Brief regering : Betrekken diasporaorganisaties bij ontwikkeling in het land van herkomst
36 180 Doen waar Nederland goed in is – Strategie voor Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking
Nr. 226
BRIEF VAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE HANDEL EN ONTWIKKELINGSSAMENWERKING
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Graag licht ik in deze brief toe, hoe de samenwerking met diasporaorganisaties bijdraagt
aan het bredere buitenlandbeleid van het kabinet. Diasporaorganisaties zijn onderdeel
van het maatschappelijk middenveld en, waar dit past binnen de landspecifieke context,
een belangrijke partner in de brede samenwerking vanuit wederzijds belang met het
land van oorsprong. Met deze brief doe ik de toezegging van mijn voorganger gestand
om te verkennen op welke wijze diaspora beter kunnen worden betrokken bij ontwikkeling
van het land van herkomst.1 Ook reageer ik op de motie met Kamerstuk 36 725 XVII, nr. 45 van de leden Ceder en Bamenga ten aanzien van Europese inzet voor een gezamenlijke
diasporastrategie, waarin de bijdragen van diasporagemeenschappen structureel worden
verankerd.
Diasporagemeenschappen kunnen actief bijdragen aan de ontwikkeling van hun land van
herkomst door hun groeiende investeringscapaciteit, de uitwisseling van vaardigheden,
transnationaal netwerk, en kennis, en het doneren van concrete goederen en geldovermakingen.2 Deze remittances vormen vaak een belangrijke bron van investeringen en inkomsten
voor de economie in een herkomstland. Diaspora-ondernemers kunnen ook een netwerk-
en brugfunctie vervullen tussen Nederland en hun land van herkomst. Zij kunnen met
hun kennis van zowel Nederland als het land van herkomst, en hun groeiende investeringscapaciteit
een waardevolle bijdrage leveren aan de Nederlandse economie en aan duurzame economische
ontwikkeling in onze partnerlanden. Het ondersteunen van de uitwisseling van vaardigheden
en kennis is een van de primaire manieren waarop overheden van bestemmingslanden betrokkenheid
van diaspora in ontwikkeling kunnen stimuleren.3 Effectieve interactie met diasporaorganisaties kan bijdragen aan verbeterde implementatie
en initiatie van innovatieve oplossingen voor duurzame en inclusieve ontwikkeling.4 Echter, diasporagemeenschappen zijn niet uniform en de meerwaarde van diasporaprojecten
voor duurzame ontwikkeling in het land van herkomst is sterk afhankelijk van de specifieke
context, de organisatie van de groep, en individuele vaardigheden van de implementerende
organisatie.5 Diasporaorganisaties en diaspora-ondernemers zijn daarom een belangrijke actor binnen
het brede maatschappelijk middenveld, private sector ontwikkeling, en internationaal
verdienvermogen, maar geen geïsoleerde partner van het buitenlandbeleid.6
Door het brede netwerk van diasporaorganisaties heeft deze groep vaak meer directe
toegang tot lokale gemeenschappen in het land van herkomst dan andere maatschappelijke
organisaties. Diasporaorganisaties bieden hiermee een extra bron van informatie en
kennis. Deze kennis en hun netwerk kan echter ook beperkt zijn tot bepaalde politieke
stromingen binnen het land van herkomst. Samenwerking met diasporaorganisaties als
partner voor ontwikkeling biedt daarom kennisvoordelen, maar kent ook mogelijke risico’s
van ongewenste inmenging van buitenlands diasporabeleid en/of oververtegenwoordiging
van bepaalde groepen die de onpartijdigheid van het ontwikkelingsbeleid kunnen ondermijnen.7 Deze risico’s worden zorgvuldig afgewogen bij het aangaan van samenwerking met diasporaorganisaties.
In (post-) oorlogs-/conflictgebieden zoals de Grote Merenregio, Syrië, en Oekraïne
kan het bijvoorbeeld waardevol zijn om het gesprek aan te gaan met diasporaorganisaties
over kansen voor diasporabijdragen aan wederopbouw en ontwikkeling.
In 2015 is op basis van uitgebreide evaluatie door mijn voorganger gekozen af te stappen
van structurele financiering van vaste diasporabetrokkenheid bij ontwikkeling door
programmering in herkomstlanden wegens gebrek aan effectiviteit, duurzaamheid en efficiëntie
van diaspora-ondernemerschapsprojecten.8 Conclusie van het rapport was dat ondernemingsvaardigheden en aansluiting bij de
lokale context leidend zijn voor duurzame resultaten in ontwikkelingslanden, niet
de afkomst van de aanvrager. Daarnaast liet de evaluatie zien dat de verwachting omtrent
het vermogen om in te spelen op de lokale economische, sociaal-culturele en politieke
realiteit door diaspora-ondernemers was overschat en dat het vertalen van opgedane
kennis een uitdaging was. Tegelijkertijd wijst de evaluatie op de versterkende werking
van teleurstellingen wegens beperkte effectiviteit van diaspora-initiatieven op bestaande
negatieve percepties van terugkerende ondernemers.
Leidraad sindsdien is, waar opportuun en passend in de landspecifieke context wordt
met diasporaorganisaties samengewerkt als belangrijk onderdeel van de algehele betrokkenheid
van ondernemers en van het brede maatschappelijk middenveld. Als onderdeel van het
maatschappelijk middenveld hebben diasporaorganisaties toegang tot subsidies onder
verschillende beleidskaders, zoals binnen de instrumenten van het Focus-beleidskader
(2026–2030). In CivicFocus, het programma voor de versterking van particuliere ontwikkelingsinitiatieven
dat begin 2026 van start is gegaan, wordt met extra aandacht gekeken naar initiatieven
van onder andere diasporaorganisaties. Het aantal diasporaorganisaties dat hiervan
gebruik maakt wordt ook gemonitord.9 Gezien de brugfunctie van diaspora-ondernemers nodigt het kabinet diaspora-ondernemers
uit om aan te sluiten bij het bestaande Nederlandse private sector development en
handelsinstrumentarium. Dit staat open voor alle Nederlandse ondernemers, ook diaspora-ondernemers.
De toegankelijkheid van deze instrumenten wordt voortdurend geëvalueerd en mogelijkheden
voor verbetering verkend.
Ook op Europees niveau wordt ingezet op het verbinden, coördineren, en formaliseren
van diaspora-inzet en organisaties. Hierin speelt de Europese Commissie een proactieve
en faciliterende rol door een pan-Europees diasporaplatform te initiëren en het gesprek
met lidstaten te faciliteren. De European Union Global Diaspora Facility (EUDiF) is
het vlaggenschip waarmee de Europese Unie bijdragen van diasporaorganisaties aan ontwikkeling
ondersteunt.10 Samenwerking met diaspora is in het verleden vaak gefragmenteerd geweest met voornamelijk
bilaterale initiatieven. Binnen dit project worden diasporaorganisaties in Europa
en landen van herkomst verbonden en ondersteund om effectiever samen te werken. Daarnaast
draagt het partnerschap bij aan het bevorderen van kennisontwikkeling en de dialoog
over het betrekken van diasporaorganisaties. EUDiF biedt een directe mogelijkheid
om de bijdrage van diaspora-initiatieven aan ontwikkeling, waaronder diasporaorganisaties
gevestigd in Nederland11, in Europees verband te stimuleren en institutionaliseert deze bijdrage op Europees
niveau in plaats van gefragmenteerd over lidstaten. Deelname van een Nederlandse diasporaorganisatie
aan EUDIF illustreert dat diasporaorganisaties niet alleen nationale maatschappelijke
actoren zijn, maar ook bijdragen aan Europese ontwikkelingsdoelstellingen.
Verder vond eind 2025 de jaarlijkse Europese diasporaconferentie plaats in Brussel,
waar lidstaten inclusief Nederland en de Europese Commissie in gesprek gingen om prioriteiten
en doelstellingen met betrekking tot diaspora-inzet uit te wisselen. Nederland ondersteunt
de Commissie bij de voortzetting en ontwikkeling van de Europese strategie met betrekking
tot diaspora aansluitend op de prioriteiten binnen het Europese migratie- en asielpact
en van het Franse voorzitterschap van de G7 zoals besproken tijdens de recente Evian
top: brede partnerschappen met landen buiten de EU en een hernieuwde aanpak tot ontwikkelingsfinanciering,
inclusief mobiliseren van private investeringen.
De Minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking,
S.W. Sjoerdsma
Ondertekenaars
S.W. Sjoerdsma, minister van Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking