Brief regering : Nadere uitwerking investeringen onderzoek en wetenschap
31 288 Hoger Onderwijs-, Onderzoek- en Wetenschapsbeleid
Nr. 1265
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 26 juni 2026
Onderzoek en wetenschap dragen op veel manieren bij aan de samenleving. Wetenschap
leert ons elkaar en de wereld om ons heen te begrijpen. Het helpt ons inzichten op
te doen uit het verleden, om lessen te leren voor de toekomst. Wetenschappers zorgen
voor belangrijke innovaties die ons leven en dat van generaties na ons steeds een
beetje beter maken. Het kabinet wil dat Nederlandse wetenschap van toonaangevend niveau
blijft en internationaal concurrerend is. Onderzoek heeft drie belangrijke doelen:
het ontwikkelen van nieuwe wetenschappelijke kennis, het overdragen van de nieuwste
kennis in het onderwijs en het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Daarbij
zijn alle wetenschapsgebieden en alle soorten onderzoek belangrijk: ongebonden en
thematisch, wetenschappelijk en praktijkgericht, fundamenteel en toegepast. Academische
vrijheid en onafhankelijke wetenschap zijn van groot belang voor een gezonde democratie.
Daarom wil dit kabinet extra investeren in onderzoek en wetenschap.
Met deze brief informeer ik u over de invulling van de hoofdlijnen die ik op 2 april
2026 tijdens het commissiedebat Onderzoeks- en Wetenschapsbeleid en op 24 april 2026
in mijn Beleidsbrief OCW heb aangekondigd.1 Met de investeringen in onderzoek en wetenschap die de coalitiepartijen hebben afgesproken
bewegen we richting de Lissabon-doelstelling om 3% van het bbp aan publieke en private
research and development (R&D)-investeringen te besteden. Het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
trekt per jaar ongeveer € 14 miljard uit voor het hoger onderwijs en wetenschap. Het
Rathenau Instituut becijferde dat de bijdrage van de Rijksoverheid voor R&D in 2026
€ 9,6 miljard bedraagt.2 Naast private investeringen is dit geld van het Rijk cruciaal voor ons systeem van
kennisontwikkeling en onderzoek, dat van groot belang is voor het welzijn en de welvaart
van onze samenleving. Ik heb in de beleidsbrief OCW aangekondigd structureel € 428
miljoen extra te investeren in onderzoek en wetenschap. Om continuïteit en stabiliteit
te bieden, gebruik ik vooral bestaand instrumentarium: sectorplannen, Europese samenwerking,
(toegepaste) onderzoeksinfrastructuur en praktijkgericht onderzoek. Ik wil de meest
dringende knelpunten oplossen, excellentie en profilering van de kennisinstellingen
bevorderen, samenwerking stimuleren en de brede maatschappelijke en economische impact
vergroten.
Onderzoek en wetenschap helpen Nederland vooruit. De samenleving staat voor grote
uitdagingen op het gebied van veiligheid, klimaat, milieu en gezondheid. Daarnaast
staan de concurrentiekracht en de strategische autonomie van Nederland en Europa onder
druk en neemt de arbeidsproductiviteit nauwelijks toe.3,
4 Universiteiten, hogescholen en andere onderzoeksinstellingen werken aan deze en andere
grote vraagstukken van vandaag en morgen. Kennisinstellingen in Nederland en in het
Caribisch deel van het Koninkrijk zijn schakels in regionale, nationale en internationale
kennisnetwerken. Daarbinnen werken zij samen met de (lokale) overheid, maatschappelijke
organisaties en bedrijven. Door samen te werken heeft hun onderzoek nog meer impact.
Het kabinet wil goed voorbereid zijn op de toekomst. Het kabinet werkt aan een sterke
economie en een fijn land om te leven via onder meer de Taskforce Toekomstige Welvaart
en Vestigingsklimaat (TTWV).5 Om ervoor te zorgen dat we onder andere toptalent in Nederland opleiden, behouden
en aantrekken, ontwikkel ik samen met de Ministers van EZK en SZW een talentstrategie.
Samen met mijn collega van EZK versterk ik de gehele keten van onderzoek en innovatie.
De Minister van EZK heeft u via de beleidsbrief Economische Zaken en Klimaat (EZK)
geïnformeerd over de contouren.6 Ik ben met mijn collega’s van Defensie en EZK in gesprek over randvoorwaarden die
nodig zijn voor kennisinstellingen om beter aan te sluiten bij de kennis- en innovatieketen
voor defensie-gerelateerd onderzoek. Voor de kennis die nodig is voor onze nationale
veiligheid, onze weerbaarheid, de strategische autonomie en concurrentiepositie van
Nederland levert de samenwerking tussen kennisinstellingen en defensie namelijk een
belangrijke bijdrage.
Terugdraaien bezuinigingen
Omdat ik waarde hecht aan continuïteit en stabiliteit investeer ik tot en met 2031
cumulatief € 378 miljoen in de eerste geldstroom van universiteiten voor het terugbrengen
van de werkdruk. Dit is een belangrijk knelpunt in de onderzoekscultuur. Hiermee draai
ik de bezuiniging van het kabinet-Schoof op de stimuleringsbeurzen terug zonder het
instrument te herintroduceren. Universiteiten kunnen deze investering naar eigen inzicht
besteden. Zoals ik in mijn beleidsbrief heb aangegeven, is het daarna aan de instellingen
om een gezonde onderzoekscultuur te behouden. Met de amendementen Eerdmans c.s. en
Bontenbal c.s. is al eerder een deel van de bezuinigingen van het kabinet-Schoof op
onderzoek en wetenschap ongedaan gemaakt.7 Ook investeer ik tot en met 2031 cumulatief € 50 miljoen in de reguliere bekostiging
van NWO. Hiermee draai ik ook een tijdelijke bezuiniging van het kabinet-Schoof op
onder andere de Open Competitie, onderzoeksinfrastructuur en Europese partnerschappen
terug.
Sectorplannen
In het coalitieakkoord staat de ambitie dat we meer samenwerking en specialisatie
van universiteiten vragen en minder concurrentie willen. Profilering zorgt dat universiteiten
elkaar in hun onderzoek aanvullen en minder met elkaar concurreren. Sectorplannen
zijn een beproefde aanpak voor profilering in het onderzoek.8 Het kabinet investeert hierin structureel € 132 miljoen. Deze extra capaciteit maakt
het mogelijk om onderzoek beter te organiseren.
Het initiatief voor het opstellen van sectorplannen ligt bij de universiteiten. De
sectorplannen worden opgesteld vanuit de vier domeinen (Sociale en Geestes-, Bèta,
Techniek en Medische en Gezondheidswetenschappen). De verdeling van de middelen vindt
plaats over deze domeinen. Ik vraag van universiteiten om bij het maken van de nieuwe
sectorplannen scherp te kiezen wie zich waarop profileert, hoe ze met elkaar samenwerken
en welke onderscheidende focuspunten ze kiezen om te excelleren. Hierbij geef ik expliciet
mee dat domeinoverstijgende samenwerking uiteraard mogelijk is.
Ik heb de universiteiten gevraagd om bij de uitwerking van de sectorplannen uit te
gaan van de kansen voor onze toekomstige welvaart en daarin duidelijk te maken hoe
ze hieraan bijdragen. Het gaat daarbij om fundamenteel onderzoek in de domeinen die
dit kabinet als cruciaal ziet voor onze toekomstige welvaart en waarin het kabinet
de publieke en private R&D-investeringen wil stimuleren. Die domeinen zijn digitalisering
en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie. Ik voeg aan elke sectorplancommissie een lid toe met expertise
op deze prioriteitsdomeinen. Omdat ik de administratieve lasten van het instrument
wil verlichten, richt ik de monitoring door de sectorplancommissies lichter in. Een
overkoepelende commissie voert de planbeoordeling uit en adviseert over de toekenning
van de middelen.
Profilering en samenwerking op het gebied van onderzoek beperkt zich niet tot universiteiten,
maar strekt zich ook uit naar NWO- en KNAW-instituten, hogescholen, rijkskennisinstellingen
en TO2-instellingen. Ik roep universiteiten daarom op om bij het ontwikkelen van de
sectorplannen aansluiting te zoeken bij andere kennisinstellingen.
Een investering in wetenschappelijk onderzoek is ook een investering in wetenschappelijk
onderwijs. Universiteiten lichten in de sectorplannen toe hoe de keuzes op het gebied
van profilering en samenwerking voor het onderzoek van invloed zijn op het onderwijs.
Vooral voor het masteronderwijs en de graduate schools is de verwevenheid tussen onderzoek
en onderwijs sterk. De middelen mogen daarom ook worden gebruikt voor onderwijs, als
dit de doelen van een sectorplan versterkt. Samenwerking blijft ook in het onderwijs
belangrijk, zeker door de dalende studentenaantallen. Universiteiten werken daarom
samen aan procedures voor de afstemming van het landelijke opleidingsaanbod. Deze
zijn naar verwachting in de komende maanden gereed.
De investeringen in de sectorplannen moeten direct ten goede komen aan het primaire
wetenschappelijke proces. Ze kunnen bijvoorbeeld worden ingezet voor personeel, kleine
infrastructuur, het bevorderen van doorgroeimogelijkheden of het beschikbaar stellen
van budget voor het verlagen van de werk-, competitie- en aanvraagdruk. Concreet ga
ik ervan uit dat de structurele middelen die besteed worden aan personeel in de sectorplannen
grotendeels worden ingezet voor vaste contracten en voor ruimte voor onderzoekers
om door te groeien.
Ik vind het van belang dat de sectorplannen aansluiten op de instellingsplannen van
de universiteiten. De colleges van bestuur en decanen stemmen dit met elkaar af. Daarnaast
verwacht ik dat de medezeggenschap betrokken is bij het opstellen van de sectorplannen.
Dit najaar informeer ik u verder over de uitwerking van de sectorplannen.
Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s
Kennis kent geen grenzen. Het is daarom cruciaal dat nationale onderzoeks- en innovatienetwerken
goed zijn aangesloten op internationale (Europese) netwerken. Een Europees kaderprogramma
voor samenwerking in onderzoek en innovatie is voor Nederland en Europa van belang
om te kunnen concurreren met andere grootmachten, zoals China en de VS. In Europa
trek ik hiervoor samen op met mijn collega van EZK. In 2028 gaat het tiende Europese
onderzoeks- en innovatiekaderprogramma van start, dat opnieuw Horizon Europe heet. De door de Europese Commissie voorgestelde omvang hiervan is € 175 miljard.
Daarmee wordt Horizon Europe 2028–2034 het grootste internationale programma voor
onderzoek en innovatie ter wereld. Er wordt een nauwe koppeling voorzien met het Europees
Concurrentievermogenfonds om de doorstroming te garanderen van fundamenteel en ongebonden
onderzoek naar toegepaste innovatie, startups en scale-ups en industriebeleid.9 Horizon Europe moet op een samenhangende en integrale wijze de hele keten van onderzoek
en innovatie ondersteunen: van fundamenteel onderzoek tot innovatie, commercialisatie
en maatschappelijke impact en van nieuwsgierigheidsgedreven tot thematisch gestuurd
onderzoek.
Nederland neemt succesvol deel aan het huidige Horizon Europe 2021–2027. Dit versterkt
de Nederlandse onderzoeks- en innovatiesector. Nederlandse kennisinstellingen en innovatieve
bedrijven hebben via Horizon Europe 2021–2027 tot nu toe € 5 miljard opgehaald. Alleen
grote lidstaten zoals Duitsland, Frankrijk en Spanje ontvangen meer. Het aandeel dat
Nederland ontvangt uit Horizon Europe is bijna tweemaal zo hoog als het aandeel dat
Nederland bijdraagt aan de Europese begroting.10 Om de succesvolle deelname van Nederland aan Horizon Europe te behouden en te verbeteren,
maakt het kabinet het budget voor de tijdelijke subsidieregeling Matching Horizon
Europe structureel met € 80 miljoen per jaar. Instellingen ontvangen hiermee compensatie
voor de eigen bijdrage die zij inleggen om deel te nemen aan projecten in Horizon
Europe. Door deze subsidieregeling bevorder ik de toegang van Nederlandse onderzoekers
tot Horizon Europe. Daarnaast blijft het kabinet inzetten op het ondersteunen van
Nederlandse indieners met het National Contact Point.
Het kabinet investeert daarnaast structureel € 47 miljoen in de cofinanciering van
Europese partnerschappen. Bij Europese partnerschappen worden nationale en Europese
middelen gecombineerd om met publieke en private partijen samen te werken aan belangrijke
thema’s, zoals klimaatverandering, toegang tot schoon water, gezondheid en het ontwikkelen
van supercomputers. Nederland zorgt er met de inzet op Europese partnerschappen bijvoorbeeld
voor dat de Nederlandse kennissector en het bedrijfsleven toegang houden tot onderzoeksdata
via de European Open Science Cloud en tot supercomputers via EuroHPC. De inzet loopt
deels via het Ministerie van EZK. EZK zet deze middelen in voor het stimuleren van
publiek-private onderzoeks- en innovatie-samenwerking via strategische hoogtechnologische
Europese partnerschappen. De middelen die OCW inzet via NWO zijn gericht op een breder
wetenschappelijk bereik en meer op maatschappelijke uitdagingen, bijvoorbeeld op het
gebied van democratie en veerkracht of de weerbaarheid van Europees cultureel erfgoed
tegen klimaatverandering.
Onderzoeksinfrastructuur
Onderzoeksinfrastructuur van topkwaliteit is een basisvoorwaarde voor de ontwikkeling
en toepassing van kennis voor Nederland. Voorbeelden van infrastructuur zijn telescopen,
geavanceerde sensoren, speciale laboratoria, omvangrijke verzamelingen van boeken,
cohorten van patiënten en tekst-, spraak- en multimedia-uitingen. Het belang en de
complexiteit van lokale, nationale en internationale onderzoeksinfrastructuur zijn
in de afgelopen vijftien jaar sterk toegenomen. Het waarborgen van een doelmatig en
doeltreffend stelsel vraagt om reflectie en vooruitkijken. Om dit goed te kunnen doen,
laat ik me hierover door de Adviesraad voor wetenschap, technologie en innovatie (AWTI)
adviseren. Tegelijkertijd zijn er urgente zaken om direct op te pakken. Dit licht
ik hieronder toe.
NWO is een belangrijke partner in het landschap van onderzoeksinfrastructuren. Daarom
investeer ik € 35,3 miljoen voor wetenschappelijke onderzoeksinfrastructuur via NWO.
Om de toegekende middelen adequaat voor onderzoeksinfrastructuur in te zetten, maakt
NWO keuzes op basis van eigen kennis en adviezen uit het veld. NWO draagt hiermee
onder andere bij aan onderzoeksinfrastructuur en digitale infrastructuur voor onderzoek.
Ook heb ik structureel € 30 miljoen gereserveerd voor toegepaste onderzoeksinfrastructuur.
Mijn collega van EZK draagt hiervoor de verantwoordelijkheid en zal u hier later over
informeren.
In de volgende alinea’s licht ik mijn andere voorgenomen investeringen in internationale
lidmaatschappen, digitale onderzoeksinfrastructuur en de Einstein Telescope verder
toe.
a) Internationale lidmaatschappen
Nederlandse lidmaatschappen van internationale onderzoeksinfrastructuren zijn noodzakelijk
om onze onderzoekers en wetenschappers toegang te geven tot innovatieve infrastructuur.
Daarom continueer ik vanaf 2031 de middelen voor het portfolio van internationale
lidmaatschappen, zoals dat nu door NWO wordt uitgevoerd. NWO is samen met de verschillende
betrokken stakeholders bezig met een voorstel voor de gezamenlijke sturing op en bestendigheid
van het portfolio. Verder investeer ik structureel € 8,7 miljoen in het lidmaatschap
voor de Square Kilometre Array Observatory (SKAO), de grootste radiotelescoop ter
wereld. Ik vind het van wetenschappelijk belang om internationaal mee te blijven doen
in SKAO. Hiermee houden Nederlandse wetenschappers, bijvoorbeeld werkzaam bij ASTRON
in Dwingeloo, toegang tot internationale toonaangevende onderzoeksinfrastructuur en
behouden we onze toppositie in dit vakgebied.
b) Digitale onderzoeksinfrastructuur
Onderzoek in alle disciplines is in toenemende mate datagedreven en digitaal. Instellingen
organiseren hun digitale infrastructuur vaak zelf, maar steeds vaker is de omvang
en complexiteit te groot voor één instelling. Daarom is digitale onderzoeksinfrastructuur
op nationaal en Europees niveau nodig. Het gaat om zeer grote rekenkracht, betrouwbare
dataopslag, snelle internationale netwerk-verbindingen, krachtige software en deskundige
technische ondersteuning. Het adviesrapport Reken er maar (niet meer) oplaat zien dat extra investeringen nodig zijn als Nederland excellente wetenschap wil
blijven beoefenen.11 Het bevorderen van autonomie voor digitale onderzoeksinfrastructuur is belangrijker
geworden. Ik investeer daarom in de versterking van de nationale digitale onderzoeksinfrastructuur.
NWO en SURF zullen komen tot een duurzame inzet voor deze investeringen.
De huidige nationale supercomputer Snellius is dringend aan vervanging toe. Om voor
Nederland voldoende super-computingcapaciteit te waarborgen, heb ik incidenteel € 185
miljoen toegezegd voor de opvolger van Snellius. Bij de aanschaf en uitvoering van
deze opvolger zullen NWO en SURF digitale autonomie, (cyber- en kennis-)veiligheid
en (energie)duurzaamheid bevorderen. Ze stellen waar mogelijk Europese technologie
centraal. NWO en kennisinstellingen die lid zijn van SURF hebben voor de lange termijn
het initiatief genomen om de structurele middelen voor super-computingfaciliteiten
te borgen door voldoende te sparen, boven op het bedrag dat zij al sparen. Zij hebben
toegezegd vanaf 2027 hun jaarlijkse spaarbijdrage te verdubbelen.
c) Einstein Telescope
De Einstein Telescope (ET) wordt een geavanceerd ondergronds meetinstrument voor zwaartekrachtgolven.
Het kabinet vindt het project essentieel voor de technologische en wetenschappelijke
autonomie van Nederland en Europa. Bovendien levert dit voor de Euregio Maas-Rijn
hoogwaardige werkgelegenheid en innovaties op. Het is daarom een kabinetsprioriteit
om de ET naar de grensregio van Nederland, België en Duitsland te halen. Ik heb eenmalig
€ 25 miljoen gereserveerd voor de bouw van het R&D-centrum voor de ET-Pathfinder:
het ET-Low Frequency Center (ET-LFC). In aanvulling op deze middelen hebben de provinciale
staten van Limburg een extra investering van € 4 miljoen goedgekeurd voor de bouw
van het ET-LFC. Dit is een unieke faciliteit die speciaal wordt ingericht om innovatieve
technologieën die nodig zijn voor de ET te ontwikkelen en te testen. Om ons ET-locatievoorstel
verder kracht bij te zetten, reserveer ik vanaf 2032 structureel € 10 miljoen voor
het Nederlandse lidmaatschap van ET. Verder kijk ik met NWO waar strategische investeringen
in onderzoeksinfrastructuren van onze partnerlanden, in aanvulling op bestaande lidmaatschappen,
mogelijk en nodig zijn voor ons ET-locatievoorstel.
Praktijkgericht onderzoek aan hogescholen
Praktijkgericht onderzoek (PGO) is onderzoek dat ontstaat vanuit een maatschappelijke
vraag of vanuit een uitdaging in de praktijk. PGO aan hogescholen is essentieel voor
de aansluiting van onderwijs op de beroepspraktijk, het bevorderen van innovatie en
de bijdrage aan het Nederlandse kennisecosysteem. Hogescholen werken voor PGO intensief
samen met bedrijven en maatschappelijke partners, in thematische en regionale clusters.
Hogescholen spelen een belangrijke rol in de ontwikkeling van hoog-gekwalificeerde
professionals. Hogescholen spelen een belangrijke rol door hun onderwijsaanbod af
te stemmen op de eisen en behoeften van de arbeidsmarkt. Veel instellingen hebben
een verscheidenheid aan onderzoeksactiviteiten ontwikkeld om bij te dragen aan regionale
innovatie en om de beroepspraktijk te verbeteren.12 Ik ben overtuigd van de toegevoegde waarde hiervan. Met mijn investering van structureel
€ 68 miljoen voeg ik in de eerste plaats structureel € 46 miljoen toe aan de bekostiging
van hogescholen. In de tweede plaats investeer ik structureel € 22 miljoen in praktijkgericht
onderzoek via het regieorgaan SIA van NWO. Ik zet de huidige verdeling van onderzoeksmiddelen
over de eerste en tweede geldstroom voor hogescholen door tot en met 2031. Daarna
kijk ik of het voortzetten van deze verdeling na 2031 nog passend is.
Onderzoek aan mbo-instellingen
Het kabinet investeert structureel in regionale innovatie en de kracht van publiek-private
samenwerking, dus ook in het mbo. Ik investeer structureel € 17 miljoen om de opgebouwde
basis van practoraten en praktijkgericht onderzoek voort te zetten en verder uit te
bouwen. De AWTI brengt in het najaar van 2026 een advies uit over de meerwaarde van
practoraten in het mbo voor het aanpakken van maatschappelijke uitdagingen. Daarbij
wordt ook onderzocht of een wettelijke onderzoekstaak voor mbo-instellingen wenselijk
en noodzakelijk is om die potentie te realiseren. Uw Kamer wordt hierover begin 2027
geïnformeerd.
Valorisatie
Nederland kent een sterke basis in onderzoek en excellente wetenschap. De toepassing
van kennis uit onderzoek naar maatschappelijke impact gebeurt al volop. De manier
waarop, bijvoorbeeld via ondernemerschap, communicatie of samenwerkingsverbanden,
moet passen bij het type onderzoek, de opgedane kennis en de maatschappelijke stakeholders.
Het verbeteren van de vertaling van nieuwe kennis naar concrete toepassingen is een
gezamenlijke opgave. Samen met de Minister van EZK verken ik de mogelijkheden voor
een nationale Knowledge Transfer Office (KTO) als brug tussen wetenschap en maatschappij.
OCW, EZK en de kennisinstellingen dragen daarnaast verantwoordelijkheid voor het standaardiseren
en versnellen van de overdracht van intellectueel eigendom van kennisinstellingen
naar startups. Om het starten van bedrijven door onderzoekers te vergemakkelijken,
onderzoeken we of een commissie kan bemiddelen bij conflicten over intellectueel eigendom.
Voor kennisbenutting in brede zin laat ik mij adviseren door de AWTI.
Kennisveiligheid en cyberweerbaarheid
Wetenschap en hoger onderwijs kunnen niet zonder internationale samenwerking. Tegelijkertijd
zetten statelijke actoren kennis en innovatie in als strategisch machtsmiddel naast
of in combinatie met klassieke middelen, zoals spionage. Het Dreigingsbeeld Statelijke
Actoren laat zien dat Nederlandse kennisinstellingen en wetenschappers doelwit zijn
van (digitale) aanvalscampagnes om hoogwaardige technologie buit te maken. Ook toont
het dreigingsbeeld dat kennis en technologie ook op reguliere wijze worden verkregen,
bijvoorbeeld via academische samenwerkingen.13 Ongewenste kennis- en technologieoverdracht levert risico’s op voor de nationale
veiligheid. Daarom werkt het kabinet met de kennissector aan het verbeteren van de
kennisveiligheid en het weerbaarder maken van kennisinstellingen.
Om instellingen op weg te helpen op het gebied van kennis- en cyberveiligheid investeert
dit kabinet tot en met 2031 cumulatief € 80 miljoen. De middelen worden via de Rijksbijdrage
beschikbaar gesteld aan de universiteiten, hogescholen, umc’s en de instituten van
KNAW en NWO. De investering is een tijdelijke impuls om instellingen te helpen om
werk te maken van fysieke en digitale maatregelen ter bescherming van kennisontwikkeling
en internationale samenwerking. Hierna achten wij de instellingen in staat de kosten
voor deze uitdagingen te kunnen financieren uit de bestaande middelen van de lumpsum.
Hiermee bouw ik met de instellingen voort op de solide basis voor kennisveiligheid
die gelegd is in de afgelopen jaren. Zo is het kabinetsbrede Loket Kennisveiligheid
recent positief geëvalueerd.14 Het Loket heeft een belangrijke rol gespeeld in de bewustwording van kennisinstellingen
over kennisveiligheid. Instellingen zoeken nu, bij groeiende volwassenheid, naar concrete
ondersteuning bij complexe casuïstiek, scherpere duiding van sancties en sensitieve
technologie en een laagdrempelige sparringpartner. Daarom ga ik het Loket Kennisveiligheid
doorontwikkelen tot een expertisecentrum dat hierin voorziet. Ook gaat het loket de
instellingen proactief informeren over risico’s, zoals uw Kamer via de motie Martens-America
heeft verzocht.15 Verder onderzoek ik, binnen de budgettaire kaders van het kennisveiligheidsbeleid,
of het nodig is en wat nodig is om het Loket een structurele plek te geven in kabinetsbrede
aanpak kennisveiligheid.
Ik heb uw Kamer geïnformeerd over de voortgang van de kabinetsbrede aanpak kennisveiligheid,
waarbij ik naast versterking van het loket inzet op een gerichtere aanpak van kennisveiligheidsrisico’s.16 Daarvoor ontwikkel ik samen met de instellingen kennisveiligheidsprofielen. Waar
de risico’s het grootst zijn, werk ik met de Ministers van JenV en EZK aan een screening
van personen die binnen een Nederlandse kennisinstelling toegang willen krijgen tot
sensitieve technologie. Een gelijk speelveld is daarin een belangrijke randvoorwaarde.
Ik heb uw Kamer recent laten weten dat ik werk aan een uitvoerbare, effectieve en
proportionele screening kennisveiligheid. Na de zomer informeer ik uw Kamer over een
haalbaarheidsanalyse waarbij ik naar verschillende scenario’s kijk.17
Tot slot
In deze brief heb ik mijn voorstellen voor onderzoek en wetenschap toegelicht en uitgewerkt.
Deze voorstellen zijn onder voorbehoud van de augustus-besluitvorming van het kabinet.
In de overzichtstabel op de laatste pagina heb ik deze samengevat. Uiteraard weet
ik mij daarbij strikt gebonden aan het budgetrecht. Ik kijk ernaar uit om samen met
uw Kamer met ambitie aan de slag te gaan met deze uitwerking. Dat doe ik ook samen
met de mensen om wie het gaat. In de afgelopen maanden heb ik al velen van hen gesproken
om te komen tot de huidige uitwerking.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Beleidskeuzes uitgelegd
Onderbouwing doeltreffendheid, doelmatigheid en evaluatie (CW 3.1)
Doel(en)
Met de voorgenomen maatregelen wil het kabinet dat de Nederlandse wetenschap van toonaangevend
niveau blijft en internationaal concurrerend is. De wetenschap staat daarbij in verbinding
met de samenleving. Ook het stelsel van onderzoek en wetenschap moet versterkt worden.
Het kabinet zet een stap richting de Lissabon-doelstelling om 3% van het bbp aan publieke
en private R&D-investeringen te besteden. Daarnaast vraagt OCW meer samenwerking en
profilering van universiteiten en minder onderlinge concurrentie. OCW vindt het van
belang dat er voor het veld door deze investeringen continuïteit en stabiliteit is.
Beleidsinstrument(en)
Voor het realiseren van de bovengenoemde doelen maken we zoveel mogelijk gebruik van
bestaande instrumenten. Het gaat hierbij om:
– Sectorplannen: de sectorplannen zijn het instrument om de profilering in het onderzoek
te vergroten en fundamenteel onderzoek te richten op de vier domeinen die het kabinet
als prioriteit ziet (digitalisering en AI, veiligheid en weerbaarheid, energie- en
klimaattechnologie en life sciences en biotechnologie).
– Europese onderzoeks- en innovatieprogramma’s:
• Matching Horizon Europe: hiermee wordt de deelname van Nederlandse kennisinstellingen
aan het Europese kaderprogramma voor wetenschap en innovatie gestimuleerd.
• Europese partnerschappen: hiermee worden nationale middelen met Europese middelen
gecombineerd om met publieke en private partijen samen te werken aan grote thema’s
en wordt onderzoekers toegang geboden tot internationale netwerken en faciliteiten.
– Onderzoeksinfrastructuur:
• Onderzoeksinfrastructuur via NWO: NWO maakt hierbij keuzes om de middelen via NWO
adequaat in te zetten voor onderzoeksinfrastructuur via onder andere het internationaal
lidmaatschappenportfolio en te investeren in digitale onderzoeksinfrastructuur.
• SKAO: Nederland neemt deel aan deze grootste radiotelescoop ter wereld. Deze internationale
samenwerking gaat een nieuwe fase in, waardoor er nieuwe financiële afspraken zijn
voor de lange termijn.
• Digitale onderzoeksinfrastructuur: investering in de versterking van de nationale
digitale onderzoeksinfrastructuur, waaronder de vervanging van de nationale supercomputer.
• Einstein Telescoop (ET): het kabinet investeert in de bouw en de exploitatie van
het ET-Low Frequency Center. Hiermee worden innovatieve technologieën ontwikkeld en
getest voor de latere bouw van de ET. Ook wordt er geld gereserveerd voor de structurele
exploitatie van de ET.
– Praktijkgericht onderzoek aan hogescholen: hiermee wordt geïnvesteerd in de eerste
en tweede geldstroom voor praktijkgericht onderzoek.
– Onderzoek aan mbo-instellingen: hiermee wordt geïnvesteerd in practoraten voor mbo-onderzoek.
– Valorisatie: OCW en EZK bevorderen gezamenlijk de valorisatie.
– Kennisveiligheid en cyberweerbaarheid: het kabinet investeert via de reguliere bekostiging
van kennisinstellingen in de uitdagingen rondom kennisveiligheid en cyberveiligheid.
– Werkdruk: via de reguliere bekostiging van universiteiten wordt er geïnvesteerd
om een bezuiniging van Kabinet-Schoof terug te draaien. Deze middelen kunnen gebruikt
worden om werkdruk te reduceren. Hiermee wordt stabiliteit en continuïteit geboden.
– Bekostiging NWO: via de reguliere bekostiging van NWO wordt er geïnvesteerd om een
bezuiniging van Kabinet-Schoof terug te draaien. Deze middelen zet NWO naar eigen
inzicht adequaat in. Hiermee wordt stabiliteit en continuïteit geboden.
Financiële gevolgen voor het Rijk
Structureel is er € 428 miljoen beschikbaar gesteld vanuit de envelop van het coalitieakkoord.
Daarnaast zijn er incidenteel extra middelen beschikbaar.
Financiële gevolgen voor maatschappelijke sectoren
N.v.t.
Nagestreefde doeltreffendheid
De gekozen instrumenten zijn doeltreffend, omdat de langer lopende instrumenten al
onderzocht en (positief) geëvalueerd zijn en ze direct verband houden met bovengenoemde
doelen. Zo bereiken we met de sectorplannen profilering en samenwerking. Hiermee investeren
we in fundamenteel onderzoek, waarbij excellentie nodig is op strategisch belangrijke
gebieden. Met de investering in onderzoeksinfrastructuur en Europese onderzoeks- en
innovatieprogramma’s zorgen we ervoor dat onderzoekers kunnen beschikken over hoogstaande
onderzoeksinfrastructuur en toegang hebben tot internationale netwerken van onderzoek
en innovatie. Wetenschap van hoog niveau kan niet zonder internationale samenwerking,
maar dat moet wel veilig kunnen. Daarom investeren we in kennisveiligheid en cyberweerbaarheid.
Daarnaast is verbinding met de maatschappij en de regio van belang. Het praktijkgericht
onderzoek en de practoraten staan bij uitstek in verbinding met de maatschappij en
de regio. Ook de gezamenlijke inspanningen van OCW en EZK voor valorisatie dragen
hieraan bij. Het geheel aan investeringen brengt de Lissabondoelstelling dichterbij
en zorgt voor continuïteit en stabiliteit. Daarbij draagt ook het terugdraaien van
de bezuinigingen voor de werkdrukmiddelen en bekostiging NWO bij aan continuïteit
en stabiliteit.
Nagestreefde doelmatigheid
We maken gebruik van bestaande instrumenten om zo efficiënt mogelijk te zijn. Een
deel van de langer lopende instrumenten is al (positief) geëvalueerd. Om het zo efficiënt
mogelijk te laten zijn, worden de administratieve lasten zo veel mogelijk teruggedrongen.
Dit vergt bijvoorbeeld een aanpassing in de nieuwe ronde sectorplannen. Ook worden
bijvoorbeeld de middelen voor kennisveiligheid en cyberweerbaarheid via de reguliere
bekostiging weggezet, omdat dit zo min mogelijk administratieve lasten vraagt en omdat
instellingen zelf het best in staat zijn om de uitdagingen binnen hun eigen organisatie
te identificeren.
Evaluatieparagraaf
Omdat het bestaande instrumenten betreft wordt er gebruik gemaakt van lopende monitoring
en evaluatie. De planning van deze evaluaties staat in de Strategische Evaluatieagenda
(SEA) bij de begroting. Met behulp van indicatoren op OCWincijfers.nl brengen we het
doelbereik inzicht. Voor 2027 staat de periodieke rapportage onderzoek en wetenschapsbeleid
gepland. Hierin wordt onder andere gekeken naar de doeltreffendheid en doelmatigheid
van deze instrumenten binnen het geheel van het onderzoek- en wetenschapsbeleid.
Bedragen * € 1.000
2027
2028
2029
2030
2031
Struc.
Infrastructuur: onderzoeksinfrastructuur
31.000
31.000
31.000
31.000
31.000
54.000
– Infra via NWO (o.a. digitaal, exploitatie ET-LFC, lidmaatschappenportfolio)
27.800
27.500
27.000
27.000
22.300
35.300
– SKAO
3.200
3.500
4.000
4.000
8.700
8.700
– ET
10.000
Infrastructuur: toegepaste onderzoeksfaciliteiten
6.000
10.000
10.000
0
0
30.000
– EZK
6.000
10.000
10.000
0
0
30.000
Infrastructuur: nationale supercomputer en Einstein Telescope R&D-centrum
84.673
57.561
54.029
14.205
0
0
– Supercomputer
69.673
47.561
54.029
14.205
0
0
– Einstein Telescope LFC
15.000
10.000
0
0
0
0
Praktijkgericht onderzoek: hbo
10.000
20.000
20.000
20.000
20.000
68.000
– Via eerste geldstroom
5.000
10.000
10.000
10.000
10.000
46.000
– Via NWO-SIA
5.000
10.000
10.000
10.000
10.000
22.000
Praktijkgericht onderzoek: mbo
0
13.000
13.000
13.000
13.000
17.000
– Practoraten via eerste geldstroom
0
13.000
13.000
13.000
13.000
17.000
Europese samenwerking: Europese partnerschappen
0
0
15.000
47.000
47.000
47.000
– Europese partnerschappen via OCW
0
0
0
13.000
13.000
13.000
– Europese partnerschappen via EZK
0
0
15.000
34.000
34.000
34.000
Europese samenwerking: matching Horizon Europe
0
0
0
80.000
80.000
80.000
– Matching Horizon Europe
0
0
0
80.000
80.000
80.000
Sectorplannen wo
0
107.000
107.000
131.000
131.380
132.380
– Eerste geldstroom universiteiten
0
107.000
107.000
131.000
131.380
132.380
Veiligheid en weerbaarheid
20.000
20.000
20.000
10.000
10.000
0
– NWO
1.180
0
0
0
0
0
– KNAW
760
0
0
0
0
0
– Eerste geldstroom universiteiten
11.300
12.520
12.520
6.260
6.260
0
– Eerste geldstroom hogescholen
6.760
7.480
7.480
3.740
3.740
0
Terugdraaien NWO en werkdrukmiddelen
70.000
70.000
96.000
96.000
96.000
0
– NWO
10.000
10.000
10.000
10.000
10.000
0
– Eerste geldstroom universiteiten
60.000
60.000
86.000
86.000
86.000
0
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap