Brief regering : Herziening Rijksbreed Cloudbeleid 2026
26 643 Informatie- en communicatietechnologie (ICT)
Nr. 1541
BRIEF VAN DE STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN EN KLIMAAT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Met deze brief informeer ik u, mede namens de Staatssecretaris van Binnenlandse Zaken
en Koninkrijksrelaties, over de herziening van het rijksbreed cloudbeleid die in de
ministerraad van 3 juli jl. is vastgesteld. Bijgevoegd vindt u ook het herziene document.
In deze brief informeer ik u over de aanleiding van de herziening, de belangrijkste
aanscherpingen en de vervolgstappen.
Het gebruik van verschillende vormen van cloud binnen de rijksoverheid neemt toe.
Mede naar aanleiding van twee onderzoeken,1 gewijzigde geopolitieke verhoudingen en ontwikkelingen in de cloudmarkt is de noodzaak
ontstaan om tot een herziening van het rijksbreed cloudbeleid te komen.
Het herziene rijksbrede cloudbeleid gaat uit van het huidige gebruik van clouddiensten
door de rijksoverheid, en geeft richting door middel van een aantal aanscherpingen.
Die aanscherpingen hebben betrekking op de uitbreiding van het aantal overheidsorganisaties
die onder het cloudbeleid gaan vallen, een scherpere formulering voor de exit-strategie,
een verdere beperking ten aanzien van de landen waar data mag worden verwerkt en een
aantal toepassingen die niet langer van publieke cloud gebruik kunnen maken. Het is
te voorzien dat door de zwaardere eisen organisaties (nog) niet direct aan het cloudbeleid
zullen voldoen. Daarom bevat het cloudbeleid een overgangstermijn.
Voor de herziening van het cloudbeleid zijn in het coalitieakkoord geen extra middelen
beschikbaar gesteld. Daarnaast kent de Rijksoverheid een rijksbrede taakstellingen
uit het coalitieakkoord, die de komende jaren impact hebben op de beschikbare capaciteit
en middelen. Dit betekent dat het herziene cloudbeleid ingepast moet worden binnen
de bestaande IV-mogelijkheden en de huidige kaders van de departementale begrotingen.
Hierdoor kan de implementatie langere tijd in beslag nemen, moeten scherpe keuzes
gemaakt worden en moet waar nodig herprioritering plaatsvinden. De overgangstermijn
geeft ook de kans om, waar mogelijk, te profiteren van het groeiende aanbod van soevereine
cloudoplossingen.
Ik geef u hieronder een overzicht van de belangrijkste aanscherpingen in het beleid,
een verwijzing naar de paragraaf waar dit in het cloudbeleid terug te vinden is en
de overwegingen om deze aanscherping te doen.
Aanscherpingen
(Sectie 1) De werking van het cloudbeleid wordt aangepast. Het aangescherpte beleid
zal gelden voor de gehele rijksoverheid, met uitzondering van de Hoge Colleges van
Staat en het Ministerie van Defensie. Hoge Colleges van Staat en andere overheidsorganisaties
wordt geadviseerd om het beleid te volgen.
(Sectie 1) Voor bestaand cloudgebruik dat nu niet voldoet aan de eisen van het herziene
rijkscloudbeleid, geldt een overgangstermijn van 4 jaar na vaststelling van dit beleid.
Bestaande overeenkomsten met een langere looptijd mogen gerespecteerd worden. In de
gevallen waar migratie of aanpassing hoge kosten of risico’s met zich meebrengen,
mag de aanpassing of migratie worden ingepast op een logisch moment in de levenscyclus
van de betrokken toepassing.
Deze overgangstermijn is ingevoerd om organisaties de gelegenheid te geven de aanpassingen
en eventuele migraties goed in te passen in de bestaande meerjarenplannen. De overgangsperiode
geeft ruimte aan de overheid en de markt om meer soevereine cloudvoorzieningen te
realiseren. Op deze wijze worden desinvesteringen en verdringingseffecten op reeds
geplande aanpassingen voorkomen.
(Sectie 3.1) Bij het maken van een integrale risicoafweging wanneer sprake is van
materieel cloudgebruik wordt extra aandacht gevraagd voor de mogelijke risico’s van
een te grote leveranciersafhankelijkheid en die van andere jurisdicties. Dat laatste
komt voor wanneer leveranciers (deels) onder een andere jurisdictie dan de Nederlandse
of één van de EU of Europese Economische Ruimte (EER)-lidstaten valt.
(Sectie 3.2) De huidige exit-strategieën hebben vaak vooral betrekking op de eis dat
een cloudleverancier bij een exit de data overhandigt en, na vertrek, deze zal vernietigen.
In het herziene beleid wordt nu ook het opstellen van een meer gedetailleerd exitplan
verplicht. Dit plan moet zowel betrekking hebben op een reguliere en geplande exit
alsook op een situatie waarbij de clouddienst op korte termijn niet meer beschikbaar
is of al uitgevallen is. Het gevraagde exitplan zorgt voor meer inzage in de benodigde
doorlooptijd en kritische randvoorwaarden bij een exit. Het noodplan geeft inzage
in de mate waarin een overheidsorganisatie in staat is bij verstoringen in de digitale
keten toch te functioneren. Deze aanscherping past ook goed binnen de aanbevelingen
van het rapport «Van kwetsbaar naar weerbaar».2
(Sectie 3.3) Materieel cloudgebruik en de bijbehorende risicoanalyse en exitplannen
moet gemeld worden bij CIO Rijk. Deze centrale melding stelt CIO Rijk in staat haar
monitorende rol ten aanzien van cloudgebruik en de daaruit voortkomende risico’s uit
te voeren. De uiteindelijke besluitvorming en acceptatie van risico’s blijft de verantwoordelijkheid
van de betrokken bewindspersoon of bestuurder van de overheidsorganisatie.
(Sectie 4) Bij gebruik van publieke cloud is opslag en verwerking beperkt tot de landen
van de EER en worden data versleuteld (behalve wanneer het openbare data betreft).
Daarmee beschouw ik de motie Rajkowski (VVD) als afgedaan.3
(Sectie 4.3) Voor kritieke en essentiële entiteiten, in het kader van respectievelijk
de Wet weerbaarheid kritieke entiteiten en de Cyberbeveiligingswet, wordt afgeraden
om voor de ondersteuning van de kerntaken afhankelijk te zijn van een leverancier
die deels onder een andere jurisdictie dan de Nederlandse of een van de EU of EER-lidstaten
valt. Daarmee wordt ook invulling gegeven aan de motie van de leden Thijssen (PRO)
en Bruyning (NSC).4
(Sectie 4.5) Voor e-mail- en documentbeheer wordt afgeraden deze in de publieke cloud
te verwerken. Bestaande publieke cloudoplossingen zullen, met een overgangstermijn,
worden gemigreerd. E-mail en documenten bevatten een grote hoeveelheid overheidsinformatie
die, zelfs wanneer individuele e-mails of documenten niet hoog gerubriceerd zijn,
door de combinatie van hun inhoud en grote hoeveelheid toch een risico kunnen vormen.
Daarnaast is de bedrijfsvoering vaak in grote mate afhankelijk van dit e-mail en documentbeheer.
Met deze aanpassing beschouw ik de motie van de leden Kathmann (PRO) en Six Dijkstra
(NSC) als afgedaan.5
(Sectie 4.6) Gebruik van publieke cloud voor verwerking van bijzondere persoonsgegevens
wordt afgeraden en wanneer dit toch noodzakelijk is, moeten Privacy Enhancing Technologies
worden toegepast.
(Sectie 5.2) Het gebruik van publieke clouddiensten blijft niet toegestaan voor staatsgeheime
gerubriceerde informatie en voor te beschermen belangen (TBB) niveau 1 tot en met
3. Bij gebruik van externe leveranciers moeten deze voldoen aan de eisen van de Algemene
Beveiligingseisen Rijksoverheid (ABRO 20266).
(Sectie 5.4) Basisregistraties van de rijksoverheid mogen publieke cloud toepassen
voor redenen van performance en schaalbaarheid. De brondata mogen niet in de publieke
cloud worden beheerd. Daarmee blijft de beschikbaarheid van deze registraties in eigen
hand.
Vooruitblik
De herziening van het rijksbreed cloudbeleid valt samen met meerdere trajecten in
andere overheidslagen. Als verdere uitwerking van het herziene cloudbeleid zal het
implementatiekader risicoafweging cloudgebruik van een update worden voorzien. Daarnaast
is het de ambitie om te komen tot een integraal afwegingskader risicobeoordeling voor
digitale diensten. De uitvoeringsorganisaties zullen betrokken worden bij de herziening
van het implementatiekader om hun perspectief voldoende mee te wegen.
Daarnaast wil ik op korte termijn met de medeoverheden aan de slag om te komen tot
een overkoepelend overheidsbreed cloudbeleid. De problematiek en uitdagingen op het
niveau van gemeenten, provincies en waterschappen is immers niet anders. Een overkoepelend
overheidsbreed cloudbeleid draagt bij aan verdere standaardisatie binnen de overheid,
wat weer bevorderlijk is voor een gelijk beschermingsniveau, mogelijkheden tot bundeling
van inkoopkracht en de rol van de overheid als «launching customer».
Daarnaast zal de impact van EU-regelgeving, zoals voorgesteld in de Cloud and AI Development
Act (CADA) ook een impact hebben op het toekomstige beleid. Voor wat betreft het CADA
is 26 juni jl. een BNC-fiche gepubliceerd.7
De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,
W.J.M. Aerdts
Ondertekenaars
W.J.M. Aerdts, staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat