Brief regering : Antwoorden op vragen commissie van de V-100 inzake de mentale gezondheid van jongeren
32 793 Preventief gezondheidsbeleid
31 839
Jeugdzorg
Nr. 914
BRIEF VAN DE MINISTER VAN LANGDURIGE ZORG, JEUGD EN SPORT
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 1 juli 2026
Hierbij zend ik de antwoorden op de vragen van V-100 over de mentale gezondheid van
jongeren.
De Minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport, W.R.C. Sterk
Vraag 1
De decentralisatie van de jeugdzorg is ruim tien jaar bezig. Meerdere rapporten laten
al jaren zien dat dit niet heeft geleid tot de gestelde doelen en gewenste kwaliteitsverbetering.
Sterker, de kwaliteit is aantoonbaar verslechterd en de wachtlijsten zijn opgelopen.
Oorspronkelijke doelen zijn niet behaald, dit geldt zowel voor de specialistische
zorg als de andere vormen van hulp. Welke motivatie heeft u verder nog nodig om foute
keuze van de decentralisatie en het gebrek aan langetermijnvisie op zorg en in het
bijzonder jeugdzorg terug te draaien? Kunt u een stappenplan voor de komende tien
jaar geven?
Antwoord 1
Er bestaat al langere tijd een breed gedragen visie voor jeugdigen in Nederland: door
veilig en gezond op te groeien, goed onderwijs te genieten, vrienden te maken, onbekommerd
buiten te spelen en te bewegen en sporten krijgen jeugdigen de goede start die zo
belangrijk is. Het vertalen van deze visie naar de praktijk, vraagt gezamenlijke acties
en een lange adem vergen. Ik deel uw zorgen over de knelpunten in de praktijk. De
stijging in de laatste tien jaar van het aantal kinderen dat gebruik maakt van jeugdhulp,
de beperkte capaciteit die beschikbaar en het niet altijd kunnen bieden van passende
zorg voor de meest kwetsbare kinderen zijn zorgelijke ontwikkelingen.
Tegelijkertijd zie ik lichtpuntjes: mooie voorbeelden in het land waar partijen op
lokaal niveau intensief samenwerken. Ik zie ook een voorzichtige daling van het aantal
jeugdigen dat ambulante jeugdhulp krijgt. Met de betrokken partijen (cliënt- en jongerenvertegenwoordigders,
gemeenten, professionals en aanbieders) werk ik hard aan verbetering in de praktijk.
Dat doe ik door uitvoering te geven aan de Hervormingsagenda Jeugd waarin we onder
anderen werken aan stevige lokale teams die met een brede blik kijken naar hulpvragen,
het verbeteren van de kwaliteit van de jeugdhulp en het verminderen van uithuisplaatsingen.
Daarnaast wordt er in het Toekomstscenario gewerkt aan integrale ondersteuning van
gezinnen en huishoudens waar onveiligheid speelt.
Tegelijkertijd is er meer nodig dan alleen veranderingen in de jeugdsector, zoals
de deskundigencommissie Van Ark in hun rapport Groeipijn (31 januari 2025) schreef.
Het terugdringen van de jeugdzorgvraag kan niet zonder inzet op de aanpalende domeinen
zoals wonen, bestaanszekerheid, veiligheid en onderwijs. Het kabinet zet daarom ook
in op een goed samenhangend en toekomstbestendig beleid voor het sociaal domein met
de Sociale Agenda Nederland. Zo werken verschillende ministeries (VWS, SZW, OCW, BZK
en JenV) vanuit de agenda bijvoorbeeld samen aan een brede aanpak voor het versterken
van de integrale ondersteuning aan gezinnen waar problemen spelen zoals werkloosheid,
gezondheidsproblemen en opvoedproblemen.
Vraag 2
Door de marktwerking en de decentralisatie is het aantal zorgaanbieders vertigvoudigd
en verschilt de kwaliteit per gemeente. De zorg is enorm versnipperd. Jongeren krijgen
met zeer veel verschillende hulpverleners te maken. Waarom kiest u voor het belang
van de markt boven het belang van de jeugd?
Antwoord 2
Sinds de decentralisatie zijn de gemeenten verantwoordelijk voor de organisatie en
uitvoering van de Jeugdwet. De Jeugdwet is een kaderwet en binnen de kaders van de
wet hebben gemeenten beleidsruimte om zelf invulling te geven aan hoe zij de uitvoering
organiseren. Dit kan betekenen dat de organisatie en uitvoering tot op zekere hoogte
lokale verschillen kent. Voor alle gemeenten geldt echter dat zij verantwoordelijk
zijn voor een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod.
Binnen het huidige stelsel is sprake van gereguleerde marktwerking vanuit de veronderstelling
dat dit leidt tot leidt tot prikkels voor meer kwaliteit, efficiency en innovatie.
In de praktijk zien we helaas ook negatieve effecten van marktwerking. Ik vind het
belangrijk dat we waar nodig aanpassingen doen aan het stelsel om deze negatieve effecten
te beperken. De afgelopen periode zijn daarom al diverse maatregelen ingezet. Er zijn
verplichtingen opgelegd aan aanbieders gericht op de transparantie van de financiële
bedrijfsvoering en de aanwezigheid van intern toezicht. Binnenkort wordt u ook geïnformeerd
over de aanscherpingen in het wetsvoorstel Integere bedrijfsvoering zorg en jeugdhulpaanbieders
waarin onder anderen normen voor winstuitkering zijn opgenomen. Hiernaast is besloten
dat er een vergunningplicht voor jeugdhulpaanbieders wordt ingericht.
Naast deze wetsvoorstellen is het van belang dat gemeenten in inkoopprocedures nu
al goede kwaliteitseisen stellen en tariefdifferentiatie toepassen. Gemeenten zijn
niet verplicht jeugdzorg via een aanbesteding of open house in te kopen. Zij kunnen
ook andere instrumenten inzetten en jeugdhulp subsidiëren of in eigen beheer uitvoeren.
Gemeenten hebben dus invloed op het aantal aanbieders dat zij contracteren of subsidiëren.
Vraag 3
De problemen van jongeren worden aanzienlijk erger zolang zij op een wachtlijst staan.
Ondertussen worden er steeds minder professionals opgeleid. Waarom wordt er elk jaar
bezuinigd op opleidingsplaatsen en zij-instroommogelijkheden voor de GZ? Hoe gaat
u ervoor zorgen dat jongeren die zorg nodig hebben maximaal twee hulpverleners krijgen
(bekend gezicht)?
Antwoord 3
De beschikbaarheid van jeugdhulp is een belangrijk aandachtspunt. Vorig jaar is de
wet Verbetering beschikbaarheid jeugdzorg aangenomen. Deze wet pakt knelpunten bij
contractering van specialistische jeugdzorg aan, om jongeren met complexe problematiek
sneller passende zorg te bieden. Ook zijn gemeenten, in navolging van deze wet, verplicht
een regiovisie op te stellen en hierin in te gaan op de aanpak van wachttijden.
Jeugdhulpverleners hebben diverse achtergronden en expertises, waaronder bijvoorbeeld
GZ-psycholoog, Social Work of pedagoog. Zolang er gewerkt wordt via de norm van verantwoorde
werktoedeling, kunnen verschillende professionals jeugdhulp verlenen of ondersteuning
bieden. Wanneer het aantal opleidingsplaatsen voor de GZ-psychologen daalt, betekent
dit dus niet dat er daardoor minder jeugdhulpprofessionals beschikbaar zijn om jeugdhulp
te bieden.
Als er meerdere hulpverleners nodig zijn binnen één gezin, bijvoorbeeld omdat verschillende
soorten expertise nodig zijn, is het belangrijk dat zij dit in samenhang doen. In
de Jeugdwet staat dat er gewerkt moet worden met één gezin, één plan, één regisseur.
Dit is ook opgenomen in de professionele richtlijnen zoals de richtlijn Gezinsplan1. Professionals moeten hiermee werken. Ook in het recent ondertekende Convenant Lokale
teams2 is hier aandacht voor.
Vraag 4
Jongeren worden elke dag blootgesteld aan alle ellende en narigheid in de wereld,
van oorlogen tot armoede in de wijken om je heen. Ze worden ook de hele dag blootgesteld
aan perverse prikkels vanuit commerciële belangen en prestatiedruk vanuit de samenleving.
Dit vergt heel erg veel weerbaarheid en veerkracht van jongeren. Ouderen kunnen zich
geen voorstelling maken van de dagelijkse negatieve impact die dit heeft. Wat gaat
u doen om de weerbaarheid en veerkracht van jongeren te vergroten?
Antwoord 4
Er zijn veel factoren die van invloed kunnen zijn op de mentale gezondheid van jongeren,
zoals bijvoorbeeld de sociaal-economische status of sociale media. Deze factoren kunnen
we niet altijd eenvoudig beïnvloeden. Het kabinet zet daarom in op het versterken
van de mentale veerkracht in het algemeen. Jongeren moeten over de mogelijkheden en
vaardigheden beschikken om mentaal gezond te zijn en te blijven, met name tijdens
belangrijke levensgebeurtenissen of overgangen in het leven. De inzet is o.a. gericht
op:
• het bespreekbaar blijven maken van mentale gezondheid door opvolging te geven aan
de aanbevelingen van jongeren vanuit Praatpower en de Nationale Jeugdstrategie. Bijvoorbeeld
door het versterken van laagdrempelige ondersteuning.
• Bestaande tools die helpen bij het vergroten van kennis en het voeren van het open
gesprek, zoals www.in je bol.nl en de Checkers, breder onder de aandacht te brengen en waar nodig door
te ontwikkelen.
• Vroegtijdig ondersteunen van ouders via het programma Kansrijke start en het versterken
van de rol van de jeugdgezondheidszorg op preventie en opvoedondersteuning.
Hiernaast zijn in het Aanvullend zorg en welzijnsakkoord (Azwa) afspraken gemaakt
over een goede structuur en basis in de wijk waaronder de aanwezigheid van laagdrempelige
inloopvoorzieningen.
Vraag 5
De prikkels voor jongeren vanuit commerciële belangen zijn alleen maar toegenomen
en het einde is niet in zicht. Welke ontwikkelingen u die we op tijd moeten stoppen
om het tij te keren?
Antwoord 5
Uit onderzoek blijkt dat kinderen op veel plekken in aanraking komen met (marketing
voor) ongezonde producten. Het kabinet blijft daarom inzetten voor de al eerder aangekondigde
wettelijke beperkingen voor marketing van ongezonde voeding gericht op kinderen tot
18 jaar.3 Het kabinet verwacht binnenkort de internetconsultatie te kunnen starten zodat in
het voorjaar 2027 het wetsvoorstel aan de Kamer kan worden voorgelegd. Ook zetten
we in op influencers. Samen met JOGG worden afspraken gemaakt met een groep content
creators en influencers om tot meer gezonde content op sociale media te komen. MIND
Us heeft, met gedeeltelijke financiering van VWS, een influencertraining ontwikkeld.
Deze training leert influencers over het belang van de eigen mentale gezondheid, maar
ook die van hun volgers. En geeft influencers handvatten hoe zij goed kunnen reageren
op directe berichten (DM’s) van jongeren.
Aanvullend hierop vind ik het ook zorgelijk dat jongeren in toenemende mate worden
blootgesteld aan onjuiste informatie, bijvoorbeeld over gezondheidsonderwerpen. Dit
kan hen aanzetten tot keuzes die zij anders niet zouden maken, met negatieve gevolgen
als resultaat. Door de opkomst van influencers kan het onderscheid tussen reclame,
sponsoring en productplaatsing vervagen. Op dit moment is het niet altijd duidelijk
welke regels van toepassing zijn. Daarom heeft het kabinet de Europese Commissie opgeroepen
om regels voor influencers hierover te verduidelijken.
De online omgeving moet een veilige en gezonde omgeving zijn, zeker voor kinderen/jongeren.
Wat wij offline niet accepteren, moet ook online niet de standaard zijn. Niet alle
sociale media platforms nemen op dit moment voldoende maatregelen om minderjarigen
te beschermen. Het kabinet zet daarom in op een handhaafbare minimumleeftijd voor
sociale media, zolang sociale media onvoldoende veilig zijn. Na het zomerreces wordt
u door de Staatssecretaris van Digitale Economie en Soevereiniteit geïnformeerd over
de Europese aanpak voor deze minimumleeftijd.
Ik vind het belangrijk dat jongeren structureel worden betrokken bij beleid en uitvoering.
Juist ook om zicht te krijgen op nieuwe ontwikkelingen. Ik ben aan het uitwerken hoe
het ontwerp Nationale Jeugdstrategie passende opvolging en inbedding kan krijgen.
Centraal hierbij staat dat jongeren structureel worden betrokken bij beleid en thema’s
die hen raken.
Vraag 6
Hoe gaat u ervoor zorgen dat mentaal welzijn binnen drie jaar op elke middelbare school
en in groep 7 en 8 van de basisschool op het curriculum komt? En hoe worden ouders
geholpen om hun kinderen weerbaar te maken?
Antwoord 6
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap is verantwoordelijk voor het onderwijscurriculum.
In het vernieuwde curriculum krijgen mentale gezondheid en sociale-emotionele ontwikkeling
nu een plek binnen de verschillende leergebieden. Niet als losse kerndoelen, maar
altijd in context van de vakinhoud. Ook worden scholen gestimuleerd vanuit de Gezonde
School-aanpak en Welbevinden op School om integraal te werken aan de (mentale) gezondheid
van jongeren in het po, vo en mbo.
In het Aanvullend Zorg- en Welzijns Akkoord (AZWA) is afgesproken dat gemeenten, in
samenwerking met de GGD, bijdragen aan de aanpak gezonde school. Hiervoor zijn ook
extra middelen beschikbaar gesteld.
Hiernaast vind ik het belangrijk dat ouders vroegtijdig ondersteund worden. Dit doen
we bijvoorbeeld via het programma Kansrijke start, het versterken van de preventieve
rol van de jeugdgezondheidszorg en de interdepartementale aanpak gezinnen in een kwetsbare
situatie. Ook zijn we met diverse partijen aan het verkennen op welke wijze we ouders
handvatten en kennis kunnen geven om het gesprek met hun kinderen te voeren over o.a.
sociale vaardigheden, emoties en stress.
Vraag 7
Wat gaat u doen om de prestatiedruk die jongeren ervaren te verminderen?
Antwoord 7
Prestatiedruk is één van de factoren die van invloed kan zijn op de mentale gezondheid
van jongeren. Uit de Gezondheidsmonitor jeugd4 blijkt dat 34,5% vaak of regelmatig prestatiedruk ervaart. Onlangs heeft ook de Raad
voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS) het rapport «Op de Rem; voorbij de hypernerveuze
samenleving5» uitgracht waarin zij oproept om op de rem te trappen en samen te werken aan een
meer ontspannen samenleving.
De inzet van het kabinet is gericht op het versterken van de mentale veerkracht in
het algemeen. Zie voor specifieke acties ook het antwoord op vraag 4. Voor een echte
verandering is niet alleen het rijk, maar ook het maatschappelijk middenveld en de
samenleving zelf aan zet om hierin de nodige stappen te zetten. Om die verandering
te faciliteren ga ik in gesprek met partijen uit verschillende domeinen over de bevindingen
van de RVS.
Hiernaast ondersteunt OCW scholen bij het verlagen van toetsdruk door een meerjarig
project van het LAKS en de VO-raad te financieren. Binnen dit project worden activiteiten
en materialen aangeboden om een (cultuur)verandering op scholen op gang te brengen
om toetsdruk te verminderen. Ook informeert OCW scholen over de wet- en regelgeving
met bijvoorbeeld de handreiking Ruimte in regels en de website van de rijksoverheid.
Ondertekenaars
W.R.C. Sterk, minister van Langdurige Zorg, Jeugd en Sport