Brief regering : Beleidsreactie op de bevindingen uit het onderzoeksrapport: 'Femicide in de Nederlandse rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting'
28 345 Aanpak huiselijk geweld
Nr. 313
BRIEF VAN DE MINISTER VAN JUSTITIE EN VEILIGHEID
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Hierbij ontvangt u de beleidsreactie op het onderzoeksrapport «Femicide in de Nederlandse
rechtspraktijk: juridische erkenning en straftoemeting» dat in opdracht van het Wetenschappelijk
Onderzoek- en Datacentrum door Maastricht University is uitgevoerd. Dit rapport is
op 12 mei 2026 naar uw Kamer gestuurd (Kamerstuk 28 345, nr. 294). Het onderzoek is opgezet naar aanleiding van gesprekken die zijn gevoerd tijdens
het rondetafelgesprek in uw Kamer van 8 juni 2023 en het commissiedebat over Femicide
van 27 september 2023 (Kamerstuk 28 345, nr. 270) waarin onder meer de wenselijkheid van een aparte strafbaarstelling van femicide
en de manier waarop femicide nu binnen de Nederlandse rechtspraktijk wordt aangepakt
ter discussie stonden.
Hieronder volgt een uiteenzetting van de belangrijkste bevindingen en de aanbevelingen
uit het onderzoeksrapport. Vervolgens wordt een inhoudelijke reactie gegeven op de
aanbevelingen.
Bevindingen en aanbevelingen
In het onderzoek stond de volgende onderzoeksvraag centraal: «In hoeverre wordt femicide
binnen de Nederlandse rechtspraktijk herkend, erkend, gekaderd en juridisch beoordeeld,
en op welke wijze worden gendergerelateerde kenmerken meegewogen?». Om deze vraag
te kunnen beantwoorden, hebben de onderzoekers gebruik gemaakt van verschillende onderzoeksmethoden.
Zo hebben de onderzoekers de jurisprudentie van 1 januari 2021 tot en met 31 december
2024 geanalyseerd (in totaal 295 door de onderzoekers gedefinieerde femicidezaken),
een kwalitatieve vignettenstudie1 gehouden onder rechters en officieren van justitie, interviews gehouden met Nederlandse
experts en een internationale vergelijking van de strafrechtelijke aanpak van femicide
uitgevoerd.
De onderzoekers hanteerden binnen dit onderzoek een werkdefinitie voor femicide, te
weten: een opzettelijk en wederrechtelijk levensdelict gepleegd tegen een meisje of
vrouw waarin een gendergerelateerd kenmerk een (motiverende) rol speelt. Voor de gendergerelateerde
kenmerken sloten de onderzoekers aan bij de definitie van het United Nations Office
on Drugs and Crime. Daardoor vielen levensdelicten gepleegd door een (voormalige)
partner of familielid automatisch onder femicide. In het geval van een levensdelict
door andere (on)bekenden was sprake van femicide wanneer gendergerelateerde kenmerken
een rol speelden, zoals bijvoorbeeld eerder (seksueel) geweld, uitbuiting of vrijheidsberoving.
De onderzoekers analyseerden rechtszaken waarop, volgens hun werkdefinitie, het label
femicide van toepassing zou zijn. In minder dan twee procent van die zaken gebruikte
de rechtbank de term expliciet in het vonnis. Tegelijkertijd worden gendergerelateerde
kenmerken, zoals huiselijk geweld en seksueel geweld, regelmatig herkend en in overweging
genomen bij de strafoplegging.
Daarnaast blijkt uit de interviews dat onder rechters en officieren van justitie verschillende
inzichten leven over de wijze waarop het begrip femicide wordt afgebakend, waarbij
sommigen bijvoorbeeld de (ex-)partner- of familierelatie tussen dader en slachtoffer
als voldoende beschouwen, terwijl anderen aanvullende kenmerken zoals voorafgaand
geweld noodzakelijk achten. Terwijl weer anderen ook levensdelicten buiten de (voormalige)
relatie en familiesfeer onder de definitie schaarden, mits er sprake was van dergelijke
kenmerken.
Gendergerelateerde kenmerken spelen een beperkte rol bij het bewijs van opzet, maar
worden vaker (ondersteunend) meegewogen bij de vaststelling van voorbedachte raad.
