Brief regering : Antwoorden op vragen commissie van de V-100 over het mbo en de aansluiting op de arbeidsmarkt
31 524 Beroepsonderwijs en Volwassenen Educatie
29 544
Arbeidsmarktbeleid
Nr. 707
BRIEF VAN DE MINISTER VAN ONDERWIJS, CULTUUR EN WETENSCHAP
Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal
Den Haag, 25 juni 2026
Hierbij stuur ik u de antwoorden op de vragen van de commissie over mijn brief van
4 juni 2026 inzake Verzoek om beantwoording vragen V-100 over het mbo en de aansluiting
op de arbeidsmarkt.
Graag wil ik ook de jongeren bedanken voor hun scherpe vragen. Daaruit blijkt een
grote betrokkenheid. Het is waardevol om te zien dat zij zich verdiepen in het onderwijs
en de keuzes die daarin worden gemaakt.
1. Er wordt jaarlijks 33,8 mln. euro geïnvesteerd in loopbaanoriëntatie en -begeleiding
(LOB). Heeft u zicht op de specifieke besteding van deze middelen en kunt u toelichten
aan welke concrete acties of maatregelen deze miljoenen zijn gekoppeld?
Elk jaar gaat er extra geld naar loopbaanbegeleiding in het mbo. We onderzoeken1 waar scholen dat geld aan besteden. Dit is de top 4 waar scholen dat geld aan uitgeven:
– Voorlichting aan studenten over banen, samen met werkgevers (85%)
– Bezoeken aan bedrijven en kennismaken met beroepen (77%)
– Bijscholing van docenten en loopbaanbegeleiders (75%)
– Extra personeel om studenten loopbaanbegeleiding te geven (70%)
Het geld wordt dus ingezet voor concrete activiteiten die de kwaliteit van LOB moeten
versterken. We onderzoeken of de kwaliteit verbeterd is, door bijvoorbeeld de studenttevredenheid
te meten. Ook meten we het aantal studenten dat aan een opleiding begint, of een opleiding
verlaat. Daarbij kijken we ook specifiek naar studies die opleiden voor werksectoren
waar Nederland grote behoeften aan heeft. In de eerste meting was het effect van de
investeringen nog niet zichtbaar. De volgende meting wordt eind 2026 aan uw Kamer
toegestuurd.
2. Kunt u uitleggen waarom het mbo-vak loopbaanoriëntatie en -begeleiding (LOB) op
een mbo-college door iedere medewerker kan worden gegeven, zonder dat hiervoor specifieke
opleidingseisen, kwalificaties of certificeringen gelden?
LOB is geen afzonderlijk mbo-vak met landelijke bevoegdheidseisen. Mbo-instellingen
zijn verantwoordelijk voor de inrichting van LOB en bepalen zelf welke medewerkers
hieraan bijdragen. Dit past bij het karakter van LOB, dat verweven is met onderwijs,
begeleiding en beroepspraktijkvorming.
We kiezen ervoor om in te zetten op het verbeteren van de kwaliteit van LOB via andere
manieren. Bijvoorbeeld door:
– Investeringen in bijscholing van docenten en loopbaanbegeleiders (zie ook mijn antwoord
op vraag 1).
– Ondersteuning van instellingen met kennis, professionalisering en praktijkvoorbeelden,
door het Expertisepunt LOB (EPLOB). Zo heeft het EPLOB een kwaliteitskader ontwikkeld.
Scholen kunnen de concrete tips uit het kwaliteitskader gebruiken om de kwaliteit
van loopbaanbegeleiding verder te verbeteren.
– Het verhogen van de kwaliteit van LOB start in de lerarenopleiding. Daarom wordt er
een landelijk onderwijsaanbod LOB ontwikkeld voor de lerarenopleiding o.l.v. VELON.
3. Kunt u toelichten in hoeverre u zicht heeft op de mate waarin mbo-opleidingen aansluiten
op de huidige en toekomstige arbeidsmarktbehoeften, en welke concrete stappen u zal
zetten als blijkt dat deze aansluiting tekortschiet?
We meten bij elke opleiding hoeveel studenten na hun afstuderen, binnen een jaar werk
hebben. Ook meten we hoeveel studenten zich inschrijven voor welke opleiding. Daarbij
kijken we ook of studenten zich inschrijven voor studies die opleiden voor banen waar
veel mensen nodig zijn, de tekortsectoren. Dat gaat bijvoorbeeld om werk in de bouw,
zorg en techniek.
Door dit te meten, weten we dat het per opleiding sterk verschilt hoe snel studenten
na hun afstuderen een baan vinden. Ook zien we dat het aantal studenten dat zich inschrijft
voor een opleiding voor een tekortsector gelijk blijft of afneemt.
Daarom gaat dit kabinet met de Talentstrategie maatregelen nemen om meer talent op
te leiden en te begeleiden naar de sectoren die Nederland hard nodig heeft. Dat is
ook nodig voor onze toekomstige welvaart. Dit doen we samen met werkgevers, werknemers,
scholen, en studenten zelf. Bijvoorbeeld door afspraken te maken met onderwijsinstellingen
en werkgevers over het opleidingsaanbod. Met de Talentstrategie werken we ook aan
blijvende inzetbaarheid van mensen, en waardevol werk voor mensen. Binnenkort informeer
ik hier de kamer over.
4. Kunt u uitleggen hoe u ervoor zorgt dat mbo-studenten met achterstanden op het
gebied van basisvaardigheden de ondersteuning krijgen waar zij recht op hebben. Waarom
zijn de effecten van het actieplan basisvaardigheden tot nu toe nog onvoldoende zichtbaar
zijn?
We zetten in op het verbeteren van de kwaliteit van de lessen taal, rekenen en burgerschap.
En we investeren in de docenten die deze lessen verzorgen. Dit doen we met de «Aanpak
basisvaardigheden MBO»2. De effecten hiervan zijn nog niet overal zichtbaar. Want het kost tijd voordat deze
investeringen in onderwijskwaliteit hun vruchten afwerpen, en doorwerken in betere
basisvaardigheden bij studenten.
5. Kunt u toelichten hoe u ervoor zorgt dat mbo-studenten met uiteenlopende leerstijlen
en ondersteuningsbehoeften passend maatwerk ontvangen zodat hun motivatie behouden
blijft en voortijdige uitval wordt voorkomen? En op welke manier wordt voorkomen dat
regionale verschillen hierbij uit beeld raken?
In het mbo is er veel mogelijk om studenten die extra ondersteuning nodig hebben,
hulp op maat te bieden. Maar niet elke school is altijd even goed op de hoogte van
wat er mag en kan. Daarom is de handreiking Passend onderwijs3 in het mbo ontwikkeld. Zo zorgen we dat scholen de juiste informatie hebben en weten
welke vormen van ondersteuning en maatwerk mogelijk zijn. En dat ze weten welke keuzes
ze daar zelf in kunnen maken. Er is ook een versie voor studenten (inclusief korte
filmpjes voor extra uitleg). Zo kunnen studenten zelf ook zien op welke ondersteuning
ze recht hebben.
Daarnaast hebben scholen en gemeenten samen regionale programma’s4 opgezet. Het doel hiervan is om te voorkomen dat studenten voortijdig stoppen met
hun opleiding. In veel regio’s kunnen studenten daarom gemakkelijk extra hulp krijgen
op of rond school, bijvoorbeeld van een vaste begeleider of coach. Deze ondersteuning
is bedoeld voor studenten die extra begeleiding nodig hebben om hun opleiding succesvol
af te ronden. De aanpak verschilt per regio, zodat deze goed aansluit bij de behoeften
van studenten in de omgeving.
6. Uit de JOB Monitor 2026 blijkt dat 31% van de mbo-studenten moeite heeft met het
vinden van een stageplek. Daarnaast laat de Stagebarometer voorjaar 2026 van SBB zien
dat momenteel 4.695 mbo-studenten geen stageplek kunnen vinden. Hoe duidt u deze cijfers
en welke concrete stappen zet u om het tekort aan stageplekken op korte termijn terug
te dringen?
De cijfers over de moeite die studenten hebben om een stageplek te vinden zijn zorgelijk.
Het is belangrijk dat studenten een fijn leerbedrijf vinden. Zo kunnen studenten kennismaken
met de arbeidsmarkt en in de praktijk het vak leren. Op dit moment kunnen 4.695 mbo-studenten
geen stageplek vinden. Dat is ongeveer 1% van het totale aantal mbo-studenten. Dat
betekent dat 99% van de studenten wel een stageplek kan vinden. Maar de cijfers laten
ook zien dat het voor studenten in entree-opleidingen en niveau 2 moeilijker wordt
een stageplek te vinden. Ook zien we stagetekorten toenemen binnen de sector zorg
en welzijn. Dat baart mij zorgen.
Voor alle stagetekorten is in het Stagepact5 afgesproken dat SBB de tekorten doorlopend meet en scherp in beeld brengt. En als
er een tekort is, werkt SBB vervolgens samen met de mbo-scholen en bedrijven, om tot
(creatieve) oplossingen te komen voor de regio of sector waar het tekort is.
Binnenkort ga ik in gesprek met onderwijsinstellingen, werkgevers in de zorg, SBB,
en VWS om een doorbraak te forceren voor de sector zorg en welzijn. Zodat we samen
met nieuwe oplossingen komen. Want we hebben zorgmedewerkers keihard nodig.
7. Kunt u aangeven welke onderdelen van het Stagepact mbo naar uw oordeel onvoldoende
effectief zijn en verbetering behoeven? Overweegt u daarnaast om het Stagepact mbo,
dat loopt tot 2027, te verlengen of aan te scherpen?
Het lukt nog onvoldoende om op de vier doelstellingen uit het Stagepact resultaten
te boeken. Zo geven veel studenten aan dat ze niet tevreden zijn over de stagebegeleiding
van de school. Het aantal studenten dat stagediscriminatie ervaart is nog niet gedaald.
En te weinig studenten ontvangen een passende stagevergoeding. Net als de andere partners
van het Stagepact, maak ik me daar zorgen om. Daarom gaan we de komende periode (extra)
stappen maken. Samen met de partners van het Stagepact heb ik een aantal aanvullende
acties afgesproken. Zo gaan we het bijvoorbeeld makkelijker maken voor mbo-instellingen
en leerwerkbedrijven om objectief te werven en selecteren. Ook maakt de MBO Raad een
tool met daarin informatie over welke methodes goed werken bij stagebegeleiding. Die
tool kunnen de mbo-instellingen gebruiken, om hun stagebegeleiding voor de student
te verbeteren. En ik werk zelf aan een wetsvoorstel om het geven van een stagevergoeding
aan studenten verplicht te stellen.
De uitvoering van het Stagepact is nu net iets over de helft, en loopt nog tot en
met 2027. Samen met de betrokken partners kijk ik ook alvast vooruit naar het vervolg
en de borging van het Stagepact. In 2027 zal de eindevaluatie plaatsvinden. Om te
beslissen wat de vervolgstappen worden kijken we naar de metingen van de midterm review
en de eindevaluatie. Vervolgstappen kunnen zijn: doorontwikkeling van het Stagepact,
andere beleidsinstrumenten (zoals bijvoorbeeld wet- en regelgeving), of een combinatie
van beleidsinstrumenten. Daarover neem ik in de loop van 2027 een besluit.
8. Uit de JOB Monitor 2026 blijkt dat 58% van de BBL-studenten tevreden is over de
beroepspraktijkvorming (BPV), tegenover slechts 40% van de BOL-studenten. Hoe verklaart
u dit verschil en welke concrete maatregelen neemt u om de kwaliteit en tevredenheid
van de BPV voor BOL-studenten te verbeteren?
Ik neem de lagere score voor de rol van de school bij bol-studenten uiterst serieus.
De bpv-begeleiding vanuit school moet beter. Samen met de partners binnen het Stagepact
mbo hebben we aanvullende acties opgesteld, ook voor stagebegeleiding. Zie ook antwoord
op vraag 7.
Er is geen onderzoek gedaan naar de oorzaken achter dit verschil tussen de bol en
bbl. Maar een mogelijke verklaring is hoe beide studies zijn ingericht. Bbl-studenten
zijn vaak al in dienst bij een erkend leerbedrijf; hun stageplek is de basis van hun
opleiding, en de student is vaak voor langere tijd werkzaam bij het leerbedrijf. Ook
zijn bbl-studenten gemiddeld ouder dan bol-studenten en bbl-studenten hebben meestal
meer werkervaring. Bij bol-studenten is dat anders. Bol-studenten wisselen vaker van
stage, en ze lopen vaak een kortere periode stage. Voor een goede aansluiting bij
het leerwerkbedrijf zijn bol-studenten daarom meer afhankelijk van de interne organisatie
en de stagebegeleiding vanuit school. Als die begeleiding of de communicatie vanuit
school achterblijft, kan dat zich vertalen in een lagere score.
9. In het Stagepact mbo is afgesproken dat alle scholen een meldpunt hebben voor het
melden van stagediscriminatie. Vindt u dit meldpunt voldoende effectief om stagediscriminatie
daadwerkelijk zichtbaar te maken? Kunt u toelichten wat er met meldingen gebeurt,
hoe opvolging wordt geborgd en of onderwijsinstellingen voldoende middelen hebben
om stagediscriminatie effectief aan te pakken?
Iedere vorm van stagediscriminatie is volstrekt onacceptabel. Studenten moeten stagediscriminatie
laagdrempelig en veilig kunnen melden bij een meldpunt. Het is belangrijk studenten
hier goed in te begeleiden en de juiste vervolgstappen te zetten na een melding. De
meldpunten op mbo-instellingen spelen hierin een belangrijke rol. In de mid-term review
van het Stagepact zien we een voorzichtig positieve ontwikkeling. Begeleiders weten
steeds beter welke stappen ze moeten nemen bij (vermoedens van) discriminatie. En
bijna alle mbo-instellingen hebben nu een meldpunt voor stagediscriminatie. Alle meldingen
worden ook doorgegeven aan SBB. Dat vind ik positief. Toch is er nog veel ruimte voor
verbetering. De informatie voor zowel docenten en begeleiders als studenten, is niet
altijd duidelijk en goed vindbaar. Daarom werkt mijn ministerie samen met JOBmbo en
de MBO Raad, om de meldpunten beter onder de aandacht te brengen bij studenten.
Na een melding van stagediscriminatie, zijn er verschillende stappen mogelijk. Samen
met de student bespreekt de school welke vervolgstap passend is. Dat kan bijvoorbeeld
een gesprek zijn met het leerbedrijf over de situatie en verbeterstappen. Wanneer
een student ervoor kiest om een formele melding te doen, geeft school dit door aan
de Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB). SBB gaat in gesprek
met de student, de school en het leerbedrijf en onderzoekt de situatie zorgvuldig.
Meldingen en (anonieme) signalen worden besproken tijdens het kwaliteitsgesprek met
het leerbedrijf. Leerbedrijven die zich schuldig maken aan stagediscriminatie moeten
verbeteren. Als ze dit niet doen, kan dit in het uiterste geval leiden tot het direct
intrekken van de erkenning als leerbedrijf, waardoor het bedrijf geen mbo-studenten
meer mag opleiden.
10. Veel mbo-studenten hebben moeite om financieel rond te komen. U heeft aangegeven
een verplichte stagevergoeding te willen invoeren. Kunt u aangeven wanneer deze verplichting
wordt ingevoerd en hoe u waarborgt dat de stagevergoeding voor mbo-studenten gelijkwaardig
is aan die van hbo- en wo-studenten?
Ik vind het belangrijk dat iedere student een stagevergoeding ontvangt. Daarom ga
ik voor alle studenten (mbo, hbo en wo) een verplichte stagevergoeding uitwerken in
een wetsvoorstel. Zodat het verplicht wordt voor bedrijven om een stagevergoeding
te betalen. Dit staat ook in het coalitieakkoord én uw Kamer heeft met een motie laten
weten hier duidelijk voorstander van te zijn (Kamerstuk 31 524, nr. 687). Ik zal uw Kamer voor de zomer een brief sturen met de hoofdlijnen van een wetsvoorstel
voor een verplichte stagevergoeding. Daarin staat ook hoe we dit zorgvuldig kunnen
uitwerken en wat de planning zal zijn. Begin 2027 wil ik de eerste conceptversie voor
een wetsvoorstel publiceren, zodat mensen hier hun feedback en input op kunnen geven
(de zogeheten internetconsultatie).
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
R.M. Letschert
Indieners
R.M. Letschert, minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap