Lijst van vragen : Lijst van vragen inzake Publicatie besluit Woo-verzoek inzake nareis op nareis (Kamerstuk 19637-3606)
2026D36310 LIJST VAN VRAGEN
De vaste commissie voor Asiel en Migratie heeft een aantal vragen voorgelegd aan de
Minister van Asiel en Migratie over de brief van 26 juni 2026 inzake Publicatie besluit
Woo-verzoek inzake nareis op nareis (19 637, nr. 3606).
Voorzitter van de commissie,
P. de Groot
Griffier van de commissie,
Burger
Nr
Vraag
1
Heeft de toenmalige Minister van Justitie en Veiligheid, mevrouw Yeşilgöz, kennisgenomen
van de ambtelijke stukken over het fenomeen «nareis op nareis»? Zo nee, had zij hiervan
redelijkerwijs kennis kunnen of moeten nemen?
2
Heeft de toenmalige Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de heer Van der Burg,
kennisgenomen van de ambtelijke stukken over «nareis op nareis»? Zo nee, had hij hiervan
redelijkerwijs kennis kunnen of moeten nemen?
3
Heeft de toenmalige Minister-President, de heer Rutte, kennisgenomen van de ambtelijke
stukken over «nareis op nareis»? Zo nee, had hij hiervan redelijkerwijs kennis kunnen
of moeten nemen?
4
Waren de voorgestelde asielmaatregelen die voorafgaand aan de val van het kabinet-Rutte IV
op 7 juli 2023 werden besproken, geheel of gedeeltelijk gebaseerd op de veronderstelling
dat «nareis op nareis» een substantieel onderdeel vormde van de asielinstroom?
5
Kan inmiddels worden geconcludeerd dat (een deel van) de destijds voorbereide maatregelen
gebaseerd was op aannames of op een feitelijke grondslag die op dat moment onvoldoende
was onderbouwd? Zo ja, welke maatregelen betreft dit?
6
Is tijdens de voorbereiding of de politieke besluitvorming aan bewindspersonen meegedeeld
dat de beschikbare informatie over de omvang van «nareis op nareis» onzeker of beperkt
was? Zo ja, aan welke bewindspersonen is deze informatie verstrekt, op welk moment
en op welke wijze?
7
Welke rol vervulde het Ministerie van Justitie en Veiligheid tijdens de onderhandelingen
over de asielmaatregelen voorafgaand aan de val van het kabinet-Rutte IV? Beperkte
deze rol zich tot de ambtelijke uitwerking van politieke wensen, of heeft het ministerie
ook zelfstandig beleidsmaatregelen voorgesteld? Zo ja, welke maatregelen zijn door
het ministerie voorgesteld en welke daarvan waren specifiek gericht op het tegengaan
van «nareis op nareis»?
8
Is tijdens de ambtelijke voorbereiding naar voren gekomen dat de omvang van «nareis
op nareis» kleiner was dan in de beleidsvoorstellen of politieke discussie werd verondersteld?
Zo ja, bent u bereid de betreffende ambtelijke stukken aan de Kamer te doen toekomen?
9
Welke rol vervulde de toenmalige Minister Yeşilgöz ten opzichte van de toenmalige
Staatssecretaris Van der Burg tijdens de onderhandelingen over de asielmaatregelen?
Welke concrete informatieverzoeken of opdrachten zijn door ieder van hen afzonderlijk
gedaan met betrekking tot «nareis op nareis»?
10
Hoe groot was de omvang van «nareis op nareis» uiteindelijk, uitgedrukt in absolute
aantallen en als percentage van de totale asielinstroom in de relevante periode?
11
Is na de val van het kabinet-Rutte IV nieuwe informatie beschikbaar gekomen over de
omvang, aard of betekenis van «nareis op nareis»? Zo ja, welke nieuwe inzichten heeft
dit opgeleverd en in hoeverre wijken deze af van de informatie die tijdens de kabinetsonderhandelingen
beschikbaar was?
12
Wanneer hebben de interne IND-stukken over nareis op nareis de Minister van J&V of
de Staatssecretaris van J&V bereikt?
13
Is er op geen enkele manier een signaal afgegeven aan de Minister van J&V of de Staatssecretaris
van J&V dat cijfers veel lager waren op het moment dat nareis op nareis in het publieke
debat speelde?
14
Op welke juridische grondslag werden nareis-op-nareisaanvragen ingewilligd (40 in
2022, 10 in 2023) ondanks de constatering van de IND dat deze vorm van gezinshereniging
meestal inhoudt dat in de eerste nareisprocedure niet de waarheid is verteld?
