Brief regering : Reactie op petities 'Dicht het AOW-gat!' en 'Repareer het AOW-gat'
32 043 Toekomst pensioenstelsel
Nr. 715
BRIEF VAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN EN WERKGELEGENHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 9 juli 2026
De vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft op 3 maart 2026 een
brief ontvangen van I. H. met als bijlage de petities «Dicht het AOW-gat!» en «Repareer
het AOW-gat» (zie bijlage 1 en 2). In de procedurevergadering van 10 maart 2026 heeft
de commissie gevraagd om een reactie op deze petities. Met deze brief geef ik invulling
aan dit verzoek. Middels deze brief informeer ik bovendien uw Kamer over de vervolgstappen
die ik heb ondernomen om gevolg te geven aan een recente uitspraak van de Centrale
Raad van Beroep (CRvB) in het kader van het Tijdelijk besluit eenmalig bedrag ouderen
van Surinaamse herkomst (het Besluit).
De aangeboden petities gaan over Nederlanders van Surinaamse herkomst. De eerste petitie
uit 2018 roept op tot het opheffen van het onderscheid tussen ingezetenen van Nederland
en Suriname voor de Surinaamse afhankelijkheid bij de opbouw van AOW-pensioen. De
tweede petitie uit 2025 gaat over het gebaar van erkenning en verzoekt de voorwaarden
om in aanmerking te komen voor de eenmalige tegemoetkoming van € 5.000 te verzachten.
Onvolledige AOW-opbouw van Surinaamse Nederlanders
Een grote groep Surinaamse Nederlanders die rond de onafhankelijkheid van Suriname
naar Nederland is gekomen heeft een onvolledige AOW. De AOW is sinds de invoering
in 1957 een Nederlandse nationale wet. De AOW gold niet in andere landen in het Koninkrijk,
zoals Suriname tot de onafhankelijkheid in 1975. Ingezetenen van Nederland bouwen
in de vijftig jaar voor het bereiken van de AOW-leeftijd een volledige AOW op. De
jaren in Suriname tellen dus niet mee voor de opbouw van Nederlands AOW-pensioen.
Surinaamse Nederlanders vragen al geruime tijd aandacht voor hun onvolledige AOW-opbouw.
Bij de komst naar Nederland hadden zij verwachtingen over rechten en plichten. Zij
kwamen naar Nederland om hun Nederlanderschap te behouden. Later bleek dat de jaren
in Suriname niet meetelden voor de opbouw van AOW-pensioen. Mede daardoor bestaan
er gevoelens van onrecht in de Surinaamse gemeenschap. Ik begrijp die gevoelens goed.
Er zijn in het verleden meerdere rechtszaken geweest over de vraag of de groep Surinaamse
Nederlanders moeten worden gecompenseerd. Zowel de CRvB als de Commissie Gelijke Behandeling
(nu: College voor de Rechten van de Mens) zijn tot het oordeel gekomen dat er geen
juridische verplichting bestaat voor de Nederlandse overheid om deze groep te compenseren.
Vorige kabinetten trokken zich de positie van Surinaamse Nederlanders aan en er ontstond
een politiek-bestuurlijke wens om de groep tegemoet te komen.
Gebaar van erkenning
De commissie-Sylvester adviseerde om een onverplichte tegemoetkoming uit te werken.
Hier is het gebaar van erkenning uit ontstaan, in de vorm van een eenmalig bedrag
van € 5.000. Het eenmalig bedrag is geen compensatie en is niet gerelateerd aan de
gemiste AOW-opbouw. Het gebaar is bedoeld als erkenning van de gevoelens van onrecht
die bestaan bij Nederlandse ouderen van Surinaamse herkomst. Het gebaar is bestemd
voor mensen die voor de onafhankelijkheid van Suriname de bewuste keuze maakten om
naar Nederland te komen en een duurzame band met Nederland hebben. De precieze voorwaarden
zijn te lezen in de AMvB1. Voor hen geldt een unieke samenloop van omstandigheden.
De SVB heeft inmiddels aan bijna 25.000 mensen het eenmalige bedrag uitgekeerd. Mensen
weten de SVB goed te vinden.
Uitspraken CRvB
Niet alle aanvragen voldeden aan alle criteria. Een groot deel van de afwijzingen
betreft mensen die na de onafhankelijkheid van Suriname naar Nederland zijn gekomen.
Tot op heden hebben bijna 400 mensen bezwaar gemaakt na een afwijzing. Dit heeft tot
ongeveer 100 beroepzaken geleid en 20 hogere beroepen bij de CRvB. De CRvB heeft op
9 april, 28 mei en 11 juni 2026 uitspraak gedaan in totaal 10 beroepszaken. In één
van deze zaken is de Minister van SZW in het ongelijk gesteld. Graag licht ik u in
over de invulling die ik aan deze uitspraak heb gegeven.
De CRvB heeft d.d. 9 april 2026 inzake beroepszaak ECLI:NL:CRVB:2026:362 de eerdere uitspraak van de rechtbank bekrachtigd dat gehuwde minderjarigen onder
de Toescheidingsovereenkomst als meerderjarig beschouwd dienen te worden. Gehuwde
personen van Surinaamse herkomst die vóór of op 25 november 1975 in Nederland zijn
komen wonen, zijn voor toepassing van het Besluit volledig vergelijkbaar met personen
die op dat moment de achttienjarige leeftijd hadden bereikt.
Ik heb naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB besloten om de SVB de groep gehuwde
minderjarigen proactief te laten identificeren en hen ambtshalve het Besluit van € 5.000
uit te keren.
Omdat er weinig gebruik (0,01% van de oorspronkelijke rechthebbenden hebben hier beroep
op gedaan) is gemaakt van de mogelijkheid om het eenmalige bedrag te weigeren (de
opt-out optie), heb ik besloten om de opt-out optie als bedoeld in Artikel 6 van het
Besluit achterwege te laten. Dit verkort de procesdoorlooptijd waardoor de groep gehuwde
minderjarigen spoediger het Besluit kunnen ontvangen. Daarnaast vermindert het achterwege
laten van de opt-out optie de uitvoeringslast en -kosten. Burgers die het eenmalig
bedrag niet willen ontvangen, kunnen het achteraf aan de SVB terugstorten.
Bij de SVB zijn 333 gehuwde minderjarigen in beeld waaraan het Besluit wordt uitgekeerd.
De geraamde uitkeringslasten voor 333 personen bedraagt ca. € 1,67 mln. De SVB raamt
de uitvoeringskosten op € 75.000. Het vermoeden bestaat dat er een groep is die aan
de voorwaarden van het Besluit voldoen maar niet in beeld is. Hierdoor kunnen de uitgaven
nog oplopen. Er zal daarom in totaal € 1,80 miljoen worden gereserveerd. Het Besluit
wordt in juli uitgekeerd aan de groep gehuwde minderjarigen die bij de SVB in beeld
is.
De aanvraagtermijn zoals die is opgenomen in het Besluit loopt af op 1 juli 2026.
De AMvB wordt niet aangepast. De AMvB is zodanig vormgegeven dat de SVB aanvragen
die na 1 juli 2026 worden ingediend ambtshalve mag toekennen gedurende de gehele looptijd
van de AMvB, ook indien de aanvraagtermijn reeds is verstreken. Daarnaast biedt de
huidige juridische grondslag de mogelijkheid om aanvragen die na het verstrijken van
de AMvB nog in behandeling zijn, te verwerken en uit te keren.
Afsluitend
Dat er nog steeds gevoelens van onrechtvaardigheid bestaan in de Surinaamse gemeenschap
begrijp ik. Een gebaar kan nooit alle pijn en gevoel van onrecht volledig wegnemen.
Toch is gekozen om iets te doen. Daarmee is naar mijn oordeel recht gedaan aan de situatie van Surinaamse
Nederlanders. Hoewel ik geen aanleiding zie om aanvullende maatregelen te treffen
of het bestaande beleid aan te passen, hoop ik het ongemak van een vertraagde tegemoetkoming
te hebben verzacht door proactief het Besluit uit te keren aan de groep jonggehuwden
naar aanleiding van de uitspraak van de CRvB.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
J.A. Vijlbrief
Ondertekenaars
J.A. Vijlbrief, minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid