Verslag van een schriftelijk overleg : Verslag van een schriftelijk overleg over de voorhangprocedure oprichting stichting Ziezon (Kamerstuk 36530-37)
36 530 Wijziging van de Wet subsidiëring landelijke onderwijsondersteunende activiteiten 2013 en enige andere onderwijswetten in verband met de landelijke borging van de uitvoering van ondersteuning van scholen en instellingen bij het onderwijs aan zieke leerlingen (Wet onderwijsondersteuning zieke leerlingen)
Nr. 38
VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG
Vastgesteld 30 juni 2026
De vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap heeft een aantal vragen en
opmerkingen voorgelegd aan de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
over de brief van 29 mei 2026 over de voorhangprocedure oprichting stichting Ziezon
(Kamerstuk 36 530, nr. 37).
De vragen en opmerkingen zijn op 24 juni 2026 aan de Staatssecretaris van Onderwijs,
Cultuur en Wetenschap voorgelegd. Bij brief van 29 juni 2026 zijn de vragen beantwoord.
De voorzitter van de commissie, Koorevaar
Adjunct-griffier van de commissie, Easton
Inhoud
I
Vragen en opmerkingen uit de fracties
2
Inbreng van de leden van de D66-fractie
2
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
3
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
3
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
5
II
Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
5
I Vragen en opmerkingen uit de fracties
Inbreng van de leden van de D66-fractie
De leden van de D66-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van het voornemen
van de regering tot oprichting van stichting Ziezon. Deze leden onderschrijven het
belang van een goede, toegankelijke en toekomstbestendige onderwijsondersteuning voor
zieke leerlingen en studenten. Voor kinderen en jongeren die ernstig of langdurig
ziek zijn, is onderwijs veel meer dan het volgen van lessen. Het is contact met klasgenoten,
structuur in een ontwrichtende periode en de mogelijkheid om onderdeel te blijven
van het gewone leven. Juist daarom vinden deze leden dat bij de inrichting van stichting
Ziezon steeds één vraag centraal moet staan: hoe wordt de ondersteuning voor zieke
leerlingen en studenten beter, sneller en dichterbij georganiseerd?
De leden van de D66-fractie vragen hoe de Staatssecretaris voorkomt dat de oprichting
van stichting Ziezon vooral leidt tot een nieuwe bestuurslaag. Welke waarborgen worden
ingebouwd om ervoor te zorgen dat middelen maximaal terechtkomen bij de ondersteuning
van leerlingen en studenten, en niet bij overhead, bestuur, huisvesting of interne
organisatiekosten?
De leden van de D66-fractie hebben eerder hun zorgen geuit over het risico dat door
een landelijke aanpak de regionale verankering van de huidige ondersteuning verzwakt
worden. Korte lijnen tussen consulenten, scholen, ziekenhuizen, samenwerkingsverbanden
en ouders maken dat ondersteuning snel en passend kan worden ingezet. Deze leden vragen
hoe de Staatssecretaris er concreet voor gaat zorgen dat dit niet gebeurt. Kan de
Staatssecretaris aangeven welke regionale ondersteuningsstructuur stichting Ziezon
voor ogen heeft? Wordt gewerkt met vaste regio’s, regionale teams en regionale aanspreekpunten
voor scholen en ouders? Zo ja, welke uitgangspunten gelden daarbij? Zo nee, hoe wordt
dan voorkomen dat de ondersteuning afstandelijker wordt en consulenten minder goed
aangesloten blijven op lokale en regionale netwerken?
De leden van de D66-fractie benadrukken dat het succes van stichting Ziezon staat
of valt met de mensen die het werk doen. Onderwijsconsulenten beschikken over specialistische
kennis, kennen scholen en ziekenhuizen in hun regio en kunnen ouders en leerlingen
op kwetsbare momenten veel zorgen uit handen nemen. Deze leden vragen de Staatssecretaris
hoeveel huidige consulenten inmiddels hebben aangegeven over te willen stappen naar
stichting Ziezon en hoeveel consulenten daarover nog twijfelen of hebben aangegeven
niet mee te willen gaan.
De leden van de D66-fractie hebben signalen ontvangen dat een deel van de consulenten
het werk voor zieke leerlingen nu combineert met andere onderwijskundige, orthopedagogische
of adviserende taken. Juist die combinatie kan bijdragen aan hun expertise, inzetbaarheid
en werkplezier. Deze leden vragen hoe de Staatssecretaris voorkomt dat deze groep
door de nieuwe inrichting moet kiezen en daardoor voor het werk met zieke leerlingen
verloren gaat.
Kan de Staatssecretaris uiteenzetten op welke wijze de ministeriële verantwoordelijkheid
wordt geborgd wanneer de uitvoering wordt belegd bij een stichting met wettelijke
taak? Welke sturingsmogelijkheden heeft de Staatssecretaris als de stichting onvoldoende
presteert, de regionale inbedding niet waarmaakt of middelen onvoldoende doelmatig
inzet?
Inbreng van de leden van de VVD-fractie
De leden van de VVD-fractie hebben met belangstelling kennisgenomen van de Voorhangprocedure
oprichting stichting Ziezon en hebben daar geen vragen over.
Inbreng van de leden van de PRO-fractie
De leden van de PRO-fractie hebben met interesse kennisgenomen van de voorliggende
stukken met betrekking tot de oprichting stichting Ziezon. Deze leden hebben enkele
vragen en opmerkingen.
De leden van de PRO-fractie hebben tijdens het debat over de Wet onderwijsondersteuning
zieke leerlingen (ozl) aangegeven dat zij er belang aan hechten dat kinderen mee mogen
praten over alle gelegenheden die hen aangaan. Dit is een recht, volgend uit het Kinderrechtenverdrag.
Ook zijn deze leden ervan overtuigd dat inbreng van betrokkenen de organisatie in
het onderwijs verbetert.
De leden van de PRO-fractie lezen dat er is voorzien in een belanghebbendenraad in
de statuten voor de oprichting van de stichting. Deze leden zijn van mening dat hiermee
ten dele wordt voldaan aan de vragen en opmerkingen van de leden van de PRO-fractie
tijdens het debat. Voor deze inbreng zullen zij zich dan ook met name hierop concentreren.
Allereerst hebben de leden van de PRO-fractie enkele vragen over het advies van het
Ministerie van Financiën. Deze leden lezen dat het Ministerie van Financiën heeft
geadviseerd om in de statuten op te nemen hoe de verdeling van de functies binnen
de raad van toezicht is geregeld. In het advies van het Ministerie van Financiën is
tevens te lezen dat zij aanbeveelt dat het onderwijs- en het zorgveld evenredig vertegenwoordigd
zou moeten zijn. De leden van de PRO-fractie lezen dat dit advies niet is overgenomen.
Deze leden zijn van mening dat ook minstens één oud-leerling zitting zou moeten hebben
in de Raad van Toezicht.
De leden van de PRO-fractie volgen de redenering dat het bij het benoemen van een
nieuw lid van de Raad van Toezicht handig is om het profiel optimaal af te stemmen
op wat de Raad van Toezicht op dat moment daadwerkelijk versterkt, maar zijn van mening
dat het opnemen van achtergronden in de statuten dit niet in de weg zou hoeven staan.
Net als dat het vastleggen dat een stichting ten minste één en ten hoogste drie bestuursleden
moet hebben mogelijk is, is het mogelijk vast te leggen dat er in de Raad van Toezicht
in elk geval één oud-leerling plaats moet nemen. Waarom is hier niet voor gekozen?
Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat een oud-leerling in de Raad van
Toezicht een zeer waardevolle toevoeging kan zijn vanuit de praktijkervaring van dergelijke
oud-leerlingen? Is de Staatssecretaris het verder met deze leden eens dat een oud-leerling
ook prima in een algemeen profiel naar ten minste deskundigheden, vaardigheden en
diversiteit zou passen, waarna er voor iedere vacature een specifiek profiel op wordt
gesteld? Is de Staatssecretaris het met deze leden eens dat het een het ander niet
uitsluit en zo nee, kan de Staatssecretaris aangeven waarom dat wel het geval zou
zijn? Kan de Staatssecretaris toezeggen de conceptstatuten zodanig aan te passen dat
er wél ruimte wordt gecreëerd voor ten minste één oud-leerling in de Raad van Toezicht?
Daarnaast hebben de leden van de PRO-fractie enkele vragen over de akte van oprichting
van stichting Ziezon. In een aangenomen amendement tijdens de wetsbehandeling hebben
deze leden aangegeven er belang aan te hechten dat er ook voldoende aandacht is voor
kinderen die psychisch ziek zijn, specifiek door middel van een grondslag om de werkwijze
van de stichting ook in latere jaren toe te kunnen passen op leerlingen met psychische
problemen.1 Deze kennis moet worden geborgd. De leden van de PRO-fractie zijn benieuwd of bij
de oprichting van de stichting in de oprichtingsstatuten rekening wordt gehouden dat
kennis en expertise op dit vlak wordt geborgd.
Dan over artikel 4.3 van de oprichtingsakte: de leden van de PRO-fractie lezen dat
in de statuten staat opgenomen dat het bestuur belanghebbenden, waaronder ouders,
leerlingen en (het bevoegd gezag van) scholen en andere betrokken, betrekt ten behoeve
van een structurele dialoog en daartoe een belanghebbendenraad opricht. Ook merken
deze leden op dat in de statuten niet is opgenomen hoeveel ruimte ouders en (oud-)leerlingen
dienen in te nemen in een dergelijke belanghebbendenraad. De leden van de PRO-fractie
willen nogmaals benadrukken dat zij er belang aan hechten dat in de statuten formeel
is vastgelegd hoeveel ruimte dergelijke belanghebbenden minstens in moeten nemen in
een belanghebbendenraad, teneinde te verzekeren dat alle belanghebbende stemmen daadwerkelijk
gehoord worden in een dergelijke raad. Kan de Staatssecretaris aangeven waarom niet
voor een dergelijk minimum is gekozen? Deze leden vragen zich verder af of in de statuten
opgenomen kan worden uit hoeveel leden de belanghebbendenraad minstens zou moeten
bestaan, zodat verzekerd kan worden dat de belanghebbendenraad daadwerkelijk een relevante
doorsnee van de belanghebbenden vertegenwoordigt. Kan de Staatssecretaris uitgebreid
bij deze punten stilstaan? Is de Staatssecretaris bereid om de statuten zodanig aan
te passen dat zowel het minimumaantal leden van de belanghebbendenraad als de minimumsamenstelling
van de belanghebbendenraad (zoals minstens één ouder en minstens één oud-leerling)
wordt opgenomen?
Ten slotte zijn de leden van de PRO-fractie ook benieuwd wat de precieze bevoegdheden
van de belanghebbendenraad wordt. Deze leden hebben eerder het belang van participatie
van kinderen en jongeren benadrukt. De belanghebbendenraad is hierin een belangrijke
stap, maar deze leden vragen zich af hoe wordt geborgd dat de stem van (oud-)leerlingen
niet alleen formeel aanwezig is, maar ook daadwerkelijk invloed heeft op de besluitvorming
van de stichting. Kan nader toegelicht worden op welke wijze gestimuleerd wordt dat
(oud)leerlingen actief betrokken worden bij beleid, evaluatie en het aankaarten van
knelpunten? Kan nader toegelicht worden welke concrete bevoegdheden de belanghebbendenraad
zal hebben? Zijn er bijvoorbeeld na de installatie van de belanghebbendenraad door
henzelf nog mogelijkheden om het reglement ten aanzien van de belanghebbendenraad
aan te scherpen of voorstellen daartoe te doen? Kan de Staatssecretaris hier uitgebreid
op reflecteren en in deze reflectie tevens aangeven of het juridisch mogelijk is om
iets dergelijks een plek te geven in de statuten?
De leden van de PRO-fractie danken de Staatssecretaris en betrokken ambtenaren voor
de beantwoording.
Inbreng van de leden van de CDA-fractie
De leden van de CDA-fractie hebben kennisgenomen van de voorhangprocedure gezien de
oprichting van stichting Ziezon. Deze leden hebben op dit moment geen aanvullende
of verduidelijkende vragen of opmerkingen.
II Reactie van de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
De regering dankt de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap voor de
schriftelijke inbreng naar aanleiding van de voorhang van de oprichting van stichting
Ziezon. De regering is de leden van de fracties van D66 en PRO erkentelijk voor de
gestelde vragen en de betrokkenheid bij dit onderwerp. Hierna reageert de regering
op de door deze fracties gestelde vragen.
Vraag 1
De leden vragen hoe wordt voorkomen dat de oprichting van stichting Ziezon vooral
leidt tot een nieuwe bestuurslaag, welke waarborgen worden ingebouwd om ervoor te
zorgen dat middelen maximaal terechtkomen bij de ondersteuning van leerlingen en studenten.
En niet bij overhead, bestuur, huisvesting of interne organisatiekosten.
Antwoord 1
Jaarlijks moet de stichting bij aanvraag van de instellingssubsidie een begroting
indienen. In deze begroting geeft de stichting inzicht in de verhouding tussen de
kosten voor het primaire proces (de ondersteuning van de zieke leerlingen) respectievelijk
de overheadkosten. Het Ministerie van OCW beoordeelt de begroting en stuurt zo nodig
bij, waarmee een goede balans tussen middelen voor het primair proces en overhead
gewaarborgd kan worden. Uit het concept Organisatie- en Formatierapport blijkt dat
de stichting een platte organisatie wordt met een zeer kleine staf.2 Het is de verwachting dat de overhead juist afneemt in vergelijking tot de huidige
inrichting, waarin onderwijsondersteuning aan zieke leerlingen is belegd bij 18 verschillende
organisaties.
Vraag 2
De leden van D66 vragen hoe de Staatssecretaris ervoor zorgt dat wordt voorkomen dat
door een landelijke aanpak de regionale verankering van de huidige ondersteuning verzwakt.
Zij vragen welke regionale ondersteuningsstructuur stichting Ziezon voor ogen heeft
of er gewerkt wordt met vaste regio’s, regionale teams en regionale aanspreekpunten
voor scholen en ouders en zo ja, welke uitgangspunten daarbij gelden.
Antwoord 2
De regering onderschrijft het belang dat de ondersteuning in de regio beschikbaar
blijft en heeft dit zodoende in de wet verankerd. Consulenten behouden na overgang
naar de stichting hun huidige standplaats en nemen hun eigen netwerk mee naar de stichting.
Stichting Ziezon zal werken met vijf vaste regio’s en vaste regioteams, waarmee scholen,
samenwerkingsverbanden, leerplichtambtenaren, schoolartsen, wijkteams etc. vaste aanspreekpunten
hebben voor onderwijsondersteuning aan zieke leerlingen. Dit blijkt uit het concept
Organisatie- en Formatierapport van de stichting en sluit aan op de concept-statuten,
waarin staat dat «het bestuur zorgt voor een landelijk dekkende regionale infrastructuur, met indeling
in vijf regio’s: Noord-Oost, Noord-West, Midden, Zuid-West en Zuid-Oost. De beschikbare
capaciteit wordt doelmatig over en binnen de verschillende regio’s verdeeld.» Die capaciteitsverdeling moet de stichting laten aansluiten op de vraag naar onderwijsondersteuning
zieke leerlingen (ozl) binnen de regio’s, zodat gewaarborgd wordt dat scholen en instellingen
ongeacht hun vestigingsplaats in gelijke mate een beroep kunnen doen op de ozl-voorziening.
Vraag 3
De leden van de D66-fractie vragen hoeveel van de huidige consulenten inmiddels hebben
aangegeven over te willen stappen naar stichting Ziezon en hoeveel consulenten daarover
nog twijfelen of hebben aangegeven niet mee te willen gaan. Ook vragen de leden van
de D66-fractie hoe de Staatssecretaris voorkomt dat consulenten die het werk combineren
met andere onderwijskundige, orthopedagogische of adviserende taken door de nieuwe
inrichting moet kiezen en daardoor voor het werk met zieke leerlingen verloren gaan.
Antwoord 3
Conform de motie Westerveld (GroenLinks-PvdA) c.s.3 en de motie Rooderkerk c.s.4 (D66) c.s. zal er onder meer via de subsidievoorwaarden op gestuurd worden dat de
stichting voor die consulenten die niet vallen onder overgang van onderneming ruimhartig
omgaat met de mogelijkheid tot combibanen en detachering. Zo kunnen zoveel mogelijk
consulenten hun ozl-werk voortzetten. In maart 2026 zijn alle consulenten in opdracht
van het Ministerie van OCW uitgenodigd voor deelname aan een geanonimiseerde, informele
belangstellingspeiling, uitgevoerd door het CAOP. Hieraan hebben 98 medewerkers deelgenomen
(responspercentage van 93%).5 Van de respondenten valt 80% (78 medewerkers) onder overgang van onderneming; zij
gaan van rechtswege over naar de stichting. Voor circa twintig respondenten is geen
sprake van overgang van onderneming; deze consulenten hebben de keuze om wel of niet
hun ozl-werk voor te zetten bij de stichting. Hun respons op de vraag Zou je in principe je werk als consulent OZL voort willen zetten onder de vlag
van de stichting, als de randvoorwaarden daarvoor voor jou passend zijn?» was als volgt verdeeld:
Ja
3
Hangt ervan af
11
Nee
6
Daadwerkelijke personele inpassing en het maken van individuele personele (maatwerk)afspraken
kan alleen de stichting zelf als toekomstige werkgever; daarvoor moet eerst de stichting
worden opgericht. Uit zowel de informele belangstellingspeiling van CAOP als de gesprekken
die OCW voert met de klankbordgroepen blijkt dat arbeidsvoorwaarden aanvullend op
de CAO PO, met name over reis- en thuiswerkvergoedingen, voor medewerkers van belang
zijn. Het is aan de stichting als werkgever om hierover afspraken te maken.
Vraag 4
De leden van D66 vragen op welke wijze de ministeriële verantwoordelijkheid wordt
geborgd wanneer de uitvoering wordt belegd bij een stichting met wettelijke taak.
Zij vragen welke sturingsmogelijkheden de Staatssecretaris heeft als de stichting
onvoldoende presteert, de regionale inbedding niet waarmaakt of middelen onvoldoende
doelmatig inzet?
Antwoord 4
Het Ministerie van OCW heeft net zoals bij andere stichtingen met een wettelijke taak
(bijvoorbeeld CITO en Nuffic) een nauwe band met de stichting. Inhoudelijke en financiële
sturing op de wettelijke taken vindt plaats op basis van de subsidiebeschikking, een
tweejaarlijkse kaderbrief aan de Tweede Kamer en een jaarlijkse startbrief aan de
stichting. De kaderbrief gaat in op:
– wettelijke taken, beleidsdoelen en prioriteiten,
– financiële kaders, zoals budgetten voor personeel en materieel, regels over hoe de
stichting het publieke geld besteedt,
– de frequentie van rapportage en de verplichting om periodiek de doelmatigheid en doeltreffendheid
van de wettelijke taak te evalueren.
– ministeriële goedkeuringsvereisten (bijvoorbeeld bij statutenwijzigingen) en de naleving
van de Wet Bestuur en Toezicht Rechtspersonen (WBTR).
Ieder kwartaal vindt er een verantwoordingsoverleg plaats tussen het Ministerie van
OCW en de stichting. Als er zaken niet goed lopen, zal daarover het gesprek gevoerd
worden met de directeur-bestuurder en afspraken worden vastgelegd over verbeterdoelen.
In uitzonderlijke gevallen kan ook financieel worden ingegrepen.
Vraag 5
De leden van de PRO-fractie vragen of de Staatssecretaris hun visie deelt dat een
oud-leerling in de Raad van Toezicht een zeer waardevolle toevoeging kan zijn vanuit
de praktijkervaring van dergelijke oud-leerlingen en vragen waarom er niet voor is
gekozen om in de statuten vast te leggen dat tenminste één oud-leerling lid moet zijn
van de Raad van Toezicht. Zij vragen of een oud-leerling in het algemeen profiel voor
leden van de Raad van Toezicht zou kunnen passen en indien dit niet het geval is of
de Staatssecretaris wil toezeggen de concept-statuten hierop aan te passen.
Antwoord 5
De regering deelt van harte de visie van de leden van de PRO-fractie dat betrokkenheid
van belanghebbenden, zoals oud-leerlingen, ouders en scholen bij stichting Ziezon
van grote meerwaarde is.
Echter dit zou wat de regering betreft niet via de Raad van Toezicht vorm moeten krijgen.
Een lid van de Raad van Toezicht moet te allen tijde onafhankelijk, objectief en zonder
persoonlijke geschiedenis de organisatie controleren. Toezichthouders dragen een juridische
verantwoordelijkheid en bij financieel wanbeleid riskeren zij persoonlijke aansprakelijkheid.
In de profielen die zijn opgesteld voor werving en selectie van de beoogde leden van
de Raad van Toezicht voor de stichting is wel kennis en ervaring met zowel onderwijs
als zorg opgenomen.
In de belanghebbendenraad daarentegen kan een oud-leerling vrijuit meedenken, kritische
vragen stellen en adviseren, zonder dat hier juridische consequenties aan vast kunnen
zitten. De waarde van een oud-leerling zit in de directe ervaring en daardoor «voeling
met de praktijk»; in een belanghebbendenraad is juist deze subjectieve betrokkenheid
een kracht. Voor leden van een Raad van Toezicht geldt een objectiviteitsvereiste.
Zoals uit de antwoorden op vragen die hierna volgen zal blijken, hecht de regering
net als uw Kamer aan een stevige positionering van de belanghebbendenraad met duidelijke
bevoegdheden en een goede samenstelling.
Vraag 6
De leden van de PRO-fractie vragen of bij de oprichting van de stichting in de oprichtingsstatuten
ermee rekening wordt gehouden dat kennis en expertise met betrekking tot leerlingen
met psychische problemen wordt geborgd, in verband met mogelijke toekomstige uitbreiding
van de doelgroep.
Antwoord 6
De concept-statuten van stichting Ziezon sluiten aan bij de Wet Onderwijsondersteuning
zieke leerlingen en wat daarin nu als wettelijke taak en doelgroep voor de stichting
is bepaald. Bij algemene maatregel van bestuur kan de doelgroep voor ozl worden uitgebreid
naar bijvoorbeeld psychisch zieke leerlingen. Zoals tijdens het debat over het wetsvoorstel
met uw Kamer is besproken, zal eerst nader onderzoek moeten volgen naar de mogelijkheid,
meerwaarde en ook de voorwaarden waaronder de doelgroep voor ozl op termijn mogelijk
kan worden uitgebreid. Daarbij zal moeten worden betrokken wat dit aan uitbreiding
van formatie en aan expertise bij de stichting vraagt. Mocht daartoe worden besloten
dan is het mogelijk dat een toekomstige algemene maatregel van bestuur noodzaakt tot
aanpassing van de statuten. Het bestuur is bevoegd statuten te wijzigen met voorafgaande
goedkeuring van de Raad van Toezicht en na goedkeuring van de Minister. Het is niet
passend om deze uitbreiding nu al in de concept-statuten op te nemen, omdat de concept-statuten
moeten aansluiten bij de opdracht zoals de stichting die gaat uitvoeren.
Vraag 7
Tenslotte stellen de leden van de PRO-fractie een aantal vragen over de belanghebbendenraad.
Zij vragen waarom er niet voor is gekozen om zowel een minimum aantal leden als de
minimumsamenstelling van de belanghebbendenraad statutair vast te leggen. Zij vragen
of de regering bereid is de statuten hierop aan te passen, zodat verzekerd kan worden
dat de belanghebbendenraad daadwerkelijk een relevante doorsnee van de belanghebbenden
vertegenwoordigt (zoals minstens één ouder en minstens één oud-leerling).
Ook vragen de leden van de PRO-fractie wat de precieze bevoegdheden van de belanghebbendenraad
wordt en hoe wordt geborgd dat de stem van (oud-)leerlingen niet alleen formeel aanwezig
is, maar ook daadwerkelijk invloed heeft op de besluitvorming van de stichting. Zij
vragen om een toelichting op welke wijze gestimuleerd wordt dat (oud)leerlingen actief
betrokken worden bij beleid, evaluatie en het aankaarten van knelpunten. De leden
vragen tevens of de belanghebbendenraad de mogelijkheid heeft om het reglement ten
aanzien van de belanghebbendenraad aan te scherpen of voorstellen daartoe te doen.
De leden vragen om hierop uitgebreid te reflecteren en in deze reflectie tevens aan
te geven of het juridisch mogelijk is om iets dergelijks een plek te geven in de statuten.
Antwoord 7
De regering erkent het belang van een belanghebbendenraad waarin de verschillende
belanghebbenden vertegenwoordigd zijn. Zoals ook in antwoord op de vragen van D66
aangegeven betreft dit leerlingen, ouders maar ook scholen waartoe de ondersteuning
in eerste instantie op gericht is. De regering is bereid dit in de concept-statuten
nadrukkelijker te onderstrepen: in de concept-statuten zal worden vastgelegd dat de
belanghebbendenraad uit minimaal één oud-leerling, één ouder en één vertegenwoordiger
van scholen moet bestaan.
De regering acht het net als de PRO-fractie ook van wezenlijk belang dat de belanghebbendenraad
daadwerkelijk invloed heeft en daarmee kan bijdragen aan de kwaliteit van de onderwijsondersteuning
van zieke leerlingen in heel Nederland. Ik zeg u toe in de concept-statuten de volgende
bevoegdheden van de belanghebbendenraad op te nemen:
• een (gemotiveerd) instemmings- of verzwaard adviesrecht over specifieke onderwerpen
die de veiligheid van de leerling of de positie van ouders direct raken (zoals een
protocol bij grensoverschrijdend gedrag en een klachtenregeling).
• Het recht om gevraagd en ongevraagd advies uit te brengen aan het bestuur;
• Het recht om het bestuur te bevragen over de uitvoering van het beleid, wat de belanghebbendenraad
in staat stelt concrete knelpunten direct aan te kaarten bij het bestuur.
De regering zal via de subsidieverstrekking erop sturen dat deze rechten daadwerkelijk
kunnen worden uitgeoefend.
Op het reglement van de belanghebbendenraad (waarin onder meer de werkwijze, samenstelling
en taakverdeling wordt vastgelegd) heeft de belanghebbendenraad direct invloed; in
de concept-statuten is geëxpliciteerd dat het bestuur het reglement pas kan vaststellen
na goedkeuring van de belanghebbendenraad en de Raad van Toezicht. Het bestuur kan
de belanghebbendenraad ook vragen om een inhoudelijk voorstel voor de opzet van het
reglement te doen.
Het van daadwerkelijke invloed laten zijn van een belanghebbendenraad kan daarnaast
ook via actieve betrokkenheid van ouders, oud-leerlingen en andere belanghebbenden
door bijvoorbeeld het organiseren van een periodiek panel, enquêtes en klankbordgroepen,
in plaats van uitsluitend formele vergaderingen. Ook het betrekken van oud-leerlingen,
ouders en scholen in een vroeg stadium van beleidsvorming (co-creatie), zodat zij
kunnen meedenken in plaats van achteraf slechts reageren, draagt bij aan daadwerkelijke
invloed. Via de startbrief, de subsidievoorwaarden en in de reguliere verantwoordingsgesprekken
met het bestuur zal de regering erop sturen dat de belanghebbendenraad van stichting
Ziezon een rol van betekenis heeft.
Ondertekenaars
-
Eerste ondertekenaar
J.C. Koorevaar, voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap -
Mede ondertekenaar
A.E.W. Easton, adjunct-griffier