15
Geldt het indienen of inwilligen van een nareis-op-nareisaanvraag op zichzelf als
handhavingssignaal voor de eerder verleende vergunning?
16
In hoeveel van de geregistreerde nareis-op-nareiszaken is een intrekkingsprocedure
gestart, in hoeveel gevallen is de afgeleide vergunning daadwerkelijk ingetrokken,
en in hoeveel gevallen heeft die intrekking geleid tot daadwerkelijk verlies van verblijfsrecht?
17
Wat zijn de meest actuele cijfers over 2024 en 2025 voor nareis op nareis en de overige
onderscheiden vormen van gestapelde gezinshereniging, uitgesplitst naar aanvragen
en inwilligingen?
18
Hoe zijn de eind 2023 nog openstaande 240 nareis-op-nareisaanvragen inmiddels afgedaan?
19
Beperkt of ondervangt de Wet invoering tweestatusstelsel dan wel Verordening 2024/1347
de mogelijkheid voor een houder van een afgeleide vergunning om na verkrijging van
zelfstandige bescherming zelf nareis aan te vragen, en zo ja voor welke categorieën
beschermden (verdragsvluchtelingen dan wel subsidiair beschermden)?
20
In hoeverre raken de op het asielstelsel gerichte maatregelen, waaronder het tweestatusstelsel,
de op artikel 8 EVRM gebaseerde vormen van gestapelde gezinshereniging (circa 1.040
aanvragen «gezinshereniging na nareis» over 2019–2023, waarvan circa 250 ingewilligd)?
21
In welke mate heeft het onderbrengen van aanvragen voor echtgenoten en partners in
de nareisprocedure na de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 31 oktober
2019 bijgedragen aan gestapelde gezinshereniging?
22
Wat is, uitgesplitst naar nationaliteiten of herkomstgroepen, over de meest recente
beschikbare periode het gemiddelde aantal personen per ingewilligde nareis- respectievelijk
gezinsherenigingsaanvraag (het aantal nagereisde gezinsleden per referent)?
23
Op welke berekeningen, scenarioanalyses of prognoses baseerde het kabinet de verwachting
dat beperking van «nareis op nareis» zou bijdragen aan verlichting van de druk op
de asielketen en opvangcapaciteit, zoals de stukken suggereren?
24
Kunt u aangeven welke van de in de beleidsstukken genoemde problemen (problemen bij
opvang, IND-capaciteit en de asielketen) aantoonbaar werden veroorzaakt door «nareis
op nareis» en welke onderbouwing daarvoor beschikbaar was?
25
Op welke objectieve analyses, onderzoeken of feitelijke gegevens waren de kwalificaties
«misbruik», «oneigenlijk gebruik» en «misbruik is aan de orde van de dag» uit verschillende
documenten gebaseerd, nu uit dezelfde documenten blijkt dat betrouwbare omvangscijfers
ontbraken?
26
Klopt de constatering dat met de stelling «In dit kader werd «nareis op nareis» benoemd
als een groot probleem, zonder dat er cijfers over de omvang van nareis op nareis
werden gedeeld» uit het voorbereidingsdossier voor het vragenuur een beeld is neergezet
waarvan de feitelijke omvang op dat moment niet kon worden onderbouwd? Zo nee, waarom
niet?
27
Waarom achtte het kabinet de beleids- en wetgevingsvoorstellen die al voor de kabinetsval
werden voorbereid om «nareis op nareis» te beperken voldoende onderbouwd terwijl de
IND tegelijkertijd aangaf dat de beschikbare cijfers nog niet betrouwbaar of deelbaar
waren, en op welke informatie was de proportionaliteit van deze maatregelen gebaseerd?
28
Welke waarborgen bestaan binnen het ministerie om te voorkomen dat politieke communicatie
vooruitloopt op de betrouwbaarheid van uitvoeringsinformatie, gezien intern herhaaldelijk
werd vastgesteld dat de cijfers over «nareis op nareis» nog niet betrouwbaar of volledig
waren, terwijl extern al werd gesproken over een groot probleem en hierover uitgebreide
spreekteksten werden voorbereid?
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
P.C. (Peter) de Groot, voorzitter van de vaste commissie voor Asiel en Migratie -
Mede ondertekenaar
M.C. Burger, griffier
Gerelateerde documenten
Hier vindt u documenten die gerelateerd zijn aan bovenstaand Kamerstuk.