Brief regering : Aanscherpingen wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders
36 686 Wijziging van de Wet marktordening gezondheidszorg, de Wet toetreding zorgaanbieders, de Jeugdwet en enige andere wetten in verband met de integriteit van de bedrijfsvoering van zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders)
Nr. 9
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 3 juli 2026
Dit kabinet heeft verantwoord ondernemerschap in de zorg en jeugdhulp hoog in het
vaandel staan. Dit is ondernemerschap dat daadwerkelijk bijdraagt aan goede, toegankelijke
en betaalbare zorg en jeugdhulp, nu en in de toekomst. Zodat elke euro die naar de
zorg gaat goed terecht komt en de belangen van patiënten en jeugdigen centraal staan.
Om verantwoord ondernemerschap in de zorg te bevorderen, en daarmee misbruik van geld
dat bedoeld is voor de zorg zoveel mogelijk tegen te gaan, wil het kabinet:
• Dezelfde eisen stellen aan alle aanbieders van zorg- en jeugdhulp; ontwijkconstructies
lonen niet meer. Er mogen bescheiden winstuitkeringen worden gedaan, maar alleen als
zij niet hoger zijn dan een maximumpercentage en voldoen aan strenge voorwaarden.
• De regels voor bedrijfsvoering van zorg- en jeugdhulpaanbieders verder aanscherpen,
zodat deze daadwerkelijk bijdragen aan verantwoord ondernemerschap.
Het wetsvoorstel Wet integere bedrijfsvoering zorg- en jeugdhulpaanbieders (Wibz)
dat in januari 2025 aan uw Kamer is gezonden, stelt randvoorwaarden aan (financiële)
bedrijfsvoering, winstuitkering en vergunningverlening en -intrekking voor aanbieders
van zorg en jeugdhulp. Dit wetsvoorstel is een stap in de goede richting.
Maar er is meer nodig, vindt het kabinet. Uit de reacties op dit wetsvoorstel vanuit
de Kamer blijkt dat de voorgestelde normen strenger, duidelijker en meer handhaafbaar
kunnen en moeten zijn.
Het kabinet wil daarom dit wetsvoorstel aanvullen met strengere normen, zodat voor
hoge winstuitkeringen of zelfverrijking in de zorg of jeugdhulp geen plaats is.
Daarom richt het voorstel zich op het aangeven van grenzen, waarbij welwillende aanbieders
ruimte behouden om hun bedrijfsvoering in te richten op een manier die past bij de
aard van de zorg of de jeugdhulp die zij verlenen en de omgeving waarin zij verkeren.
De grote opgaven in de zorg, zoals personeelstekorten en wachtlijsten, zijn immers
ook gebaat bij vernieuwende ontwikkelingen die de zorg en jeugdhulp ook in de toekomst
toegankelijk en beschikbaar houden. Dit vraagt om investeerders die gericht zijn op
een houdbaar toekomstperspectief voor de zorg en jeugdhulp en die belang hechten aan
de kwaliteit van zorg en jeugdhulp en het belang van patiënt en cliënt. De aangescherpte
normen die het kabinet voorstelt en toelicht in deze brief zijn gericht op een betere
balans tussen ruimte voor ondernemerschap en een duidelijke normering aan de voorkant.
Daardoor wordt duidelijk wat we van aanbieders in de zorg en jeugdhulp verwachten
en wat we normaal vinden, zodat excessen kunnen worden voorkomen.
Het is van belang dat de normen voor (financiële) bedrijfsvoering en winstuitkering
duidelijk en handhaafbaar zijn. Daartoe zijn ook verdere aanscherpingen in het wetsvoorstel
nodig. Deze aanscherpingen nemen bestaande onduidelijkheden en ongelijkheden weg en
voorkomen ontwijkconstructies. En zorgen ervoor dat er geen oneerlijke verschillen
tussen aanbieders ontstaan. Hiermee komt het kabinet tegemoet aan de verschillende
reacties van de Tweede Kamer, aanbieders, toezichthouders en diverse andere partijen
op het wetsvoorstel. Bovendien wordt duidelijkheid verschaft over de reikwijdte van
het winstuitkeringsverbod, mede naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak
Raad van State (de Afdeling).1
Hieronder worden de aanscherpingen verder toegelicht. De opbouw van deze brief is
als volgt: als eerste worden de verschillende onderdelen van het wetsvoorstel die
het kabinet wil aanscherpen toegelicht. Dit zijn achtereenvolgens: 1) aanscherpingen
met betrekking tot normen voor winstuitkering, 2) strengere en duidelijkere normen
voor bedrijfsvoering, en 3) een tweetal overige aanscherpingen. Daarna geeft het kabinet
een reactie op een aantal moties en toezeggingen die samenhangen met de onderwerpen
van het wetsvoorstel en die hiermee worden afgedaan.
Het kabinet bereidt momenteel een nota van wijziging voor, waarin de in deze brief
geschetste wijzigingen worden opgenomen. Deze nota van wijziging zal voor toetsing
naar diverse uitvoeringsinstanties worden gestuurd. Vervolgens gaat de nota van wijziging
voor advies naar de Afdeling Advisering van de Raad van State, waarna deze aan uw
Kamer kan worden aangeboden. Vooruitlopend daarop informeert het kabinet u in deze
brief alvast over de voorgenomen wijzigingen.
1. Aanscherping normen winstuitkering
De huidige regels over winstuitkering in de zorg schieten op een aantal onderdelen
tekort. Ten eerste zijn er op dit moment voor veel aanbieders en sectoren geen grenzen
gesteld aan de mate waarin winst kan worden uitgekeerd. Het risico daarvan is dat
er aanbieders zijn bij wie het uitkeren van winst boven het leveren van goede zorg
wordt gesteld. En dat past niet bij de collectieve financiering en het grote maatschappelijk
belang van de zorg. Daarom wil het kabinet hier grenzen aan stellen. Deze aanvullende
voorwaarden om winst uit te keren worden toegelicht onder 1.1.
Ten tweede zijn de huidige regels over winstuitkering onvoldoende eerlijk en handhaafbaar.
Het huidige onderscheid tussen wie wel of niet winst mag uitkeren is niet logisch
meer. De regels voor winstuitkering zijn verschillend per sector of leveringsvorm,
en deze verschillen zijn niet meer goed uit te leggen. Dit blijkt ook uit de praktijk,
signalen van toezichthouders en de uitspraak van de Afdeling. Het kabinet wil de regels
voor winstuitkering daarom voor iedereen gelijktrekken: alle aanbieders van zorg-
en jeugdhulp kunnen een bescheiden winst uitkeren, onder strenge voorwaarden die voor
alle aanbieders gelden. Dan maken de regels geen onderscheid meer tussen hoofd- en
onderaannemers. Dit leidt er toe dat er geen ontwijkconstructies meer mogelijk zijn
en ook geen oneerlijke verschillen meer zijn tussen sectoren. Tevens maakt dit toezicht
en handhaving van de regels eenvoudiger, waardoor deze in de praktijk meer effect
hebben. De toelichting op deze wijzigingen staat onder 1.2.
1.1 Aanvullende voorwaarden winstuitkering
Hoewel het huidige wetsvoorstel al diverse randvoorwaarden stelt aan winstuitkeringen,
zoals goede kwaliteit van zorg en een goede financiële gezondheid van de aanbieder,
acht het kabinet verdere aanscherpingen nodig om excessieve winstuitkeringen te voorkomen.
Beoogd wordt de volgende onderdelen in de nota van wijziging op te nemen of om hierin
op wetsniveau een grondslag te creëren om het in lagere regelgeving vast te leggen:
a. Maximum percentage winstuitkering
Een winstuitkering mag niet hoger zijn dan een maximum percentage van het geïnvesteerd
vermogen. Met deze eis wil het kabinet duidelijkheid verschaffen over een acceptabel
niveau aan winstuitkering in de zorg. Het kabinet laat nader onderzoek doen naar de
hoogte van het maximumpercentage. Met deze aanscherping kunnen aanbieders of investeerders
een bescheiden maar voldoende aantrekkelijk rendement behalen. Tegelijkertijd heeft
de zorg hierdoor minder aantrekkingskracht op malafide aanbieders en investeerders
die uit zijn op excessief financieel gewin. Door deze maatregel zullen excessieve
winstuitkeringen tot de verleden tijd behoren.
b. Voldoen aan jaarverantwoordingsplicht
De openbare jaarverantwoording is een noodzakelijk instrument voor de Nederlandse
Zorgautoriteit (NZa) om te kunnen controleren of een aanbieder een winstuitkering
heeft gedaan en geeft inzicht of de aanbieder voldoet aan de voorwaarden om winst
uit te keren, zoals de financiële ratio’s2. Voorgesteld zal worden dat het niet voldoen aan deze verplichting reden is om een
winstuitkering te verbieden.
c. Geen overtreding normale marktvoorwaarden of onverantwoorde risico’s
In het huidige wetsvoorstel zijn twee normen voor bedrijfsvoering opgenomen waar aanbieders
aan moeten voldoen: i) de norm voor het hanteren van normale marktvoorwaarden bij
grote transacties met verbonden partijen en ii) het verbod op onverantwoorde risico’s
bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen.
Het kabinet vindt het niet passend om een winstuitkering toe te staan als een aanbieder
niet aan deze normen voldoet. Daarom neemt het kabinet in de nota van wijziging de
voorwaarde op, dat voor het uitkeren van winst ook aan deze normen over bedrijfsvoering
in het wetsvoorstel voldaan moet zijn.
1.2 Duidelijker en handhaafbare regels voor winstuitkering
De regels voor winstuitkering verschillen op dit moment tussen verschillende soorten
aanbieders en sectoren, ze zijn onvoldoende eerlijk, duidelijk en handhaafbaar. Er
geldt nu een algemeen winstuitkeringsverbod in de zorg, waarvan een aantal specifieke
sectoren of leveringsvormen zijn uitgezonderd. Grofweg geldt dit winstuitkeringsverbod
voor hoofdaannemers in de intramurale Zvw- en Wlz-zorg, en in de extramurale medisch
specialistische zorg (MSZ). Aanbieders die extramurale zorg leveren (denk bijvoorbeeld
aan huisartsenzorg, kraamzorg, mondzorg, paramedische zorg, extramurale GGZ), onderaannemers
en jeugdhulpaanbieders mogen wel winst uitkeren3. In de praktijk blijkt echter dat in de sectoren waar een winstuitkeringsverbod geldt
toch winst wordt uitgekeerd.4 Aanbieders maken bijvoorbeeld gebruik van de mogelijkheid om door middel van een
onderaannemer winst uit te keren, omdat onderaannemers namelijk niet onder het huidige
winstuitkeringsverbod vallen. Een veel gebruikte constructie is de oprichting van
een stichting, waaronder één of meerdere BV’s vallen.
Voorbeeld: Een stichting (hoofdaannemer) besteedt de zorg uit aan verschillende BV’s,
die zorg verlenen in onderaanneming voor de stichting. De winst kan vervolgens via
de BV’s worden uitgekeerd, ook in sectoren waar een winstuitkeringsverbod geldt.
Een andere methode is dat verschillende vormen van zorg die door één aanbieder worden
geleverd in verschillende entiteiten worden ondergebracht, waardoor het winstuitkeringsverbod
alleen van toepassing is op de entiteit die zorg levert die onder het winstuitkeringsverbod
valt, en er wel winst wordt uitgekeerd via de andere entiteiten.
Naast de constatering dat in de praktijk winst wordt uitgekeerd in sectoren waarvoor
als uitgangspunt een winstuitkeringsverbod geldt, weegt het kabinet de reeds genoemde
uitspraak van de Afdeling in de zaak Radiology zwaar mee bij de afwegingen omtrent
het vormgeven van een toekomstbestendige regulering van winstuitkeringen in de zorg
en jeugdhulp. De Afdeling heeft in deze zaak geoordeeld dat de Minister het winstuitkeringsverbod
niet coherent en consistent heeft toegepast: onderaannemers mogen wel winst uitkeren
en hoofdaannemers niet. Dit verschil, en waarom dat mag, is onvoldoende gemotiveerd.
Dat geldt tevens voor het onderscheid tussen «complexe» en «niet-complexe» zorg. De
Afdeling oordeelde dat de toepassing van deze regels in de zaak van Radiology in strijd
is met Europees recht. Deze uitspraak zorgt nu voor onduidelijkheid over de toepasbaarheid
en handhaafbaarheid van het huidige winstuitkeringsverbod in de zorg.
Het kabinet ziet noodzaak om te voorzien in een meer consistent en coherent systeem
van winstuitkering in de zorg. Een systeem dat strikter is dan de huidige praktijksituatie,
met strengere voorwaarden.
Gekozen is voor regels die de hoogte van de winstuitkering normeren en voorwaarden
stellen in welke situaties winst mag worden uitgekeerd. Het kabinet creëert hiermee
een gelijk speelveld voor alle aanbieders: alle aanbieders mogen tot maximaal een
acceptabel niveau winst uitkeren, mits wordt voldaan aan strikte voorwaarden. Deze
regels gelden voor alle aanbieders in alle sectoren, ongeacht leveringsvorm. Voor
hoofd- en onderaannemers. Ontwijkconstructies hebben geen zin meer. Dit is belangrijk
met het oog op conformiteit met het EU-recht. Hoewel het winstuitkeringsverbod hiermee
komt te vervallen, wordt het beleid en de praktijk rondom winstuitkeringen vanwege
de gestelde voorwaarden strenger dan de huidige, diffuse situatie met een gedeeltelijk
winstuitkeringsverbod.
Andere mogelijkheden om winst in de zorg te reguleren hebben volgens dit kabinet niet
het gewenste resultaat. Een algeheel winstuitkeringsverbod heeft een ongewenst effect
op beschikbaarheid van kapitaal voor huidige en toekomstige investeringen in de zorg.
In diverse sectoren hebben verschillende partijen, als banken en individuen, investeringen
gedaan die hebben geleid tot efficiënte inzet van mensen of middelen in combinatie
met kwalitatief goede zorg. Voorbeelden daarvan zijn te vinden bij bepaalde zelfstandige
behandelcentra, passende zorg voor psychiatrische patiënten aan huis, voorkomen van
ziekteverzuim bij medewerkers en de inzet van digitale ondersteuning en slimme software
bijvoorbeeld in de back office of bij triage. Ook bij bedrijfsopvolging zijn soms
investeerders nodig. Waar het ook gebruikelijk is een vergoeding te vragen voor het
beschikbaar stellen van hun kapitaal: ze lopen immers ook het risico dat het géén
goede investering is.
Met een algeheel verbod op winstuitkeringen zal een groot deel van dit aanbod van
investeerders verdwijnen. Als gevolg zullen toekomstige investeringen, die vanwege
de grote opgaven in de zorg zoals personeelstekorten en wachtlijsten juist zo hard
nodig zijn, verdwijnen. Dit heeft een direct effect op de beschikbaarheid en toegankelijkheid
van zorg.
Een systeem waarbij per sector of leveringsvorm wordt gekeken of winstuitkering mogelijk
zou moeten zijn, leidt ook tot ongewenste gevolgen. Als eerste is het moeilijk op
grond van voldoende objectieve gegevens het onderscheid te maken tussen verschillende
sectoren voor winstuitkering, dit maakt een dergelijk stelsel juridisch kwetsbaar.
Daarnaast leidt elk onderscheid dat tussen sectoren wordt gemaakt, tot oneigenlijke
organisatorische constructies om het verbod te ontwijken. Dit kan ook de gewenste
samenwerking over sectoren heen in gevaar brengen.
Concluderend leidt een dergelijk systeem, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen
sectoren niet tot een consistent, coherent en toekomstbestendig systeem.
2. Strengere en duidelijkere normen voor bedrijfsvoering
In het huidige wetsvoorstel zijn twee normen voor bedrijfsvoering opgenomen: normen
voor i) het hanteren van normale marktvoorwaarden bij grote transacties met verbonden
partijen en ii) om geen onverantwoorde risico’s te nemen bij het aantrekken of terugbetalen
van eigen of vreemd vermogen. Uit de reacties op het wetsvoorstel, onder andere in
het verslag van de Tweede Kamercommissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport en
het rondetafelgesprek op 24 maart 2025 in de Tweede Kamer, blijkt dat ook deze normen
aanpassing vergen. Enerzijds gaat dit over de duidelijkheid van de normen, voor zowel
aanbieders als toezichthouder. Anderzijds gaat het ook over de mogelijkheid om strengere
normen te stellen bij ongewenste financieringsconstructies (bij overnames), zoals
onder andere door sommige private equity partijen gebruikt worden. Dergelijke constructies
kunnen immers tot risico’s voor de continuïteit van zorg- en jeugdhulp op de korte
of lange termijn leiden.
Daarom wordt nu gewerkt aan verbreding van de delegatiegrondslag voor deze normen
voor bedrijfsvoering. Op deze manier ontstaat ruimte om de normen verder te concretiseren
en te verduidelijken. Hieronder worden deze aanscherpingen toegelicht.
2.1 Normale marktvoorwaarden bij grote transacties met verbonden partijen
Zowel de Tweede Kamer als aanbieders hebben aangegeven dat onduidelijk is wat wordt
verstaan onder de termen «verbonden partijen» en «van betekenis zijnde transacties».
Zij geven aan dat als duidelijk is wat onder deze termen wordt verstaan, ook meer
duidelijkheid ontstaat over wanneer de gestelde voorwaarden van toepassing zijn. Dit
kabinet wil in de algemene maatregel van bestuur (amvb) deze termen uitwerken en verduidelijken.
Het opnemen van een delegatiegrondslag in het wetsvoorstel biedt die mogelijkheid.
Doel van de aanpassing is om de norm voor van betekenis zijnde transacties eenvoudiger
te maken voor zorg- of jeugdhulpaanbieders. Door vereenvoudiging wordt bovendien de
uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid voor de NZa vergroot. Ook zorgt een duidelijkere
afbakening er voor dat goedwillende zorg- of jeugdhulpaanbieders zich niet overmatig
maatschappelijk gaan verantwoorden om aan de wet te voldoen. Dit kan daarmee ook de
administratieve lasten verlagen.
Op basis van een bredere delegatiegrondslag kunnen ook extra randvoorwaarden aan van
betekenis zijnde transacties worden gesteld. In dat kader is het de bedoeling om bij
amvb een meldplicht op te nemen voor vastgoedtransacties. Op grond van deze meldplicht
moeten aanbieders die een vastgoedtransactie aangaan met een verbonden partij dit
vooraf melden bij de NZa.
2.2 Onverantwoorde risico’s bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd
vermogen
Uit reacties op het wetsvoorstel van de Tweede Kamer en aanbieders is gebleken dat
de norm dat bij het aantrekken of terugbetalen van eigen of vreemd vermogen geen onverantwoorde
risico’s mogen worden genomen, als onduidelijk wordt ervaren. Daarom is het de bedoeling
om bij nota van wijziging een delegatiegrondslag aan deze bepaling toe te voegen.
Daarmee kan duidelijkheid worden gegeven wat als onverantwoorde risico’s worden gezien.
Op basis van deze delegatiegrondslag kunnen dan ook extra voorwaarden aan financieringsconstructies
worden gesteld. De aanscherping die het kabinet wil opnemen is het beperken van schulden,
aangegaan door de aankoper, die bij een overname worden afgewenteld op de zorg- of
jeugdhulpaanbieder. Veel private equity partijen of andere investeerders gaan een
lening aan om een overname te financieren. Deze lening zetten zij vervolgens op de
balans van de overgenomen zorg- of jeugdhulpaanbieder. Deze constructie geeft (continuïteits)risico’s
voor de aanbieder, omdat deze nu aansprakelijk is voor het terugbetalen van deze schulden.
Dit kan leiden tot bijvoorbeeld een te grote productieprikkel om voldoende omzet te
behalen of het snijden in de kwaliteit van zorg of jeugdhulp om kosten te verminderen.
Met deze constructie kan het rendement voor de investeerder toenemen, maar neemt tegelijkertijd
de kwetsbaarheid van zorg- of jeugdhulpaanbieders bij tegenvallende financiële resultaten
toe.
Met deze aanscherping wil het kabinet de uitwassen van private equity inperken, en
de financiële risico’s voor zorg- en jeugdhulpaanbieders beperken.
3. Overige aanscherpingen
Tot slot is het kabinet voornemens om, naar aanleiding van signalen van toezichthouders,
ook nog twee andere aanscherpingen op te nemen in de nota van wijziging. De eerste
is een «stopregeling». Dit wordt nader toegelicht onder 3.1. En de tweede betreft
het opnemen van een extra intrekkingsgrond voor de Wtza-vergunning, namelijk de eis
van het voldoen aan de verplichting tot jaarverantwoording. Deze maatregel onderstreept
het belang van de openbare jaarverantwoording voor de NZa om te kunnen controleren
of een aanbieder voldoet aan de voorwaarden voor (financiële) bedrijfsvoering en winstuitkering.
Deze aanscherping wordt beschreven onder 3.2.
3.1 Stopregeling
Momenteel geldt dat als een aanbieder stopt met het leveren van zorg of jeugdhulp,
zij niet meer aan de wettelijk definitie voldoen van zorgaanbieder of jeugdhulpaanbieder.
Het gevolg daarvan is dat deze voormalige aanbieders niet langer verplicht zijn om
de bepalingen van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) en de Jeugdwet na te
leven. Voor niet-integere aanbieders kan dit een route zijn om de regels te ontwijken
en er bijvoorbeeld met onrechtmatig uitgekeerde winsten vandoor te gaan.5
Een voorbeeld: Aanbieder A B.V. doet een winstuitkering in strijd met de wet (Wmg
of Jeugdwet). Vervolgens stopt aanbieder A B.V. met het aanbieden van zorg. De NZa
kan hem dan niet meer verplichten om de winstuitkering terug te halen bij de ontvangers
daarvan. Ook kan de NZa A B.V. niet meer verplichten om een jaarverantwoording in
te dienen, waarmee ook de integriteit van de bedrijfsvoering over het laatste jaar
niet meer goed zichtbaar is.
De stopregeling, die geldt als een anti-misbruikbepaling, regelt dat voormalige zorg-
en jeugdhulpaanbieders moeten blijven voldoen aan de verplichtingen die bestaan op
grond van de Wmg of de Jeugdwet, zoals de administratieverplichtingen, openbare jaarverantwoording
en voorwaarden voor winstuitkeringen. Dit geldt over de periode dat zij een zorg-
of jeugdhulpaanbieder waren. De rechtsopvolger, of als deze er niet is, de (voormalig)
bestuurders blijven daarop dus ook aanspreekbaar door de NZa. Een voormalige aanbieder
kan een onderzoek of een maatregel van de NZa na invoering van de stopregeling niet
meer ontwijken door de zorg- of jeugdhulpaanbieder snel op te heffen. Een voorbeeld
is dat de voormalige zorg- of jeugdhulpaanbieder op grond van de Wmg of de Jeugdwet
verplicht blijft om onrechtmatige winstuitkeringen terug te halen bij de ontvangers
ervan. Op die manier kan de NZa nog een handhavende maatregel jegens de voormalige
aanbieder (of diens (voormalig) bestuurder, als er geen opvolger is) opleggen. Verder
wordt op grond van dezelfde wetgeving een slot-jaarverantwoording verplicht gesteld.
In het voorbeeld: Door de nieuwe «stopregeling» blijft A. B.V. op grond van de Wmg
of de Jeugdwet verplicht een jaarverantwoording in te dienen en ten onrechte gedane
winstuitkering terug te vorderen over het jaar waarin hij nog zorg- of jeugdhulpaanbieder
was. Als A. B.V. niet meer bestaat kunnen haar rechtsopvolger of anders iedere voormalig
bestuurder door de NZa aangesproken worden op het (alsnog) naleven van de wettelijke
verplichtingen.
3.2 Jaarverantwoording toevoegen als intrekkingsgrond toelatingsvergunning
Door middel van een openbare jaarverantwoording kunnen alle zorg- en jeugdhulpaanbieders
worden aangesproken op de continuïteit van de zorgverlening, integriteit en professionaliteit
van de bedrijfsvoering. De openbare jaarverantwoording is daarom onder andere een
noodzakelijk instrument voor het extern toezicht op de Wibz door de NZa en IGJ. Als
een aanbieder de verplichting tot het openbaar maken van de jaarverantwoording niet
naleeft, kunnen bestuursrechtelijke sancties door de NZa worden opgelegd. Ondanks
deze bestuursrechtelijke sancties die de NZa oplegt zijn er aanbieders die meerdere
boekjaren achter elkaar onjuist, onvolledig of niet (tijdig) een jaarverantwoording
openbaar hebben gemaakt. In dat geval is er een bewuste keuze door de aanbieder gemaakt
om niet-transparant te zijn naar de maatschappij, stakeholders of externe toezichthouders.
Omdat het kabinet dit een onwenselijke situatie vindt, wordt in de nota van wijziging
opgenomen dat de toelatingsvergunning kan worden ingetrokken bij meerjarige overtreding
van de verplichting tot aanlevering van de jaarverantwoording.
Moties en toezeggingen
Hieronder geeft het kabinet in het verlengde van bovenstaande haar reactie op enkele
aangenomen moties welke betrekking hebben op de aanscherpingen van de Wibz. Deze worden
met deze brief afgedaan.
Motie Bushoff – terugvorderen uitgekeerde winsten
De motie van het lid Bushoff betreffende het terugvorderen van zorggeld bij een uitgekeerde
winst wordt meegenomen in de aanscherpingen van de Wibz in de vorm van de zogenoemde
stopregeling welke hierboven verder is toegelicht. Hierbij beschouwt het kabinet deze
motie als afgedaan.6
Motie Dobbe en Westerveld – centraal register private equity in de zorg
De motie van de leden Dobbe en Westerveld die vraagt om een centraal register voor
private equity partijen die actief zijn binnen zorg- en jeugdhulpaanbieders acht het
kabinet niet wenselijk7. Een dergelijk register heeft geen directe invloed op het gedrag van deze partijen
en ook pakt het de excessen van private equity niet aan. Het kabinet is wel voornemens
om, zoals eerder in deze brief toegelicht, voorwaarden te stellen aan financieringsconstructies,
om daarmee de uitwassen en negatieve gevolgen van private equity daadwerkelijk in
te perken. Bovendien is het juridisch niet te onderbouwen waarom enkel private equity
partijen geregistreerd moeten worden, en niet andere type investeerders (zoals andere
commerciële partijen of banken). Temeer omdat uit onderzoek vooralsnog niet blijkt
dat er aantoonbare negatieve verschillen zijn in kwaliteit, toegankelijkheid, en betaalbaarheid
van zorg tussen private equity gefinancierde instellingen en andere aanbieders.8 Een private equity register kan ook werken als een zwarte lijst met negatieve gevolgen
voor aanbieders die een investering van private equity partij ontvangen, terwijl er
geen andere aanleiding hoeft te zijn om deze investeerders negatief te bejegenen.
Tot slot verhoogt deze maatregel de administratieve lasten. Het kabinet vindt opvolging
van deze motie om bovenstaande redenen niet wenselijk. De motie wordt hiermee beschouwd
als afgedaan.
Motie Bushoff en Dijk – inperken van de lijst uitzonderingen winstuitkeringsverbod
De motie van de leden Bushoff en Dijk verzoekt om het inperken van de lijst met uitzonderingen
op het winstuitkeringsverbod en enkel zorgaanbieders uit te zonderen van het winstuitkeringsverbod
waarvan kan worden onderbouwd dat een winstoogmerk noodzakelijk is voor de verlening
van zorg.9 Het inperken van een winstoogmerk heeft te veel negatieve gevolgen voor de toegankelijkheid
en continuïteit van zorg. Het inperken van de lijst met uitzonderingen op het winstuitkeringsverbod
acht dit kabinet niet wenselijk. Dit kabinet wil de benodigde investeringen in de
zorg en jeugdhulp stimuleren en neemt daarom de mogelijkheid op om een bescheiden
winstuitkering te doen en stelt strikte voorwaarden aan winstuitkering. En zoals in
deze brief aangegeven, is het juridisch lastig te onderbouwen waarom voor sommige
aanbieders winst uitkeren noodzakelijk is en voor anderen niet. Dat blijkt ook uit
de uitspraak van de Raad van State betreffende het huidige winstuitkeringsverbod.
Gezien de noodzaak om een winstuitkeringsverbod consistent en coherent toe te passen,
acht het kabinet deze motie niet uitvoerbaar. Maar door striktere voorwaarden te stellen
aan winstuitkering wordt het beleid en de praktijk rondom winstuitkeringen duidelijker
en strenger dan de huidige, diffuse situatie met een gedeeltelijk winstuitkeringsverbod.
Motie Dijk – aansprakelijkheid private equity bedrijven voor veroorzaakte schade
De motie van het lid Dijk verzoekt eigenaren van private equity bedrijven aansprakelijk
te stellen voor de schade die zij veroorzaken.10 Het aansprakelijk stellen van bedrijven of personen voor schade die zij veroorzaken,
is reeds mogelijk op grond van het civiele recht. Er is geen aanleiding om te veronderstellen
dat de huidige regels van het aansprakelijkheidsrecht niet voldoen. Zo zijn er bijvoorbeeld
op grond van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) reeds mogelijkheden om bestuurders
om toezichthouders aansprakelijk te stellen, dit kan ook als overeenkomsten met investeerders
zijn aangegaan die ertoe leiden dat de rechtspersoon in financiële problemen komt.11 Het kabinet ziet geen aanleiding om specifiek voor private equitybedrijven andere
aansprakelijkheidsregels op te stellen. Wel zet het kabinet in op het tegengaan van
uitwassen van onder meer investeringen door private equitybedrijven. Bijvoorbeeld
door het beperken van schulden, aangegaan door de aankoper, die bij een overname worden
afgewenteld op de zorg- of jeugdhulpaanbieder. Dit is in deze brief reeds aan de orde
geweest.
Motie Dijk – overname- en fusiestop voor private equity bedrijven
Over de motie van het lid Dijk betreffende een overname- en fusiestop in de zorg voor
private-equity bedrijven12 wordt het volgende opmerkt. Private equity partijen kunnen een belangrijke rol spelen
bij de opvolging van zorgaanbieders. Een volledige overname- en fusiestop voor private
equity bedrijven zou de toegankelijk van zorg en jeugdhulp in gevaar brengen. Dit
is niet wenselijk. Ook is er op dit moment geen dragende motivering waarom een overname-
en fusiestop bij private equity bedrijven nodig is en waarom dat niet zou gelden voor
niet-private equity gefinancierde overnames en fusies in de zorg. Dit maakt een dergelijke
maatregel juridisch zeer kwetsbaar. Bovendien gaat een dergelijke maatregel de onwenselijke
praktijken van een bepaald type investeerder niet tegen. Deze onwenselijke gedragingen
komen namelijk niet alleen voor bij private equity investeerders. Daarom richt het
kabinet zich op het tegengaan van uitwassen, die bij allerlei soorten investeerders
voor kunnen komen en niet enkel op uitwassen door investeringen van private equity
partijen. De aanscherpingen die het kabinet in dat kader voorstelt zijn toegelicht
in deze brief.
Daarnaast wil het kabinet fusies en overnames in de zorg strenger toetsen. Dit doet
het kabinet met het wetsvoorstel zorgspecifieke fusietoets13. De motie betreffende een overname- en fusiestop acht het kabinet daarom niet uitvoerbaar.
Motie Bushoff – onderzoek naar private equity bedrijven in de zorgsector
Er is in 2024 onderzoek gedaan naar private equity in de zorg. Het kabinet ziet daarom
geen aanleiding tot een nieuw onderzoek naar private equity in de gehele zorgsector,
waar de motie van het lid Bushoff betreffende het onderzoeken van private-equity bedrijven
in de gehele zorgsector14 om vraagt. Het is bovendien de vraag of een nieuw onderzoek veel nieuwe inzichten
oplevert. Voor de aanscherpingen in de Wibz is met veel verschillende partijen gesproken
over private equity en winstuitkeringen in de zorg en jeugdhulp en daarbij een goed
beeld gevormd van de praktijk. Aanvullend onderzoek brengt kosten met zich mee, maar
leidt naar verwachting niet tot nieuwe inzichten.
Vervolg wetsvoorstel Wibz
Komende periode vindt toetsing van en advisering op de nota van wijziging plaats.
Na afronding hiervan zendt het kabinet de nota van wijziging op het wetsvoorstel en
de nota naar aanleiding van het verslag zo spoedig mogelijk naar de Kamer.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Indieners
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport