Brief regering : Toezegging gedaan tijdens het debat over de samenhangende aanpak landbouw en stikstof van woensdag 1 juli 2026, over verschillende mogelijkheden voor ketenafspraken bezie en mijn standpunt ten aanzien van prijsafspraken nader toe te lichten
30 252 Toekomstvisie agrarische sector
Nr. 225
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANDBOUW, VISSERIJ, VOEDSELZEKERHEID EN NATUUR
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juli 2026
In het Kamerdebat over de samenhangende aanpak landbouw, natuur en stikstof van woensdag
1 juli jl. heb ik aan het lid Dassen toegezegd aan te geven hoe ik verschillende mogelijkheden
voor ketenafspraken bezie en mijn standpunt ten aanzien van prijsafspraken nader toe
te lichten. Met deze brief doe ik die toezegging gestand.
In algemene zin komen prijzen voor landbouwgoederen en voedselproducten tussen ketenpartijen
tot stand via het economisch verkeer van vraag en aanbod. Nederlandse agrarische bedrijven,
hun toeleveranciers en afnemers opereren in een internationaal speelveld en op de
interne markt van de Europese Unie. Marktpartijen moeten zich daarbij houden aan geldende
mededingingsregels waarop toezicht wordt gehouden door de Autoriteit Consument & Markt
(ACM). De ACM is een onafhankelijke toezichthouder die zich sterk maakt voor goed
werkende markten voor mensen en bedrijven.
De achtergrond van uw vraag ziet op de mogelijkheid om prijsafspraken in de keten
te maken over meerkosten voor duurzamer geproduceerde landbouwproducten. Samenwerking
tussen ketenpartijen biedt de mogelijkheid om een meerprijs te krijgen. In de Agro-Nutri
Monitor geeft de ACM aan dat agrariërs die onder een duurzaamheidskeurmerk produceren
voor deze meerkosten veelal een vergoeding ontvangen. Echter geeft zes op de tien
agrariërs aan dat deze aanvullende vergoeding niet volledig dekkend is. Daarnaast
blijkt uit de monitor dat afgelopen periode voor biologische boeren de meerkosten
niet altijd meer worden vergoed uit de verkoopprijs en de gestegen productiekosten
hierin een rol spelen.1
Er zijn niettemin diverse mogelijkheden om in de markt een meerprijs voor duurzame
productie te realiseren. Zo biedt samenwerking tussen primaire producenten voordelen,
door verlaging van kosten en versterking van de onderhandelingspositie ten opzichte
van afnemers. Ook de ACM constateert dat samenwerking verder versterkt kan worden,
niet alleen binnen een producentenorganisatie, maar ook tussen producentenorganisaties
in Unies van Producentenorganisaties of andere verbanden van samenwerking tussen agrariërs
zoals in coöperatieverband.2
Tegelijkertijd zijn andere instrumenten beschikbaar die het onder bepaalde voorwaarden
mogelijk maken op bovenwettelijke basis vrijwillige prijsafspraken tussen een primaire
producent en haar afnemers te maken. In dat kader is uw Kamer geïnformeerd dat artikel
210 bis van de GMO-verordening (Verordening (EU) nr. 1308/2013) een belangrijke uitzondering
vormt op het Europese mededingingsrecht.3
De uitzondering geldt voor afspraken tussen of met landbouwproducenten, die gericht
zijn op het bereiken van duurzaamheidsnormen die verder gaan dan de wettelijke normen
van de EU en/of lidstaten, mits deze afspraken onmisbaar zijn voor het behalen van
die hogere norm. In dat geval zijn de afspraken toegestaan zonder dat voorafgaande
goedkeuring noodzakelijk is. De Europese Commissie publiceerde op 7 december 2023
in zogenoemde richtsnoeren meer informatie over de toepassingsmogelijkheden van dit
nieuwe artikel. De ACM biedt hierin actief zowel gevraagd als ongevraagd advies en
ondersteunt marktpartijen met kennis over de mogelijkheden, bijvoorbeeld in de Leidraad
Samenwerking Landbouwers.4 Het is aan ketenpartijen zelf om de afweging te maken om dergelijke afspraken te
maken of andere oplossingen te vinden voor het maken van afspraken met leveranciers.
Doelstellingen kunnen bijvoorbeeld ook worden bereikt via private labels of keurmerken.
Naast deze verruimde mogelijkheden tot prijsafspraken blijft het van belang om te
werken aan een grotere vraag naar duurzame producten. Specifiek voor de biologische
landbouw verwacht ik dat ketenpartijen uiterlijk 1 april 2027 afspraken maken voor
de groei van de vraag naar biologische producten.5
Een goed verdienvermogen voor agrarisch ondernemers is een belangrijk punt voor het
kabinet. Het kabinet heeft daarom expliciet aandacht voor de rol van ketenpartijen.
Ik vertrouw erop dat ketenpartijen hun verantwoordelijkheid nemen om de markt voor
duurzaam geproduceerd voedsel te vergroten. Tegelijkertijd werk ik, zoals aangekondigd
in de brief «Weer ruimte voor boer, natuur en bouw», aan een aanpak rondom Uitgebreide
Keten Verantwoordelijkheid, waar ik uw Kamer in het najaar verder over zal informeren.
Ik zal in mijn nadere uitwerking ook de mogelijkheden van afspraken onder artikel
201bis betrekken.
Tot slot, via deze weg informeer ik u namens de Staatssecretaris van LVVN over de
motie van de leden Ouwehand en Grinwis (Kamerstuk 36 800-XIV, nr. 61) waarbij toegezegd is u voor de zomer te informeren over de vervolgstappen.
Er is meer tijd nodig voor een zorgvuldig gesprek met de betrokken partijen en het
kabinet zal na de zomer u hier nader over informeren terugkomen.
De Minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J. van Essen
Ondertekenaars
J. van Essen, minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur