Brief regering : Verslag van de Milieuraad van 25 juni 2026 te Luxemburg
21 501-08 Milieuraad
Nr. 1040
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN WATERSTAAT EN VAN DE MINISTERS
VAN KLIMAAT EN GROENE GROEI EN VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juli 2026
Met deze brief ontvangt u het verslag van de Milieuraad die op 25 juni 2026 in Luxemburg
plaatsvond.
Daarnaast wordt u bij dit verslag geïnformeerd over de inbreng die het kabinet op
6 juli 2026 heeft geleverd in het kader van een vragenlijst over de stresstest van
de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Ook wordt u geïnformeerd over de resultaten van
de tussentijdse Verenigde Naties (VN)-klimaatonderhandelingen die tussen 8 en 18 juni
jl. hebben plaatsgevonden in Bonn, Duitsland.
Tot slot ontvangt u in de bijlagen het door Nederland gesteunde Franse non-paper over
REACH.
De Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat,
A.W.H. Bertram
De Minister van Klimaat en Groene Groei,
S. van Veldhoven-van der Meer
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
I. Verslag van de Milieuraad van 25 juni 2026
Tijdens de Milieuraad van 25 juni 2026 in Luxemburg stond een voortgangsrapport over
de revisie van de CO2-emissienormen voor nieuwe personen- en bestelwagens op de agenda. Daarnaast stonden
drie gedachtewisselingen op de agenda: 1) de waterweerbaarheidsstrategie – één jaar
later: stand van zaken en weg vooruit. 2) natuur, bedrijfsleven en concurrentievermogen:
het beheersen van de risico’s van biodiversiteitsverlies en 3) de REACH-verordening:
de weg vooruit.
Daarnaast werden veertien diversenpunten geagendeerd vanuit zowel de lidstaten als
de Europese Commissie (hierna: Commissie).
Tot slot wordt u naast dit verslag geïnformeerd over de inbreng die het kabinet op
6 juli jl. heeft geleverd in het kader van een vragenlijst over de stresstest van
de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Ook wordt u geïnformeerd over de resultaten van
de tussentijdse VN-klimaatonderhandelingen die tussen 8 en 18 juni jl. hebben plaatsgevonden in Bonn, Duitsland.
Voortgangsrapport – Herziening CO2-normen personenauto’s en bestelwagens
Tijdens de Milieuraad van 25 juni 2026 stond een voortgangsrapport op de agenda over
de herziening van de verordening van CO2-emissienormen voor personenauto’s en bestelwagens en de herziening van het voertuiglabel.
Het Cypriotische voorzitterschap (hierna: het voorzitterschap) heeft de behandeling
van het voorstel opgesplitst in twee clusters, de CO2-emissienormen en het voertuiglabel. De voortgangsrapportage gaat in op het toewerken
naar een compromistekst op het voertuiglabel en schetst een overzicht van de openstaande
discussiepunten rond de CO2-emissienormen. Dit voorstel is onderdeel van het Automobielpakket van de Commissie
om de innovatiekracht en het groeimogelijkheden van EU-bedrijven in de automobielsector
te versterken. De interventies tijdens dit agendapunt leken sterk op de beleidsdiscussie
van de Milieuraad van 17 maart 20261.
Het bekende tweekamp tussen voorstanders van volledige elektrificatie en voorstanders
van alternatieve brandstoffen was opnieuw zichtbaar. Een enkele lidstaat leek zijn
positie iets meer richting elektrificatie te verschuiven, waarbij het belang werd
benadrukt van het afbouwen van afhankelijkheden van fossiele brandstoffen in het licht
van recente geopolitieke ontwikkelingen. Daarnaast was er een groep lidstaten die
zich meer in het midden positioneerde. Zij riepen op tot pragmatische doelstellingen,
terwijl zij tegelijkertijd het belang onderstreepten van het behouden van prikkels
voor emissiereductie in de moeilijk te decarboniseren transportsectoren. Een grote
groep lidstaten pleitte voor de bekende inzet op meer ruimte voor duurzame (bio)brandstoffen
en een verruiming van flexibiliteiten ter compensatie van de verlaging van het emmissiereductiedoel.
De Commissie, gesteund door enkele lidstaten, verdedigde de CO2-normen, mede gezien de recente gunstige marktontwikkelingen rond elektrische voertuigen.
Ook benadrukte een groep lidstaten dat groene-staalkredieten moeten bijdragen aan
vraagcreatie, en dat Made in the EU-criteria moeten zorgen voor toenemende investeringen binnen de EU. Verder wezen verschillende
lidstaten op het belang van heldere definities en een proportionele toepassing van
het Made in the EU-principe.
Nederland benadrukte, net als een groep andere lidstaten, dat duurzame mobiliteit
toegankelijk en betaalbaar moet zijn voor iedereen, dat de EU zich moet houden aan
de afgesproken klimaatdoelen, dat de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen moet
worden verminderd en dat er investeringszekerheid moet komen voor een werkelijk concurrerende
Europese automobielsector. Daarnaast wees Nederland op het belang van voorwaardelijke
flexibiliteiten, verwelkomde ze de inzet op groene-staalkredieten en superkredieten
voor kleine elektrische auto’s, en benadrukte Nederland dat de definitie van een emissievrije
auto onaangepast moet blijven. Alleen in de moeilijk te verduurzamen sectoren waar
geen kosteneffectieve alternatieven bestaan, zouden andere brandstoffen een rol kunnen
spelen.
Naast het debat over de CO2-normen is ook gesproken over het voertuiglabel. Hier lijkt het voorzitterschap richting
een compromis te bewegen waarbij de administratieve lasten van de uitbreiding naar
tweedehands voertuigen worden beperkt. Nederland bedankte het voorzitterschap voor
deze inzet en gaf aan dat er nog verdere stappen nodig zijn om het energielabel toekomstbestendig
te maken, onder andere door te verkennen hoe energieverbruik beter kan worden meegenomen
in de classificatie.
Gedachtewisseling – Waterweerbaarheidsstrategie – één jaar later: stand van zaken
en weg vooruit
Éen jaar na de publicatie van de waterweerbaarheidsstrategie werd tijdens de Milieuraad
stilgestaan bij de voortgang die sinds de publicatie van de strategie is geboekt.
Hierbij werd in het bijzonder aandacht besteed aan de acties die lidstaten hebben
ondernomen op het gebied van waterefficiëntie, digitalisering en financiering.
Voorafgaand aan de bespreking werd door enkele lidstaten een non-paper gecirculeerd
waarin de Commissie werd opgeroepen om de Kaderrichtlijn Water (KRW) niet te herzien,
terwijl de Commissie heeft aangekondigd dit te willen doen met het oog op mijnbouw.
Voor wat betreft waterefficiëntie noemt een groep lidstaten het belang van het verbeteren
van hergebruik. Een andere groep lidstaten benoemt dat water moet worden gezien als
een kritieke infrastructuur. Een groep lidstaten, waaronder Nederland, benadrukte
bovendien het belang van grensoverschrijdende samenwerking. Op het gebied van financiering
werd, onder meer door Nederland, veelal gewezen op publiek-private financiering, en
werd ook het belang van het goed borgen van water in het nieuwe MFK benoemd. De Commissie
wordt door verschillende lidstaten opgeroepen na te denken over doelen voor watergebruik
en om een algemeen PFAS-verbod te realiseren. Daarnaast riepen verschillende lidstaten
op tot aandacht voor irrigatie in het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid (GLB), aanvullende
flexibiliteit in staatsteun en versoepeling in vergunningsverlening om hergebruik
van water te versimpelen. Enkele lidstaten deelden daarnaast voorbeelden op het gebied
van waterweerbaarheid, waaronder de implementatie van een nationale waterextractor registry2 en een nationaal verbod op PFAS-houdende gewasbeschermingsmiddelen. Tot slot benadrukte
Nederland het belang van goede vroegtijdige waarschuwingssystemen.
Gedachtewisseling – Natuur, bedrijfsleven en concurrentievermogen
Tijdens de gedachtewisseling over natuur, bedrijfsleven en concurrentievermogen was
er brede eensgezindheid tussen de lidstaten. Alle lidstaten benadrukten dat biodiversiteitsverlies
niet alleen een natuur- en milieuvraagstuk is, maar ook een economisch, weerbaarheids-
en veiligheidsvraagstuk. Daarnaast gaf een grote groep lidstaten, waaronder Nederland,
aan dat natuur en biodiversiteit beter moeten worden geïntegreerd in economische besluitvorming
en bedrijfsmodellen. Een andere grote groep lidstaten, inclusief Nederland, onderstreepte
dat publieke financiering alleen onvoldoende is en dat het noodzakelijk is om mogelijkheden
voor private financiering verder te ontwikkelen. Hierbij verwezen lidstaten, waaronder
door Nederland, vaak naar het potentieel van natuurkredieten (nature credits) als aanvullend instrument. Lidstaten benadrukten dat investeringen in natuurbehoud
en natuurherstel economische voordelen opleveren, het concurrentievermogen versterken
en toekomstige hoge kosten als gevolg van biodiversiteitsverlies kunnen voorkomen.
De Commissie gaf aan dat de implementatie van de Natuurherstelverordening een belangrijk
middel is om economische risico’s door biodiversiteitsverlies te beperken. Ook wees
de Commissie op het belang van een pragmatische en uitvoerbare benadering voor implementatie.
Ten slotte onderstreepte ze de significante economische waarde van het EU-Natura 2000-netwerk.
Nederland benadrukte dat natuur en ecosysteemdiensten de basis vormen voor Europa’s
weerbaarheid, welvaart en concurrentievermogen. Het in kaart brengen van de waarde
van natuur en ecosysteemdiensten, en de economische impact en afhankelijkheid hiervan,
is volgens Nederland essentieel voor goede besluitvorming. Hierdoor kunnen bedrijven
en financiële instellingen biodiversiteit beter meenemen in hun risicoanalyses en
investeringsbeslissingen. Tot slot onderstreepte Nederland het belang van een modern
en concurrerend MFK, waarin de EU de kansen kan benutten die gezonde en veerkrachtige
ecosystemen en de door hen geleverde ecosysteemdiensten bieden voor een concurrerende
en weerbare Europese economie.
Gedachtewisseling – REACH-verordening: de weg vooruit
Naar aanleiding van de aankondiging van de Commissie in april 2026 dat er geen herziening
van de REACH-verordening komt, vond een gedachtewisseling plaats over alternatieve
routes om deze wetgeving te moderniseren, te vereenvoudigen en de handhaving te versterken.
Een groep lidstaten, waaronder Nederland, circuleerde het bijgevoegde non-paper waarin
onder meer wordt voorgesteld om de handhaving en het markttoezicht van stoffen en
artikelen die op de markt komen te versterken via de European Product Act. Daarnaast zet het in op het doorvoeren van technische vereenvoudigingen via comitologie,
het opnemen van de CLP-gevarenklassen in de registratievereisten en het verder harmoniseren
van veiligheids- en datasheets. Veel lidstaten benadrukten deze punten in hun interventies.
Enkele lidstaten gaven aan dat een volledige herziening van REACH in de huidige geopolitieke
context niet realistisch was, terwijl andere lidstaten juist hun teleurstelling uitspraken
over het uitblijven van een herziening. Nederland, gesteund door enkele lidstaten,
wees op het belang van de PFAS-restrictie en innovatie, en riep de Commissie op het
werk aan de innovatiehub rond safe and sustainable by design te versnellen. Een kleine groep lidstaten vroeg daarnaast aandacht voor de gecombineerde
effecten van stoffen en de introductie van een mengselbeoordelingsfactor ofwel mixture assessment factor3. De Commissie herhaalde haar eerdere boodschap dat een herziening van de REACH-verordening
in het huidige klimaat tot te veel onzekerheid zou leiden voor het bedrijfsleven.
Tegelijkertijd benadrukte zij dat veel vereenvoudigd en verbeterd kan worden via alternatieve
routes, waarbij zij ook het belang van innovatie- en substitutiehubs onderstreepte.
Tot slot gaf de Commissie aan dat de PFAS-restrictie haar grootste prioriteit heeft
en dat zij hiervoor eind dit jaar een voorstel zal publiceren.
Diversenpunten
Vooruitblik op COP31: acties om de EU-onderhandelingspositie- te versterken
Het voorzitterschap presenteerde de acties die zijn ondernomen om de EU-onderhandelingspositie
richting COP31 te versterken, waaronder een meer strategische en vroegtijdige voorbereiding,
betere coördinatie en intensievere diplomatieke outreach. Lidstaten onderstreepten het belang van een strategischere EU-inzet, met vroegtijdige
positiebepaling, heldere prioriteiten en gecoördineerde outreach. Het inkomende Iers voorzitterschap gaf aan deze aanpak voort te zetten.
High-voltage Switchgears – Actie nodig voor sterke en veilige EU-elektriciteitsnetten
Italië, gesteund door enkele lidstaten, vroeg een diversenpunt aan over hoogspanningsschakelinstallaties
(high-voltage switchgears). Zij riepen de Commissie op om zo snel mogelijk een gedelegeerde handeling vast
te stellen onder de Ecodesign-kaderwetgeving voor het uitvoeren van een levenscyclusanalyse
van elektrische schakelsystemen om vervolgens een derogatie te kunnen verkrijgen.
Een groep lidstaten sprak steun uit voor het diversenpunt, terwijl enkele andere lidstaten
zich ertegen uitspraken. De Commissie benadrukte dat er voldoende alternatieven beschikbaar
zijn op basis van de huidige F-gasverordening, maar zal wel een nieuw marktonderzoek
starten.
Resultaten van 34 jaar LIFE-programma en vooruitblik
Spanje vroeg samen met enkele lidstaten een diversenpunt aan over de resultaten van
34 jaar uitvoering van het LIFE-programma met een vooruitblik richting de toekomst.
Daarbij werd vooruitgekeken naar het volgende MFK en aandacht gevraagd voor het voortzetten
van het LIFE-programma. De afgelopen decennia heeft het LIFE-programma zich volgens
deze lidstaten bewezen als een zeer effectief financieel instrument voor de implementatie
van EU-natuur-, milieu- en klimaatwetgeving. De reagerende lidstaten waren eensgezind
in hun oordeel dat LIFE een cruciaal financieringsinstrument is voor biodiversiteit,
natuurherstel en de uitvoering van EU-wetgeving. Een aantal lidstaten pleitte voor
het terugbrengen van LIFE als een zelfstandig instrument in het komende MFK. Daarnaast
pleitte een aantal lidstaten voor specifieke financiering voor natuur en biodiversiteit
in het volgende MFK, zonder expliciet in te gaan op de terugkeer van LIFE. Een enkele
lidstaat pleitte expliciet voor een specifiek uitgave doel voor biodiversiteit. Enkele
lidstaten, waaronder Nederland, benadrukten dat onder het volgende MFK voldoende bijdrage
moet worden geleverd aan natuur- en milieudoelstellingen. De Commissie gaf aan begrip
te hebben voor de zorgen over het verdwijnen van een op zichzelf staand LIFE-programma,
maar betoogde dat het 35% uitgave doel voor milieu, klimaat en natuur, het Europees
Concurrentievermogenfonds (ECF) en de Nationale en Regionale Partnerschapsplannen
(NRPP’s) uit het nieuwe MFK-voorstel een efficiëntere manier vormen om dezelfde doelen
te behalen.
MED9-bijeenkomst milieuministers – Waterweerbaarheid & bescherming mariene omgeving
Kroatië vroeg een diversenpunt aan over de bijeenkomst van de milieuministers van
negen Mediterrane lidstaten (MED9), die gericht was op waterweerbaarheid en de bescherming
van de mariene omgeving. Kroatië deelde dat de bijeenkomst zich richtte op het bespreken
en verdiepen van gedeelde uitdagingen rond waterweerbaarheid (zoals drinkwatervoorzieningssystemen),
de kwaliteit van het mariene milieu en bredere veiligheid en weerbaarheid. Daarnaast
was er aandacht voor afvalwaterbeheer in de Mediterrane regio.
COP15 – Verdrag inzake trekkende diersoorten (Campo Grande, Brazilië)
De Raad heeft kennisgenomen van de schriftelijke terugkoppeling van het voorzitterschap
en de Commissie van de vijftiende vergadering van de Conferentie van de Partijen bij
het Verdrag inzake Migrerende Soorten (CMS COP15).
UNCCD COP17 – Woestijnvorming (Ulaanbaatar, Mongolië)
De Commissie gaf informatie over de aankomende Verdrag van de Verenigde Naties ter
bestrijding van woestijnvorming (UNCCD) COP17 en benadrukte vier punten: 1) het belang
van het behouden van het huidige momentum en het verder opvoeren van de inspanningen;
2) het bereiken van overeenstemming over het nieuwe mandaat; 3) het aannemen van een
proactieve benadering voor het beheer van droogte; en 4) het benutten van deze COP
als startpunt voor een reeks internationale conferenties over water, waarbij coherente
maatregelen moeten worden aangenomen.
Uitdagingen bij uitvoering van de Verordening verpakkingen en verpakkingsafval (PPWR)
Tsjechië en Roemenië, gesteund door meerdere lidstaten, riepen de Commissie op om
op korte termijn duidelijkheid te bieden over de implementatie van de PPWR. Daarbij
werd gevraagd om prioritering van de uitvoerings- en gedelegeerde handelingen, het
actualiseren van de guidance en de veel gestelde vragen (FAQ) en een betere uitwisseling met de lidstaten, in
het bijzonder met de markttoezichtautoriteiten. Een enkele lidstaat sprak zorgen uit
over de hergebruiksdoelstellingen. De Commissie benadrukte zich in te zetten om zo
snel mogelijk meer duidelijkheid te bieden aan overheden en het bedrijfsleven. Ze
wees op de mogelijkheid voor lidstaten om waar gerechtvaardigd een derogatieverzoek
in te dienen en verwees ook naar de high-level bijeenkomst van 1 juli waar onder meer
PFAS in voedselcontactmaterialen wordt besproken.
Onderhandelingen over het internationale verdrag inzake plasticvervuiling
Frankrijk benadrukte het belang van een ambitieuze EU-inzet voor de onderhandelingen
over een internationaal verdrag tegen plasticvervuiling, met bijzondere aandacht voor
maatregelen aan het begin van de levenscyclus van plastics. Frankrijk kreeg bijval
van enkele lidstaten die de complexiteit van de onderhandelingen erkenden en het belang
van een ambitieus en effectief akkoord onderstreepten. Tegelijkertijd werd door een
enkele lidstaat aangegeven dat het belangrijk is om realistisch en pragmatisch te
blijven in de onderhandelingen, zodat internationale partners kunnen worden meegenomen
in het proces. De Commissie gaf aan dat de onderhandelingen zich in een kritieke fase
bevinden en dat de EU blijft inzetten op een ambitieus, wetenschappelijk onderbouwd
akkoord over de volledige levenscyclus van plastics. Er wordt ingezet op een evenwichtige
benadering waarin ambitie en praktische uitvoerbaarheid worden gecombineerd.
Noodzaak van EU-coördinatie- bij bestrijding van invasieve uitheemse soorten
Frankrijk vroeg, met steun van enkele lidstaten, een diversenpunt aan over de noodzaak
van een gezamenlijke EU-coördinatie bij het bestrijden van invasieve uitheemse soorten.
Voorgesteld werd dat de gezamenlijke aanpak in moet gaan op de vraag hoe EU-lidstaten
zich moeten aanpassen aan soorten die hier zullen blijven, evenals de vraag hoe nieuwe
invasieve soorten die in de EU proberen binnen te dringen tegen gehouden moeten worden.
Aanpak van ultrafast fashion – Oproep tot gecoördineerde EU-aanpak
Duitsland, met steun van enkele lidstaten, waaronder Nederland, brachten gezamenlijk
een non-paper onder de aandacht waarin de Commissie wordt opgeroepen tot een gecoördineerde
Europese aanpak van ultrasnelle mode. Het initiatief kon rekenen op brede steun van
een grote groep lidstaten, die zorgen deelden over het verdienmodel, negatieve effecten
op milieu, toenemende afvalstromen en oneerlijke concurrentie. Lidstaten bedrukten
het belang van een geharmoniseerde definitie, betere handhaving (met name op online
platforms), versterkt toezicht en meer transparantie. De Commissie erkende de negatieve
impact van ultrasnelle mode. Ook onderstreepte de Commissie het belang van duurzame
en betaalbare mode, en verdere versterking van circulariteit. De Commissie wees erop
dat dit een complex vraagstuk is en verwees hierbij naar lopende trajecten, zoals
de implementatie van de herziene Kaderrichtlijn Afval en toekomstige producteisen
voor textiel onder de Ecodesign voor Duurzame Producten Verordening. Daarnaast kondigde
zij verdere stappen aan op het gebied markttoezicht en handhaving onder de Circular Economy Act.
Benelux non-paper over de aankomende Circular Economy Act (CEA)
De Benelux bracht gezamenlijk een non-paper4 onder de aandacht met prioriteiten voor de aangekondigde Circular Economy Act, waarin wordt gepleit voor een ambitieuze EU-brede aanpak om de circulaire transitie
te versnellen en de interne markt voor secundaire grondstoffen te versterken. Het
voorstel voor de CEA wordt verwacht in september, en het AOB-punt had als doel om
in aanloop hiernaartoe ook op politiek niveau in de Milieuraad de noodzaak voor een
krachtige en effectieve CEA te benadrukken.
In de interventies steunden meerdere EU-lidstaten het paper en de oproep daarin. Daarbij
werd het belang benadrukt van een gelijk speelveld, harmonisatie van regelgeving en
duidelijke EU-brede kaders voor producten, grondstoffen en afvalstromen. De Commissie
gaf aan dat het voorstel bijna gereed is en gericht wordt op versterking van de business
case voor de circulaire transitie. Dit zal, naast positieve effecten voor klimaat,
milieu en biodiversiteit, ook bijdragen aan de concurrentiekracht en economische zekerheid
van Europa. De Commissie benadrukte daarbij specifiek het belang van het versterken
van de interne markt via verdere harmonisatie, modernisering en vereenvoudiging van
het regelgevende kader; het versterken van vraag en aanbod van circulaire materialen
en producten; en het verminderen van de afhankelijkheid van de EU van de import van
kritieke materialen.
Versnelling vergunningprocedures: samenhang tussen energiesector en Milieuomnibus
Frankrijk pleitte voor een brede en horizontale EU-aanpak van vergunningverlening
en voor het gebruik van de Milieuomnibus als instrument om versnipperde bepalingen
te harmoniseren. Een kleine groep lidstaten sprak hiervoor steun uit en wezen op het
belang van vereenvoudiging, rechtszekerheid en het borgen van milieubescherming. De
Commissie bevestigde dat vereenvoudiging en versnelling van vergunningprocedures prioriteit
hebben. De Commissie wees erop dat de discussie over de verordening ter versnelling
van milieubeoordelingen als onderdeel van de Milieuomnibus nog wordt voortgezet binnen
de Raad alvorens verdere gesprekken met het Europees Parlement worden gevoerd over
de Milieuomnibus. Daarnaast bevestigde de Commissie dat zij reeds een horizontale
benadering hanteert, met een evenwicht tussen versnelling van vergunningverlening,
milieubescherming en volksgezondheid.
Santa Marta – Transitie weg van fossiele brandstoffen
Nederland gaf een terugkoppeling van de gezamenlijk met Colombia georganiseerde conferentie
in Santa Marta over de transitie weg van fossiele brandstoffen. Nederland gaf aan
dat het eindrapport met alle lidstaten zal worden gedeeld en nodigde lidstaten uit
deel te nemen aan het vervolgtraject, dat zich richt op nationale transitieplannen
gekoppeld aan Nationally Determined Contributions (NDC’s), macro-economische en fiscale vraagstukken, en samenwerking tussen producerende
en consumerende landen op het gebied van schone energieketens. De Commissie bedankte
Nederland en Colombia voor het initiatief. Daarnaast benadrukte de Commissie het belang
van concrete routekaarten, indicatoren en technische samenwerking om de uitvoering
van de energietransitie te versnellen.
Werkprogramma van het aankomende voorzitterschap
Ierland presenteerde haar prioriteiten van het komende EU-voorzitterschap5 en de Milieuraad, met focus op de hoofdthema’s klimaatneutraliteit, duurzaamheid
en hulpbronnenefficiëntie. De Commissie en lidstaten namen hier kennis van.
II. Stresstest Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR)
Het kabinet heeft op 6 juli jl. inbreng geleverd in het kader van een vragenlijst
over de stresstest van de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR). Dit door de Commissie
geïnitieerde traject richt zich op de vraag hoe de bestaande doelstellingen van de
VHR op een kostenefficiëntere manier kunnen worden bereikt – onder meer door het verminderen
van onnodige administratieve lasten in de uitvoering. De stresstest bouwt voort op
de Fitness Check uit 2016, waarin de richtlijnen als «fit for purpose» zijn beoordeeld. De stresstest is niet gericht op aanpassing van de inhoudelijke
doelstellingen of het bestaande beschermingsniveau van de richtlijnen.
Deze consultatie bood het kabinet de mogelijkheid om ervaringen met de uitvoering
van de VHR te delen, inclusief knelpunten, goede praktijken en mogelijke oplossingsrichtingen.
De Nederlandse inbreng op de vragenlijst is Rijksbreed voorbereid en heeft een feitelijk-technisch
karakter. Deze aanpak sloot aan bij de opzet van de Commissie en de korte reactietermijn.
Bij de inbreng is ook om aandacht gevraagd voor inhoudelijke verduidelijkingen die
gewenst zijn voor de praktijk, onder meer op het gebied van stikstof en vergunningverlening.
De Commissie verwacht na de zomer haar tussenrapportage met voorlopige bevindingen
te publiceren, waarna een eindrapport volgt eind 2026. De Kamer zal na ontvangst van
het tussenrapport op de hoogte worden gebracht.
III. Tussentijdse VN-klimaatonderhandelingen 2026 in Bonn, Duitsland
In reactie op het verzoek van de Kamer d.d. 17 juni informeren wij u hierbij ook over
de resultaten van de tussentijdse VN-klimaatonderhandelingen die tussen 8 en 18 juni jl. hebben plaatsgevonden in Bonn, Duitsland. Tijdens
de zogenaamde «subsidiary bodies» onder het VN-raamverdrag voor klimaatverandering (UNFCCC) bereiden klimaatonderhandelaars
op ambtelijk niveau een groot deel van de besluiten voor die tijdens de jaarlijkse
klimaatconferentie (COP) in november moeten worden vastgesteld. Het gaat daarbij om
de volle breedte van de internationale klimaatagenda, van mitigatie, koolstofhandel
en adaptatie, tot wetenschap en financiering, en van landbouw en landgebruik tot gender
en inclusief klimaatbeleid.
Op verschillende onderwerpen is in Bonn de basis gelegd voor verdere besluitvorming.
Zo is voor landbouw, rechtvaardige transitie (just transition), koolstofhandel, het adaptatiefonds, en inclusief klimaatbeleid (action for climate empowerment) een concepttekst overeengekomen die tijdens COP31 verder zal worden uitgewerkt.
Deze teksten zijn beschikbaar op de website van het UNFCCC-secretariaat. Op o.a. adaptatie,
mitigatie, transparantie en de samenhang tussen de drie Rio-verdragen konden landen
het niet eens worden over een tussentijds resultaat en zullen de onderhandelingen
in november opnieuw beginnen. De wereldwijd teruglopende inzet op budgetten voor ontwikkelingssamenwerking
zet spanning op de onderhandelingen, waarbij het lastiger wordt om op andere onderwerpen
voortgang te boeken. Dit speelde bijvoorbeeld bij adaptatie, al zijn de besprekingen
daar uiteindelijk stukgelopen vanwege discussie tussen de Afrikaanse groep en de groep
Latijns-Amerikaanse landen over de zetelverdeling in een expertpanel.
Op andere thema’s werd in Bonn vooral gesproken over (nationale) uitvoering van eerder
gemaakte multilaterale klimaatafspraken en was geen tekstresultaat voorzien. Dit was
bijvoorbeeld het geval voor gender en financiering. In de zogenaamde Veredas-dialoog
hebben landen in Bonn op constructieve wijze gesproken over de manier waarop zij financiële
stromen in lijn brengen met de doelen van de Overeenkomst van Parijs. In algemene
zin is voor wereldwijde klimaatactie de nadruk meer komen te liggen op uitvoering.
Daarmee neemt ook het belang toe van vrijwillige initiatieven ten behoeve implementatie,
zoals de conferentie over de transitie weg van fossiele brandstoffen die Nederland
samen met Colombia heeft georganiseerd. In Bonn heeft Nederland de resultaten van
deze conferentie en de geplande vervolgstappen toegelicht.
Met de verschuiving naar implementatie worden ook de voortgangsrapportages van landen
in toenemende mate belangrijk. Gedurende de Bonn-sessie legden 37 landen verantwoording
af over de voortgang richting hun VN-klimaatdoelen, de Nationally Determined Contributions (NDC’s). Landen rapporteren dit in hun Biennial Transparency Report (BTR), waarop een peer review proces volgt. Alle landen komen hierbij aan de beurt. Deze cyclus van doelen stellen,
rapporteren, en verantwoording afleggen is de ruggengraat in het wereldwijde klimaatproces,
en kan op brede steun rekenen. Nederland voltooide de eerste rapportagecyclus op COP30,
en bereidt momenteel de tweede BTR voor.
De wetenschappelijke basis van klimaatbeleid kreeg ook bijzondere aandacht in Bonn.
Wetenschap staat op veel plekken in de wereld onder druk, en dit is binnen de VN-klimaatonderhandelingen
ook merkbaar. Zo is het steeds moeilijker om via consensus tot besluiten te komen
over de wetenschappelijke basis van internationale klimaatafspraken. Sommige landen
verzetten zich bijvoorbeeld tegen duiding over kantelpunten in het klimaatsysteem
of vermelding van de noodzaak om vast te houden aan het langetermijndoel van 1.5 °C.
Ook binnen het internationale klimaatpanel Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) staat de doorgaans neutrale besluitvorming onder steeds grotere politieke
druk. Mede in reactie op deze ontwikkelingen hebben Zwitserland en Nepal, met steun
van de EU en diverse andere landen, een (informele) «Friends of Science»-groep opgezet. De groep benadrukte in een persconferentie dat wetenschap niet politiek
gemaakt mag worden, en onderstreepte het belang van informatie integriteit en het
tegengaan van mis- en desinformatie. In relatie tot dit laatste punt en ter opvolging
van het door Nederland ondertekende Initiative for Information Integrity on Climate Change werkt het KNMI aan een voorstel om de communicatie over de link tussen klimaatverandering
en extreem weer een extra impuls geven. Weerpresentatoren kunnen bijvoorbeeld vroegtijdig
en systematisch informeren over deze link, zodat cruciale informatie meer huiskamers
bereikt, vanuit een bekende en betrouwbare informatiebron.
Tot slot is in deze tussentijdse sessie ook een dialoog over klimaat en handel gehouden,
naar aanleiding van een besluit hiertoe op COP30. Omdat de dialoog voortkomt uit een
onderhandeld besluit heeft de EU als één gezamenlijke partij deelgenomen. De EU heeft
daarbij benadrukt dat handelsbeleid een belangrijke rol speelt in de uitvoering van
de Overeenkomst van Parijs, en dat het hier ook binnen de Wereldhandelsorganisatie
aandacht voor vraagt. De EU bracht als voorbeeld in dat EU-handelsakkoorden, die duurzaamheidsafspraken bevatten over bijvoorbeeld de effectieve implementatie
van internationale verdragen over milieu en klimaat, bijdragen aan duurzame ontwikkeling
en de samenhang tussen klimaat- en handelsbeleid bevorderen.
Zoals gebruikelijk zal de Kamer voorafgaand aan de COP UNFCCC worden geïnformeerd
over de brede inzet van Nederland voor de jaarlijkse VN-klimaatconferentie. COP31
vindt dit jaar plaats in Antalya, Turkije, van 9 tot en met 20 november. In deze brief
zal het kabinet ingaan op zowel de multilaterale onderhandelingen als de initiatieven
daaromheen die de daadwerkelijke uitvoering van klimaatactie bevorderen. Voor de multilaterale
onderhandelingen is de gezamenlijke EU-positie bepalend. Deze zal op de Milieuraad
in oktober worden vastgesteld. In aanloop naar die Milieuraad zal het kabinet haar
inzet voor de EU-positie delen via de geannoteerde agenda voor deze Raad.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
A.W.H. Bertram, staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat -
Mede ondertekenaar
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur -
Mede ondertekenaar
S. van Veldhoven-van der Meer, minister van Klimaat en Groene Groei