt al ingezet voor andere doeleinden. Dat geldt ook voor het
huidige subsidiebedrag van 595.000 euro. Ook daar staan na 2026 geen (structurele)
middelen meer op de begroting vanwege het stopzetten van de subsidie per 2027.
Voor beide bedragen geldt vanwege het bovenstaande dat dekking zou moeten bestaan
uit posten die onderdeel uitmaken van de brede weging in de begrotingsbehandeling
voor 2027 en verder. Inzet op het één betekent immers onverminderd dat elders op de
begroting middelen omlaag gaan. Over de begroting 2027 kom ik nog met uw Kamer te
spreken en ik wil en kan niet vooruitlopen op de besluitvorming daarop en op voorhand
al toezeggingen doen zonder dat deze breder in de Kamer gewogen kunnen worden.
Beide oplossingsrichtingen zijn nog onvoldoende helder op definitieve, structurele
en duurzame uitkomsten. Ik zet mij er in ieder geval de komende periode voor in om
samen met de PO-Raad en de VO-raad tot een gedegen voorstel te komen. Ik informeer
u hierover zoals gevraagd, vóór Prinsjesdag. Ik heb er vertrouwen in dat we, op basis
van een gedegen plan, met elkaar een goede weging kunnen maken over het vervolg en
wat daarvoor nodig is. Daarbij neem ik de gehoorde wens van uw Kamer mee in de overwegingen.
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
J.Z.C.M. Tielen
Ondertekenaars
J.Z.C.M. Tielen, staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap