Brief regering : Voortgang sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk
34 352 Uitvoering en evaluatie Participatiewet
Nr. 373
BRIEF VAN DE MINISTER VAN WERK EN PARTICIPATIE
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Werk betekent voor mensen meer dan alleen een inkomen. Het biedt zelfstandigheid,
structuur en de mogelijkheid om mee te doen. Werk geeft trots, sociale contacten en
kansen om talenten te ontwikkelen. Het maakt onderdeel uit van wie je bent als persoon.
Daarom vind ik het belangrijk dat iedereen die kan werken daarvoor ook de kans krijgt.
Tegelijkertijd staan er nog te veel mensen langs de kant, terwijl zij wél willen en
kunnen werken. In een tijd waarin werkgevers in vrijwel alle sectoren personeel tekortkomen,
kunnen wij dat ons maatschappelijk en economisch niet veroorloven.
Ik wil toe naar een arbeidsmarkt waarin meedoen meer vanzelfsprekend wordt. Een arbeidsmarkt
waarin minder wordt gedacht vanuit beperkingen, systemen en loketten, en meer vanuit
talenten, mogelijkheden en passende ondersteuning. Werkgevers moeten eenvoudiger mensen
een kans kunnen geven en mensen moeten minder vastlopen in schotten, loketten en ingewikkelde
regels. Te vaak staat de uitkering centraal, terwijl werk en ontwikkeling het vertrekpunt
zouden moeten zijn. Dat moet anders.
Juist daarom zijn sociaal ontwikkelbedrijven van grote waarde. Zij maken werk mogelijk
voor mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is, met begeleiding, structuur en een
plek om zich te ontwikkelen. Voor de één is dat de opstap naar werk bij een reguliere
werkgever, voor de ander is het een duurzame werkplek om blijvend mee te doen. Daarmee
leveren sociaal ontwikkelbedrijven waarde voor de mensen die er werken, voor werkgevers
en voor de samenleving als geheel.
In deze voortgangsbrief informeer ik uw Kamer over stappen die wij zetten om sociaal
ontwikkelbedrijven te versterken en om beschut werk te stimuleren.
Allereerst schets ik een algemeen beeld van de staat van de sociale infrastructuur
in ons land en de manier waarop gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven werken aan
een toekomstbestendige infrastructuur. Daarbij ga ik in op de motie van het lid Dijk
c.s.1 over de kosten en baten van sociaal ontwikkelbedrijven. Daarna ga ik in op de stand
van zaken rond beschut werk. Ik schets de ontwikkeling van beschut werk, geef conform
de motie van het lid Van Meetelen2, inzicht in regionale verschillen en licht toe hoe hiermee wordt omgegaan.
Vervolgens informeer ik uw Kamer over het nieuwe verdeelmodel voor beschut werk, de
verkenning van de praktijkroute beschut werk en de invoering van de forfaitaire loonkostensubsidie
voor beschut werk per 2028.
Naar een toekomstbestendige sociale infrastructuur
De afgelopen jaren zijn belangrijke stappen gezet om meer banen mogelijk te maken
voor mensen voor wie werk niet vanzelfsprekend is. Werkgevers hebben tot eind 2025
gezamenlijk ruim 91.000 extra banen gerealiseerd voor mensen die onder de banenafspraak
vallen. Ook neemt het aantal mensen dat beschut werkt gestaag toe. Waar eind 2020
5.198 mensen met een positief advies beschut werk een baan hadden, steeg dit aantal
naar 11.586 in september 2025. Daarmee liggen gemeenten vrijwel op koers ten opzichte
van de streefcijfers. Daarnaast waren in 2025 44.500 mensen met inzet van de loonkostensubsidie
aan de slag.
Tegelijkertijd zijn er nog steeds knelpunten die de kansen op werk voor mensen beperken.
Voor sociaal ontwikkelbedrijven heeft uw Kamer daarover eerder uitgebreide analyses
ontvangen, onder meer in de brief «Infrastructuur sociaal ontwikkelbedrijven» van
21 december 20233 en in de voortgangsbrief «Infrastructuur sociaal ontwikkelbedrijven en beschut werk»
van 15 oktober 20244. Die analyses vormden de basis voor een breed pakket maatregelen om sociaal ontwikkelbedrijven
te versterken, waaronder het impulsbudget voor gemeenten voor de periode 2025–2034.
De totale omvang van deze financiële impuls bedraagt € 290 miljoen.
Hoewel veel maatregelen minder dan een jaar geleden zijn gestart en de transformatieopgave
van sociaal ontwikkelbedrijven meerdere jaren vergt, zie ik dat op veel plekken beweging
is ontstaan en gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven duidelijke stappen zetten om
mensen beter naar werk te begeleiden, nieuwe vormen van werk te organiseren en intensiever
samen te werken met werkgevers. Dat is een belangrijke eerste stap richting toekomstbestendige
dienstverlening.
Om gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven daarbij te ondersteunen, hebben VNG, Cedris,
Divosa en SZW een gezamenlijk ondersteuningsprogramma ingericht. Uw Kamer is hierover
geïnformeerd in de voortgangsbrief «Infrastructuur sociaal ontwikkelbedrijven en beschut
werk» van 2 juli 20255. Het ondersteuningsprogramma bestaat onder meer uit handreikingen, het adviesteam
van de VNG en het lerend netwerk van Cedris en Divosa. Daarnaast heeft iedere regio
vaste aanspreekpunten met regionaal werkzame strategisch adviseurs. Zij houden contact
met gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven over de voortgang en ondersteunen waar
dat nodig is, bijvoorbeeld bij het verbeteren van de regionale samenwerking, het toewerken
naar een financieel gezonde bedrijfsvoering van het sociaal ontwikkelbedrijf of het
organiseren van nieuwe werkvormen.
Het kabinet investeert in een sterke en toekomstbestendige sociale infrastructuur.
Daarmee liggen er nu volop kansen voor gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven om
hun infrastructuur te versterken en te bouwen aan toekomstbestendige, stabiele en
financieel gezonde organisaties.
Ik zie dat in het overgrote deel van het land men deze handschoen heeft opgepakt en
werk maakt van de noodzakelijke transitie en transformatie. Waar de ontwikkeling nog
minder voortvarend verloopt, roep ik gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven op om
hier met prioriteit werk van te maken. Dat is nodig voor de mensen die afhankelijk
zijn van deze ondersteuning en ook verstandig vanuit financieel oogpunt. Uitstel kan
ertoe leiden dat keuzes later moeilijker en duurder worden.
Beeld van de staat van de sociale infrastructuur
Op basis van het beeld dat via het ondersteuningsprogramma en de strategisch adviseurs
is opgebouwd, maken veel gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven serieus werk van
een toekomstbestendige sociale infrastructuur. De snelheid en de richting verschillen
per regio. Samenvattend zie ik de volgende ontwikkelingen:
• De uitstroom van medewerkers uit de Wet sociale werkvoorziening (Wsw) verloopt sneller
dan eerder werd voorzien. Dat vergroot de urgentie om de sociale infrastructuur tijdig
toekomstbestendig in te richten. Veel sociaal ontwikkelbedrijven leunen financieel,
organisatorisch en qua productie nog in belangrijke mate op deze groep. Naarmate de
uitstroom versnelt, neemt de tijd af om keuzes te maken over nieuwe doelgroepen, ontwikkelfuncties,
werkgeversdienstverlening en de toekomstige rol van sociaal ontwikkelbedrijven.
• In een groot deel van het land zijn inmiddels visies, strategische agenda's en uitvoeringsplannen
ontwikkeld. Waar nog vooral visies liggen, is de volgende stap om deze te vertalen
naar uitvoering. Het tempo van ontwikkeling verschilt dan ook tussen regio’s. De komende
periode ligt daarom meer nadruk op implementatie en bestuurlijke besluitvorming.
• Gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven voeren nadrukkelijker het gesprek over hun
toekomstige rol binnen de bredere sociale infrastructuur, in plaats van uitsluitend
over de uitvoering van de Wsw. Daarbij groeit ook de aandacht voor de rol die een
ontwikkelbedrijf kan hebben in het kader van de Wet maatschappelijke ondersteuning
(Wmo) en de Jeugdwet. Denk daarbij o.a. aan arbeidsmatige dagbesteding en aan de aansluiting
met praktijkonderwijs, het voortgezet speciaal onderwijs en mbo’s.
• De focus verschuift van uitsluitend Wsw en beschut werk naar een bredere doelgroep
inwoners die ondersteuning nodig heeft richting werk, ontwikkeling en participatie.
Dit sluit aan bij mijn beeld van de rol die sociaal ontwikkelbedrijven in de komende
jaren kunnen vervullen.
• Vraagstukken rond werk, ontwikkeling en participatie vragen om samenwerking tussen
gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven. Regionale samenwerking blijft daarom voor
veel regio's een belangrijk uitgangspunt bij de verdere ontwikkeling van de sociale
infrastructuur. Tegelijkertijd kijken regio's kritisch naar bestaande samenwerkingsvormen
en verkennen zij hoe deze beter kunnen aansluiten bij veranderende opgaven, nieuwe
doelgroepen (bijv. kansrijke asielzoekers) en de gewenste rol van sociaal ontwikkelbedrijven.
Standaardoplossingen zijn er niet, in de praktijk worden verschillende vormen van
samenwerking onderzocht.
• Sommige gemeenten kiezen ervoor om zich terug te trekken uit bestaande samenwerkingsverbanden
en de infrastructuur meer vanuit de eigen gemeente vorm te geven. Daarbij is er vaak
nadrukkelijk aandacht voor de verbinding met andere onderdelen van het sociaal domein.
Deze keuzes kunnen echter ook gevolgen hebben voor de continuïteit, samenhang en ontwikkeling
van bredere regionale samenwerkingsverbanden en vormen daarmee een belangrijk aandachtspunt
voor de toekomst.
• Samenwerking met werkgevers, ontwikkellijnen en arbeidsmarktfunctionaliteiten krijgt
een steeds prominentere plaats in de strategische plannen. Sociaal ontwikkelbedrijven
werken steeds vaker samen met reguliere werkgevers en onderwijsinstellingen. Dat vergroot
de kansen voor mensen om zich te ontwikkelen en uiteindelijk door te stromen naar
een passende plek op de arbeidsmarkt. Een inclusievere arbeidsmarkt vraagt om blijvende
betrokkenheid van werkgevers. Regio's werken daarom steeds vaker samen aan een gezamenlijke
werkgeversaanpak, ondersteund door regionale advisering, inspiratiesessies en kennisbijeenkomsten.
In het afgelopen jaar zijn circa vijftien regionale sessies georganiseerd en worden
in 2026 naar verwachting ongeveer 150 professionals bereikt.
• De opgave vraagt om keuzes met een horizon van vijf tot tien jaar. Tegelijkertijd
worden regio's sterk geconfronteerd met urgente dagelijkse vraagstukken, waardoor
de nadruk nog vaak op de korte termijn ligt. Het besef groeit dat juist die vraagstukken
vragen om keuzes die verder reiken dan de problemen van vandaag. Uitstel vergroot
het risico dat de mogelijkheden om de sociale infrastructuur toekomstbestendig in
te richten steeds beperkter worden.
• Financiële vraagstukken zijn een belangrijke aanjager van verandering, maar blijken
zelden de enige oorzaak van knelpunten. In de praktijk sluiten bestaande structuren,
afspraken en werkwijzen, die in een andere tijd en voor andere opgaven zijn ontstaan,
niet altijd meer goed aan bij de huidige ambities. De doorontwikkeling van de sociale
infrastructuur vraagt daarom niet alleen om financiële oplossingen, maar ook om bestuurlijke
keuzes en het heroverwegen van bestaande structuren en arrangementen.
• De gemeenteraadsverkiezingen hebben op verschillende plaatsen geleid tot tijdelijke
vertraging van besluitvorming en planvorming. In de tweede helft van 2026 is daarom
naar verwachting een bestuurlijke inhaalslag nodig.
Adviesteam VNG
Het adviesteam ondersteunt, samen met Divosa en Cedris, gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven
bij de ontwikkeling naar een toekomstbestendige sociale infrastructuur. De ondersteuning
richt zich op kennisdeling, strategische keuzes en het verbinden van regio's en professionals.
In de afgelopen anderhalf jaar zijn nagenoeg alle sociaal ontwikkelbedrijven bezocht
en zijn met diverse regio's afspraken gemaakt over ondersteuning in de komende periode.
Gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven weten de kennis en expertise van het team
steeds beter te benutten. Deze ondersteuning krijgt onder meer vorm door:
• het bieden van strategische, juridische en financiële ondersteuning bij transformatievraagstukken,
waar nodig aangevuld met expertise van specialisten;
• het beantwoorden van vragen over beleid, organisatie en samenwerking via een helpdesk,
en het delen van kennis, praktijkervaringen en relevante informatie via een maandelijkse
nieuwsbrief en een website die fungeert als centrale kennisbron voor gemeenten en
sociaal ontwikkelbedrijven;
• het organiseren van landelijke en regionale bijeenkomsten en congressen. Alleen al
in 2026 worden hiermee naar verwachting enkele honderden professionals bereikt, die
kennis en ervaringen uitwisselen over actuele vraagstukken;
• het ondersteunen van (nieuwe) wethouders en bestuurders bij hun oriëntatie op de opgaven
rond een toekomstbestendige sociale infrastructuur.
Lerend Netwerk Divosa en Cedris
Divosa en Cedris stimuleren gezamenlijk leren en de onderlinge samenwerking tussen
gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven. In 2025 zijn in het hele land inspiratiesessies
georganiseerd om gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven te informeren over de opgave.
De belangrijkste inzichten uit deze bijeenkomsten zijn breed gedeeld via de publicatie
Reis naar een nieuwe sociale infrastructuur: de weg naar een toekomstbestendig werkontwikkelbedrijf.6
Dit jaar ligt de nadruk in de uitwisseling op het ontwikkelen van visies en plannen
die bijdragen aan deze transitie. Binnen het voortrekkersnetwerk wisselen circa 50 strategisch adviseurs, beleidsmedewerkers en projectleiders ervaringen
uit. Daarnaast werken zij gezamenlijk aan het oplossen van knelpunten en het benutten
van kansen die zich voordoen bij de ontwikkeling en implementatie van toekomstvisies.
Binnen het leeractietraject «Jongeren» richten 14 gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven zich specifiek op het
verbeteren van de ondersteuning van jongeren. In online uitwisselingssessies gaan gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven laagdrempelig met elkaar in gesprek
over specifieke vraagstukken in de planvorming, aan de hand van praktijkvoorbeelden
uit het land. Daarbij komen onder meer onderwerpen aan bod zoals de vertaling van
het uitgangspunt «de inwoner centraal» van visie naar uitvoering, het versterken van
het imago van sociaal ontwikkelbedrijven en het verstevigen van de verbinding tussen
werk, welzijn en zorg.
In de financiële denktank ontwikkelen financials en controllers scenario’s en modellen die het gesprek tussen
gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven ondersteunen over visie, inhoudelijke uitwerking,
uitvoering en een toekomstbestendige financiële basis.
De lessen en praktijkvoorbeelden uit deze activiteiten worden via het ondersteuningsprogramma
breed gedeeld, zodat gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven niet ieder afzonderlijk
het wiel hoeven uit te vinden. Steeds meer gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven
nemen deel aan landelijke activiteiten waar kennisdeling en samen leren en werken
centraal staat. Dit laat zien dat de beweging groeit. Ik verwacht dat dit bijdraagt
aan de totstandkoming en uitvoering van visies voor een toekomstbestendige sociale
infrastructuur.
Kosten en basten sociaal ontwikkelbedrijven
Uw Kamer heeft de motie van het lid Dijk c.s.7 aangenomen, waarin wordt gevraagd om voor sociaal ontwikkelbedrijven en begeleid
werken een brede batenanalyse uit te voeren. Zoals hierboven uiteengezet, bieden sociaal
ontwikkelbedrijven werk aan mensen met een afstand tot de reguliere arbeidsmarkt.
Werk biedt inkomen, structuur, sociale contacten, eigenwaarde en de mogelijkheid om
mee te doen. De baten daarvan liggen niet alleen bij de mensen die er werken, maar
ook bij de samenleving. Sociaal ontwikkelbedrijven kunnen in een krappe arbeidsmarkt
bijdragen aan het vervullen van werk dat nodig is. Daarnaast kan passend werk helpen
om zwaardere problematiek te voorkomen.
Werk draagt bij aan mentale gezondheid, bestaanszekerheid en kwaliteit van leven8. Daarom is het belangrijk om de bredere maatschappelijke baten van ondersteuning
en werk nadrukkelijk mee te wegen.
Bij de uitvoering van deze motie is gekeken naar de maatschappelijke baten van de
dienstverlening en ondersteuning die sociaal ontwikkelbedrijven bieden. Daarbij is
niet primair gekeken naar het sociaal ontwikkelbedrijf als organisatorische entiteit
of uitvoeringsvorm, maar naar de functies die worden vervuld door mensen die ondersteuning
nodig hebben richting werk en participatie. Het gaat bijvoorbeeld om (beschut) werk,
begeleiding en ondersteuning op de werkvloer. Juist deze functies bepalen in belangrijke
mate de maatschappelijke meerwaarde van sociaal ontwikkelbedrijven. Er zijn verschillende
onderzoeken beschikbaar naar de brede baten van werk voor mensen met een afstand tot
de arbeidsmarkt, waaronder onderzoeken naar werk binnen de Wsw. Omdat deze onderzoeken
elk een ander perspectief kiezen, spreek ik hieronder over de brede baten van werk
binnen de sociale infrastructuur als geheel.
Uit alle onderzoeken komt duidelijk naar voren dat werk bij sociaal ontwikkelbedrijven
positieve effecten heeft voor werknemers en voor de samenleving. Berenschot schat
dat de brede baten van beschut werk voor de samenleving rond de € 2.000 per persoon
per jaar liggen, onder meer door een betere kwaliteit van leven en een lager beroep
op zorg, maatschappelijke ondersteuning en minimabeleid9. SEO Economisch Onderzoek heeft verschillende onderzoeken naar de brede baten van
werk naast elkaar gezet. Daaruit blijkt dat het werk bij sociaal ontwikkelbedrijven
samenhangt met een afname van ca. 70% van het gebruik van geestelijke gezondheidszorg.
Ze vinden geen effect op fysieke gezondheid of de kans op schuldenproblematiek, maar
criminaliteit en het gebruik van beschermd wonen neemt eveneens af met ca. 70%. Dit
zijn grote positieve effecten. Jaarlijks leidt het hebben van een baan bij een sociaal
ontwikkelbedrijf volgens SEO Economisch Onderzoek tot een maatschappelijke besparing
van € 3.000 tot € 3.400 per persoon10.
Ook het SCP en CPB hebben onderzoek gedaan naar de brede baten van werk in de sociale
infrastructuur11. Ze vergeleken twee groepen binnen de Wsw. De eerste groep stond eind 2013 op de
wachtlijst voor de Wsw en had nog een jaar kans op werk binnen het sociaal ontwikkelbedrijf.
De tweede groep stond eind 2014 op de wachtlijst en verloor met de invoering van de
Participatiewet hun recht op een Wsw-werkplek. Door dit verschil in de baankansen
konden de onderzoekers laten zien welke brede effecten samenhangen met werk bij sociaal
ontwikkelbedrijven.
Zij laten zien dat dit werk duidelijke brede baten heeft, onder meer doordat mensen
minder gebruikmaken van geestelijke gezondheidszorg (7%-punt), Wmo-ondersteuning (9%-punt).
Ook crimineel gedrag neemt af (3,5%-punt). SCP en CPB schatten de brede maatschappelijke
baten op ongeveer € 5.000 per persoon per jaar, exclusief besparingen op de bijstandsuitkering12. Deze baten komen uit besparingen in de GGZ (€ 500), Wmo (€ 1.400) en een afname
van criminaliteit (€ 3.000). Dit bedrag is een ondergrens, omdat immateriële effecten
zoals sociale contacten, levensgeluk en zelfrespect niet meegewogen zijn. De brede
baten van werk bij sociaal ontwikkelbedrijven zijn volgens dit onderzoek dus nog groter
dan € 5.000 per persoon per jaar. Volgens het SCP en CPB slaat meer dan de helft van
deze baten niet direct neer bij gemeenten, maar bij bijvoorbeeld zorgverzekeraars
of het Rijk13.
De beschikbare onderzoeken laten daarmee zien dat investeren in beschut werk en in
de functies van sociaal ontwikkelbedrijven waarde heeft voor mensen, economie en samenleving.
De geschatte brede maatschappelijke baten van werk bij sociaal ontwikkelbedrijven
lopen uiteen van ongeveer € 2.000 tot € 5.000 per persoon per jaar. Daarbij gaat het
om een conservatieve inschatting, omdat besparing op de bijstandsuitkering en immateriële
positieve effecten, zoals kwaliteit van leven en sociale contacten, niet volledig
zijn meegenomen. Met bovenstaande analyse beschouw ik de motie van het lid Dijk c.s.
als afgedaan. Daarnaast ga ik verkennen of dit inzicht verder kan worden verdiept
met een brede kosten-batenanalyse die specifieker ingaat op de rol van sociaal ontwikkelbedrijven
en beschut werk in de samenleving.
Beschut werk
Stand van zaken beschut werk
Beschut werk is bedoeld voor mensen die alleen onder aangepaste omstandigheden en
met intensieve begeleiding kunnen werken. Gemeenten hebben de afgelopen jaren een
duidelijke inhaalslag gemaakt in het realiseren van beschutte werkplekken. Tegelijkertijd
groeit ook het aantal mensen met een positief advies beschut werk dat nog niet aan
het werk is, en bestaan er verschillen tussen regio’s. De opgave is daarom tweeledig:
voldoende passende werkplekken blijven realiseren én de uitvoering zo inrichten dat
mensen sneller en beter op de juiste plek terechtkomen. In de volgende onderdelen
ga ik in op de regionale verschillen, de wachtlijst, het nieuwe verdeelmodel, de praktijkroute
en de forfaitaire loonkostensubsidie.
Regionale verschillen
Uw Kamer heeft de motie van het lid Van Meetelen14 aangenomen, waarin de regering wordt verzocht in kaart te brengen hoe groot de regionale
verschillen in toegang tot en uitvoering van beschut werk zijn, en met concrete voorstellen
te komen om deze verschillen te verkleinen.
Voordat ik daarop inga, schets ik eerst het landelijke beeld. Dat beeld is positief:
gemeenten hebben de afgelopen jaren een flinke inhaalslag gemaakt. In 2021 realiseerden
gemeenten nog 78,7% van de doelstelling aan beschutte werkplekken. In september 2025
waren 11.586 personen met een positief advies beschut werk aan het werk. Dat is 97,4%
van het streefcijfer van 11.900 beschutte werkplekken voor eind 2025.
Verbeteringen in de financiering van beschut werk, waaronder de extra financiële middelen
die de afgelopen jaren beschikbaar zijn gekomen, hebben hier nadrukkelijk een positieve
bijdrage aan geleverd.
Tabel. 1 Aandeel (%) werkzame personen met positief advies ten opzichte van streefcijfer
2021
2022
2023
2024
2025
Streefcijfer aantal werkzame personen met indicatie beschut werk
8.600
9.500
10.300
11.100
11.900
Werkzame personen met positief advies
6.767
8.032
9.387
10.619
11.5861
Aandeel werkzame personen met positief advies ten opzichte van streefcijfer
78,7%
84,5%
91,1%
95,7%
97,4%2
X Noot
1
Dit cijfer betreft het aantal eind september 2025. De cijfers van december 2025 zijn
op het moment dat deze brief wordt verstuurd nog niet bekend.
X Noot
2
Idem dito
De positieve landelijke trend betekent niet dat in iedere arbeidsmarktregio de streefcijfers
worden gerealiseerd. Er zijn duidelijke regionale verschillen. Sommige regio’s realiseren
juist meer beschutte werkplekken dan hun streefcijfer, terwijl andere regio’s daaronder
blijven. Het dashboard beschut werk15 van UWV geeft op het niveau van de arbeidsmarktregio inzicht in het aantal personen
met een positief advies beschut werk dat werkzaam is. Dit is niet volledig gelijk
aan het aantal mensen dat met een indicatie beschut op een beschutte werkplek werkzaam
is, maar benadert dit in belangrijke mate.
In de bijlage bij deze brief is per arbeidsmarktregio een overzicht gegeven van het
aantal werkzame personen met een positief advies beschut werk en de daarbij behorende
streefcijfers. Daarbij is van belang dat de streefcijfers gebaseerd zijn op historische
Wsw-aantallen. Deze cijfers zijn na 2014 niet meer geactualiseerd en verliezen daardoor
in de tijd aan zeggingskracht over de daadwerkelijke behoefte aan beschut werk in
een regio. Een regio die onder het streefcijfer blijft, doet het daarom niet per definitie
slecht, een regio die erboven zit, doet het niet automatisch goed. De cijfers hebben
vooral een signaalfunctie. Het is belangrijk om op basis van deze signalen specifieker
te kijken naar de aanpak per regio alvorens daar een oordeel over kan worden geveld.
Dit inzicht is er momenteel niet op een landelijk vergelijkbare wijze. Daarnaast valt
op te merken dat juist regio’s met het grootste verschil tussen realisatie en het
streefcijfer in de afgelopen jaren een sterkere inhaalslag hebben gemaakt.
Ik zet verschillende acties in om de realisatie van voldoende beschutte werkplekken
op zowel landelijk, regionaal als gemeentelijk niveau verder te stimuleren.
Dit betreft onder andere aanpassingen aan het verdeelmodel voor de rijksbijdrage beschut
werk, invoering van een forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk en nader
onderzoek naar de wachtlijst voor beschut werk. Deze acties licht ik verderop in deze
brief toe. Hiermee beschouw ik de motie van het Kamerlid Van Meetelen als afgedaan.
Onderzoek wachtlijst beschut werk
Het dashboard beschut werk van UWV laat niet alleen zien hoeveel personen met een
positief advies beschut werk daadwerkelijk aan het werk zijn, maar ook hoeveel personen
met zo’n advies nog niet werken. Nu gemeenten de streefcijfers voor beschut werk vrijwel
realiseren, valt op dat er een groeiend aantal personen is dat nog niet aan het werk
is. Het aantal «wachtenden» groeit relatief net zo hard als het aantal mensen dat
jaarlijks extra door gemeenten aan het werk wordt geholpen. In september 2025 waren
er zo’n 5.600 personen met een positief advies beschut werk die niet aan het werk
waren.
Er bestaan verschillende beelden van deze groep. Zo wordt verschillend gedacht over
de vraag in hoeverre mensen op de wachtlijst direct kunnen starten, op termijn plaatsbaar
zijn of door beperkt arbeidsvermogen niet in beschut werk kunnen werken. Ook is nog
onvoldoende duidelijk welke andere factoren bijdragen aan het ontstaan van de wachtlijst.
Daarom start binnenkort een onderzoek dat meer inzicht moet bieden in de «wachtlijst»
voor beschut werk. Centrale vragen zijn:
• welke factoren dragen bij aan het ontstaan en voortbestaan van de wachtlijst;
• in hoeverre zijn mensen op de wachtlijst direct, op termijn plaatsbaar of niet plaatsbaar
in beschut werk;
• welke maatregelen kunnen gemeenten, uitvoerders, werkgevers en het Rijk nemen om de
wachtlijst te verkleinen.
Het doel van het onderzoek is om voorbij beelden te komen; deze beelden op plausibiliteit
te toetsen en op basis daarvan gerichte stappen richting oplossingen te zetten. De
uitkomsten van het onderzoek worden in het voorjaar van 2027 verwacht.
Nieuwe verdeelsleutel rijksbijdrage beschut werk
Vanaf 2027 wordt een nieuw verdeelmodel voor de rijksbijdrage beschut werk ingevoerd.
De nieuwe verdeelsleutel zal de middelen voor begeleiding en indirecte kosten beschut
werk verdelen naar het aantal gerealiseerde werkplekken en het aantal inwoners met
een positief advies beschut werk in een gemeente. Zo sluiten de middelen beter aan
op de behoefte naar en inzet van beschut werk in iedere gemeente. Ook gaat de verdeling
meebewegen met de jaarlijkse ontwikkelingen hierin. De huidige verdeelsleutel gaat
uit van ramingen uit 2014 en is dus sterk verouderd. De nieuwe verdeelsleutel is tot
stand gekomen in samenwerking met de VNG, Cedris en Divosa.
Met de nieuwe verdeelsleutel is gekozen voor een balans tussen gemeenten stimuleren
om beschutte werkplekken te realiseren en het borgen dat gemeenten met relatief grote
wachtlijsten voor beschut werk enige financiële ruimte hebben om deze in te lopen.
Dit is goed voor de mensen met een indicatie die wachten op een beschutte werkplek.
In overleg met de VNG, Cedris en Divosa is gekozen voor een ingroeipad van twee jaar.
Dit betekent dat een derde deel van de rijksbijdrage beschut werk per 1 januari 2027
op de nieuwe manier wordt verdeeld en twee derde deel nog volgens het oude verdeelmodel.
Per 1 januari 2029 geldt de nieuwe verdeelsleutel volledig. Het ingroeipad geeft gemeenten
tijd om zich aan te passen aan de nieuwe verdeling. Gemeenten zijn inmiddels via de
meicirculaire 2026 van het gemeentefonds16 geïnformeerd over de nieuwe verdeelsleutel en de voorlopige budgetten voor 2027.
De nieuwe verdeelsleutel maakt gebruik van gegevens van UWV over het aantal positieve
adviezen beschut werk in een gemeente. Het kan daarom zijn dat in de eerste periode
van de nieuwe verdeelsleutel een aantal gemeenten meer adviezen beschut werk zullen
aanvragen bij UWV. SZW en UWV hebben afgesproken dat, als er door de nieuwe verdeling
meer adviesaanvragen komen, dit niet ten koste mag gaan van de andere beoordelingen
zoals de WIA en Wajong. Dit kan wel betekenen dat op korte termijn in enkele regio’s
niet alle extra adviesaanvragen beschut werk binnen de termijn van acht weken kunnen
worden beoordeeld. Gemeente en de inwoner moeten dan langer wachten op het advies.
UWV en SZW blijven de tijdigheid van de beoordelingen gezamenlijk volgen.
Daarnaast heb ik gekeken naar de verdeling van het budget voor de begeleiding van
de gemeentelijke doelgroep voor de banenafspraak, specifiek of deze kunnen worden
verdeeld op basis van het aantal inwoners dat werkt met loonkostensubsidie. Dit was
eerder door mijn ambtsvoorganger toegezegd aan het lid Palland17. Naar mijn oordeel is de huidige verdeling passend. Het budget is nu onderdeel van
het cluster Participatie in de algemene uitkering van het Gemeentefonds. De middelen
in dit cluster worden sinds 2023 verdeeld op basis van vier maatstaven, waaronder
het aantal inwoners dat werkt met loonkostensubsidie en het aantal inwoners in het
doelgroepenregister. Dit sluit aan op het doel van het budget; een koppeling aan enkel
het aantal inwoners dat werkt met loonkostensubsidie zou eraan voorbijgaan dat niet
iedereen met een begeleidingsbehoefte werkt met loonkostensubsidie.
Praktijkroute beschut werk
Vanuit de verbeteragenda beschut werk, die is gericht op het wegnemen van knelpunten
uit de praktijk, is ook verkend of een praktijkroute voor beschut werk mogelijk en
wenselijk is. Daarbij is bezien hoe praktijkinformatie van gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven
beter kan worden benut bij de toegang tot beschut werk. De motie Biekman c.s.18 sluit hierbij aan en vraagt specifiek om breed te kijken naar het potentieel van
een praktijkroute via gemeenten, waarbij UWV geen toetsende rol meer heeft.
Ik begrijp de wens achter deze motie. Het aanvraagproces wordt in de praktijk soms
als complex en tijdrovend ervaren, terwijl gemeenten en sociaal ontwikkelbedrijven
vaak al goed zicht hebben op de mogelijkheden, ondersteuningsbehoefte en belastbaarheid
van mensen. Ik concludeer echter dat een praktijkroute voor beschut werk waarbij de
toetsende rol van UWV vervalt op dit moment niet de aangewezen route is. Anders dan
bij de banenafspraak gaat het beschut werk niet om loonwaarde, maar om de vraag of
iemand uitsluitend onder aangepaste omstandigheden en met intensieve begeleiding kan
werken. Daarvoor ontbreekt een vergelijkbaar eenduidig en objectiverend criterium.
Daarnaast zijn er nog mogelijkheden om het bestaande aanvraagproces te verbeteren,
met behoud van de onafhankelijke beoordeling door UWV. Die beoordeling blijft belangrijk
voor uniformiteit, rechtsgelijkheid en een zorgvuldige toegang tot deze intensieve
voorziening. Wel wil ik de praktijkinformatie beter benutten, onder meer via gerichte
praktijkobservatie en een vast format. Juist op plekken waar gemeenten, sociaal ontwikkelbedrijven
en UWV goed integraal samenwerken blijkt dat praktijkobservaties van gemeenten waardevolle
informatie opleveren en zwaarwegend worden meegenomen in de beoordeling door UWV.
Dit voorkomt dubbel werk tussen de gemeenten en UWV en draagt eraan bij dat UWV de
uiteindelijke beoordeling sneller kan uitvoeren. Samen met gemeenten, UWV en sociaal
ontwikkelbedrijven werk ik dit de komende periode verder uit, zodat de goede ervaringen
die hier regionaal al mee zijn ook op landelijk niveau toegepast gaan worden. Zo verbeteren
we het aanvraagproces zonder de waarborgen van onafhankelijke toetsing los te laten.
Met deze inzet geef ik uitvoering aan de achterliggende bedoeling van de motie Biekman
c.s.19 en beschouw ik deze motie als afgedaan.
Forfaitaire loonkostensubsidie beschut werk
In de Voorjaarsnota 2025 zijn middelen beschikbaar gekomen voor de invoering van een
forfaitaire loonkostensubsidie voor beschut werk. Structureel gaat het om € 90,1 miljoen.
Uw Kamer is hierover geïnformeerd in de voortgangsbrief Sociale ontwikkelbedrijven
en beschut werk van 2 juli 202520.
Naar aanleiding van meerdere signalen en uit onderzoek is gebleken dat de loonwaardemeting
specifiek bij werknemers met een indicatie beschut werk in veel gevallen resulteert
in een te lage vaststelling van de loonkostensubsidie. Daarom heeft het kabinet bij
Voorjaarsnota 2025 besloten om de loonwaardemeting voor werknemers met een indicatie
beschut werk te vervangen door een vaste, forfaitaire loonkostensubsidie van 68%.
Zo ontvangen werkgevers (meestal sociaal ontwikkelbedrijven) een meer passende loonkostensubsidie,
weten werkgevers waar ze aan toe zijn, verminderen de administratieve lasten en hoeven
werknemers met een indicatie beschut werk geen loonwaardemeting meer te ondergaan.
Deze loonwaardemeting wordt door beschut werkers regelmatig als emotioneel belastend
ervaren.
Voor deze wijziging is een wetswijziging nodig. De internetconsulatie van het wetsvoorstel
is afgerond. Na de zomer zal het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State worden
aangeboden. De beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2028. Tot die tijd ontvangen gemeenten
de extra beschikbare middelen via de rijksbijdrage beschut werk in het gemeentefonds.
In 2026 betreft dit € 36,7 miljoen.
De Minister van Werk en Participatie, A.A. Aartsen
Bijlagen
Bijlage 1 streefcijfers versus realisaties beschut werk op het niveau van de arbeidsmarktregio
Tabel: Streefcijfers beschut werk (ultimo 2025) versus aantal werkzame personen met
een positief advies beschut werk per arbeidsmarktregio (september 2025)
Arbeidsmarktregio
Streefcijfer
Werkzame personen met een positief advies beschut werk
Aandeel werkzame personen ten opzichte van streefcijfer
(t/m dec. 2025)
(t/m sept. 2025)
(in %)
Nederland
11.900
11.586
97,36%
Achterhoek
200
147
73,50%
Amersfoort
127
49
38,58%
Drechtsteden
220
172
78,18%
Drenthe
208
293
140,87%
Flevoland
225
354
157,33%
FoodValley
206
148
71,84%
Friesland
346
543
156,94%
Gooi en Vechtstreek
75
88
117,33%
Gorinchem
78
111
142,31%
Groningen
646
843
130,50%
Groot Amsterdam
777
511
65,77%
Haaglanden
502
582
115,94%
Helmond-De Peel
227
105
46,26%
Holland Rijnland
340
398
117,06%
Midden-Brabant
309
371
120,06%
Midden-Gelderland
425
144
33,88%
Midden-Holland
156
170
108,97%
Midden-Limburg
183
143
78,14%
Midden-Utrecht
390
312
80,00%
Noord-Holland Noord
500
566
113,20%
Noord-Limburg
180
154
85,56%
Noordoost-Brabant
781
603
77,21%
Regio Zwolle
356
481
135,11%
Rijk van Nijmegen
291
89
30,58%
Rijnmond
816
1.015
124,39%
Rivierenland
174
182
104,60%
Twente
451
570
126,39%
Veluwe Stedendriehoek
472
387
81,99%
West-Brabant
482
593
123,03%
Zaanstreek/Waterland
235
188
80,00%
Zeeland
259
372
143,63%
Zuid-Holland Centraal
171
159
92,98%
Zuid-Kennemerland en IJmond
236
258
109,32%
Zuid-Limburg
501
227
45,31%
Zuidoost-Brabant
355
258
72,68%
Indieners
A.A. Aartsen, minister van Werk en Participatie