In strafmotiveringen bij levensdelicten op vrouwen worden gendergerelateerde kenmerken,
vooral (ex-)partner- en familierelaties, vaak expliciet genoemd terwijl aanwijzingen
voor eerder (huiselijk) geweld minder vaak expliciet worden benoemd in de motivering.
Als het geweldsverleden wordt vermeld, gebeurt dit altijd strafverzwarend terwijl
dit bij de (ex-)partner – of familierelatie minder consistent het geval is. De huidige
wettelijke strafmaxima worden door zowel rechters als officieren van justitie als
toereikend beschouwd.
Internationaal gezien lopen de strafrechtelijke benaderingen van femicide sterk uiteen.
Uit het onderzoek blijkt niet een eenduidige voorkeur voor één specifieke benadering.
Een aparte strafbaarstelling van femicide wordt door een deel van de respondenten
positief beoordeeld vanwege grotere zichtbaarheid, betere registratie en een mogelijke
preventieve werking. Tegelijkertijd roept zo’n strafbaarstelling vragen op over afbakening,
bewijslast en verhouding tot beginselen van gelijkheid. Er is meer draagvlak voor
uitbreiding van strafverzwaringsgronden bij de respondenten.
De onderzoekers doen vier aanbevelingen:
1. Het ontwikkelen van een heldere juridische definitie van femicide ter bevordering
van een eenduidige aanpak, meer consistentie in de afdoening, verbeterde registratie
en een grotere maatschappelijke bewustwording. Daarbij kan een gedeelde opvatting
over de vraag hoe moet worden omgegaan met aanwijzingen van eerder huiselijk geweld,
en de vraag of familie/partnerrelaties structureel in strafverzwarende zin moeten
worden meegenomen, bijdragen aan (nog) meer consistentie in de aanpak van femicidezaken.
Uit het onderzoek blijkt vooralsnog niet van een breed draagvlak voor een afzonderlijke
strafbepaling voor femicide of voor genderspecifieke wettelijke strafverzwaringsgronden.
Voor genderneutraal geformuleerde strafverzwaringsgronden en voor een eventuele uitbreiding
van artikel 304 Sr lijkt een breder draagvlak te bestaan.
2. Het nader verkennen van de mogelijkheden tot verdere specialisatie op het vlak van
huiselijk geweld, geweld in afhankelijkheidsrelaties en femicide binnen de strafrechtpraktijk,
bijvoorbeeld door inzet van gespecialiseerde rechters of het instellen van gespecialiseerde
strafkamers.
3. Het consequenter labelen van relevante strafzaken als «femicidezaken», ook in gepubliceerde
uitspraken. Dit kan bijdragen aan grotere zichtbaarheid van het fenomeen en aan maatschappelijke
bewustwording.
4. Het doen van verder onderzoek naar andere vormen van fataal geweld tegen vrouwen,
zoals mishandeling met de dood ten gevolge of dood door schuld, en de juridische afdoening
daarvan. Dit kan bijdragen aan een beter begrip van de reikwijdte van het fenomeen
femicide en de manier waarop het strafrecht daarop reageert.
Beleidsreactie
Deze beleidsreactie bevat, zoals eerder toegezegd2, tevens antwoorden op de Kamervragen van de leden Mutluer (PRO), Armut (CDA), Becker
(VVD), Coenradie (JA21) en Van der Werf (D66) over het ontbreken van een heldere definitie
van femicide in de Nederlandse rechtspraktijk.3
Strafbaarstelling dwingende controle, psychisch geweld en een strafverzwaring bij
doodslag
Uit het onderzoeksrapport is gebleken dat professionals binnen de strafrechtspraktijk
het begrip femicide en de gendergerelateerde kenmerken (zoals voorafgaand (huiselijk)
geweld) verschillend afbakenen, herkennen en (strafverzwarend) waarderen. Dit gegeven
kan leiden tot verschillen in de behandeling van «femicidezaken» in de strafrechtspraktijk.
Het ontwikkelen van een heldere juridische definitie van femicide zou volgens de onderzoekers
het bestaan van deze verschillen kunnen verkleinen. Ook zou volgens de onderzoekers
moeten worden nagedacht over een gedeelde opvatting over de vraag hoe moet worden
omgegaan met aanwijzingen van eerder huiselijk geweld en de vraag of familie/partnerrelaties
structureel in strafverzwarende zin (hetzij via expliciete strafbaarstelling, hetzij
via strafverzwaringsgronden) moeten worden meegenomen. Een definitie zou volgens de
onderzoekers ook de zichtbaarheid en herkenbaarheid van femicide kunnen vergroten.
Hiermee samen hangt de derde aanbeveling over het labelen van bepaalde strafzaken
als femicide. Daarbij constateren de onderzoekers, zoals hiervoor beschreven, dat
er in de praktijk met name draagvlak bestaat voor een wettelijke strafverzwaringsgrond.
Deze aanbeveling is meegenomen in het conceptwetsvoorstel in verband met de verruiming
van de strafbaarheid van psychisch geweld, dat op 29 juni jl. in (internet)consultatie
is gegeven. Met het conceptwetsvoorstel wordt onder meer een nieuwe strafbepaling
voor dwingende controle geïntroduceerd en wordt in de wet vastgelegd dat ook psychische
mishandeling strafbaar is. Daarnaast wordt een nieuwe gekwalificeerde vorm van doodslag
geïntroduceerd, die inhoudt dat doodslag kan worden bestraft met levenslange gevangenisstraf
of tijdelijke gevangenisstraf van ten hoogste dertig jaren, indien dit feit is vergezeld
of voorafgegaan van dwingende controle of van mishandeling gepleegd in de huiselijke
kring. Deze nieuwe gekwalificeerde vorm van doodslag biedt de rechtspraktijk handvatten
voor hoe om te gaan met de voorgeschiedenis van psychisch of fysiek geweld in bijvoorbeeld
zaken waarin een verdachte zijn (ex-)partner van het leven heeft beroofd. Met de in
het wetsvoorstel voorgestelde bepaling wordt in de wet tot uitdrukking gebracht dat
deze omstandigheid in strafverzwarende zin moet worden meegewogen.
In aanvulling daarop meent het kabinet dat er in de maatschappij en in de rechtspraktijk
bewustwording moet zijn – en waar dit ontbreekt – moet komen voor het fenomeen «femicide».
Het kabinet is daarom blij met de positieve ontwikkelingen in die richting. Zo benoemt
het openbaar ministerie sinds 2025 expliciet femicide in het requisitoir, wanneer
een zaak voldoet aan hun werkdefinitie van femicide. Ook in vonnissen wordt, zoals
blijkt uit het WODC-onderzoek, femicide soms expliciet benoemd. Verder wordt ook bij
de Rechtspraak de urgentie gevoeld om intieme terreur, geweld tegen vrouwen en femicide
meer aandacht te geven, zo blijkt uit het Jaarplan 2026 van de rechtspraak4. Uiteraard zal meer specialisatie in de strafrechtsketen (zie hieronder) bijdragen
aan betere herkenning en erkenning van femicidezaken. Ik zie, mede gelet op deze positieve
ontwikkelingen en het genoemde conceptwetsvoorstel dat meer handvatten aan de praktijk
geeft, geen aanleiding om nu nadere definities van «femicide» te ontwikkelen. Zo blijft
er ook ruimte om nieuwe ontwikkelingen in de praktijk mee te kunnen nemen.
Tot slot wordt opgemerkt dat in april 2025 de Femicide Monitor van de Universiteit
Leiden is gelanceerd. In de Femicide Monitor worden alle zaken van moord en doodslag
op een vrouw meegenomen, geanalyseerd en nader gecategoriseerd. Daarmee ontstaat in
de loop van de tijd een scherper beeld van de overeenkomsten en van de verschillen
tussen al deze zaken. In het kader van de Femicide Monitor wordt bovendien ook getracht
inzicht te verkrijgen in het aantal zaken waarin sprake is of kan zijn geweest van
vrouwenmoord waarbij de dader niet is vervolgd nadat hij een einde aan zijn leven
heeft gemaakt.
Specialisatie binnen de strafrechtsketen
De onderzoekers bevelen aan om verdere specialisatie binnen de strafrechtketen op
het vlak van huiselijk geweld te verkennen. Het kabinet onderschrijft het belang van
versterking van kennis over huiselijk geweld en kindermishandeling. Sinds 2024 – het
laatste jaar dat in het onderzoek is meegenomen – zet het kabinet zich samen met betrokken
organisaties in voor het versterken van de deskundigheid op het gebied van huiselijk
geweld en femicide. Zo ontwikkelt de politie scholings- en trainingsmiddelen, onder
meer voor de regisseurs Zorg & Veiligheid. Deze regisseurs fungeren als coördinatoren
en interne vraagbaken voor de aanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Alle
eenheden hebben nu de opdracht om na te gaan hoe binnen de teams deze regierol geborgd
kan worden en hier ook een plan op te maken. Op de Politieacademie is de module «huiselijk
geweld en kindermishandeling» doorontwikkeld en er wordt aan gewerkt om in de basisteams
de deskundigheid over onder meer stalking, (ex-)partnerstalking en dwingende controle
te vergroten. Ook zijn er binnen het onderwijsaanbod verschillende tools ontwikkeld
zodat agenten relevante informatie over stalking en huiselijk geweld kunnen opvragen.
Ik ondersteun het openbaar ministerie met extra middelen voor het versterken van hun
aanpak ter voorkoming van femicide. Hiermee richt het openbaar ministerie zich binnen
de eigen organisatie, landelijk en in de arrondissementen, op het vergroten van kennis
over verschillende vormen van huiselijk geweld waaronder femicide. Ieder parket heeft
een coördinerend officier van justitie voor huiselijk geweldzaken en een beleidsadviseur
«straf met zorg». Zij kunnen als specialist hun collega’s ondersteunen en maken de
vertaling van landelijk naar lokaal beleid mogelijk, evenals kennisverspreiding en
investering in de relatie met netwerkpartners.
Ook binnen de rechtspraak heeft verbetering van de aanpak van zaken waar huiselijk
geweld speelt de nadrukkelijke aandacht. De Raad voor de rechtspraak heeft een werkgroep
opgericht die zich onder meer bezighoudt met kennisbevordering en informatie-uitwisseling
op dit vlak.5 De werkgroep bevindt zich momenteel in de afrondende fase van haar werkzaamheden
en zal in september een programmaplan presenteren.
Aanvullend hierop hebben Regioplan en Avans Hogeschool een actieonderzoek verricht
naar het versterken van deskundigheid over gendergerelateerd geweld bij professionals
werkzaam bij zorg- en straforganisaties (zoals Veilig Thuis, Centrum Seksueel Geweld,
Vrouwenopvang, politie, openbaar ministerie, reclassering, Raad voor de Kinderbescherming
en gecertificeerde instellingen). Dit onderzoek laat zien dat er een toenemende mate
van aandacht en urgentiebesef is op dit thema, maar dat dit zich nog niet vertaalt
naar breed gedragen aanpak, visie en bestuurlijk commitment. De rapportage van dit
onderzoek is naar uw Kamer gestuurd als bijlage bij de voortgangsbrief over de aanpak
van geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling van 3 juli 2026.
Gezien het belang van een integrale inzet op deskundigheidsbevordering, wordt samen
met de toekomstige Nationaal Coördinator Geweld tegen Vrouwen en Huiselijk Geweld
bezien hoe de aanbevelingen uit het actieonderzoek kunnen landen in het Nationaal
Actieplan.
Tot slot
Het kabinet blijft zich onverminderd inzetten voor het versterken van de aanpak van
huiselijk geweld, kindermishandeling en femicide onder meer door het conceptwetsvoorstel
over de verruiming van de strafbaarstelling van psychisch geweld. Hiermee kunnen we
nog daadkrachtiger optreden tegen geweld tegen vrouwen, huiselijk geweld en kindermishandeling,
om zo femicide vaker te voorkomen. Daarnaast is het kabinet blijvend in gesprek met
de betrokken organisaties binnen en buiten de strafrechtketen over het vergroten van
kennis en expertise, de noodzaak van goede dossiervorming en de verdere versterking
van de samenwerking tussen deze organisaties zodat slachtoffers beter beschermd worden
en daders worden aangepakt.
De Minister van Justitie en Veiligheid,
D.M. van Weel
Ondertekenaars
D.M. van Weel, minister van Justitie en Veiligheid